VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 302

.

GA 302

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Menskunde en opvoeding

Blz. 19   vert. 20

Voordracht 1, Stuttgart, 12 juni 1921

Aber von ganz besonderer Wichtigkeit ist die Beziehung, die wir überall herstellen sollen, wo es nur die Möglichkeit ist: die Beziehung zum Menschen als solchem. Überall sollten wir Gelegenheit nehmen, die Beziehung zum Menschen als solchem herzustellen. Ich will sagen, wir besprechen ein Tier, wir besprechen eine Pflanze, wir besprechen eine Wärmeerscheinung, überall ist die Möglichkeit, ohne daß wir den Unterricht zerstreuen, ohne daß wir gewissermaßen das Kind ablenken, die Sache überzuführen auf irgend etwas, was den Menschen betrifft

Van het allergrootste belang echter is de relatie die wij overal moeten leggen waar zich de mogelijkheid maar voordoet: de relatie tot de mens als zodanig. Overal moeten wij de gelegenheid te baat nemen om de relatie te leggen tot de mens als zodanig. Als we een bepaald dier, een plant, een warmteverschijnsel bespreken, overal doen zich mogelijkheden voor om, zonder dat we het onderwijs versnipperen, zonder dat we de kinderen op een dwaalspoor brengen, het behandelde onderwerp in verband te brengen met iets wat de mens betreft.
GA302/19
Vertaald/20

In GA 295 ruimt Steiner een belangrijke plaats in voor de plant en de 4 elementen, door het jaargetijde heen.
In de 7e voordracht in GA 302 behandelt hij de 4 elementen zoals de Grieken die zagen, in relatie tot het etherlijf. Ook daarin iets over de plant en de elementen.

Blz. 112  vert. 111/112

Voordracht 7, Stuttgart 18 juni 1921

Die Griechen haben, wenn sie es auch nicht deutlich ausgesprochen haben, sich
gesagt: Da wirkt aus der Erde herauf von unten nach oben dasjenige, was Erde ist, was das Kalte und Trockene ist, das wirkt da von unten herauf und sobald die Pflanzen herausbrechen über die Erdoberfläche,dann wirkt, in freier Tätigkeit herausquellend, die Pflanze mit ihrerGrünheit, mit ihrer Blütenfarbigkeit, da wirken Wasser, Luft – aber so,wie es sich die Griechen vorstellten -, und da wirkt, alles in sich einfassend, das Feuer. Da draußen wirken durcheinander das Warme und Trockene, das Kalte und Feuchte, das Warme und Feuchte, und dasjenige, was da durcheinanderwirkt, feucht und trocken und warm und kalt, dieses Qualitative, das da ineinander webt und ineinander wirbelt, das wirkt über der Oberfläche der Erde in der Pflanzenwelt. Das muß man anschauen. Schaut man es an und schaut dann weg auf den Menschen hin, wie sein Ätherleib da drinnen arbeitet, da hat man etwas Ähnliches. Aber man fühlt sich drinnen, indem man das ganze Leben der Pflanze ansieht, angeregt durch eine solche Anschauung, ich möchte sagen, in sich selber hereinzuleben dieses Pflanzenleben, dieses objektive Leben. So ein Grieche hatte die Empfindung: da draußen blüht und gedeiht und wächst alles und verändert sich. Das wirkt auch in mir. 

Ook al spraken de Grieken het niet zo duidelijk  uit, ze waren van mening: vanuit de aarde werkt van onder naar boven dat wat aarde is, wat koud en droog is; dat werkt van onder naar boven. En zo gauw als de planten door het aardoppervlak heen breken, dan werkt de plant, actief en vrij opstijgend, met haar groene kleur, met haar kleurige bloemen, dan werken water, lucht – maar zó als de Grieken zich dat voorstelden -, en dan is het vuur werkzaam, dat alles in zich sluit. Buiten werken door elkaar het warme en droge, het koude en vochtige, het warme en vochtige; en datgene wat daar door elkaar werkt – vochtig en droog, en warm en koud, deze kwaliteiten die door elkaar weven en wervelen, dat werkt op het oppervlak van de aarde in de plantenwereld.
Dat moeten we goed bekijken. Als we daar naar kijken en vervolgens naar de manier kijken waarop het etherlichaam in de mens werkt, dan vinden we iets soortgelijks. Maar van binnen voel je, als je het totale leven van de plant bekijkt, door zó’n manier van kijken een aansporing om dit plantenleven, dit objectieve leven, in jezelf te beleven. De Griek had zo’n gevoel: buiten mij groeit en bloeit en gedijt en verandert alles; dat werkt ook in mij. – Immers wat hij zich voorstelde bij de werking van zijn eigen etherlichaam was niet iets wat ver van hem af stond. Hij zei: datgene wat als etherlichaam in mij zit, blijft geen onbekende voor mij. Zeker, in mijzelf kan ik dat niet zien, maar als ik mijn blik richt op alles om me heen wat groen is, dan vertoont zich daar iets aan mijn blik wat ook in mijzelf zit.
GA302/111-112  
Vertaald/111-112

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2564

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.