Tagarchief: goud

VRIJESCHOOL – Plantkunde – bomen

.

 

De inhoud van onderstaand artikel is over het algemeen geen leerstof voor de kinderen.
De leerkracht echter, die wél een aantal bomen behandelt, kan er zijn (in)zicht mee verruimen, al naar gelang of deze materie haar/hem aanspreekt.

Eldert Outmans, Jonas 22, 21-06-1985

 

Bomen, planeten, metalen
.

Een ‘kosmische kijk’ in de strijd tegen de bossterfte

Iedere boom staat onder invloed van een planeet. Het zaaien van boomzaden onder bepaalde planeetconstellaties levert sterkere bomen op dan wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden. De aantasting van de bossen door de zure regen zou hiermee een halt kunnen worden toegeroepen.

Een ‘kosmische kijk’ waarin brede verbanden zichtbaar worden gemaakt.

Een ieder die wel eens een boom heeft geplant heeft daarbij ervaren dat dit een fundamenteel ander gebeuren is dan het uitplanten van een eenjarig gewas, zoals prei. Die prei staat hooguit een jaar te velde en wordt dan geoogst. Bij het planten van een boom denken we vooreerst aan de toekomst: zal hij over dertig, veertig jaar nog voldoende ruimte om zich heen hebben? Net als een mensenkind heeft hij aanvankelijk steun nodig. Zo lang de wortels nog niet voldoende zijn uitgegroeid dienen we hem te beschermen tegen storm en wind. Daartoe slaan we in het plantgat een paal waaraan de boom met een band wordt bevestigd.

Een boom is iets, en misschien zouden we kunnen zeggen is iemand. Vooral bij oudere bomen kunnen we een overeenkomstig gevoel hebben als bij mensen waarmee we ons verbonden voelen. Vroeger was het hier en daar de gewoonte om bij de geboorte van een kind de placenta te begraven en er een boom bovenop te planten. Ouders en verwanten legden zodoende een sterke relatie tussen het opgroeiende mensenkind en zijn of haar boom.

Zoals wij enerzijds vreugde kunnen beleven aan de aanblik van een boom die zich manifesteert met een uitbundig gebladerte, zo droef kunnen wij gestemd worden wanneer we zien dat een boom wordt geveld. Zo was ik eens getuige van het rooien van een prachtig bloeiende boomgaard die plaats moest maken voor woningbouw. Een voor een werden de bomen met een soort rijdende hijskraan met wortel en al uit de grond getrokken. Ze hingen dan als reusachtige boeketten in de takels waarna ze werden weggereden om in een vuurzee te worden verbrand, een schouwspel dat me door merg en been ging. Die verbondenheid met bomen kunnen we niet alleen met ons gevoel benaderen, ook ons denken kan deel hebben aan dit proces wanneer we ons uiteenzetten met de wetmatigheden waarin de bomen ‘hun wortels’ hebben.

Vanuit de oudheid zijn ons allerlei verbanden overgeleverd tussen bomen, weekdagen, planeten, metalen en mensen. Hier zal ik later in het artikel op terugkomen, maar eerst zullen we de strijd tussen geloven en weten hebben uit te vechten. Met overlevering, geloven op gezag, blindelings aannemen hebben we in deze tijd ‘wetenschappelijk’ afgerekend. Alles wat beweerd wordt moet bewezen worden, moet voor iedereen zichtbaar zijn. Dat is een goede zaak. Maar het is aan de andere kant ook dom om iedere overgeleverde waarde a priori bij het grof vuil te zetten. Vele zaken die uit de oudheid tot ons zijn gekomen en waarvoor we aanvankelijk geen verklaring hadden, blijken bij nader onderzoek de toets van wetenschappelijkheid te kunnen doorstaan.

Bomen en planeten

In de oudheid werden bepaalde bomen gezien als staande onder invloed van specifieke planeten. Onder planeten dienen we dan te verstaan de hemellichamen die we met het blote oog zien bewegen tegen het tapijt van vaste sterren, dus de eigenlijke vijf oude planeten (mercurius, venus, mars, jupiter, saturnus) maar ook de zon en de maan. Volgens overlevering is elk van deze planeten gerelateerd aan een bepaalde boomsoort:

es                                                                         zon

kers                                                                     maan

eik                                                                       mars

iep                                                                       mercurius

esdoorn                                                              jupiter

berk                                                                   venus

beuk                                                                  saturnus

Zoals bekend worden de bossen tegenwoordig bedreigd door de zure regen afkomstig van industrie, autouitlaatgassen en intensieve veehouderij. Al deze oorzaken te zamen zijn in de grond van de zaak een expressie van de hebzucht van de mens die terwille van zijn begeerte naar comfort de ecologie geweld aandoet. Door ons te omringen met allerhande artikelen die we grotendeels niet echt nodig hebben, oefenen wij een zuigkracht uit op de industrie die in grote mate verantwoordelijk moet worden gesteld voor de lucht- en watervervuiling. En voor de stervende bossen, waarvan wij mensen zodoende de veroorzakers zijn.

Nu kunnen en moeten wij aan de ene kant die vervuiling terugdringen door het beperken van onze behoeften en het hanteren van milieuvriendelijke productieprocessen. Aan de andere kant, en daar gaat het hier om, kunnen we het sterven van de bossen een halt toeroepen door in opgekweekte bomen vanaf het ontkiemen krachten in te bouwen waardoor ze meer weerstand hebben tegen bovengenoemde invloeden. Het is vooral Georg W. Schmidt [1] (antroposoof, landbouwer en natuuronderzoeker) die op dit gebied baanbrekend werk heeft verricht. Door boomzaden onder verschillende planeetconstellaties te zaaien kwam hij tot de ontdekking dat boompjes ontstaan uit zaad dat aan de aarde was toevertrouwd op het moment dat de maan in oppositie staat met de planeet die bij de desbetreffende boom hoort, groter in aantal en sterker waren dan met de maan in conjunctie met die planeet. Bijvoorbeeld zaailingen van de esdoorn die zijn uitgezaaid tijdens maan/opposit jupiter zijn krachtiger dan die tijdens maan/conjunct jupiter. Door dit principe in zijn proefbos te hanteren kreeg hij niet alleen gezondere bomen, ook de ecologie bleek te verbeteren. Zo kwamen de mieren die waren verdwenen, terug. Omgekeerd is het nu zo dat de proeven van Schmidt als een bewijs kunnen gelden voor het bestaan van de relatie van bovengenoemde bomen met de hun toegedichte planeten.

Planeten en weekdagen

Dat de dagen van de week elk een bepaalde kwaliteit hebben en stuk voor stuk gerelateerd zijn aan een van de zeven planeten, daarvan was men zich in oude tijden welbewust. Dit komt tot uitdrukking in de naamgeving waarin we in verschillende talen duidelijk het verband tussen planeten en weekdagen kunnen terugvinden:

maandag                                                            maan

dinsdag,                                                             mardi (Frans) mars

woensdag,                                                         mercredi (Frans) mercurius

donderdag,                                                       jeudi (Frans) jupiter

vrijdag,                                                              vendredi (Frans) venus

zaterdag                                                           saturnus

zondag                                                               zon

Om een en ander wat te concretiseren heb ik de desbetreffende bomen in een kring in mijn tuin geplant (zie tekening) en wel zodanig dat de es (de zonneboom) staat op de noord-zuidlijn van het middelpunt naar het zuiden. Uiteraard zou ik zeggen, want in het zuiden heeft de zon z’n hoogste stand. Vervolgens staan op gelijke afstanden langs de cirkel vanuit het middelpunt gezien rechts-omgaande, de kers, de eik, de iep, de esdoorn, de berk, de beuk. Elke boom is gerelateerd aan een bepaalde weekdag, met andere woorden gaande van boom tot boom doorlopen we de dagen van de week zoals de wijzers van de klok de uren door lopen. Bovengenoemde noord-zuidlijn verdeelt de bo-.mencirkel in twee gelijke delen waarbij de overliggende bomen in verschillende opzichten eikaars tegenbeeld blijken te zijn (kers— beuk, eik-berk, iep-esdoorn). Maar dit geldt niet alleen voor de bomen, deze polariteiten vinden we ook terug bij de planeten en de metalen, zoals hieronder nader wordt uitgewerkt.

Planeten en metalen

Oude overleveringen spreken van een verband tussen goud en de zon, zilver en de maan, ijzer en mars, enzovoort. Alle planeten hebben als het ware hun aardse tegenhanger in de vorm van metalen. Langs de weg van de gewone ons ten dienste staande onderzoekmethoden kunnen we deze verbanden niet aantonen. Een klomp goud zal niet in beweging worden gebracht onder invloed van de zon. Maar wanneer dat goud ‘beweeglijk’ wordt gemaakt door het in de vorm van een metaalzout (bijvoorbeeld goudchloride) op te lossen, en deze vloeistof te laten opstijgen in filtreerpapier, blijkt het zo ontstane stijgbeeld bij verschillende zonnestanden ook verschillende beelden op het filtreerpapier te vertonen.
Heel duidelijk wordt dit wanneer vóór, tijdens en na een zonsverduistering deze proeven worden genomen. Het middelste stijgbeeld is volkomen verschillend van de andere twee. Om misverstanden te voorkomen: deze proeven worden niet genomen onder invloed van de uiterlijke zon, maar binnenshuis. Het was vooral mevrouw L. Kolisko die haar leven lang onderzoek heeft gedaan op dit gebied. Zij heeft onschatbaar bewijsmateriaal vergaard betreffende de samenhang tussen planeten en metalen. Ze heeft daarmee de realiteit van de oude overleveringen aangetoond.

Intellectueel gesproken waren het vooral de voordrachten van Fritz Julius [2](Bomen en planeten) en Leen Mees [3] (Levende metalen) die veel hebben bijgedragen tot onderstaande beschouwingen. In religieuze zin zijn dat de Baumwochensprüche van Johannes Hemleben [4], voortkomend in Symbole der Schöpfung. Die boomspreuken spinnen onzichtbare draden tussen bovenstaande gebieden en de kern van ons wezen. Ze wekken ons op om ons bezig te houden met spirituele inhouden. Laten we een en ander wat nader bekijken. Uiteraard kunnen in dit korte bestek slechts enkele gezichtspunten worden behandeld. Het wordt een boeiend spel wanneer de lezer via z’n eigen waarnemingen en denken nieuwe visies kan toevoegen.

Wanneer we ons het beeld voor ogen stellen van de in de meimaand bloeiende kersenboom, dan laat dit de indruk na van leven, van uitbundig leven en licht. Dit wordt in extenso beleefd bij de aanblik van een kersenboomgaard. Voordat de bladeren zich ontplooien verschijnt de bloesem, wit en transparant. Rond die bloesem dartelen duizenden insecten die daarmee het element ‘leven’ onderstrepen.
Als we het beeld van een bloeiende kersenboomgaard laten overgaan in dat van een beukenbos, dan krijgen we een gevoel van somberheid, van verstarring en dood. Onder de beukenbomen groeit vrijwel niets. Een beukenboom is een hoogst asociaal schepsel, wat we bij het uitbotten kunnen waarnemen: terwijl sommige exemplaren al groene bladeren krijgen, zijn anderen nog in pure wintertooi. Ook per boom is dat verschil waar te nemen: hier en daar een tak met jong gebladerte, terwijl andere takken er nog niet over denken hun bladeren te ontvouwen. Ja, de beuk is een heel eigenzinnige boom! Als we met één woord het karakter van de beuk zouden willen uitdrukken, dan komt ons allereerst het woord ‘ernst’ in gedachte. Ernstig en majestueus staat hij daar, de beuk, zelfs een beetje ongenaakbaar. De kers daarentegen komt ons (en de vogels) tegemoet met z’n sappige vruchten.

Wanneer we de planeten saturnus en maan tegenover elkaar stellen, dan valt vooreerst op dat satumus – in het Grieks chronos, de god van de tijd – te maken heeft met het verstarde verleden, terwijl de beweeglijke maan vernieuwingsprocessen begeleidt, bijvoorbeeld het kiemen van zaden, zoals bij de boer vroeger bekend was, vroeger, toen de boer nog geen agrariër was. De invloed van de maan op de plantengroei is door Maria Thun duizendvoudig bewezen. Het resultaat van haar experimenten is de basis van haar zaaikalender die van uur tot uur de beste zaaitijd geeft voor de verschillende soorten gewassen. Zoals bekend, wordt ook de eb- en vloedbeweging veroorzaakt door de maan.

Lood is een zwaar metaal, ‘loodzwaar’. Lood is een giftige substantie. Het ziektebeeld van iemand die op een of andere wijze lood in z’n bloed heeft opgenomen wijst op afname van vitaliteit wat onder meer tot uitdrukking komt in een vale gelaatskleur. Lood wordt (of werd) gebruikt voor letters in de drukkerij. De zetters moeten veel melk drinken om de giftige werking van lood te neutraliseren. Melk is een substantie die vervuld is van levenskrachten, dezelfde krachten die onder invloed van de maan onze gewassen doen kiemen en groeien.

Zo giftig als lood is, zo ongiftig is zilver, vandaar dat zilver onder meer toepassing vindt in de chirurgie voor pennen bij botbreuken. Geven we iemand gepotentieerd zilver dan wordt hij high, z’n bewustzijn wordt doezelig en hij gaat fantaseren, het tegenbeeld van de invloed van lood op het menselijk lichaam, die wijst in de richting van snelle veroudering, van verstarring. Zo is een gedrukt artikel (loodproces) het eindprodukt van een levendige gedachtenstroom (zilver-proces) die hierin verstart.
Zilver heeft te maken met beelden, denk aan spiegelbeeld, een niet reëel beeld dat we via de spiegel opvangen. Let wel: een spiegel is een glazen plaat met een zilverlaag. Zilver is het belangrijkste medium in de fotografie en heeft dus alles te maken met beeldvorming.

Nergens zijn de tegenstellingen tussen linker- en rechterzijde van de bomencirkel zo duidelijk als hier: de tere berk heeft iets lieflijks, zijn twijgen worden door de wind heen en weer bewogen, hij wortelt ondiep. De stoere eik wortelt diep, trotseert wind en storm, hij straalt kracht uit. Berk en eik, representanten van de beide seksen, respectievelijk vrouw en man. (Het is in deze tijd, waarin vrouwen het mannelijke principe sterk in zich willen ontwikkelen, gevaarlijk om deze tegenstelling te benadrukken, even gevaarlijk als het is deze tegenstelling, die voor ieder duidelijk zichtbaar aanwezig is, te ontkennen.) In de medische handboeken worden de planeettekens van venus (♀) en mars (♂) gehanteerd wanneer wordt geduid op vrouwelijke, respectievelijk mannelijke organen. Venus is de godin van de liefde, mars is de oorlogsgod; ook hier de polariteit vrouw-man.

De metalen koper en ijzer passen in dit beeld. Het koper wordt daar gebruikt waar soepelheid vereist is, zoals het binnenste van een kraan waarin twee koperen delen min of meer elastisch op elkaar sluiten. Souplesse, een vrouwelijke eigenschap waarvan in de bikkelharde zakenwereld veelal handig ge(mis)bruik wordt gemaakt (directiesecretaresse bijvoorbeeld). In allerlei communicatieve beroepen functioneren vrouwen doorgaans beter dan mannen (telefoniste, receptioniste, kleuterjuf, ziekenverzorgster). Gaan we na waar ijzer wordt gebruikt, dan zien we ras dat dat daar is waar kracht wordt vereist: voor bruggen, kanonnen, rails, hijskranen, gewapend beton, enzovoorts. Het is een opmerkelijk feit dat de man iets meer ijzer in zijn bloed heeft dan de vrouw, terwijl de laatste iets meer koper in haar bloed heeft dan de man. Bij de zwangere vrouw is de hoeveelheid koper het drievoudige van normaal, ze is dan extreem vrouwelijk.

De vrij stugge bladeren en bladstelen van de esdoorn zijn op een harmonische wijze gegroepeerd aan de takken. Zo niet bij de iep. Bij deze laatste doet het gebladerte wat rommelig aan, het is een speelbal voor de wind. Als polariteit komt hier naar voren de rust van de esdoorn tegenover de beweeglijkheid van de iep. Deze laatste is vervuld van uitbundige levenskracht en zodoende de snelste groeier van alle bomen van de kring.
De planeten jupiter en mercurius ontlenen hun naam aan de overeenkomstige Griekse goden; Jupiter, de God van de wijsheid, een toonbeeld van zelfverzekerde rust. Mercurius is daar de God van de handel en van de dieven. Maar ook van de geneeskunde. Allemaal activiteiten waarvoor een grote beweeglijkheid is vereist.

Als we de metalen kwik en tin onder de loep nemen, dan valt vooreerst op dat de eerste als enige vloeibaar is bij kamertemperatuur. Als we een kwikdruppel op een bord laten vallen, spat het uiteen in duizende kleine druppeltjes, die even later weer samenklonteren. We zouden kunnen zeggen dat kwik het element beweging kreeg ingebouwd. Kwik vindt toepassing in allerlei meetinstrumenten (bijvoorbeeld de thermometer) waarbij op een schaalverdeling fasen van een beweeglijk proces worden afgelezen. Tin daarentegen heeft de functie van versteviging, het wordt als het ware gebruikt als skelet voor zachtere metalen, zo is brons (een alliage van koper en tin) vele malen sterker dan puur koper.

Zoals uit de tekening blijkt heeft de es geen overbuurman in de bomenkring. Evenals de leeuw de koning der dieren is, zo zou je kunnen zeggen dat de es de koning der bomen is, hoogopgroeiend met takken die twee aan twee tegenover elkaar aan de stam ontspringen en daarmee de kruisvorm tot uitdrukking brengen.
Met recht kunnen we zeggen dat de zon de koning onder de planeten is, hij is het centrum van ons planetenstelsel waar licht en warmte aan ontspringt. Licht en warmte, twee hoedanigheden die onmisbaar zijn voor al het leven op aarde.

Het goud, dat tot exponent van hebzucht is geworden, wordt thans in zwaar bewaakte bunkers opgeslagen, waar het aan het oog is onttrokken. Hoe anders dan in vroegere tijden toen goud werd gezien als een heilig metaal dat onder meer door een ingewijde koning werd gebruikt om naar te kijken bij z’n meditatie over staatsaangelegenheden. Het edele goud had zodoende de werking van een katalisator. Goud heeft heel bijzondere kwaliteiten: bladgoud kan worden geplet tot een dikte van een tienduizendste millimeter. Het is dan, wanneer we het tegen het licht houden, nagenoeg transparant en vertoont een prachtige groene kleur. Een oplossing van 1 op 100.000.000 colloidaal goud in water heeft een onwaarschijnlijk mooie purperkleur. Eens was ik in de Karlstein, de burcht bij Praag waar keizer Karei IV (1316 – 1378) destijds resideerde. Deze burcht is nu museum, en, zoals dat in een museum tegenwoordig toegaat: kinderen lopen er schreeuwend en joelend doorheen. Maar merkwaardigerwijs, wanneer ze dan boven komen in de kapel waar vroeger alleen de priester en de keizer (blootsvoets) toegang hadden, dan worden zelfs die lawaaimakers heel stil, er wordt daar niet gepraat, hoogstens gefluisterd. Waardoor? Door de werking van het goud! Alle wanden zijn belegd met bladgoud, de ramen zijn azuurblauw. Al met al zó indrukwekkend dat zelfs kinderen die a-religieus zijn opgevoed, zoals dat in Tsjecho-Slowakije veelal het geval is, hier bij wijze van spreken ‘door de knieën gaan’. Goud kunnen we bestempelen als de koning onder de metalen. Es, zon en goud, ieder op zijn terrein de expressie van het edele, reine, verhevene. Onder de dagen van de week neemt de zondag een bijzondere plaats in, we zouden kunnen zeggen dat hij de koning is onder de weekdagen, de dag waarop de mens zich althans vroeger, bezig hield met het religieuze leven, met deelname aan kerkdiensten en mis.

.

[1] Schmidt: Die Methode der Pflanzenregeneration

[2] Julius: Bomen en planeten

[3] Mees: Levende metalen

[4]* Hemleben: Boomspreuken

Verschillende bomen in het leesboek van de plantkunde 

Plantkunde: alle artikelen

*Er bestaat nog een andere vertaling:

BOOMSPREUKEN

ZONDAG

Zo spreekt de doorschijnende es,
de boom van de doorschijnende Zon:
0, mens, wees oprecht en voornaam,
Geeft U niet over aan onwaardige zaken.
Weest U wel bewust van zuivere mensenadel.

MAANDAG

Zo spreekt de zilveren Maan
in de meitijd door de bloeiende kersenboom
waarvan de bloesem in de zomer tot vruchten rijpt:
0, mens, zet als de plant
het lagere om in het hogere;
Louter de driften,
wordt rijp en oogst levensvruchten.

DINSDAG

Zo spreekt de knoestige eik,
de dienaar van de ijzeren Mars:
0, mens, wortel in de diepte
en strek U in de hoogte;
Wees krachtig en sterk,
Wees strijder ridder en beschermer.

WOENSDAG

Zo spreekt de kwikzilverige Mercurius
door de levende groeikracht van de iep
door zijn gevleugelde zaden:
0, mens, roert U,
Wees flitsend, levendig en snel.

DONDERDAG

Zo spreekt de esdoorn
met zijn gespreide bladeren,
De boom van Jupiter voor wie het tin heilig is:
0, mens, overwin de jacht en de haast in U;
Zoek uren van rust
waarin goedheid en wijsheid kunnen worden geboren

VRIJDAG

Zo spreekt de koperen Venus door de maagdelijke, zachte berk,
die zwak wortelt en veel licht drinkt:
0, mens, vorm aan Uw ziel met tederheid,
bewonder met liefde de schoonheid der wereld.

ZATERDAG

Zo spreekt de loden Saturnus
door de bomen van het donkere woud,
door de sparren, beuken en cypressen:
0, mens, voel de verantwoording
voor de nood van Uw tijd
en van de gehele mensheid,
Aanvaard met innigheid en ernst
de opgave, die het leven U stelt.

 

 Johannes Hemleben

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-5)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

Arnold Henny, Jonas 4, 18-10-1985

Het spook van de geleende miljarden

Het woord moneta dat in Italië geld betekent, is afkomstig van Juno Moneta, de Romeinse godin, in wier tempel de eerste munten werden geslagen. Het Duitse woord Münze – Nederlands: munt – herinnert nog beter aan deze eerste muntstukken.
De afbeelding die op deze Romeinse munten prijkte is minder bekend: de godin met in de ene hand een hoorn des overvloeds en in de andere hand een weegschaal. Het woord moneta is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord monere, dat vermanen betekent. Zo zouden de hoorn des overvloeds en de weegschaal op zichzelf reeds een ‘vermaning’ kunnen inhouden.
Immers, is geld voor de individuele burger niet een grondslag voor rijkdom en welvaart en is anderzijds, vanuit het belang van de samenleving gezien, de juiste vorm van ‘omgaan met geld’ niet een aangelegenheid van evenwicht tussen inkomsten en uitgaven?
Daarmee heeft niet alleen de huisvrouw te maken bij het hanteren van het huishoudboekje maar ook iedere minister van Financiën bij de besturing van het staatsbudget. Dat men zich tegenwoordig weinig meer gelegen laat liggen aan de wijze vermaningen van de godin Juno blijkt onder andere uit de gigantische schuldenlast van 700 miljard dollar van vele ontwikkelingslanden. En niet alleen die van de ontwikkelingslanden. Ook de Verenigde Staten hebben tegenwoordig een begrotingstekort – het verschil tussen inkomsten en uitgaven – van 200 miljard dollar met daarnaast een tekort op de betalingsbalans – verschil tussen invoer en uitvoer – van 100 miljard dollar.

Dit gebeurt omdat de wereldhuishouding van andere wetmatigheden uitgaat dan de gezinshuishouding. Economen in de USA beweren zelfs dat de USA met deze schuldenlast de wereld uit de economische depressie trekt. Met deze schulden wordt niet alleen koopkracht gestimuleerd, maar ontstaan ook investeringsmogelijkheden, waardoor arbeid en de productiviteit worden gestimuleerd.
Bron van nieuwe rijkdom, als tegenhanger van de schuldenlast.
De vraag of deze schulden zullen worden terugbetaald is daarmee nog niét opgelost. Welke risico’s worden hiermee genomen? Men stelle zich dit even concreet voor: 200 miljard dollar. Een stapel bankbiljetten van 1000 dollar… 20 kilometer hoog, vier maal de Mont Blanc! Welke waarde vertegenwoordigt al dit papiergeld nog, afgezien van het giraalgeld, waarmee de meeste van deze schulden worden gefinancierd?

Aan de andere kant kan men zich afvragen: hoe staat het met de ‘zekerheid’ die het muntgeld – in de vorm van goud of zilver -verschaft? De waarde van het goud is de laatste vijf jaar allerminst stabiel gebleken. In 1980 was de prijs van een ounce goud (31 gram) 800 dollar, (sterk beïnvloed door de inval van de Russen in Afghanistan). Drie jaar later – 1982 – was die prijs gedaald tot 300 dollar. Thans – maart 1985 – is zij 288 dollar. Toch kan niet worden gezegd, dat belegging in goud weinig zekerheid biedt. Wie in 1970 een kilogram goud kocht, moest daarvoor 5000 gulden betalen. Nu, vijftien jaar later, kan men deze zelfde hoeveelheid goud verkopen voor 36000 gulden: een waardevermeerdering van ongeveer 700 procent. Daartegenover staat een waardevermeerdering van aandelen gedurende die zelfde tijd van 200 procent.

