Tagarchief: inflatie

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-5)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

Arnold Henny, Jonas 4, 18-10-1985

Het spook van de geleende miljarden

Het woord moneta dat in Italië geld betekent, is afkomstig van Juno Moneta, de Romeinse godin, in wier tempel de eerste munten werden geslagen. Het Duitse woord Münze – Nederlands: munt – herinnert nog beter aan deze eerste muntstukken.
De afbeelding die op deze Romeinse munten prijkte is minder bekend: de godin met in de ene hand een hoorn des overvloeds en in de andere hand een weegschaal. Het woord moneta is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord monere, dat vermanen betekent. Zo zouden de hoorn des overvloeds en de weegschaal op zichzelf reeds een ‘vermaning’ kunnen inhouden.
Immers, is geld voor de individuele burger niet een grondslag voor rijkdom en welvaart en is anderzijds, vanuit het belang van de samenleving gezien, de juiste vorm van ‘omgaan met geld’ niet een aangelegenheid van evenwicht tussen inkomsten en uitgaven?
Daarmee heeft niet alleen de huisvrouw te maken bij het hanteren van het huishoudboekje maar ook iedere minister van Financiën bij de besturing van het staatsbudget. Dat men zich tegenwoordig weinig meer gelegen laat liggen aan de wijze vermaningen van de godin Juno blijkt onder andere uit de gigantische schuldenlast van 700 miljard dollar van vele ontwikkelingslanden. En niet alleen die van de ontwikkelingslanden. Ook de Verenigde Staten hebben tegenwoordig een begrotingstekort – het verschil tussen inkomsten en uitgaven – van 200 miljard dollar met daarnaast een tekort op de betalingsbalans – verschil tussen invoer en uitvoer – van 100 miljard dollar.

Dit gebeurt omdat de wereldhuishouding van andere wetmatigheden uitgaat dan de gezinshuishouding. Economen in de USA beweren zelfs dat de USA met deze schuldenlast de wereld uit de economische depressie trekt. Met deze schulden wordt niet alleen koopkracht gestimuleerd, maar ontstaan ook investeringsmogelijkheden, waardoor arbeid en de productiviteit worden gestimuleerd.
Bron van nieuwe rijkdom, als tegenhanger van de schuldenlast.
De vraag of deze schulden zullen worden terugbetaald is daarmee nog niét opgelost. Welke risico’s worden hiermee genomen? Men stelle zich dit even concreet voor: 200 miljard dollar. Een stapel bankbiljetten van 1000 dollar… 20 kilometer hoog, vier maal de Mont Blanc! Welke waarde vertegenwoordigt al dit papiergeld nog, afgezien van het giraalgeld, waarmee de meeste van deze schulden worden gefinancierd?

Aan de andere kant kan men zich afvragen: hoe staat het met de ‘zekerheid’ die het muntgeld – in de vorm van goud of zilver -verschaft? De waarde van het goud is de laatste vijf jaar allerminst stabiel gebleken. In 1980 was de prijs van een ounce goud (31 gram) 800 dollar, (sterk beïnvloed door de inval van de Russen in Afghanistan). Drie jaar later – 1982 – was die prijs gedaald tot 300 dollar. Thans – maart 1985 – is zij 288 dollar. Toch kan niet worden gezegd, dat belegging in goud weinig zekerheid biedt. Wie in 1970 een kilogram goud kocht, moest daarvoor 5000 gulden betalen. Nu, vijftien jaar later, kan men deze zelfde hoeveelheid goud verkopen voor 36000 gulden: een waardevermeerdering van ongeveer 700 procent. Daartegenover staat een waardevermeerdering van aandelen gedurende die zelfde tijd van 200 procent.

De waarde van het goud is niet meer stabiel zoals dat honderd jaar geleden, in het tijdperk van de vrijhandel en de gouden standaard, het geval was. Destijds was het goud de regulator van het internationale handelsverkeer. Gouden munten – en ook papiergeld – waren inwisselbaar tegen goudstaafjes die werden verscheept van het ene land naar het andere land wanneer de betalingsbalans uit zijn evenwicht raakte, doordat een land meer goederen en diensten invoerde dan het uitvoerde. Het ‘verschil’ werd in plaats van met wissels (in goud) in goud betaald aan de landen die in de omgekeerde positie verkeerden. Zo functioneerde het goud niet alleen als regulator maar ook als hogere intelligentie in de vrije marktverhoudingen van het liberale tijdperk. Schijnbaar automatisch regelde het goud buiten de mensen om het prijsniveau van goederen, diensten, kapitaal en arbeid. Het bracht evenwicht en orde in het internationale handelsverkeer, maar kende ook nadelen. Zo bleef de groei van de wereldhandel en wereldproductie afhankelijk van een beperkte hoeveelheid metaal. Dat bleek toen er nieuwe goudvelden werden ontdekt en de groei van de wereldhandel zich aan deze vermeerdering van goudproductie aanpaste. Een tijd lang kreeg de wereldhandel bepaalde injecties door deze vermeerdering (in Californië, Zuid Afrika, Australië en Canada), maar het klopte toch niet dat de groei van de wereldeconomie en welvaart afhankelijk bleef van een toevallige goudvondst. Men ging zich afvragen of het goud nog wel acceptabel was als autoriteit. Werd het geen tijd voor onttroning?

Barbaarse relikwie

Het onttronen van het goud heeft zich geleidelijk voltrokken en kwam pas in de twintigste eeuw tot stand. Na het tijdperk van de ‘gouden standaard’ kwam het tijdperk van de ‘goudwissel standaard’, daarna dat van de ‘gouden insolvente standaard’. Naast het goud is men ook internationale valuta gaan accepteren als dekkingsmateriaal voor geld. Niet door goudverschepingen, maar door restricties in het deviezenverkeer en belemmeringen van import en export heeft men het evenwicht in de betalingsbalans in stand willen houden. De vrije economie maakte plaats voor een meer geleide economie.

Vóór de Tweede Wereldoorlog heeft een tijdlang het pond sterling de rol van het goud vervuld. Met ponden kon men goederen kopen. De waarde van deze ponden is echter niet alleen afhankelijk van de waarde van het goud, maar ook van goederen. Vormen goederen geen betere monetaire basis dan goud? Deze vraag werd vóór de oorlog gesteld door Irving Fischer en Gustav Cassel. Niemand minder dan de Britse econoom Keynes noemde het goud een ‘barbaarse relikwie, overgehouden uit de dagen dat de mensheid zich afbeulde voor goud, zwendelde, oorlog voerde en er voor stierf’.
Keynes zei dit tijdens de economische crisis (1930) die hij als een vertrouwenscrisis zag waar menselijke arbeid niet productief kon worden gemaakt, doordat het geldstelsel volledig versleten was. In 1944, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, kwamen onder leiding van Keynes de verdragen van Bretton Woods tot stand. Wanneer het aan Keynes had gelegen was de monetaire rol van het goud als internationaal betaalmiddel toen al onttroond. Echter niet Engeland maar de Verenigde Staten zouden in de komende jaren de belangrijkste rol spelen op het gebied van de internationale economische betrekkingen. Niet een Pax Brittannica, maar een Pax Atlantica werd de waarborg voor de waardevastheid van het geld en de groei van de economische welvaart. Bovendien beschikten de Amerikanen na de Tweede Wereldoorlog over aanzienlijke monetaire reserves aan goud. Met de komst van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling kon nu langs internationale weg de gelijkheid tussen wisselkoersen worden gehandhaafd. Niet onafhankelijkheid maar wederzijdse afhankelijkheid werd belangrijk voor het economische leven.

Het goud als zonne-metaal

In de oudheid is het goud altijd in verband gezien met het licht van de zon. De Perzen vereerden in de onmetelijke zonne-aura de zonnegod Ahura Mazdao of Ormuzd. Het goud, in het Latijn aurum was nog een aardse afspiegeling van de kosmische zonnekracht.

Later, wanneer de eerste gouden munten in Lydië in omloop worden gebracht – ongeveer 600 voor Christus – is hiermee nog steeds een sacraal element verbonden. In Athene prijkt op de munten onder andere de uil van Pallas Athene; in het rijk van Alexander de Grote de afbeelding van Heracles van wie Alexander meende af te stammen. Ook in het Romeinse rijk had de beeltenis van de keizer die later de beeltenis van Juno Moneta vervangt nog een sacrale betekenis. De adelaar verbeeldde de apotheose van de keizer na zijn dood. Een munt was hierdoor niet alleen betaalmiddel maar tevens ‘monument’ dat propaganda vormde voor het begenadigde keizerschap. Het goud was geld geworden en niet meer offermateriaal voor de tempel. Men kon er van alles voor kopen: slaven, grond en levensmiddelen. Het goud is niet aan slijtage en bederf onderhevig en daardoor is het begerenswaardiger dan andere vergankelijke aardse goederen. Met deze ‘zondeval’ van het goud hangt ook de begeerte samen die het goud bij mensen oproept.

Zo ontstaat in de Germaanse mythe de voorstelling van de ‘vloek’ van het goud die rust op allen die door hun begeerte zich van het goud meester maken. Het is het drama uitgebeeld in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’: de met de reuzen strijdende ‘Asen’, die verzoeningsgeld moeten opbrengen en met behulp van Loki, de Germaanse Lucifer en de dwerg Alberich (in de Edda Andwari) het ‘Rheingold’ weten te bemachtigen. Slechts een gouden ring wil Alberich voor zichzelf houden, maar ook deze eist Loki op. Dan spreekt Alberich de vloek uit over ieder die deze ring zal begeren. Daarmee is het lot beslist, niet alleen van de góden die zullen verzinken in de ‘Götterdammerung’,[godenschemering] maar ook van de helden in wier macht de ring geraakt. De vloek van het goud dat als zonnemetaal in de macht van begeerte en hebzucht valt wordt dan een tragisch motief in de ontwikkeling van de mensheid.

