VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-2)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest, waarin een aantal duidelijke parallellen met de visie van Brüll.

De eigenlijke vraag luidt niet of het basisinkomen financierbaar is

Een moedig rapport. Dat vindt professor Zwart van het in juni* verschenen rapport van de wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Tenminste, in aanmerking genomen dat het voorstel van de Raad voor alle burgers een gedeeltelijk basisinkomen in te voeren, bepaald niet alledaags is.

Het moment voor het voorstel van de WRR lijkt op het eerste gezicht goed gekozen. Om te beginnen speelt sinds enige tijd in politiek Den Haag de vraag, hoe het stelsel van sociale zekerheid moet worden herzien. Dat er iets moet gebeuren is duidelijk. De verhouding van de zogeheten collectieve sector (rijksschatkist en sociale fondsen samen) ten opzichte van de marktsector (handel, nijverheid, industrie) is immers fors uit de hand gelopen. Een kind met een waterhoofd zou men een beetje oneerbiedig kunnen zeggen. En aangezien met name door de toename van het ziekteverzuim, de arbeidsongeschiktheid en de langdurige werkloosheid, de uitgaven voor sociale zekerheid een bijzonder groot beslag leggen op het geheel van de collectieve sector, wordt steeds krachtiger de vraag gesteld naar de financierbaarheid. Bovendien sluiten de premieheffings- en uitkeringsprocedures in het geheel niet meer aan bij de toegenomen tendens naar individualisering. Verder was juni jongstleden minder dan een jaar te gaan naar de verkiezingen. Het moment, waarop in de regel de nieuwe partijprogramma’s in discussie beginnen te komen.

Goed gekozen dus, zo leek het. Maar de reacties op het rapport toonden aan, dat de situatie in Nederland nog niet rijp is voor drastische hervormingen. Nog maar nauwelijks was het standpunt van de WRR wereldkundig geworden of het hele bonte gezelschap van smaak- en opiniemakers, dat zich in ons land over zo’n zaak pleegt uit te laten, viel er languit overheen. Dat gebeurde zo snel, zo eensgezind en zo afwijzend, dat het veel weg had van moord met voorbedachte rade.

Het leek erop, dat alle betrokkenen slechts een kapstok nodig hadden om er hun bij voorbaat reeds vaststaande afwijzing aan te kunnen ophangen. En die werd gelukkig gevonden in het ontbreken van een gedetailleerd financieel plaatje. Voor de voorstanders moet het een schrale troost geweest zijn, dat het allemaal nogal doorzichtig was. Immers, een eenvoudige rekensom had kunnen leren, dat ook in het huidige arbeidsbestel elke Nederlander direct of indirect, via de marktsector of langs andere weg, in geld of in natura de een of andere vorm van inkomen geniet. Het gaat – wat de praktische uitwerking betreft – bij het basisinkomen hoogstens om een overheveling en individualisering van inkomensbestanddelen, al dan niet in combinatie met wijzigingen in het stelsel van premie- en belastingheffing.

Het is natuurlijk wel jammer, dat de discussie zo snel deze wending heeft genomen, want daardoor is misschien ten onrechte bij velen de indruk gewekt, dat de introductie van het basisinkomen noodzakelijkerwijze catastrofale financiële gevolgen met zich meebrengt.

De eigenlijke vraag luidt echter niet of het basisinkomen financierbaar is. Het gaat erom hoe hard een gemeenschap van mensen moet werken om een redelijke bestaanszekerheid (niveau van levensonderhoud) voor iedere burger te kunnen bieden en voorts welke motieven er zouden kunnen bestaan om dat ook inderdaad te doen.

Nog spijtiger is het, dat juist het tweede deel van deze vraagstelling tot nu toe niet in gesprek is gekomen. Daardoor blijft mijns inziens helaas onopgemerkt dat de introductie en geleidelijke verwerkelijking van een basisinkomen een perfecte oefening in eigentijdse gemeenschapszin zou zijn. Zo’n oefening zou een prachtige kans bieden om de vastgelopen maatschappelijke wagen weer in het goede spoor te krijgen van een vernieuwingsproces dat niet ingegeven wordt door puur partijpolitieke belangen maar door het verlangen bezig te zijn met de dingen, die moeten gebeuren omdat de geest van de tijd dit van ons verlangt, ongeacht onze wereldbeschouwelijke of politieke komaf.