De waarde van het goud is niet meer stabiel zoals dat honderd jaar geleden, in het tijdperk van de vrijhandel en de gouden standaard, het geval was. Destijds was het goud de regulator van het internationale handelsverkeer. Gouden munten – en ook papiergeld – waren inwisselbaar tegen goudstaafjes die werden verscheept van het ene land naar het andere land wanneer de betalingsbalans uit zijn evenwicht raakte, doordat een land meer goederen en diensten invoerde dan het uitvoerde. Het ‘verschil’ werd in plaats van met wissels (in goud) in goud betaald aan de landen die in de omgekeerde positie verkeerden. Zo functioneerde het goud niet alleen als regulator maar ook als hogere intelligentie in de vrije marktverhoudingen van het liberale tijdperk. Schijnbaar automatisch regelde het goud buiten de mensen om het prijsniveau van goederen, diensten, kapitaal en arbeid. Het bracht evenwicht en orde in het internationale handelsverkeer, maar kende ook nadelen. Zo bleef de groei van de wereldhandel en wereldproductie afhankelijk van een beperkte hoeveelheid metaal. Dat bleek toen er nieuwe goudvelden werden ontdekt en de groei van de wereldhandel zich aan deze vermeerdering van goudproductie aanpaste. Een tijd lang kreeg de wereldhandel bepaalde injecties door deze vermeerdering (in Californië, Zuid Afrika, Australië en Canada), maar het klopte toch niet dat de groei van de wereldeconomie en welvaart afhankelijk bleef van een toevallige goudvondst. Men ging zich afvragen of het goud nog wel acceptabel was als autoriteit. Werd het geen tijd voor onttroning?

Barbaarse relikwie

Het onttronen van het goud heeft zich geleidelijk voltrokken en kwam pas in de twintigste eeuw tot stand. Na het tijdperk van de ‘gouden standaard’ kwam het tijdperk van de ‘goudwissel standaard’, daarna dat van de ‘gouden insolvente standaard’. Naast het goud is men ook internationale valuta gaan accepteren als dekkingsmateriaal voor geld. Niet door goudverschepingen, maar door restricties in het deviezenverkeer en belemmeringen van import en export heeft men het evenwicht in de betalingsbalans in stand willen houden. De vrije economie maakte plaats voor een meer geleide economie.

Vóór de Tweede Wereldoorlog heeft een tijdlang het pond sterling de rol van het goud vervuld. Met ponden kon men goederen kopen. De waarde van deze ponden is echter niet alleen afhankelijk van de waarde van het goud, maar ook van goederen. Vormen goederen geen betere monetaire basis dan goud? Deze vraag werd vóór de oorlog gesteld door Irving Fischer en Gustav Cassel. Niemand minder dan de Britse econoom Keynes noemde het goud een ‘barbaarse relikwie, overgehouden uit de dagen dat de mensheid zich afbeulde voor goud, zwendelde, oorlog voerde en er voor stierf’.
Keynes zei dit tijdens de economische crisis (1930) die hij als een vertrouwenscrisis zag waar menselijke arbeid niet productief kon worden gemaakt, doordat het geldstelsel volledig versleten was. In 1944, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, kwamen onder leiding van Keynes de verdragen van Bretton Woods tot stand. Wanneer het aan Keynes had gelegen was de monetaire rol van het goud als internationaal betaalmiddel toen al onttroond. Echter niet Engeland maar de Verenigde Staten zouden in de komende jaren de belangrijkste rol spelen op het gebied van de internationale economische betrekkingen. Niet een Pax Brittannica, maar een Pax Atlantica werd de waarborg voor de waardevastheid van het geld en de groei van de economische welvaart. Bovendien beschikten de Amerikanen na de Tweede Wereldoorlog over aanzienlijke monetaire reserves aan goud. Met de komst van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling kon nu langs internationale weg de gelijkheid tussen wisselkoersen worden gehandhaafd. Niet onafhankelijkheid maar wederzijdse afhankelijkheid werd belangrijk voor het economische leven.

Het goud als zonne-metaal

In de oudheid is het goud altijd in verband gezien met het licht van de zon. De Perzen vereerden in de onmetelijke zonne-aura de zonnegod Ahura Mazdao of Ormuzd. Het goud, in het Latijn aurum was nog een aardse afspiegeling van de kosmische zonnekracht.

Later, wanneer de eerste gouden munten in Lydië in omloop worden gebracht – ongeveer 600 voor Christus – is hiermee nog steeds een sacraal element verbonden. In Athene prijkt op de munten onder andere de uil van Pallas Athene; in het rijk van Alexander de Grote de afbeelding van Heracles van wie Alexander meende af te stammen. Ook in het Romeinse rijk had de beeltenis van de keizer die later de beeltenis van Juno Moneta vervangt nog een sacrale betekenis. De adelaar verbeeldde de apotheose van de keizer na zijn dood. Een munt was hierdoor niet alleen betaalmiddel maar tevens ‘monument’ dat propaganda vormde voor het begenadigde keizerschap. Het goud was geld geworden en niet meer offermateriaal voor de tempel. Men kon er van alles voor kopen: slaven, grond en levensmiddelen. Het goud is niet aan slijtage en bederf onderhevig en daardoor is het begerenswaardiger dan andere vergankelijke aardse goederen. Met deze ‘zondeval’ van het goud hangt ook de begeerte samen die het goud bij mensen oproept.

Zo ontstaat in de Germaanse mythe de voorstelling van de ‘vloek’ van het goud die rust op allen die door hun begeerte zich van het goud meester maken. Het is het drama uitgebeeld in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’: de met de reuzen strijdende ‘Asen’, die verzoeningsgeld moeten opbrengen en met behulp van Loki, de Germaanse Lucifer en de dwerg Alberich (in de Edda Andwari) het ‘Rheingold’ weten te bemachtigen. Slechts een gouden ring wil Alberich voor zichzelf houden, maar ook deze eist Loki op. Dan spreekt Alberich de vloek uit over ieder die deze ring zal begeren. Daarmee is het lot beslist, niet alleen van de góden die zullen verzinken in de ‘Götterdammerung’,[godenschemering] maar ook van de helden in wier macht de ring geraakt. De vloek van het goud dat als zonnemetaal in de macht van begeerte en hebzucht valt wordt dan een tragisch motief in de ontwikkeling van de mensheid.

Wanneer de Spanjaarden onder Cortez en Pizarro in de zestiende eeuw Mexico en Peru veroveren, zal de ‘vloek’ over het bezit van goud pas goed zijn fatale rol gaan spelen. In 1519 vindt de ‘noche tristo’, de treurigste nacht in de Spaanse geschiedenis plaats. De Spanjaarden maakten zich meester van Montezuma, de als een god vereerde vorst der Azteken. Eerst probeerde hij de binnendringende vreemdelingen vreedzaam te laten wegtrekken door hen geschenken te geven. Maar juist deze geschenken riepen bij de Spanjaarden de gouddorst op. Zij namen Montezuma gevangen, waarop zijn krijgslieden een bloedbad aanrichtten onder de Spanjaarden. Desondanks kon Cortez twee jaar later de verovering van Mexico aan de Spaanse koning melden.

Sinds dat moment stroomt een vloed van goud en zilver vanuit het westen Europa binnen. Daarmee vond het bekende inflatieproces plaats, zonder dat de bevolking dit besefte: de verhoging van het prijspeil dat diep ingreep in de menselijke verhoudingen. De boeren merkten tot hun verbazing dat de slechte graanoogst hen méér goudstukken opleverde dan de goede oogst van een paar jaar tevoren. Ook de landheren konden met de vastgestelde pachtsom minder goederen kopen dan enkele jaren tevoren. Daarmee komt een ‘vervreemdingsproces’ op gang: de verhoudingen tussen mensen onderling worden verstoord door een prijsvorming die zich buiten de mens om lijkt te voltrekken. Geld wordt een onpersoonlijke kracht die als een sluier menselijke verhoudingen toedekt. Het denken in goederen die mensen voor elkaar voortbrengen en met elkaar ruilen, verandert meer en meer in ‘denken in geld’. Marx beschrijft deze vervreemding later als volgt: ‘Das Geld verwandelt die Treue in Untrue, die Liebe in Hass, den Blödsinn in Verstand, den Verstand in Blödsinn. Da das Geld als existierende und sich betätigende Begriff des Wertes alle Dinge verwechselt, vertauscht, so ist es die allgemeine Verwechslung und Vertauschung aller Dinge, aller natürlichen und menschlichen Qualitaten’ (Nationalökonomie und Philosophie).

Verleidingen

Het geld emancipeerde langzaam uit de macht van het goud en zilver. Uit het muntgeld dat eeuwenlang de enige vorm is geweest, waarin het geld circuleerde, heeft zich het papiergeld losgemaakt. De eerste bankbiljetten werden in Europa uitgegeven door de in 1694 gestichte Bank of England tijdens de regering van de koning-stadhouder Willem III. Daarbij was nog het uitgangspunt dat ‘al het geld, waarvan de werkelijke waarde niet in overeenstemming is met de nominale waarde, waarvan de uitgave dus niet berust op credit van goud en zilver, vals en aangemaakt is’. ‘Credit van goud en zilver’; papiergeld dus, gebaseerd op de waardevastheid van goud en zilver.

In Frankrijk blijkt zo’n 24 jaar later welke verleidingen dit papiergeld met zich meebracht. In 1718 liet John Law als leider van de staatsbank in Frankrijk papiergeld drukken. Ook dit papiergeld was door goud gedekt. Alleen bevond dat goud zich niet in de kelders van de bank maar moest het nog opgegraven worden uit de grond van Louisiana in Amerika. Daarop berustte ook de truc die Goethe in Faust II zijn Mefistofeles laat uithalen om de berooide schatkist van de keizer te vullen:

‘Zu wissen sei es jedem, der’s begehrt Der Zettel hier ist tausend Kronen wert. Ihm liegt gesichert als gewisses Pfand Unzahl vergrab’nen Guts im Kaiserland.’

Een volgende ‘Stufe’ in het emancipatieproces van geld was de eveneens in Frankrijk tijdens de revolutie plaatsvindende uitgave van papiergeld, ditmaal niet gedekt door goud maar door landgoederen, die de staat had geconfisceerd van de kerk. De staat betaalde met dit geld bijvoorbeeld uniformen en kanonnen. Zo circuleerde het onder het volk. Van de textielarbeider en ijzergieter kwamen ze, via de bakker en de molenaar tenslotte bij de boer terecht. De boer kocht daarmee van de staat het kerkelijk landgoed waarop hij zijn hele leven had gevlast. En zo kwam het papiergeld weer terug bij zijn oorsprong. Wanneer de staat daarna het papier had vernietigd was er geen enkel onheil geschied. Maar zij schafte met hetzelfde geld nieuwe goederen aan, waardoor de inflatie – met als gevolg geldontwaarding – op gang kwam. Het is een illustratie van de ‘kringloop’ van het geld door de samenleving heen, een kringloop die reeds vroeger beschreven was door de lijfarts van Madame de Pompadour, De Quesnay in zijn Tableau economique. Geldcirculatie en bloedsomloop worden in dit boek met elkaar in verband gebracht.

Spookgestalte

Daarmee zijn wij weer terug bij ons uitgangspunt. Enerzijds biedt geld zekerheid maar ook vormt het in de vorm van crediet een vertrouwensbasis voor economsiche groei. In mondiaal verband krijgen wij dan te maken met het schuldenprobleem van de arme, zogenaamde ontwikkelings- en Oostbloklanden die voor honderden miljarden dollars in de schuld staan bij de rijke landen. Alleen al de Zuidamerikaanse landen hebben een schuld van meer dan 300 miljard dollar. Waardoor is deze schuldenlast zo opgelopen? Waarom hebben banken deze credieten verstrekt? Dat heeft te maken met de oliedollars, de enorme inkomsten van de olielanden in het Midden-Oosten. Nadat eerst in 1973 de prijs van de olie met 400 procent werd verhoogd en nog eens tot 1700 procent in 1979, kwamen enorme bedragen dollars beschikbaar uit de betaling door de industrielanden voor geïmporteerde olie uit de olielanden. Een groot deel daarvan werd hier in het westen bij banken uitgezet en deze leenden tegen zeer hoge rente dit overschot weer uit aan de ontwikkelingslanden. Door de combinatie van hoge olieprijzen die het Midden-Oosten het westen oplegt en de zeer hoge rente die Noord-Amerika het zuiden oplegt, ontstond het begin van de huidige spookgestalte van de niet terugbetaalbare leningen van de ontwikkelingslanden.

Destijds verwachtte men nog dat de groei van de wereldeconomie zich voorlopig nog wel zou voortzetten. Brazilië leek het land van de toekomst met een gemiddelde groei van 10 procent per jaar. Mexico teerde op de inkomsten van zijn olie, waarvan de prijs zich aan die van de dollar en van de olie uit het Midden-Oosten aanpaste. Chili exporteerde koper, een grondstof waaraan in het buitenland steeds meer behoefte zou ontstaan. Daarenboven zou de waarde van al deze grondstoffen steeds toenemen, naarmate door de technologische ontwikkeling in de Verenigde Staten en Europa, de vraag naar grondstoffen groter wordt. Immers, ook de verhoging van de olieprijs in het Midden-Oosten – afgezien van kartelvorming (OPEC) en oorlog tussen Israël en Egypte – was voornamelijk te danken aan de toename van de luchtvaart en de autopoductie in Noord-Amerika, Frankrijk en West-Duitsland. Door iedere perfectionering in het produktiepro-ces ontstond een ‘toegevoegde waarde’ van deze grondstoffen, onafhankelijk of zij zich nog in de grond bevinden of dat zij reeds in het productieproces zijn ingeschakeld. Vooral het vertrouwen in deze ‘toegevoegde waarde’ maakt debiteurlanden, die over grondstoffen beschikken credietwaardig. Is niet het woord ‘crediet’ afgeleid van het Latijnse credere, dat vertrouwen betekent? Schulden maken op macro-economisch niveau is immers niet het zelfde als schulden maken op micro-economisch niveau: wie als huisvader niet zorgt dat zijn uitgaven gedekt worden door inkomsten, loopt het risico failliet te worden verklaard. Kan ook een staat failliet worden verklaard? Juridisch gezien is dit nauwelijks mogelijk. Economisch gezien betekent het dat de crediteur evenveel schade lijdt als de debiteur. Daarmee is de situatie van wederzijdse afhankelijkheid op internationaal niveau als probleem wel aangegeven maar nog niet opgelost. In werkelijkheid berust de wederzijdse afhankelijkheid tussen rijke en arme landen op de tegenstelling tussen ‘geestelijke creativiteit’ van de rijke landen en de ‘productivitiet van de natuur’ van de arme landen. Beide kunnen in wereldeconomisch verband niet buiten elkaar.

Schenking

Wat is er gebeurd met de ‘toegevoegde waarde’ waaruit uiteindelijk de stroom van oliedollars is ontstaan? De toegevoegde waarde kan op drie verschillende manieren worden besteed: als koopgeld, als spaargeld en als schenkgeld. En dat gebeurt ook. Al deze dollars worden voor een deel ‘belegd’ in onroerend goed, bijvoorbeeld in hotels in Londen, of in goud of in andere zakelijke zekerheden. Voor een deel worden zij geleend aan banken met als gevolg credietinflatie, waardoor het gehele internationale betalingsverkeer in de war dreigt te lopen. De meest ‘organische’ vorm van besteding zou zijn dat zij terugvloeien naar dat gebied waar zij hun waarde aan te danken hebben, dat wil zeggen hun oorsprong: de geestelijke creativiteit, waaraan alle technische vernieuwing is te danken. In een bepaald opzicht is dit ook het geval wanneer deskundigen – geleerden, ingenieurs, researchspecialisten – naar het Midden-Oosten worden aangetrokken om daar niet alleen het productieproces tot nieuw leven te brengen, maar ook bij te dragen aan onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen. Daarbij kan dan de financiering van het geestesleven worden gezien als een vorm van ‘schenking’ waardoor ‘toegevoegde waarde’ terugvloeit naar zijn oorsprong. Dit laatste geschiedt echter nauwelijks. Het grootste deel van de oliedollars waart rond in de vorm van leningen die pas na zeer lange tijd of misschien wel nooit zullen worden terugbetaald.

Voorlopig is men er nog niet aan toe de financiering van het geestesleven als een vorm van schenking – of, zo men wil, afschrijving – te zien. Hoogstens als een vorm van gedwongen schenking via de fiscus. Misschien dat inzicht in het internationale schuldenprobleem en een nieuwe visie op de ‘kringloop van het geld’, een stap is naar het inzicht hoe koopgeld, leengeld en schenkingsgeld samenhangen. Is de ‘grote depressie’ uit de jaren dertig niet aanleiding geweest voor een complete revolutie van economische opvattingen?
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1736

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (13)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

 

RUDOLF STEINER OVER DRIEKONINGEN

Het Driekoningenfeest

Notities van een toehoorder van een voordracht van Rudolf Steiner gehouden in Berlijn op 30 december 1904.

Toelichting
Hetgeen in deze voordracht werd uitgesproken, vormt het enige wat Rudolf Steiner over de betekenis van het feest van de heilige drie koningen heeft gegeven, hoewel de heilige drie koningen als zodanig in de voordrachten veelvuldig genoemd worden. De onderstaande voordracht werd in aansluiting aan de eigenlijke kerstvoordracht gehouden, die als eerste voordracht is afgedrukt in de uitgave „Zeichen und Symbole des Weihnachtsfestes, Drei Vor-träge”, Dornach 1977. Vertaald
De kerstvoordracht van het jaar 1903, die voorzover wij weten de allereerste kerstvoordracht van Rudolf Steiner is, is af gedrukt in nr. 32 (kerstmis 1970) van de „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”.
De onderstaande beschouwingen over het driekoningenfeest zijn door Marie Steiner gepubliceerd in het mededelingenblad „Was in der Anthroposophischen Gesellschaft vorgeht” in het jaar 1942 (nr. 1). (Door ons overgenomen uit „Beitráge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”, Kerstmis 1977. Red.)*

Een feest dat voor onze huidige tijd minder betekenis schijnt te hebben dan het kerstfeest is het feest van de heilige drie koningen – dat op 6 januari wordt gevierd – het feest van de wijze magiërs die uit het Morgenland komen ter begroeting van de pasgeboren Jezus. Dit feest der Epifania zal steeds meer betekenis krijgen, wanneer de ware, feitelijke symboliek van dit feest wordt begrepen. Wij hebben hier te maken met iets zeer belangrijks. Dat kan men reeds daaruit zien, dat een zeer uitgesproken symboliek aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland ten grondslag ligt. Deze symboliek werd, zoals alle mysteriën, tot in de vijftiende eeuw zeer geheim gehouden en er werden tot op dat moment ook geen bijzondere aanduidingen over gemaakt. Vanaf de vijftiende eeuw wordt echter meer aandacht geschonken aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland, doordat exoterische afbeeldingen verschijnen die de heilige drie koningen voorstellen als een Moor, een bewoner van Afrika – dat is Kaspar; dan een blanke, een Europeaan – dat is Melchior; en een uitgesproken Aziatische koning, die de huidskleur van de bewoners van India heeft – dat is Balthazar. Zij brengen goud, wierook en mirre als hun offergaven aan het Jezuskindje in Bethlehem.

Het is de diepere betekenis van deze drie offergaven die met de kenmerkende symboliek van dit feest van de zesde januari samenklinkt. Terwijl het feest – esoterisch beschouwd – zeer belangrijk geacht moet worden, is het alleen al de datum die exoterisch de aandacht trekt. Want de zesde januari is dezelfde datum, waarop in het oude Egypte het zogenaamde Osirisfeest werd gevierd, het feest van de weder gevonden Osiris. Zoals bekend wordt Osiris overwonnen door zijn tegenstander Typhon. Hij wordt gezocht door Isis en teruggevonden. Dit terugvinden van Osiris, de godenzoon, vormt de basis van het feest van de zesde januari. Het Driekoningenfeest is hetzelfde feest, met dit verschil dat het christelijk is geworden. Wij vinden dit feest ook bij de Assyriërs, de Armeniërs en de Feniciërs. Overal is het daar een feest dat verband houdt met een soort van algemene doop, waarbij vanuit het water een wedergeboorte plaatsvindt. Dit wijst reeds op de samenhang met de teruggevonden Osiris.

Wat is nu eigenlijk de verdwenen Osiris? De verdwenen Osiris geeft de overgang weer die plaatsvindt gedurende het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode van de mensheid. Voor het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode waren er geen mensen die begiftigd waren met manas, het huidige geestzelf. Pas in het midden van de lemurische tijd daalde vanuit de goddelijke wereld manas neer en bevruchtte de mensen. In iedere individuele mens wordt een graf geschapen voor het over de mensheid uitgestrooide, aan ieder mens toebedeelde manas. Een graf voor Osiris die voorgesteld wordt als in talloze stukken verdeeld. Het is het goddelijke manas dat opgedeeld en verstrooid is en in de mensen woont. Graven van Osiris worden de menselijke lichamen genoemd in de geheime mysterietaal van Egypte. Manas kan niet bevrijd worden dan wanneer de tijd is aangebroken, dat de wederverschijnende liefde manas kan bevrijden.

Wat is nu de wederverschijnende liefde? Datgene wat bij de bevruchting met manas in het midden van de lemurische tijd geboren werd – iets eerder en iets later – dat was het indalen van het principe van de begeerte. Voor die tijd bestond er geen wezenlijk begeerte-principe. De dieren waren in de voorafgaande tijd nog koudbloedig. En ook de mens zelf was in die tijd niet met warm bloed begiftigd. De mensen uit de maantijd, en aanvankelijk ook de mensen uit de lemurische tijd, kan men in zoverre vergelijken met vissen, dat zij dezelfde warmte bezaten als hun omgeving. De geest Gods zweefde over de wateren, zo spreekt de bijbel over die tijd. Het principe van de liefde was nog niet in het innerlijk der menselijke wezens opgenomen, maar was daarbuiten als het zich openbarende aardse karna (dat is aardse hartstocht). Karna is de egoïstische liefde. De eerste brenger van egoïsme-vrije liefde is dan Christus die in Jezus van Nazareth zou verschijnen.

Wie zijn nu de Wijzen uit het Oosten? Dat zijn de ingewijden die de voorafgaande drie ontwikkelingsperioden representeren. Het zijn de ingewijden van de mensheid tot aan het verschijnen van het Christuswezen, de van egoïsme vrije liefde, de wederopgestane Osiris. Ingewijden waren met manas begiftigde mensen, zo ook de drie Wijzen. Zij bieden goud, wierook en myrrhe aan als offergave. En waarom verschijnen zij in de drie kleuren zwart, geel en blank? Zwart als Moor, blank als Europeaan en geel als Indiër? Dat hangt samen met de achtereenvolgende ontwikkelingsperioden van de mensheid op aarde. Zwart zijn de oerresten van de lemurische mens, geel zijn de oerresten van de atlantische mens en blank zijn de vertegenwoordigers van de vijfde ontwikkelingsperiode, de huidige na-atlantische mensheid. Wij hebben dus in de drie koningen of magiërs de vertegenwoordigers van de Lemuriërs, de Atlantiërs en de huidige mens. Zij brengen de drie offergaven. De Europeaan brengt goud, het symbool van de wijsheid, de intelligentie die vooral in het huidige na-atlantische tijdperk tot uitdrukking komt.
De ingewijden van de vorige ontwikkelingsperiode, de Atlantiërs hebben als offer iets dat samenhangt met wat voor hun het belangrijkst is. Zij bezaten nog een meer directe verbinding met de goddelijke wereld, wat tot uitdrukking kwam in een soort suggestieve beïnvloeding, een soort van universele hypnose. Deze verbinding met de godheid wordt door de offerhandeling in stand gehouden. Het gevoel van de mens moet omhoogstreven, moet zich verheffen, opdat het door God wederom bevrucht wordt: dat vindt zijn symbolische uitdrukking in de wierook die het algemene symbool is voor het offer.
De mirre is, esoterisch uitgedrukt, het symbool voor het versterven. Wat betekent versterven, wat wederopstanding, zoals wij het bijvoorbeeld hebben in de wederopgestane Osiris? Bedenkt men de woorden van Goethe, waar hij zegt: „En zolang je dat niet hebt, dit sterven en weer worden, ben je maar een droevige gast op de donkere aarde”. Jacob Böhme brengt dezelfde gedachte tot uitdrukking met de woorden: „Wie niet sterft voor hij sterft, die verderft als hij sterft”.
De mirre vormt het symbool voor het in zichzelf doen sterven van het lagere leven en de opstanding van het hogere leven. Daarom ook wordt de mirre aangeboden door de ingewijde van de lemurische ontwikkelingsperiode. Dit heeft een diepe betekenis. Realiseert men zich wie Jezus van Nazareth is. Een hoogontwikkelde Chela (ingewijde) is in hem geboren. Hij heeft in zijn dertigste levensjaar aan de afdalende Christus, de afdalende Logos, zijn leven weggeschonken. Dat alles hebben de wijze magiërs als een toekomstbeeld geschouwd. Het is een groot offer van Jezus van Nazareth, dat hij zijn ik in ruil voor het ik van de tweede Logos geeft. Om een heel bepaalde reden moest dit offer geschieden.

Pas bij het aanbreken van de tijd van de volgende cultuurperiode zal het mogelijk worden, dat de mens (het menselijke lichaam) reeds vanaf de jeugd zover ontwikkeld is, dat zo iets als het Christusprincipe kan worden opgenomen. Pas duizenden jaren later, in de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal de gehele mensheid zo rijp zijn, dat de lichamen niet jarenlang voorbereid moeten worden, maar reeds vanaf het eerste begin in staat zullen zijn het Christusprincipe op te nemen. In de tijd van onze vorige cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, moest het menselijk lichaam nog dertig jaar worden voorbereid. (In noordelijke streken hebben wij iets dergelijks, waar de persoon van Sig zo wordt voorbereid, dat hij zijn lichaam ter beschikking kon stellen aan een hoger wezen). In de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal het mogelijk worden, dat de mens zijn lichaam ter beschikking kan stellen aan zo een hoog wezen, zoals door Christus bij de stichting van het christendom werd volbracht. Toen het christendom werd gesticht, was het nog nodig dat een Chela zijn ik offerde, wegstierf, en het omhoog zond naar de astrale wereldruimte, opdat de Logos in het lichaam kon wonen. Dit is iets dat ook verduidelijkt wordt door de laatste woorden aan het kruis. Hoe zou men anders de woorden kunnen begrijpen: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Men kan zien hoe hiermee datgene wordt uitgedrukt wat zich als feitelijk gebeuren eens heeft voltrokken: op het moment dat Christus sterft, heeft God het lichaam verlaten en de woorden worden uitgesproken door het lichaam van Jezus van Nazareth – een lichaam dat zo hoog ontwikkeld was, dat het uitdrukking kon geven aan dit gebeuren. In deze woorden is dus een ongelooflijk grote gebeurtenis uitgedrukt. En dit alles is nu gesymboliseerd in de mirre die het symbool vormt van het offeren, het versterven, het offeren van het aardse, opdat het hogere zal kunnen ontstaan.

