Tagarchief: boterbloem

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3 -21/2)

.

(Willem Beekman, Jonas 23 13-07-1979)
.

RITMEN IN DE PLANTENWERELD

In het vorige artikel kwamen ritmische verschijnselen aan de orde van tweeërlei soort:
–  de ritmiek, zoals die zichtbaar is aan de complete plant, maar dan uitge­drukt in de ruimte: bladgolvingen, jaarringen, bladstanden, geledingen, inwendige opbouw, enz.
Hierbij lijkt het alsof het ritmische verstild is in de plantenvormen. Bij ritme stel ik me meestal een relatie voor tussen bewe­ging en rust, die zich in de tijd afspeelt (hartslag).
De plant gaat hier anders mee om. Het herhalingsprincipe, de beweging wor­den in beeld gebracht. Er worden ‘plaatjes’ van gemaakt, die je voor je kan zien. Stollingsprocessen, afdruk­ken, vastgehouden door de materie van de plant. Als je in je voorstelling een stap verder gaat, dan komen de vormen in beweging, dan zie je de tijd meedoen en er ontstaan golvende, dei­nende, uitdijende, samentrekkende, stromende, vloeiende bewegingen.
Dit gebeurt in de plant niet op zo’n snelle manier. Het gebeurt wel, maar dan zó uitgerekt in de tijd, zó langzaam, dat wij er weinig tot niets van merken. We blijven de toeschouwers, die naar afge­werkte ‘plaatjes’ mogen kijken.

–  de ritmiek, zoals we dat meestal zien: snelle beweging, volgbaar, (of meet­baar). Als voorbeeld noemde ik de huidmondjesbeweging, afhankelijk van de omgeving. Veel zon, droogte, wei­nig wind en al die factoren meer beïn­vloeden de bewegingen van deze ui­terst fijne bladorgaantjes. Ik wil bij dit laatste type nog wat lan­ger stil staan en ten slotte nog een voorbeeld bespreken van het eerste ritme-type.

Welke bewegingen maakt een plant zo­al? Wanneer zie je echt een soort hart­slag, een zich herhalend proces? Dat zijn bijna altijd de bewegingen die be­werkt worden door de zonde dag/nacht-ritmiek dus. Eerst zie je alleen maar groen met een flauw-geel ver­moeden ertussen. Dan gaat het ineens snel, totdat een open stralend bloem­pje naar de hemel kijkt.
’s Avonds keert het proces om. Vele bloemen maken deze ontvangende en afsluitende beweging. Ook knoppen kunnen dat. Soms kun je je er ineens van bewust zijn, hoe zelden je voor de­ze dingen wakker bent. Je merkt pas aan het ontbreken van een stralend ge­le paardenbloemenzee midden op de dag, dat er met het weer iets aan de hand is. Het blijkt dan ineens somber en bewolkt te zijn. Ik kan me innerlijk dan best open en stralend voelen, maar een paardenbloem niet. Volledige afhankelijkheid, volledige overgave, volledige volgzaamheid tegenover de zon, het licht. Het is de natuurkwali­teit die door deze plantjes in beeld wordt gebracht.

Een ander voorbeeld: sommige bloe­men (pinksterbloemen bijvoorbeeld) gaan niet alleen dicht ’s avonds, maar laten het kopje hangen. Is dat niet een prachtig beeld van de stemming die de omgeving in zich draagt? Ook heel algemeen zijn de volgbewegingen. Heel langzaam draait de plant zijn bladeren, twijgen, bloemen, zelfs hele stengels naar het licht toe. Het is soms met het oog volgbaar. Weer een beeld van de afhankelijkheid: de dage­lijkse zonnebaan wordt herhaald in het klein door miljarden orgaantjes, door ontelbare blaadjes en bloempjes. Het is alsof die ene machtige hemelbeweging versplinterd wordt tot nietige herhalingen in de plantenwereld, inwendig gebeurt er dan ook nogal wat. Want de groene plant vertaalt de zon in substantie, en wel op een zeer ritmische manier. Overdag vorming van suiker, ’s nachts omvorming daar­van tot zetmeel en gedeeltelijk ook het opslaan daarvan. Natuurlijk wordt deze zonnesubstantie ook verbruikt (dag en nacht) maar de vorming, de opbouw overheerst. Als je daarover nadenkt is het wonder­mooi. De zon wekt een warmtestof (suiker) in de plant. Deze stof wordt door bomen uiteindelijk tot cellulose en ook tot hout gemaakt. Het afzetten daarvan, het ritmisch opbouwen daar­van wordt ook weer door de zon be­heerst:

