Tagarchief: Driekoningenspel

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (15)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 27-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 89

Heute werden wir uns erlauben, Ihnen das dritte der volkstümlichen Spiele vorzuführen, die um die Weihnachtszeit im älteren Volkstum in den Gegenden, von denen ich schon gesprochen habe> überall aufgeführt wurden.
Das erste Spiel war das Paradeis-Spiel, das immer begonnen wurde zu spielen am ersten Adventssonntag, dann durch die Adventszeit hin- durch gespielt worden ist. Das zweite war dann das eigentliche Weihnacht-Spiel, das ungefähr vom letzten Adventssonntag bis Ende Januar gespielt wurde. Dann um die Zeit des Heiligen Dreikönigs-Festes wurde dieses dritte Spiel aufgeführt. Über die Geschichte dieser Spiele habe ich ja schon gesprochen. Ebenso habe ich mir erlaubt, einiges anzuführen über die Art und Weise, wie gespielt wurde. Aus welchem

Toespraak Dornach 27-12-1923 [2]
tijdens de kerstconferentie

Vandaag zijn we zo vrij om voor u het derde van de volkse spelen op te voeren die rond de kersttijd in oudere volkse streken waarover ik u heb verteld, overal werden opgevoerd. 
Het eerste spel was het Paradijsspel waarmee altijd werd begonnen op de eerste adventszondag, en dat werd gedurende de adventstijd gespeeld. Het tweede was dan het eigenlijke Kerstspel dat ongeveer vanaf de laatste adventszondag tot eind januari werd gespeeld. Dan werd rond de tijd van het feest van de heilige Drie Koningen dit derde spel opgevoerd. Over de historie van deze spelen heb ik het al gehad. En evenzo heb ik de vrijheid genomen iets op te merken over hoe er werd gespeeld. Ik wil nu

blz. 90

Geiste heraus dies geschehen möchte, will ich nur in wenigen Worten noch darstellen, gerade mit Bezug auf dieses Dreikönig- oder HerodesSpiel.
Auch bei ihm wird man sehen, wie beschauliche Frömmigkeit, in diesem Falle sogar außerordentlich feierliche Frömmigkeit, vereinbar ist mit einer gewissen Derbheit. Das ist überhaupt der Grundcharakter dieser Spiele und das ist um so interessanter, als eigentlich ein radikaler Unterschied ist zwischen dem Weihnacht-Spiel, das wir vorgestern auch vorgeführt haben, und diesem Dreikönig-Spiel Es ist auf eine unbegreifliche Weise geschehen, daß mein lieber alter Freund und Lehrer,
Karl Julius Schröer> diese zwei Spiele – das Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durcheinander gedruckt hat. Ich gebe zu, daß vielleicht schon durch eine ungenaue Überlieferung manches Ineinander- schieben der beiden Stücke irgendwie sich vollzogen hat. Aber ursprünglich sind die beiden Spiele – das eigentliche Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durchaus auch ihrem Ursprunge nach ganz voneinander verschieden.

met een paar woorden schetsen uit welke stemming dit moest gebeuren, juist wat betreft dit Driekoningen- of Herodesspel.
Ook hierin zie je, hoe contemplatieve vroomheid, in dit geval zelfs buitengewoon stemmige vroomheid, samenging met een bepaalde grofheid. Dat is eigenlijk wel de grondhouding in deze spelen en dat is nog interessanter dan dat er een uitgesproken verschil is tussen het Kerstspel dat we eergisteren ook opgevoerd hebben en dit Driekoningenspel. Onbegrijpelijkerwijs heeft mijn beste vriend en leraar Karl Julius Schröer deze twee spelen – het Kerstspel en het Driekoningenspel door elkaar gedrukt. Ik voeg eraan toe dat misschien wel door een niet precieze overlevering bepaalde dingen van de twee stukken op de een of andere manier in elkaar geschoven zijn. Maar van oorsprong zijn de beide spelen – het eigenlijke Kerstspel en Driekoningenspel – heel verschillend van elkaar.

Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich selbst noch einiges, was auf die Art und Weise hinweist, wie es aufgenommen wurde da, wo es sich zeigte, gesehen. Die anderen Spiele, sie habe ich viel besprochen mit dem Auffinder derselben, mit Karl Julius Schröer, im Anfange der achtziger Jahre, und sie sind mir dadurch ganz gegenwärtig geworden. Immer mehr und mehr hat sich das dann ergeben, wie es mit diesen Spielen war. Aber von diesem Herodes-Spiel konnte man eigentlich in allen Gegenden Deutsch-Usterreichs um die Neujahrszeit bis zur Dreikönig-Zeit und darüber hinaus einfach die Leute sehen, wie sie als Drei Könige – auf die war die Sache reduziert -, Kaspar, Melchior und Balthasar, wie sie als diese Drei Könige mit dem Stern herumzogen und ganz ähnliche Lieder sangen, wie sie hier vorkommen.
Nun mache ich Sie darauf aufmerksam, daß die Struktur dieser Spiele eigentlich an allerälteste Dramatik erinnert. Wir haben überall darinnen die gemeinsamen Chöre, wie man sie im Volkstümlichen nannte: die Kumpaneigesänge, die eigentlich dasselbe darstellen – nur eben in spätvolkstümlicher Weise -, was der griechische Chor darstellt. Und dann haben wir herausgewachsen aus diesen Gesängen, die auch

Van dit Driekoningenspel heb ik zelf nog iets gezien wat teruggaat op hoe het opgevat werd toen het vertoond werd. Over de andere spelen heb ik begin van de jaren 1880 veel met Karl Julius Schröer, die ze ontdekte, gesproken en zo zijn ze voor mij heel erg gaan leven. Steeds duidelijker werd dan hoe het met deze spelen zat. Maar van dit Herodesspel kon je eigenlijk in alle Duits-Oostenrijkse streken rond de jaarwisseling tot aan de driekoningentijd en later de mensen zien die eenvoudig als de Drie Koningen – tot hen was de zaak teruggebracht – Kaspar, Melchior en Balthasar, hoe zij als deze drie koningen met de ster rondtrokken en net zulke liederen zongen die we hier hebben.
Nu wijs ik u erop dat de structuur van deze spelen eigenlijk doet denken aan de alleroudste drama’s. Overal zitten er gezamenlijke koren in, die in het volk het zingen van de kompanij genoemd werden, die eigenlijk hetzelfde betekenen – alleen op een manier die laat-volks is – als de Griekse koren. 
En uit deze gezangen die op zichzelf staand

blz. 91

für sich durchaus aufgeführt würden, das eigentlich Dramatisch-Dialogische und so weiter.
Nun, wenn ich von einem radikalen Unterschied der beiden Stücke sprach, so ist dieser nicht nur im Grundcharakter zu erkennen, sondern auch im Ursprung. Alles dasjenige, was Stil des Weihnacht-Spieles, des Christ-Geburt-Spieles ist, weist überall darauf hin, daß die eigentliche Pflege dieser Christ-Geburt-Spiele und wohl auch des Paradeis-Spieles von den Brüdergemeinden ausging und vor dem 16. Jahrhundert viel zahlreicher in Europa lebte, als man heute denkt. Überall waren solch christliche Brüdergemeinschaften, die insbesondere dasjenige auch in diesen dramatischen Darstellungen gepflegt hatten, was sich an den Grundstil des Lukas-Evangeliums anlehnt. Sie werden sozusagen den Grundton des Lukas-Evangeliums im Weihnacht-Spiel finden. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel, welche Sie heute sehen, ist von den Kirchen ausgegangen, von den Kirchenleuten, allerdings von solchen Kirchenleuten, die mit ihrer Seele ganz im Volkstum darinnensteckten. Und gerade dieses Dreikönig-Spiel ist urkatholisch, währenddem das Christ-Geburt-Spiel herrührt von, ich möchte sagen, den Vorläufern des Protestantismus.

uitgevoerd werden, ontstond dan weer de eigenlijke dramatische dialoog enz.
Nu, toen ik van een uitgesproken verschil tussen deze stukken sprak, is dit niet alleen te zien aan het grondkarakter, maar ook aan de oorsprong. Alles van de stijl van het Kerstspel, het Christusgeboortespel, wijst erop dat het eigenlijke verzorgen van deze Christusgeboortespelen en ook wel van het Paradijsspel uitging van de broedergemeenschappen en vóór de 16e eeuw veel meer voorkwam in Europa dan men tegenwoordig aanneemt.
Overal waren er van die christelijke broedergemeenschappen die met name ook deze toneelvoorstellingen verzorgden die teruggaan op het Lukasevangelie als basis. U zal, om het zo te zeggen, het grondkarakter van het Lukasevangelie in het Kerstspel terugvinden. Dit Driekoningenspel wat u vandaag gaat zien, is daarentegen uitgegaan van de kerken, van de kerkmensen, in ieder geval van hen die met hun ziel helemaal in dit volkse leefden. En met name dit Driekoningenspel is oer-katholiek, terwijl het Christusgeboortespel afkomstig is uit wat ik zou willen noemen, de voorlopers van het protestantisme.

Da, wo diese Spiele in Deutsch-Ungarn aufgeführt worden sind, waren Katholiken, Protestanten und alles durcheinander; da nahm man sie ganz interkonfessionell. Aber dem Ursprunge nach sind die eigentlichen Weihnachtspiele aus den Brüdergemeinschaften hervorgegangen, in denen es auch wunderschöne Bibelübersetzungen in einem ganz prachtvollen Deutsch gegeben hat. Es würde mir einmal Freude machen, sogar einige Stücke dieser älteren deutschen, wirklich wunderschönen Bibelübersetzungen vorzuführen, denn sie zeigen ganz deutlich, was es für eine Geschichtslegende ist, für eine unglaubliche Geschichtslegende, wenn überall tradiert ist, Luther habe zum ersten Mal die Bibel ins Deutsche übersetzt und die Sprache dazu erfunden, was gar nicht wahr ist, weil die älteren Übersetzungen, die man nur nicht kennt, viel schöner und viel eindringlicher sind, sogar den ursprünglichen Text viel besser treffen als die lutherische Übersetzung. Aus diesen Brüdergemeinden sind also ursprünglich auch diese Spiele hervorgegangen. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel trägt deutlich den katholischen

