VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (44)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.164, hoofdstuk 44                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE PAARDENBLOEM

Habt ihr von dem lustige Ding gehört?
Kaum hat er die Sonne ausgelöscht,
da schickt er schon die Sterne fort.
Und nun – o weh – ist ihm die Milch
bitter geworden!

Deze plant is alle kinderen goed bekend; niet alleen door de heerlijk stralende zonnebloem, maar ook, omdat je van de holle stelen veel kan maken: kettingen, waterleidingen enz. De bloemen van de paardenbloem verschijnen al in mei, waardoor de plant ook wel meibloem genoemd wordt. Iets later hebben ze zich dan in de witte lantaarns, of zoals sommigen ook wel zeggen, in blaasbloemen veranderd, want wanneer je er tegen blaast, vliegen de vele vruchtjes van de paardenbloem. Aan ieder parachuutje hangt een klein zaadje.

De tuinlieden houden veel minder van de paardenbloem dan de kinderen, want hij groeit snel en vaak op plaatsen waar hij niet gewild wordt; hij verbreidt zich in de wijde omtrek, zodat je niet te weten komt waar ze eigenlijk vandaan komen. Dat doet broeder wind natuurlijk, want hij draagt het parapluutje verder. Wanneer je een paardenbloem uit de grond wil trekken, houd je gewoonlijk alleen de bladeren in je hand en de lange penwortel die erg diep in de grond zit, blijft steken. Dus heb je er niets aan gehad; dat heb je alleen als je de schop te hulp neemt. Iedereen weet dat de paardenbloemsteel, maar ook de bladeren en de wortel een wit melksap bevatten. Wanneer je een bloem afplukt, druppelt het eruit. Het smaakt bitter en je krijgt er vlekkerige vingers van.

De paardenbloem behoort tot de samengesteldbloemigen. Die naam betekent dat het bloemknopje uit vele aparte bloempjes is samengesteld, zoals bv. een boeket. Eerst zie je niet dat de bloem bestaat uit allemaal kleine bloempjes. Je denkt dat het allemaal kleine bloemblaadjes van die stralende zonnebol zijn. Maar dat is niet zo, want als je een zogenaamd bloemblaadje losmaakt, zie je dat het van onderen een klein buisje vormt. Van boven is het buisje opengespleten en tot een soort tong of straal geworden. Omdat er in het buisje meeldraden, stijl en stempel te vinden zijn en er aan de onderkant zelfs een klein vruchtbeginsel zit, moet je het geheel toch als een, zij het heel kleine, maar volledige bloem beschouwen. Onopvallende kelkbladeren hebben deze aparte bloempjes niet. Hun kelk hebben ze gemeenschappelijk, zodat de bloem als geheel een grote kelk heeft gekregen. Die is groen en heet de gemeenschappelijke kelk van het bloemhoofdje. Zo is het bij alle samengesteldbloemigen. Bij de paardenbloem zitten op de plaats waar de aparte bloempjes zitten en waar eigenlijk de kelk had moeten zijn, fijne haarkroontjes. Die worden later groter en ontwikkelen zich tot de parachuutjes.

Hoe komt zo’n bloemenhoofdje nu eigenlijk tot stand.

Rechts een lintbloempje van het paardenbloemhoofdje. In het midden het hoofdje, nadat het zich gesloten heeft. Bovenaan komen de samengevouwen veerkroontjes van de parachuutjes er al uit. Links op het plaatje is getekend hoe het hoofdje er uitziet, wanneer het omgestulpt is en wanneer de groene kelkblaadejs teruggslagen zijn. Nog één parachuutje staat op de kale bloembodem. De andere zijn al door de wind weggeblazen.

Daarbij moet de zon krachtig meehelpen anders gaat het niet. Maar de aarde begint, daar zwelt het op alsof er een boomstammetje gevormd moet worden. Maar zover komt het niet, want nauwelijks is de aarde begonnen of de zon komt ook al en vormt snel een bloem. Zo wordt het geen boomstam, maar een grote bloembodem, waarop vele kleine aparte bloemen kunnen groeien. Eigenlijk is het net een klein weiland, zo’n bloemhoofdje van een paardenbloem; omdat de zon deze van de aarde afgesneden heeft, hoeven er niet eerst groene blaadjes gevormd te worden-er kunnen meteen bloemen op groeien.

Een groot blad en een klein paardenbloempje dat op een karige bodem gegroeid is. Beide in dezelfde verhouding.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, sluiten de paardenbloemhoofdjes zich. Dat doen ze ook wel daarvóór, bv. ’s avonds of bij slecht weer, nu blijven ze echter langere tijd dicht, omdat zich een innerlijke verandering voltrekt. Vanboven steekt er alleen nog maar een verwelkte kuif uit, die je eruit kunt trekken. Die valt er later vanzelf af. In deze toestand zijn de paardenbloemkopjes meestal naar de aarde gericht, alsof ze helemaal aan het vergaan zijn, maar een nieuwe kracht, namelijk die de zaden laat rijpen, doet ze weer oprichten. Spoedig schuiven de veerkroontjes van de parachute van boven uit de bloem naar buiten en wanneer ze zich uitbreiden als de gemeenschappelijke kelk teruggeslagen wordt en de hele bloem zich uitstulpt, zijn de blaasbloempjes klaar.

De bloembodem is nu een kleine aardbol geworden en daarboven welft zich een kleine sterrenhemel met talrijke fijnste sterretjes. Dat zijn de parachuutjes. Zolang hij bloeit doet de paardenbloem de zon na, want de zon heeft hem uit de aarde gehaald; wanneer hij echter vrucht draagt en het al warmer is, dan wordt hij een spiegelbeeld van de sterrenhemel en zo dat het niet mooier en regelmatiger kan.

In de lente, wanneer de paardenbloem zijn blaadjes vormt, is er in de bodem nog veel vochtigheid voorhanden. Dus worden ook de blaadjes week en buigzaam en de zon kan er naar hartelust aan plukken. Zij snijdt er de grotere en kleinere punten aan, die zo scherp zijn als leeuwentanden. Maar nergens heeft de paardenbloem stengels. Hij laat zijn bladeren op de aarde. Niet eens zijn bloemen zet hij op echte stengels of stelen. Wat er als een bloemsteel uitziet, wat is dat dan? Een gat, een holte met een huidje eromheen. Die holte vergeet de paardenbloem te vullen, zoals hij ook de middennerven van z’n bladeren vergeet te vullen, want ook die zijn hol. Zo komt het dat de paardenbloem over het algemeen een weke plant is, die slechts uit bladeren opgebouwd is, tot in de bloem toe.

Je kunt je goed voorstellen wat de paardenbloem moet overkomen, wanneer hij vergeet stengels te vormen: hij moet gewoon blijven zitten. Wanneer de zon niet te hulp kwam om de bloemknop uit de aarde los te maken, dan leverde hij maar een treurige aanblik; want wanneer je de grote penwortel ziet, zou je toch denken dat er een grote omhoogstrevende plant zou moeten groeien. Maar nee, het wordt alleen een paardenbloem.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

49-47

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

4 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (44)

  1. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – PLANTKUNDE – paardenbloem | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Plantkunde – planten (27) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s