Schaduwmaatschappij

Zoiets klinkt natuurlijk gauw theatraal, toch is er alle reden om het zo te stellen. Het huidige arbeidsbestel lijdt namelijk bepaald niet aan een oppervlakkige, voorbijgaande verkoudheid. De kwaal zit veel dieper en is ook veel hardnekkiger. Zij, die sinds kort betogen dat er in onze samenleving een tweedeling dreigt tussen de mensen die werk hebben en die buitenspel staan, tussen actieven en gedwongen inactieven, geven er blijk van dit te beseffen. Maar ik heb de neiging er nog een schepje bovenop te doen. De tweedeling waarop geduid wordt is in feite veel dramatischer.
Sinds enige tijd is er een ontwikkeling gaande die tot gevolg heeft dat er naast of achter de zogeheten reguliere maatschappij een complete schaduwmaatschppij aan het ontstaan is. Niet alleen met een zwartgeldcircuit, maar ook met tal van niet-officiële leefvormen, met gedragingen waarop de officiële rechtsorde nauwelijks nog enig vat heeft en met opvattingen, waarden en normen, die in het officiële woordenboek van onze cultuur niet te vinden zijn.

Door het zwartgeldcircuit keurig om te dopen tot ‘informele economie’ wordt de kloof tussen deze twee maatschappijen niet verkleind. Integendeel, in werkelijkheid is de informele economie slechts het topje van een ijsberg, die onder water snel uitdijt met allerlei vreemde aangroeisels. De snelle aanwas van deze groeisels zegt iets over onze samenleving. Om te beginnen, dat er blijkbaar een toenemend aantal mensen is, dat geen reële verbinding meer kan of wil vinden met de bestaande thans nog gangbare institutionele bedding van het maatschappelijk proces. En daarachter gaat een niet direct zichtbare maar wel werkzame tendens schuil, namelijk, dat het steeds moeilijker wordt om tussen groeperingen, die ondanks alle traditionele tegenstellingen tot voor kort toch nog betrekkelijk dicht bij elkaar stonden, bruggen te slaan als het gaat om het antwoord op de vraag hoe het leven zinvol geleefd kan worden. Dit is naar mijn mening de eigenlijke dramatiek van het einde van de twintigste eeuw. En die mag ons niet onberoerd laten. Een samenleving, die zo’n splitsingsproces toelaat, ondergraaft haar eigen toekomst. Geen gemeenschap kan immers op den duur bloeien op basis van een voortwoekerende scheiding der geesten. ‘Niet op zijn beloop’ laten betekent wel, dat we onze ideologisch en dogmatisch gekleurde brillen afzetten en al onze energie aanwenden om onbevangen opmerkzaam te worden voor de veranderingen die in de kleurstelling van het maatschappelijke decor optreden.
Dit decor leek kort na de Tweede Wereldoorlog ontworpen te zijn voor een blijspel of een familieserie in overzichtelijke afleveringen, en met het uitzicht op een goede afloop. Wederopbouw, economische groei, tripartiet overleg, de Europese Gemeenschap, de uitbouw van het stelsel van sociale zekerheid waren de titels van de afleveringen. Toen eenmaal in de loop van de zestiger jaren aan het vertrouwde maatschappelijke decor ook de nieuwe kleur van de eerste naoorlogse generatie van volwassenen was toegevoegd, leek de samenleving behalve sterke economische benen ook nog een echt menselijk, gedemocratiseerd gezicht te zullen krijgen.

