VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 305

.

ga 305
.

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst

Opvoeding en onderwijs

Blz. 101     vert. 86/87

Voordracht 5, Oxford 21 augustus 1922

Die Erziehung der jüngeren Kinder
Der Lehrer als Erziehungskünstler (I)

Wir müssen berücksichtigen, daß das Kind in der ersten Zeit seiner Lebensepoche zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vor allen Dingen noch nicht unterscheiden kann z’wischen dem, was inner­lich Mensch ist und demjenigen, was äußerlich Umgebung, Natur ist. Beides wächst noch für das Kind bis zum 9., 1 10. Jahre in eines zusam­men. Das Kind fühlt innerlich dieses oder jenes. Es schaut äußerlich, sagen wir, einen Vorgang, die Sonne aufgehen oder dergleichen. Die­selben Kräfte, die es in sich vermutet, wenn ihm  nlust, Schmerz bereitet wird, vermutet es auch in Sonne und Mond, in Ba m und Pflanze. Wir sollen dem Kinde das nicht ausreden. Wir sollen uns hineinver­setzen in das kindliche Lebensalter, und ebenso in de Erziehung vor dem 9. Jahre alles behandeln, wie wenn eine Grenze  ch nicht gezogen wäre zwischen dem Menschen-Inneren und dem  atur-Außen. Das

De opvoeding van jongere kinderen De leraar als opvoedkunstenaar l

Wij moeten er rekening mee houden dat het kind in het begin van de levensfase tussen tandwisseling en geslachtsrijpheid vooral nog geen onderscheid kan maken tussen wat er innerlijk tot hem als mens, en wat er uiterlijk tot zijn omgeving, tot de natuur behoort. Die twee lopen voor het kind tot het negende, tiende jaar nog in elkaar over. Het kind voelt van binnen het een of ander, en het ziet buiten zich iets gebeuren zoals het opgaan van de zon of iets dergelijks. Dezelfde krachten die het kind bij zichzelf veronderstelt als het verdriet of pijn wordt aangedaan, veronderstelt het ook bij de zon en de maan, bij bomen en planten. Dat moeten wij het kind niet uit het hoofd praten. Wij moeten ons verplaatsen in de levensfase van het kind en eveneens bij de opvoeding tot aan het negende jaar zo met de dingen omgaan alsof er nog geen grens getrokken zou zijn tussen de mens van binnen en de natuur daarbuiten. Dat

Blz. 102  vert. 87

können wir nur, wenn wir den Unterricht möglichst bildhaft gestalten, wenn wir die Pflanzen menschlich handeln lassen, sie mit der anderen Pflanze menschlich sprechen lassen, wenn wir die Sonne mit dem Mond sprechen lassen, wenn wir überall hinein das Menschliche ver­setzen. Man hat heute eine wahre Scheu vor dem sogenannten Anthro­pomorphismus. Aber dasjenige Kind, das den Anthropomorphismus in seinem Verhältnis zu der Umwelt nicht erlebt hat, dem fehlt ein Teil vom Menschsein im späteren Alter, und der Lehrer muß eine Neigung haben, sich nun auch so in die ganze Umgebung lebendig geistig-see­lisch hineinzuversetzen, daß das Kind durchaus mitgehen kann ver­möge dessen, was in ihm vorhanden ist.

lukt ons alleen als we het onderwijs zo beeldend mogelijk vorm geven, als we de planten laten optreden als mensen, met andere planten laten praten alsof het mensen zijn, als we de zon een gesprek laten voeren met de maan, als we in alles het menselijke een plaats geven. Men is tegenwoordig erg huiverig voor het zogenaamde antropomorfisme. Maar het kind dat in zijn verhouding tot de buitenwereld het antropomorfisme niet heeft beleefd, mist in zijn latere leven een deel van zijn menszijn. De leraar moet er dan ook plezier in hebben in alles om zich heen zich zo levendig spiritueel te verplaatsen dat het kind hem op grond van wat in hem aanwezig is daarin helemaal kan volgen.
GA 305/101-102
Vertaald/86-87