In het midden van de lemurische tijd moest Osiris zijn graf vinden, moest manas, het geestzelf, indalen in de mensen. Door de ingewijden werd leiding gegeven aan de ontwikkeling van de mensen totdat het buddhi-principe, het principe der liefde, lichtend opbloeide in de Christus Jezus. Buddhi is de hemelse liefde. Het lagere geslachtelijke principe wordt veredeld door de christelijke liefde. Daardoor is het kama-principe, de geslachtelijke liefde in hemelse glorie opgegaan en werd het in het vuur van de goddelijke liefde gereinigd.

Bij Melchior hebben wij te maken met het principe van de wijsheid, de intelligentie, de opgave van de mensheid in de huidige (vijfde) na-atlantische ontwikkelingsperiode van de aarde. Gesymboliseerd wordt dit door zijn offer: het goud.

Wanneer er sprake is van een cultisch offer, dan komt dat tot uitdrukking in de wierook. Dat is het offer der Atlantiërs, de vierde ontwikkelingsperiode van de aarde. In de loop van de verdere mensheidsontwikkeling zal het christendom in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde zijn opgave vervuld hebben. Dan zal het gewone fysieke bestaan weer vervuld zijn van sacramentele cultische handelingen, offerhandelingen. De sacramenten hebben in de huidige tijd hun betekenis voor een groot deel verloren. Zij worden niet meer begrepen. Dat kan pas weer, wanneer in de toekomst geschiedt, wat door de wierook gesymboliseerd wordt: als de hogere mens zal zijn geboren.

De dood van Osiris vindt plaats in de lemurische tijd. Zijn opstanding zal zich afspelen in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde. Wij kunnen dus inzien, dat het feest van de heilige drie koningen door hetgeen zij met hun offerhandeling verkondigen, op de ontwikkelingsgeschiedenis wijst van de mensheid in de derde, vierde, vijfde en zesde ontwikkelingsperiode van de aarde.

Waardoor worden de heilige drie koningen nu geleid en waar worden zij heengevoerd? Zij worden geleid door een ster en zij worden naar een grot gevoerd in Bethlehem. Dat is iets, waarvan de werkelijke betekenis alleen maar kan worden begrepen door iemand die bekend is met de zogenaamde lagere of astrale mysteriën. Door een ster geleid worden betekent niets anders dan de ziel zelf als een ster zien. En wanneer ziet men de ziel als een ster? Men ziet de ziel als een ster, wanneer men haar als een lichtende aura kan waarnemen. Dan verschijnt de ziel als een ster. Maar welke aura is zo lichtend, dat zij kan leiden? – Allereerst hebben wij de aura die alleen maar glimt, die een matte lichtschijn bezit. Die kan niet leiden. Dan hebben wij de hogere aura, de aura der intelligentie. Die bezit weliswaar een stromend licht, een vloeiend licht, maar ook die kan nog niet leiden. Maar de heldere, stralende aura waar buddhi, levensgeest doorheen straalt, is werkelijk een ster, een stralende, leidende ster. Het is de stralende buddhi-ster die opgaat in Christus bij het voortschrijden van de mensheidsontwikkeling. Wat de magiërs lichtend voorgaat, is niets anders dan de ziel van Christus zelf. De tweede Logos( 1) zelf licht hen voor; als een stralend licht boven de grot in Bethlehem.
De grot is niet anders dan datgene waarin de ziel woont: het lichaam. Een helderziende ziet het lichaam van binnen. Voor een helderziend schouwende keert alles om; in het schouwen wordt alles omgekeerd. Men ziet bijvoorbeeld 365 in plaats van 563. Zo wordt door de helderziende het menselijk lichaam gezien als grot, als holte en wat als stralend licht verschijnt in het lichaam van Jezus is de ster van Christus, de ziel van Christus. Dit moet men zich voorstellen als een realiteit die zich afspeelt in de astrale wereld. Het is werkelijk de als een stralende aura lichtende ster van de Christusziel; die leidt de ingewijden van de drie ontwikkelingsperioden van de mensheid tot Jezus, naar Bethlehem.

Het Driekoningenfeest is dus een feest dat elk jaar op de zesde januari gevierd werd. Dit feest zal in de toekomst steeds meer in betekenis toenemen. Op den duur zal steeds beter begrepen worden wat een magiër is en wat de grote magiërs, de meesters zijn. Dan zal men doordat men het christendom leert begrijpen, ook tot een beter begrip van de geesteswetenschap komen.

Vertaling ir. H. de Brey in Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1988)

1) In de christelijke esoteriek wordt Christus als de tweede Logos (de Zoon of het Woord) aangeduid. De eerste Logos is de Vader, de derde Logos is de Heilige Geest. (H. de B.)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1406

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

 

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld tenminste één van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Pearadijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam-en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met  ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote te,genstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’,
‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze strerven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

 

 

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22

926

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (18)

Driekoningen: alle artikelen

 

DE KUNST VAN HET SCHENKEN

Kerstmis is in veel landen een feest van gaven, van geschenken. Dit gebruik knoopt aan bij het bezoek van de her­ders, die in de heilige nacht het kind in de kribbe kwamen aanbidden. Vroege wandschilderingen en panelen beeld­den hen nog zonder geschenken af, want het stond immers niet in de bijbel dat zij geschenken meebrachten naar de stal.

Maar hoe meer de mensen met het kerstverhaal vertrouwd raakten, des te minder konden ze zich voorstellen dat de herders het ‘arme’ kind geen lamme­tje of warme vacht, geen melk of brood zouden hebben gebracht. Daarom zijn er in de kerst­spelen en op de schilderijen uit latere eeuwen geschen­ken te zien.

In wezen is de opwelling van aanbidding en blijd­schap in de harten van de herders een reactie op de goedheid van God, want het kind dat zij aantreffen is een geschenk van de hemel aan de mensheid. En als een echo roert zich in de mense­lijke ziel de wens om ook iets te schenken, ook iets goeds te doen.

kerst herders en koningen

De herders bieden het kind hun gaven aan
(School van Sevilla, 17e eeuw, Londen, Nat.Gallery)

Arm en rijk
De geschenken van de her­ders zijn gaven voor het li­chamelijk welzijn van de Heilige Familie, het zijn zo­gezegd sociale daden. De herders zijn zelf arm; zij
we­ten wat behoeftigheid is, zij kennen kou, honger en ge­brek van nabij, en daarom delen zij hun schaarse bezit­tingen met het kind.

Iets heel anders zijn de gaven van de wijzen uit het morgenland. Beide
aan­biddingen treden als gescheiden scènes in de bijbel op. In het evangelie van Lu­cas wordt gesproken over herders, bij Mattheüs daarentegen over drie wijzen of magiërs, die later koningen werden genoemd. Hun geschenken drukken geen uiterlijke gaven uit, maar hebben een hoge symbolische en kosmische waarde.

De eerste koning schenkt het kind goud. Goud, een heilig metaal, dat uit het aardse waardesysteem is losgemaakt om een hogere waarde uit te drukken.
Goud werd immers voor de vervaardiging van cultische voorwerpen – kruisen en kelken – en als achtergrond bij religieuze afbeeldingen gebruikt.

De tweede koning schenkt wierook: symbool van het gebed en het offer. Met deze gave worden de krachten van het gevoel uitgedrukt. Waarachtig bidden
kan een mens immers alleen als hij zijn hart verwarmt en laat spreken; als
hij eerbied en overgave ontwikkelt. Elke overgave berust op het spreken van het
hart. Als we een bloem bewonderen, dankbaar zijn voor een zonnige dag, als
we voor een mens verering voelen, maar vooral als we ons naar God wenden, dan
stijgt uit onze ziel als het ware wierook op: een onaardse geur, een ambrozijn,
waaraan de hemelse wereld welbehagen heeft.

De derde koning schenkt mirre. Mirre is het symbool van de zelf­beheersing en de innerlijke tucht. De zelfdiscipline is een offer van de wil. Wie dit offer op zich neemt, weigert zijn ambities en wensen de vrije teugel te laten en wil zich op het wezenlijke richten.

kerst herders en koningen 2

Aanbidding door de koningen
(Joos van Cleve, ca. 1485-1540, Praag, Narodni Galerie)

De wijsheid van het gebaar
Men kan hier natuurlijk ook op een an­dere manier naar kijken, maar duidelijk is wel dat het om meer gaat dan om ui­terlijke geschenken: het gaat om het moeizame offer van de eigen persoon­lijkheid. Veelzeggend daarbij is ook dat de koningen buigen voor het kind. Zij, die kennis, macht en rijkdom in hun landen belichamen, zijn bereid te er­kennen, Bij monde van de eerste ko­ning: ‘Onze wijsheid is niets naast jou, Kind. Jij overtreft ons. Jij bent de koning van alle wijzen’.

Zo worden we ons steeds meer bewust, dat in deze scène veel verborgen zit. Maar de grootste wijsheid ligt toch in het dubbele gebaar dat Kerstmis ons voorhoudt: de aanbidding door de her­ders naast de aanbidding door de wij­zen. Het leert ons dat ‘nederig zijn’ al­leen niet genoeg is. Maar alleen ‘ko­ninklijk zijn’ is dat ook niet! Sociale da­den, waarmee de mens aan de wereld werkt en ‘individuele’ daden waarmee hij aan zichzelf werkt, zouden elkaar al­tijd moeten aanvullen.

(Hella Krause-Zimmer, Weledaberichten 164, Kerst 1994)

over goud; over mirre

Driekoningen: alle artikelen

Boeken van Hella Krause-Zimmer:

Waarom heeft een engel vleugels

In het Duits

686

 

VRIJESCHOOL – Mineralogie – 6e klas (2)

.

Enkele mineralen in alfabetische volgorde:

agaat (3x)
amethist (2x)
antimoon (2x)
apatiet
bergkristal/kwarts (3x)
beryl
cassiteriet (tinsteen)
chrysoliet (2x)
chrysopraas
diamant
dioptaas
edelstenen
fluoriet (vloeispaat)
glimmer
goud (2x)
granaat (karbonkel)
houtsteen
hyacint/zirkoon
jaspis
kalkspaat
karbonkel (zie granaat)
kogelgraniet
koper
kwarts-bergkristal (3x)
lapis lazuli
lood (geen ill.)
magnetiet (magneetijzererts) 2x
malachiet
meteoorijzer (2x)
onyx
opaal
parel
pyriet
robijn
saffier
sardius (robijn)
sardonix
sideriet (ijzerspaat)
smaragd
sodaliet
steenzout
tin (geen ill)
toermalijn (2x)
topaas
turkoois
versteend hout=houtsteen
vivianiet (blauwijzererts)
zilver (2x)
zirkoon (zie hyacint)
zwavel

agaat

mineralogie agaatIn de agaat hebben we de kiezelsubstantie niet in de strenge vorm, waarin ze bv. in het bergkristal optreedt voor ons, maar meer als een gestolde vloeistof, ze vormt hier zeer fijne lagen en geeft aan het mineraal een organisch aandoende vorm.

(Weledaberichten nr. 100, 04-1974)

agaat 2In de agaat verschijnt de kiezelsubstantie niet in de strakke vorm, zoals wij die bv. bij de bergkristal vinden, maar meer als een gestolde vloeistof. Van buiten is dit mineraal tot onaanzienlijke knollen verstard. De schoonheid van de ritmisch getekende en dikwijls sterk gekleurde lagen, die soms haast op organische vormen lijken, wordt pas zichtbaar, als men de bollen openmaakt en polijst. De bekendste vindplaatsen zijn in Idar-Oberstein en Brazilië.

(Weledaberichten nr.124 12-1981)

.
De agaat dankt zijn naam aan de kleine rivier Agates in Sicilië. In zijn bedding werd deze siersteen ontdekt.

Agaat wordt op verschillende plaatsen gevonden, o.a. in Brazilië en Madagaskar; er zijn grote groeven in India.

Ook dichterbij: in de omgeving van Idar-Oberstein, Duitsland waar sedert de 17de eeuw een industrie ontstond voor het bewerken en slijpen van edelstenen, die daar gevonden werden.

De groeven rond Idar zijn inmiddels uitgeput geraakt. Maar nog steeds is dit schilderachtige stadje een middelpunt van handel en bewerking van kostbare stenen. Amateurs kunnen in de omgeving nog allerlei moois vinden voor hun verzamelingen.

Agaat is ontstaan in holle ruimten en kloven van rotsachtige gesteenten. Deze liepen vol met kiezelzuur, dat kristalliseerde na verdamping van het water.

Het gebeurde dikwijls dat zo’n holte in het gesteente niet helemaal gevuld werd in de loop van de tijd; er vormden zich dan binnenin prachtige zuiltjes van bergkristal en amethist.

Deze opgevulde holten werden geoden genoemd. In het Heimatmuseum te Idar-Oberstein zijn daarvan fantastisch mooie voorbeelden te bewonderen. Agaat is gewoonlijk mooi gelaagd en gestreept. De gestreepte tekening ontstond, doordat zich telkens weer een laag van een andere kleur over de vorige heeft afgezet. Het gevolg hiervan was het fascinerend kleurenspel van de verschillende lagen.
.
agaat-3
Men noemt dat ritmische kristallisatie: eerst b.v. een gele band, naverloop van tijd een dikkere band, grijs, bruin, maar altijd in verrassende harmonie.

Agaat uit Brazilië. Originele hoogte 10,2 cm. Van buiten gezien is het een grote keisteen, maar deze is doorgezaagd en laat zien, hoe de gekleurde banden lopen.

MOSAGAAT
Een interessante steen van dezelfde samenstelling is de mosagaat. Deze heeft insluitsels die plantaardig lijken en vroeger voor ingesloten mos gehouden werden, maar het zijn ijzer- of mangaanhoudende stoffen. Met enige fantasie kan men in deze stenen allerlei figuren en landschappen ontdekken.

agaat-4
Geslepen agaten. De rijkdom aan variaties is goed zichtbaar.

 

 

 

 

 

agaat-5

vogel, gesneden uit agaat

Deze steen prijkte als achtste op het borstschild van de hogepriester Aaron.

Grieks: achatès
Hebreeuws: schebo
Exodus 28: 19

Hardheid: 7
Chemische formule: Si02

0-0-0

amethist

amethistAmethist is een variëteit van het bergkristal, die door sporen van zware metalen violet is gekleurd. Deze bijzondere kleur die van het teerste violet tot bijna in donkerpaars overgaat, heeft de mens steeds in verrukking gebracht. In de oudheid gold de amethist als een amulet tegen dronkenschap en ook zou het bezit ervan het vormen van verstandige gedachten bevorderen.

(Weledaberichten nr.110 12-1976)

amethist 2(zelfde tekst als boven)

(Weledaberichten nr.121 09-1980)

0-0-0

antimoon

mineralogie antimoonAntimoon – in vroeger tijden door de alchemisten, ook nog door Paracelsus zeer gewaardeerd – is in de loop der laatste eeuwen vrijwel geheel in vergetelheid geraakt. Rudolf Steiner heeft door essentiële en uitvoerige aanwijzingen voor de arts weer een toegang tot dit metaal gewezen. Het vervult in de antroposofische geneeskunde een voorname rol. Het belangrijkste erts is het antimoniet, dat een fijnstralige structuur heeft. De belangrijkste vindplaatsen daarvan zijn in het Oostenrijkse Burgenland, Roemenië, China en Japan.

(Weledaberichten nr.103 12-1974)

Antimoniet is de bekendste zwavelverbinding van antimoon. In de stralenvormige, spitse, dikwijls ook haarviltachtige verschijningen komen vormgevende krachten tot uiting waarvoor het mineraal zich in hoge mate heeft opengesteld. Antomoon stond vroeger bij de artsen – ook Paracelsus – hoog in in ere, raakte echter in de loop van de tijd bijna geheel in vergetelheid. Rudolf Steiner heeft door nieuwe en hoogst wezenlijke aanwijzingen dit metaal weer toegankelijk gemaakt voor de arts. In de antroposofisch georiënteerde  geneeskunst speelt het een belangrijke rol. De bekendste vindplaatsen liggen in het Burgenland, Roemenië,China en Japan.

(Weledaberichten nr.124 09-1981)

antimoon2 Antimoniet (antimoongians) is een verbinding van antimoon en zwavel. In de straalvormige, puntige structuren komen vooral de vormgevende krachten uit de omgeving tot uiting die bij het ontstaan van dit mineraal betrokken waren. De stift- of ook naaldvormige delen, die kenmerkend zijn voor antimoniet, hebben een metaalachtige glans en kunnen ook bonte aanloopkleuren vertonen. Reeds rond drieduizend jaar v. C. was antimoniet bekend als geneesmiddel. In de oudheid gebruikten de vrouwen antimonietpoeder om er hun wenkbrauwen en wimpers mee te verven. Naast andere antimoonverbindingen werd antimoniet tot in de tijd van Paracelsus als geneesmiddel toegepast. Later raakte het bijna geheel in vergetelheid. In de antroposofisch georiënteerde geneeskunst speelt het weer een belangrijke rol o.a. ter ondersteuning van de eiwitprocessen in het organisme. De belangrijkste vindplaatsen van dit erts zijn het Burgenland, China, Bolivia en Japan.

(Weledaberichten nr.132 04-1984)

0-0-0

apatiet

mineralogie apatit

Het mineraal apatiet, (Calcium fluorfosfaat)is in bijna alle eruptieve gesteenten te vinden. De natuurlijke fosforzure kalk ondersteunt de krachten bij het vormen van de beenderen. In Weleda kalkvoedingszout 1 wordt hij, afwisselend met de kalk van oesterschelpen, die de substantie vormende krachten naar de beenderen voert, (Weleda kalkvoedingszout 2), toegediend ter ondersteuning van de kalkstofwisseling.

(Weledaberichten nr. 99, 12-1973)

Dezelfde afbeelding met dit onderschrift: De apatiet, in ’t Grieks ‘de misleider’, heeft terecht die naam. Door de verschillende vormen waarin hij verschijnt heeft hij lange tijd de mineralogen misleid. Nu eens is hij glashelder, dan weer troebel of zelfs geheel ondoorzichtig. Hij kan ook allerlei kleuren vertonen: geelgroen, blauwgroen, violet en zelfs steenrood. Scheikundig bezien is de apatiet een calcium-fluor-chloor-fosfaat van wisselende samenstelling. Hij komt in bijna alle vulkanische gesteenten voor – grote hoeveelheden ervan worden gevonden in Noorwegen en Zweden. Apatiet kan als de drager van de fosfor in het minerale rijk gezien worden. Ook in de fijnere structuur van de beenderen komt apatiet voor. Hij is buitengewoon sterk en heeft een bijzondere relatie tot lichtprocessen. Daardoor is de apatiet een van de wezenlijke substanties voor de opbouw van het beenderstelsel en voor de opgerichte menselijke gestalte. In Weleda Kalkvoedingszout I ondersteunt de apatiet, die daarin met kalebas­bloesem is verwerkt, de vormgevende krachten die het beenderstelsel nodig heeft. De kalk van oesterschelpen, die in verbinding met eikenschors een bestanddeel van Weleda Kalkvoedingszout II is. bevordert op zijn beurt de krachten die substantie vormen. Weleda Kalkvoedingszout I en Il wordt afwisselend ingenomen. De beide preparaten tezamen stimuleren de kalkstofwisseling.

(Weledaberichten nr. 116 12-1978)

0-0-0

bergkristal

ergkristalDe verwantschap met het licht, die bij de kwarts (kiezelzuur) zo sterk tot zijn recht komt, laat zich goed aflezen aan het bergkristal. Dit streng gevormde, heldere, geheel lichtdoorlatende kristal is als het ware een vertegenwoordiger van kosmische krachten in onze aarde. Zogezien verkrijgt het feit dat driekwart van de aardkorst uit kwarts en silicaten (kwartsverbindingen) bestaat, een bijzondere betekenis.

(Weledaberichten nr. 104 03-1975)

Zelfde illustratie, andere tekst: De veelheid van stoffen en de rijkdom aan vormen van het minerale rijk worden duidelijk beheerst door de kiezel. Zelfs de laag van de aarde die het meest levend is, de humus, bevat kiezelige substanties als een wezenlijk bestanddeel. Tengevolge van de eigenschap van de kiezel om verschillende structuren op te bouwen, is er een groot aantal kristalvormen, die dikwijls op plantaardige vormen lijken. Bij de bergkristal daarentegen wordt het zuivere vormprincipe van de kiezel zichtbaar. Het wordt hier niet door de aanwezigheid van andere elementen beïnvloed, want siliciumdioxide, de zuurstofverbinding van silicium, is de enige bouwsteen. Het is stellig niet toevallig, dat de Grieken in de glasheldere bergkristal het oerbeeld zagen van al wat kristal is. De relatie van de kiezel met de zintuigen, de huid en het bindweefsel opent het perspectief voor de veelzijdige toepassing van dit mineraal in de therapie en bij de huidverzorging.

(Weledaberichten nr. 123 04-1981)

Bergkristal. Zowel de gedaante van de aarde als de eigenschappen van de bodem worden in hoge mate bepaald door de grote verscheidenheid van kiezelverbindingen.
Het metaal silicium is de grondslag voor alles wat kiezelhoudend is. Met andere metalen vormt het de zogenaamde silicaten, bijvoorbeeld veldspaat en glimmer.                                                    \
Als het silicium zich echter alleen met zuurstof verbindt, ontstaat siliciumdioxide, de stoffelijke basis voor alles wat kwarts is. Als daarin geringe hoeveelheden van alle mogelijke metalen worden opgenomen ontstaan de fraaigekleurde kwartsvariëteiten: violette amethyst, gele citrien, rozenkwarts, grijsbruine rookkwarts en de bijna geheel zwarte morion. De zuivere, glasheldere bergkristal is evenwel de bekroning en een beeld van het gelouterde minerale rijk. Hij heeft een bijzondere relatie met het licht, laat ook het chemisch actieve gedeelte van het licht, de zoge­naamde ultraviolette stralen, ongehinderd door.
Bij nadere bestudering van de kristalvorm kan men ook exemplaren vinden die elkaars spiegelbeeld zijn. Men spreekt dan van “rechtskwarts” en “linkskwarts”.
Bekende vindplaatsen van mooi gevormde groepen bergkristal zijn de Alpen, Elba, Madagaskar en Minas Gerais in Brazilië.
De duidelijke relatie van bergkristal met het licht wordt benut in de therapie van de naar de buiten­wereld geopende zintuigen en van de huid.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten nr.148 09-1989)

0-0-0

bergkristal/kwarts

Openbaring 4 : 6 en 21:11
Grieks: kristallos
Hardheid: 7
Chemie Si02

Kwarts is het meest gewone en verbreide mineraal op aarde. Het beslaat ongeveer 12% van de hele aardkorst. Het meeste zand van de oceanen en van alle stranden bestaat uit korreltjes kwarts. Het is gesteentevormend in graniet, zandsteen enz.

De glasindustrie gebruikt grote hoeveelheden kwarts in de vorm van zand.

De stam waarvan het woord kwarts afkomt, is ‘hard’.

De kwartsgroep levert van alle mineralen de meeste edel- en sierstenen.

Een deel bestaat uit doorzichtige kristallen, het andere uit ondoorzichtige of hoogstens doorschijnende stoffen.

De mooi gekristalliseerde vormen van kwarts, zoals het glasheldere bergkristal, de donkere rookkwarts, de violette amethist, zijn in kloven en holten ontstaan.

Ook de rookgrijze tot donkerbruine en zwarte rookkwarts laat zich tot fraaie sierstenen slijpen. De belangrijkste vindplaats daarvan is in de Zwitserse Alpen

In de reinste, zuiverste, kreeg het kwarts de naam bergkristal. Het is zeer zuiver gekristaliseerd kiezelzuur. De Grieken dachten dat het versteend ijs was en noemden het Kristallos, wat betekent zuiver ijs, of helder ijs.

Later werd dit mineraal algemeen ‘kristal’ genoemd.

Er is zelfs een wetenschap mee verbonden, die heet kristallografie.

Uit een advertentie.
Zo werkt het moderne horloge: Een heel klein (3 tot 5 mm) kwartskristal wordt door stroom van een batterijtjc tot trillen gebracht.
Maar liefst 32.768 maal per seconde!
De trillingen worden door een mini-motorlje (in wijzerhorloges) of door een electronisch circuit (in digitaal horloges) vertaald in tijd. Precisiegraad 99,9998%. Zo zit dat.

Bergkristal wordt microscopisch klein gevonden maar ook in kristallen tot een gewicht van vijf ton.

Het wordt vooral in Brazilië en Madagaskar gevonden, hoewel minder belangrijke vindplaatsen over de hele wereld verspreid zijn.

In de edelsteenslijperijen wordt het tot veelsoortige artikelen verslepen.

Kelken en ander vaatwerk, sierstukken voor kroonluchters enz. worden uit bergkristal geslepen.