Wanneer de Spanjaarden onder Cortez en Pizarro in de zestiende eeuw Mexico en Peru veroveren, zal de ‘vloek’ over het bezit van goud pas goed zijn fatale rol gaan spelen. In 1519 vindt de ‘noche tristo’, de treurigste nacht in de Spaanse geschiedenis plaats. De Spanjaarden maakten zich meester van Montezuma, de als een god vereerde vorst der Azteken. Eerst probeerde hij de binnendringende vreemdelingen vreedzaam te laten wegtrekken door hen geschenken te geven. Maar juist deze geschenken riepen bij de Spanjaarden de gouddorst op. Zij namen Montezuma gevangen, waarop zijn krijgslieden een bloedbad aanrichtten onder de Spanjaarden. Desondanks kon Cortez twee jaar later de verovering van Mexico aan de Spaanse koning melden.

Sinds dat moment stroomt een vloed van goud en zilver vanuit het westen Europa binnen. Daarmee vond het bekende inflatieproces plaats, zonder dat de bevolking dit besefte: de verhoging van het prijspeil dat diep ingreep in de menselijke verhoudingen. De boeren merkten tot hun verbazing dat de slechte graanoogst hen méér goudstukken opleverde dan de goede oogst van een paar jaar tevoren. Ook de landheren konden met de vastgestelde pachtsom minder goederen kopen dan enkele jaren tevoren. Daarmee komt een ‘vervreemdingsproces’ op gang: de verhoudingen tussen mensen onderling worden verstoord door een prijsvorming die zich buiten de mens om lijkt te voltrekken. Geld wordt een onpersoonlijke kracht die als een sluier menselijke verhoudingen toedekt. Het denken in goederen die mensen voor elkaar voortbrengen en met elkaar ruilen, verandert meer en meer in ‘denken in geld’. Marx beschrijft deze vervreemding later als volgt: ‘Das Geld verwandelt die Treue in Untrue, die Liebe in Hass, den Blödsinn in Verstand, den Verstand in Blödsinn. Da das Geld als existierende und sich betätigende Begriff des Wertes alle Dinge verwechselt, vertauscht, so ist es die allgemeine Verwechslung und Vertauschung aller Dinge, aller natürlichen und menschlichen Qualitaten’ (Nationalökonomie und Philosophie).

Verleidingen

Het geld emancipeerde langzaam uit de macht van het goud en zilver. Uit het muntgeld dat eeuwenlang de enige vorm is geweest, waarin het geld circuleerde, heeft zich het papiergeld losgemaakt. De eerste bankbiljetten werden in Europa uitgegeven door de in 1694 gestichte Bank of England tijdens de regering van de koning-stadhouder Willem III. Daarbij was nog het uitgangspunt dat ‘al het geld, waarvan de werkelijke waarde niet in overeenstemming is met de nominale waarde, waarvan de uitgave dus niet berust op credit van goud en zilver, vals en aangemaakt is’. ‘Credit van goud en zilver’; papiergeld dus, gebaseerd op de waardevastheid van goud en zilver.

In Frankrijk blijkt zo’n 24 jaar later welke verleidingen dit papiergeld met zich meebracht. In 1718 liet John Law als leider van de staatsbank in Frankrijk papiergeld drukken. Ook dit papiergeld was door goud gedekt. Alleen bevond dat goud zich niet in de kelders van de bank maar moest het nog opgegraven worden uit de grond van Louisiana in Amerika. Daarop berustte ook de truc die Goethe in Faust II zijn Mefistofeles laat uithalen om de berooide schatkist van de keizer te vullen:

‘Zu wissen sei es jedem, der’s begehrt Der Zettel hier ist tausend Kronen wert. Ihm liegt gesichert als gewisses Pfand Unzahl vergrab’nen Guts im Kaiserland.’

Een volgende ‘Stufe’ in het emancipatieproces van geld was de eveneens in Frankrijk tijdens de revolutie plaatsvindende uitgave van papiergeld, ditmaal niet gedekt door goud maar door landgoederen, die de staat had geconfisceerd van de kerk. De staat betaalde met dit geld bijvoorbeeld uniformen en kanonnen. Zo circuleerde het onder het volk. Van de textielarbeider en ijzergieter kwamen ze, via de bakker en de molenaar tenslotte bij de boer terecht. De boer kocht daarmee van de staat het kerkelijk landgoed waarop hij zijn hele leven had gevlast. En zo kwam het papiergeld weer terug bij zijn oorsprong. Wanneer de staat daarna het papier had vernietigd was er geen enkel onheil geschied. Maar zij schafte met hetzelfde geld nieuwe goederen aan, waardoor de inflatie – met als gevolg geldontwaarding – op gang kwam. Het is een illustratie van de ‘kringloop’ van het geld door de samenleving heen, een kringloop die reeds vroeger beschreven was door de lijfarts van Madame de Pompadour, De Quesnay in zijn Tableau economique. Geldcirculatie en bloedsomloop worden in dit boek met elkaar in verband gebracht.

Spookgestalte

Daarmee zijn wij weer terug bij ons uitgangspunt. Enerzijds biedt geld zekerheid maar ook vormt het in de vorm van crediet een vertrouwensbasis voor economsiche groei. In mondiaal verband krijgen wij dan te maken met het schuldenprobleem van de arme, zogenaamde ontwikkelings- en Oostbloklanden die voor honderden miljarden dollars in de schuld staan bij de rijke landen. Alleen al de Zuidamerikaanse landen hebben een schuld van meer dan 300 miljard dollar. Waardoor is deze schuldenlast zo opgelopen? Waarom hebben banken deze credieten verstrekt? Dat heeft te maken met de oliedollars, de enorme inkomsten van de olielanden in het Midden-Oosten. Nadat eerst in 1973 de prijs van de olie met 400 procent werd verhoogd en nog eens tot 1700 procent in 1979, kwamen enorme bedragen dollars beschikbaar uit de betaling door de industrielanden voor geïmporteerde olie uit de olielanden. Een groot deel daarvan werd hier in het westen bij banken uitgezet en deze leenden tegen zeer hoge rente dit overschot weer uit aan de ontwikkelingslanden. Door de combinatie van hoge olieprijzen die het Midden-Oosten het westen oplegt en de zeer hoge rente die Noord-Amerika het zuiden oplegt, ontstond het begin van de huidige spookgestalte van de niet terugbetaalbare leningen van de ontwikkelingslanden.

Destijds verwachtte men nog dat de groei van de wereldeconomie zich voorlopig nog wel zou voortzetten. Brazilië leek het land van de toekomst met een gemiddelde groei van 10 procent per jaar. Mexico teerde op de inkomsten van zijn olie, waarvan de prijs zich aan die van de dollar en van de olie uit het Midden-Oosten aanpaste. Chili exporteerde koper, een grondstof waaraan in het buitenland steeds meer behoefte zou ontstaan. Daarenboven zou de waarde van al deze grondstoffen steeds toenemen, naarmate door de technologische ontwikkeling in de Verenigde Staten en Europa, de vraag naar grondstoffen groter wordt. Immers, ook de verhoging van de olieprijs in het Midden-Oosten – afgezien van kartelvorming (OPEC) en oorlog tussen Israël en Egypte – was voornamelijk te danken aan de toename van de luchtvaart en de autopoductie in Noord-Amerika, Frankrijk en West-Duitsland. Door iedere perfectionering in het produktiepro-ces ontstond een ‘toegevoegde waarde’ van deze grondstoffen, onafhankelijk of zij zich nog in de grond bevinden of dat zij reeds in het productieproces zijn ingeschakeld. Vooral het vertrouwen in deze ‘toegevoegde waarde’ maakt debiteurlanden, die over grondstoffen beschikken credietwaardig. Is niet het woord ‘crediet’ afgeleid van het Latijnse credere, dat vertrouwen betekent? Schulden maken op macro-economisch niveau is immers niet het zelfde als schulden maken op micro-economisch niveau: wie als huisvader niet zorgt dat zijn uitgaven gedekt worden door inkomsten, loopt het risico failliet te worden verklaard. Kan ook een staat failliet worden verklaard? Juridisch gezien is dit nauwelijks mogelijk. Economisch gezien betekent het dat de crediteur evenveel schade lijdt als de debiteur. Daarmee is de situatie van wederzijdse afhankelijkheid op internationaal niveau als probleem wel aangegeven maar nog niet opgelost. In werkelijkheid berust de wederzijdse afhankelijkheid tussen rijke en arme landen op de tegenstelling tussen ‘geestelijke creativiteit’ van de rijke landen en de ‘productivitiet van de natuur’ van de arme landen. Beide kunnen in wereldeconomisch verband niet buiten elkaar.

