Tagarchief: composiet

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2-2)

.

Gerbert Grohmann:

‘OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 115

Deze werkbespreking heeft als inhoud een groots opgezette schets van hoe je het methodisch voor elkaar kan krijgen dat er in het kind een gevoel gewekt wordt  dat de aarde geen doods wereldlichaam is, maar een organisme dat leeft, bezield is en doortrokken van geest.
Alle details van de werkbespreking staan in dienst van deze grote opdracht en moeten dientengevolge op waarde worden geschat.
Ook de indrukwekkende beelden van de bomen en de paddenstoelen, de samengesteldbloemigen enz., staan geenszins op zichzelf. Deze alleen maar te gebruiken als welkome voorbeelden, zou tekort doen aan de diepere betekenis die aan hen ten grondslag ligt en die hun pas hun ware belang geeft.

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen en er vanuit de meest verschillende samenhangen over gesproken hoe belangrijk het is, dat de toekomstige generatie de aarde als organisme leert begrijpen, niet alleen maar vanuit een natuurwetenschappelijke basis, maar met name vanwege de wezenlijke relatie van de mens met zijn aardse bestaan. Een positieve levenshouding die helpt om de opgaven in het leven aan te kunnen, moet al op school als gevoelsbeleving aangelegd worden. Ook de opvatting over het leven van de plant en de zinvolle samenhang daarvan met het leven van het aarde-organisme speelt daarbij een rol.
En opnieuw wordt de manier van het beschouwen van de plantenwereld door een menselijk doel bepaald. Tegelijkertijd echter – mag wel gezegd worden – wordt de plantenwereld ook bevrijd uit een doodskist waarin deze door de vele doodse beschouwingen is neergelegd.

Rudolf Steiner legde in het begin van de 10e werkbespreking uit (twee opmerkingen die we al eerder besproken hebben, kunnen we hier weglaten) dat, als het zomer wordt, ja met de lente al, de slaap zich over de aarde verspreidt die steeds dieper wordt. In de herfst, wanneer de planten er niet meer zijn, houdt de slaap weer op. Verder legde Rudolf Steiner aan zijn uitleg een vergelijking van de slaap bij de mens en die van de aarde ten grondslag. Hij zei dat wanneer de mens inslaapt, zijn gevoelens,

Blz. 116

zijn hartstochten enz. mee de slaap in gaan. Maar daarin zouden ze er als planten uitzien.
Dan volgen de voorbeelden die al op blz. 107 gegeven zijn, van de kokette dame en de saaie mens. Aan de kokette dame kan helderziend worden waargenomen hoe er tijdens haar slaap voortdurend narcissen haar neus verlaten; bij de saaie mens komen er reusachtige bladeren vanuit zijn hele lijf.

Wanneer de mens in slaap valt – zo schets Rudolf Steiner verder – houdt alles op wat zielenleven is, bij de plantenwereld daarentegen, die ’s zomers slaapt, begint het zielenleven met het inslapen (d.w.z. het zielenleven van de aarde wordt in de planten zichtbaar). De plantenwereld ’s zomers is niet, zoals een deelnemer denkt, dromen van de aarde, maar de aarde slaapt ’s zomers. Dromen zou je kunnen zeggen over hoe de plantenwereld er in de lente en de herfst uitziet.

Het maartse viooltje bijv. zou je, als het groen is, nog met dromen kunnen vergelijken, maar niet wanneer het bloeit. Dan kun je de planten pas weer in de tijd wanneer de bladeren vallen, met dromen vergelijken.