In Openbaring 4 wordt een deur geopend en mogen we de hemel binnenkijken. Na de beschrijving van Hem die op de troon zit, lezen we in vers 6 dat vóór de troon een glazen zee was, aan kristal gelijk. Er worden twee stoffen genoemd: glas, een gefabriceerd product, en kristal, dat een in de natuur gevonden mineraal is, niet door mensenhanden gemaakt. De hier genoemde zee is een herinnering aan de zogenaamde koperen zee ten tijde van Salomo (1 Koningen 7 : 23), die diende om de onreinheid af te wassen. Dat is in de hemel niet meer nodig en daarom is het water veranderd in glas. In de hemel is alles rein en hoeft niets meer afgewassen te worden. En die zee is als kristal. Dit ziet ongetwijfeld op de verheven schittering en loutere schoonheid, die in overeenstemming is met de heilige natuur van God. Zo wijst ook het kristal van de rivier uit Openbaring 22 : 1 naar het Goddelijk karakter van deze rivier: ze gaat uit van God en van het Lam.

bergkristal-2

Bergkristal uit Brazilië. Originele hoogte 16,5 cm. Uit de verzameling van Hein Gaertner, ldar-Oberstein.

 0-0-0

beryl

Openbaring 21:20
Grieks: berullus
Hardheid: 8
Chemie AL2Be3 (Si6O18)

Van de berylgroep zijn vooral de smaragd en de aquamarijn bekend.

Het is aan te nemen dat we onder de bijbelse naam beryl de aquamarijn moeten verstaan.

In het oude Rome werden doorzichtige beryllen als een soort toneelkijker bij de circusvoorstellingen gebruikt. Zo is uit beryl de naam bril ontstaan.

Behalve voor een groep van zeer waardevolle edelstenen is het mineraal beryl belangrijk voor de winning van het gezochte lichtmetaal beryllium dat toegepast wordt in raketten, straaljagers en in de reactortechniek.

Beryl is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.

bergkristal-2

Goudberyl op bergkristal. Vindplaats: Minas Gerais, Brazilië. Originele grootte 15 bij 16 mm. Lengte van het kristal 9 mm. Verzameling Hein Gaertner.

 

beryl-2

Beryllen.
De gele heet goudberyl, de groene heliodoor, de kleurloze gosheniet, de roze morganiet.

0-0-0

cassiteriet (tinsteen) 

kassiteriet

Cassiteriet (tinsteen) is het belangrijkste tinerts, dat reeds in de oudheid werd gedolven. De Phoeniciërs haalden het van de ‘Cassiteriden’ de legendarische tineilanden. Dit zeer harde en zware metaal is meestal geelbruin tot bruinzwart, soms doorschijnend en een enkele keer zelfs kleurloos. Het wordt altijd in kwartsrijke granieten gevonden. Veel van zijn eigenschappen wijzen op een verwantschap met kwarts. Tin verbindt zich niet zoals alle andere zware metalen met de zwavel als partner, maar gelijk het silicium bij de kwarts, gaat het een verbinding met de zuurstof aan. De belangrijkste vindplaatsen zijn Achter-Indië en Bolivia. De therapeutische betekenis van het tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op processen in het menselijke organisme, die zich tussen het vloeibare en het vaste afspelen, zoals bv. in het kraakbeen het geval is.

(Weledaberichten nr. 129 04-1983)

cassiteriet2

Tin (Stannum) behoort tot de metalen die al in de vroege oudheid werden gebruikt. Een legering van koper en tin, het brons, heeft aan een heel tijdperk zelfs een naam gegeven. De Foeniciërs haalden het erts van de “Cassiteriden”, de sagenrijke tineilanden. De naam cassiteriet voor het belangrijkste tinerts, tinsteen, herinnert hieraan nog. Dit mineraal is meestal geelbruin tot bruin­zwart en doorschijnend, in zeldzame stukken zelfs kleurloos. Men vindt het bijna uitsluitend in kwarts­rijk graniet. Vanwege zijn hardheid en zijn groot gewicht komt tinsteen na oppervlakkige verwering veel voor in de bedding van stromend water. Het kan daar in zuivere toestand als zogenaamd zeeptin worden gewonnen. Veel eigenschappen van cassiteriet duiden op verwantschap met kwarts. Tin geeft niet zoals alle andere zware metalen de voorkeur aan zwavel als partner, maar gaat een verbinding aan met zuurstof, zoals silicium dat bij kwarts doet.
In de bloeitijd van de tinertswinning waren het Ertsgebergte en Cornwall in Engeland de belang­rijkste vindplaatsen. Tegenwoordig komt ongeveer 2/3 van de wereldproductie uit Zuidoost-Azië. In Bolivia, de op één na belangrijkste tinleverancier, wordt het in verbinding met zink, zilver en antimoon gevonden, niet in de vorm van zeeptin, maar als hydrothermale of subvulkane verschijning. De therapeutische betekenis van tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op de processen in het menselijke organisme die zich afspelen tussen het vloeibare en het vaste.

(Weledaberichten nr.145 0-1988)

0-0-0

chrysoliet chrysolietChrysoliet (letterlijk: goudsteen) noemt men de zeer heldere lichtgroene, ook goudgroene variëteiten van de olivien, die als siersteen zeer in trek is. Olivien zelf in zijn onedele vorm (ook wel peridoot genaamd) is een veel voorkomend mineraal, dat in magmatisch gesteente, basaltgesteente en ook in meteorieten voorkomt. Chrysoliet is een magnesium-ijzer-silicaat. Hoe meer ijzer het bevat, hoe meer kleur van groen naar geel, zelfs tot roodbruin overgaat. Chrysoliet is de enige edelsteen die ook in steenmeteorieten voorkomt. In de pallasiet van Krasnojarte in Siberië, die uit een merkwaardige verbinding van ijzer en chrysoliet bestaat, zijn grote korrels van dit mineraal gevonden. Het was mogelijk deze te verslijpen. Zo’n chrysoliet van hemelse oorsprong is zeldzaam. De belangrijkste vindplaats waar de mooiste exemplaren vandaan komen is het eiland St.John in de Rode Zee, daar werd deze edelsteen vermoedelijk al in de tijd der farao’s gevonden.

(Weledaberichten nr.114 03-1978)

.

Openbaring 21:20

Hebreeuws: tarsjisj
Grieks: chrusolutos
Hardheid: 6,5
Chemie (MgFe)2Si04

De naam komt van chrusos = goud en lithos = steen, dus goudsteen.

Er zijn grote doorschijnende exemplaren in olijf- en mosgroen.

Veel gemmologen (edelsteenkundigen) menen dat het hier gaat om de tegenwoordig in de handel zo genoemde peridoot.

3500 jaar geleden werden deze peridoten al gewonnen. De oudste vindplaats is het eiland Zebirget (of Sint John) in de Rode Zee.

De kruisvaarders brachten deze stenen mee naar huis.

Chrysoliet is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.

Peridoot. Andere namen hiervoor zijn chrysoliet, olivijn.
Vindplaats Egypte. Orig. hoogte 19 mm.

0-0-0

chrysopraas

Openb.21:20
Grieks: chrysoprasos
Hardheid: 6,5
Chemie: Si02

Chrusos = goud en prasos = loof of prei. Hij is doorschijnend, met een appelgroene kleur.
Het groen wordt veroorzaakt door een spoor van aanwezig nikkel.
Tegen het licht ziet hij er gewoonlijk wat wolkachtig uit, soms met bruine adertjes.
De chrysopraas is een van de mooiste stenen van de kwartsgroep.
Foutvrije chrysoprazen zijn zeldzaam en daardoor tamelijk kostbaar.
Een fraaie kwaliteit komt uit Queensland, Australië.
Deze steen vormde het tiende fundament van de eeuwige stad.

chrysopraas, vindplaats Australië, originele hoogte 11, 4cm

0-0-0

diamant

Diamant Exodus 28: 18
Hebreeuws: jahalom
Grieks: adamas
Chemie: C (gekristalliseerde koolstof)
Hardheid: 10

De diamant is wel de meest bekende en begeerde edelsteen. De schoonheid van de diamant is door de eeuwen heen als iets zeer bijzonders beschouwd.

Hij is de zesde steen van het borstschild van de hogepriester en de eerste bij de grondvesten van de heilige stad.

Zijn enorme hardheid, zijn lichtbrekend vermogen, de flonkering (het ‘spel’) trekt de mensen steeds weer aan.

Diamant is de enige edelsteen die slechts uit één element bestaat, namelijk uit koolstof.

Ook potloodgrafiet is zuiver koolstof; het enige verschil is dat de atomen bij diamant veel nauwer saamgebonden zijn. Wat een wonder is het, dat deze zwarte en vuile, waardeloze kool die uit de diepste diepten komt, samengeperst onder een druk van tienduizenden atmosferen en bij een temperatuur van duizend tot tweeduizend graden, met zijn fonkelende pracht tot dit prachtige gesteente wordt.
De oorsprong van het woord diamant heeft de betekenis van ‘onoverwinnelijk’ ook ‘onverbiddelijk, onverzettelijk’.

Dit is het hardste materiaal van de aarde. Waar worden ze gevonden? Veelal diep onder de grond in kraterpijpen, soms wel aan de oppervlakte van de aarde, b.v. aan de rand van uitgewerkte kraters en vulkanen.

Vanaf de oudste tijden tot aan de achttiende eeuw waren in India de enige vindplaatsen van diamant. Nu kan men noemen Zuid-Afrika, Brazilië, Australië, Siberië, Siërra Leone, Zaïre.

Bij Kimberley in Zuid-Afrika begon men in 1866 met primitieve middelen te graven. Massa’s gelukzoekers uit alle landen stroomden toe na de ontdekking van de diamantvelden. Koortsachtig werd met handkracht gegraven en velen vonden een fortuin. Later werd alles georganiseerd en ontstonden grote maatschappijen die de mijnen aankochten.

Machtige graaf- en boormachines doen nu het voornaamste werk.

Een voorbeeld van een moderne werkwijze vindt men in Zaïre.

Daar is diamanthoudend grind, maar dit wordt bedekt door kilometers lange en brede lagen onvruchtbaar zand. De eerste opgave is, daar de ongeveer 20 m dikke laag zand weg te werken. Hiertoe heeft men automatisch bestuurde graafmachines, gecombineerd met bulldozers. Hun gewicht is meer dan 600 ton. Deze machines hebben een bereik van 54 m breedte en 15 m diepte. Per uur halen ze 450 m3 aarde weg.

Zo ziet men, dat tegenwoordig het diamant niet voor het opscheppen ligt. Men moet in het ene land 150 miljoen kg zand verplaatsen om 1 kg diamant te kunnen winnen, elders moet men ongeveer 8 miljoen kg gesteente verwerken met behulp van kostbare machines om 1 kg diamant te verkrijgen.

Een grote zorg voor de leiding is, dat er zo weinig mogelijk gestolen wordt. Van tijd tot tijd worden de werknemers doorgelicht, televisiecamera’s houden alle critieke zones in de gaten, terwijl electronische apparaten de uitrusting en machines beveiligen.

Diamant in moedergesteente. Vindplaats: Siberië, Prov. Yakutia bij Mirnyi. Zijde-lengte van de diamant. 3,5 mm.
Verzameling Hein Gaertner. V

De prijs is van veel factoren afhankelijk.

Grotere stenen stijgen in prijs niet proportioneel maar overproportioneel, zodat een grote steen van dezelfde kwaliteit we; drie tot vijfmaal zoveel kost.

De wereldproduktie van diamant is afhankelijk van de vraag en mede van de koers van de dollar. Een klein deel is maar geschikt: edelsteenkwaliteit. Het overblijvende deel wordt verwerkt voor industriële doeleinden, voor boorkoppen, glassnijders, steenzagen enz. tegen een prijs die vele malen lager ligt.

Diamonds are forever — diamanten zijn voor altijd – is een slagzin die waarheid bevat, als men tenminste niet verder gaat dan het bestaan van de aarde.

0-0-0

dioptaas

dioptaasDioptaas is een zeldzaam mineraal, dat stralend smaragdgroene kristallen vormt. De interne kleurwerking lijkt bijna onnatuurlijk. Scheikundig gezien hebben wij hier te maken met een verbinding van kiezel en koper. Zowelde vormgevende krachten van de kiezel als ook de sterke relatie van het koper met de kleur is hier opvallend. Doordat hij relatief weinig hard is komt de dioptaas weinig als sieraad in aanmerking. Hij wordt echter wel in geneesmiddelen verwerkt. Dioptaas wordt in calcietgangen in de Kirgiezensteppe, in spletyen van de Dolomieten en in het Otavigebergte gevonden. Andere bekende vindplaatsen zijn Chili, Peru en Arizona.

(Weledaberichten nr.125 04-1982)

o-o-o

edelstenen

Vier maal C
De waarde van edelstenen van hoge kwaliteit, vooral van diamanten, wordt bepaald aan de hand van vier testproeven.
In het Engels noemt men dit de 4 x c, namelijk clean, carat, colour en cut, dat is: rein, karaat, kleur en slijpsel.

1. Clean of clarity = of ze rein, zuiver zijn, dus zonder foutjes.
2. Carat = hoeveel karaat ze zijn, of hoeveel ze wegen.
3. Colour = de kleur.
4. Cut = de snede of het slijpsel.

1. De reinheid of zuiverheid
Een diamant moet loepzuiver zijn. Dit betekent dat bij tienvoudige vergroting geen scheurtjes, onzuiverheden of insluitsels te zien mogen zijn. Die foutjes kunnen ook kleine holten of luchtblaasjes zijn.
In feite is er geen die bij sterke vergroting absoluut zuiver is. Duidelijke onzuiverheden verminderen het vermogen van de steen, de lichtstralen terug te kaatsen.
Het klinkt wat vreemd wanneer we nu gaan beweren dat insluitsels in talrijke opzichten de waarde van een diamant kunnen vergroten. Toch is dit bij bepaalde insluitsels het geval.
Zo’n edelsteen verschilt erdoor van al zijn broers. Ieder insluitsel is een welsprekend bewijs voor de geheimzinnige vorming van de steen en is uniek in zijn soort.
Een insluitsel kan ook een klein gekristalliseerd exemplaar zijn, dat opgenomen is in een diamant die jonger is en later kristalliseerde.
Dit is een glimp van de geheimzinnige diepten van de aarde.

2. Het gewicht of de grootte
Het gewicht van diamanten wordt uitgedrukt in karaten. Een karaat is 1/5 gram (0,2 gram).
Een karaat wordt weer verdeeld in 100 puntjes, zodat 1 puntje 2 milligram of 0,002 gram is. Stenen van 1 puntje worden nog geslepen en voor sieraden gebruikt.
Karaat komt van het Griekse Karation, het zaad van de Johannesbroodboom.
En dat was het varkensvoer dat de verloren zoon graag wilde eten (Lukas 15).
Wij zouden zeggen: Moet nu zo’n karaat van 1/5 gram nog verdeeld worden in 100 punten? Ja, 1 punt van 2 milligram kan van grote betekenis zijn bij de prijsbepaling.
Een briljant van 1/10 karaat heeft een doorsnee van 3 mm Een briljant van 1 karaat heeft een doorsnee van 6,5 mm. Een briljant van 5 karaat (1 gram) heeft een doorsnee van 11 mm. Bij edelstenen is karaat dus gewicht.
Dit niet te verwisselen met goud. Bij goud geeft karaat het gehalte aan. Zuiver goud = 24 karaat. Dit staat dus geheel los van elkaar.

3. De kleur
Veel kristallen hebben bijzonder mooie kleuren. Geen wonder, dat kleuraanduidingen als smaragdgroen, robijnrood, turkoois (turquoise), amethist-kleur, afgeleid zijn van de mineralenwereld.
Fluoriet (vloeispaat) gaat gloeien wanneer het in een donkere ruimte wordt verwarmd.
Veel mineralen beginnen bij bestraling met ultraviolet licht te fluoresceren: ze stralen met een fantastische gloed. Alexandriet is groen, bij kunstlicht paarsrood.
De kleur van saffier wordt door kunstlicht ongunstig beïnvloed. Robijn en smaragd hebben daarentegen bij kunstlicht een bijzonder stralend uiterlijk.
Diamanten zijn veelal kleurloos. De meest begeerde kleur is wit met een iets blauwe schijn, de zgn. blauwwitte kleur. Verder zijn er gele, rode, blauwe en groengekleurde diamanten en zelfs volkomen zwarte.

4. Het slijpen
Grotere stukken zijn niet altijd geschikt voor bewerking.
De vakman vindt het dan beter, er een aantal kleinere stenen van te maken. Daartoe moeten ze in twee of meer delen gezaagd worden.
Vroeger werden ze gekloofd of gespleten en dat was een moeilijk en gevaarlijk werkje omdat ze daarbij wel in duizend stukjes verbrijzeld konden worden, wanneer met hamer en beitel een verkeerde klap gegeven werd.

Het kloven is langzamerhand vervangen door het zagen. Zagen gaat met kleine schijven, bestreken met diamantpoeder, vermengd met olijfolie, die met een snelheid van 5500 toeren per minuut ronddraaien. Het zagen gaat langzaam. Het duurt bij een één-karaats steen van 6 à 7 mm doorsnee 5 tot 8 uur.

Een werkplaats telt soms 100 machines, in rijen opgesteld. Een arbeider kan er 20 tegelijk bedienen.

Vroeger werden edelstenen ‘ruw’, zoals ze gevonden werden, gebruikt. Later werden ze gepolijst om kleur en glans beter uit te doen komen.
Nu worden ze geslepen. Slijpen is specialistisch vakwerk dat in de loop van de eeuwen telkens verbeterd is. Het slijpen in kleine vlakken of facetten brengt pas de echte kwaliteiten van de edelstenen aan de dag.

Er zijn verschillende vormen van slijpsel, maar de briljant-vorm wordt het meest toegepast.

Deze heeft 57 facetten, die alle zo berekend en op elkaar afgestemd zijn, dat het beste resultaat bereikt wordt. Volgens nauwkeurig berekende hoeken wordt het licht in het inwendige van de steen herhaaldelijk teruggekaatst, waardoor het ten slotte naar boven uittreedt.

0-0-0

fluoriet (vloeispaat)

mineralogie vloeispaat

Fluoriet (vloeispaat), een mineraal dat voornamelijk in kubusvorm kristalliseert, komt in alle kleurschakeringen van violet tot wit voor. Het heeft een karakteristieke relatie tot het menselijke organisme, vooral tot de tanden, beenderen en het bindweefsel.Het wordt daarom ook als geneesmiddel toegepast.

(Weledaberichten nr.98, o9-1973)

fluoriet 2Vloeispaat (fluoriet) is bekend sinds er mijnbouw bestaat. Het is overal verbreid en vanwege zijn fraaie kleuren waarvan de scala van donkerpaars tot blauwgroen, geel en zelfs roze loopt, werd het vroeger door de mijnwerkers “ertsbloem” genoemd. Het mineraal is ontstaan uit gloeiende oplossingen of gasvormige toestanden. Vloeispaat komt in combinaties met tin- en loodertsen, toermalijn, topaas en apatiet voor. De kristalvorm van de kubus, die relatief groot kan worden, is bij vloeispaat dikwijls geheel zuiver. Vroeger werd hij gebruikt als toevoeging bij de verwerking van ertsen in hoogovens om moeilijk smeltbare slakken gemakkelijker vloeibaar te kunnen maken. Hier­door is de naam vloeispaat ontstaan. Scheikundig is fiuoriet een verbinding van calcium en fluor. Het heeft een bijzondere relatie met de tand- en botvorming en is in het algemeen betrokken bij de opbouw van vaste weefsels. Vandaar dat de werking ervan hier therapeutisch wordt benut. Bekende vindplaatsen zijn o.a. het Zwarte Woud (Wolfach en Wieden), Wölsendorf in de Bayrische Oberpfalz en Freiberg in Saksen.

(Weledaberichten nr.135 04-1985)

0-0-0

glimmer

glimmer

Glimmer is een heel bijzondere groep te midden van de mineralen. De zo typisch vast omlijnde driedimensionale vormen in het mineralenrijk verdwijnen hier. Door zijn bijna onbegrensde
moge­lijkheid om in flinterdunne blaadjes te worden opgesplitst, brengt elk stuk glimmer ons in verba­zing. De tendens, volledig in het platte vlak te verschijnen, herinnert aan de eigenschap van het blad in de plantenwereld. Glimmer is zeer verbreid en sinds de oudheid bekend. Men vindt dit mi­neraal niet alleen in oergesteente ingebed, maar ook in grote platen, zogenaamde “glimmerboeken”, die in de techniek worden gebruikt. Het lichte en in dunne lagen volkomen doorzichtige ka­liglimmer muscoviet kwam vroeger in grote hoeveelheden uit Moskou, daaraan ontleent het zijn naam.

(Weledaberichten nr. 140 12-1986)

goud

goud 3

Goud (lat. aurum)komt in de natuur bijna uitsluitend gedegen voor. Het edele karakter ervan verdraagt ook slechts het edele als partner. Het bevat dikwijls ook wat zilver, dat dezelfde kristalvorm heeft. Heel fijn verdeeld is het in kwarts te vinden, ook in arsenkies en in enkele andere zwavelertsen. Door zijn hoge soortelijk gewicht en zijn chemische onaantastbaarheid kan het bij de erosie van goudhoudend gesteente in rivieren als wasgoud voorkomen. Berggoud wordt het edele metaal genoemd dat gedolven wordt in de mijnen. In de Oudheid, toen nog een groot kosmisch verband beleefd kon worden, zag men in het wonderbaarlijke, altijd zuivere en glanzende metaal het aardse beeld van de zonnekrachten. Men beleefde het ook als gestold licht en gaf het een plaats in de mysteriën en de cultus, waar de mens zich eerbiedig naar de goddelijke wereld richtte. In de loop van de ontwikkeling degradeerden de mensen het goud tot een symbool van rijkdom en aardse macht. Zelden vindt men duidelijk gevormde kristallen. De octaëder-, kubus- of dodecaëdervormen zijn meestal ietwat veranderd en hebben afgeronde zijden. Maar juist deze kristalvormige verschijningen, waarin het vormgevende element zwakker wordt, kunnen de ware aard van het goud duidelijker openbaren. In de therapie wordt het goud in gepotentieerde vorm voornamelijk als geneesmiddel voor het hart toegepast.

(Weledaberichten nr. 122 12-1980)

Goud (Aurum) is met zijn stralende kleur, zijn immuniteit tegenover alle uiterlijke invloeden en door zijn wonderbaarlijke glans het edelste metaal. Reeds in de oudste tijden kenden de mensen het goud. Het was voor hen materie geworden zonneglans van het goddelijke op aarde. Men ging er met diepe eerbied mee om. In de loop der tijden kwam er echter een verandering. Eens een cultisch element werd het een machtssymbool. De mens streefde ernaar  – dikwijls in een soort van bezetenheid – dit edele metaal te bezitten.
Omdat goud in de aarde bijna alleen maar gedegen voorkomt, zeer zwaar is en niet verweert, kan men in rivierbeddingen, die door gesteente stromen waarin goud voorkomt dikwijls kleine goud­korrels vinden. In Europa werd sinds oudsher goud uit de Rijn en de Rhone gewassen. In mijnen gedolven goud wordt “mijngoud”genoemd.
Bekende vindplaatsen waren de Hohe Tauern (Oostenrijk, oostelijke Alpen). In de Middeleeuwen waren ook veel plaatsen in Silezië, zoals Goldberg, Löwenberg en Reichenstein van betekenis. In het midden van de vorige eeuw werden de grote goudvelden in Californië en Australië en onge­veer 100 jaar geleden het grootste exploratiegebied, Witwatersrand in Zuid-Afrika ontdekt.
Goed gevormde kristallen – kleine octaëders – zijn bij goud hoogst zeldzaam. Meestal zijn de vlakken gekromd en de vormen veranderd. Net zoals bij koper en zilver bestaan er ook fijne boom-en veerachtige vormen, die bijna organisch lijken.
De meest bekende stukken zijn de onregelmatige, ten dele met gaten voorkomende brokken, de zogenaamde nuggets, die soms meer dan 100 kg zwaar zijn.
Goud wordt in gepotentieerde vorm in de antroposofische geneeskunst toegepast. Het stimu­leert de hartfunctie en bemiddelt tussen opbouwende processen en afbrekende zenuw-zintuigprocessen.
Het activeert de ziel en brengt de zielsprocessen in evenwicht. Door zijn evenwicht-scheppende functie is het goud ook de drager van de ik-organisatie in de mens. Twee uitspraken van Paracelsus, de grote arts en genezer, kunnen het wezen van het goud verduidelijken: “Het goud heeft de natuur van het vuur. Het draagt de zonne-energie, spoort de levensgeest aan, versterkt hart en bloed, bevordert de groei en schenkt lichamelijke kracht. Goud draagt ook de warmte die alles laat rijpen.”

“Het hart is de zon van de microkosmos, een vrucht van het goud, waardoor het wordt gevoed. Net zoals de zon invloed heeft op de aarde, zo werkt het hart op het lichaam.”

(Eckehard Wagner, Weledaberichten nr.143 12-1987)

0-0-0

Als laatste in de rij metalen die Weleda om hun bijzondere kwaliteiten in haar medicijnen verwerkt, komt goud aan de orde. Goud is vooral een metaal met grote tegenstellingen. De vorige metalen kun je rangschikken in paren die telkens twee tegengestelde principes vertegenwoordigen. Heeft lood met de dood en veroudering te maken, zo is zilver met leven en opbouw verbonden. Op dezelfde wijze kun je fenomenen vinden voor de tegenstelling tussen ijzer en  koper en tussen kwik en tin. Goud heeft in die zin geen ander metaal tegenover zich, maar draagt louter tegenstellingen in zichzelf.
De duidelijkste innerlijke tegenstelling van goud komt tot uitdrukking in de polariteit licht-zwaarte. De lichtkracht toont zich in de stralende glans die van goud uitgaat. Zo laat het goud van de torenspits van de Walburgiskerk in Zutphen het licht tot kilometers ver in de omtrek schijnen. En bladgoud laat een levendig groen licht door, terwijl in de vensters van de oude kathedralen het rood en het purper te danken is aan de minieme hoeveelheden goud die bij de vervaardiging van het glas zijn opge­nomen. Tegenover deze lichtkwaliteit staat zwaarte: goud heeft het hoogste soortelijk gewicht van de behandelde metalen. Een goudstaaf is moeilijk te verplaatsen, je neemt hem niet zo maar mee!