Schenking

Wat is er gebeurd met de ‘toegevoegde waarde’ waaruit uiteindelijk de stroom van oliedollars is ontstaan? De toegevoegde waarde kan op drie verschillende manieren worden besteed: als koopgeld, als spaargeld en als schenkgeld. En dat gebeurt ook. Al deze dollars worden voor een deel ‘belegd’ in onroerend goed, bijvoorbeeld in hotels in Londen, of in goud of in andere zakelijke zekerheden. Voor een deel worden zij geleend aan banken met als gevolg credietinflatie, waardoor het gehele internationale betalingsverkeer in de war dreigt te lopen. De meest ‘organische’ vorm van besteding zou zijn dat zij terugvloeien naar dat gebied waar zij hun waarde aan te danken hebben, dat wil zeggen hun oorsprong: de geestelijke creativiteit, waaraan alle technische vernieuwing is te danken. In een bepaald opzicht is dit ook het geval wanneer deskundigen – geleerden, ingenieurs, researchspecialisten – naar het Midden-Oosten worden aangetrokken om daar niet alleen het productieproces tot nieuw leven te brengen, maar ook bij te dragen aan onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen. Daarbij kan dan de financiering van het geestesleven worden gezien als een vorm van ‘schenking’ waardoor ‘toegevoegde waarde’ terugvloeit naar zijn oorsprong. Dit laatste geschiedt echter nauwelijks. Het grootste deel van de oliedollars waart rond in de vorm van leningen die pas na zeer lange tijd of misschien wel nooit zullen worden terugbetaald.

Voorlopig is men er nog niet aan toe de financiering van het geestesleven als een vorm van schenking – of, zo men wil, afschrijving – te zien. Hoogstens als een vorm van gedwongen schenking via de fiscus. Misschien dat inzicht in het internationale schuldenprobleem en een nieuwe visie op de ‘kringloop van het geld’, een stap is naar het inzicht hoe koopgeld, leengeld en schenkingsgeld samenhangen. Is de ‘grote depressie’ uit de jaren dertig niet aanleiding geweest voor een complete revolutie van economische opvattingen?
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1736

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-1/2)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest.

ARBEID EN INKOMEN

‘Doe het-zelf voor een ander’ (2)

Samenleving koerst aan op loskoppeling arbeid en inkomen

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid acht de tijd* niet rijp voor het invoeren van een basisinkomen. Arnold Henny denkt daar anders over. Hij ziet symptomen in de samenleving die wijzen in de richting van loskoppeling van arbeid en inkomen.

De crisis in de huidige verzorgingsstaat doet denken aan het verhaal van de man die een brandkast kocht om er zijn geld veilig in op te bergen. Toen hij de brandkast in huis had merkte hij tot zijn schrik dat het geld, dat hij wilde beveiligen, aan de aanschaf was uitgegeven.

Met een soortgelijke schrik ontdekken thans veel mensen, in ambtelijke en niet- ambtelijke instanties, dat onze verzorgingsstaat niet meer financierbaar blijkt te zijn. Als in paniek worden plotseling subsidies afgekapt en wordt er allerwege geknabbeld aan rechten die ontstaan zijn uit overwegingen van sociale zekerheid. Het geld is op. Het is uitgegeven aan de opbouw van onze gigantische brandkast, waarmee de verzorgingsstaat in de afgelopen jaren van economische groei de arbeidende en niet- arbeidende bevolking heeft willen verzekeren van de wieg tot aan het graf.

Men kan dit nagaan aan de hand van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De kosten voor sociale zekerheid stegen van 1965 t/m 1982 van 10.9 miljard tot 115.8 miljard, die voor gezondheidszorg van 1963 tot 1982 van 2.4 miljard tot 31.8 miljard. De uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning gingen van 322 miljoen naar 5 miljard, de kosten voor onderwijs van 4.3 miljard  naar 23.2 miljard. (gulden). Dat is een tienvoudige verhoging voor sociale zekerheid, een veertienvoudige verhoging voor gezondheidszorg, een zeventienvoudige verhoging voor ontwikkeling en ontspanning, een zesvoudige voor onderwijs. Daartegenover staat een toename van het nationaal inkomen van 62.5 miljard tot ongeveer 237.5 miljard, een ongeveer drie en halve verhoging.

De financiering van deze voorzieningen geschiedt voornamelijk via belastingen en leningen. De belastingen stegen van 1965 tot 1982 van 16.7 miljard tot 96.8 miljard. (Per hoofd van de bevolking, van 1.3 duizend tot 6.7 duizend.) Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven steeg van 1.3 miljard tot 29.5 miljard.**

De vergelijking tussen de man die een brandkast heeft gekocht en de overheid, die zijn onderdanen sociale zekerheid wil bieden, gaat hier niet helemaal op. De overheid kan zijn tekorten altijd aanvullen door belastingverhoging, de particulier kan dit niet. Wanneer hij zijn financiële verplichtingen niet meer na kan komen, wordt hij failliet verklaard.

Toch blijft ‘sociale zekerheid’ min of meer afhankelijk van economische welstand. Ook staten kunnen failliet gaan, of een faillissement toedekken door inflatie. De laatste tijd geven Zuid-Amerikaanse republieken hierover nog al eens een voorbeeld van aanschouwelijk onderwijs.

Twee beginselen

Nu berust de zekerheid in onze verzorgingsstaat op twee beginselen. Het eerste houdt in dat sociale verzekeringen die beschermen tegen verlies van inkomen door werkloosheid, ziekte en invaliditeit (WW, ZW, en WAO) gebaseerd zijn op het beginsel dat evenredigheid – equivalentie – bestaat tussen de betaalde premies en de uitkeringen, tussen het laatst verdiende loon en de uitkeringshoogte. Daarnaast zijn er de volksverzekeringen, zoals bijvoorbeeld de AOW. Daarbij betaalt iedereen tot een zekere grens een gelijk percentage van zijn inkomen aan premie, maar de uitkeringen zijn voor iedereen gelijk. De hoogte van de uitkering is dus onafhankelijk van het laatste verdiende loon. Met deze volksverzekering vindt een herverdeling plaats van het nationaal inkomen: een deel van het inkomen van de rijken wordt overgedragen naar de armen. Zo’n herverdeling via een omslagsysteem berust dan niet op het beginsel equivalentie maar op het beginsel solidariteit. Al deze uitkeringen zijn waardevast en groeien mee met de inflatie. Ook wanneer men een algehele loskoppeling van inkomen en arbeidsprestatie invoert, hebben we met een solidariteitsbeginsel te maken, dat zal leiden tot herverdeling van het nationaal inkomen. Waardevast inkomen, bestemd voor iedereen, is dan onafhankelijk van vooropleiding, onafhankelijk ook van het soort werk, lichamelijk of geestelijk.

Zoals in een vorig artikel is vermeld, heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid reeds aandacht besteed aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, hetgeen zou leiden tot een inkomensoverdracht van 36 miljard bij een basisinkomen van f 5000,- voor alle 24- tot 65-jarigen. De Raad achtte een dergelijke ingrijpende verandering van maatschappijstructuur nog niet haalbaar, maar acht invoering niet onmogelijk wanneer de publieke opinie hiervoor rijp is. Daarmee is ook de ‘haalbaarheid’ van het voorstel van Prof. Kuiper, namelijk erkenning van een onvoorwaardelijk recht op inkomen, gepaard met volledige ontkoppeling van inkomen en arbeidsprestatie op de lange baan geschoven.

De ondoorzichtigheid van de samenleving

Niet dat de maatschappij door al deze overheidsvoorzieningen, in haar geheel doorzichtiger zal worden. Zet eens een aantal sociale wetten die de laatste 35 jaar tot stand zijn gekomen, op een rijtje: AOW, WAO, AAW, AWBZ, AKB, WW, ZW, WAM, RWW, ABW, AWBZ…Alles tesamen een letterslot dat slechts gehanteerd kan worden door een betrekkelijk kleine groep deskundigen. Dat hoort bij de brandkast, waarin al deze verzekeringen moeten worden opgeborgen. De deur die toegang geeft en het inzicht opent in de werking van al deze vormen van inkomensoverdracht, zit op slot. Slechts een klein aantal ingewijden kan een overzicht hebben hoe dit sleutelsysteem werkt.

En wat de financiering betreft via de belastingen, deze is thans wel aan zijn maximum toe. Bij verdere verhoging stuit men op weerstand, niet alleen uit onbehagen, maar ook omdat twijfels ontstaan aan de legitimiteit. De ‘Bijsterveld-enquête’ bracht aan het licht dat tweederde van de ondernemers fraudeert. Het zwarte circuit dat in omloop is – men schat het op 30 miljard – duidt erop dat frauderen langzamerhand een nationale eigenschap is geworden in dit land van ‘kooplieden en kruideniers’. Daarnaast wordt een legitieme weg bewandeld door afwenteling. Van ondernemerszijde kan dat leiden tot verhoging van prijzen, van de zijde van vakbeweging tot eisen van hoger loon. Is dat nog solidariteit, wanneer de werkende bevolking blijkt niet meer bereid te zijn de niet werkenden – dus juist de ouderen, zieken, werklozen, jeugdigen en studerenden – te onderhouden? Of is solidariteit via het overheidsmechanisme afgestompt tot automatisme, waarbij de directe betrokkenheid tussen burgers onderling geheel verloren is gegaan? Ook de toename van de overheidsschuld (per hoofd van de bevolking van f 3.357 in 1965 tot f 13.953 in 1982) waarmee de toename van sociale voorzieningen moet worden gefinancierd, maakt de maatschappij er niet doorzichtiger op. Al deze schulden moeten niet alleen worden afbetaald, er moet ook rente voor worden betaald.