zonnewerking in dag/nacht… suiker en zetmeelvorming

zonnewerking in een groeiseizoen… houtvorming en afzetten daarvan (jaar­ringen)

zonnewerking op lange termijn… zonnevlekkenritme (ruim elf jaar) is zicht­baar in de jaarringen.

Het procesritme van de korte termijn (dag/nacht, stofomzettingen) gaat
lang­zaam over in vormritme, beeldritme van de lange termijn. Daarbij wordt een substantie uitgescheiden, die wel eens drager van het ritme wordt ge­noemd: water. Bij iedere verdichtingsstap (suiker – zetmeel – cellulose-houtstof} verliest de materie water en wordt daarmee zwaarder, vaster en compacter.
Een veraardsing zou je kunnen zeggen. In het vorige artikel – Jonas 22 – heb ik beschreven hoe de golvende ritmiek in de plant zichtbaar wordt bij het overheersen van water­processen. Bij verhouting treedt het water terug en laat in stilte een afdruk achter (jaarringen).
Niet alleen het wa­ter is een ritmedrager. Hetzelfde kan gezegd worden van suiker (glucose). Iedereen weet dat ons lichaam deze stof ‘broodnodig’ heeft. (We halen sui­ker dan ook meestal uit brood door omzetting van zetmeel.). In de lever wordt uit suiker een stof gemaakt, die sterke verwantschap heeft met zet­meel, en wel glycogeen. Overdag sui­keropname, ’s nachts glycogeenopbouw. Een constant ritme van suiker naar glycogeen en omgekeerd, als onze spieren ernaar vragen. Het ritme waar­mee de plantenwereld de suiker vormt en verwerkt vindt een logisch vervolg in ons lichaam. Het zijn de uitingsvor­men van hetzelfde grondmotief, waar­in suiker zich ‘thuisvoelt’.
In de dierenwereld komt dit motief ook voor en wel zeer uitgesproken bij insecten, met name bij bijen. Het le­ven van deze dieren is gebouwd rond­om suiker en ritme. Ritme in de bijendans (die merkwaardige lemniscaatbeweging van werksters, om een nectarbron mee aan te wijzen) en in de ver­warming van de kolonie. Als ’s winters de bijenkluit afkoelt, gaan de buitenste dieren naar binnen bewegen. Daardoor moeten de binnenste dieren naar bui­ten, met als gevolg een soort kloppen­de beweging, die warmte vrijmaakt. Deze warmte komt van de verbruikte suiker.

Tot nu toe hebben we gekeken naar de relatie met de zon.
Er is nog een andere ritmiek die daar niet direct mee samenhangt. Meerdere malen heb ik vol bewondering staan kijken naar het gedrag van klimmende en rankende planten. U kunt het zelf eens proberen met de heggenrank (Bryonia dioica). De dunne ranken staan doorgaans vrij in de lucht en maken langzame, rondtastende bewegin­gen. Daarmee wordt steun gezocht bij een takje, een hek of een vinger. Als u langzaam op één plaats over de rank aait, dan is een kwartier later een lus gevormd rondom uw vinger. Na enkele uren geduld is er een soort spiraal ont­staan, waardoor de plant een nieuw anker heeft gevonden. Die kurkentrekkers zijn heel algemeen bij de heggenrank. Vlinderbloemigen bezitten blad­ranken, waarmee deze bewegingen voortdurend gemaakt worden (erwten, bonen, enz.). Deze bewegingen worden niet door de zon geleid, maar hangen samen met een omgeving zoeken, af­tasten, proeven.