Hemel en aarde
Het gebruik van goud in de loop van de geschiedenis laat dezelfde tegenstelling zien. In de oude culturen had goud een cultisch-religieuze functie. Alleen de vertegenwoordiger van de goden, zoals de farao of de opperpriester, mocht zich met goud tooien. Goud was een teken van de werkzaamheid van de hemelse wereld van de goden. De beeltenis van goden werd dan ook op goud gedrukt. Bij het toenemen van de persoonlijk­heidscultuur vervingen koningen de goden als afbeelding op de munten, die tevens betaalmiddel werden. Tegen­woordig is het bezit van goud een teken van aardse macht.
Goud overtreft niet alleen in zwaarte de andere metalen. Het is ook het edelste metaal in de zin dat het niet roest (dat wil zeggen: wordt aangetast door zuur­stof). Verder gaat het ook met bijna geen enkele andere aardse stof een che­mische verbinding aan. Het is
smeedbaarder dan zilver, erg plooibaar en kan tot één duizendste millimeter worden geplet, zonder dat het uit elkaar valt! 1 gram puur goud kan tot een ononder­broken draad van 2 kilometer lengte worden getrokken. De kracht van het goud uit zich dus enerzijds in het bij elkaar blijven en anderzijds in het zich ver kunnen uitbreiden.

Hart
In het menselijke organisme vervult het hart een middelpuntfunctie. Het bloed uit het hele lichaam stroomt daar samen en vindt vervolgens via het bloedvatsysteem de weg weer terug naar de wijdste periferie. In het hart is de mens het meest bij zich zelf. Hij wijst op het hart als hij ik zegt. Moed, oftewel de kracht om overeind te blij­ven als de hele wereld je dreigt te over­weldigen, heeft zijn fysiologische basis in het hart. Je ervaart jezelf dan hele­maal in je middelpunt. Een andere kwa­liteit is empathie: het vermogen om helemaal op te gaan in de ander en toch niet jezelf te verliezen. Ook dat is een hartenkracht.
Goud als geneesmiddel kan deze har­tenkrachten ondersteunen als ze op de proef worden gesteld. Het gepotentieerde goud biedt daarnaast ook steun wan­neer het hart meer lichamelijke proble­men heeft; dus bij een te sterke samen­trekking (kramp), die zelfs tot een infarct kan voeren of een te ver gaande ontspanning die tot een te geringe wer­king van het hart leidt. Goud brengt de tegenstellingen in een harmonische wisselwerking. Daarom kan het, in verschillende potenties, aan de twee poorten van het leven werk­zaam zijn. Bij de geboorte (bij drei­gende abortus: goud in lage poten­tie) en bij het sterven: als de ziel moeite heeft het lichaam los te laten kan goud in hoge poten­tie dit proces harmonise­ren.
In een mens kunnen op grond van zijn constitutie depressieve, zwaarmoedige perioden zich afwisselen met opgewon­den en overmoedige fasen. Ook bij deze polaire toestanden kan goud
har­moniserend werken.

Innerlijk goud
In het hart zijn samentrekken en uitbrei­den als tegengestelde bewegingen in de tijd met elkaar verbonden. De ene beweging maakt de andere mogelijk. Op een soortgelijke manier kan de mens tegengestelde activiteiten harmo­nisch samenbrengen. Hij doet dan
het­zelfde als wat goud en het hart doen. Hij maakt als het ware ‘innerlijk goud’. In de Middeleeuwen zei men: ora et labora (bid en werk). Dat hield in: afwisselend binnen en buiten actief zijn, hemel en aarde beide aan bod laten komen en tegelijkertijd harmo­nisch met elkaar verbinden. Elke tijd heeft voor dit ‘goud-gebaar’ zijn eigen woorden en werkwijzen.
In onze tijd wisselen studie en het in de praktijk staan elkaar af. Waarneming en gedachte (over het waargenomene) hebben elkaar nodig om beide vrucht­baar te blijven. Het alleen en op jezelf zijn wordt gevolgd door het weer deel van de gemeenschap zijn. Hoe meer je op deze wijze tegen­stellingen op een harmonische wijze kunt verbinden, hoe meer je innerlijk goud maakt, en hoe minder je het goud als medicijn nodig zult hebben.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 178, najaar 1998)

Met karaat wordt het gewicht van diamant  uitgedrukt (en van het goudgehalte van een goudlegering). Het Nederlands heeft karaat in de 15e eeuw overgenomen uit het Frans, dat carat op zijn beurt ontleend heeft aan het Arabische woord qirat, de naam van een lengtemaat en van een gewichtsmaat van exact 0,195 gram. Qirat zelf gaat terug op het Griekse woord voor het zaadje van de johannesbroodboom: keration. Die zaden, kortweg johannesbrood genoemd, hadden vrijwel altijd een gelijke lengte en een identiek gewicht en konden daarom dienen als gewichtjes. Wie 1 karaat aan diamantjes had, had het gewicht van één zaadje aan edelstenen. Toen er fijne meetinstrumenten kwamen, stapte men af van deze manier van wegen, en in 1907 werd het karaatgewicht vastgesteld op exact 200 milligram (0,2 gram). Meestal zijn diamanten echter veel lichter en wordt hun gewicht
uitgedrukt in karaatpunten, waarbij 1 punt gelijkstaat aan 2 milligram.

Ton den Boon, Trouw

 

GOUD EN ZILVER

De bewustzijnspool in de mens wordt door het lood (plumbum) ondersteund, dat o.m. het abstract denken aanzet, terwijl de levenspool door de zwavel (sulfur) gediend wordt, die de stofwisseling stimuleert en die het bewustzijn in slaap wiegt om het lichaam eens even te kunnen uitzwavelen.

Ook het zilver, beheerst door de Maan, dient de levenspool en staat dan ook eveneens tegenover de bewustzijnspool met het lood van Sarturnus, als tegenspeler.

Zilver verbindt zich ook graag met zwavel (een ei eet men niet met ’n zilveren lepeltje!) Zilver werkt tegen het lood in. In de natuur vindt men ze vaak bij elkaar! In de oceanen, de Maan-wateren, is veel zilver. En hoewel het in Amerika het meest gedolven wordt, verbruikt men het meeste zilver in China en India, de Maan-landen die duizenden jaren lang een Maan-cul-tuur in ere hielden, met weer-spiegelend en be-spiegelend denken.

Zilver spiegelt het zuiverst, zoals de Maan het zonlicht weerspiegelt en de Maan-mens de gedachten van ’n ander. Het is ook even gevoelig voor licht als de Maan (zilver-chloride en -bromide bij de fotografie!) en chloor-zilver neemt de kleur aan van ’t licht dat er op schijnt.

Zilver is koel als het maanlicht, het heeft geen warmte of energie uit zichzelf. Ook de Maan-mens moet de positieve waarden uit zijn omgeving of Zon-tegenpool halen en is daardoor zo extravert, moet ménsen zien!

Door haar koelheid geeft zilver zulk een zuivere klank (de klank-aether is de Maan-aether, die over de waterdamp, de nevels, gaat!): zilveren klokjes, belletjes en fluiten! Het geleidt warmte beter dan elk ander metaal (het zilveren lepeltje in het glas waarin men ’n warme drank schenkt!), maar het behoudt de warmte niet. Zo weerspiegelen Maan-Venus-mensen de liefde van een ander, bij goed aspect in schone klanken, zonder zelf lief te hebben.

Zilver is week (van 1 gram zilver kan men een draad van 2 km lengte maken!), evenals zulk een Maan-mens, die, kneedbaar en suggestibel, met zich laat sollen, zich in elke vorm van gedrag laat kneden en zo beinvloeden dat hij ’n echo wordt.

Hoe meer zilver het organisme van ’n mens bevat, hoe weker en zwakker hij is, willoos, suf en lui, doordat de levenspool de overhand neemt.

Bij werkelijke zilver-vergiftiging kan de huid geen licht meer verdragen, de ogen ontsteken, de maag (Maan-orgaan) raakt van de wijs, men gaat boeren als een baby en verlangt hevig naar zoet, evenals bij de zwavel, wat analoog is met de psychische behoefte aan warmte, hartelijkheid en liefde, zo bekend van het Maan-teken Cancer! Men voelt zich weer klein kind, is bang in een straat met hoge huizen of in een volle kerk of schouwburg, het is te machtig. De behoefte aan zoet is ook een uiting van het zwakke zelfbewustzijn, het afhankelijkheidsgevoel van de Maan-mens, want suiker is de stoffelijke onderlaag van het gevoel van eigenwaarde. Men heeft een gevoel of het hoofd uitzet!

Men voelt zich niet meer op z’n gemak en op z’n plaats op aarde, wil eigenlijk naar de Maan! Vaak heeft men dan ook opwellingen om een eind aan het aardse leven te maken.

Zilver in de vorm van homoeopatische Argentum nitricum (helse steen) herstelt dan de aardse evenwichtstoestand. Dit middel werkt links, aan de Maan-zijde!
Het goud behoort bij de Zon en bij het teken Leo, het wordt ook ’t meest gedolven in Afrika, het werelddeel van de Leeuw, waar de negus van Abyssinië een levende leeuw bij zich heeft als zinnebeeld van de Leeuw van Juda!

Het goud voedt het hart, de zintuigen en het zenuwstelsel, het komt bij de mens zowel als bij moeder Aarde in de zenuwen, resp. de ertsaderen, voor. Door het goud uit de aarde op te delven, verzwakken wij Aarde’s zenuwstelsel. En waar gaat alle goud heen? In tegenstelling met het zilver gaat het westwaarts en verdwijnt opnieuw onder de grond in de kelders van Fort Knox, in de U.S.A. In wijzer tijden droeg men gouden kronen en oorijzers om de Zonnekracht aan te trekken, de grote Levenskracht! De kroning van een vorst stelt hem door het goud in speciale verbinding met de Zonnegod, wiens stedehouder op aarde hij voortaan behoort te zijn!

Het goud van de Zon wordt tegenwoordig wel door de allopathie aangewend tegen rheuma, d.i. tegen Saturnus, Leven tegen Dood.

De mens die teveel goud in zich heeft, een naar verhouding te sterke Zon, wordt heftig door een te groot gevoel van eigenwaarde: hij dult geen tegenspraak! Bij mannen vergroot en verzwaart zich de lever en bij vrouwen de baarmoeder, die twee organen van levens- en scheppingskracht. Het hart raakt van de wijs en de ogen worden lichtschuw: de zintuigen worden te gevoelig.

En evenals bij de zilver-vergiftiging voelt men zich niet meer thuis op aarde. Men wil naar de Zon! Men voelt zich hier onnut en denkt erover, een eind aan z’n aardse leven te maken. Men weent en bidt en is vertwijfeld, kan het evenwicht niet meer vinden van Geest en Stof.

Een dosis homoeopathisch goud (aurum) herstelt dan dit evenwicht.

De mensenziel kan op Zon, Maan en alle planeten afstemmen, maar zolang hij op Aarde is, moet het daar geldende evenwicht bewaard worden. Iemand met een zwakke, maar harmonisch geaspecteerde Zon drage veel goud, iemand met een dito Maan veel zilver. Eten, een Maan-functie, doen wij uiteraard liefst met zilveren eetgerei. De ring van onze harte-liefde zij van goud!

Melly Uyldert, Kaarsvlam 08-1956

goud

Hebreeuws: zahaav
Grieks: chrusos
Hardheid: 2,5 à 3
Soortelijk gewicht 19,3
Chemie: Au

Goud en zilver zijn geen edelstenen maar edele metalen, die nauw met edelstenen zijn verbonden.
Goud is het beroemde en gezochte edelmetaal bij uitstek.
Goud ligt opgestapeld in de nationale banken; dat is de eer van de natie.

Er is een oeroud verlangen van de mens naar goud. Dit is aanleiding geweest tot grote ontdekkingsreizen, ook tot misdaden en veel oorlogen.

De grootste klomp werd in 1869 in Australië gevonden en woog 70 kg.
1 kg goud is ± 5 x 5 x 2 cm, ongeveer de grootte van een luciferdoosje.
Wanneer je iets over de prijs wil vertellen, vind je hier de actuele waarde.

Iets over de wereldproductie hier.

Fijn goud is goud van 24 karaat. 18 karaats b.v. is 18/24 aan fijngoud. Tegenwoordig worden de staatskeurtekens in duizendsten aangegeven. Dan wordt 18 karaats 3A maal 1.000 = 750 duizendsten zuiver goud.

Goud is in zuivere toestand zeer week en kan uiterst dun geplet worden, tot 0,0001 mm, dat wil zeggen dat 100.000 van deze blaadjes op elkaar gelegd 1 cm dik zijn.

Men kan het tot zo’n dunne draad trekken, dat een lengte van 2 km maar 1 gram weegt.

Goud. Het wordt gevonden in plaatjes of kleine korrels, in het zand van beekjes (Skandinavië), in rivierbeddingen (Amerika). Goudaders vindt men ook in kwartsgangen en andere gesteenten. Hier een stuk gedegen goud, geplaatst op een klein tafeltje.

Goud trotseert alle aantasting door chemische stoffen en het is altijd vrij van bacteriën, doordat het een bacteriedodende werking heeft.
Alleen koningswater, een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur is in staat goud op te lossen.

Sinds in 1886 de Witwatersrand bij Johannesburg ontdekt werd, is er jaarlijks voor honderden miljoenen, om niet te zeggen voor miljarden aan goud geproduceerd.

De totale lengte van de mijngangen aldaar is 13.000 km, dat is ongeveer de middellijn van de aarde.

Amsterdam – Johannesburg b.v. is 9.000 km. De stalen kabels hebben bij een schachtdiepte van 3 km een eigen gewicht van 24.000 kg. Elke 130 m diepte wordt het er 1° Celsius warmer, dus op 4.000 m komt er 30° bij. Ruim 130.000 m3 ijslucht wordt er per dag in de mijngangen gespoten. (Deze gegevens kunnen wat verouderd zijn)

Al op de tweede bladzij van de Bijbel wordt over prima goud gesproken, tot de op één na laatste bladzij. We vinden dan dat ruim 300 maal het goud vermeld wordt.

0-0-0

granaat/karbonkel

Ex. 28:17
Hebreeuws: nofech
Grieks: antrax

Hardheid: 6,5 a 8
Chemie: Mg,(Al2Be4)2

Deze steen werd in de middeleeuwen carbunkulus genoemd, dat betekent in het Latijn: kleine kool. Dit komt door zijn diep-gloeiend rood. Tegenwoordig is de naam almandijn of almandiet.
De stenen zijn fraai wanneer ze doorzichtig zijn.

In de Statenvertaling is de derde steen van Aarons borstschild een karbonkel en de vierde een smaragd. Bij de Elberfelder Bibel is dit omgekeerd, dus de vierde een karbonkel.
De vertaling van de namen der edelstenen heeft verschillende moeilijkheden opgeleverd.
Toch hebben de Israëlieten destijds goed begrepen, welke stenen God bedoelde, toen Hij aan Mozes de opdracht gaf, het borstschild te maken.
In later eeuwen ontstond verwarring doordat in de loop van de tijd veel edelsteennamen veranderd zijn. Vroeger meende men dat de kleur bepalend is voor een steen en dat bijv. alle groene stenen smaragd heten en alle gele stenen topazen zijn, maar dat klopt niet: de meeste stenen worden in verschillende kleuren aangetroffen. Voor de naam van een edelsteen is namelijk niet de kleur bepalend, maar de chemische elementen waaruit hij bestaat.

We kunnen immers ook niet zeggen: rode bloemen zijn rozen!

Door moderne instrumenten heeft men tegenwoordig vaste regels voor de naamgeving op kunnen stellen.

 

Granaat.
Dit is een groep van mineralen. In het spraakgebruik verstaat men onder granaat de rode karbonkel, nu almandiet genoemd.

0-0-0

houtsteen

Hardheid: 6,5
Chemie: Si02

Houtsteen is versteend of verkiezeld hout. Het hout is bij versteende bomen vervangen door kiezelzuur, maar zó, dat de houtstructuur bewaard bleef.
Alle organische bestanddelen werden door circulerend water opgelost en geleidelijk door deeltjes edele kiezelsteen vervangen.

Het wordt ook houtagaat genoemd omdat houtsteen zich gevormd heeft in een prachtig kleurenspel van grijs en lichtbruin, van rood, rose, geel en zelfs blauw en violet.
Het komt alleen daar voor, waar fijnkorrelig materiaal, zoals klei of kalkslib, het hout kort na het afsterven bedekte en daardoor tegen ontbinding beschermde.

Arizona (U.S.A.) is de staat waar zulke versteende boomstammen worden gevonden. Veelal zijn de jaarringen nog duidelijk zichtbaar. De bomen liggen daar in grote ophopingen en zijn soms tot 65 m lang en 3 m dik.
Men noemt deze streek ‘het versteende woud’ en heeft het in 1962 tot Nationaal Park verklaard.

Houtsteen of houtagaat. De jaarringen zijn zichtbaar.

0-0-0

hyacint/zirkoon

Hebreeuws: lesjem
Grieks: huachinthos

Hardheid: 7,5
Chemie: Zr(Si04)

Genoemd in de Bijbel:
Exodus 28: 19
Openbaring 21:20

De hyacint is de geelrode tot bruin- of oranjerode edelsteen van hoge kwaliteit, die nu zirkoon heet. In de kleur kan een menging zijn van rood, oranje en purper.

De zirkoon bezit uitstekende optische eigenschappen en heeft na de diamant de hoogste lichtbreking met als gevolg daarvan een hoge glans en zeer levendig vuur.
Bovendien bezit de zirkoon een sterk, disperserend of kleurschiftend vermogen (dat is een uitspreiding van het licht in de kleuren van de regenboog).

Hij benadert de schittering van de diamant.

Belangrijkste vindplaatsen zijn Sri Lanka, Indo-China en Australië.

De hyacint is de zevende edelsteen van het borstschild. En hij siert het elfde fundament van het Nieuw Jeruzalem.

Zirkoon. De geelrode tot bruinrode variëteit van zirkoon heet hyacint

0-0-0

jaspis

Hebreeuws: jaspe
Grieks: onuchion

Hardheid: 7
Chemie: Si O2

Genoemd in de Bijbel:
Exodus 28:30
Openbaring 4: 3  21:11 , 18, 19

IJzerkiezel of jaspis behoort tot de ondoorzichtige en onzuivere kwartsvariaties.
Ze zijn gewoonlijk geel, bruin of rood, soms verschillend getekend, ook wel met banden.
De rode kleur ontstaat door een vermenging met klei en ijzer.
Overal waar grind is, kan men deze steen overvloedig vinden. De zwerfstenen komen over heel de wereld voor, ook in Nederland met name in het Rijngebied.

Dit neemt niet weg, dat er fraaie exemplaren bestaan, die wel geen edel – maar toch siersteen genoemd kunnen worden.

Gedurende de renaissance werd jaspis aangevoerd uit Egypte en als siersteen verwerkt.

Jaspis is de twaalfde steen op het borstschild van de hogepriester.

Hij wordt ook genoemd als eerste steen van het Nieuw Jeruzalem. We zullen echter hier onder zien dat de dáár bedoelde jaspis een andere, schonere steen is.

In de oudheid was jaspis een verzamelnaam voor doorzichtige stenen.

Het is duidelijk dat in het Nieuwe Testament een andere steen aangeduid wordt dan de ondoorzichtige steen op het borstschild.uit Exodus 28.

In Openbaring 21:11 wordt de jaspis kristalhelder genoemd en ‘het kostbaarste gesteente’; daar wordt jaspis in vers 18 vergeleken met zuiver goud en zuiver glas.
Kristalhelder betekent: doorzichtig. Hiermee kan niet de Oud-Testamentische en evenmin de tegenwoordige jaspis bedoeld zijn. De steen, nu onder deze naam bekend, behoort tot de ondoorzichtige, gekleurde stenen, niet helder, doch vetglanzend.

Allerkostbaarst is op hem niet van toepassing, daar hij niet tot de kostbare stenen behoort, maar tot die van lagere orde. Betrouwbare en gezaghebbende schrijvers zeggen: de Nieuw-Testamentische jaspis is de diamant, helder, doorzichtig.
Helder, fonkelend, de opgevallen lichtstralen als in duizendvoudige pracht en kleurschittering terugkaatsend, beeld van heerlijkheid en majesteit.

Welke steen zou dit anders kunnen zijn dan onze diamant?

Daarom wordt de Zoon van God in de Openbaring vergeleken met een diamant.

 

0-0-0

kalkspaat

kalkspaat

Kalkspaat of calciet is een zeer verbreid mineraal, dat ook gesteentevormend optreedt. In meer dan 800 verschillende kristalvarianten hebben wij hier te maken met een mineraal dat de grootste rijkdom aan vormen vertoont. — In de veelzijdigheid van het minerale rijk neemt de kalk een aparte plaats in. Voor het grootste deel zijn de kalkvormingen van de aarde van dierlijke oorsprong. Ook bij mens en dier speelt de kalk een rol van grote betekenis. Hij is het enige mineraal dat als calciet en apatiet de beenderen opbouwt en daardoor recht­streeks deel heeft aan de stofwisseling van een levend wezen. De kristallen van calciet zijn dikwijls glashelder en kleurloos, kunnen echter ook geelachtig-bruinachtig gekleurd of melkachtig-troebel zijn. De mooiste stukken vindt men in omhullend gesteente ingesloten in ertsmijnen, bijv. in de St. Andreasberg in de Harz of in Freiberg/Saksen.

(Weledaberichten nr.118 09 1978)

0-0-0

kogelgraniet

kogelgranietGraniet, het meest bekende oergesteente, ontleent zijn naam aan zijn korrelige structuur (Lat. granitam=korrelig). Als men nauwkeuriger kijkt, ziet men duidelijk drie kristallijne bestanddelen: kwarts, veldspaat en glimmer. Ondanks deze eenvoudige opbouw komt graniet in vele gedaanten voor. Een heel bijzonder en slechts tot weinig vindplaatsen beperkte verschijningsvorm is kogelgraniet. Hier vindt men om een kern heen in lagen gegroepeerd de componenten, die als omhullingen in het moedergesteente zijn ingebed. Uit de manier, waarop deze kogelachtige vormen elkaar wederzijds beïnvloeden, kan men beleven, hoe zich in oertijden die verharding van de minerale wereld uit een gelei-achtige, halfvloeibare massa heeft voltrokken.

(Weledaberichten nr.126 06-1982)

o-o-o

koper

koperHet koper vertoont in zijn voornaamste verschijningsvorm een bijzondere verhouding tot de zwavel. Alle belangrijke verbindingen zijn sulfiden. Door verwering worden de glanzend gekleurde carbonaten en oxyden gevormd. Onder bepaalde voorwaarden kan het zich daarbij ook gedegen afscheiden. In opgeloste vorm kan het in de kleinste ruimten van het gesteente binnendringen en dan ontstaan vaak boomvormige vertakkingen, zg. dendriten. Het meeste koper wordt in de V.S. en Chili gevonden. In de oudheid was het koper al een bekend en gewaardeerd metaal. De Phoeniciërs haalden het van het eiland Cyprus, wat ook tot de naam ‘Cyprisch erts’ heeft geleid.

(Weledaberichten nr.134 12-1984)

koper
Na ijzer is koper het meest voorkomende metaal in de aardkorst. Terwijl ijzer 4,7% van de bodem uitmaakt, komt er maar 0,01 % koper in voor. Deze verhou­dingen weerspiegelen zich enigszins in de hoeveelheden waarin de beide metalen in het menselijk lichaam voorkomen: veel ijzer en weinig koper. IJzer en koper hebben echter in het lichaam veel met elkaar te maken.

Koper valt op door zijn schoonheid in alle kleuren van de regenboog: gedegen koperboompjes en koperklompen zijn warm rood, het koperkies goudgeel, groen het malachiet, blauw het azuriet enzo­voort. In zijn kleurenrijkdom is koper verwant aan bloemen in de plantenwereld en aan vogels, vlinders of tropi­sche vissen in de dierenwereld. In de cultuur speelt koper een rol vanaf het bronzen tijdperk (± 4000 vóór Christus). Belangrijke gebruiksvoorwer­pen werden toen uit koper vervaardigd: schalen, sieraden, gongs vanwege de mooie klank, en ook wapens. Deze laat­ste werden pas door ijzer vervangen toen omstreek 1200 vóór Christus het ijzeren tijdperk begon. Maar nog tot in onze tijd maakt men dankbaar gebruik van de kwaliteiten van koper: bijvoor­beeld in bronzen sculpturen of in de rood koperen koepels van kerken (die al snel groen kleuren). En voor het maken van kaas in Zwitserland of het maïsgerecht polenta in Italië, gebruikt men grote koperen vaten, omdat deze zo onovertroffen de warmte van het eron­der brandende houtvuur opnemen en naar de inhoud van het vat geleiden. Daarmee is naast schoonheid een twee­de karakteristiek van koper genoemd: de omhulling waarbinnen zich een pro­ces kan afspelen. De bemiddelende kwaliteit van koper, als derde karak­teristiek, komt tot uitdruk­king in het vermogen om warmte te gelei­den. Het zijn vooral koperen buizen die elektriciteit geleiden. Verder blijkt koper op een bijzondere wijze samen te gaan met ijzer, als in een dyna­mo koperdraad en ijzeren staven om elkaar heendraaiend elek­triciteit produceren.