Men leze de zojuist uitgekomen publicatie van de lezing die Prof. Brüll in november 1982 heeft gehouden voor de Erasmus Liga over de ‘Kwitantie van de verzorgingsstaat’. Hij wijst daarbij op het feit dat met tien procent inflatie de reële overheidsschuld jaarlijks eveneens met tien procent afneemt. Ook hier kan men spreken van een voor de burgers onmerkbare belastingheffing, die alle zicht ontneemt op wat, door middel van deze gedwongen schenkingen, zich in werkelijkheid voltrekt.

Een meest ‘pijnloze’ wijze van belastingheffing vindt in de Sovjet-Unie plaats. Daar worden de belastingen aan de bron van het productieproces geheven: op elke ton steenkool of ijzer, op elke KW energie die de natuur oplevert. Het prijspeil van alle consumptiegoederen wordt er door beinvloed. Wie in de winkel een broodje koopt of een nieuwe schrijfmachine, financiert daarmee zowel de ballerina’s van het Bolsjoi-theater als de productie van SS-20 raketten, zonder dat men zich daarvan bewust is.

Een gedwongen solidariteitsheffing dus, waardoor de staat niet alleen als weldoener kan optreden maar ook een machtsapparaat opbouwt, nodig om de burger onder druk te zetten. Daar is gelukkig onze Nederlandse verzorgingsstaat nog niet aan toe, hoewel Brüll er op wijst dat wij reeds een aardig eind op weg zijn. (Zie ook zijn artikelen in Jonas (12e jaargang 14,15,16, niet op deze blog). In het algemeen kan wel worden gezegd dat wanneer het overheidsapparaat meer dan zestig procent van het nationaal inkomen herverdeelt, het de tactiek kan toepassen van ‘sticks and carrots’, waarmee ezels worden gedresseerd: met behulp van stokslagen enerzijds, worteltjes anderzijds…

Maar wat is solidariteit dan eigenlijk? Hoe verhoudt deze zich tot het proces van emancipatie ten aanzien van de arbeid? Hoe ligt deze verhouding in een drieledige maatschappijstructuur?

Sociologische basiswet en sociale hoofdwet

Rudolf Steiner wijst in 1898 – in een artikel over Vrijheid en samenleving in het Magazin für Literatur reeds op een ‘soziologisches Grundgesetz’ (sociologische basiswet). Hij formuleert deze als volgt: ‘De mensheid streeft in het aanvangsstadium van de cultuurontwikkeling naar het totstandkomen van sociale gemeenschapsvormen. Ten behoeve daarvan wordt aanvankelijk het belang van het individu opgeofferd. De latere ontwikkeling voert tot bevrijding van het individu uit het gemeenschapsbelang en tot vrije ontplooiing van de behoeften en de capaciteiten van de enkeling’.

Daarnaast kan worden gewezen op een ‘Soziales Hauptgesetz’ (sociale hoofdwet) die Rudolf Steiner in 1905 formuleert in een artikel van het tijdschrift Luzifer-Gnosis. Deze luidt als volgt: ‘Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestatie, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd’.
Hij voegt daaraan toe: ‘Alle regelingen binnen een geheel van mensen die in tegenspraak zijn met deze wet, moeten op de lange duur ergens nood en ellende voortbrengen. Deze hoofdwet geldt voor het sociale leven even absoluut en onontkoombaar als een natuurwet geldt binnen een bepaald gebied van de natuur. Men moet echter niet denken dat het voldoende is deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Neen, deze wet heeft alleen uitwerking wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om in de praktijk regelingen te treffen dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel aan de gemeenschap ten goede komen. Hij zelf moet dan anderzijds door het werk van zijn medemensen worden onderhouden. Waar het nu op aankomt, is dat werken voor je medemensen en een bepaald inkomen verkrijgen, twee geheel uit elkaar gescheiden zaken zijn’.

Op deze ‘sociale hoofdwet’ komt Rudolf Steiner in zijn later werk nergens meer terug. Niettemin blijkt dat hij er steeds van uitgaat. In De kernpunten van het sociale vraagstuk wijst hij herhaalde malen op het feit dat de arbeid van de mens het karakter van koopwaar heeft gekregen en dat dit zo blijft wanneer men niet een manier vindt arbeid los te maken van de wet van vraag en aanbod in het economische proces en wanneer men de arbeid uitsluitend aanvaardt als een sociale factor. Dit zou dan moeten leiden tot een ontkoppeling van prestatie en loon.

Vrijheid – gelijkheid – broederschap

Er is al vele malen gewezen op de drie idealen van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap, en hun toepassing in het praktische leven. Dit houdt in dat de impuls van de vrijheid zijn verwerkelijking moet vinden op geestelijk gebied, dat naar gelijkheid moet gestreefd worden in het rechtsgebied, terwijl het samenwerken in economisch gebied moet berusten op broederschap, dat wil zeggen het dragen van wederzijdse verantwoordelijkheid. Het is wel duidelijk dat bijvoorbeeld door nationalisatie van het bedrijfsleven de overheid, ter wille van de collectiviteit, in hoge mate afbreuk doet aan de wederzijdse verantwoordelijkheid, die de kern zou moeten zijn van een op zichzelf staand economisch leven.

Deze wederzijdse verantwoordelijkheid leefde in zekere zin al in het oude gildeverband maar ging teloor aan het einde van de Middeleeuwen, toen de individuele ondernemer zich emancipeerde uit het gemeenschapsverband van de gilden als onderdeel van de standenmaatschappij.
In deze emancipatie liggen de kiemen van het op eigenbelang gebaseerde handelskapitalisme. In de achttiende eeuw zou hieruit, met de opkomst van de industrialisatie, de ‘law of the jungle’ groeien, onder invloed van de opvatting dat economische welvaart voortkomt uit de behartiging van het individueel eigenbelang. Wij zien hier het verloop van de sociologische basiswet, die wijst op de geleidelijke bevrijding van het individu uit de gemeenschapsbanden.

Tussen de tijd van de gilden en de industriële revolutie speelt zich een enorme evolutie af: met de ontdekkingsreizen ontstaat ook de wereldhandel, enerzijds vrije ontplooiing van de op eigen risico handelende ondernemer, anderzijds, door vrijhandel, een wereldomvattende arbeidsverdeling, die leidt tot steeds toenemende wederzijdse afhankelijkheid.

De industrialisatie heeft een nog verdere ontwikkeling van mondiale arbeidsverdeling ten gevolge gehad in verband met grondstof verwerkende en grondstof verbruikende landen. Een grote rol speelt hierbij de research. Iedere nieuwe uitvinding die ergens ter wereld plaats vindt, leidt tot waardestijging van bepaalde grondstoffen. Zo steeg de waarde van steenkool door de uitvinding van de stoommachine, die van de aardolie, door de uitvinding van de explosiemotor (bij auto en vliegtuig), die van uranium door de kernsplitsing en het ontstaan van de kernenergie. Voorbeelden die op ieder gebied van de economie kunnen worden aangevuld. Zo is ook de opbrengst van de oliemaatschappijen in het Midden-Oosten, niet alleen te danken aan eigen arbeid maar ook aan arbeid, die plaats vindt in de researchcentra in de vliegtuigfabrieken en autofabrieken in Palo Alto en Detroit in Amerika. Dan ziet men dat ‘het werk van de anderen’ van invloed is op de resultaten van het ‘eigen werk’, en dat de ‘waarde’ van eigen prestaties nauwelijks meer is vast te stellen omdat vele anderen daar reeds invloed op hebben uitgeoefend. Het causaal verband tussen eigen arbeid en inkomen wordt daardoor verbroken. In feite vindt nu reeds een loskoppeling plaats, die wordt toegedekt door het mechanisme van de wet van vraag en aanbod op de vrije goederen- en arbeidsmarkt. Zo treedt de ‘sociale hoofdwet’ al in werking vóórdat deze bewust wordt aanvaard. Eigen behoeften worden dan niet meer door eigen prestaties, maar ook door de prestaties van anderen bevredigd.
Daardoor is deze sociale hoofdwet niet alleen meer een aangelegenheid van arbeidsethiek of van ‘altruïstische’ gezindheid, waardoor iedereen in dienst van zijn medemens zou móeten werken. In feite wérkt reeds iedereen in dienst van zijn medemens onder invloed van arbeidsverdeling als een vorm van ‘objectief altruisme’. De consequentie dat niemand meer de vruchten van zijn eigen werkzaamheden voor zichzelf zou kunnen opeisen, wordt nog niet getrokken. Wel blijkt dat onze samenleving daar meer en meer naar toegroeit, naarmate het industrialisatieproces zich voortzet en daarmee de wederzijdse afhankelijkheid, bijvoorbeeld tussen geestelijke en lichamelijke arbeid.

Als zodanig is ook het vraagstuk van de ‘emancipatie ten aanzien van de arbeid’ te bezien. Niet alleen meer als een bevrijdingsproces – in overeenstemming met de sociologische basis – maar ook als een proces aangaande versterking van wederzijdse verantwoordelijkheid in overeenstemming met de sociale hoofdwet. Vrijheid en verantwoordelijkheid vullen elkaar aan, zonder dat ze met elkaar in conflict behoeven te komen. Emancipatie als bevrijdingsproces is een aangelegenheid van het rechtsleven, van strijd voor gelijke rechten, tegen discriminatie. Zo zijn de emancipatiebewegingen van de laatste twee eeuwen te bezien: emancipatie van de burger uit de feodale orde van de standenmaatschappij (eind achttiende eeuw), emancipatie van de arbeider, van de vrouw, van de niet blanke bevolking in de negentiende en twintigste eeuw. Zo zijn ook de politieke partijen – confessioneel, liberaal, socialistisch – als emancipatiebewegingen ontstaan in de verschillende fasen van de cultuurgeschiedenis van Europa.