In het verdere verloop van de werkbespreking ontwierp Rudolf Steiner voor een toehoorder het beeld van een bloesemboom. Hij gebruikte daarvoor weer de vorm van de directe rede tegen de kinderen. Rudolf Steiner zei:

‘Kijk eens goed naar een boterbloem, of een andere bloem die we uit kunnen graven. Onderaan zie je de wortels, dan de stengel, de bladeren, de bloemen en dan de meeldraden en de stamper, waaruit de vrucht wordt voortgebracht.’ Zo’n plant laat men de kinderen ook in het echt zien. Dan gaat men met de kinderen naar een boom: ‘Kijk eens, stel je die plant eens voor naast deze boom! Hoe ziet deze boom er dan uit? Ja, hij heeft onderaan ook wortels, zeker, maar dan is er geen stengel maar een stam. Dan spreidt hij eerst nog zijn takken  uit en dan lijkt het wel of op die takken pas de eigenlijke planten groeien. Want op die takken zitten veel blaadjes en bloemen. Er groeien als het ware kleine plantjes op die takken. We kunnen een weiland dan ook heel anders zien: over de hele wei groeien van die gele boterbloemen. De wei is bedekt met planten die allemaal hun wortels in de aarde hebben. Maar bij een boom is het alsof men de wei heeft opgepakt, omhooggetild en rond gebogen, zodat al die bloemen pas daar bovenop groeien. De stam is zelf een stuk aarde. De boom is hetzelfde als de wei, waarop de planten groeien.

Blz. 117

Hier hebben we dus het eerste beeld van deze werkbespreking! Rudolf Steiner maakt geen onderscheid tussen boomstam en groene stengel. Dit onderscheiden is niet alleen feitelijk nodig, maar speelt ook pedagogisch-methodisch een belangrijke rol, omdat later de begrippen ‘omhoog gegroeide aarde’, ‘uitwassen van de aarde’ voor boomstammen uitgewerkt moeten worden. Wanneer de aarde het voor elkaar krijgt zich omhoog te werken en levende, of half levende heuveltjes op te werpen, moet zij zelf levend zijn. Het hout van de boom is rotssteen op vegetatief niveau. Wanneer het bij zeer oude wilgen, linden of eiken vermolmt, wordt dat een soort aarde, ‘boomaarde’, precies zoals gesteente tot aarde kan verweren. De groene plantenstengel daarentegen, hoort niet bij het aardse. Die is een onderdeel van de eigenlijke plant die blaadjes, bloemen en vruchten draagt en alleen kan worden begrepen als resultaat van gestalte scheppende etherische kracht rondom de aarde.
Het weefsel van het cambium van de bomen dat het hout en de bast van de boom opbouwt, streeft naar een zo snel mogelijke verdichting, zelfs mineralisering, zonder daarvoor tijd te hebben gehad een echte plant te worden. Je zou het cambium het levende orgaan van de aarde kunnen noemen binnen de plant, waardoor de aarde haar recht laat gelden. Is dus de tendens als eigenschap van een boomstam duidelijk door het aardse bepaald, zo is aan de groene plant alles tegengesteld aan het aardse. Groeirichting, vorm en stofvorming worden alle door de kosmos bepaald. De boom heeft de stengelachtige gestalte van zijn takken en twijgen (vooral de jonge) en de zuilenvorm van de stam slechts a.h.w. van de stengel ‘geleend’, want de processen van hout- en bast(schors)vorming leunen aan tegen die van de stengel.
Wanneer we met de kinderen over de rol van de aarde bij de vorming van bomen spreken, zullen we waarschijnlijk de beschouwingen van hierboven niet nodig hebben, omdat kinderen beelden zoals deze onmiddellijk begrijpen. Voor de volwassene is het echter goed, ook de natuurwetenschappelijke grondslagen te doordenken.[2]   [zie Grohmann: leesboek voor de plantkunde – over de bomen]

Dan gaat Rudolf Steiner met het beeld verder. De boom wordt in een composiet zoals paardenbloem of kamille veranderd. ‘Te snel opgeschoten bomen’ worden de composieten later genoemd, bomen dus, waarbij niet eerst een stam wordt gevormd, ook geen kroon waardoor de aparte bloemen over de ruimte worden verdeeld, maar de vele kleine bloempjes blijven dicht opeen gedrongen in het korfje

Blz. 118

en vormen het bloemhoofdje, omdat alles zo snel moet gaan. Ten slotte worden boom, composiet en gewone planten simpelweg vergelijkend naast elkaar geplaatst. Rudolf Steiner schetst als volgt:

En dan gaan we van de boom naar de paardenbloem of de kamille. Die hebben ook wortels in de aarde; er is iets als een stengel en bladeren. Maar daar boven is de bloem samengesteld, daar staan allemaal kleine bloemetjes naast elkaar. Bij de paardenbloem is het immers zo dat die samengesteld is, hij heeft allemaal kleine bloemetjes, bloemetjes die helemaal volledig zijn en in de paardenbloem vastzitten. En nu hebben we dus: de boom, de samengesteldbloemigen en de gewone plant, de stengelplant. Bij een boom is het zo alsof de plantjes er pas bovenop groeien. Bij de samengesteldbloemigen zit de bloem op de gewone plaats; maar dat zijn geen bloemblaadjes, dat zijn talloze volledig ontwikkelde bloemen.

In het volgende stukje worden ook de paddenstoel en de varen erbij betrokken. Die zijn eveneens eenzijdigheden als plantengestalte. Maar dat is hier nu niet het meest wezenlijke, hoe verhelderen het ook mag zijn. De voorbeelden worden gegeven, omdat ze mogelijk maken met de kinderen de stap te zetten van het zintuiglijke naar het niet-zintuiglijke. De paddenstoel brengt alleen tot ontplooiing wat het bloei-achtige, vrucht-achtige aangaat, de varen bestaat alleen maar uit bladeren. De andere delen ‘mislukken’. Ze komen er niet, omdat de aarde die bij zich houdt. Dat betekent echter, dat ze a.h.w. in het levenslichaam van de aarde opgelost blijven. Ze zijn alleen in de krachten aanwezig, zoals later wordt gezegd. 

En nu stellen we ons het verhaal weer heel anders voor: dat de plant alles onder de aarde houdt. Ze wil wortels ontplooien, maar komt er niet toe. Ze wil bladeren ontvouwen, maar krijgt het niet voor elkaar. Alleen dat daar boven, dat wat anders in de bloem zit, ontvouwt zich: dan ontstaat er een paddenstoel. En als dan ook de wortels daaronder mislukken en er alleen maar bladeren ontstaan, dan ontstaan er varens. Dat zijn allemaal verschillende vormen, maar het zijn allemaal planten.’

In de volgende zin gaat Rudolf Steiner weer tot de directe rede over. We horen weliswaar niets nieuws,

Blz. 119

maar voelen toch hoe er volgens Rudolf Steiner met kinderen over wat al bekend is, gesproken moet worden. 

‘Ja, wat denk je nu eigenlijk, waarom is de paddenstoel eigenlijk een paddenstoel gebleven? Waarom is de boom een boom geworden? Laten we eens een paddenstoel met een boom vergelijken. Wat voor verschil is er? Is het niet zo, alsof de kracht van de aarde naar buiten is gedrongen, alsof haar innerlijk buiten zichtbaar is geworden in de boom en de hoogte in is gegaan, om daar pas bloemen en vruchten te ontwikkelen? En bij de paddenstoel heeft ze dat wat anders altijd op de aarde omhoog groeit in zichzelf vastgehouden, alleen het allerbovenste niet, dat zijn de paddenstoelen. Bij de paddenstoel is de boom onder de aarde, alleen de krachten ervan zijn aanwezig. De paddenstoel is wat anders het buitenste van de boom is. Als er ergens heel veel paddenstoelen groeien, dan is het alsof daar onder een boom is, alleen, hij is in de aarde. Als we een boom zien, dan is het alsof de aarde zichzelf omhoog heeft geduwd, zich heeft uitgestulpt en haar innerlijk naar buiten brengt.’

Met de laatste zin is zogezegd het sleutelwoord gevallen. Aan de planten kun je het zien: er is iets in de aarde aanwezig wat onzichtbaar is, wat echter naar boven kan komen en daar een zichtbare gestalte aan kan nemen. De begrippen die we nodig hebben om de ziel van de aarde te begrijpen, zijn daarmee gevormd, zonder dat we ook maar een ogenblik de concrete basis hebben verlaten. 
Dan gaat Steiner verder:

Als de aarde dus paddenstoelen laat groeien, dan houdt ze de kracht van de groeiende boom in zich vast. Maar wanneer de aarde bomen laat groeien, dan brengt ze de groeikracht van de boom naar buiten.’