Koper en ijzer in de mens
Het samengaan van koper en ijzer in de mens levert een aantal opvallende feno­menen op. In het bloedserum, waarin de rode bloedlichaampjes drijven, blij­ken we ongeveer evenveel koper als ijzer te hebben. Alleen in de man is het ijzergehalte in het serum net iets hoger dan het kopergehalte, terwijl het koper in het bloedserum bij de vrouw het ijzer in hoeveelheid licht overtreft. Dit koperserumgehalte bij de vrouw neemt beduidend toe bij het fysiologische gebeuren dat alleen aan de vrouw is voorbehouden: de zwangerschap. Aan het eind van de zwangerschap zijn de serumkoperwaarden in het moederlijke bloed zelfs tweemaal zo hoog als aan het begin. Het groeiende kind wordt als het ware door een steeds dichter en gro­ter wordende kopermantel van de moe­der omhuld.
In de vrucht zelf laat het bloed vanaf het midden van de zwangerschap het om­gekeerde zien: het koperserumgehalte neemt af en zakt tot waarden die nor­maliter tijdens het leven niet voorko­men, terwijl het ijzergehalte juist voort­durend stijgt. In diezelfde tijd maakt het kind zijn eerste bewegingen; het wordt steeds zelfstandiger (hetgeen zich sub­stantieel uitdrukt in de toenemende ijzerwaarden) en wordt ten slotte gebo­ren. De kopermantel van de moeder is dan niet meer nodig. En bij kind en moeder wordt de ijzer-koperverhouding weer) normaal.

Mythologische karakterisering
Deze karakteristieke verbinding van het koper met de vrouw en die van ijzer met de man is bekend uit de Griekse mythologie. Mars of Ares was een man­nelijke god die voor zelfstandigheid opkwam; Venus of Afrodite een vrouwe­lijke godin die de schoonheid represen­teerde. Ze was tevens de verzorgster van de planten- en dierenwereld en schiep de ruimte waardoor iets anders geboren kon worden of tot zijn recht kwam. De verbinding tussen de ijzerkrachten en de koperkrachten in het menselijk lichaam komt ook op verrassende wijze tot uiting in de naamgeving van de bloedvaten. De slagaderen dragen de naam van Ares: arteriën. Door deze aderen stroomt het bloed met kracht van het centrum naar de vaatjes die aan de periferie van het lichaam zitten. Maar de mens heeft ook aderen die het bloed vanuit deze kleine vaten in de omtrek weer naar het centrum teruglei­den. Deze zijn genoemd naar Venus: de venen.
Via zijn longen ademt de mens zuurstof in, waarna het arteriële systeem de zuurstof door het hele lichaam ver­spreidt. De ijzerhoudende rode bloedli­chaampjes nemen de zuurstof op en worden daardoor nog roder; ze verroes­ten als het ware. Vervolgens wordt de zuurstof vervangen door kooldioxide, waarna het veneuze systeem ervoor zorgt dat deze kooldioxide uit het lichaam naar de long wordt gebracht om te worden uitgeademd. IIzer heeft een affiniteit tot zuurstof, koper tot kool­dioxide (C02). Zoals ijzer roestbruin wordt in combinatie met zuurstof, zo gaat koper in de koepels van kerken een chemische verbinding aan met koolzuur uit de vochtige lucht: het verkleurt van rood tot groen. Tot in de kleur ontstaat in de ijzer- en koperprocessen dus een polariteit!

Therapeutische mogelijkheden
Als in het veneuze systeem stoornissen optreden (spataderen, aambeien) kan koper uitwendig als zalf of lotion, of inwendig (als gepotentieerd medicijn) werkzaam worden. Waar het lichaam ook buiten de bloedsomloop in de zwaarte dreigt te vallen, heft de omhul­lende, verwarmende kracht van koper het weer uit de aardse zwaartekracht. Men denke aan koperzalf bij koude en ‘platte’ voeten. De belangrijkste koper­verbindingen zijn zwavelverbindingen: de grootste hoeveelheden koper worden ook gewonnen in vulkaanrijke gebie­den. Beide gegevens, zwavel en vulka­nen, wijzen op de relatie die het koper heeft met de stofwisselings- en warmteprocessen in de mens. Koper helpt bij de opbouwende processen in de spijs­vertering en ontkrampt. Uit de ervaring in de artsenpraktijk blij­ken de verschillende metalen elk een affiniteit te hebben met een bepaalde levensfase. Koper is daarin het metaal dat met name in de vroege jeugd thera­peutisch werkzaam kan zijn. Bij buik­krampen en koude voeten bijvoorbeeld helpen middelen met koper bij een betere verdeling van de warmte.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 173, zomer 1997)

Leen Mees: Levende metalen

                                                                                  0-0-0

kwik
Sinds kort staat het metaal kwikzilver in Nederland in een kwade reuk. In juli van dit jaar* werd bekend gemaakt dat het gebruik van kwik spoedig zal worden verboden, en wel omdat de kwikdampen die ontstaan bij het blootstellen aan lucht een gevaar vormen voor de gezondheid. Naast deze eigenschap van kwik – dat het verdampt in voor de mens giftige gassen – is het mineraal echter vooral bijzonder door het feit dat het vloeibaar is.

‘Kwik heeft een verborgen vlam’, zei­den de oude alchemisten, waarmee ze bedoelden dat kwik al bij normale tem­peratuur de toestand heeft die bij ande­re metalen pas ontstaat als ze door ver­hitting vloeibaar worden. Men kan ver­moeden dat alle metaaladeren die men in verschillende soorten gesteente vindt, vroeger vloeibaar waren. Deze aderen worden dan ook niet voor niets zo genoemd: het metaal moet erdoor heen hebben gestroomd. Zo beschouwd heeft kwik als enige metaal een vroege­re toestand kunnen bewaren, waarmee het, zou je kunnen zeggen, jong is gebleven.
Daarnaast heeft kwik de opvallende eigenschap dat het nagenoeg alle ande­re metalen kan oplossen. Alleen ijzer wordt niet aangetast; vandaar dat ijzer een geschikt materiaal is om kwik in te bewaren. Kwik is bijzonder beweeglijk, zozeer zelfs dat we het niet kunnen vasthouden, het metaal glipt snel tussen de vingers weg en springt dan uiteen in vele kleine druppeltjes. Dat de mens zich van deze beweeglijkheid als
eigen­schap bewust is geweest, zien we aan de vogel die wij kwikstaart noemen: de kwikstaart draagt zijn naam met ere, want hij is net zo levendig en beweeg­lijk (zo ‘kwiek’), als het metaal waar­naar hij is vernoemd.

Verwantschap
Kwik is verwant met water. Beide zijn de enige anorganische stoffen op aarde die vloeibaar zijn. Alle andere vloeistof­fen, zoals petroleum, zuren of vloeibare gassen, komen voort uit oorspronkelijk levende planten of dieren. Zowel water als kwik vormen druppels. De aarde     zelf is met zijn enorme wateroppervlak één grote druppel, terwijl we in het bin­nenste van de aarde zuivere, kleine kwikdruppels kunnen vinden. Water verdampt en breidt zich uit in de wijde omgeving en wordt daarna weer tot druppel samengetrokken: tot een regendruppel of de dauwdruppel van de nacht. Een druppel is afgesloten in zichzelf en tegelijk spiegelt hij de hele wereld rondom zich: in een dauwdrup­pel kun je jezelf en je omgeving gespiegeld zien. Een druppel is het samengaan van een centrum en de omgeving. Hij staat er als het ware midden tussenin.
Ook kwik als metaal verenigt de groot­ste tegenstellingen in zich. Het spat uit­een in vele kleine bolletjes en vloeit daarna weer samen tot één grote drup­pel. Het verdampt gemakkelijk en stijgt dan op in de omgeving, en tegelijkertijd is het een van de allerzwaarste meta­len! Het is dus ook lichtheid tegenover zwaarte.

Griekse mythologie
De Engelsen noemen kwik ‘mercury’, afgeleid uit de Griekse mythologie, waarin we de god Mercurius vinden. Hij is de boodschapper die bemiddelt tussen de hemel en de aarde, zowel heen als terug. Deze god Mercurius is net zo beweeglijk als de planeet Mercurius aan de hemel en zorgt ervoor dat dingen worden verplaatst, bijvoor­beeld doordat hij iets van de plek waar er te veel van is naar een plek brengt waar er juist te weinig van is. Daarmee herstelt hij het evenwicht. Mercurius werd daarom gezien als de god van de handel (tevens van de dieven, die voor­al voor illegale verplaatsing zorgden), maar ook van de artsen. Elke ziekte is immers op te vatten als een verstoring van het evenwicht tussen ‘hemel en aarde’. De mens kan te aards wor­den (koud, sclerotisch, te star in de ziel) of juist te hemels (koortsig, vorm verlie­zend, illusio­nair in de ziel). De arts helpt, als dienaar van Mercurius, het evenwicht te herstellen.

Medische toepassingen
In het menselijk lichaam is er geen gebied waar zo duidelijk het vloeibaar worden en het druppels vormen te voorschijn komt als in het kliersysteem. Een bijzondere plaats nemen daarbij de klieren in het spijsverteringskanaal in, waar ongelooflijk veel beweging is. De peristaltiek kneedt en duwt de spijsbrei heen en weer. Het darmslijmvlies is ook in zijn vorm een en al beweging: het ligt in talloze plooien. Op deze plooien liggen weer uitstulpingen en op deze uitstulpingen weer microscopisch klei­ne darmvlokken. Beweging en een grote veelheid; je kunt er het gebaar van kwik in herkennen. In het gebied van de spijsvertering vindt de opname van het voedsel via de darmwand in het bloed plaats. Uit de klieren vanaf de mond tot en met de dunne darm worden grote hoeveelhe­den spijsverteringssappen aan het voed­sel toegevoegd om het vloeibaar te maken en te verteren. In de dikke darm wordt een groot deel van deze vloeistof weer opgeno­men. Kwik is een universeel gif voor het slijm­vlies, met name van het spijsverte­ringskanaal. In gepotentieerde, dat wil zeggen in ritmisch
ver­dunde vorm is het kwik echter juist in dit gebied een geneesmiddel. Te begin­nen bij de amandelen en het mondslijm, daarna in het maagdarmkanaal en ten slotte in de dikke darm vindt men het terrein waarop het kwik bij een ont­steking als geneesmiddel kan werken. Naast de gevaarlijke werking, waarvan in het begin sprake was, kan kwikzilver dus ook zeer heilzaam zijn.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 175, *winter 1997)

Leen Mees: Levende metalen

0-0-0

lood
Als men een loden buis doorzaagt, tonen de uiteinden een typische metaalglans. Edele metalen zoals goud en zilver behouden deze glans, lood, als onedel (want oxiderend) metaal, wordt daarentegen snel weer grauw. Door de chemische reactie met zuurstof uit de lucht ontstaat dof uitslaande roest (loodoxide), die het eronder liggende zuivere lood afdekt.

Lood heeft een opvallende verhouding tot warmte. Het zeer weke lood wordt bij verwarming redelijk snel vloeibaar, maar geleidt de warmte nauwelijks. Niet alleen warmte wordt slecht geleid, ook elektriciteit; geluidstrillingen en radioactieve straling worden niet door­gegeven. Lood brengt deze activiteiten als het ware in zichzelf tot stilstand. Ook bij chemische reacties met andere stoffen treedt er een soort stilstand op: gevormde loodzouten in een oplossing zijn meestal onoplosbaar en zakken naar de bodem.

Toepassingen
Pas in de Romeinse tijd begon men lood echt te gebruiken: als slingerko­gels, bij de verzwaring van visnetten of voor het geleiden van water, waarvoor men loden buizen ging inzetten. Bij dakbedekking, maar ook bij transatlan­tische kabels sluit lood door oxidatie datgene wat binnen is af. Zo bedekken dekverven (menie, loodwit en dergelij­ke) zeeschepen en gaan het roesten van ijzer tegen. Loodschorten beschermen op röntgenafdelingen tegen radioactieve straling. Verder worden lijkkisten aan de binnenkant vaak met lood bekleed. Bij al deze toepassingen heeft men met afsluiten te maken: de binnenwereld wordt afgeschermd.
Met de opkomst van de boekdrukkunst openbaarde lood nog een ander facet van zijn karakter. Door zijn weke vorm kon het gemakkelijk tot drukletters worden gegoten. Opnieuw is van een verdichting en afsluiting sprake. In een gedrukte tekst wordt een gedachte tot een aardse vorm verdicht en tevens gefixeerd. Het woord ‘potlood’ dankt
zijn naam aan het feit dat de schrijfstift vroeger lood bevatte. Met het weke metaal werden (schrijf)sporen en gedachten op het papier vastgelegd.
Samenvattend kun je zeggen: lood brengt de zwaarte van de aarde tot
werkzaamheid, verdicht, brengt tot stilstand en sluit af. Je kunt dat een doodsproces noemen: in lood houdt de levende, bewegende wisselwerking met de wereld op.

Als je het metaal zo tot je hebt laten spreken, verbaast het niet dat de oude alchemisten lood ‘Vadertje dood’ noem­den.
In de Griekse mythologie was de god Chronos (bij de Romeinen Saturnus) drager van hetzelfde proces. Hij werd als een oude man afgebeeld, of zelfs als een skelet, die als attributen een zeis en een zandloper droeg. De zeis snijdt het stromende leven af, waardoor het sterft en de zandloper is teken van de sterfelijkheid, van de ein­digheid van het leven.

Het menselijk organisme
Het beeld van een loodvergiftiging stemt geheel met het voorgaande over­een. Normaliter bevat het lichaam geen lood. Als mensen (bijvoorbeeld door hun beroep) lood opnemen, doet zich een snel verval van levenskrachten voor. Ze gaan er doodsbleek uitzien, haren vallen uit, tanden gaan loszitten. Verder beginnen de bloedvaten voortij­dig te verkalken, vertraagt de stofwisse­ling en treden er krampen op (vroeger saturnus-koliek genoemd). Kortom, een loodvergiftiging bewerkt een proces van vroegtijdig verharden en oud worden.

Toch is het verharden op bepaalde plaatsen in het lichaam nodig, zoals in de botten. Alleen met een stevig skelet kan de mens de zwaartekracht weerstre­ven en zich oprich­ten. Ieder mens gaat op volstrekt individuele wijze rechtop staan. Verder groeit door het verhardings­proces al vrij vroeg de fonta­nel van de sche­del dicht. De mens sluit zich daarmee in zekere zin af. In dezelfde periode ontstaat ook de herinnering – een typisch mense­lijk vermogen; er ontstaat een binnen­wereld. Herinneringen zijn nooit neu­traal, je hebt er altijd het beleven ‘het was goed of niet goed’ bij. Oftewel, ze raken de morele wil. Lood
vertegen­woordigt lichamelijk gezien een doodsproces, een aards worden. Innerlijk hoort daar een tegenproces bij: vrij worden van de aarde, zich oprichten en zichzelf innerlijk vervullen. Lood maakt zowel dit lichamelijke als het innerlijke gebeuren mogelijk.

Lood in de geneeskunde
In het lichaam zijn de doodsprocessen en de levensprocessen met elkaar in evenwicht. Bij het waken – met name in het hoofd – staan de doodsprocessen op de voorgrond. De levensprocessen worden vooral in het onbewuste, sla­pende deel van het lichaam verzorgd; in de bloedsomloop en de spijsverte­ring. Bij bepaalde vormen van allergie kunnen de levensprocessen te sterk zijn. Ook kan bij kleine kinderen door krachtige stofwisseling het bewustzijn te dromerig zijn. In beide gevallen kan lood de doodskrachten en de bewust­zijnsprocessen bevorderen. In de reguliere geneeskunde wordt lood om zijn dodende eigenschappen gebruikt: bijvoorbeeld in Burow-water om kie­men in een besmette huid te doden. Het belangrijkste toepassingsge­bied van lood in de antropo­sofische geneeskunde is het sturen en controleren van de verdichtings­krachten in het lichaam. Wanneer het skelet plaatselijk of in zijn geheel te week blijft, wordt het verhardingsproces door lood in lagere potenties bevorderd. In hoge potentie kan lood het verhardings­proces juist tegengaan. Zo bevat een middel tegen aderverkalking naast honing en suiker lood in zeer verdunde vorm. Met andere woorden, zowel in situaties waarin het stervensproces te langzaam, als ook waarin het te snel gaat, kan lood regulerend werken.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 176, voorjaar 1998)

Leen Mees: Levende metalen

0-0-0

kwarts-bergkristal

kwarts-bergkristal

Na veldspaat is kwarts met ongeveer 13% het meest voorkomend bestanddeel van de vaste aardkorst. Maar niet alleen dit hoge percentage maakt indruk — ook de gevarieerde schoonheid van zijn verschijningsvormen als amethyst, rook­kwarts, rozenkwarts, moriaan, citrien, tijgeroog is indrukwekkend. Kleurloze en onvertroebelde kwarts is de glasheldere bergkristal, die men als een zuivere uitdrukking van vormgevende krachten kan zien. Goethe beschouwde de bergkristal als de voleinding van al wat kwarts is. Iets heel bijzonder zijn de kleine, rondom gevormde en niet op een ondergrond ontstane kristallen, die het mooist voorkomen in het marmer van Carrara. De fraaiste bergkristallen komen uit Zwitserland (Gotthardgebergte), Ceylon, Madagascar en Brazilië.

(Weledaberichten nr.119 12-1979)

0-0-0

lapis lazuli

of  lazuursteen, azuursteen

chemische samenstelling
hardheid: 5,5

Lapis lazuli (azuursteen) betekent: blauwe steen. Azuur is: hemelsblauw.

Lapis = steen; van lazuli is afgeleid azuur of hemelsblauw.

Het is mogelijk dat in het Oude Testament onder saffier de lapis lazuli bedoeld wordt. Want in Job 28:6 staat: ‘De saffier heeft stofjes van goud.’
Ook Griekse schrijvers voor en na Christus spreken over ‘de saffier die met goud gestippeld is’.

Wat betekenen deze stofjes of stippels van goud?

Er is een mooie steen, met ook een mooie blauwe kleur. Deze heeft
pyrietkorreltjes in zich, die bij polijsten van de steen een gouden kleur aannemen.

Dit is de lapis lazuli of lazuursteen.

Het ingesloten pyriet is zwavelerts of zwavelijzer, in de volksmond kattegoud.

Tijdens de woestijnreis van Israël schijnt de saffier nog niet bekend geweest te zijn. Wel zijn in de Egyptische koningsgraven veel sieraden gevonden van lapis lazuli, b.v. in het graf van Toetanchamon (1354 voor Christus).

Daar de lapis lazuli in de vorm van grote en zware stukken voorkomt, wordt de beeldspraak van Jesaja 54:11 duidelijker: ‘Ik zal u op saffieren grondvesten.’

Bij avond kunnen de sterren van het firmament vergeleken worden met pyriet-kristallen. Denk aan Exodus 24:9 en 10: ‘En zij zagen de God van Israël en onder Zijn voeten een werk als van saffierstenen, als de gestalte des hemels in zijn klaarheid.’

Zo ook Ezechiël 1:26 ‘En boven het uitspansel… was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen.’ Zie ook Ezechiël 10:1.

Wanneer we in het Nieuwe Testament komen, kunnen we rustig (in Openbaring 21) bij de fundamenten van de hemelse stad denken aan de echte, ons bekende saffier.

Zijn kleur is voldoende om ons zijn zinnebeeldige betekenis te laten zien.

Want hij doet denken aan het hemelsblauw van de tabernakel uit Exodus en aan de kleding van de hogepriester. Het is een hemelse kleur.

Dr. H. Rossier ziet in deze hemelsblauwe kleur de heerlijkheid van Jezus Christus als de Zoon van God.

De saffier staat in tegenstelling tot de smaragd: die is een symbool van aardse heerlijkheid.

Lapis lazuli, geslepen. Men ziet de zogenaamde ‘goudkorreltjes’, eigenlijk de pyrietkorrels.

0-0-0

magnetiet

magnetiet

Magnetiet (magneetijzererts). Magneetijzererts is een gemengd oxyde van twee- en drie­waardig ijzer. Deze verbinding is eigenlijk “halfverbrand” ijzer zoals het kunstmatig bij het sme­den van het gloeiende metaal ontstaat. De naam wijst er al op, dat dit ijzererts een sterk, natuurlijk magnetisme heeft. Reeds in de Oudheid werd het wonder ontdekt van de magnetische steen; veel werd erover geschreven. Be­halve de grove, korrelig-dichte aggregaten worden er ook dofzwarte, metaalachtig glanzende kristal­len gevonden, meestal in de vorm van octaëders. Magnetiet is over de hele aarde, tot in het hoge noorden, verbreid. Het behoort tot de oudste ijzerertsen. In fijne verdeling is het een bestanddeel van bijna alle magnetische gesteenten, bijv. ook van bazalt, waarvan de donkere kleur komt door het bestanddeel aan magneetijzererts. De bekendste vindplaatsen zijn in Kirunavaara (Lapland, Zweden). Hier bevinden zich de grootste ijzerconcentraties van de aardkorst.

(Weledaberichten nr.131, 12-1983)

magnetiet 2 Magnetiet (magneetijzererts, FeO, Fe203) ontleent zijn naam aan een krachtig, natuurlijk magne­tisme. Het kan het oudste ijzererts worden genoemd, dat in grote hoeveelheden tot in het hoge Noorden in het gesteente voorkomt. Het optreden ervan in het moedergesteente en de vergezel­lende mineralen wijzen op toestanden van de aarde waarin de atmosfeer nog een geheel andere samenstelling dan tegenwoordig moet hebben gehad. Vandaar de merkwaardige verbinding van tweewaardig ijzer FeO met driewaardig ijzer Fe203, die eigenlijk een “half verbrand” ijzer is zoals dit kunstmatig bij het smeden van gloeiend ijzer ont­staat. Zijn belangrijkste metgezel apatiet, een calcium-fluor-fosfaat en het daarin zich bevindende sporenelement lood wijzen op een proces, dat zich binnen in het menselijke bot afspeelt: de vor­ming van het bloed. Daar is het ijzer nog niet “door-ademd”, het bevindt zich nog in een “plant­aardige”-fase. Dienovereenkomstig is het magneetijzererts, als buiten de mens zich afspelend proces van mineraalvorming, ingebed in de met vele plantaardig-organisch lijkende mineralen doortrok­ken groensteen-formatie. Men mag daarom stellen, dat het magneetijzererts het minerale tegenbeeld oplevert van de primaire vorming van het menselijke bloed in het binnenste van de beenderen.

(Weledaberichten nr.136 09-1985)

Over het ijzer in de mens

0-0-0

malachiet

mineralogie malachietMalachiet is een veel voorkomend kopererts. De lichtende groene kleur en de nierachtige vorm maken hem tot een siersteen, die zeer gewaardeerd wordt. Malachiet wordt vaak vergezeld door de donkere azuurblauwe azuriet. In vroegere tijden was de malachiet als z.g. ‘schriksteen’ bekend, men nam aan dat de daarin aanwezige krachten kinderen voor dreigende gevaren beschermden.

(Weledaberichten nr. 101, 1974)

malachiet 2 Malachiet wordt gevonden in knolvormige bollen. De breukvlakken vertonen banden en, als ze geslepen zijn, concentrische kringen. Zij glanzen in een heldergroene kleur als van smaragd. Door deze eigenschappen is malachiet een veelgevraagde siersteen. Vanwege de bolvormige verschijning werd hij eertijds door de mijnwerkers ook wel “glaskop” genoemd. Malachiet kan ook in de gedaante van radiale, vezelige, op haren gelijkende kristallen met een zijde-achtige glans verschijnen. Scheikundig bekeken is malachiet een basisch kopercarbonaat, waaruit men gemakkelijk met behulp van koolstof gedegen koper kan winnen. Reeds in de Oudheid heeft men van deze eigenschap geprofiteerd. Maar ook in de geneeskunst kent men de betekenis van koper. Men kan bijv. door een bepaalde kopertherapie krampen in het stofwisselingsgebied tegengaan. Op grond van deze kennis wordt malachiet ook bij de farmaceu­tische bereiding van geneesmiddelen in de Weleda gebruikt. Vaak wordt malachiet in de natuur vergezeld door het donkerblauwe azuriet. Dit mineraal heeft bijna dezelfde scheikundige samenstelling als malachiet. In het gebied rondom Siegen en in de Harz heeft men fraaie exemplaren gevonden De grootste en meest bekende vindplaatsen ligge in de Oeral, in Cornwall en in Tsumeb (Namibië)

(Weledaberichtebn nr.137 12-1985)

0-0-0

meteoorijzer

mineralogie meteoorijzerMeteoorijzer. Het grootste hierboven afgebeelde stuk is een geslepen en geëtste plaat, afkomstig uit Bethanië in het zuiden van Afrika. Karakteristiek voor meteoorijzer is de kristallijne structuur, die echter door etsen (met een zuur) zichtbaar wordt. In tegenstelling tot het ‘normale’ voorkomen van ijzer, namelijk in ertsen, in de diepte van de aarde, ontstaat meteoorijzer, zoals de naam aanduidt, uit puur kosmische krachten.

(Weledaberichten nr.102 09-1974)

Meteoorijzer (Ferrum sidereum). Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.
IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken, in de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.|
In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.
Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.
Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten nr,1 42 09-1987)

0-0-0

meteoorijzer

metoorijzer 2Meteoorijzer is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten die verbranden bij het binnentreden van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer zeer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onoverwinlijk golden smeedden hieruit hun zwaarden. Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten nr.115 09-1978)

Meteoorijzer is een stof die van kosmische oorsprong is en voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. Het gewicht van de aarde neemt dagelijks met ongeveer 1000 ton toe. De meeste meteorieten vergloeien wanneer ze de aardse atmosfeer binnenkomen. We vinden zelden een groot stuk op aarde. In de oudheid werd dit zeer harde en taaie ijzer zeer gewaardeerd. De grote helden, die als onoverwinlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.
Wanneer we een stuk meteoorijzer slijpen, polijsten en schoonetsen krijgen we merkwaardige figuren te zien die karakteristiek zijn voor dit kosmische ijzer en bij andere metalen niet worden aangetroffen.