De oude emancipatorische doelstellingen schoolstrijd, uitbreiding van het kiesrecht, klassenstrijd) zijn thans vrijwel achterhaald zodat zij de kiezers niet meer aanspreken. Wel heeft in politiek driestromenland de overheid langzamerhand, buiten haar eigenlijke functie in het rechtsleven, de verzorging van een groot deel van het culturele leven en het economische leven op zich genomen. Daarmee neemt de overheid steeds meer verantwoordelijkheid van de burger over.

Nieuwe fase van het emancipatieproces

Zo staan wij voor een nieuwe fase van het emancipatieproces door het eisen van ruimte voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid in deze – eigenlijk niet binnen de staat vallende – gebieden. Men behoeft niet te vrezen daarmee te vervallen in de oude ‘nachtwakerstaat’ waarbij de overheid het geestesleven en het economische leven geheel aan zichzelf overliet. Als waarborg daartegen zijn er thans de sociale grondrechten; op onderwijsgebied het recht op ontwikkeling; op economisch gebied de waarborg dat arbeidsprestatie wordt losgekoppeld van inkomen en daardoor niet tot koopwaar – in strijd met de waardigheid van de mens – behoeft te degraderen. Daarop wijst ook Brüll in zijn Erasmuslezing.
Dat is iets geheel anders dan wanneer de staat zélf de verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van het onderwijs of voor de groei van economische welvaart als aangelegenheid van sociale gerechtigheid.

Hoe is nu de loskoppeling van arbeidsprestatie en inkomen in een rechtsstaat te verwezenlijken? Wij zagen dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de tijd nog niet rijp acht voor de invoering van een basisinkomen voor iedereen van f 5000,- per jaar. Maar de kosten hiervoor – 36 miljard – zouden op den duur kunnen worden opgebracht uit drastische bezuinigingen op alle subsidies die de verzorgingsstaat thans uitdeelt om bedrijven en culturele instellingen in het leven te houden. Dat houdt dan een totale herziening van ons fiscale systeem in. Subsidies zouden rechtsstreeks moeten worden opgebracht via schenkingsgeld en investeringen van de burgers onderling en veel minder langs een omweg, via herverdeling van belastingopbrengst door de overheid.

Daarnaast bestaan nog andere waarborgen tegen de terugkeer van de oude liberale ‘nachtwakerstaat’, waarborgen tegen het misbruik van het eigendomsrecht als ‘droit sacré et inviolable’ en als machtselement in het kapitaalvormingsproces. De staat behoeft daarbij niet zelf eigenaar te worden van de productiemiddelen via nationalisatie, maar kan het tijdelijk beheer hiervan doen overdragen aan bepaalde groeperingen van mensen, waarvan de individuele capaciteit een waarborg vormt dat dit beheer ten goede komt aan de gehele gemeenschap.

Men kan hier tegenin brengen: daar is thans de samenleving, noch mentaal, noch organisatorisch, aan toe. Toch zijn er reeds enkele symptomen aan te wijzen waaruit blijkt dat de samenleving bezig is daar naartoe te groeien. Dit blijkt onder andere uit de plotseling overal opduikende roep om ‘privatisering’ (als een liberaal-confessionele vervanging van het uit pauselijke encyclieken stammende ‘subsidiariteits’-beginsel).

En wat de ontkoppeling betreft, deze zou als een leerschool kunnen worden gezien voor de 496000 ambtenaren en 485000 ‘trendvolgers’ die een ‘waardevast’ inkomen van de overheid ontvangen. Wanneer een deel van hen later afvloeit naar ‘buitenstatelijke’ werkkring beschikken velen over de ervaring dat inkomen niet afhankelijk behoeft te zijn van het vast aantal uren werk dat zij per dag hebben verricht. Want dat geldt zeker niet voor hen die dagelijks overwerk hebben verricht. Daar vindt, uit verantwoordelijkheidsbesef, een volledige ontkoppeling plaats van ‘werken’ en ‘verdienen’. Daar heeft men geleerd dat men niet alleen werkt om een inkomen te ontvangen, maar dat men ook een inkomen kan ontvangen om te kunnen werken, voor het belang van anderen…

Misschien echter, zal de huidige werkloosheid een hardere leerschool zijn de mogelijkheid tot werken, niet alleen als een recht maar ook als een voorrecht te kunnen zien. Men neme als voorbeeld de arbeid van duizenden vrijwilligers, die een nieuwe motivatie vinden voor hun arbeid. In die zin kan dan ook het vraagstuk van de ‘emancipatie ten aanzien van de arbeid’ worden gesteld; niet alleen meer vanuit de strijd voor gelijkheid van rechten, maar ook vanuit groeiende bereidheid tot het dragen van verantwoordelijkheid ten dienste van anderen.

Arnold Henny, Jonas 14, *04-03-1983

.

**bedragen nog in guldens, dus te delen door 2,25 voor de euro. De verhoging van de ziektekosten is elk jaar en in de laatste jaren zelfs fors gestegen.
.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

zie ook: De eigenlijke vraag is niet of het basisinkomern financierbaar is

1573

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1/3)

.

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Sociale zekerheid een illusie?

‘Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen’. Het is een begrijpelijke wens —- maar in strikte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de ‘nabuurhulp’ is er een laatste overblijfsel van.

Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijke product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnee te kijken. Heel buitenissige toestanden, die even de geldsluier optillen, daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld?

Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: ‘Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn.’ Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid – hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen – en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in ’t pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

Taart

In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een deel voor eigen gebruik, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kan laten oppotten, was en is uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze – kinderen, ouden van dagen – of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts éénmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijk koek die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaarstaat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit, dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes, aangewezen zullen zijn – zoals wij in onze kinderjaren aangewezen waren – op het werk van diegenen die dan tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof

Maar geeft ons geld, onze polis, de wet (AOW!) ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstig, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van ‘titels’, zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oost-Europese staten; de z.g. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Hoe meer wij onze voorzieningen ‘inflatieproof’ maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie.

Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie – en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen.

D.Brüll, Jonas 24-09-1970

.

Deel 1   Deel 2

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/3)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

KOOPGEDRAG KAN ECONOMISCHE ORDE FUNDAMENTEEL VERANDEREN

De beide vorige artikelen hielden zich bezig met de vraag hoe de maatschappelijke verschijnselen buiten ons samenhangen met psychische processen binnen ons. We hebben getracht aan de hand van een aantal voorbeelden na te gaan of we de kwaliteit van een verschijnsel buiten ons in ons zelf kunnen herkennen. We hielden ons bezig met de ophouw van de Bijlmermeer, met het boulevardblad BILD, met het martelfenomeen en het machtsversehijnsel. Wc konden de desbetreffende kwaliteiten in ons zelf herkennen en daaruit ontstond het vermoeden dat we wezenlijk iets bijdragen aan de problematiek buiten ons, wanneer we deze kwaliteiten in ons zelf omvormen.

We zullen in de volgende artikelen, aan de hand van de verschijnselen inflatie en afbetaling, assurantie en belegging, fiscus en oorlogsindustrie oefenend verdergaan in het leren lezen van tijdsverschijnselen in termen van menselijke (on)vermogens en gedragingen.

Inflatie en afbetaling
Het verschijnsel inflatie is uiterst actueel. Simpel gezegd komt het erop neer dat er meer geld dan goederen in omloop is. De totale waarde van het circulerende geld is groter dan van het aangeboden goederenpakket. Vanuit deze geldmassa komt dus meer vraag naar goederen dan er feitelijk aanwezig is. Wanneer de vraag het aanbod overheerst, gaan in het kader van onze markteconomie de prijzen omhoog of wat hetzelfde is, wordt het geld minder waard.
Dit heeft een hele ketting van gevolgen. Een effectief middel om de prijzen toch nog te drukken en daarmee een redelijke omzet te bereiken, is serievergroting en besparing op dure arbeidskrachten (met het oplopen van de prijzen zijn immers de lonen ook omhoog gegaan). Beide maatregelen leiden in de richting van mechanisatie. Deze noodzaakt tot diepte-investeringen, welke weer aanleiding geven tot omzetvergrotingen teneinde tot een redelijke afschrijving te komen. Bovendien dreigt mechanisatie het aantal arbeidsplaatsen te beperken zodat er miljardeninjecties nodig zijn om weer arbeidsplaatsen te scheppen. Al die groeiende industrieën, die hun omzet vergroten en via méér produktie hogere investeringen afschrijven, zijn tenslotte aangewezen op kopende consumenten. Hun koopdrift moet via indoctrinerende en verleidende reclame tot alle denkbare hoogtes worden opgezweept. In de zestigcr jaren voorspelde reeds de Oostenrijkse socioloog Bednarik dat wij Genesis I moeten herschrijven: niet ‘gij zult produceren in het zweet uws aanschijns’, maar ‘gij zult consumeren in het zweet uws aanschijns.’

Consumentenbegeerte
Het huidige economische bestel kan daarmee voor ons oprijzen in het beeld van een langzaam doldraaiende machine, lopend op de brandstof van de consumentenbegeerte en de kopersdrift.
Natuurlijk vinden we dat een naar beeld. We wijzen het af en plaatsen ons zelf er maar al te graag buiten. Laten we het zoeklicht echter toch eens naar binnen richten, naar ons eigen koopgedrag, onze eigen consumentenattitude.

