.
Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven‘
.
Zie ‘voorwoord‘.
.
Ook dit artikel, hoewel lang geleden geschreven, bevat inhoud waar we vandaag de dag nog steeds mee te maken hebben. Het schetst in het kort ook enkele belangrijke kenmerken van het vrijeschoolonderwijs.
.
Dr. A. H. Bos, Zeist
.
Vrijeschoolonderwijs en het beroepsleven van volwassenen
.
Dit tijdschrift streeft er voortdurend naar een nieuw licht te werpen op het vrijeschoolonderwijs – zowel wat betreft de fundamenten die door Rudolf Steiner zijn gelegd als de praktische toepassing ervan in talloze zelfstandige vrijescholen.
In dit artikel willen we laten zien hoe deze ideeën op vruchtbare wijze zijn aangepast voor volwasseneneducatie en hoe de kwestie kan worden bekeken vanuit het totaal andere perspectief van het ‘sociale driegeleding’.
Als je het wezenlijke verschil tussen het vrijeschoolonderwijs en vrijwel alle andere schooltypen en onderwijshervormingsbewegingen zou moeten verwoorden, zou dat als volgt kunnen: het basisconcept van de vrijeschool is het mensbeeld van de zich ontwikkelende mens.
De jaren die een kind op school doorbrengt, maken deel uit van een machtige stroom; de oorsprong daarvan in het voorgeboortelijke sfeergebied onttrekt zich aan ons zicht, net zoals het leven na de dood buiten ons huidige begripsvermogen valt.
In zijn boeken en voordrachten schetste Rudolf Steiner een beeld van de enorme ontwikkelingsreis van het individu en van de mensheid als geheel.
Mensen komen ter wereld met een veelheid aan vermogens en mogelijkheden; de opgave is om deze tot ontplooiing te brengen. We brengen een diepe wijsheid mee uit het voorgeboortelijke sfeergebied, en het doel is om de herinnering daaraan te wekken. We hoeven niets ‘toe te voegen’; we hoeven slechts datgene te wekken en in zijn ontwikkeling te stimuleren wat de ziel reeds in zich draagt. Het is duidelijk hoe deze pedagogische benadering contrasteert met andere onderwijsmethoden die geworteld zijn in het negentiende-eeuwse positivistisch-mechanistische mensbeeld – een visie die de mens beschouwt als een ‘tabula rasa’ (een onbeschreven blad) waarin allerlei zaken moeten worden ingebracht en waarin de leerstof moet worden ingeprent. Net als bij een machine kan er dan – qua vermogens en potentieel – niets meer uitkomen dan wat er door de ontwerper in is gestopt.
Op de vrijeschool is iedere lesstof ontwikkelingsstof. We hoeven niets toe te voegen; we moeten veeleer voeding bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden die inherent zijn aan de ziel. Uiteraard moeten we ook bedenken dat de zich ontwikkelende mens zijn plaats in de moderne wereld moet innemen. Hij moet fundamentele vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen beheersen; hij moet zijn weg vinden in de uiterlijke wereld en de spelregels begrijpen, de weg kennen enz.
Niets hiervan mag echter ooit een doel op zich zijn – zoals in de meeste scholen wel het geval is – want dan gaat het ten koste van de menselijke ziel. Het is geen kunst om een kind te leren rekenen; de vraag is of we dat kunnen doen op een manier die de ontwikkeling van morele krachten bevordert.
Het is geen kunst om een kind een aantal historische feiten bij te brengen; de vraag is of we die zo kunnen overbrengen dat het kind een innerlijke band opbouwt met de geschiedenis en de eigen tijd, en dat er wilskrachten worden gewekt om de toekomst actief vorm te geven.
Wanneer iemand de school verlaat, wordt het leven zelf de school. In bredere zin wordt de enorme maatschappelijke wereld daarbuiten een leeromgeving.
De beroepswereld draagt het stempel van dezelfde filosofie – en hetzelfde mensbeeld – als de zojuist beschreven schoolvormen. Het beroepsleven richt zich op uiterlijke productiviteit – op wat tastbaar, meetbaar en zichtbaar is als positief economisch resultaat (examenresultaten!) – en niet op de innerlijke beleving van degene die het werk verricht. Het beroepsleven is pragmatisch en zakelijk. Wie spreekt over menselijke ontwikkeling, krijgt vaak een standaardreactie: “Wij zijn hier geen onderwijsinstelling; mensen moeten zichzelf ontwikkelen – maar dan wel in hun vrije tijd.”