Blz. 105  vert. 91/92

Zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr ist schon in der äußeren Dif­ferenzierung zwischen Knaben und Mädchen gezeigt, daß man da an einem wichtigen Lebensabschnitt ankommt. Der drückt sich darinnen aus, daß das Kind überhaupt unterscheiden lernt zwischen sich und der Natur. Vorher gibt es eigentlich gar keine Pflanze, sondern ein Wesen, das grün ist und rote Blumen hat, und in dem ein kleiner Geist drinnen ist, wie in ihm selber ein kleiner Geist drinnen ist. Pflanze, dieses Wesen, bekommt erst einen Sinn für das Kind gegen das 10. Jahr hin. Das muß man ihm nur nachfühlen können. Daher darf man den Unterricht erst gegen dieses Jahr hin so gestalten, daß man wie von einer äußeren Welt von der Umgebung spricht.
Dann kann man anfangen mit dem, was man gewöhnlich als die Schulgegenstände ansieht, zum Beispiel Pflanzenlehre. Aber gerade an der Pflanzenlehre kann ich veranschaulichen, wie man realistisch im besten Sinne des Wortes beim gestalteten Erziehen vorgehen muß. Wenn wir eine einzelne Pflanze zunächst einem Kinde vorführen, so handeln wir da ganz unnatürlich, denn das ist nichts Ganzes.

Tussen het negende en het tiende levensjaar wijst de uiterlijke differentiatie tussen jongens en meisjes er al op dat er dan een belangrijke fase in het leven is bereikt. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat het kind alleen al onderscheid leert maken tussen zichzelf en de natuur. Vóór dat moment bestaat er voor het kind eigenlijk helemaal geen plant, maar een wezen dat groen is met rode bloemen, en waarin een kleine geest huist, net zoals er in hemzelf ook een kleine geest huist. Het wezen ‘plant’ gaat zo tegen het tiende jaar pas iets betekenen voor het kind. Dat moet men met het kind kunnen meevoelen. Daarom mag men pas tegen deze leeftijd het onderwijs zo vormgeven, dat men over wat er om ons heen is spreekt als over een uiterlijke wereld.
Vanaf dat moment kan men een begin maken met wat gewoonlijk als schoolvakken wordt beschouwd, zoals bijvoorbeeld plantkunde. Maar juist aan de plantkunde kan ik duidelijk maken hoe men in een welgestructureerde pedagogie realistisch te werk moet gaan in de beste zin van het woord. Als wij beginnen met het kind een afzonderlijke plant te laten zien, dan doen wij iets heel onnatuurlijks, want dat is geen geheel. Een plant, en zeker een die uit de grond is getrokken, is geen geheel.

Eine Pflanze, ins­besondere wenn sie ausgerissen ist, ist nichts Ganzes. Die Menschen haben in unserer Zeit des Realismus, des Materialismus, wenig ma­teriellen und naturalistischen Sinn, sonst würden sie das fühlen, was ich eben jetzt gesagt habe. Ist eine Pflanze ein Ganzes? Nein, wenn wir sie ausgerissen haben und hierher legen, so geht sie sehr bald zugrunde. Es ist nicht ihre Natur, ausgerissen zu sein. Sie ist nur etwas in dem Erdboden drinnen, mit dem Erdboden zusammen. Ein Stein ist etwas Ganzes für sich. Den kann ich überall hinlegen, er ist dasselbe. Eine Pflanze kann ich nicht überall hintragen; sie ist nicht mehr dasselbe. Sie ist nur unmittelbar dasjenige, was sie ist, mit dem Stammboden, mit den Kräften zusammen, die aus dem Boden heraussprießen, und mit all den Sonnenkräften, die gerade auf diesen Teil der Erde auffallen, da ist die Pflanze ein Ganzes. Eine Pflanze für sich zu betrachten, ist geradeso absurd, wie wenn wir ein Haar ausreißen und das Haar für sich betrach­ten, als ob es ein Ding für sich wäre. Das Haar entsteht ja gar nicht anders, als an einem Organismus und kann nur verstanden werden im