Waar deze spelen werden opgevoerd in Duits-Hongarije, leefden katholieken en protestanten door elkaar; heel interconfessioneel. Maar wat de oorsprong betreft zijn de eigenlijke kerstspelen uit de broedergemeenschappen voortgekomen waarin ook prachtige Bijbelvertalingen in een heel mooi Duits ontstonden. Ik zou het wel heel fijn vinden om eens een paar van deze oudere Duitse, werkelijk prachtig vertaalde Bijbelstukken op te voeren, want die laten heel duidelijk zien wat voor een geschiedenisverdichtsel het is, wat voor een ongelofelijk geschiedenisverdichtsel, wanneer overal doorverteld wordt dat Luther de eerste was die de Bijbel in het Duits heeft vertaald en de taal ervoor gevonden, wat helemaal niet klopt, omdat de oudere vertalingen die men alleen niet kent, veel mooier en veel sprekender zijn, zelfs de oorspronkelijke taal veel dichter naderen dan de vertaling van Luther. Uit deze broedergemeenschappen dus, zijn oorspronkelijk deze spelen gekomen. Dit Driekoningenspel echter heeft duidelijk een katholiek 

blz. 92

Charakter an sich, ist von Klerikern des Mittelalters herstammend, welche sich im Volkstum eingelebt hatten, und die durchaus auch das Interesse der Kirche mit fördern wollten.
Es trägt dagegen das Weihnacht-Spiel vor allem den Charakter des Anmutigen, während dieses Herodes-Spiel zum Teil den Charakter des Suggestiven trägt. Ich möchte sagen, es würde beim WeihnachtSpiel ganz entschieden stören, wenn man Weihrauch dabei hätte; das würde nicht volkstümlich sein. Dagegen würde es bei diesem Dreikönig-Spiel, das durch die Kleriker dargestellt wurde – Sie werden es verspüren -, gar nichts machen, wenn irgendwie auch Weihrauchgeruch bemerkbar würde, denn es ist außerordentlich viel Suggestives darin, das bei der Darstellung herausgeholt werden soll. Aber natürlich wußte die Kirche der früheren Zeit auch sehr, wi`e sie volkstümlich wirken kann. Daher ist auch da durchaus echtes Volkstum, schöne, wahre, volle Feierlichkeit verbunden mit volkstümlich Derbem, und vor allen Dingen etwas außerordentlich Tiefes, dem Volke zum Herzen Sprechendes.

karakter, is van de clerus van de Middeleeuwen die zich in het volksleven verdiepte en die zeer zeker ook de interesse van de kerk mede wilde doen toenemen.
Het Kerstspel daarentegen heeft veel meer het karakter van het liefelijke, terwijl dit Herodesspel voor een deel een suggestief karakter heeft. Ik zou zeggen dat het bij het Kerstspel zeer beslist storend zou zijn, wanneer men daar wierook bij zou gebruiken; dat zou niet volks zijn. Maar bij het Driekoningenspel daarentegen, dat door de geestelijken opgevoerd werd – dat zal u merken – zou het helemaal niet uitmaken wanneer je op de een of andere manier ook wierook zou ruiken, want er zit buitengewoon veel suggestie in, dat er bij een opvoering uit moet komen. Maar natuurlijk wist de kerk vroeger ook heel goed hoe ze volks zou kunnen werken. Vandaar dat beslist ook echte volksheid, mooie, echte, volle stemmigheid samengaat met volkse lompheid en bovenal met iets buitengewoon dieps wat tot het hart van het volk sprak.

Man darf daher auch dieses Dreikönig-Spiel, Herodes-Spiel schon als ein schönes Stück mittelalterlicher Geschichte ansehen, welches heraufgekommen ist bis ins 19. Jahrhundert herein am reinsten und unverfälschtesten in jenen Gegenden, wo die deutschen Kolonisten unter fremden Völkerschaften waren, wo sich nichts von der sogenannten Intelligenz und neueren Verbesserung von seiten des Klerus hineingemischt hat, so daß man also im Weihnacht-Spiel wie im Herodes-Spiel etwas hat, was im volkstümlich-künstlerischen dramatischen Stil, wie auch in dem Stil der volkstümlichen Frömmigkeit durchaus aus der vorreformatorischen Zeit stammt und die Geschichte des Christentums in Mitteleuropa, die Geschichte aus der vorreformatorischen Zeit, sehr schön vor uns wiedererstehen läßt.
Und damit das geschehen könne, was im Grunde ein Interesse vieler Menschenherzen sein muß, möchten wir diese Weihnachtspiele vor Ihnen aufführen.

Vandaar dat je ook dit Driekoningenspel, Herdesspel wel als een mooi stuk middeleeuwse geschiedenis kan beschouwen dat opbloeide tot in de 19e eeuw, op de meest pure en onvervalste manier in die streken waar de Duitse kolonisten onder vreemde volken leefden waar niets van zgn. intelligentie en modernere verbeteringen van de kant van de clerus zich mee vermengde, zodat je dus zowel in het Kerstpel als in het Herodesspel iets hebt wat in een volks-kunstzinnig dramatische stijl, als ook in de stijl van de volkse vroomheid zeker afkomstig is uit de voor-reformatorische tijd en de geschiedenis van het christendom in Midden-Europa, de geschiedenis van de voor-reformatorische tijd, heel mooi voor ons weer laat ontstaan.
En opdat het mogelijk wordt wat eigenlijk de interesse van de harten van de mensen zou moeten hebben, willen wij deze Kerstspelen graag voor u opvoeren. 

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1981

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.5) van de hele kompany door de zaal. De spelers ziju weer op hun toneelplaats aangekomen. De duivel geeft het teken tot zitten. 

Boek: De duivel schuift de Herodestroon weg en gaat naar zijn plaats. De page zet een bankje voor Maria neer,  iets links van het midden, Jozef en Maria gaan naar hun toneelplaats. Nu gaan de engel en de koningen staan. De engel loopt over het toneel en staat weer links vooraan. Dan gaan de koningen lopen. Extra: Na deze ommegang is de kompany weer op het toneel gekomen bij hun plaatsen, De duivel springt naar voren en draagt de troon van Herodes weg. Nu gaat de page staan, neemt een klein bankje en zet dat op de rechterhelft van het toneel, dan gaat hij weer zitten. Maria gaat staan, gaat naar het bankje en gaat zitten. Jozef staat, leunend op zijn stok, achter haar. De engel gaat langzaam naar voren, blijft iets over het midden van het toneel staan, alsof ze verder wil gaan. De drie koningen gaan staan en stellen zich links op het toneel op.

GT: Duivel verwijdert den zetel van Herodes. Pagie brengt een krukje voor Maria. Engel, Maria, Josef en de drie Koningen op.

Boek en GT: Kaspar spreekt; DH: alle 3 koningen

C. Kaspar spreeckt:

Verlaet o heer
ons nemmermeer !
verlight onse oghen inder noot
dat wy niet en eynden in de doot,
geley ons, heer op regte baen
dat wy alhier niet en dwaiigh gaen
en leert ons de gheboden ayn.            kleine pauze

Oudere tekst: de engel heeft zijn plaats, links vooraan, weer ingenomen.

C. Melchior spreeckt:                     om zich heen kijkend

Welc deuser twee paden macht regte syn ?

De engel is tijdens deze woorden van Melchior naar Maria en Jozef gegaan  Extra: de engel loopt verder en gaat achter Jozef en Maria staan.

C. Balthasar spreeckt:

Siet, hier de star doet stille staen,
laet ons inden stal tottet kinde gaen,

Buigingen

Got moet u groeten, lief maegdelyn,
is hier dien wy soecken, het kindekyn?

Maria singht (No. 6)

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
in doecken gewonnen het kindekyn.

De koningen gaan weer naar voren, rechts. Extra: de koningen buigen, richten zich weer op elkaar, gaan iets meer zijwaarts staan.

C. Melchior spreeckt:

Nu welaen!
opgedaan ons geschenck ende offer
wieroock, mirre endet roue gout.

De page komt en pakt de staven aan; daarna brengt hij de koningen hun geschenken. Dan blijft hij opzij, rechts, staan en houdt de staven vast. Extra: de page komt, buigt diep voor de koningen, eerst voor de rode koning (Melchior), pakt van hen plechtig de staven over, gaat terzijde staan, dan geeft hij hen de geschenken, Melchior het eerst, dan de twee anderen, voor ieder maakt hij een buiging en treedt terug. Hij neemt de staven en blijft terzijde staan. De koningen staan met hun geschenken in hun handen.

GT: Pagie op. Hij neemt van elken koning den staf en reikt hem een offerschaal.
Oudere tekst: pagie neemt de staf van de drie koningen, reikt hun elk een tinnen schaal, (die vanaf het begin van het spel vóór op het toneel jebben gestgaan) en blijft in de nabijheid, terzijde.

DH: Page komt. Buigt met gekruiste armen voor Melchior. Melchior reikt hem zijn staf aan. Page pakt deze aan en brengt hem weg, tussen de coulissen. Komt terug met het goud. Neigt licht en overhandigt. Koning Melchior neigt, page buigt. Dit zo bij de andere twee ook

C. Melchior singht: (nr.6)  DH: alle drie

Psallite unigenito
Christo, dei fillio
psallite redemptori,
domino puerulo,
jacenti in praesepio.

De coninghen singhen:

Wie onser sal den eersten syn ?

C. Kaspar spreeckt:

Als oudsten sy aan U die ere;
treet toe wy volleghen u gheren.

C. Balthasar spreeckt:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.

C. Melchior spreeckt:

An ere en is my niet geleghen;
ic gae mit Got, niet langh gewagt
en ’t kinde nieue jaer gebragt.

Boek: Koning Melchior knielt voor Maria, offert. Extra: zij richten zicht tot Maria en Jozef. Koning Melchior komt iets naar voren, knielt.

 

GT: C. Melchior knielt, doet offeren:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
geloeft sy Got dattic u vindt,

geloeft=tikfout=gelooft

van verre reyse comen wy
u ane treffen te regter ty,

Ic wil u offeren ’t rode gout,  zet het geschenk vóór Maria neer; DH: idem

ic bid my in genae behout.         buiging
Brenght troulyck groot het kinde teer
en hebt het oudren hooch in eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
en neemt voor lief myn luttel gave.

Buigt nogmaals diep, gaat staan, doet een stap terug.
Oudere tekst en DH: blijft geknield zitten

C. Kaspar’s offeringhe:   knielt 

O edel coningh, o edel heldt,
hoe is u woningh so arrem bestelt,
wie mogt u soecken in den stal,
is dit u conincklycke sael ?

Oudere tekst: coninclycke

een star heeft my tot u geleyt
dien lof on ere moet eyn geseyt.
Veel edel coningh t’aller stond
sallic u prysen mit mijnen mond
en roenen wyt ende breit u name;

oudere tkest: naem

so wilt veel edel heldt ontvaen
de vrugt myns lands, de mirre goet

oudere tekst: lants

Hij zet zijn geschenk voor Maria neer, kruist zijn armen over de borst. DH: zet geschenk neer

nu bidde ic dat ghy my behoet
bewaert int regte Betlem my,
in uwen naeme ic henen ty.

Staat op, een beetje achteruit. 

