VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – alle artikelen

.

In verschillende pedagogische voordrachten ging Steiner in op ‘plantkunde’.

Hier volgen zijn uitspraken uit de voordrachten GA 293 t/m 311 (buiten de genoemde heb ik in andere ped. voordrachten niets gevonden)

GA = Gesamt Ausgabe – het verzamelde werk van Steiner

GA 294

Voordracht 3plantkunde hoort in de klas, niet in de natuur gegeven te worden: daar moet je genieten van de schoonheid.
Voordracht 7: vóór het 9e/10e jaar biologie in verhalende vorm, daarna lessen in relatie mens-plant. Het gaat eerst om de mens.
Voordracht 10: plant- en dierkunde na het 9e jaar, wanneer er meer zelfbewustzijn is; hier vermeldt Steiner dat de plantkunde na de dierkunde komt. ( in de scholen nu 4e klas dierkunde, 5e kas plantkunde. In GA 295 wordt dit anders aangegeven.)
Voordracht 11: bij plantkunde vanuit het geheel naar de delen.
Voordracht 14: plantkunde gevoelsmatig aanschouwelijk geven, niet verstandelijk, intellectualistisch; kind heeft nog instinctief gevoel voor samenhang mens plant; dit instinctieve is er eerst voor de dieren, later voor de planten, vandaar de volgorde (zie voordracht 10); uiterlijke analogieën vermijden; veel aan gevoel, aan fantasie overlaten.

GA 295

Werkbespreking 9: een antwoord op de vraagstelling aan het eind van de 8e werkbespreking; wat is groei; kind moet plantendelen leren kennen; het gaat om relatie kind plant; de vorm van de plant behandelen; kiemproces op die leeftijd tonen is te vroeg; plant beschrijven als deel hele natuur, samenhang zon-aarde; voorbeeld dat Steiner geeft: de paardenbloem in de loop van de groeitijd, de vorm in relatie tot de elementen; het gaat ook om een overzicht van de lagere naar de hogere planten; ‘dienen om’ vermijden; samenhang water-wortel; lucht-blad; nog geen metamorfose; bevruchtingsproces niet te vroeg; gestalte mens niet direct te vergelijken met gestalte plant; plantenwereld soort negatief van mens;
Nu volgen er aanwijzingen die m.i. ‘antroposofie’ zijn en als lesstof dus eigenlijk niet in overeenstemming met Steiners veelvuldig naar voren gebrachte standpunt er geen antroposofische inhouden in de lessen horen te zitten. Wanneer dit in andere werkbesprekingen ook voorkomt, zal ik de kernwoorden in cursief weergeven.
groeikrachten vergelijken met eigenschappen ziel; met temperament; plantenwereld is aanvulling mens; wortels-gedachten, bloemen-affecties, emoties; streken op aarde in samenhang met plantvormen
.
Werkbespreking 10: pas later wetenschappelijk plantensysteem;
voorbeelden van Steiner van zichtbaar geworden zielenwereld in planten; verschil paddenstoel-boom; over slaap en wakker-zijn i.v.m. aarde en plantendek; plantenwereld zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde, te vergelijken met ziel van de mens; krachten die in de aarde zijn, zijn anders dan erboven;
verschil plant-boom; 

Werkbespreking 11: het gaat verder over de relatie plant-ziel;
planten niet vergelijken met temperamenten (m.i. enigszins in tegenspraak: Steiner noemt de paddenstoel in voordracht 10 ‘flegmatisch’
; vergelijking van de ontwikkeling van het kind van baby tot puber met de verschillende trappen van ontwikkeling van de plant [je zou kunnen aanvoeren dat dit ook antroposofie is, maar tegelijkertijd is mijn ervaring dat de kinderen dit heel geweldig vinden en hier ontstaat toch de gelegenheid voor de leerkracht het kind met de plantenwereld te verbinden] kind geen begrip voor plantenbevruchting; 
Werkbespreking 12: geen metamorfose en kiemproces; seksuele voorlichting niet met planten, het vergt een andere aanpak; een paar gezichtspunten;
2e leerplanvoordracht: plantkunde in klas 5, te vervolgen in klas 6;

GA 297

Voordracht 8: de zaakvakken pas rond het 9e jaar, wanneer het kind geleerd heeft zich van de buitenwereld te onderscheiden.
Bespreking van pedagogische vragen: pas wanneer het kind het Ik-bewustzijn krijgt (dat is niet met het 3e jr: dat is het Ik-gevoel), zo rond het 9e – 10e jaar, dan komt bij de wereld van kind, de buitenwereld erbij; dan kun je dier- en plantkunde geven op een heel andere manier dan daarvoor nodig is; dan gaat het ook niet nog om wetenschappelijkheid.
Voordracht 9: tot 9e jr. maakt kind geen onderscheid tussen subject en object: de buitenwereld gaat samen met de binnenwereld; tot deze tijd gaat het om fantasie, om beelden.

GA 297A

Voordracht 1: kind is vóór het 9e jaar anders dan erna. Een overgang van Ik-gevoel naar Ik-begrip. Daarom moeten vakken als plantkunde vóór het 9e anders worden gegeven dan erna.
Voordracht 2: de plant maakt in haar ontwikkeling sprongen. Dat is ook zo in de ontwikkeling van de mens.