De mensen hebben in deze tijd van realisme en materialisme weinig gevoel voor de materie en voor de natuur, anders zouden zij wel aanvoelen wat ik zojuist heb gezegd. Is een plant een geheel? Nee. Als wij een plant hebben uitgerukt en hier neerleggen, blijft daar al snel niet veel van over. Het is niet haar natuurlijke toestand om zo uitgerukt te zijn. Een plant is pas iets in de grond, samen met de grond. Een steen is op zichzelf een geheel. Die kan ik overal neerleggen, en die blijft hetzelfde. Een plant kan ik niet overal mee naartoe nemen, die is dan niet meer hetzelfde. Een plant is pas echt wat zij is samen met de grond waarop zij is gegroeid, samen met de krachten die uit de grond opwellen, en met alle zonnekrachten die juist op dat deel van de aarde terechtkomen. Pas zo vormt de plant een geheel. Een plant op zichzelf bestuderen is net zo absurd als een haar uittrekken en die dan op zichzelf bekijken, alsof die haar een ding op zichzelf was. Een haar ontstaat immers nooit anders dan op een bepaald organisme, en kan alleen worden begrepen in

Blz. 106/107  vert. 92/93

Zusammenhang mit einem Organismus. Das heißt, man kann bei der Pflanzenlehre nicht ausgehen von der einzelnen Pflanze, namentlich nicht von der Pflanzenwesenheit, sondern von der Landschaft, dem Geographischen, von demjenigen, was die Erde an einem bestimmten Ort ist. Und im Zusammenhang mit der ganzen Erde muß Pflanz­liches behandelt werden.
Wenn wir von der Erde sprechen, sprechen wir als Physiker, höch­stens noch als Geologen. Wir stellen uns vor: Die Erde ist eine abge­schlossene Totalität von physischen Kräften, mineralischen Kräften, und sie könnte auch existieren, wenn gar keine Pflanze, gar keine Tiere und gar keine Menschen darauf wären. Das ist aber ein Abstraktum. Die Erde, die der Physiker, der Geologe im Auge hat, die ist ein Ab­straktum. Die gibt es eigentlich gar nicht in Wirklichkeit. Es gibt nur diejenige Erde, die überall bedeckt ist von Pflanzen. Wir müssen uns bewußt sein, wenn wir eben das Geologische beschreiben, daß wir ein wesenloses Abstraktum nur zur Bequemlichkeit unserer Intelligenz beschreiben. Dem Kinde soll man aber nicht von Anfang an dieses wesenlose Abstraktum beibringen, sondern den Kindern soll man die Erde als einen Organismus lebendig machen.

samenhang met een organisme. Dat wil zeggen, dat men in de plantkunde niet kan uitgaan van de enkele plant, niet van het wezen van de plant dus met zoveel woorden, maar van het landschap, van de geografie, van wat de aarde op een bepaalde plaats is. De plant moet behandeld worden in samenhang met de hele aarde.
Als we het over de aarde hebben, spreken we als natuurkundige, of hoogstens als geoloog. Wij stellen ons de aarde voor als een geïsoleerd geheel van fysieke krachten, van minerale krachten. Die aarde zou ook kunnen bestaan als er helemaal geen planten, geen dieren en geen mensen op voorkwamen. Maar dat is een abstractie. De aarde die de natuurkundige, die de geoloog op het oog heeft, is een abstractie. Die bestaat in werkelijkheid eigenlijk helemaal niet. Er bestaat alleen maar die aarde die overal bedekt is met planten. Wij moeten, als wij dus een beschrijving geven van het geologische, ons ervan bewust zijn, dat wij bezig zijn een onwerkelijke abstractie te beschrijven uitsluitend tot gemak van ons intellect. Het kind mag men echter niet van meet af aan die onwerkelijke abstractie voorhouden. Voor kinderen moet men de aarde als een organisme tot leven laten komen.