Daar heeft u iets wat als het zomer wordt zeker niet binnen in de aarde is, maar wat er uitkomt. En als het winter is, dan duikt het de aarde in. Als het zomer is, dan zendt de aarde door deze kracht van de boom haar eigen kracht in de bloemen, ze laat ze zich ontvouwen, en wanneer het winter is neemt ze die kracht weer in zich terug. Waar is eigenlijk de kracht die ’s zomers daar buiten in de bomen rondwaart — groot in de bomen en heel klein in een viooltje – in de winter? Die is ’s winters onder in de aarde. En wat doen dan de bomen, de samengesteldbloemigen en al die andere wanneer het hartje winter is? Dan ontvouwen ze zich helemaal onder de aarde, dan zijn ze binnen in de aarde, ze ontplooien het zielenleven van de aarde.

Stel je toch eens voor wat die aarde allemaal gewaarwordt, voelt! Want wat jullie de hele zomer allemaal kunnen zien, de bloemen, de bladeren, alles wat zo overvloedig groeit en bloeit, de boterbloemen, de rozen,

Blz. 120

de anjers: ’s winters is het onder de aarde, en dat wat daaronder de aarde is, voelt dan, is boos of blij!’

 Zo krijgt men geleidelijk een begrip van het leven dat zich ’s winters onder de aarde afspeelt. Dat is de waarheid! En het is goed als men dat de kinderen bijbrengt. Dat is niet iets wat de materialistische mensen zweverig zouden kunnen vinden

Verder zegt Rudolf Steiner dat je op deze manier het echte zielenleven krijgt dat zich in de planten weerspiegelt. Onder de aarde bevindt zich zoiets als een reusachtige boom. Alleen wat de aarde daarvan niet bij zich kan houden en wat op het aardoppervlak naar buiten komt, wordt door natuurkrachten van buiten tot die rudimenten van bladeren omgewerkt zoals we die zien in mossen, varens e.d. Wat deze planten echter onder de aarde ontplooien, blijft ethersubstantie. 
Dan is er weer sprake van de boom die op aarde de groeit: 

De boom is zelf een stukje aarde, de stam en de takken. Wat daar gebeurt, is dat datgene wat bij paddenstoelen en varens nog onder de grond is naar buiten wordt getild. Als een boom langzaam de aarde in zou zakken, zou dus alles aan hem veranderen: als men hem zou laten zakken, dan zouden zijn bladeren en bloemen veranderen in varens, mossen en paddenstoelen en voor hem zou het dan winter worden. Alleen, hij onttrekt zich aan het winter worden. Hij is datgene wat zich enigszins aan het winter worden onttrekt. Maar zou ik zo’n paddenstoel of zo’n varen bij de kraag kunnen grijpen en steeds verder de aarde uit trekken, dan zou ik een hele boom uit de grond trekken. Want dat wat daar beneden aan ethersubstantie bestaat zou dan met de lucht in aanraking komen. En wat paddenstoelen waren, dat zouden in de lucht bloesems worden en er uitzien als bomen. En de eenjarige planten staan hier midden tussen. De samengesteldbloemige is datgene, althans in één bepaalde vorm, wat dan ontstaat. Als ik een samengesteldbloemige terug zou sturen, dan zouden zich ook enkel afzonderlijke bloemen ontwikkelen. De samengesteldbloemige is iets wat men een te snel opgeschoten boom zou kunnen noemen.
 Zo kan er ook een wens leven in de aarde. De aarde heeft de behoefte om de wens te laten wegzinken in de slaap. Dat doet ze ’s zomers, en de wens stijgt omhoog als een plant. Boven wordt hij dan pas zichtbaar – als waterlelie. Onder in de aarde leeft deze als wens, boven wordt hij een plant.

De aarde slaapt in de zomer en is in de winter wakker, maar ze kan op verschillende plaatsen gelijktijdig slapen, dromen en wakker zijn, zoals het ook op verschillende plaatsen naast elkaar zomer en winter, lente en herfst bestaan. Ze echter ook daar waar het dan zomer is, dus slaaptijd, op een paar plaatsen wakker zijn.