GA 298

1e artikelhet verschil tussen het kind vóór het 9e en erna wat betreft het vertellen over planten.
Toespraak voor de ouders: zelfde onderwerp als boven.

GA 300
GA 300B: aanwijzingen voor klas 11: een- en tweezaadlobbigen; teleologie; celleer kosmologisch.
GA 300Caanwijzingen voor klas 12; systematiek.

GA 301
Voordracht 5: vóór het 9e jaar een plantkunde op sprookjesachtige manier.
Voordracht 8: kind gaat op 9e jr zijn wereld anders beleven: onderscheid wereld – Ik; vóór die tijd geen biologische begrippen; geven we wél biologische begrippen na dit jaar, dan geen aftreksel van een wetenschappelijke benadering; planten behoren levend tot de aarde, als haren op een hoofd; plant in tijdstroom van de seizoenen; boom: omhooggekomen aarde; met de dierkunde leven we met de dieren mee (subjectief), met de plantkunde staan we meer tegenover de plantenwereld (objectief). plant- en dierkunde en geschiedenis,
Voordracht 12: plant- en dierkunde en geschiedenis; plantkunde: aardoppervlak en verschillende planten.

GA 302
Voordracht 1: plant in verband brengen met de mens.
Voordracht 7: de 4 elementen bij de Grieken en de samenhang met de plant.

GA 302A
Voordracht 6: hoe vertel je over de planten met het oog op de temperamenten; sanguinische kinderen: vormen van bloei; melancholische: bladeren; cholerische: wortel; (de flegmatici worden niet genoemd).

GA 303
Voordracht 9: geen ‘volwassen’ plantkunde, maar kunstzinnig gebracht; geen systematiek; 
Voordracht 10: vóór het 9e jr: planten in kunstzinnige vorm via verhalen met gesprekken e.d.; na 9e heel anders: geen uitgerukte planten als onderwerp, maar plant en aarde als één; niet abstract verstandelijk, maar gevoelsmatige voorstellingen; de 4 elementen en de plant.

GA 304
Voordracht 2: plantkunde pas na 9e jaar; mogelijkheid onderscheid kind – omgeving.
Voordracht 4: rond 9e jr.: onderscheid ontstaat tussen Ik-omgeving; nu eenvoudige beschrijvingen van plant- en dier mogelijk.
Voordracht 6: in dit onderscheiden voelt het kind zich eerst nog verwanter met de dieren, later ook met de planten; plant en aarde horen samen; seizoenen; plant in de tijd; niet theoretisch relatie tot wereld ontwikkelen, maar via gevoel. 

GA 305
Voordracht 5: kind tot 9e jaar geen onderscheid tussen hem en omgeving; na 10e jaar plantkunde mogelijk; plant niet een losgetrokken ding uit de grond, maar behorend bij die grond: plant en aarde zijn één; uitgaan van bijv. landschap of geografie, wat de aarde daar is; kind krijgt objectief gevoel t.o.v. de aarde.
Voordracht 6: kind neemt plantkunde in zich op omdat het innerlijk beweeglijk is.

GA 306
Voordracht 4: vóór het 9e jaar moet alles wat je beschrijft: leven; rond 10e: eenvoudige beschrijvingen van planten; maar geen wetenschappelijke, systematische opsomming; planten horen bij de aarde: zijn één; samen met zonneschijn, klimaat enz.; plant niet los van de aarde, zoals haar niet los van het hoofd.
Voordracht 5: planten als haren; bij beeldende karakteristiek blijven; vóór het 9e jr. levendige beschrijvingen; na 9e: beeldend beschrijven.

GA 307
Voordracht
9: vóór 9e jr. geen onderscheid tussen kind en buitenwereld; tussen 9 en 10 wél; vóór het 9e de natuur brengen als iets sprekends-levends; daarna de wereld begrijpelijk in beelden aanbieden; plant in samenhang met de aarde, met de zonnekrachten; plant samen met de elementen; plant is niet gelijk aan bloem, maar aan wortel, stengel, bloem en vrucht; invloed maan; wat is een boom; plant en aarde horen samen; wat is een paddenstoel, korstmos; gezicht van de aarde; planten en geografie; plantkunde niet als dode wetenschap; 
goed plantkunde geven wekt de intelligentie (goed dierkunde de wil).
Voordracht 11: vóór het 9e jr. sprookjesachtig spreken over de natuur, die zelf spreekt; na 9e mogelijk om een goede houding te krijgen t.o. de aarde; 
Voordracht 12: kind moet plantenwereld in een bepaalde plasticiteit begrijpen, dat sterkt het intellect.

GA 308
Voordracht 4: in deze voordracht gaat voornamelijk over de plant; met een paar wezenlijke opmerkingen over hoe je plantkunde geeft;
hoe Goethe naar de plant keek; kiem, blad, stengel, bloem, zaadvorming, kiem enz.; uitbreiding-samentrekking; uitbreiding door de zon, samentrekking door de maan; invloed etherische kracht; enthousiasme hiervoor gaat over op de wordende mens; cactus; paasdatum; invloed van kosmos op klimaat, weer en groei planten; aarde en plant één geheel; plantkunde is niet: losse planten gaan bekijken; rond 10e jr: aarde en plant als één geheel; brengen; alles in levende beelden aanreiken, niet abstract verklarend; dan ontstaat eerbied voor de wereld; onderwijsmethodiek moet leven.


.

artikel in opbouw
.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2531

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.