Zunächst natürlich die Landschaft, die das Kind kennt; und dann, wie man ihm ein Tier zeigt, auf dem Haare sind, und man nicht, wenn es gar nichts von dem Tier wüßte, ihm ein Haar verständlich machen könnte, so muß man ihm die Erde als einen lebendigen Organismus auch lebendig machen und dann zeigen, wie auf der Erde die Pflanze west und webt. So also wird man Pflanzenlehre beibringen, indem man die Erde als ein Leben­diges, als einen Organismus ihm vorführt, zunächst das Stück Land­schaft, das es kennt. Dadurch hat man natürlich auch ein Abstrak­tum, denn eine Landschaft ist nicht möglich ohne eine andere auf der Erde; aber man muß sich dann bewußt sein, daß man auch von etwas Mangelhaftem ausgehen muß. Aber trotzdem kann man nach und nach erwecken bei dem Kinde nun wiederum aus der ganzen Bildhaftigkeit heraus dasjenige, was man nötig hat, ihm die Pflanze beizubringen.
Dadurch bringt man das Kind allmählich heran an die Außenwelt. Es bekommt das Kind ein Gefühl für den Begriff «Objektivität». Es lebt sich in das Irdische hinein. Das erreicht man am besten, wenn man das Kind in dieser natürlichen Art an die Pflanzenwelt heranführt.

In de eerste plaats natuurlijk het landschap dat het kind kent. En zoals men het kind een dier laat zien waar haren op groeien en men het niet, als het niets van een dier afweet, kan uitleggen wat haren zijn, zo moet men de aarde als een levend organisme voor het kind ook tot leven laten komen, om te laten zien hoe de plant op de aarde leeft en groeit. Men zal dus plantkunde geven door de aarde als iets levends, als een organisme aan het kind te presenteren, in de eerste plaats het landschap dat het kent. Dat levert natuurlijk ook een abstractie op, want het ene landschap is op aarde onbestaanbaar zonder het andere. Men moet zich daarbij dus bedenken dat men inderdaad gedwongen is uit te gaan van iets onvolledigs. Desondanks kan men op die manier bij het kind, wederom helemaal vanuit het beeldende, langzamerhand wakker roepen wat men nodig heeft om het kind de plant bij te brengen. Zo brengt men het kind geleidelijk aan in contact met de wereld om zich heen. Het kind krijgt een zeker gevoel voor het begrip objectiviteit. Het gaat deel uitmaken van het aardse. Dat bereikt men het best, wanneer men het kind op deze natuurlijke wijze in aanraking brengt met de wereld van de planten.
GA 305/105-106
Vertaald/91-93

Blz. 108   vert.  94/95

Nachdem es die Pflanzenwelt von sich abgesondert hat, die Empfindung des Objektiven der Pflanzenwelt, das Zusammenhängen der Pflanzenwelt mit der objektiven Erde in seiner Seele hat wirken lassen, lernt es die enge Beziehung der Tierwelt zum Menschen kennen, das Subjektive. Und so wird das Universum auf eine empfindungs­gemäße Weise mit dem Menschen wiederum zusammengebracht.

Dat is het andere aspect dat het kind dan op zijn elfde, twaalfde jaar in zich opneemt. Het heeft zich afgescheiden van de plantenwereld en het objectieve gevoel dat bij de plantenwereld hoort, de samenhang van de plantenwereld met de objectieve aarde op zijn ziel laten inwerken. Nu leert het de nauwe betrekkingen kennen tussen de dierenwereld en de mens, het subjectieve.
GA 305/108
Vertaald/94-95

Blz. 115   vert. 103

Voordracht 6, Oxford 22 augustus 1922

Die Erziehung der jüngeren Kinder
Der Lehrer als Erziehungskünstler (II)

Alles das, was Pflanzenwelt ist, kann es als Bild erfassen, weil das Muskelsystem plastisch, innerlich beweglich ist; wenn wir ihm das beibringen, was ich von der Tierwelt gesagt habe, wie die im Menschen lebt, so fühlt das das Kind nach, weil das Muskelsystem weich ist.

De opvoeding van jongere kinderen De leraar als opvoedkunstenaar ll

Alles wat plantenwereld is, kan het kind als beeld in zich opnemen omdat zijn spierstelsel plastisch is, innerlijk beweeglijk. Als wij het kind vertellen wat ik over de dierenwereld heb gezegd en hoe die in de mens leeft, dan kan het kind dat navoelen, omdat zijn spierstelsel nog week is.
GA 305/115
Vertaald/103

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2582

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.