(Weledaberichten nr. 156 04-1992)

[17-1] Over het ijzer in de mens
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over het ijzer gesproken

meteorieten

Er zijn ook stenen die niet van de aarde stammen , maar uit de ruimte van het heelal om ons heen.
Het is buitenaards gesteente, waarin vooral nikkel en ijzer zit.

Dagelijks komen er vanuit de ruimte ettelijke honderden tonnen in de richting van de aarde, weliswaar doorgaans van minimale afmetingen.

Men spreekt van meteoorsteen of ijzermeteorieten; het meest komen ijzermeteorieten voor. Er zijn vindplaatsen in alle werelddelen, gedeeltelijk door meteoorkraters aangeduid.

Wanneer we ’s avonds een ‘vallende ster’ of metoor zien moeten we bedenken dat er per etmaal meer dan een miljoen waargenomen kunnen worden.

Als een metoor in aanraking komt met de aardatmosfeer, wordt hij meteoriet genoemd.

Met een grote snelheid dringen kleine vaste lichamen uit de ruimte de atmosfeer binnen. Door botsing met de luchtdeeltjes worden ze sterk verhit.

We zien dan (het gebeurt op 90 a 100 km hoogte) gedurende een deel van een seconde een lichtende streep.

Als de meteorieten klein zijn, verdampen ze.

Soms zijn deze lichamen zeer groot.

In 1947 viel er een in de bergen van Siberië als een grote verblindende vuurbol.
In Arizona (U.S.A.) en Australië zijn kraters geslagen van 1200 en 850 m middellijn. Dan treedt er een enorme explosie op, begeleid door schokgolven in de omringende aardkorst.

 

Er zijn thans meer dan 200 meteoriet-kraters bekend.

De ‘Long Island’ is een meteoriet met een gewicht van 564 kilo.
De ‘Ranchito’ ijzermeteoriet heeft een geschat gewicht van 50 ton.

Meteoriet. Buitenaards gesteente. Vindplaats: DaI van Toluca, Mexico. Originele grootte: 7,3 bij 6,7 cm. Gewicht: 635 gram.

Door de meterorieten komen we iets te weten over de samenstelling van wat onze aarde omgeeft. Het blijken dezelfde grondstoffen te zijn die we hier al kennen. Dit is ook het geval met het materiaal dat men van de maan heeft meegebracht. Het waren geen edele stoffen. Er is reden om aan te nemen dat er behalve op aarde nergens edelstenen zijn.

0-0-0

onyx

onyx

Tussen de heldere bergkristal met zijn strenge, regelmatige vormen en de amorfe, nog waterhoudende melkachtig-troebele opaal zien wij de rijkdom aan verschijningsvormen van kiezelzuur. Min of meer in het midden van deze groep staan de agaten. Zij zijn opgebouwd uit lagen met verschillende kleuren die uit microscopisch kleine vezels bestaan. Pas met moderne methodes van onderzoek kon worden vastgesteld, dat ook deze minuscule kristallen dezelfde structuur als kwarts hebben. De onyx behoort tot deze groep van de agaten. Hij vertoont dikke lagen van meestal zwart-witte banden die uit cryptokristallijn kwarts bestaan (chalcedon). Vanwege de structuur en de gelaagdheid in licht-donker heeft men de onyx reeds in de Oudheid veel gebruikt voor de vervaardiging van cameeën. De onyx wordt, evenals dat bij de agaat in ’t algemeen het geval is, ook in amandelvormige brokken van verschillende grootte gevonden. De bekendste vindplaatsen zijn in Brazilië, India en in Idar-Oberstein.

(Weledaberichten nr.117 04-1979

0-0-0

opaal

Hebreeuws: leschem
Grieks: ligurion
Chemie: SiO2.nH20
Hardheid: 6

Het woord opaal komt uit het Sanskriet: upala = edelsteen; een bewijs, dat de steen in de oudheid al bekend was.

De opaal bestaat evenals kwarts uit kiezelzuur, maar het is ongekristalliseerd met als gevolg een geringere hardheid.

Mooie opalen met een rijk kleurenspel rekent men tot de fraaiste edelstenen.

Vuuropaal. Mexico. Originele grootte 22 bij 35 mm. Verzameling Zoltan Buzas, München

De grondstof zelf is meestal kleurloos; de bonte kleuren, die het hele spectrum omvatten, ontstaan door interferentie van het licht (de wederzijdse werking van lichtstralen op elkaar). Het is hetzelfde verschijnsel (iriseren) dat men bij dunne olielaagjes op het water of bij zeepbellen kan waarnemen. Het is een regenboogkleurige schittering, die verandert met de gezichtshoek.

Hij is de zevende steen van het borstschild naar de Elberfelder Bibel (Exodus 28 : 19).

Van alle edelstenen is de opaal wel de geheimzinnigste. Alle kleuren van het zonnespectrum glanzen in een ondoorgrondelijke gloed vanuit zijn binnenste.

Plinius, Romeins schrijver eerste eeuw na Chr., kon hem in zijn ‘Natuurlijke historie’ al niet genoeg prijzen:
‘In hem is een zacht vuur als van een karbonkel, het glanzende purper van een amethist, het prachtige groen van de smaragd, het gouden geel van de topaas, het diepe blauw van de saffier, zodat alle kleuren in ongelofelijke mengeling glanzen.’

Niet alleen hier, maar bij andere wonderschone stenen, ook bij parels, is iets dat men wel genieten kan, maar dat niet onder woorden te brengen is.

Opaal. Vindplaats: Australië. Originele lengte 5.2 cm. [> Verzameling Hein Gaertner.

0-0-0

parel

Grieks: margarites (van een stam, die glinsteren, schijnen betekent)

Chemie: ongeveer 10% organische bestanddelen, 3,5% water, rest calciumcarbonaat
Hardheid: 3 à 4

Mattheüs 13:45, 46
Openbaring 21:21

Een parel geeft onvergelijkelijk fraaie en zachte kleurverschijnselen, die zich als iriskleuren aan het oog voordoen.
Parels worden als zeer kostbaar beschouwd en op één lijn gesteld met de duurste edelstenen.
De doorschijnende zachte glans, die de parel haar bijzondere bekoring verleent, noemt men de ‘luster’ of de ‘oriënt’ van de parel.

Parels worden door oesterachtige zeemossels gevormd uit parelmoer, de regenboogkleurige stof waarmee de binnenkant van hun schelpen bedekt is.
De parelvormende zeeoesters zijn 8 cm in doorsnee, hun leeftijd gaat tot 13 jaar. Ze leven in de buurt van de zeekust tot op ca. 15 m diepte.
Als nu een vreemd lichaampje, b.v. een zandkorreltje de schelp binnendringt, dan wordt de oester door dit vreemde bestanddeel geprikkeld (als een stofje in het oog). Zo’n binnengedrongen kerntje kan soms microscopisch klein zijn, maar de oester begint dadelijk de organische stof parelmoer af te scheiden.

Daaromheen komt radiaal een reeks kalkkristalletjes, waarop weer een uiterst dun laagje organische stof volgt. Deze concentrische opbouw duurt zo lang totdat het kerntje door de mossel zo ingekapseld is, dat zij geen hinder meer van het vreemde voorwerp ondervindt. Zo ontstaat een kogeltje – de parel. Zij is de draagster van de parelmoerglans. In principe zijn het dezelfde kleuren die ontstaan bij petroleum op het watervlak of de kleuren van zeepbellen.

De latijnse naam van deze pareloesterschelp is Pinctada Maxima. Met twee ingegroeide parels. Afkomstig uit Nieuw-Guinea. Grootte 14,3 x 13,7 cm. | Verzameling Hein Gaertner.

Men heeft berekend dat de vorming van grotere parels tot 10 jaar kan duren.

Veel van de opgeviste oesters bezitten helemaal geen parel, want slechts één op de 30 à 40 oesters levert een parel op. Andere daarentegen hebben er soms twee. Men heeft ook wel dozijnen kleine pareltjes in één oester aangetroffen.

De grootte van parels wisselt van speldeknop tot duivenei.

De grootste die bekend is, weegt 450 karaat. Ze heet ‘de ster van India’ en wordt bewaard in het Kensington Museum te London.

Er zijn fabelachtige sommen voor de mooiste parels betaald.

De duikers kunnen één tot drie minuten onder water blijven. Het is een moeilijk, heel ongezond en gevaarlijk werk, ook vanwege de haaien. Parelvissers worden meestal niet oud.

De belangrijkste vindplaatsen met de beste kwaliteiten (lichtrose en romig wit) zijn in de Perzische Golf, bij Sri Lanka en bij de Australische kust-aangetroffen.

 

 

 

 

 

 

0-0-0

pyriet

mineralogie pyriet

Pyriet in zijn natuurlijke vorm. Mineralen zijn voor de geschiedenis van de substantie van de aarde van grote betekenis: vorm, kleur, bijzonderheden van hun verschijning e.d. geven belangrijke aanwijzingen over de kosmisch-aardse processen waaruit ze ontstaan zijn en over de wijze waarop ze therapeutisch te gebruiken zijn.

(Weledaberichten, nr.96, 04-1973)

Over het ijzer in de mens in samenhang met pyriet

0-0-0

robijn

Hebreeuws: odem
Grieks: sardion
Chemie: Al2O3
Hardheid: 9

Exodus 28:17;
Openbaring 4:3; 21:20

Een robijn is rood; maar een kleur rood die eigenlijk niet met iets te vergelijken of aan te duiden is. Ze is volstrekt enig in de natuur.
Om toch een vergelijking te kiezen: bij robijn is de beste kleur die van duivenbloed. Zulke dieprode robijnen komen uit Myanmar (vroeger: Birma) en zijn kostbaarder dan diamanten.

In de oudheid waren het al zeer begeerde stenen. Ook nu nog zijn ze heel hoog geschat.

De machtige vorsten van India voerden onder hun titels ook die van Koning der Robijnen. De grootste slijpwaardige robijn die ooit gevonden is woog 80 gram.

De robijn behoort, evenals de saffier, tot de korundgroep. Dit zijn na diamant de hardste edelstenen; hardheidsgraad 9.

Diamant staat met graad 10 bovenaan en is altijd nog 100 tot 140 maal harder dan robijn!

Korund wordt, ruw, in grote hoeveelheden gevonden, maar de grote massa is niet geschikt om als edelsteen te worden geslepen. Ze hebben ook teveel insluitsels. Ze worden fijn gemaakt en o.a. gebuikt voor amarilstenen, voor het slijpen van metaal enz.

Er zijn half-doorzichtige robijnen die in de richting van de as een zesstralige ster vertonen. Deze interessante verschijning heet asterisme en komt ook voor bij saffieren. Als deze stervorming fraai en goed zichtbaar is, spreekt men van een stersaffier en sterrobijn. Ze zijn als zeldzame spelingen van de natuur hoog in prijs. Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie Iichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zesstralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutielkristallen in het inwendige van de steen.

0-0-0

saffier

Hebreeuws: sappir
Grieks: sapfeiros
Chemie: Al2O3
Hardheid: 9

Exodus 28:18;
Openbaring 21:19

De chemische samenstelling van de saffier is dezelfde als die van de robijn.

Het rood van de robijn wordt veroorzaakt door aanwezig chroom, de blauwe kleur van de saffier komt door geringe sporen van ijzer en titaan.

De mooiste saffieren zijn die uit Kasjmir (korenbloemblauw).
Die uit Birma, Sri Lanka en Siam zijn lichter van kleur. De grootste werd gevonden in Opper Birma, een kristal van 63.000 karaat, d.i. 12,6 kg.

Er zijn saffieren (evenals robijnen) die schitteren als een zes-stralige ster als er licht op valt.
Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie lichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zes-stralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutiel-kristallen in het inwendige van de steen.

Saffieren zijn nog steeds zeer gezocht.

Hij schitterde als vijfde steen van het borstschild en als tweede van de goddelijke stad.

 

0-0-0

sardius
De sardis wordt door sommigen wel gelijk gesteld aan de robijn:

André Gibert schreef een artikelenreeks over ‘de edelstenen in de Bijbel’. Hij zegt: De sardis of sardius is de steen, die tegenwoordig robijn genoemd wordt.
C.W. Wigram in zijn Hebr. Concordantie schrijft bij de odem: Kanttekening robijn.
Dr. H. Rossier in zijn ‘De symbolische betekenis van de Openbaring’ zegt: ‘De sardius, anders genoemd robijn, een bloedrode edelsteen.’

Men werpt wel legen dat sommige edelstenen in oud-testamentische tijden nog niet bekend waren, maar dit is niet altijd overtuigend.

De sardis wordt als eerste edelsteen van het borstschild genoemd. Ook als zesde fundament van het Nieuw Jeruzalem.

De Hebreeuwse naam voor sardis is odem. Deze naam is nauw verwant met het bijbelse Adam. Het woord Adam kan vertaald worden door mens en is letterlijk rode (aarde).

Odem zit ook in de naam van Ezau, n.l. Edom = rood.

Robijn in zoïsiet. Uit Langido, Tanzania. Hoogte 14 cm. O Verzameling Hein Gaertner.

 

sterrobijn

0-0-0

sardonix

Hebreeuws: scholham
Grieks: berullos
Chemie: Si02
Hardheid: 7

Exodus 28:20;
Openbaring 21:20

In de edelsteensnijkunst (graveren) krijgt men mooie resultaten met gelaagd materiaal. Dit zijn stenen met evenwijdige banden. Men noemt ze lagenstenen. Men combineert dan een lichtgekleurde laag met een donkere. Zo ontstaan meesterstukjes van graveerkunst.

De sardonix heeft witte lagen, afgewisseld door bruine. Hij is verwant met de onix (zoals hij heet in de Elberfelder Bibel O.T.

Bij onix (Grieks voor ‘vingernagel’ wegens zijn doorschijnende karakter) is een witte bovenlaag gecombineerd met een zwarte grondlaag.

Ze zijn beide lid van de kwartsfamilie.

Het is de elfde steen van het borstschild en de vijfde bij het Nieuw Jeruzalem.

We kunnen in de Bijbel over zijn hoedanigheid en betekenis niets vinden.

sardonix, Barzilië. Breedte 12 cm.

0-0-0

sideriet (ijzerspaat)

siderietSideriet (ijzerspaat) is een verbinding van het tweewaardige ijzer met koolzuur. De eigenschappen van dit mineraal zijn echter afhankelijk van het milieu. Heel jonge verbindingen, die nog niet met de zuurstof van de lucht in aanraking zijn gekomen, zijn gelei-achtig zacht en nog geheel wit; de verder voorkomende kleuren daarentegen zijn gelig, geelbruin of grijs. Als een stuk ijzerspaat een lange tijd ergens op een helling heeft gelegen, wordt het donkerbruin. ( In de oxydatiezone van de ‘Eiserne Hut’ verandert het totaal in het lichtbruine limoniet en de daarbij behorende kalk wordt afgescheiden in de fraaie op koraal gelijkende zogenaamde ijzerbloem). Naast de meestal grove en grof gevormde verschijningen vindt men ook mooie op andere mineralen gegroeide kristallen. Zij hebben een honinggele kleur en kunnen bovendien doorzichtig zijn. Bekende vindplaatsen zijn Neudorf in de Harz, Siegerland en Erzberg in Stiermarken. In de Weleda is sideriet een belangrijke grondstof voor vele ijzerpreparaten.

(Weledaberichten nr. 130 09-1983)

0-0-0

smaragd

Hebreeuws: bareketh
Grieks: smaragdos

Exodus 28:18
Openbaring 4:3; 21:19

Chemie: Be3Al2(SiO3)6.
Hardheid: 7,5

De smaragd behoort tot de merkwaardigste en schoonste edelstenen die we kennen.
Zijn prachtig verzadigd groen is de kleur van de bomen, van het gras, de weiden; ook van nieuw leven, van hoop en verwachting.
Bewonderen we bij andere stenen een schitterende majesteit, een hoge glans, een reinheid, een fonkelend vuur — bij de smaragd is het de ondoorgrondelijke diepte van zijn zachte en liefelijke kleur.

Smaragd werd als vierde edelsteen door Aaron gedragen op zijn hart en is ook de vierde van het Nieuw Jeruzalem.

Plinius schreef ruim 1900 jaar geleden: ‘We beschouwen het groen van de kruiden en bladeren met welgevallen, maar nog liever kijken we naar de smaragden, want hun groen is het schoonste van alles. Niets is voor de ogen zo goed als deze kleur; het doet weldadig aan en vermoeit niet. Zijn de ogen door inspanning vermoeid – door het kijken naar het groen in de natuur en naar smaragden worden ze weer gesterkt.’

Bij opgravingen bleek dat smaragden 2000 jaar voor Christus al bekend waren. Ze werden gevonden in de buurt van de Rode Zee – een verwijzing naar de onmetelijke rijkdommen van de Farao’s.
Ook de smaragdmijnen van Cleopatra waren beroemd.

In het Brits Museum is een smaragd van 1385 karaat. In de ‘Weense schatkamer’ is een kruikje te bewonderen van 12 cm hoogte dat uit een enkel smaragdkristal gesneden is.

Een groot aantal historische smaragden komt uit de Inkaschatten. Het Kremlin in Moskou bewaart een kristal van 12 bij 25 cm.

De beste en kleurzuiverste komen uit Colombia, noordelijk van de stad Bogota.

Een volkomen transparante smaragd, vrij van insluitsels, is een grote zeldzaamheid. Overigens doen insluitsels bij smaragden niets af van hun waarde en zijn tevens een middel tot aanwijzing van de herkomst.
Een smaragd is dus bijna nooit rein, maar juist de insluitsels vormen de eigenaardigheid van zijn schoonheid.
Wanneer deze kleine scheurtjes en veelvoudige inlegsels door een loep bekeken worden, zien de ogen het afwisselingsrijke beeld van een tovertuin. Men kan eigenlijk het bekoorlijke lichtspel van een smaragd niet treffender karakteriseren dan met de in de edelsteenkunde gebruikelijke aanduiding ‘jardin’ of tuin. Het is deze’geheimnisvolle ‘jardin’ die hem boven de meeste edelstenen in de wereld verheft.

Smaragdgroen is de kleur die het meest op de voorgrond treedt bij de regenboog.

In Openbaring 4:3   ‘En rondom de troon was een regenboog, een smaragd gelijk.’

 

Smaragd. Een zeldzame vondst is het, wanneer beide einden vrij zijn. Meestal is één eind vergroeid met het moedergesteente. Dit laatste bestaat hier uit kwarts met pyriet. Vindplaats: Colombië. Totale hoogte 5 cm. Lengte van het smaragdkristal 2,7 cm.

0-0-0

sodaliet

sodaliet

Sodaliet is een weliswaar meestal kleurloos voorkomend mineraal, maar is vaak ook in een op­vallend mooie blauwe kleur te vinden. Deze blauwe sodaliet wordt graag als siersteen gebruikt. Naar zijn structuur behoort sodaliet tot de aluminiumsilicaten en is daardoor verwant aan de veel voorkomende veldspaat. De blauwe kleur is in zoverre een bijzonderheid, omdat deze niet, zoals bij de kleuren van de an­dere mineralen, op het aanwezig zijn van een zwaar metaal duidt. Dit is ook bij de Lapislazuli het geval, die dezelfde formule heeft en waar uit men vroeger het kost­bare ultramarijn blauw won. Sodaliet wordt ook bij de geneesmiddelbereiding gebruikt. De mooiste stukken komen uit Zevenburgen, Portugal en Groenland.

(Weledaberichten nr.133 09-1984)

0-0-0

steenzout

mineralogie steenzoutSteenzout is de typische representant voor de krachten van het zout. De kubusvorm die men vroeger beschouwde als uitdrukking van de werkzaamheid van de aarde, is er karakteristiek voor.

(Weledaberichten nr.97, 06 1973)

0-0-0

tin
Zoals je het karakter bij een mens kunt schetsen, zo kun je ook het karakter van een stof beschrijven. Je brengt alle eigenschappen, gedragingen en handelingen die op een typische manier met de stof te maken hebben in beeld en leest daaruit wat zijn karakter is. Welke acties en reacties zijn dan karakteristiek voor tin?

Een stang uit tin kun je buigen, want het metaal is relatief week. Bij het buigen hoor je een krakend geluid, dat de ‘tin-schreeuw’ wordt genoemd. Het ontstaat doordat de kristallen in het tin ten opzichte van elkaar verschuiven. Deze spanning tussen enerzijds het inwendig gevormd zijn en anderzijds de weke vervormbaarheid, komt bij geen ander metaal zo uitgesproken voor als bij tin. Als je tin boven 160 graden (Celsius) verhit, wordt het broos en valt het uiteen. Hetzelfde gebeurt wanneer het in een koude omgeving van minus 40 graden Celsius wordt gebracht: dan verbrokkelt het en wordt het tot poeder. Deze neiging tot verbrokkeling heerst dan nog zo sterk in het poeder, dat het zelfs ander tin kan ‘besmetten’ als je het poeder erop legt. Men noemt dit verschijnsel ‘tinpest’. Er zijn dus twee mogelijkheden: of het tin blijft week en vervormbaar, of het vervalt door hitte of kou tot poeder.
Verhit je het metaal tot boven de 232 graden, dan wordt het vloeibaar. Dat blijftzo tot 2300 graden. Geen enkel ander metaal heeft zo’n lang traject tussen smelten en verdampen. Tin verzet zich dus als het ware tegen het te vast worden en het vluchtig worden. De weke, vaste vorm en het vloeibare horen bij hem.

Verbindende kracht
Tin verbindt zich gemakkelijk met andere metalen en is dan ook zeer geschikt om legeringen mee te vormen. Bekend is het brons, dat meestal voor 93% uitkoper en 7% uit tin bestaat. Klokken of gongen die uit brons worden gegoten, klinken helderder en gevormder dan wanneer men alleen koper heeft gebruikt. Ook drukletters werden door­gaans uit een legering gemaakt van lood, tin en antimoon. Soldeer bestaat uit tin met wat lood. Door het soldeer verbind je twee metalen met elkaar, terwijl ze toch gescheiden blijven door het tin: het tin maakt een grensvlak tussen de te solderen delen. Datzelfde gebeurt met het zogenaamde vertinnen. Tin is als metaal vrij edel. Dat wil zeggen, het wordt niet snel aange­tast door lucht of door vloeistoffen waarin zich chemisch werkzame stoffen bevinden. Daarom worden loden pijpen of koperen ketels soms met een dun laagje tin bedekt. Het meest bekend in dit opzicht is blik (in het Engels ‘tin’). Het ijzer van het blik is bedekt met tin: hier gaat het opnieuw om een grensvlak waardoor het ijzer wordt gescheiden van de vloeistof of de vochtige voedings­stof in het blik.
Ten slotte kennen we sinds de oudheid de tinnen gebruiksvoorwerpen, zoals schalen, vazen en bekers. Deze werden niet gehamerd of gedreven, zoals bij koperen gebruiksvoorwerpen veelal het geval was, maar altijd uit het gesmolten tin in de vorm gegoten.
Samenvattend kun je zeggen: karakteris­tiek voor tin is zijn vormkracht die echter niet star, maar beweeglijk en veranderbaar is. Daarnaast fungeert tin alsschepper van grensvlakken; verbin­dend en toch uit elkaar houdend.

Zeus en Pallas Athene
In verhouding tot bijvoorbeeld ijzer en koper komt tin slechts in kleine hoeveel­heden voor, zowel in de aardkorst als in het menselijk lichaam. In de aarde vindt men het voornamelijk in samenhang met kiezelgesteenten, vaak in zigzag-vormige aderen; als een bliksem. In het menselijk lichaam tref je de kiezel vooral aan op grensvlakken, namelijk in de huid, maar ook daar waar de vliezen de lichaamsorganen omhullen: het longvlies, het hartvlies en het buikvlies.
In de Griekse mythologie werd Mars of Ares met het ijzerproces en Venus met het koperproces in samenhang gebracht. Temidden van deze goden vindt men ook Zeus (bij de Romeinen Jupiter genoemd). Deze oergod was de schep­per van de vormen. Hij bracht orde in het heelal en hield de dingen bij elkaar, maar ook naast elkaar. Hij werd ook wel de wolkenverzamelaar genoemd. Men denke aan de machtige plastiek van de cumuluswolken. Bij de beeldhouwwerken van Zeus valt in diens uitdrukkingvol gezicht vooral zijn voorhoofd op. Uit dit voorhoofd werd zijn dochter Pallas Athene geboren. Zij was de godin van de wijsheid, van het vermogen ideeën te vormen en de ene gedachte met de andere te verbinden. De vormende kracht kan in de stoffelijke wereld werken, maar ook in de innerlijke. Elke creatieve gedachte is eigenlijk een kortstondige plastiek. In Zeus (en Pallas Athene) vinden we de karakteristieken van het tinproces.

Therapeutische mogelijkheden
Wanneer er een loodvergiftiging optreedt, gaat het lood naar de hardste delen van het lichaam, met name naar de botten. Bij een tinvergiftiging daar­entegen gaat het tin naar de spieren, de hersenen en de lever; dus naar de wekere organen. Overeenkomstig aan deze verhoudingen heeft de therapie met tin in de antroposofische genees­kunde speciale toepassingsgebieden gekregen.
Heel algemeen gezegd: tin helpt de mens bij het in beheersing houden van zijn vloeistoffen, bij het vormen van het vocht in de wekere delen van het lichaam. De lever bijvoorbeeld is een zeer waterrijk orgaan dat van zich uit zeer weinig plastiek heeft.Tin helpt de lever het midden te | houden tussen vormloosheid en verharding. Op dezelfde wijze kan tin ook in de hersenen een teveel aan water voorkomen, dat optreedt bij de neiging tot een waterhoofd. Verder werkt tin op plekken waar
grens­vlakken zijn en waar zich stoornissen in het vochtorganisme
voor­doen: bij vocht in het gebied van het longvlies, het hartvlies en het buikvlies. Ook gewrichten waar door middel van het kraakbeen de botten aan elkaar grenzen, zijn ontvankelijk voor tintherapie, evenals zwellingen door trauma’s of door afwijkingen aan het kraakbeen. In
alle gevallen gaat het om de vormkracht van tin en zijn vermogen het vocht te beheersen.