Nieuwe zakelijkheid

Hoe anders is het uitgepakt. Nieuw links werd nieuw rechts; de hippies van toen maakten plaats voor de yuppies (de tekst heeft jappies) van nu; het nieuwe occultisme werd de nieuwe zakelijkheid; discussiëren werd saneren en persoonlijke groei werd weer verdrongen door economische groei. De zogenaamde zwijgende meerderheid leerde weer zijn mond open te doen en sprak: niet kletsen maar poetsen. Geheel in één lijn met deze gang van zaken werd reeds in de troonrede van 1984 aangekondigd, dat er ten aanzien van een aantal vraagstukken sprake leek te zijn van een keerpunt en een jaar later rond Prinsjesdag 1985 zonder aarzeling gezegd, dat het weer ‘beter gaat’. Met alle respect voor het ombuigingswerk dat tot nu toe in de tachtiger jaren verricht werd, moet toch vastgesteld worden dat de onverholen juichtonen in de jongste troonrede misplaatst zijn. Krasser gezegd: het is eigenlijk stuitend, dat een regering het oordeelsvermogen en het levensgevoel van de Nederlandse burger zo slecht inschat, dat zij het aandurft om een dermate eenzijdig beeld te presenteren.

Stuitend, omdat 0,1 procent koopkrachtverbetering – voor een deel van de bevolking -aangeprezen wordt als een verbetering van het bestaan. Enige tijd geleden spraken we nog over de kwaliteit van het bestaan, vandaag is dat blijkbaar gereduceerd tot statistische koopkrachtverbetering.

Stuitend ook, omdat er zoveel niet gezegd wordt wat wel tot het totaalbeeld hoort. Niets wordt er gezegd over de polarisatie in de internationale betrekkingen, niets over de toenemende tendens naar nationalisme, groepsegoïsme en protectionisme; niets over de stijging van het aantal zelfdodingen onder jongeren, niets over de opkomst van een volksbreed alcoholisme, niets over de verzuimcijfers die de pan uitrijzen en de bedroevende leerresultaten op scholen; niets over de kleine en grote criminaliteit, niets over terrorisme en fraude en niets over de opkomst van een nieuw soort analfabetisme: het onvermogen van jonge mensen om gewoon met elkaar te communiseren.

Materiaalmoeheid

Op het gevaar af te worden aangezien voor een doemdenker moest mij dit toch van het hart. Waarom? Omdat ook deze zaken onverbrekelijk deel uitmaken van het door ons zelf geschapen maatschappelijke decor. Maar vooral ook, omdat we scheve afwegingen zullen maken en foute beslissingen zullen nemen, wanneer we de talrijke symptomen die wijzen op de noodzaak van een fundamentele heroriëntatie, niet serieus nemen. Niet door schijnbeelden of door vlucht uit de werkelijkheid, maar door er nuchter en eerlijk naar te kijken, zullen we wakker worden voor de kansen op een andere werkelijkheid. En wakker worden moeten we. Tenzij we natuurlijk willen vergeten dat in de zeventiger jaren de arbeidsmarkt structureel ontregeld raakte, dat op de overgang van zeventiger naar tachtiger jaren hetzelfde gebeurde met de geld- en kapitaalmarkt en dat thans hetzelfde bezig is te gebeuren met de wereldmarkt van goederen en diensten. Werkloosheid, internationale schulden, en protectionisme zijn de symptomen dat de drie traditionele peilers van het economisch bestel, te weten de kapitaalmarkt, de arbeidsmarkt en de markt voor eindproducten zeer ernstige tekenen van materiaalmoeheid vertonen. En in zo’n geval is het goed na te gaan of het ontwerp wel goed was.

Wakker worden is de boodschap, tenzij we verder willen leven met de illusie, dat na de welvaartsmaatschappij en de verzorgingsmaatschappij thans de informatiemaatschappij de grote nieuwe kans voor een paradijs op aarde zal worden. Een illusie noem ik dat, omdat ernstig te betwijfelen valt, of een maaltijd high technology met chips variée en saus informatica ons levensgevoel echt zullen verkwikken.

En tenslotte: tenzij we zo naïef zouden zijn te veronderstellen dat de sociale bewegingen die ons in het recente verleden zo hebben bezig gehouden met de opkomst van de nieuwe zakelijkheid echt verdwenen zouden zijn. Zo eenvoudig is dat niet. Het is hoogstens de vraag, waar, wanneer en in welke vorm zij weer aan de oppervlakte zullen komen.