Blz. 121

Dat is bijv. het geval waar veel paddenstoelen groeien (niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde).

Een lichte sluimer kunt u vergelijken met de gewone planten, een toestand van waken tijdens de slaap met de paddenstoelen – waar veel paddenstoelen zijn, daar is een plaats waar de aarde wakker is gedurende de zomer – en een heel intense, diepe slaap met de bomen. Daaraan kunt u aflezen dat de aarde niet net zo slaapt als een mens, maar dat de aarde op de ene plaats meer slaapt en op de andere meer wakker is, hier meer slaapt, daar meer wakker is. Zo is het ook bij de mens, die immers in het oog en in de andere zintuigorganen tegelijkertijd naast elkaar slaapt, waakt en droomt.

[2] Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

De 9e werkbespreking

[1] GA 295  vertaald
Uitverkocht: een scan ervan via vspedagogie@gmail.com

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

.

2730

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (44)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.164, hoofdstuk 44                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE PAARDENBLOEM

Habt ihr von dem lustige Ding gehört?
Kaum hat er die Sonne ausgelöscht,
da schickt er schon die Sterne fort.
Und nun – o weh – ist ihm die Milch
bitter geworden!

Deze plant is alle kinderen goed bekend; niet alleen door de heerlijk stralende zonnebloem, maar ook, omdat je van de holle stelen veel kan maken: kettingen, waterleidingen enz. De bloemen van de paardenbloem verschijnen al in mei, waardoor de plant ook wel meibloem genoemd wordt. Iets later hebben ze zich dan in de witte lantaarns, of zoals sommigen ook wel zeggen, in blaasbloemen veranderd, want wanneer je er tegen blaast, vliegen de vele vruchtjes van de paardenbloem. Aan ieder parachuutje hangt een klein zaadje.

De tuinlieden houden veel minder van de paardenbloem dan de kinderen, want hij groeit snel en vaak op plaatsen waar hij niet gewild wordt; hij verbreidt zich in de wijde omtrek, zodat je niet te weten komt waar ze eigenlijk vandaan komen. Dat doet broeder wind natuurlijk, want hij draagt het parapluutje verder. Wanneer je een paardenbloem uit de grond wil trekken, houd je gewoonlijk alleen de bladeren in je hand en de lange penwortel die erg diep in de grond zit, blijft steken. Dus heb je er niets aan gehad; dat heb je alleen als je de schop te hulp neemt. Iedereen weet dat de paardenbloemsteel, maar ook de bladeren en de wortel een wit melksap bevatten. Wanneer je een bloem afplukt, druppelt het eruit. Het smaakt bitter en je krijgt er vlekkerige vingers van.

De paardenbloem behoort tot de samengesteldbloemigen. Die naam betekent dat het bloemknopje uit vele aparte bloempjes is samengesteld, zoals bv. een boeket. Eerst zie je niet dat de bloem bestaat uit allemaal kleine bloempjes. Je denkt dat het allemaal kleine bloemblaadjes van die stralende zonnebol zijn. Maar dat is niet zo, want als je een zogenaamd bloemblaadje losmaakt, zie je dat het van onderen een klein buisje vormt. Van boven is het buisje opengespleten en tot een soort tong of straal geworden. Omdat er in het buisje meeldraden, stijl en stempel te vinden zijn en er aan de onderkant zelfs een klein vruchtbeginsel zit, moet je het geheel toch als een, zij het heel kleine, maar volledige bloem beschouwen. Onopvallende kelkbladeren hebben deze aparte bloempjes niet. Hun kelk hebben ze gemeenschappelijk, zodat de bloem als geheel een grote kelk heeft gekregen. Die is groen en heet de gemeenschappelijke kelk van het bloemhoofdje. Zo is het bij alle samengesteldbloemigen. Bij de paardenbloem zitten op de plaats waar de aparte bloempjes zitten en waar eigenlijk de kelk had moeten zijn, fijne haarkroontjes. Die worden later groter en ontwikkelen zich tot de parachuutjes.