Zoals beloofd, nog even terug naar het eerste ritmevoorbeeld: het in beeld (in de vorm) brengen van ritme. Hierbij heeft Goethe ons opmerkzaam ge­maakt op een fenomeen dat langza­merhand de Jonaslezer vertrouwd zal zijn: de bladmetamorfose.
In deze fase van het jaarverloop word je voortdu­rend getroffen door de kunstzinnige manier waarop planten met hun bladvormen spelen. Boterbloemen spreken in dat opzicht een rijke taal. Als je langs de stengel omhoog gaat en de achtereenvolgende bladeren bestu­deert, dan is er een groot vormverschil tussen het eerste en het laatste stengel­blad, met daartussen een hoogtepunt wat betreft grootte en structuur: vaak zeer ingewikkeld ingesneden en ver­deelde bladeren, waarvan je direct zegt: ‘O ja, een boterbloemblad’. De onderste, meer ronde en kleine blade­ren, of de bovenste, meer spitse en steelloze bladeren zijn moeilijker te herkennen als typisch boterbloem. Je ziet eerst kleine bladeren, dan een
op­zwelling van vorm en grootte en ten ­slotte afname tot kleine bladslipjes. We zien dit bij veel plantensoorten. Eerst uitbreiden, dan samentrekken (een soort plantenhartslag). Wat volgt er nu op de sterkste samentrek­king? Een nieuwe uitbreiding in de vorm van de (groene) kelkblaadjes. Deze staan samen met de andere bloemonderdelen niet meer verspreid langs de stengel, maar zijn alle verza­meld op een klein gedeelte van de plant, de bloembodem. Na de
kelkuitbreiding volgt er even niets (samen­trekking) waarna een nieuwe explosie volgt: de kroonbladeren zijn nu ge­vormd, vaak bont gekleurd, geurend en soms snel verwelkend. Deze bladen trekken zich weer sterk samen om de meeldraden en de stampers te vormen. Hierop volgt nog eenmaal een uitbrei­ding, die vaak buitengewoon sterk is en veel materie met zich meeneemt: de vruchtvorming. Als allerlaatste komt de samentrekking in het zaad. Daarin zit een nieuwe plant, gecomprimeerd tot de kleinst denkbare ruimte.

Een viervoudig herhaald proces van uitdijing en samentrekking: eerst de stengelbladeren, dan kelk, kroon, meeldraden/stampers, vrucht en zaad. Een soort hartritme van vier keer, dan is de plant klaar met groeien, dan is het groeiseizoen afgelopen, dan is de nieuwe plant in aanleg gevormd. Het lijkt alsof de plant zichzelf opzweept, oplaadt, verrijkt met kracht door mid­del van een ritmeproces, om tenslotte in de aarde een nietig zaadje achter te laten. Wat een ingehouden kracht moet er in die ontelbare zaden aanwe­zig zijn, als ze ’s winters in de aarde rusten. Wat een kracht voelen we in de lente als al die planten tevoorschijn komen en omhoog schieten. Dan komt de zonnekracht van de vorige zomer ineens naar buiten en laat in ons een geweldig opstandingsgevoel achter.

.

Ritmealle artikelen

Plantkundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle klassen

 

.

544-498

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (36)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.125, hoofdstuk 36                                                                         alle hoofdstukken

.

WAT JE AAN DE BLADEREN VAN DE BOTERBLOEM KAN ZIEN
Wanneer de gele boterbloemen, ook wel eens hanenvoeten genoemd, bloeien, zijn de weiden op hun mooist. Je kan dan bossen bonte bloemen plukken waarin geen kleur ontbreekt.En wat lichten ze mooi teer op. Vooral wanneer er klokjes bijzitten, steekt het volle geel van de boterbloem bij het blauwe en violet prachtig af.