Uit een recente publicatic blijkt dat een kwart van alle Nederlandse gezinnen consumentenkrediet heeft (variërend van enige honderden tot vele tienduizenden guldens). Dit keurige woord consumentenkrediet staat voor ‘kopen op afbetaling’.
Wat doet u eigenlijk als u op afbetaling koopt? Als u een ondernemer bent is er eventueel geen probleem. U neemt krediet op voor de aankoop van een machine. Terwijl de machine gebruikt wordt –  in waarde afneemt worden er waarden geschapen (de producten die van deze machine komen). In de verkoopssprijs van deze producten zit een stukje ‘afbetaling’… Idealiter is het zo dat wanneer de machine op is, er zo veel producten op geproduceerd zijn dat uit de totale ‘afbetalingsopslag’ die in de prijs van al die producten zit het krediet (plus rente) terugbetaald is. Als u als ondernemer via overleg met de consumenten redelijk verzekerd bent van de afzet van deze producten gedurende de afbetalingsperiode van het krediet, zult u zichzelf als ondernemer niet onder druk zetten door het aangaan van dit krediet, van deze afbetalingsverplichting. Als deze afzet echter niet verzekerd is (anonieme markt) gaat ervan het productiemiddel een enorme druk uit. Er moet geproduceerd worden en er moet dus geconsumeerd worden, want elke maand vervalt er bij de bank een kredietterugbetalingstermijn…

Een extreem voorbeeld van de druk die eruit gaat van een door de consumenten niet gevraagde investering is het supersonische vliegtuig de Concorde!

Kringloop
Terug naar de consument die een gebruiksgoed op afbetaling koopt en daarvoor een consumentenkrediet opneemt. Wat doet hij eigenlijk?

Economiseh gezien draagt hij bij aan de inflatie. Ilij koopt immers iets voor geld dat hij niet heeft, maar dat hij in de toekomst hoopt te verdienen. Dat geld waarmee hij iets koopt moet dus in feite gemaakt worden. Tegenover deze geldschepping staan geen (toekomstige) goederen (zoals bij de producerende fabrikant). In feite draagt de op afbetaling kopende consument dus bij aan de geldontwaarding. En wanneer men hem hoort zeggen “je kunt aan de inflatie verdienen, steek je in de schulden, die worden alleen maar minder’ dan is de kringloop fraai gesloten. Economiseh gezien draagt dus iedereen die op afbetaling koopt bij aan de inflatie!

Wat betekent dit koopgedrag echter psychologisch? Kort geformuleerd betekent het afbetalingssysteem een door de kredietverleners institutionaliseren van de begeerte-economie, van het bevredigen van opwellende koopdriften. De banken adverteren daar ook eerlijk mee. ‘U hebt ineens behoefte aan een dure vakantiereis, u kunt plotseling een prachtige antieke klok kopen, uw vrouw heeft onverwacht een tweede wagen nodig etcetera’. Geen probleem. U gaat naar de bank en de volgende dag gaat u met vakantie, hébt u de klok, rijdt uw vrouw in het tweede wagentje.

En dan? Dan komen de afbetalingstermijnen. Maandenlang, jarenlang. U hebt uzelf in een uiterst onvrije situatie gemanipuleerd. Hoe zal in die tijd uw relatie worden tot de ‘begeerde’ artikelen. Gaat u de klok haten, gaat u het tweede wagentje verwensen, worden de herinneringen aan de dure vakantie vertroebeld… In ieder geval zit u krap. Uw inkomen zou nodig wat omhoog moeten. Zou uw vakbond bij de volgende onderhandeling daar niets aan kunnen doen? En daarmee is dan de complementaire bijdrage aan de inflatie gegeven!

Een ander psychologisch effect is dat de consument in zijn koopgedrag steeds meer producentenargumenten binnensmokkelt en zich daarmee geleidelijk als consument buiten spel zet. Hij beschouwt dan alle kredieten als investeringen waarop hij, via waardescheppingen, kan afschrijven. Het duurdere vakantiereisje kan hij terugverdienen door er artikelen over te schrijven à raison van zoveel gulden per bladzijde; het tweede wagentje maakt het mogelijk dat zijn vrouw werkt en geld binnen brengt. En de antieke klok? Natuurlijk zijn er grensgevallen waar consumptie-artikelen productiemiddelkarakter krijgen. Maar men kan zichzelf daar snel mee om de tuin leiden en komt dan toch onder druk te staan (de artikelen over de vakantie moeten geschreven worden en o wee als ze niet geplaatst worden; en wat te doen als mijn vrouw dat baantje niet vindt of kwijt raakt en ze toch al aan het tweede wagentje gewend is…)

Sparen
We willen, om de hier beschreven psychologische effecten nog duidelijker te schetsen, naast de afbetaler zijn tegenbeeld plaatsen: de langzamerhand als ouderwets bestempelde – spaarders… Ze leggen elke maand wat opzij omdat ze over twee jaar wel eens een duurdere vakantie willen houden, of om een potje te vormen waaruit ze af en toe wat antiek willen kopen of omdat ze aan zien komen dat een tweede wagentje toch wel praktisch is.

Economisch betekent dit dat men spaarkapitaal produceert wat door anderen als ondernemerskrediet gebruikt kan worden. En een modern spaarder zal niet alleen maar geïnteresseerd zijn in hoge rente, maar zal zich primair verantwoordelijk willen voelen voor hetgeen er met zijn geld gebeurt of anders gezegd: wat hij met zijn geld mogelijk maakt. Hij zal eventueel zelfs zijn rente-eisen matigen als hij ontdekt dat daardoor zijn geld niet naar Lockheed of ICI wordt gezogen, maar beschikbaar komt voor een fabriekje voor pedagogisch speelgoed, een onderneming die kleurstoffen produceert op plantaardige basis, of een biologisch-dynamische kaasmakerij op Terschelling…

Associaties
Bovendien zal hij in een aantal gevallen de producent op de hoogte kunnen brengen van zijn voorgenomen koop, van de behoefte die hij in de toekomst denkt te bevredigen. Hij draagt daarmee bij aan een wezenlijke nieuwe economische orde: associaties tussen producent en consument in plaats van het produceren voor een anonieme markt (Westen) of het door de staat geplande productiesysteem (Oosten).

Ten slotte is er nog een laatste belangrijke psychologische dimensie: gedurende de periode dat men spaart kan de begeerte tot wil worden. Men heeft alle tijd om rustig te overwegen of men werkelijk een tweede wagentje wil. Men kan zich bij vrienden oriënteren naar de consequenties. Wil men die ook? Men kan toegroeien naar die dure Afrikareis. Men kan zich erop verheugen, de reis voorbereiden. Misschien ontdekt men tijdens het sparen ook dat het alleen maar een begeerte was en dat men ’t eigenlijk niet werkelijk wil. .
En als het geld tenslotte wordt uitgegeven dan is het voorwerp ook werkelijk van mij. Ik heb voldoende getoetst of ik ’t echt wil. Ik kan er nu nog vrij over beschikken. Geen dwangtermijnen na afloop, hoogstens vrijwillig voortzetten van de spaargewoonte. Geen gedwongen artikelenschrijverij om het vakantiegeld terug te verdienen, hoogstens een vrije productie die niet onder druk gemaakt aan tijdschriften aangeboden wordt.

Samenvatting
Ik kom tot een samenvatting: we beschrijven dit alles in het kader van een artikelenserie: ‘sociale en individuele bewustwording’. We proberen in deze serie duidelijk te maken hoe maatschappelijke verschijnselen samenhangen met individueel gedrag. We zien buiten ons een economisch leven dat meer en meer het karakter krijgt van een door inflatie doldraaiende machine, lopend op de brandstof van de koopbegeerte. We hebben laten zien dat kopen op afbetaling (een kwart* van alle Nederlandse gezinnen heeft consumentenkrediet) in wezen inflatiebevorderend is en het kopen uit opwellende begeerte mogelijk maakt. Ik geloof dat consumenten geen flauw vermoeden hebben hoe zij door een fundamentele wijziging in hun individuele koopgedrag kunnen bijdragen aan een even fundamentele verandering in de economische orde!
.

A.H.Bos, Jonas 16,* 09-04-1976
.

deel 1    deel 2    deel 4   deel 5   deel 6   deel 7

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1414

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (3)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

SCHIJN EN WERKELIJKHEID

In de Consumentengids, het orgaan van de Consumentenbond, kon men een serie artikelen vinden: ‘Reclame doorzien’. Hierin wordt aangetoond dat reclame werkt met het verwekken van illusies. Bijvoorbeeld wordt naar voren gebracht dat een bepaald wasmiddel ‘uw was uit de sleur haalt’, terwijl de bijbehorende afbeelding suggereert, dat dit ook met uw leven zal geschieden. Uiteraard heeft reclame ook een reële functie, zoals het bekendmaken van gegevens betreffende producten en diensten.

In een nog belangrijker gebied van de economie, dat van het geld, heerst eveneens een mengeling van realiteiten en illusies. In dit gebied horen begrippen zoals inkomen, belasting, beleggen en rente thuis, waar wij dagelijks mee te maken hebben. Deze begrippen worden in controleerbare getallen uitgedrukt, waardoor een exactheid en hanteerbaarheid gesuggereerd wordt die geenszins met de economische realiteiten behoeft te stroken.