Hoe komt zo’n bloemenhoofdje nu eigenlijk tot stand.

Rechts een lintbloempje van het paardenbloemhoofdje. In het midden het hoofdje, nadat het zich gesloten heeft. Bovenaan komen de samengevouwen veerkroontjes van de parachuutjes er al uit. Links op het plaatje is getekend hoe het hoofdje er uitziet, wanneer het omgestulpt is en wanneer de groene kelkblaadejs teruggslagen zijn. Nog één parachuutje staat op de kale bloembodem. De andere zijn al door de wind weggeblazen.

Daarbij moet de zon krachtig meehelpen anders gaat het niet. Maar de aarde begint, daar zwelt het op alsof er een boomstammetje gevormd moet worden. Maar zover komt het niet, want nauwelijks is de aarde begonnen of de zon komt ook al en vormt snel een bloem. Zo wordt het geen boomstam, maar een grote bloembodem, waarop vele kleine aparte bloemen kunnen groeien. Eigenlijk is het net een klein weiland, zo’n bloemhoofdje van een paardenbloem; omdat de zon deze van de aarde afgesneden heeft, hoeven er niet eerst groene blaadjes gevormd te worden-er kunnen meteen bloemen op groeien.

Een groot blad en een klein paardenbloempje dat op een karige bodem gegroeid is. Beide in dezelfde verhouding.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, sluiten de paardenbloemhoofdjes zich. Dat doen ze ook wel daarvóór, bv. ’s avonds of bij slecht weer, nu blijven ze echter langere tijd dicht, omdat zich een innerlijke verandering voltrekt. Vanboven steekt er alleen nog maar een verwelkte kuif uit, die je eruit kunt trekken. Die valt er later vanzelf af. In deze toestand zijn de paardenbloemkopjes meestal naar de aarde gericht, alsof ze helemaal aan het vergaan zijn, maar een nieuwe kracht, namelijk die de zaden laat rijpen, doet ze weer oprichten. Spoedig schuiven de veerkroontjes van de parachute van boven uit de bloem naar buiten en wanneer ze zich uitbreiden als de gemeenschappelijke kelk teruggeslagen wordt en de hele bloem zich uitstulpt, zijn de blaasbloempjes klaar.

De bloembodem is nu een kleine aardbol geworden en daarboven welft zich een kleine sterrenhemel met talrijke fijnste sterretjes. Dat zijn de parachuutjes. Zolang hij bloeit doet de paardenbloem de zon na, want de zon heeft hem uit de aarde gehaald; wanneer hij echter vrucht draagt en het al warmer is, dan wordt hij een spiegelbeeld van de sterrenhemel en zo dat het niet mooier en regelmatiger kan.

In de lente, wanneer de paardenbloem zijn blaadjes vormt, is er in de bodem nog veel vochtigheid voorhanden. Dus worden ook de blaadjes week en buigzaam en de zon kan er naar hartelust aan plukken. Zij snijdt er de grotere en kleinere punten aan, die zo scherp zijn als leeuwentanden. Maar nergens heeft de paardenbloem stengels. Hij laat zijn bladeren op de aarde. Niet eens zijn bloemen zet hij op echte stengels of stelen. Wat er als een bloemsteel uitziet, wat is dat dan? Een gat, een holte met een huidje eromheen. Die holte vergeet de paardenbloem te vullen, zoals hij ook de middennerven van z’n bladeren vergeet te vullen, want ook die zijn hol. Zo komt het dat de paardenbloem over het algemeen een weke plant is, die slechts uit bladeren opgebouwd is, tot in de bloem toe.

Je kunt je goed voorstellen wat de paardenbloem moet overkomen, wanneer hij vergeet stengels te vormen: hij moet gewoon blijven zitten. Wanneer de zon niet te hulp kwam om de bloemknop uit de aarde los te maken, dan leverde hij maar een treurige aanblik; want wanneer je de grote penwortel ziet, zou je toch denken dat er een grote omhoogstrevende plant zou moeten groeien. Maar nee, het wordt alleen een paardenbloem.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

49-47

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.