(Joop van Dam arts, Weledaberichten 174, najaar 1997)

Leen Mees: Levende metalen

 

toermalijn

toermalijnDe geheimzinnige krachten die de toermalijn in zich verbergt komen niet alleen in zijn buitengewone kleurenrijkdom tot uiting, maar bij het wrijven en verwarmen van de stenen komen bij de toermalijn elektrische verschijnselen voor. De structuur van deze aan het licht verwante edelsteen is trigonaal, d.w.z. de driehoek ligt eraan ten grondslag. De mooiste exemplaren werden in Madagaskar en Brazilië gevonden.

(Weledaberichten nr 107 12-1975)

toermalijn 2 De toermalijn neemt onder de edelstenen in veel opzichten een bijzondere plaats in. Hij vertoont eigenlijk de hele scale van kleuren. Eén kristal kan zelfs verschillende kleuren hebben, die afhankelijk van hoe men hem houdt ook de driedelige symmetrie van zijn opbouw laten zien. De meestal lange kristallen vertonen een ongewone polariteit: de beide uiteinden zijn totaal verschillend gevormd en de verbinding bestaat meestal uit een zeskantige zuil die in een driekantige overgaat. Men krijgt daardoor de indruk, dat de toermalijn zich in de ruimte oriënteert. De polariteit blijkt voorts door electrische verschijnselen, ladingen, die zowel door verwarmen als ook door te wrijven kunnen worden opgewekt. Scheikundig is de toermalijn een heel gecompliceerd samengesteld silicaat dat wel twintig elementen kan bevatten. De mooiste toermalijnen komen uit Ceylon, Madagascar en Brazilië. Voor bepaalde geneesmid­delen van de Weleda wordt de stralend donkerrode variëteit, de zogenaamde rubelliet, gebruikt.

(Weledaberichten nr. 120 04-1980)

0-0-0

topaas

topaasTopaas: in de spleten en holruimten van granietachtig oergesteente is een hele reeks edelstenen en zeldzame mineralen te vinden. Hierbij is ook de topaas die als siersteen zeer geliefd is. Hij heeft een bijzondere gloed, ook ongeslepen en een grotere hardheid dan de bergkristal. De topaas, een kleiaarde-fluor-silicaat, vinden we in de verschillende kleuren die de metalen hem geven. De meest voorkomende en meest bekende is de goudnuance die deze edelsteen door chroom krijgt. De blauwe topazen hebben hun kleur door het ijzer, de roodachtig gekleurde door vanadium, een aan het ijzer verwant metaal. Uit Mursinka in de Oeral kwamen hele mooie blauwe stenen die echter in zuiverheid en kleur overtroffen werden door enige zeldzame exemplaren uit het Fichtelgebergte, waar veel graniet is. In het uitgestrekte Rusland zijn ook roze en paars-blauwe stenen te vinden waarvan sommige heel groot zijn, tot een gewicht van 30 pond. Kamtschatka levert groene en de belangrijke Braziliaanse soorten die kleurloos, geel, roze-rood en blauw zijn, waarbij ook vaak exemplaren met vloeistofinsluitsels gevonden worden. De kleuren en de licht doorlaatbaarheid omgeven die zich in het donker der aarde vormende edelstenen met een geheimzinnige glans die door alle tijden heen de verbazing en de fantasie in de mens opgeroepen heeft.

(Weledaberichten nr.113 12-1977)

0-0-0

topaas

Hebreeuws: pitedah
Grieks: topazion

Exodus 28:17
Openbaring 21:20

Chemie: Al2SiO4(F,OH)2
Hardheid: 8

De meeste schrijvers stemmen erin overeen dat dit de huidige topaas is met zijn rijke gele luister.

Pitedah betekent volgens deskundigen ‘de gele’. In de Griekse vertaling van het Oude Testament heet hij ‘topazion’ waar duidelijk ons woord topaas in zit.

Men verhaalt dat schipbreukelingen aan land gingen op een eiland in de Rode Zee en daar deze steen ontdekten. Het eiland en de steen doopten zij Topasos = gezocht en gevonden.
De topaas straalde als tweede steen van het borstschildvan de hogepriester, was tevens negende van de heilige stad.

Er zijn grote kristallen bekend, die vele kilo’s wegen. Men heeft ze gevonden tot 30 kg.

485 mooie topaaskristallen zijn in de Engelse koningskroon verwerkt.

Deze doorzichtige steen is van een schitterend goudgeel. Hij heeft een levendig vuur en schittert als een zonnestraal.

Edeltopaas in bergkristal. Brazilië. Linksonder: geslepen topaas. (Opname 1 : 1)

0-0-0

turkoois

Exodus 28:20

Hebreeuws: larsjisj
Grieks: chrusoluihos

Chemie: koperhoudend basisch aluminiumfosfaat
Hardheid: 5, 6

Op het schiereiland Sinaï werd al ruim 2500 jaar voor Christus turkoois in de mijnbouw gewonnen. Tot in het begin van onze eeuw werden deze mijnen nog geëxploiteerd, nu zijn ze vrijwel uitgeput. De turkoois uit Sinai was van edelsteenkwaliteit. Vindplaatsen waren in het Westen van het schiereiland; transport naar Israël was dus goed mogelijk.

Turkoois was de tiende steen van het borstschild.

Turkoois is een van de weinige edelstenen die niet door sterke verhitting of persing ontstaan zijn, maar door langzaam sijpelen van water door de rotsen.

Ze kwamen ook uit Perzische mijnen, werden dan via Turkije vervoerd naar Europa; vandaar de naam.

De meest voorkomende kleur is groen – blauw. Daardoor is ‘turkoois’ een aanduiding geworden voor een groen – blauwe tint.

De raderen van Gods bestuur die Ezechiël zag, hadden de kleur van turkoois (Ezechiël 1:16). Ze gaven aan, dat alles op aarde geregeld wordt door de hemel, door God; ook al schijnt Zijn handelen voor ons nog zo onbegrijpelijk.

In Hooglied 5:14 zien we dat de schoonheid van de bruidegom bezongen wordt door de bruid. Gelovigen weten, dat deze bruidegom een beeld is van Christus en dat alle gelovigen op aarde Zijn bruid vormen. Ze zegt: ‘Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois!’

Turkoois, uit de U.S.A. ⅓ verkleind. Midden: turkoois in gesteente. Links en rechts: geslepen exemplaren.

0-0-0

vivianiet (blauwijzererts)

vivianiet

 Vivianiet (blauwijzererts) is, scheikundig gezien, een verbinding van fosfor met ijzer. De kristal­len zijn donkerblauw, glazig en meestal stengelvormig. Dikwijls komen ze voor in op egels lijkende bolvormen. De ondoorzichtige blauwe kleur is bij ijzerverbindingen zeldzaam. Uniek bij ijzer­houdende mineralen is evenwel als deze soms helder en doorzichtig zijn. Vivianiet is te zacht om als siersteen te dienen. De vorming ervan is secundair, d.w.z. er ontstaan door verwering en sedimentatie nieuwe verbindingen, waarbij het fosforzuur meestal van organische oorsprong is. Er zijn fossiele beenderen gevonden die een inslag van vivianiet vertonen. De bekendste vindplaatsen zijn Cornwall, Kameroen (met stukken tot een halve meter groot) en Waldsassen in Beieren.
De verbinding van fosfor en ijzer- twee voor de menselijke stofwisseling en ademhaling levens­noodzakelijke substanties – wijst erop, dat dit mineraal, mits dienovereenkomstig toebereid, ook een werkzaam geneesmiddel in de therapie van de arts kan zijn.

(Weledaberichten nr. 138 04-1986)

0-0-0

zilver

zilver

Zilver (argentum) is evenals het goud van oudsher met de mensheid verbonden en stond sinds de oudste tijden in het teken van de maan. Vanwege zijn uitzonderlijk reflecterende eigenschap is het zilver het oerbeeld van de spiegel. Oorspronkelijk een metaal met uitsluitend cultische bete­kenis werd het later voor munten gebruikt en tenslotte een hulpstof voor de fotografie. Zilver wordt niet alleen als zwavelverbinding, zoals de meeste andere metalen, gevonden, maar ook veelal in gedegen toestand. Men vindt dikwijls prachtige op haren en lokken lijkende vormen en op varens lijkende dendrieten. Het blinkende zilver gaat gemakkelijk een verbinding aan met zwavel. Dan ontstaat er een geel-bruine laag zwavelzilver, die zelfs geheel zwart kan worden. De bekendste vindplaatsen van gedegen zilver zijn Kongsberg in Noorwegen, Ffeiberg en Joachimsthal in het Ertsgebergte in Duitsland. Het merendeel van het geproduceerde zilver wordt echter verkregen door het roosten van loodglans dat altijd sporen van zilververbindingen bevat. Naast vele andere indicaties wordt gepotentieerd zilver toegepast om ontstekingsprocessen tegenezen.

(Weledaberichten nr,141 04-1987)

Het ïs een bekend ervaringsfeit dat de zon en de maan invloed hebben op wat er op de aarde gebeurt. Door zijn licht beïnvloedt de zon op beslissende wijze de groei van de plantenwereld, terwijl de seizoenen en de daarbij horende processen in de natuur corresponderen met de wisselende stand van de zon ten opzichte van de aarde. Wat de maan betreft: iedereen weet dat eb en vloed met de maan samenhangen. Minder bekend is dat ook voortplantingsritmen bij bepaalde lagere dieren de actuele maancyclus volgen – zoals de Paolo-worm en bepaalde vissoorten in de Stille Oceaan – en dat men voor het zaaien met de maanfasen rekening kan houden: vroeger een ‘boerenwijsheid’, thans door wetenschappelijk onderzoek geverifieerd.

In vroeger tijden werd naast de invloed van zon en maan ook nog rekening gehouden met de werking van andere hemellichamen op aardse gebeurtenis­sen. Shakespeare laat in zijn stukken meermaals zijn personages refereren aan de invloed van Mars en Venus op het verloop van de ontwikkelingen op het toneel. In de middeleeuwen werd een verband gelegd tussen planeten en organen (hart en zon, nier en Venus enzovoort) en zag men ook een samen­hang tussen planeten en metalen. Om het zilver in zijn therapeutische wer­king te gaan begrijpen, wil ik op dit laatste verband kort ingaan.

Proeven met filtreerpapier
In de jaren twintig en dertig van deze eeuw werden door de biologe Lili Kolisko proeven gedaan om meer inzicht te krijgen in de relatie tussen bepaalde planeten en specifieke meta­len. Zij bracht daartoe metaalzouten in oplossing en hing hier stroken filtreer­papïer in, zodanig dat de onderkant van het papier net onder het oppervlak van de oplossing terechtkwam, waardoor de vloeistof door het papier kon worden ‘opgezogen’. Waarom dit oplossen van metaalzouten in water? Vaste stoffen zijn onderhevig aan de aardse wetmatigheden en worden daar­door onder andere door de zwaartekracht vanuit het middelpunt van de aarde aangetrokken. Vloeistof daarente­gen zorgt dat er een ontvankelijkheid optreedt voor de periferie (bijvoorbeeld de zon en de maan). De planten, die voor hun bestaan water nodig hebben, staan door deze vloeistof ook open voor de perifere krachten: hierdoor groeien ze tegen de zwaartekracht in en kunnen de levensverschijnselen optre­den.

Terug naar de proef: de in het filtreerpa­pïer opgetrokken metaalzouten lieten een regelmatig en telkens terugkerend patroon zien, al waren er variaties. De variaties die optraden bleken met de constellatie aan de hemel samen te hangen. Bij zonsverduistering bleek dat de oplossingen met goudzouten beduidend minder hoog waren ‘opgezogen’ dan bij normale zonnestand. Bij alle volgende zonsverduisteringen trad dit­zelfde fenomeen op. De maan bleek een verbinding te heb­ben met het zilver. Deze samenhang toonde zich in de herhaling van karak­teristieke beelden bij volle maan, nieuwe maan, afnemende en toenemende maanfasen.

Leven, licht, maan en zilver
In de plantenwereld is zichtbaar hoe de ontplooiing en vormgeving van groei­processen samenhangen met het licht.
In een korte formule gebracht: licht zorgt voor het leven. Een karakteristiek van zilver blijkt zijn verhouding tot licht te zijn. Er is geen metaalzout zo lichtgevoelig als zilver­zout. Daarop berust de fotografie. De indrukken op de filmplaat worden vast­gehouden door de chemische verande­ringen die het licht in de zilververbin­dingen bewerkstelligt. Anderzijds heeft zilver het vermogen tot spiegelen. Geen ander metaal levert zulke goede spiegels als zilver, als het hemellichaam dat zich het dichtst bij de aarde bevindt, bemiddelt de maan de werking van alle andere, verder gelegen planeten. Het maan­oppervlak reflecteert als een extra spiegel voor de aarde de werkingen van deze planeten en geeft ze door. Deze niet-aardse krachten, die uit de periferie komen, worden door de maan in de aardesfeer binnengeleid. Deze werkingen worden, zoals boven beschreven, zichtbaar in de levensver­schijnselen: groei, opbouw, regeneratie en de reproductie (voortplanfing) als zodanig. Uit de medische ervaring blijkt nu dat ook zilver, als het metaal dat met de maan samenhangt, de levenskrachten bevordert.

Medische toepassingen
Bij een te zwakke opbouw, ondervoe­ding en een gebrekkige vitaliteit, moe­digt zilver met name bij kinderen de te zwakke levenskrachten aan. Als men­sen langdurig chemische middelen heb­ben gebruikt (zoals pijnstillers), helpt zilver het organisme weer op te bou­wen. De levensakker wordt als het ware opengeploegd. Door allerlei omstandig­heden – zoals stress, een overvloed aan zintuigindrukken, zorgen, examens, of ook door de eigen constitutionele aan­leg – kan iemand te weinig vitaal zijn. Door de zwakte in de levenskrachten kan ook de ziel futloos, droog en fantasieloos worden. Met behulp van zil­ver is het moge­lijk een fysiolo­gische basis voor een fris en produc­tief zielenleven te scheppen. De ziel moet na­tuurlijk wel dit ge­zonder wor­dende in­strument zelf bespelen! Verder kan zilver als medicament de vruchtbaar­heid bij de vrouw bevorderen. (In de menstruele cyclus van de vrouw is het maanritme te herkennen.) Ten slotte: bij shocks raakt de verbinding van het innerlijk wezen van de mens met zijn lichaam losser, het kan zelfs zo ver gaan dat men flauwvalt. Ook het levenskrachtenorganisme wordt dan mee losgetrokken. Zilver is een beproefd middel bij de behandeling van shocks, omdat het helpt het levens­krachtenlichaam en het fysieke lichaam weer intensiever met elkaar te verbinden.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten nr. zomer 1998)

zie ook goud en zilver (bij goud)

0-0-0

zilver

Hebreeuws: kesef
Grieks: argurion
Soortelijk gewicht: 10,5
Hardheid: 2,5 ‘a 3
Chemie: Ag (Argentum)

Zilver is een van de ruim 100 elementen die we kennen.
Het is harder dan goud, maar toch nog uitzonderlijk goed bewerkbaar.
Het grootste deel van de wereldproductie (9500 ton per jaar*) wordt niet meer voor muntmetaal gebruikt, maar in de techniek en in de chemie, vooral voor fotografische doeleinden. (Zilver wordt gewogen in troy-ounces)
In de Bijbel wordt veel over zilver gesproken, ongeveer 200 maal. Ook lezen we een twintigtal malen over zilverlingen of zilverstukken.
In bijbelse tijden was zilver namelijk het betaalmiddel bij uitstek. Soms lezen we over zoveel honderd sikkelen zilver.
De helft van een sikkel zilver moest een Israëliet betalen als hij 20 jaar werd en overging tot ‘de getelden van het leger’ (Exodus 30:11-16). Hij werd dan ‘meegeteld’.
Laten we er goed op letten dat het zilver hier genoemd wordt ‘het zilver der verzoeningen’. Wilde men meegeteld worden bij Gods volk, dan moest er een verzoeningsprijs betaald worden.
*jaartal onbekend.

zilver 2
Zilver. Vindplaats: Mexico. Originele lengte 2,6 cm. >

0-0-0

 zwavel

zwavel

Zwavel (Sulfur) vertoont in het mineralen rijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.
Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt alsof hetelke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden te ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje – bij een mineraal wel een heel (ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal, tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor hetverdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.
De mooiste zwavelkristallen wordon op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden.Lousiana en Texas, in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingsprocessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in de handen van de ervaren arts.

Ekkehard Wagner, apotheker Weledaberichten nr.158 12-1992)

.

Over het ijzer in de mens waarin ook de zwavel wordt genoemd
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over ijzer en zwavel gesproken

0-0-0

mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas mineralogie

.

510-471

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (11)

.

OVER DE GAVEN VAN DE DRIE WIJZEN UIT HET OOSTEN

‘Zij traden het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en nedervallend vereerden zij hem. En zij openden hun schatkisten en brachten hem hun gaven: Goud en wierook en mirre. (Mattheüs 2, 11) [1]

In de heilige schrift van het Mattheüsevangelie worden ze ‘wijzen’ genoemd; andere bronnen spreken over magiërs. Het is zeker dat ze – gezien de tijd waarin ze leefden – én wijzen én magiers waren, alsook koningen, priesterkoningen. En ze waren sterrenkundigen:
‘Waar is de geboren Koning der Joden? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om voor hem te knielen’. (Mattheüs 2, 2) [1]

In de 6e eeuw begon de legende die de wijzen uit het Morgenland in koningen veranderde. De 9e eeuw gaf hun dan de algemeen gebruikelijke namen: Caspar, Melchior en Balthasar.

De ‘driekoningendag’, die jaarlijks op 6 januari als ‘Epifanie’ gevierd wordt, ontstond rond 1164, nadat het gebeente van deze drie heiligen van Milaan naar de dom in Keulen was overgebracht. Tot de volksverering droeg in de tweede helft van de 14e eeuw de ontstane ‘Legenda trium regum’ van Johannes von Hildesheim bij.

Richten we ons nu op de in Mattheüs genoemde gaven van de drie wijzen: goud, wierook en mirre, dan noemen we ze als stoffen met een bijzondere religieuze en symbolische betekenis.

Goud werd van oudsher als diepste geheim van de aarde en als een sacraal element gezien, dat welbewust slechts in deze betekenis gebruikt werd.
‘Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten zullen den Heere heilig zijn; tot de schat des Heeren zullen zij komen.’ (Jozua 6,19) [2]

Goud is in de Heilige Schrift van het Oude en Nieuwe Testament het meestgenoemde metaal. Het wordt in gelijkenissen gebruikt en als aardse rijkdom, alsmede in zijn bijzondere betekenis voor de tempelbouw in de tijd van Mozes en Salomo en de bouw van het nieuwe Jeruzalem in de Openbaringen:
‘De straat van de stad is louter goud als doorschijnend glas’. (Openbaringen 21, 18) [2]

En bij Job staat er in een gelijkenis:
‘Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn’. (22, 25) [2]

Wanneer later de alchemie, op zoek naar de ‘materia prima’, het goddelijk oerelement, probeerde, rekening houdend met de trillingsfrequenties van alle elementen, goud te maken, dan zag men in dat streven en het proces de aardse creatie van het volmaakte, godkennende bewustzijn.

Was in vroeger tijden het goud alleen bestemd voor de religieuze cultus, al in de tijd van David en Salomo is het ook in bezit van koningen:
‘en zij (de schepen) kwamen te Ofir, en haalden van daar, aan goud vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. (1 Koningen 9, 28) [2]

Onmetelijk waren de goudschatten van de heersers in Babylon, Nineve en Persepolis, in India en de voor-Oriënt. India en Lydië (een klein-Aziatisch land aan de westkust, maar ook Arabië – in de tijd van Rome, Spanje, behoorden tot de beroemde goudlanden van de oudheid.

In de symboliek gold goud als zinnebeeld van de standvastigheid en volmaaktheid. In de veronderstelling van zijn bijzondere, verborgen krachten werd het in het Morgen- en Avondland vaak tot amuletten verwerkt. Gedachten van gelijke strekking lagen ten grondslag aan de steeds uit goud vervaardigde insignes van de koningen.

Het goud is steeds in verband gebracht met de zon en wat de organen betreft met het menselijke hart. In het verre oosten gelooft men dat het goud – als ziel van de aarde – deze levend houdt. Ook in het zeewater bevinden zich sporen van goud.

Bij de kribbe in Bethlehem schonken de aanbiddende koningen goud als teken van de eens priester-koninklijke macht van het heilige kind.

De tweede genoemde gift van de drie koningen is wierook; dit werd – aanbiddend – als teken van goddelijke macht geschonken. Vanaf de tijd van Mozes tot de tijd waarin het de uitdrukking van een cultische handeling wordt genoemd, werd en wordt wierook tot op de dag van vandaag daarvoor aangestoken.

De welriekende geur van de wierook steeg in Babylon al op en in de tempelplaatsen van het Oude Egypte. Zoals de naam al aangeeft, werd het gebruikt voor wijding (Duits Weih-rauch), om te offeren, voor de loutering en voor de vergeestelijking van het gebed. Zo beleefd deed het ca 500 jaar na de christelijke jaartelling zijn intrede in de christelijke godsdienst. In de geneeskunde gold wierook ooit als goddelijk medicijn. Vanuit magische voorstellingen geloofde men dat het goede geesten kon aantrekken en slechte verdrijven. Net als het goud, is de wierook met zijn onvergankelijke hars een symbool voor de eeuwigheid en onsterfelijkheid. In onze tijd vinden we het in de christelijke, boeddhistische en islamtische godsdienst, maar ook in het Shintoïsme, om maar een paar wereldreligies te noemen.

Bij Sjatt-al-Arab is een kleine religieuze gemeenschap, de Mandaeërs (gnostici, ‘wetenden’) wier leer en heilige geschriften waarschijnlijk teruggaan tot die van Zarathustra (Perzië, 7e eeuw voor Christus). Zij zien in de wierook zelfs het opstijgen van een goddelijk wezen, van wie zij, in de gedaante van de hoogste godheid van het ‘eerste leven’, verlossing verwachten.

Mirre, als naam afkomstig uit het Arabische murr, dat bitter betekent, is een geelbruine, kruimelig aardse substantie met een aromatische geur en bittere smaak. Het wordt gewonnen uit de hars van rubberachtige, welriekende struiken en bomen uit de Arabische en Afrikaans-Abessinische landstreken. De Griekse geschiedschrijver Herodotos (5e eeuw v. Chr.) bericht: ‘Het verst weg liggen de bewoonde landen in het zuiden van Arabië. Van alle landen groeit daar alleen wierook, mirre, casia, kinamomon (?) en ladanon(?). De Arabieren winnen al deze dingen, behalve de mirre, echt met moeite…’ En Diodor van Sicilië (1e eeuw v. Chr.) zegt o.a.: ‘Het binnenland echter wordt door aaneensluitende bossen bedekt, waarin grote wierook- en mirrebomen staan; bovendien palmen en kalmoes en kaneel en andere planten, die net zo lekker ruiken. Het is echt niet mogelijk om van iedere plant de bijzondere natuurlijke eigenaardigheden op te schrijven en  de intensiteit en de overmaat aan geuren die allemaal tegelijk door elkaar uitstromen. Wanneer de wind landafwaarts waait, gebeurt het dat de welriekende geur die de mirrebomen en andere gelijksoortige gewassen uitademen tot over de aangrenzende zee meegedragen wordt…’

Mirre, herhaaldelijk genoemd in het Oude en Nieuwe Testament wordt hier in de gelijkenis tot geschenk en geneesmiddel alsmede als kostbare en heilige stof genoemd.

‘Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre….En maak daarvan eene olie der heilige zalving….En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst…’
(Exodus 30, 23-25-26)[2]

In de evangeliën wordt mirre driemaal genoemd: de eerste keer bij de geboorte  van Christus – als derde gave van de wijzen uit het Oosten. Hier symboliseert het de macht zieken te genezen. Al in de oudheid gold mirre als een geneesmiddel en was in Egypte al medicinaal bekend.

De tweede keer spreekt Marcus in zijn bericht over de kruisiging van Christus over de mirre:
‘Daar gaven ze hem ( de gekruisigde) wijn met mirre vermengd te drinken, maar hij nam het niet aan.’ (Marcus 15, 23) [1]

Johannes noemt de mirre bij de graflegging van Christus: ‘Ook kwam Nikodemus, hij die voor het eerst in de nacht tot hem gekomen was, en bracht een mengsel van mirre en aloë…’
(Johannes 19, 38) [1]

Mirre nam men in de oudheid, voornamelijk in Egypte, naast de andere stoffen  voor het mummificeren. In de Middeleeuwen werd dit hars – met het oog op de evangelieteksten over het lijden van Christus en zijn dood in verband gebracht. Om zijn aromatische geur en de genezende werking speelde de mirre zowel in Joodse en Indisch-Oriëntaalse, alsmede de in christelijke cultus een wezenlijke rol.

Zeker hebben de drie wijzen uit het oosten – zoals de koningin van Sa’aba die duizend jaar eerder met dezelfde schatten naar Jeruzalem trok, hun doel waarnaar de ster hen leidde op dezelfde weg van de oude wierookstraat bereikt – over Mekka en Medina en Petra, de eens zo beroemde stad van de Nabatanen…..

Ruth Kaeselitz, Der Elternbrief, jrg.onbekend)

[1] Het nieuwe testament, H.Ogilvie 1975
[2] Bijbel, Statenvertaling

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

424-396

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.