Weliswaar heeft de beroepswereld inmiddels ontdekt dat mensen kunnen leren en dat dit economische voordelen oplevert. Daarom wordt ons tijdperk overspoeld met bijscholing, cursussen, workshops en dergelijke. Toch worden deze bijna allemaal gekenmerkt door de poging om er iets “in te stoppen” zodat het er snel weer “uitgehaald” kan worden. Bovendien zijn veel van deze opleidingsactiviteiten eenzijdig; ze zijn niet gericht op de mens, maar op de functie. Het doel is om het individu toe te snijden op een specifieke rol. Dergelijke activiteiten staan ver af van het idee dat werk zelf zou kunnen dienen als een voortdurende bron van persoonlijke ontwikkeling. Doorgaans vinden deze activiteiten plaats als aanvulling op het eigenlijke werk – fysiek gescheiden daarvan en buiten de werkplek – en voorafgaand aan het aanvaarden van de betreffende functie. Zodra men echter met het werk is begonnen, verdwijnt elke gedachte aan opleiding en ontwikkeling meestal naar de achtergrond. Het doel wordt puur economisch: er moeten specifieke goederen worden geproduceerd of diensten worden verleend tegen zeer concurrerende prijzen. De toegepaste technische en organisatorische methoden zijn nauw afgestemd op dit economische doel. We zien hier dezelfde mentaliteit als bij het ontwerp van gereedschappen en machines ontstaan door een proces van logische analyse, gebaseerd op een helder omschreven kwantitatief doel, gevolgd door een rationele constructie uit afzonderlijke onderdelen. Wie zich verdiept in de moderne organisatietheorie – die de basis vormt voor de structuur van vrijwel alle grote maatschappelijke instellingen (bedrijven, overheidsinstanties, verenigingen, onderwijsinstellingen, enzovoort) – komt overal de figuur van de ontwerper tegen. Alles is logisch bedacht en rationeel op elkaar afgestemd, maar nergens komt je de mens tegen. De machine fungeert hierbij als het onderliggende archetype.
De noodzaak om als mens binnen een dergelijk logisch systeem te functioneren, roept een gevoel van onbehagen op; men merkt dat het systeem als zodanig de mens niet werkelijk kent – dat wil zeggen: het slaagt er niet in om creativiteit, initiatief of verantwoordelijkheidsbesef aan te spreken; kortom, het doet geen beroep op het specifiek menselijke ontwikkelingspotentieel.
Dit onbehagen bleef lange tijd sluimerend, omdat er aanvankelijk meer primaire behoeften vervuld moesten worden. Zolang er sprake is van werkelijke behoeften op puur fysiek niveau, komen hogere behoeften nog niet tot uiting. Naarmate de welvaart toeneemt en er een basis van fysieke verzadiging is gelegd, ontstaat er ruimte voor behoeften van de ziel – zoals erkenning, waardering, positieve menselijke relaties, een gevoel van vervulling in het werk, enzovoort. De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan deze kwesties (denk aan ‘human relations’ en personeelsmanagement). Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de problematiek rond de mens in het arbeidsproces niet louter op het niveau van de ziel kan worden opgelost – tenzij men erkent dat er zich een spirituele ‘Ik-kern’ in de menselijke ziel wil ontwikkelen en dat er aan de behoeften van de ziel nog fundamentelere spirituele behoeften ten grondslag liggen. Deze laatste behoeften zijn verbonden met de menselijke ontwikkeling in de loop van een heel leven. Wie gedurende langere tijd de gelegenheid heeft gehad om met mensen op alle niveaus te spreken – uit uiteenlopende maatschappelijke lagen en in de meest uiteenlopende beroepssituaties – en daarbij ook de ervaringen van anderen betrekt zoals die in recente literatuur naar voren komen, komt tot de conclusie dat er een groeiende weerstand tegen werken bestaat. Mensen willen zich nergens meer aan verbinden; ze missen de wil daartoe; ze ervaren werk als iets negatiefs, enzovoort. Deze verschijnselen wijzen op een opkomende kloof in onze cultuur die catastrofale gevolgen zou kunnen hebben. Ze leiden tot een kloof die het individu dwingt in twee werelden te leven: de ene is de wereld van het beroep – een domein waar steeds minder ruimte is voor de mens, waar men er als het ware ‘uit wordt georganiseerd’, en waar men zich moet neerleggen bij het feit dat hij vele uren per dag zielsdodend werk moet verrichten – werk waarbij hij geen persoonlijk belang heeft bij de doelstellingen en methoden ervan; de andere wereld is die van de vrije tijd, waarin iemand het verdiende geld kan gebruiken – mits hij “geluk” heeft in zijn beroepsleven – om een zekere mate van “mens-zijn” te kopen, en waarin hij hoopt opnieuw menselijkheid te ervaren.