Oudere tekst: blijft knielend. DH: ook

Coningh Balthasar’s offeringhe:  knielt. DH: idem

O coningh teer aensiet oock my,
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
u begere ic uyt ’s herten gront,
een star ginck veur tottic u vont;
neemt aan het offer, de wieroock goet,
daormot men coninghen eren moet,

Zet zijn geschenk neer. DH: idem.

heer, wen ic dickmaels coma na deusen
wilt myns oock immer ghenadich wesen.

Buigt en staat op. DH: staan alle drie op.

Joscf spreeckt:

Myn goede heren, vergelde Got
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
en mit u giften hebt bedaght,
Got hebbe u in syne wagt,
ons kindeken van gaven ryc
sallet u lonen mildelyck.

Maria staat op. DH: blijfrt zitten.

Maria singht: (No . 7)

Goe heren, van herten danck geseyt
van gaven end offerveerdicheyt,
spoet ende jonst mocgh’t u verlenen
op uwen verd’ren wegh van henen.

Zij strekt de handen zegenend naar de koningen uit. Dan gaat ze weer zitten.

C. Kaspar spreeckt:

Nu welaan, goe Josef myn
bevolen sy u het kindekyn,
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
van Got de heer worde u gheloont.

C. Balthasar spreeckt : Heft zegenend zijn handen. GT: zegenend, oudere tekst en DH: met de armen zegenend vooruitgestrekt, iets naar voren lopend.

DH: naar kind kijkend

Nu bewaere u den almaghtigen Got
van kommer, anghst end aller noot,
u eeuwighen vader doe u bewaeren

Hij wendt zich tot de andere koningen

mit Got so moetenme henen vaeren.

DH: achteruit lopend, 3 x buigen.

De koningen gaan weer naar voren. De page brengt de staven. Dan neemt hij de geschenken en zet ze onder de bank van Maria en Jozef. Extra: de koningen buigen en lopen zijwaarts naar voren weg. De page komt en reikt aan ieder met een diepe buiging de staf aan. Hij neemt de geschenken en zet ze onder de zitbank van Jozef. Dan gaat hij op zijn eigen plaats zitten. 

GT: Pagie brengt de offerschalen weg en geen elken koning zijn staf weer.

geen=tikfout=geeft

Oudere tekst: Zij gaan ter zijde. Pagie geeft elken koning zijn staf terug en brengt de offerschalen een voor een naar de vroegere plaats.

DH: staven terug: idem. De geschenken blijven staan!

C. Melchior spreeckt:

Nu willenme weerom tot Herodes rcyscn
ende plaats van het kinde ane wysen,

oudere tekst: âne

doch willenne hier wylen over nagt
want alree heyt den avent het duyster gebragt.

 

De drie koningen knielen en zingen in hun slaap. Extra: het toneel is vanaf ‘âne wysen’ langzaam donker geworden. De koningen knielen en steunen voorzichtig op hun staf en slapen met gebogen hoofd tegen de staf geleund. Er klinkt muziek. Tijdens deze muziek loopt de engel langzaam een rondje over het toneel, zodat hij aan het slot van de muziek zijwaarts van de koningen is aangekomen. Op de aangeduide plaats in de muziek hebben de koningen zacht gezongen.

GT: De koningen knielen, leunend op hun staf.

Oudere tekst: De koningen knielen rechts op het toneel, leunend op hun staf. Het is donker, alleen de engel verlicht.

DH: wanneer de muziek gaat spelen, komt de engel van links voor naar de koningen. Jozef gaat in een slaaphouding zitten.

De drie coninghen singhen inslaepende (No. 8)

Ic laghe in eene nagt en sliep.

De engel staat achter de koningen en spreekt:

GT: De Enghel treet voor de coninghen ende spreeckt:
Oudere tekst: idem + van links, en profiel, buigt zich over de slapenden.

DH: staat achter de koningen

Ghy heylghe coninghen van orient,

DH: koningen heffen hoofd iets omhoog, ogen neergeslagen, alsof je het hoort, maar niet wakker.

Got den almaghtighen my tot u sent,
dat u door myn wiert openbaer
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat ghy niet en wederkeert de baen
tot coningh Herodes den tyran.
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.

De engel gaat langzaam voor de koningen voorbij en blijft rechts staan. De koningen ontwaken en spreken. Extra: de koningen beginnen langzaam wakker te worden, wrijven zich de slaap uit de ogen, staan op. Het toneel is inmiddels weer verlicht.

GT:De coninghen ontwaeken.
Oudere tekst: De engel gaat achter de koningen naar zijn plaats linksachter op het toneel. De koningen ontwaken en staan op.

C. Melchior spreeckt:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
als of een inghel my vermaende
dat wy souden myden Herodes huys

oudere tekst: Herodis, het is een 2e naamval, zoals we al tegenkwamen bij: ‘ter tyt Herodis regiment’

en deur andere weghen volbrenghen de reys;
want Herodes draegt in synen moet
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.

C. Balthasar spreeckt:

Desgelyek heb oock ic vernomen
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.

Hij schudt in de richting van Herodes zijn vuist. DH: stap naar voren.

Herodes, is sulcx u beus begeren
so wagten wy ons tot u weder keeren.

De koningen gaan achter elkaar staan, de engel leidt ze, zij zingen:

De coninghen singhen heengaande (No. 9)
Oudere tekst: vóór Maria langs.

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
daer hy dat kindeken vinden dede,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.

De koningen gaan naar hun plaats. De engel gaat naar Maria en Jozef. Jozef  steunt slapend op zijn stok. DH: Engel achter Jozef. Jozef blijft geknield.

De enghel treet op ende spreeckt tot Josef :

Josef, Josef, gotvruchtig man
merckt wattic u wil segghen aen
van Gode die my tuwaert sont:
Maria neemt tot u terstont
metgaoder ’t kinde hooch van naem,

oudere tekst: mitgaoder

vliedt naet Egyptelant te saem
en weest aldaor tot op de tyt
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.

Pauze. De engel gaat terug naar zijn plaats. Oudere tekst: idem
DH: ik heb nog een aantekening dat de engel blijft staan als Jozef spreekt en als Maria gaat zingen en zij en Jozef naar hun plaats lopen, dat de engel dan meeloopt en doorloopt naar zijn plaats op de bank naast Meldchior.

Josef spreeckt:   zeer in twijfel

O waor sullemne henen inder nagt

sullemne=tikfout=sullenme

wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wy en kennen nae dit ofgelegnen

ofgelegnen=tikfout=ofgeleghen

Egyptenland geen straet noch weghen,
daor ons belaghen boven dien
gedierte wildt ende roverslien
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.

Maria singht (No. 10)

Ons sal geleyden Got den heer
voert de synen veylighe straeten,
salse nimmermeer verlaeten,
sal syn enghel mit ons senden,
ons regeren sonder ende.      Jozef knikt instemmend
Hier om staet op, syt wel gemeyt
en maektet eselken bereyt.

Jozef staat op en spreekt. Extra: Jozef kijkt om zich heen.

Josef staet op ende spreeckt:

O heemstee goet, dat Got u hoet
nu het eenmaal so wesen moet;
in Godes wil sallic my gheven
om nae syn eerst ghebot te leven.

oudere tekst heeft naer

Maria singht:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
van hier en tot het veer Egyptenlant.

Maria en Jozef nemen hun gewone zitplaats weer in. De page brengt het krukje weg. Extra: ze gaan langzaam af naar hun plaats. De page brengt het krukje terug naar de coulissen. Er is een kleine pauze

GT: Josef en Maria af. Pagie haalt het krukje weg. Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.
Oudere tekst: Jozef en Maria gaan, het ezeltje drijvend, naar hun bank. Page haalt het krukje weg. DH: page brengt de geschenken (die steeds nog vóór Maria stonden) een voor een weg, Dan het krukje.

vervolg deel 5 – GT blz. 17: Herodes: ‘Schoon ic met sorghen’ t/m einde, blz. 25

 

Vervolg Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

 

.

Kerstspelenalle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – driekoningenspel

GATTERCOMPAS

Een aantal taalkundig-astronomische opmerkingen bij het Oberuferer driekoningenspel.

In de eerste zinnen die koning Melchior spreekt in het begin van het driekoningenspel uit Oberufer, komen o.a. de woorden ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’ voor.
Uit de vragen van collega’s weet ik dat er onzekerheid bestaat over wat daarmee wordt bedoeld. De volgende bijdrage is een poging hierin wat helderheid te verschaffen.

Allereerst helpt een blik in het boek van Helmut Sembdner, ‘De Oberuferer kerstspelen’ [1]. Hierin wordt de tekst van Schröer met andere, nauw verwante teksten bekeken wat veel verrassende ophelderingen over onleesbare stukken tekst oplevert, niet alleen voor het driekoningenspel. Rudolf Steiner zei bij zijn laatste begroetingstoespraak bij de opvoeringen in Dornach, dat hij de tekst van Schröer had willen bewerken om de echte bewoordingen weer in ere te herstellen, waaraan hij echter niet meer toekwam. [2]
Het is nu de verantwoording van iedere ‘kompanij’ om, waar in de loop der eeuwen de mondelinge traditie onbegrijpelijke tekst tot gevolg had – die al in de tijd van Schröer door de boerren uit Oberufer niet meer begrepen werd, tekstveranderingen door te voeren of ook niet.

Voor het nodige inzicht biedt het boek van Sembdner een solide basis.

Wat Schröer zegt, klinkt bij Sembdner zo:

Mein gatter compas und alle instrument
bring her du pagi jetzund behend
des himels gloria auch nit vergiss
es scheint ein stern der nie gewesen ist:
wie Venus mit der sonnen sich consamaniert
auch etwas anders ist vor mir:….
[door Schröer veranderd in:
äuget was anders sich itzt vor mir….]
(cursief en vet door de schrijver)

De vertaling van mevrouw Bruinier luidt:

Myn gattercompas end instrumenten goet,
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
der heemlen gloria reickt boven dien
gins blinckt een star ao noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staot iet veurt oogh als nimmer te veuren:

Nu bestaat er een in 1693 waarschijnlijk in Pressburg gedrukte tekst van een kerstspel, die op veel plaatsen bijna letterlijk hetzelfde is als de tekst van het Oberuferer herders- en driekoningenspel en dat hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel heeft met de traditionele mondeling overgeleverde en geschreven spelen. [3]
Daarin luidt de betreffende passage:

Mein Quadrant/Compass und all Instrument/
Bring her du Bashi jetzo behend/
Des Himmels Globi auch nit vergiss/
Es scheint ein Stirn so niegewiss/
Wie Venus mit der Sonn sich conjungiret/
Darneben eteas anders doch ist formiret/….