Een kritische serie: ‘Geld doorzien’ zou daarom eveneens aan een behoefte tegemoet komen. In het onderhavige stuk willen wij trachten enige gezichtspunten voor een dergelijke serie te schetsen. Wij laten in het midden of de bedoelde illusies te wijten zijn aan passieve invloeden als gemakzucht en gebrekkig inzicht, dan wel aan manipulaties van belanghebbende groeperingen.

Geldillusies
Wij geven eerst enkele schematische voorbeelden uit het rijk der geldillusies. Een loonsverhoging van een zeker percentage heeft een reële zin als de prijzen van de goederen die men wil kopen, constant blijven; deze verhoging is daarentegen een volledige illusie, als de prijzen met hetzelfde percentage stijgen. Het eerste, reële geval vraagt echter bepaalde maatregelen. Men moet voor een zekere productieverhoging zorgen om de prijzen constant te houden; bij constante productie echter moet men een overeenkomstige inkomensvermindering voor andere belangstellenden in dezelfde goederen bewerkstelligen. Zijn dergelijke maatregelen bijvoorbeeld om reden van milieubescherming resp. van fatsoen niet gewenst, dan is een loonsverhoging niet op zijn plaats.

Het geval van volledige illusie treedt min of meer versluierd op, omdat loon-, inkomens- en prijsveranderingen zich niet bij alle groepen tegelijk voordoen. Nu eens bereikt de ene groep een loonsverhoging dan weer de andere, terwijl de prijzen weleens te langzaam volgen en dan te ver doorschieten. Daardoor lopen voortdurend reële en illusionaire veranderingen dan eens hier dan eens daar door elkaar. Stel dat na verloop van bijv. 8 jaar uiteindelijk alle lonen, inkomens en prijzen ongeveer met dezelfde factor 2 opgelopen zouden zijn, dan zou in dit gedeelte van de economische sector realiter weer alles bij het oude zijn, terwijl in de tussentijd een drukte van belang zou hebben geheerst van loonstrijd, inhaalmanoeuvres van vergeten groepen, overheidsingrijpen op het prijzenfront e.d.

Men kan stellen dat de reële economische problemen van de vereiste productie en diensten, van de economische of menselijk gewenste inkomensverdeling en van de juiste prijsvorming al ingewikkeld genoeg zijn om deze niet nog bovendien door de geldillusies van een grillige inflatie te complicercn.

Bij het georganiseerde loonoverleg is het al sinds jaren gebruikelijk om ook in het openbaar het onderscheid tussen nominale en reële loonstijging te maken. Op een ander geldgebied, dat van het sparen, is het daarentegen nog geen usance om in het openbaar op het aanmerkelijke verschil tussen schijn en werkelijkheid te wijzen.

De leer en de praktijk
Volgens de leer is sparen, te onderscheiden van beleggen, investeren en speculeren, uitstellen van consumptie, waarbij men geen risico loopt, als men tenminste zijn geld op het spaarconto van een solide spaarbank zet. Eveneens volgens de leer kan de bank een kleine jaarlijkse rente van 3 à 4 procent vergoeden, omdat ze in de tussentijd met het haar toevertrouwde geld kan werken. De spaarder kan dan later de uitgestelde aanschaffingen doen. De rente wordt, in dit geval terecht, door de fiscus als inkomen beschouwd.

In een solide economie dient het geld de economische realiteit zo adequaat mogelijk te weerspiegelen. Dit vereist een grote mate van geestelijke bewegelijkheid bij de beheerders van de geldstroom, gezien de economische sector van de samenleving gekenmerkt is door voortdurende veranderingen van bijvoorbeeld behoeften, beschikbare oogsten en grondstoffen en van fabrikagemethoden. In de laatste jaren wordt op de reëel veroorzaakte prijsbewegingen een flinke voortdurende vermindering van de koopkracht van het geld gesuperponeerd. Deze inflatie beloopt tegenwoordig* in Nederland ca 10 procent per jaar.

Nu wordt, zoals gezegd, bij de spaarder de illusie gewekt alsof hij een jaarlijks inkomen van ca 4 procent van de hoofdsom zou genieten. In werkelijkheid geniet hij echter geen reëel inkomen, maar verdwijnt door de inflatie jaarlijks telkens ca 6 procent van de koopkracht van de resterende hoofdsom. Als men beperkende bepalingen voor zijn spaardeposito wil accepteren, zoals vastleggen voor een termijn van bijv. 5 jaar, wordt door de spaarbanken een nominale rentevoet van omstreeks 8 procent aangeboden (febr. 1976), waardoor het reële verliespercentage op ca 2 procent zakt.

De fiscus blijft echter het nominale bedrag van de rente als positief inkomen beschouwen zonder met de realiteit rekening te houden. Zodoende wordt van het illusionaire inkomen nog een reële inkomstenbelasting van tussen de 0 en 72 procent geheven, afhankelijk van het schijventarief waarin de spaarder valt.

Dit behoeft men niet zonder meer aan kwade wil te wijten, maar veeleer aan de principiële logheid van de wetgeving, die uiteraard de bewegelijkheid van de economie niet kan bijhouden.

Op grond van het naar voren gebrachte zou men kunnen bepleiten, dat de spaarbanken of de Consumentenbond naast de nominale rente ook lopend de reële rente aangeven, die dus op het ogenblik negatief is; ook zou men kunnen stellen, dat de fiscus de voor de staat benodigde belasting niet via een belasting van illusionaire inkomsten behoort te innen. Ten derde zou men kunnen onderzoeken of inflatie enigszins inherent is aan onze sterk geïndustrialiseerde samenleving. Voordat wij op dit derde punt nader ingaan, willen wij als intermezzo nog een sterk vereenvoudigd voorbeeld geven, hoe inflatie tot een onrechtvaardige verdeling van een gemeenschappelijk opgebouwd bezit kan leiden.

Verdelingsperikelen.
Wij onderstellen een pensioenfonds, dat uiteindelijk alles wat het heeft naar rato van de premiebetaling uitkeert. Eenvoudigheidshalve laten wij alle complicaties, zoals onkosten, beheerskosten, rente-inkomsten, spreiding van het risico door verschillende vormen van belegging, weg.

Spaarder A is het eerste lid van het fonds en betaalt op een zeker tijdstip een premie van 10.000 harde guldens. Het fonds koopt hiervoor een dubbele woning. A wordt voor f 10.000 in de boeken van het fonds gecrediteerd. Kort daarna devalueert de gulden op een tiende. De prijzen van huizen en de lonen worden het tienvoudige. Bij voornoemd huis behoort een schuur, die 1.000 harde guldens waard was en dus nu f 10.000 kost. Na de devaluatie, zeg een jaar later dan A, treedt spaarder B toe tot het pensioenfonds.
Hij betaalt een premie van 10.000 gedevalueerde guldens, waarvoor het fonds de schuur koopt; B wordt in de boeken van het fonds evenals A voor f 10.000 gecrediteerd. Stel dat A na twintig jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en B na eenentwintig jaar. Beiden hebben volgens de boeken dezelfde rechten met een tijdverschil van een jaar; de bezittingen van het fonds zijn: een dubbele woning met een schuur.
A mag dan de ene woning en een halve schuur als eigendom beschouwen, B. een jaar later de andere woning annex een halve schuur. Door de gebruikelijke manier van het boeken in guldens krijgt A slechts het halve huis annex halve schuur, terwijl hij feitelijk het gehele huis betaald heeft.

Deze door inflatie bewerkte onrechtvaardige verdeling van het gemeenschappelijk gespaarde bezit kan door een realistische
crediteringsmethode ondervangen worden. Hiertoe dient de creditering van de deelnemers geboekt te worden als gedeelte van de op dat moment geschatte waarde van het geheel. In ons schematisch voorbeeld loopt dit als volgt. Tot aan het toetreden van B wordt A gecrediteerd voor 100 procent van het bezit, zijnde eerst 10.000 harde guldens. Na de devaluatie is A nog altijd gecrediteerd voor 100 procent zijnde nu f 100.000. Na het toetreden van B wordt de creditering van A veranderd in 90,91 procent terwijl B met 9.09 ingeschreven wordt. Door inkomsten en onkosten worden deze percentages niet veranderd, echter wel door het toetreden of het uitbetalen van andere deelnemers.

Aan de hand van deze voorbeelden zal duidelijk zijn, dat wegens de inflatie de leer voor de spaarder niet met de werkelijkheid overeenkomt.

Economische theorie
Volgens een gebruikelijke opvatting schiet hier echter niet de economische theorie tekort. De verschillende maatregelen die men alle tegelijk zou moeten toepassen om de inflatie uit te bannen zijn bij de economen wel degelijk bekend. Ze worden evenwel niet of niet in voldoende mate toegepast, omdat wegens de kortzichtigheid van de diverse belangengroepen de ene maatregel voor de ene groep, de andere maatregel voor de andere groep niet welgevallig zijn.

In aansluiting op deze opvatting zou dus de voorgestelde serie ‘Geld doorzien’, voorlichting kunnen geven, welke belangengroepen tegen welke nuttige maatregelen gekant zijn, en waarom.