Misverstanden

Alle reden dus om concrete aanleidingen die er in de sociale werkelijkheid zijn om dingen te veranderen – zoals de wijziging van het stelsel van sociale zekerheid – niet met een opportunistisch aanpassingsbeleid te benaderen, maar met de houding, dat zulke noodzakelijke veranderingen een kans betekenen op een fundamentele doorbraak. Dat zal alleen lukken wanneer er een élan in de samenleving ontstaat om stoutmoedige, misschien op het eerste gehoor zelfs absurde denkbeelden met interesse te beluisteren en als vanzelfsprekend een open, eerlijke kans op uitwerking te geven. Als het gaat om het basisinkomen houdt dit wel het een en ander in.

Om te beginnen dat we een aantal misverstanden proberen recht te zetten.

Ten eerste: een basisinkomen is niet, zoals wel beweerd wordt, hetzelfde als een arbeidsloos inkomen of een soort premie voor ‘niet meer hoeven werken’. Arbeidsloos inkomen bestaat principieel niet. Adam Smith leerde reeds dat de rijkdom van een natie afhangt van de arbeid die verricht wordt. En dat is ook vandaag nog zo (uiteraard zonder daarmee de rol van kapitaal te onderschatten). Met andere woorden: inkomen moet eerst gegenereerd worden door menselijke inspanning, door prestaties te leveren. Dit weerspiegelt zich hierin dat ieder volwassen mens de vraag wordt gesteld wat hij bijdraagt aan de gemeenschap (prestatie-aspect) en wat hij verlangt van die gemeenschap (inkomens-aspect). Er is evenwel geen dwingende wet die zou zeggen dat die twee aspecten altijd direct via een beloningsstelsel gekoppeld dienen te zijn. In de praktijk is dat ook niet zo. Er zijn tal van uiterst zinvolle arbeidsprestaties die niet via de marktsector en dus ook niet via een beloningssysteem lopen. Of de mensen die zulke prestaties leveren ook een inkomen verwerven hangt af van de behoefte aan zulke inspanningen en van de hoogte van het nationaal inkomen. Nog korter gezegd: bij dit aspect van het basisinkomen gaat het uiteindelijk om de vraag hoe we onze prioriteiten stellen, hoe we onze solidariteit beleven en hoe we gestalte geven aan onze mondigheid.

Ten tweede: de arbeidsmarkt is geen echte markt, maar een schijnmarkt. Principieel is dat zo, omdat arbeid niet als koopwaar verhandelbaar is (tenzij we de slavernij weer willen invoeren) en praktisch niet omdat het zogenaamde vrije spel van aanbod en vraag, gereguleerd door de hoogte van de prijs, in dit geval nog veel gebrekkiger werkt dan dit al op de enige echte markt – de markt voor eindprodukten – het geval is.
Directe overheidsplanning en overheidsregelgeving is geen effectief alternatief. Men kan natuurlijk uitrekenen hoe lang de gemiddelde werkweek moet zijn om iedereen bij een gegeven of te verwachten volume aan arbeidsplaatsen aan betaald werk te helpen. Men kan zelfs democratisch beslissen dat de arbeidsweek collectief geregeld wordt. Maar de zeer teleurstellende ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met het inleveren van loon of prijscompensatie in ruil voor herbezetting zou ons de ogen moeten openen voor het feit dat de werkelijkheid anders in elkaar zit. Wat ons op dit punt echt dwars zit is dat we gevangen blijven in het keurslijf van de betaalde arbeid. Onbegrijpelijk is dat natuurlijk niet, omdat velen, met name vrouwen die nog geen deel hebben kunnen nemen aan het circuit van betaalde arbeid juist hierin hun emancipatiestreven willen of menen te kunnen verwerkelijken.