Met de woorden ‘gatter, compas en ‘hemel-gloria’ wil Melchior een aantal astronomische instrumenten hebben, die in de tijd voor de ontdekking van de telescoop in de 17e eeuw. dus vóór Galileï en Kepler, tot de standaarduitrusting van een astronoom (of astroloog – dat was toch nog één) behoorden en hij gebruikt een paar namen uit het Latijn stammende vakjargon: (conju[n]giren: van planeten: een conjunctie hebben, d.w.z. dicht bij elkaar staan en formiren: vormen.

Hoe kwam nu ‘gatter’ uit ‘kwadrant’ en uit ‘Himmels Globi’ de ‘heemlen gloria’? Dat is gemakkelijk te verklaren: wat een kwadrant (Latijn voor quadrare, in vieren delen, vierhoekig maken) en wat Globi (meervoud voor het Latijnse globus, bollen) waren, wisten de boeren uit Oberufer niet, alleen al omdat ze in de regel geen Latijn kenden. Wel kenden ze het woord ‘gatter’ en ‘gloria’was hun uit de godsdienst wel vertrouwd. Zo pasten ze de hun onbekende woorden aan, aan daarop lijkende woorden die wèl vertrouwd klonken  en die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Zulke aanpassingen die met het begrip volksetymologie worden beschreven, komen in bijna alle talen voor. Het is buitengewoon stimulerend ze te onderzoeken.

Wat was er nu met de genoemde apparaten? Waarvoor dienden ze en hoe zagen ze eruit?

kwadrant in 2 andere standen

Een kwadrant is, zoals zijn Latijnse naam al zegt, een kwart van een cirkel, in de praktische uitvoering meestal een  kwart cirkelschijf. Op het gebogen deel – dus op het kwart van de cirkelomtrek – bevindt zich een getallenschaal van 0 tot 90 en in het middelpunt van de cirkel een draad met een gewicht, een schietlood dus, of een arm die kan draaien, de alhidade: vizierlineaal (een woord uit het Arabisch, zoals zo veel astronomische begrippen)

Met het loodkwadrant wordt zo gemeten: wanneer langs één van de beide rechte kanten van het kwadrant – dus langs de straal van de cirkel – een punt tussen horizon en zenith gepeilt wordt, geeft het loodrecht naar beneden hangende schietlood op de schaal de hoogtehoek aan, d.w.z. de hoek die de straal van de blikrichting naar de horizon en die naar het ruimtepunt met elkaar vormen. Wanneer dat punt op de horizon ligt, is de hoek 0′, ligt deze in het zenith, dan is hij 90′. Met het loodkwadrant wordt dus de hoek gemeten die een ster maakt met de horizon

De kwadrant met de vizierarm kan onafhankelijk van de horizon gebruikt worden, bv. om de hoek tussen 2 sterren te meten. Daarbij wordt tegelijkertijd gepeild langs de vizierarm en langs de zijde van het kwadrant, waartoe het apparaat in de regel vrij draaibaar op een standaard gemonteerd is en de meting door twee waarnemers tegelijk uitgevoerd kan worden. In plaats van een kwadrant heeft men ook dikwijls de handzamere sextant gebruikt die precies zo geconstrueerd is, maar als basis een zesde van een cirkel heeft (niet te verwarren met de pas in de 18e eeuw uitgevonden en tegenwoordig nog gebruikte spiegelsextant).

Het is niet zo moeilijk om met behulp van een passer, gradenboog en lineaal uit karton of triplex een kleine loodkwadrant te maken. Een zevende klasser zou hiertoe eigenlijk de gelegenheid moeten krijgen in de geschiedenis- of meetkundeperiode. Kwadranten waren in het tijdperk van de veroveringen onontbeerlijk voor de navigatie..

driekoningenspel gatter

Met een kompas – in de zin van een oud astronomisch apparaat – wordt niet, zoals men zou kunnen denken, een magneetkompas, maar een passer bedoeld. In het Engels is het duidelijk: passer is in die taal: a pair of compasses. Waar deze bij gebruikt werd, wordt pas duidelijk wanneer je de Himmels Globi, dus de hemelgloben bekijkt. Ze waren in de regel zo gemaakt dat de sterrenbeelden in spiegelbeeld afgebeeld werden, omdat men de hemelbol als van buitenaf bekeek en ze hadden aan de buitenkant een horizontale ring, die de positie van de horizon aangaf. Wilde men de afstand tussen twee sterren aan de hemelboog markeren, dan mat men eerst hun hoekafstand, bv. met behulp van een kwadrant, bracht deze hoek over op een steekpasser waarvan de lengte van de benen precies overeenkwam met de bolradius van de hemelglobe en zo kon men met de passerpunten deze afstand zuiver op de bovenkant van de hemelglobe overbrengen. Nu is het ook niet meer zo verwonderlijk waarom men op oude prenten de astronoom zo vaak met de passer in de hand voor een hemelglobe afgebeeld ziet.

 

Blijft nog het raadsel wat zich verbergt achter de woorden alle instrumenti – vertaald in – end instrumenten goet. Waarschijnlijk een kijker, die men echter niet mag verwarren met een verrekijker omdat er geen lenzen inzaten en misschien een jakobsstaf. De eerste is sinds de oudheid, de laatste sinds de 13e eeuw bekend.
Met een kijker, bv.een eenvoudige rol karton, kun je ook zonder de lichtconcentratie van lenzen het zicht op de hemel aanzienlijk verscherpen, omdat het oog zich fixeert op een klein stukje hemel.
Een jakobsstaf is een staf met een gradenschaal waarop een kortere dwarsstaf verschoven kan worden.

 

Peilt men 2 punten en verschuift men de dwarsstaf tot de punten precies met het einde samenvallen, dan kan men op de schaal van de hoofdstaf de hoek tussen de 2 punten aflezen.

Wat kun je van het bovenstaande nu gebruiken in het driekoningenspel?

Dat moet iedere ‘kompany’ zelf beslissen. Maar je kunt je afvragen hoe het staat met het bewustzijn waarnaar we ook op school vanuit de antroposofie streven, wanneer onbegrijpelijk verbasterde woorden alleen maar gebruikt worden om niet met een geliefde traditie te breken.

Klaarblijkelijk is aan het begin van deze traditie meteen al met een eerdere traditie gebroken, waardoor het tot onbegrijpelijke woordverbasteringen kwam.

De vraag hoeveel en welke astronomische instrumenten de page moet brengen, moet met veel inlevingsvermogen beantwoord worden. Een kerstspel is geen tentoonstelling. Vermoedelijk is een mooie, een koning waardige kijker genoeg, zoals tot nog toe bij de speltraditie in onze scholen gebruikelijk is.

(Klaus Hünig, Leherrundbrief dec. 1996)

[1] Helmut Sembdner, Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext
[
2] blz.179
[3] blz.35

In de tekst van het driekoningenspel waarover ik beschik, staan de woorden ‘gatter’ en ‘kompas’ aan elkaar geschreven. Uit bovenstaande blijkt dat er eigenlijk een spatie of komma tussen hoort: het zijn 2 instrumenten.

voor meer informatie over de instrumenten

 

695

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.

KERSTSPELEN – DRIEKONINGENSPEL

Met de opvoering van het Driekoningenspel is aan de meest intensieve tijd van feesten in de jaarkring een einde gekomen, en ietwat oneer­biedig kan het gevoel opkomen ‘nu dan weer tot de orde van de dag te kunnen terugkeren.’ Zo is het echter niet, juist dankzij het inten­sieve vieren van deze feesten en dankzij het er lange tijd voor- en ‘nabereidend’, mee omgaan, begin je te merken, dat er daardoor pas zo­iets als ‘orde’ van de dag kan zijn.

Zonder deze momenten van de jaarfeesten zouden immers de dagen geens­zins met orde verlopen,  integendeel,  een overgeleverd zijn aan de on­geordende bewegingen van de natuur, van weersgesteldheden, van de at­mosfeer zou het gevolg zijn. Een leven, waarin de stemmingen van het zielenleven zich zouden opvolgen ais wolkenflarden die aan de zon voor­bij trekken, of als de steeds wisselende temperaturen van het water. Het ordenende bewustzijn danken we echter aan een sfeer, die wijdser is dan de directe levenssfeer van de aarde, de sfeer van de hemellichamen, van de kosmos – waarin ook de betekenis van het woord ‘orde’ ligt opgesloten.
Hierop kan het Driekoningenspel ons wijzen, wanneer immers de alles omverwerpende gebeurtenis van de geboorte van het Christuskind zich in Palestina voordoet, waardoor een nieuwe orde der dingen ontstaat, dan is het niet een plotseling geruis door de bomen, of een schokken van de aarde, die ons dit wereldgebeuren meedeelt, maar een uit wereldruimten stralende ster ‘so noyt en wiert gesien’. Juist omdat deze gebeurtenis in de tijd een nieuwe orde schiep, moest de afspiegeling, daarvan zich groots en wijd in de ruimte voordoen.

Het is misschien mogelijk vanuit een bepaald gezichtspunt nog een korte blik op deze Drie Koningen te werpen, om te zien hoe in hun komst naar Bethlehem, en met name in de geschenken, die zij uit hun landen mee­brengen van oudsher de eenheid van deze Drie Koningen werd beleefd.
De drie afzonderlijke Koningen representeerden van dat geheel slechts een facet; zo sterk sprak die eenheid tot de verbeelding van het volk, dat in de legenden, die zich rond deze figuren sponnen, Balthasar, Kaspar en Melchior als onafscheidelijk werden gezien, van het moment dat de afzonderlijke wegen hen tezamen had gebracht tot en met het moment van de dood toe, waar de reeds gestorven en begraven Baltha­sar en Melchior in hun graf opschuiven en plaats maken, wanneer de jongere Kaspar komt te sterven en in hetzelfde graf wordt bijgezet.

Tegenover hen stonden de Herders, niet ‘de drie Herders’, hoewel door de volksspelen in de 15e eeuw langzamerhand een zekere indivi­dualisering is opgetreden, waardoor enkele van hen een naam kregen – die weliswaar niet in de legenden voorkomt, maar die ons in de loop der tijden haast even vertrouwd in de oren is gaan klinken als die van Kaspar, Balthasar en Melchior. Maar net zomin als de geschenken van de Herders hun betekenis ontlenen aan de veredeling, die zij door de bewerking van mensenhanden hebben ondergaan – immers wol, meel, melk en het lam (gaven, die niet in de Evangeliën worden ge­noemd) zijn geschenken, die uit de directe levensgemeenschap van de Herders met de natuur voortkomen (de natuur schenkt als het ware door de herders heen), zo zijn het niet de individualiteiten die de geschenken aanbieden, waar het hier om gaat. Hier is het geschenk eerder ‘voorwendsel’ voor de allerarmsten, voor hen die niets bezitten, om het licht van het Christuskind te mogen aanschouwen, in de stal te mogen zijn en niet met lege handen te hoeven staan.