De vele verschillende boterbloemsoorten die er zijn, komen op even zo vele andere plaatsen voor; sommige in de bergen, zoals bv. de alpenboterbloem; andere meer op moerasachtige bodem of zelfs in het water, zodat alleen de bloemen maar boven water uitkomen, zoals bij de golvende waterranonkel.

Het meest voorkomend is toch de scherpe boterbloem. Hij is één van onze bekendste weidebloemen. Wanneer hij in volle bloei staat, zie je dikwijls het groen van de weide niet meer, zoveel eigele boterbloemschoteltjes als daar staan. Scherpe boterbloem heet de plant omdat de bladeren een scherpe smaak hebben en omdat ze iets giftig zijn.

Je kunt heel veel leren, wanneer je de bladeren aandachtig bekijkt. De onderste zien er namelijk heel anders uit dan de bovenste, zodat je een interessante trap krijgt, wanneer je ze in volgorde bekijkt. Om te beginnen wordt het al meteen duidelijk, waar de naam “hanenvoet” vandaan komt, want deze handvormig gedeelde bladeren met hun punten lijken veel op de poten van een haan. Meestal zijn ze met een donkerbruine tekening versierd.

De onderste bladeren zijn kleiner en hebben een bijna ronde omtrek. Maar de volgende al, die aan erg lange stelen zitten, vormen duidelijk vijfhoeken. Het blad is in vijf hoofdpunten opgedeeld, die ook weer in kleinere spitsen verdeeld zijn. Dan volgen de bladeren die aan de stengel zitten. Ze zien er  bijna nog net zo uit als de voorafgaande, zij het dat ze aan kortere stelen zitten. Hoe dichter de blaadjes de bloem naderen, des te eenvoudiger en kleiner worden ze en des te spitser lopen de punten toe. Uiteindelijk is er nog één enkele, zeer dunne straal over. Wanneer je niet zou weten  dat het bovenste en het onderste blad van de boterbloem aan een en dezelfde stengel groeien, dan zou je nauwelijks geloven dat ze bij elkaar horen.

Volgorde van de blaadjes van de scherpe boterbloem.

Zo’n verandering  van de stengelbladeren, zoals je aan de scherpe boterbloem kan zien, vind je ook bij veel andere boterbloemsoorten, al naargelang waar ze groeien. De goudgele boterbloem bv. groeit bijzonder graag op vochtige plaatsen, op vochtige weiden of aan de rand van het bos. Bovendien is hij de eerste boterbloemsoort van de lente die al zeer vroeg in bloei komt. Daarom moet hij zich behoorlijk inspannen, de rondachtige blaadjes die het eerst komen, in echte boterbloemblaadjes te veranderen. Hij moet eerst een paar pogingen doen en wanneer het hem dan eindelijk is gelukt, komt meteen de zon en wil bloemen maken. Ze splitst de stengelbladeren terdege, zodat ze een stralend karakter krijgen. Nog veel meer dan bij de scherpe boterbloem zijn daarom bij de gulden boterbloem de stengelblaadjes anders dan de wortelbladeren en hier kun je je nog meer verbazen over het feit dat er zoveel verschillende bladvormen aan één plant kunnen voorkomen.

Dat de onderste bladeren zo rondachtig zijn en dat ze van die brede vlakken hebben, komt door het vocht van de bodem. Aan de moerasdotterbloem, die zeer verwant is aan de boterbloem, zie je heel duidelijk, hoe de bladeren worden, wanneer er veel water in binnendringt. Dan wordt de hele plant plomp en log. Ze krijgt vlezige bladeren uit één stuk en dikke stengels die zich tenslotte  op de natte grond ter ruste leggen.