Dit dualisme kan niet eeuwig blijven bestaan: want als de ene sfeer van het menselijk bestaan wordt opgeofferd, zullen de krachten die zich daarvan meester maken onvermijdelijk proberen zich ook de andere sfeer toe te eigenen. We zien de eerste tekenen hiervan al in de commercialisering van de vrije tijd en in het feit dat de menselijkheid die men in de vrije tijd koopt, een namaakmenselijkheid is – een menselijkheid die op den duur een groeiende leegte in de ziel achterlaat.
Het beroepsleven moet worden vermenselijkt – niet door intermenselijke relaties een rooskleurig vernisje te geven, maar door de filosofie en praktijk van leiderschap en organisatie te doordringen van een nieuwe inhoud, gebaseerd op het concept van de zich ontwikkelende mens. Op die manier treedt het individu werkelijk als een zelfbewust wezen het beroepsleven binnen. Bij elke functie moet men, naast de twee eerder genoemde vragen, een derde vraag stellen: niet slechts of de functie doelgericht is – dat wil zeggen, of ze uiteindelijk bijdraagt aan het bevredigen van klantbehoeften (wat de economische taak van de onderneming is) – en evenmin enkel of ze logisch past in de totale functiestructuur (organisatie in strikte zin vertegenwoordigt het “juridische aspect” van het bedrijf, aangezien ze in wezen een complex van regels, normen en afspraken vormt met betrekking tot de gebieden waarop iedereen op gelijke voet staat); maar ook of de functie een zinvolle rol kan spelen in de geestelijke ontwikkeling van de medewerkers.
Dit betekent dat er, als het ware, een volledig nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan het functioneren van de onderneming. We weten nog weinig over de ontwikkelingsdynamiek van de volwassene; we hebben weinig inzicht in welke soorten werk – in de verschillende fasen van de menselijke levensloop – de ontwikkeling remmen of juist bevorderen; en we hebben nog weinig geleerd over de vraag of alternatieve combinaties van functies, taakverdelingen, taakontwerpen, communicatiemethoden, besluitvormingsprocedures en dergelijke een positieve invloed op het individu zouden kunnen hebben. Toch is het dringend noodzakelijk dat we ons met deze vragen bezighouden. Hier ligt een grotendeels onontgonnen terrein, zowel voor wetenschappelijk onderzoek als voor organisatorische en pedagogische verbeeldingskracht en creativiteit. Net zoals er voor elke vrijeschoolleerkracht een pedagogische uitdaging erin bestaat om lesstof om te zetten in materiaal voor persoonlijke ontwikkeling, staan we voor een vergelijkbare uitdaging: elke werksituatie omzetten in een kans voor ontwikkeling.
Met “ons” bedoelen we het Nederlands Pedagogisch Instituut in Zeist, Nederland, dat – onder leiding van professor Lievegoed – zich al tien jaar in de praktijk met deze vraagstukken bezighoudt. Dit sociaal-pedagogische werk heeft ook in Zwitserland wortel geschoten.
Dr.Bos was medewerker van het NPI.
Hij schreef boeken en artikelen.
Op deze blog staan een aantal van zijn artikelen.
Sociale driegeleding: alle artikelen
Algemene menskunde: alle artikelen
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3577-3370
.
.
.