Met de geschenken, die de allerrijksten brachten, en die met grote zorg waren uitgezocht, heeft zich begrijpelijkerwijze al vrij vroeg een symbolische betekenis verbonden.

Dat in dit kind een Koning geëerd werd, die over de gehele wereld zou regeren met Goddelijke macht, kon alleen worden uitgedrukt in het G O U D, in een gouden appel. Dat deze heerschappij berustte op de Goddelijkheid van deze Majesteit, en dat aan deze Godheid hulde ge­bracht moest worden, werd zichtbaar in de zich vervluchtigende rook van de W I E R O O K, en dat deze God, die met zijn geboorte op aarde het lot van de mens, van de sterfelijkheid van de mens op zich nam, vond zijn weerspiegeling in de M I  R R E,  die vanouds bij elk begra­fenisritueel werd gebruikt.  Zo vond in deze drie geschenken het aardse antwoord, de bevestiging van de geboorte van dit Goddelijk menselijkwezen plaats.

Melchior schenkt in onderwerping aan de Majesteit van de nieuw gevonden Koning het goud,  hopend op genade.
Kaspar schenkt de mirre, roemend en prijzend het wonder van de geboorte van het Goddelijke in een teer, broos, menselijk lichaam -‘hoe is U woningh so arrem bestelt.
Balthasar schenkt de wierook en eert daarmee de hoogste Goddelijke Held en Koning.
Maar meer kunnen deze geschenken voor ons zijn, wanneer ze worden
gezien als een tijdeloze afspiegeling van onze groeiende verhouding tot het hogere;  wanneer de mirre het beeld wordt van het terugdringen van het zintuiglijke leven,  van het afsterven voor de steeds wisselende indrukken van buiten, wanneer in de wierook tot uitdrukking komt hoe. door een innerlijk ruimte maken, inhouden in de ziel kunnen worden opgenomen en kunnen groeien, en hoe van daaruit in het goud,  de liefde, die als dank voor de nieuwe innerlijke openbaring kan oplichten, wordt uitgedrukt. Zo spraken de middeleeuwse schrijvers nog over de beteke­nis van deze gaven.

Wanneer in dit verdere verloop nog iets over de Drie Koningen afzon­derlijk gezegd wordt, geschiedt dat niet aan de hand van een middel­eeuwse schrijver, maar aan de hand van een voordracht van Rudolf Steiner.
Steiner bespeekt in een pedagogische voordracht, hoe de drie verschillende logische functies, het voorstellen, het oordelen en het besluiten, die de mens met zijn
zieleorganisme uitvoert, en waarin we respectievelijk de zielenactiviteiten van het denken, voelen en willen werkzaam zien, hoe we min of meer gewend zijn deze drie functies in de hersenen gelokaliseerd te zien, waardoor een oefenen van deze vermogens dientengevolge in het verleden als een scholen van het exact-logische,  causale denken werd gezien. Steiner wijst erop, dat dit niet  juist is, dat eigenlijk alleen de functie van het voorstel­len aan het denken, aan het hoofd in directe zin is gebonden, terwijl de grondslag van het oordelen bijvoorbeeld niet in de hersenen is te vinden, maar in armen en handen. ‘In werkelijkheid oordelen wij met onze armen en handen.’ En zoals de armen en handen niet het oordeel, maar de activiteit van het oordelen mogelijk maken, zo zijn het volgens Steiner de benen en de voeten, die samenhangen met het vermogen om besluiten te nemen. Los van de betekenis, die deze inzichten hebben voor een opvoedkunst, die zich de ontwikkeling van deze vermogens ten doel stelt- een heel nieuw licht wordt hierdoor bijvoorbeeld op een vak als handvaardigheid of euritmie geworpen – kan ons aan een korte beschouwing over de Drie Koningen iets van de waarheid van een der­gelijk, niet direct  controleerbaar gezichtspunt duidelijk worden. 

Vanuit een werkelijk kunstzinnig scheppingsproces, dat van een inspiratief beleven van de waarheid is doortrokken, moet in het tot leven brengen van deze drie gestalten zichtbaar worden, hoe de drie verschil­lende zielenhoudingen van deze wijzen zich ook in hun denken op ver­schillende manieren uitten.

Er zullen zo vanuit de kunstzinnige oerbron, van waaruit aan deze
personen in de middeleeuwen gestalte werd gegeven, al vanzelfsprekend
verschillen ontstaan al naar gelang een sterker benadrukken van het
voorstellende, oordelende of besluitende karakter, dat het denken van
deze Koningen eigen is.

De werkelijke inspiratie en de waarheid van waaruit deze middeleeuwse spelen kunstzinnig vorm kregen, stond er echter borg voor, dat deze elementen niet als een abstract gegeven of een theorie aan ons ver­schijnen.

Ze zijn niet aan de figuren ‘opgehangen’, integendeel, er wordt
zichtbaar, hoe dit verschillend gerichte denken uit een levend beeld van de veschillende geaardheid van deze Koningen voortsproot, en hoe tot in hun spreken en bewegen dit principe op de wijze, zoals dit door Rudolf Steiner werd beschreven,  onbewust in hun scheppingen vorm kreeg. Hoewel het niet in de bedoeling kan liggen de Kerstspelen tot vrij gebied voor schriftgeleerden te verklaren, van het bovenstaande hier tot slot een enkel voorbeeld.

Melchior is de enige Koning door wie de directe waarneming van de ster wordt beschreven; uitvoerig neemt hij waar en bouwt het inner­lijk beeld op, waarvan hij het raadsel ter oplossing, de mathemati­cus te duiden geeft.
Op grond van zijn waarnemen en doorzien van de situatie draagt hij in het verdere verloop mogelijke oplossingen aan. Zo verbindt hij telkens een oude situatie met een nieuwe. Wanneer de ster verdwenen is, het optrekken naar Jerusalem; na het bezoek aan Herodes het verder trekken naar Bethlehem, enzovoorts, maar in de stal spreekt in zijn herinnering het beeld van Herodes, tot wie de Koningen zouden terugreizen: hij brengt het heden met wat direct vooraf ging in verbinding.   Zo rijgen de beelden, de voorstellingen zich aaneen, en wanneer het denken zijn zekerheid eenmaal gevonden heeft, brengen de v r a g e n  van dit hoofdgebonden denken: welk geschenk, welke weg? hem niet van zijn stuk.                     .

Balthasar, de oudste der koningen, treedt nooit als eerste op, hij
laat de anderen voorgaan, heeft een situatie nodig waarop hij deze
met de zijne vergelijkend, kan reageren. Er moet al een soort
herkennen zijn, dan kan hij vanuit hartenkrachten oordelen en bezit hij
zijn zekerheid; hij weet het passende geschenk, en waar ‘twee wegen’
zijn, de juiste weg. Hij weet, dat op de plaats waar de ster stilstaat
het kind zich bevindt. Het is dan ook Balthasar, die ten afscheid in
de stal de zegen uitspreekt en daartoe armen en handen uitspreidt.
Hier, op dit gebied heeft zijn oordelen een zekere mate van vrijheid
in het bewegen geschapen, of anders gezegd, het vrije bewegen van
armen en handen in gebed, offeren en zegening leidt bij Balthasar tot
de innerlijke zekerheid in het oordeel.

Kaspar is de enige Koning, de jongste, die op weg trekt zonder dat uitgesproken werd waarheen. Zijn vertrouwen in de ster is voldoende. Het jong zijn verklaart iets van zijn spontaan, direct reageren – zo soms neigend naar het naïeve – en zijn vermogen tot het zich verwon­deren uit zich in al zijn ontmoetingen met mensen. Bethlehem wordt niet genoemd. Hij draagt zijn doel in zich, in een diepere, haast onbewuste laag, van waaruit hij, op het moment van de plotselinge twijfel, van de ‘dwaligh’ ruw wordt losgerukt.

De bede van Kaspar is er een om de ‘regte baen’. Zijn voeten moeten immers de weg kunnen blijven volgen. Daaruit ontspruit dan de besluitkracht, waarmee hij zich actief met de wereld om zich heen kan verhouden.

Zö zien we deze Koningen vóór ons, in hun voortbewegen en voort­schrijden ervaren we een levendigheid en een vrijheid, die ons bewust kunnen maken hoe willekeurig en krom onze eigen banen meestal zijn, hoe star ons voor of tegen, ons ja of nee, en hoe sprin­gerig en vluchtig, ons denken.

Een dergelijke beschouwing kan opnieuw, vanuit één bepaalde gezichts­hoek duidelijk maken welke grote wijsheden er in de Kerstspelen ver­borgen zijn, en richt de blik op de bron van waaruit dit weten is voortgekomen.

(Magchiel Matthijsen, DRIELUIK, mededelingenblad van Zeister vrijeschool, datum onbekend)

.

Driekoningenalle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

414-388

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.
Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend
.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld.
We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel: een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.K  over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (1)

.

DE VIER ADVENTSZONDAGEN

Waarom zijn er vier adventszondagen, voorafgaande aan Kerstmis? De vorige keer heb ik bij de NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR de adventstijd helemaal niet meegeteld. Advent is dan ook in zekere zin een voorbereidingstijd. In de tijd van het jaar die beleefd wordt als de donkerste tijd van het jaar, verwachten we de KOMST VAN HET LICHT. We doen dat in vier grote stappen van een week. De zondag is de enige juiste dag ervoor om die stap te markeren. Niet alleen is sedert de Kruisiging en Opstanding de Zondag de belangrijkste dag van de week geworden – daarvoor was het de Zaterdag (Sabbath) -; de zondag is ook de eerste dag van de week, altijd geweest, al vanaf het Scheppingsver­haal uit het Oude Testament, dus in de voor-chris­telijke tijd. (Op school moeten we noodgedwongen deze adventsweken op maandag vieren, omdat er op zondag natuurlijk geen lessen zijn. Maar wel zijn er de Zondagshandelingen en daarin kunnen de kinderen van de hele onderbouw, want ook de 1e-klassers mogen dan voor het eerst de Kinderhande­ling meemaken, de adventszondagen in schoolverband beleven.)