Wanneer daarentegen een plant recht de hoogte inschiet en een slanke vertakte stengel vormt, zoals bij de boterbloem, dan kan de lichtdoorstraalde lucht diep in de stengelblaadjes doordringen, deze klieven en in stukken scheuren en ze vormen geven die als bliksemstralen wegschieten. Aan de boterbloem kun je dit alles zien. Maar de bladeren zijn aan de boterbloem ook het voornaamste. Je kunt je ook wel indenken dat de zon er weinig moeite mee heeft zo’n lenteplant te veranderen. De boterbloem heeft er immers zelf ook veel plezier in. Hij vindt het leuk steeds nieuwe bladvormen te ontwikkelen. Dat zie je ook duidelijk aan de vele familieleden van de boterbloem die hun veranderkunst zelfs op de bloemen uitleven. De boterbloem heeft nog een regelmatiger bloem met een vijfdelige kroon en net zo’n kelk; bij andere boterbloemsoorten echter, zoals bv. de ridderspoor en de monnikskap, weet je op den duur niet meer wat nu eigenlijk de kelk en wat nu de kroon is, zo zeer is alles veranderd. Het zijn kloeke veranderingskunstenaars, deze planten.

Goudgele boterbloem. Hij is de eerste boterbloem die in de lente bloeit. De onderste bladeren zien er heel anders uit dan die aan de stengels zitten.

Sommige hebben weer bloemen die er bijna zo uitzien als diertjes met staarten, zoals kikkervisjes of zoiets, die zich alleen niet kunnen bewegen, omdat ze aan een bloemsteel vastzitten. Dat is zo bij bv. de ridderspoor en bij veel akelei-achtigen. Ook de akelei is een boterbloemachtige. Je kunt al snel zien dat ze familie zijn aan de drie blaadjes van de bloemstengeltjes. Ze hebben niet eens een steel. Alleen de niet-bloeiende plantjes hebben bladstelen. Dan hoef je er ook niet meer verbaasd over te staan dat de bloem van de bosanemoon niet eens een groene kelk heeft, want de groene stengelblaadjes hebben die al voor zichzelf genomen. Wanneer je goed kijkt kun je veel begrijpen.

Twee blaadjes van de dotterbloem. Zij zien eruit als grote lappen, want de plant wortelt in een moerasachtige bodem. Zo worden de bladeren dik en vormloos.

Anemonen

Sag, woher kommen
die schönen, die frommen,
die tausend und aber Millionen
weissgekleidter Anemonen.

‘Wir sind die Kindlein, die abgeschieden
so frühe hienieden;
nun wohnen wir oben
im Vaterhause da droben.”

Was tut ihr nun hier
im Waldesrevier,
ihr lieblichen Kleinen,
beim Frühlingserscheinen?

‘Drum dürfen wir fort,
jedes an seinen Heimatort;
auf  Ostern, da wird Vakanz gegeben,
drei Wochen lang welch ein Freudenleben!’

‘Und drum sind wir hier
im Waldesrevier
alle weissgekleidet. M:agdlein wie Söhnlein
mit goldenen Krönlein.’

von den schwäbischen Bauerndichter CHRISTIAN WAGNER

blad van monnikskap                                               blad van ridderspoor

Al mogen de boterbloemen dan nog zulke grote bladkunstenaars zijn en al mogen ze zelfs hun bloemen als tovenaars veranderen, zo gauw ze uitgebloeid zijn, is het met ze gedaan. Ook al zouden de weiden niet gemaaid worden, ze moeten afsterven, want ze hebben al hun kracht gegeven aan het vormen van blad; voor echte vruchten blijft niets meer over. Wanneer de bloem uitgevallen is, kan de scherpe boterbloem alleen maar een klein stekelbolletje aan zijn bloemstelen omhoog houden. Dat zijn de zaadbestanddelen van de boterbloem die uit de vele vruchtbeginsels van de bloemen zijn ontstaan.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

41-39

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.