Ten derde: in tegenstelling met wat vaak gedacht of gehoopt wordt is het onmogelijk om in het moderne economische leven voor jezelf te zorgen. De moderne wereldeconomie berust op wederzijdse afhankelijkheid en arbeidsdeling. Wie onbevangen kijkt ziet dat niemand nog voor zich zelf werkt. In werkelijkheid is mijn concrete arbeid altijd gericht op de behoefte van een ander en worden mijn behoeften gedekt uit de arbeidsinspanningen van anderen. Objectief altruïsme kunnen we dit noemen. Ons echte probleem op dit punt is dat ons bewustzijn en de psychologische werkelijkheid achterlopen op dit grondgegeven van het economische leven. Natuurlijk beleven we aan ons ‘verdiende loon’ gevoelens van erkenning en frustratie. Dat is maar al te menselijk. Uiteindelijk is het echter, in een economie met arbeidsdeling zo, dat ik met mijn verdiende loon aan de benzinepomp voor niets kom als een ander die niet gevuld heeft. Economie en psychologie moeten wel uit elkaar gehouden worden.

Ten vierde: ondernemerschap en kapitalisme zijn niet noodzakelijkerwijze gekoppeld. Het is waar, dat in het moderne economische leven gewerkt wordt met grote kapitaalmassa’s. Het is waar dat het te goedkoop worden van kapitaal voor ernstige verstoringen zorgt en het is ook waar dat er scheve machtsverhoudingen zijn en dat kapitaal egoïstisch gebruikt wordt. Maar dat wil nog niet zeggen, dat ondernemerschap per definitie fout of immoreel is. Integendeel, ondernemerschap of liever ‘ondernemende arbeid’ of ‘risicovol in het leven’ staan en het maken van winst vormen in diepste wezen de grondslag voor alle echte emancipatie of vrijwording. Dit moet wel onderscheiden worden van de private eigendom van productiemiddelen en de manier waarop winst verdeeld wordt. Als we dit niet gaan doorzien zullen we niet tot een zinvolle invulling van ons arbeidsethos komen en blijven steken in klassieke, steriele werkgever – werknemer tegenstellingen. Met als enig perspectief het voortduren van de loonafhankelijkheid of, bij onvoldoende betaalde arbeid de keuze tussen de wachtkamer van de uitkeringsgerechtigden en het zwartgeldcircuit.

Dilemma

Wanneer het ons eenmaal gelukt is om deze misverstanden uit de wereld te helpen, wacht ons vervolgens de vraag wat nu eigenlijk de betekenis van een basisinkomen is. Hierop zijn twee antwoorden te geven.

Ten eerste geeft een gemeenschap van mensen – een volk, een staat – middels het basisinkomen uitdrukking aan zijn solidariteit. Vinden we solidariteit niet nodig, ouderwets of niet realistisch dan moeten we ook niet aan een basisinkomen beginnen. Het wordt dan een vlag op een modderschuit. Maar ik zie het zo: het loutere feit dat ik in een bepaald volk geboren ben geeft mij het recht op een redelijke, individuele bestaanszekerheid. Dat is te zien als een uitgangspunt, een bodemvoorziening voor een menswaardig leven (hetgeen trouwens ook bij de voorvechters van het huidige stelsel aanvankelijk het motief was). Geen volk is zo lui dat het niet een nationaal inkomen zou kunnen voortbrengen in een orde van grootte die dit mogelijk maakt. Hiertegenover staat natuurlijk de verwachting dat met uitzondering van kinderen, zieken en ouderen, iedere burger zich in de een of andere vorm zal inzetten voor anderen, hetzij via de marktsector hetzij op een andere manier. Die andere manier wordt nu nog veelal misprijzend of meewarig aangeduid als vrijwilligerswerk. Maar waarom eigenlijk? Zou het slecht zijn wanneer wij echt op weg gingen naar een ‘vrijwilligerscultuur’? Niet realistisch hoor ik sommigen al roepen. Iedereen zal proberen te ontvluchten aan de marktsector; de prikkel voor toetreding tot de arbeidsmarkt blijft nodig. Mijn antwoord is: ja voor sommigen en neen voor anderen en hoe die verhouding in werkelijkheid zal komen te liggen weet niemand. Laten we niet vergeten, dat die zogenaamde prikkel nu ook niet of slechts zeer gebrekkig werkt.