Advent betekent: DE BINNENKOMST, iets anders dan Verwachting, maar beide betekenissen spelen door elkaar. Op 1e advent is alles nog heel pril: één kaarsje in de adventskrans brandt nog maar.
Maar weldra is daar al het Sinterklaasgebeuren. Op Sinterklaas, verbonden met het lot en de wil is in de vorige Branding uitvoerig ingegaan. Dat Sinter­klaas altijd in de adventstijd valt, moet toch eigenlijk wel als heel bijzonder worden opgevat. Sint-Nicolaas is dan ook een wegbereider van het kerstkind, in een prachtig verhaal van D. Udo de Haes:  ‘Sint-Nicolaas, de Kerstbode’ genoemd. Sinterklaas valt dit jaar* op de dinsdag van de 1e adventsweek, vorig jaar echter op de maandag van de 2e adventsweek.
Een week na 6 december hebben we vervolgens Sinte-Lucia, de Lichtbrengster, vooral in Zweden wordt dit feest veel gevierd. Opvallend is dat bijvoorbeeld de zon niet meer later onder­gaat, dus dat het vanaf Sinte-Lucia ’s middags al is afgelopen met steeds donkerder te worden, terwijl voor de ochtenden geldt dat pas na DRIEKO­NINGEN (6 januari) de zon steeds vroeger opgaat.
Advent begon vroeger op en met Sint-Maarten {11 november). Hij was de eerste die het Licht van het Christuskind bracht, nu zodanig gevierd dat we een kaarsje in een lantaarntje doen en daarmee in het pikkedonker gaan lopen.

In het Kerstspel uit Oberufer, dat de leraren van alle vrijescholen ieder jaar voor hun leerlingen opvoeren, komen we dit beeld opnieuw tegen: de zgn. Goede Waard, dat is de laatste van de drie waarden, vaak door een juffie gespeeld, heeft een lantaarn in haar hand, waaruit ze na de geboorte van het Kindje het licht haalt om er de kaarsjes in de kerstboom, die zich achter Jozef en Maria bevindt, mee aan te steken. In de stal waarin ze Jozef en Maria brengt laat ze de lantaarn bij Jozef achter. En Jozef licht met deze zelfde lantaarn ten slotte de drie herders, die op zoek zijn naar de stal, bij.

Sint-Maarten zelf trok vanuit Pannonië, in het huidige Hongarije, via Padua naar Frankrijk. Bij Amiens moet de bekende ontmoeting met de bedelaar hebben plaats gevonden. Hij werd vervolgens bis­schop van Tours, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, zorgde voor armen en zieken en trok ieder jaar naar het onbekende hoge noorden tot in onze streken om de KOMST VAN CHRISTUS niet alleen te verkondigen, maar ook al weer door het stichten van kapelletjes en ziekenhuizen te laten ervaren.  (Vandaar de Sint- Maartensoptochtjes van 2 of 3 kinderen van deur naar deur om het licht te brengen.
Als we nu de periode van Sint-Maarten tot Kerstmis nemen, dan komen we op 43 of 44 dagen. Maar tot 21 december, de dag waarop de winterzonnewende valt is het precies 40 dagen.

advent 1

Kerstmis – de geboorte van het Kerstkind-  valt drie dagen later, immers: het kind wordt geboren te middernacht van 24 op 25 december. Het tijdperk van 40 dagen is een heilig tijdperk. Christus bracht 40 dagen in de woestijn door met vasten; het is dus een periode waarin de mens kan versterven, dat wil zeggen: door geen voedsel te nemen te vergeestelijken. Een even lange periode van 40 dagen kennen we na Kerstmis – we komen dan op 2 februari, vanouds de dag waarop de Kersttijd definitief werd afgesloten met een processie, met het opbranden van de kaarsresten en een vrije dag voor iedereen met kermis en dansen.

Waarom is advent nu echter beperkt tot 4 zondagen? Dat heeft er mee te maken dat het niet alleen om een geestelijke gebeurtenis gaat, maar ook om een aardse. Het getal 3 is een kosmisch getal: het beeld voor de goddelijkheid, de driehoek.  In het Kerstspel worden ze na elkaar gegroet:

‘Groetenme God vader in synen troon
en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naôme en
groetenmens al gedrie te saômen.’

Het getal 4 is 3 plus 1. Het getal 4 is aards, verbonden mét en beeld van de aarde. Het vierkant is het teken voor aarde, maar ook het kruis. De vier windrichtingen geven dit het duidelijkst aan. Iedere kerk werd vroeger als een kruis gebouwd, met bovenop de toren een haan op een windwijzer.  In het Kerstspel treffen we 3 herders aan, 3 waarden, 3 koningen, 3 schriftgeleerden, en ineens zijn het er 4, doordat er telkens een vierde bijkomt. Als de Drie Koningen bij Koning Herodes komen wordt het opeens een aardse aangelegenheid. Als de vierde herder (Crispijn) er bij komt, belooft hij dat hij het kind een slip van zijn pelsvacht zal schenken. De drie waarden in het Kerstspel zijn het tegen­beeld van de warme, meevoelende herders. Het zijn aardse, zelfgenoegzame personen, die er niet in het minst voor voelen daadwerkelijk de helpende hand uit te steken, zelfs niet de Goede Waard met de lantaarn. Pas als de 4e waard komt, Jozef, die de lantaarn opneemt en gaat kijken wie er buiten de stal staan te roepen, en er de 3 herders aantreft, wordt beleefbaar wat gastvrijheid betekent. Hij zegt:

‘Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt –
hier leytet kind daer van ghy seght.’

Ook in het ‘ Drieconinghenspel’ treffen we zo’n tegenbeeld aan, nu van de drie koningen: de drie schriftgeleerden, in wezen toch mensen die omgaan met geestelijke zaken, gebeurtenissen, openbarin­gen. Maar zij blijven bij hun tekst en verklaren alles vanuit de dode letter. Pas als Koning Herodes aan de Hoofdman opdracht heeft gegeven ‘tot alle landpaelen af te condighen dat men ombrenghe alle knegtjens cleyn so tweejaerigh en daar onder syn’ komt de vierde schriftgeleerde (Judas) naar voren, die angstig naar de hoofdman luistert en dan uitroept:
‘o wee, o wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaat,
onse kinderkens moetens worren gedoot?
ach, wat salt gheven, smert, pyn ende   noot!’

Hij moet dit met zijn leven bekopen…

Waar het nu om gaat in de kersttijd, is het beleven dat Gods Zoon op aarde geboren wordt en dat gebeurt door op 4 zondagen achtereen advent te vieren. Heel geleidelijk nadert het Kerstkind de aarde en doordringt zo de 4 natuurrijken: het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. We vieren dit heel dikwijls zo dat we de vier adventszondagen verbinden met deze vier natuurrij­ken:

1e advent – minerale rijk
2e advent – plantenrijk
3e advent – dierenrijk
4e advent – mensenrijk.

We leggen dan bij of onder de adventskrans of op een plek waar we later het Kindje in het kribbetje uitbeelden op de 1e advent mineralen: stenen,
op 2e advent komen daar planten bij, of in ieder geval van planten afkomstige voorwerpen.
Op 3e advent materiaal van dieren afkomstig, zoals bijvoorbeeld een plukje schapenwol, als het kan dierfiguren gemaakt van dierlijke stoffen.
En op 4e advent komt de mens: dat kan al een menselijke gestalte zijn van bijenwas, maar ook poppen van hout, van stof, of van wat voor materiaal.

Op deze vier natuurrijken zal in deze en de volgen­de Branding vanuit de leerstof door een aantal collega’s nader worden ingegaan.

Een goede advents- en kersttijd gewenst.

(Hans ter Beek, Rudolf Steiner School Nijmegen, *nadere gegevens onbekend)
.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

305-285

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – regie-aanwijzingen algemeen

.

Dit is een verslag van een bijeenkomst voor regisseurs van de kerstspelen van 8.11.1979.

Inleiding  kerstspelen voor de leraren

Beste mensen,

Vorig jaar oktober is voor het eerst in de geschiedenis in Dornach een bijeenkomst geweest van kerstspelregisseurs.

Nu het aantal scholen, heilpedagogische instituten en andere plaatsen gestaag groeit, waar deze spelen opgevoerd worden, ontstond de behoefte bij velen om zich intensief met de regie bezig te houden, zich er grondig in te verdiepen.

Uit de wijze waarop vanaf het allereerste begin in de tijd van Rudolf Steiner met deze spelen is omgegaan, kan men direct afleiden, dat men hier te maken heeft met zeer bijzondere spelen, die niet zo maar elke benadering van een zich vrij voelende regisseur verdragen.

Vorig jaar hebben we ons daar sterk bezig gehouden met het geboortespel, dit jaar, dus net in de afgelopen herfstvakantie met het paradijsspel en volgend jaar zal het driekoningenspel aan de orde komen.

Nu is over de geschiedenis van de spelen, nl. hoe ze uit het gebied van de Elzas terecht zijn gekomen in het Hongaarse Oberufer en hoe ze daar op het laatste nippertje vlak voor het in vergetelheid raken, zijn ontdekt door Karl Julius Schroer, die ze aan R. Steiner liet zien, genoeg bekend, en ik kan iedereen zeer aanraden daarover te lezen in de  “Ansprachen zu den Weihnachtspielen”. [GA 274] Vertaald op deze blog.

Het is trouwens voor onze drie groepen die nu aan het oefenen zijn gegaan, zeer waardevol en aan te raden hieruit stukken voor te lezen, om iets van de stemming en de stijl en het ontstaan van de spelen te weten te komen.

Veel minder bekend zijn echte concrete regie-aanwijzingen, omdat die tot nu toe nooit op schrift zijn gesteld. Er zijn nog enkele oudere mensen die oorspronkelijke exemplaren beweren te hebben en misschien ook in werkelijkheid wel hebben, waar aanwijzingen van R. Steiner op zouden staan. En als die er inderdaad op staan, heeft het alleen maar zin om die toe te passen, als men de zin er van doorgronden kan.

Op de Tagung in Dornach van vorig jaar kwam al meteen duidelijk tot uiting, dat er tegenwoordig drie ‘kerstspelstromingen’ bestaan, die zich alle drie beroepen op authenticiteit en Rudolf Steiners ‘Angaben’, hoewel ze alle drie totaal verschillende zijn. Dit zijn Dornach, Berlijn en Stuttgart.

Een voorbeeld:  In Dornach staat de boom in het paradijsspel en kerstspel ietsje links van het midden, vanuit de toeschouwer gezien, terwijl in Stuttgart van achter het toneel slechts enkele dennentakken uit de coulissen steken, zodat het hele podium verder vrij is. En dat heeft men altijd zo gelaten.

Persoonlijk ben ik van mening, dat hier slechts praktische oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen: waarschijnlijk zal de grootte van het Stuttgarter toneel geen hele boom hebben toegelaten.

Nu hebben wij in Dornach vorig jaar en ook dit jaar weer het grote geluk gehad, in ons midden te hebben de heer Schmidt die indertijd onder Rudolf Steiner zelf de uitvoeringen heeft meegemaakt en tientallen jaren tot op vandaag de dag, met de toneelspelers van de Dornacher Bühne elk jaar de spelen opnieuw instudeert. Ook volgens hem zijn vele verschillen op praktische omstandigheden terug te voeren, omdat op het ene toneel bv. de trap rechts zit (zoals oorspronkelijk in de Schreinerei) en ergens anders de trap links zit (bv. in de Grundsteinsaal van het Goetheanum).