Het lijkt ons echter wenselijk deze voorlichting aan te vullen met enkele beschouwingen betreffende de functies van het geld, die in het boek : ‘Das kranke Geld’ door Hans Georg Schweppenhauser, te vinden zijn. Deze beschouwingen stoelen op inzichten uit de ‘National Ökonomischer Kurs’ door Rudolf Steiner. [GA 340] [gedeeltelijke vertaling]

Het zieke geld
Binnen het historisch overzicht van de hoofdstukken I tot V vinden wij in III,2 de volgende voor ons onderwerp belangrijke aanhaling: ‘Wat was eigenlijk dit ‘geld’? Dat was ten eerste de munt, een gemunt zilverstuk dat de boer verkreeg, wanneer hij eieren of zijn paard op de markt verkocht. … Maar ‘geld’ kon ook iets anders zijn. Wanneer de handelaar voor de boerin de koopprijs in waren te goed hield, was er geen sprake van munten, maar van ‘geld’. Dit geld had de onbegrijpelijke eigenschap te vermeerderen.’
Verderop wordt erop gewezen dat het abstracte denken in geld de overgang van naturaal — via geld — tot moderne kredieteconomie mogelijk heeft gemaakt. Deze kredieteconomie geeft echter aan het geld de tendentie om voortdurend meer te worden, hetgeen anticultureel en sociaal destructief werkt. Een eenvoudig voorbeeld voor de vervorming van een juiste economische opvatting door het denken in geld is het volgende. Voor de producent is het ontvangen geld meer waard dan het product dat hij levert; hij kan dan verder produceren. Voor de consument is de betreffende koopwaar meer waard dan het geld dat hij ervoor geeft; hij heeft kunnen krijgen, wat hij zocht. De algemene opvatting suggereert echter dat alleen de verkoper een voordeel bij deze transactie zou hebben. Daardoor wordt de realistische opvatting: een juiste koophandeling berust op wederzijds voordeel, vervormd tot de eenzijdige voorstelling, alsof geldelijke winst en het streven naar de onbeperkte opeenhoping van geld de enige motor van de vrije economie zou zijn.

Schweppenhauser tracht nu de denkluiheid van het eenzijdige redeneren in geld te doorbreken. Hij onderzoekt hiertoe de functies van het geld in en aan de westerse voorkeur beantwoordende samenleving. Hij komt in VI,2 in navolging van Steiner, op drie functies: kopen, lenen, schenken. Hierbij wordt de betekenis van het schenken als belangrijke sociale en economische factor in de economische wetenschap tot nu toe niet helder beseft.

Het geld in de functie als koopgeld dient als bemiddelaar bij het kopen en verkopen dus als ruilmiddel. Het koopgeld kan de materiële vorm van munten hebben, maar ook de moderne vorm van bankbiljet, cheque, giro-overschrijving e.d. De koopgeldstroom dient een adquate afbeelding te zijn van de enorme goederenstroom die zich dagelijks in tegengestelde richting door het sociale organisme beweegt. Hierbij moet men op de hoeveelheid en daarnaast ook op de omloopsnelheid van het geld letten.

Koopgeld tijdelijk bewaren om het pas later, eventueel voor een grotere aanschaffing, uit te geven is de eenvoudigste vorm van sparen, waarbij het geld in eerste instantie niet van karakter verandert; een uit de mode geraakt voorbeeld is de kous met gouden tientjes.

Werken en denken
Zodra echter het geld aan een bank gegeven wordt om rente ervan te trekken, verandert zijn karakter en het wordt leengeld. De functie van het leengeld, waardoor onder gunstige omstandigheden rente kan ontstaan, berust daarop dat organisatorisch en technisch begaafde mensen de productiviteit van de werkende mensen kunnen verhogen door het uitvinden en toepassen van productiemiddelen, het gebruiken van energie, het nadenken over werkmethoden en werkverdeling, en het organiseren van de handel. Andersom gezegd, wordt hierdoor een grote hoeveelheid arbeid bespaard, die anders voor dezelfde economische prestaties zonder organisatie en techniek, nodig zou zijn. Deze arbeidsbesparing wordt dus bereikt, doordat menselijke intelligentie met behulp van het tot kapitaal geworden leengeld de gelegenheid krijgt in het arbeidsproces in te grijpen. Het zal duidelijk zijn dat hierbij de kwaliteit van de menselijke intelligentie de beslissende factor is.

In deze samenhang willen wij er op wijzen, dat Karl Marx in zijn bekende meerwaardetheorie de klemtoon op de functie van de arbeid gelegd heeft, terwijl hij van het kapitaal slechts het winstmotief noemt; Rudolf Steiner vult deze eenzijdigheid aan door op de functie van de menselijke intelligentie in het economisch proces te wijzen, die in het kapitaal tot uitdrukking komt.

Met het noemen van de menselijke intelligentie naast de werkkracht als economische factor zijn wij aangekomen bij de geestelijk-culturele sector in wijdere zin van onze samenleving, met als belangrijk onderdeel opvoeding, ontwikkeling, het scholen van bekwaamheden en het stimuleren van intitiatieven,-. Het levensonderhoud van de op dit gebied werkzame personen wordt tegenwoordig vooral door de overheid, maar ook door vrijwillige bijdragen van belangstellenden, bijvoorbeeld via stichtingen gefinancierd. Financieren betekent in dit geval in wezen schenken. De overheid splitst het betreffende schenkingsgeld af van het geheel van de belastingen. Dit deel van de belastingen kan men dus als gedwongen schenkingen ten behoeve van de geestelijk-culturele sector beschouwen.

Men kan zeggen dat de economische sector aan de mensen van de geestelijk-culturele sector de verbruiksgoederen levert om te kunnen leven, terwijl deze laatste o.a. die personen schoolt en ontwikkelt, die later in het bedrijfsleven als vaklieden en technici, of als organisatoren werkzaam zijn.

De onderscheiding van de genoemde drie functies van het geld nu kan ons helpen de plaats aan te wijzen, waar het geld al gauw een ongewenst eigen leven gaat leiden. Deze plaats ligt voornamelijk in de sfeer van het leengeld (zie VI, 4 en 5) en wel speciaal bij het industriekapitaal, dat met geproduceerde productiemiddelen werkt. Deze productiemiddelen kunnen haast onbeperkt uitgebreid worden; dit in tegenstelling tot landbouwgronden die men ook wel als productiemiddel kan beschouwen.

Het industriekapitaal
Het industriekapitaal wordt op drieërlei wijze gevormd: ten eerste op bescheiden schaal door sparen, d.w.z. door uitstel van consumptie; verder in de ontwikkelde industriemaatschappij door besparing van arbeid met behulp van productiemiddelen en fabrieken; hierdoor ontstaat eerst grote welvaart, maar daarna ook de tendentie om naast steeds meer consumptiegoederen voordurend meer productiemiddelen en fabrieken voort te brengen met behulp van zelffinanciering; en ten slotte in de abstracte geldsfeer door kredietvorming. Deze wordt door banken bewerkstelligd, waarbij het verleende krediet het meervoudige van de dekking door spaartegoeden kan zijn. Deze kredietvorming komt neer op een gedeeltelijke geldschepping uit het niets, die achteraf door economische prestaties van de debiteur gerechtvaardigd dient te worden.

Hierbij zij nog het volgende aangetekend. Het spaargeld, dat na verloop van tijd met een bescheiden rente terugbetaald wordt om als koopgeld verbruikt te worden, levert weinig moeilijkheden op. Men kan evenwel eisen dat koopgeld niet eindeloos opgepot, maar ooit besteed dient te worden. Immers, de maatschappij kan niet tot in het eindeloze min of meer vergankelijke consumptiegoederen paraat houden. De ‘bescheiden’ rente behoeft niet inflatoir te werken als de schuldeiser zoveel meer, en de schuldenaar zoveel minder consumeert, als met het bedrag van de rente overeenkomt.
Het kapitaal dat door geldschepping uit het niets ontstaat, heeft de uitgesproken tendentie inflatoir te werken, als de betreffende banken als winstfabricerende kredietfabrieken beschouwd worden. Dit kan vermeden worden, als zij slechts de economisch zinvolle taak op zich nemen de productie in overleg binnen de economische mogelijkheden en wenselijkheden te stimuleren dan wel af te remmen. Dit laatste kan wenselijk zijn met het oog op bijvoorbeeld oververhitting van de bedrijvigheid of overbelasting van het milieu.

Het buitengewoon grote kapitaal dat door het werken van vele industrie-arbeiders met zeer efficiënte machines door cumulatieve zelffinanciering opgestapeld wordt, werkt in hoge mate inflatoir. Het trekt namelijk veel werkkrachten en grondstoffen naar zich toe, zodat de prijzen in die eveneens noodzakelijke sectoren van de economie die zich niet voor industrialisatie lenen, onbetaalbaar worden. Het bestrijden van werkloosheid door steeds meer kapitaal in de industrie te investeren, zal daarom voor hooggeïndustrialiseerde landen waarschijnlijk af te raden zijn.

Schenkingsgeld
Schweppenhauser werkt nu voorbeelden uit, hoe men de overmaat aan kapitaalvorming op organische wijze door schenking kan laten afvloeien naar die sfeer, waar hij zinvol ge- en verbruikt wordt, met name de instituties van de geestelijk-culturele sector. Om een beeld van Steiner te gebruiken; het leengeld wordt oud in de productiesfeer, evenals de productiemiddelen; als schenkingsgeld geeft het in de geestelijk-culturele sector nieuwe impulsen aan de samenleving. Tot slot spreken wij de hoop uit, dat wij de lezer geanimeerd hebben om illusionaire van redelijke verwachtingen op het gebied van het geld te onderscheiden; en om verder in het bijzonder in de sfeer van het schenkingsgeld niet het gehele initiatief aan de overheid over te laten.
.

P.Cornelius, Jonas 4, 22-10-1976

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1376

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.