Ten tweede is het basisinkomen het middel bij uitstek voor emancipatie. Wanneer we blijven vasthouden aan de klassieke loonarbeid zullen we eeuwig met een onoplosbaar dilemma blijven zitten. Enerzijds zullen we die arbeid blijven vervloeken, omdat hij mensen afhankelijk maakt. Anderzijds zullen we hem blijven omhelzen als het middel tot emancipatie. De geschiedenis – met name van socialistische partijen – heeft getoond, hoe groot dit dilemma is. Hierbij valt te bedenken dat arbeid, of in ieder geval een groot deel ervan, in een industriële samenleving met een hoge graad van arbeidsdeling eerder anti-emancipatorisch is dan het tegenovergestelde. Zijn we soms de pogingen vergeten van de vijftiger en zestiger jaren om tot humanisering van de arbeid, tot werkstructurering en tot taakverruiming te komen? De mogelijkheden hiertoe bleken beperkt en inmiddels is die situatie zeker niet verbeterd. Daarom is terugkeer naar volledige werkgelegenheid in een klassiek bestel van betaalde arbeid uit een oogpunt van emancipatie en menswaardigheid eigenlijk helemaal geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Een basisinkomen voor iedereen betekent geen vetpot, maar het zal zeker bijdragen aan verkleining van de onrechtvaardigheidsgevoelens. En die zijn, meer dan soms wordt gedacht kiemen voor sociale onrust en conflict. Bovendien verschaft het iedereen de mogelijkheid om op basis van deze uitgangspositie zelf te kiezen hoe hij verder met zijn leven wil omgaan. Is dat emancipatorisch of niet? Pas nadat wij zover zijn gekomen dat wij ook de essentiële karakteristiek van het basisinkomen voor ons zijn gaan zien, komt de vraag hoe de praktische verwerkelijking kan gebeuren. Het antwoord hierop kan kort zijn: er zijn eindeloos veel varianten denkbaar en mogelijk. Als er één ding maar niet gebeurt, namelijk dat het in één klap voor iedereen op dezelfde manier zou worden ingevoerd. Dat zou een ramp zijn, omdat dit niet meer past bij de individualiseringstrend in onze samenleving en omdat er ook tijd voor gedragsverandering nodig is. Er moet geoefend kunnen worden om ervaring op te doen. Initiatiefprojecten zijn hiervoor een goede vorm, al dan niet met begeleiding en al dan niet met financiële steun. In ieder geval zal er een periode moeten komen met vele verschillende vormen van arbeid, van vrijwilligerswerk en freelancewerk aan de ene kant tot en met klassieke arbeidsovereenkomsten in de vorm van een vast dienstverband. Een hulp om dit op gang te krijgen is deeltijdarbeid. Het is hoogst opmerkelijk, dat juist deze deeltijdarbeid – geheel buiten bewust overheidsbeleid om – in de afgelopen jaren explosief in de samenleving is toegenomen. Laten we enig vertrouwen hebben en de samenleving een kans geven zich zelf uit te spreken.

De regering heeft dit inmiddels niet meer nodig geoordeeld. In de tweede week van oktober heeft zij zich met haar standpunt, dat een (gedeeltelijk) basisinkomen niet ingevoerd moet worden, gevoegd in de lange rij van ‘afwijzers’. ‘De maatschappelijke discussie … is het afrondende stadium al dicht genaderd’, zo luidt het.

Laat ik nu nog steeds denken, dat die discussie nog moet beginnen. Maar ja, het is al eerder gebleken, dat men over (brede) maatschappelijke discussies zeer verschillend kan denken. Het kabinet ziet als enig positief kenmerk, dat in het advies van de WRR ook ‘toetredingsprikkels voor de arbeidsmarkt’ behouden blijven. En dat is nu net het enige wat niet nieuw, maar door en door oud is. Beter dan zó kan niet aangetoond worden, dat het inderdaad een moedig rapport is.

Cees Zwart, Jonas 6, 15-11-1985
Cees Zwart was buitengewoon hoogleraar in de Sociale Pedagogie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam en medewerker van het NPI, Instituut voor Organisatie-Ontwikkeling te Zeist. Tevens was hij rector van de Vrije Hogeschool.

 

Zie ook [1]  en [2]

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1590

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.