Dat de drie Schriftgeleerden met bank en al languit op de grond vallen als ze terug komen van Herodes,  zoals het ook in de teksten staat, berust op een toevallige gebeurtenis. Eens ten tijde van Steiner is die bank ongevallen en dat beviel zo goed dat men het altijd zo heeft gelaten.

Maar dit soort zaken hebben alle nog betrekking op uiterlijkheden. En niet alle uiterlijkheden hebben een diepere achtergrond. Er zijn echter andere zaken – en nu komen we meer op innerlijke aspecten van deze spelen — die zich niet zo maar laten veranderen, al zouden uiterlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Natuurlijk willen vele spelers er in een bepaald jaar eens een ander nieuw element aan toevoegen, iets veranderen, “verbeteren”. En dan rijst de vraag: hoe ver kan en mag men daarmee gaan?

Dit hangt er nu helemaal vanaf hoe men de spelen ziet, en vooral wat men ermee bereiken wil. Meestal komen wij niet verder dan te zeggen: het is een kerstgeschenk van de leerkrachten aan de kinderen. Maar zo eenvoudig ligt de zaak m.i. niet.

Want het kerstgeschenk dat wij leraren onze kinderen aanbieden is niets minder dan een op het toneel in beeldvorm opgevoerde menselijke ontwikkelingsweg. Het is in een kort bestek de hele mensheidsgeschiedenis, beginnend in een oer-verleden, in het paradijs, dan de zondeval, de hoop op   de weg terug, en op het moment van de diepste aardeduisternis in de Grieks-Romeinse cultuurperiode de geboorte van de verlosser. Ten slotte het Driekoningenspel dat werkelijk ongelofelijk actueel is en zelfs naar een toekomst wijst die voor ons mensen nog ver in het verschiet ligt.

Het op het toneel tonen van een menselijke ontwikkelingsweg in beeld, noemt men een mysteriespel. Dat heb ik de vorige keer, toen ik kort iets over de spelen hier heb gezegd ook al aangeduid. De mysteriespelen ontstonden in de Griekse cultuurperiode, werden geleid vanuit de mysteriën en hadden tot doel het volk zo te leiden en op te voeden, dat het zich naar de toekomst toe verder in juiste zin kon ontwikkelen.

Waarom waren die mysteriespelen er dan niet al veel eerder? Omdat ze niet nodig waren! Vanuit de grote verbondenheid met de bovenzinnelijke wereld wisten de mensen, maar vooral de mensheidsleiders, de priesterkoningen, heel precies hoe de aarde bebouwd en bewoond moest worden. Maar in de Grieks-Romeinse tijd wist men dat niet meer. En, hoewel we dit allemaal weten is het toch goed dit misschien nog eens in het bewustzijn te roepen, namelijk, dat wij op school in sprookjes, fabels, legenden en mythologie ook de kinderen in beeldvorm de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid en de ontwikkeling van een individu verhalend vertellen. Allemaal dingen die wij volwassenen elkaar rechtstreeks kunnen vertellen, maar die een kind alleen in een beeld kan opnemen. Zo werd eens de mensheid in de Griekse tijd in grootse beelden onderwezen, nl. in de beelden die zij op het toneel zagen. En daaruit is alle toneel gegroeid, tot en met Shakespeare toe, ja zelfs tot Brecht en Pinter. Het is allemaal ontstaan als mysteriedrama. En die werden tot ver in de late middeleeuwen opgevoerd, toen natuurlijk geleid vanuit de broedergemeenten die er waren en de kerk. Maar ze hadden eigenlijk hetzelfde doel. Het mysterie-element is natuurlijk verdwenen.

Nu hebben onze Oberuferspelen niet alleen mysteriekarakter, doordat bv. de “company” nu is, wat het Griekse koor vroeger was, maar het zijn regelrecht mysterie-spelen, in de meest diepe zin van het woord. Want de mens gaat er door belevenissen en klimt geestelijk omhoog. En de toeschouwer beleeft eerst ANGST als Adam en Eva uit het paradijs worden gestoten en in de aarde-eenzaamheid komen. Maar dan beleven ze ook medelijden. En ten slotte beleven ze de loutering mee die Adam doormaakt als de duivelse ketting van hem is afgevallen. De mens gaat door angst, medelijden en loutering. Dat maakten de Grieken ook door en daardoor konden zij het komende jaar aan, totdat weer nieuwe mysteriespelen opgevoerd werden. Ik heb, meen ik, de vorige keer al gezegd dat zoiets twee maal per jaar gebeurde, gedurende drie dagen. Elke dag een zwaar drama, waarin de toeschouwer van de beleving van ANGST via MEDELIJDEN kwam tot de LOUTERING, de catharsis. En dan ’s avonds de komedie, waarvan we aspecten in ons herdersspel terug kunnen vinden.

Maar als het waar is dat onze Oberuferspelen mysteriespelen zijn, dan werken ze ook als zodanig op de toeschouwers, nl. onze kinderen. En dan maakt het een groot verschil of de beelden berusten op een objectieve waarheid, of zo maar op een holle traditie of een leuke verandering.

Bijvoorbeeld : Waarom loopt Eva in het Paradijsspel eerst achter Adam, dus bijna achteraan? En waarom loopt zij aan het eind vlak achter Godvader, helemaal vooraan, terwijl Adam en de duivel achteraan lopen. We komen nu heel concreet in de achtergronden van wat we doen. Dat is, omdat we de kinderen willen laten beleven: eerst werd Eva gemaakt uit een ribbe van Adam. En in Dornach laat Godvader een echte materiële rib zien. Zij is dus gemaakt uit het middengebied van Adam. Eva is een en al middengebied. Zij is dus gemoed, gevoel en veel minder hoofdmens of ledematenmens. Bij Adam zegt Godvader: “Neemt ook verstand….” Dan: “Zo leef dan Adam” en ten slotte: “Ga steevast op Uw voeten staan.” Daar heb je de hele DRIELEDIGE MENS. Maar dat zegt Godvader niet bij Eva. Zij heeft veel minder bewustzijn aan de ene kant en minder daadkracht aan de andere kant. Daarom kan zij ook instrument worden van de duivel. Maar ook daarom gebeurt er innerlijk met haar helemaal niets als ze in de appel bijt. Haar bewustzijn verandert misschien wel, maar het dringt niet tot haar bewuste IK door.
De vrouw heeft sindsdien de gevoels- en gemoedskrachten veel sterker bewaard. In zekere zin is Eva veel oorspronkelijker gebleven dan Adam, die veel sterker aarde- en materiegericht is geworden dan Eva.

En daarom, om dat element de kinderen in beeld te laten zien, loopt zij op het eind dichter bij Godvader. Zo concreet laten wij de dingen aan de kinderen zien. Als de kinderen later leren wat vrouwenemancipatie is en te horen krijgen dat man en vrouw gelijk zijn, zullen zij hopelijk uit dit grandioze beeld de specifieke vrouwelijke en manlijke kwaliteiten herkennen.

Maar wat het meest direct de kinderen aanspreekt zijn in hoofdzaak de gebaren. Velen van jullie, en misschien nog wel het meest de kleuterjuffies, zullen bemerkt hebben, hoe stek de kinderen worden aangesproken door de gebaren die ze zien. Spelen ze thuis Maria of Jozef of de herders, dan zul je flarden tekst te horen krijgen waarin veel door elkaar gehaald is, maar dat geeft niet. De gebaren van Gallus en Witok, als ze uitglijden op het ijs, weten ze feilloos na te bootsen. De waargenomen gebaren gaan bij de kinderen zeer diep.

Wij hebben dan ook een zeer grote verantwoordelijkheid, welke gebaren wij op het toneel hebben en vooral of ze waar zijn en doorleefd.

De oude Griekse mysteriespelen kenden, vanuit de mysteriën in hoofdzaak zes grondgebaren. Deze zes grondgebaren of zielennuances vormen de hoekstenen van de opleiding Sprachgestaltung.  De beroepsacteurs uit Dornach, dus de mensen die daar Rudolf Steiners Mysteriedrama’s opvoeren werken er zeer intensief mee. Zij hebben met ons samen de regisseurs—Tagung meegemaakt en hebben ons laten zien hoe ze er mee werken.

Voor acteurs, die een werkelijke vernieuwing van de dramatische kunst nastreefden, heeft Rudolf Steiner de zgn. “Dramatische cursus” gegeven, waarbij ook de spraakvorming hoort. Daarin is beschreven hoe die grondnuances waren. Elk gebaar, welk dan ook, is van deze grondgebaren een afzwakking, is ervan afgeleid. Ja, Steiner zegt in de tweede voordracht letterlijk: Op het toneel is geen gerechtvaardigd gebaar of het moet afgeleid zijn uit deze zes grondgebaren.
Hoe wij daar in Dornach mee geoefend hebben en waar men ze concreet in de kerst­spelen kan terugvinden wilde ik nog kort aanduiden.

Het gaat er dus om, dat de menselijke ziel zich uit. Dit doet hij door taal en gebaar. Maar in onze ver voortgeschreden cultuur heeft de spraak zelf geen gebarenkarakter meer. De oertaal moet het gehad hebben en de euritmie heeft het weer gekregen, maar onze gewone taal, ook die van het toneel, heeft het niet. Telkens weer wijst Steiner de cursisten erop, van het gebaar tot de spraak te komen.

1) Gaan we uit van het uiterlijke gegeven, dat de mens wil dat zijn spraak WERKZAAM, EFFECTIEF wil zijn. Dat is het eerste: EFFECTIEF.

2) Dit kan alleen als hij met die zielenuiting door de taal een gedachte verbindt. Wordt dit sterk, dan wordt de mens bedachtzaam. Dat is het tweede, bedachtzaam. De taal wordt immers pas wezenlijk als er doorheen een belangrijke gedachte klinkt. Anders praten we alleen om te praten, maar daar gaat het natuurlijk niet om.

3) Gaat de zielenopenbaring verder van mij vandaan, dan kan ik vaak mij onzeker voelen, tastend, in betrekking tot de buitenwereld. Dit komt in de taal vaak tot uiting in vragen en wensen. (”Ben ik daar wel tegen opgewassen? Kan ik die klas aan? Ach…had ik maar wat meer tijd om me voor te bereiden.” enz.) Onzekerheid dus.  Dat is het derde: naar voren tasten.)
Gaat dit nog een stapje verder, maar dat hoort direct bij 3, dan is er sprake van besluiteloosheid.

4) Wanneer mijn ziel zich uit, dan kan het zijn dat antipathie mij tegemoet komt. Ik wijs het af. Dus: ANTIPATHIE-AFWIJZEND. Dat is het vierde.

5) Maar er kan mij ook sympathie bejegenen, of ik voel sympathie van mij uitgaan. Dan bekrachtig ik. SYMPATHIE- BEKRACHTIGEND.

6) Ten slotte kan ik mij in mijn zielenuiting willen terugtrekken op mij zelf. Ik maak mij los van de omgeving. Hierna kan de hele cyclus weer van voren af aan beginnen. Een soort ademingsproces dus, tussen mijn ziel en dat wat ik uit de omgeving gewaar wordt.

En nu de gebaren die daarbij horen.

1) Bij het werkzame woord hoort een sterk DUIDEND gebaar. Iemand die effectief wil zijn gebruikt duidende, aanwijzende gebaren. Steiner zegt dat het bestuderen van die gebaren voor de acteur van het grootste belang is. Dan moet hij niet naar Engeland gaan. (Handen in de zakken.) Maar bv. naar Italië. In de schilderkunst van de Italiaanse Renaissance (Leonardo) is dat duidende gebaar goed waar te nemen. (laten zien het schilderij van de “Duidende vrouw.”)

2) Bij het bedachtzame hoort een gebaar, waarbij men de armen en handen aan zich­zelf houdt. Bv. Vinger op voorhoofd: nadenken.

3) Bij het naar voren tasten hoort een rollende beweging van de armen, waarbij de handpalmen naar beneden zijn gericht en de handen open zijn. De beweging rolt naar voren.

4) Bij antipathie wil ik mijn armen en benen van mijn lichaam wegslingeren.

5) Bij sympathie wil ik het object aanraken, mijn ledematen er liefkozend naar uitstrekken,  (beroeren.)

6) Wil ik mij terugtrekken op mijzelf dan maak ik een kort afwerend gebaar, waar­bij de armen kort afgezet worden van het eigen lichaam, ietsje schuin naar beneden.

En nu moeten we proberen vanuit deze gebaren de weg naar de taal terug te vinden. Dat hebben we in Dornach zo geoefend, dat je probeert je in te leven in de stemming, die van dat gebaar uitgaat. Dat deden we vanuit hele concrete situaties. Bv. hebben we gespeeld zonder taal eerst. Eerst alleen gebaar: Iemand heeft een vermoeiende congresdag achter de rug en het zat nogal tegen. Euritmisch is hij in een “E-” stemming. Afwijzend. Bewust. Vermoeid. Hij komt op zijn hotelkamer, waar plotseling het licht uitvalt. Dan is hij eerst wat angstig. Hij voelt zich a.h.w. “U”. Maar dan herinnert hij zich dat hij in zijn koffer een zaklantaarn heeft. Er gaat hem innerlijk een licht op, dus voelt hij zich “I”. Terwijl hij in het donker voorttast naar zijn koffer, struikelt hij over de stoel. Daardoor voelt hij zich weer ellendig: ‘E’, ‘E’, ‘E’. Dan vindt hij gelukkig de zaklantaarn:  “AA”  “AA”   “AA”. En op hetzelfde moment gaat het licht weer aan: “OO”,  “OO”.

Zo hebben we vele oefeningen gezien die de Dornacher toneelspelers voor ons hebben opgevoerd. Dit kun je ook doen met iemand die buiten slaapt, ontwaakt door de eerste zonnestralen en een prachtige zonsopgang ziet. Wat beleeft hij? Dan wordt het licht steeds feller, en verblindt hem tenslotte. Een zeer leerzame oefening.

Ook kun je in temperamenten oefenen: een cholerische dame die aan een flegmatische stationschef vraagt naar welk perron ze moet, terwijl de trein al moet vertrekken. Enz. enz.

Waar het bij al deze oefeningen om gaat, is om in de juiste klankstemming te komen, die aan dat gebaar beleefbaar wordt. Wij hebben helaas geen tijd om zulke oefeningen te doen. Maar zou een groep er eens in slagen echt direct na Michael te beginnen, dan kun je deze dingen natuurlijk doen en dan zal blijken hoe vruchtbaar ze zijn. Nu naar de taal, waarbij we even willen afzien van het vocale- en consonantische. Daarover zou nog apart gesproken moeten worden. De tijd staat dat helaas niet toe.

1) Bij het effectieve in de taal en het duidende gebaar hoort de taal indringend te zijn. Steiner spreekt zelfs van “schneidend”. Van zelfs iets metaalachtigs krijgen.

2) Bij het bedachtzame van de zielenuiting en het aan zich houdende gebaar hoort een volle, gedragen taal.

3) Bij het besluitloze en stilhouden der ledematen wordt de taal langzaam en slepend, getrokken.

4) Bij het onzeker naar voren tasten, met rollende bewegingen wordt de taal levend, vibrerend.

5) Bij antipathie en wegslingerende ledematen wordt de taal hard.

5) Bij sympathie en beroering van het object, wordt de taal  zacht.

6) Bij het terugtrekken op jezelf wordt de taal kort, afgezet. Voorbeeld:
“Jij wilt nu gaan wandelen? Ik wil hier blijven! Ik—ga- een—boek—lezen.”

Voorbeelden aan de hand van de kerstspelen:

sub l) Het werkzame woord, duidend gebaar, indringende taal: verkondiging door de engel aan Maria. In renaissanceschilderijen sterk duidend weergegeven. Ook engel die aan Jozef verschijnt in het Driekoningenspel.

sub 2) Bedachtzaam, ledematen houden lichaam ergens vast. Hand aan hoofd. Spraak: vol. Voorbeeld: Melchior, bedachtzaam:
”t coomt mij veur oft woort van den profeet alree in Bethlehem sich vervullen deet. dies wil ik naestelijk BEDENKEN wat ik het kindeke sal schenken.”

Herodes, bedachtzaam, nadat schriftgeleerden zijn vertrokken:
“ic wil te deghen en regts die saeke overweghen en rigt mijn sin en mijnen moet op dattic vergiete het kint sijn bloet.”

Extreem bedachtzaam, als het denken tot intellectueel abstract denken wordt, bij de schriftgeleerden zelf. In de tekst staat: “zij kussen zichzelf op de schouders.”
Dit is misschien een heel extreme vorm van het houden van de ledematen (bovenarmen) aan het lichaam.

sub 3) Voorttasten der taal tegen weerstanden, met armen en handen rollend gebaar. Bevende taaluiting.
Voorbeeld: denk aan herders op weg naar stal:
’t is hartstikke donker, ick tast nae de wegh, ik en weet sowaor geen hegh of de stegh. Gaewe qualic of regt na de stadt bij abuys?”

Dit laatste is inderdaad een vraag! Steiner zegt dat vooral de letter rrrr goed helpt om dit tastende, bevende tot uiting te brengen. Blijf wat langer op zo’n r hangen.

sub 4) Antipathie, afhandelend, beweging wegslingerend. Harde taal.
Voorbeelden te over: 2e waard, (kan eerst bedachtzaam beginnen.) bedachtzaam:    “Wat moetghe hier, ghij met u wyf?
werkzaam duidend, indringend: ‘blijft bedelvolk mij van het lijf.’
bedachtzaam………..     ‘van anderen heb ik meer gewin’
(of antipathie, kan hier ook werkzaam duidend, indringend: ‘landlopers laat men hier niet in.’

antipathie, hard.……    “wegh van mijn deur en pakt u voort’

bedachtzaam…………..     ‘dat gij mij langer niet en stoort.”

Herodes: sterke antipathie, wegslingerende beweging, hard:
“Pack U gezwind van hier, dwazin, wat laat ghe u mit mynen saeken in?”

sub 5) Sympathie, beroering, zachte spraak.
—   Godvader schept Adam (Zie het bekende reliëf uit Chartres.)
—   Adam ziet de natuur en de schepselen van het paradijs voor het eerst.
–   Maria-kind. Als Maria zingt met Jozef. Ook Jozef. Maria kan een gebaar naar het kind maken, als wil ze het aanraken en beschermen als de herders aanklop­pen. Zelf is zij geschrokken van het aankloppen en de stemmen en reikt naar het kind.
–   Herders zelf als zij het kind in de kribbe aanbidden. Het wiegen heeft dit gebaar al sterk in zich.

sub 6) terugtrekken op zichzelf; gebaar van de armen afstotend van het lichaam, korte, stotende taal.
Als Herodes de schriftgeleerden wegstuurt en alleen wil zijn. Hier wordt door Herodes vaak waanzinnig hard geschreeuwd: “Algoet laat af….”
Het is zeer de vraag of dat juist is. Dat zou vanuit de taal op antipathie duiden. De schriftgeleerden en Herodes staan echter niet zo heel ver van elkaar af…….
Herodes zou dit dus veel korter en stotender kunnen zeggen. (Kurz abgesetzt.RS)
Algoet-laat af-en swijgt alsnu.
ick heurde—alree—genoegh—van—u
maak tu van hier. (kort)(stop.)

Waar het dus om gaat is, om op belangrijke momenten de wezenlijke gebaren te vinden en van daaruit naar de spraak te gaan.

Slot

Als afsluiting nog dit:
Elke cultuurperiode heeft zijn prille begin, zijn opbloei naar een hoogtepunt en zijn verval in decadentie. Daaraan is ook de Griekse tijd niet ontkomen. Men vindt dit duidelijke terug in de Griekse zuilen: de prille, eenvoudige Dorische, dan de volle, krachtige Ionische, en tenslotte de pompeus, protserig wordende Korinthische.

Elk van deze drie periodes: begin, bloei en einde, hebben hun eigen dramatische auteurs gekend.

Zo hoort bij het prille Ayschylos. In zijn spelen vindt men een koor met hoogstens een enkele of een paar spelers. Grote eenvoud. Hij is een episch schrijver.

Dan komt de bloeiperiode met Sofokles. Het tragische in zijn spelen blijft mild door het kunstzinnige ervan. Zeer harmonisch. Zijn werken zijn lyrischer.

Tenslotte is er Euripides. Sterk retorisch, pathetisch, dramatisch.

Deze drie elementen kunnen wij als grondstemming, als stijl, ook in onze kerstspelen terugvinden.

Het paradijsspel is sterk episch, het kerstspel lyrisch en het driekoningenspel is echt dramatisch.
Zo gaan de drie spelen ook nog eens door de hele mens heen, beginnende in zijn hoofd met het verhalende, vertellende; dan het middengebied – het gevoelsmatig—lyrische en ten slotte en in de ledematen handelende-dramatische.
Daar staat voor ons nog eens de DRIELEDIGE mens.

De EPICUS
Spreekt iemand EPISCH, verhalend dus, en wil hij de andere mens daarmee raken, dan zal hij sterker in vocalen spreken. Deze zijn immers de rechtstreekse uiting van wat in onze ziel leeft. In de consonanten kruipt hij in de DING-wereld. De EPISCHE spreker citeert. En als hij herhaaldelijk citeert dan RE-CITEERT hij. Het object, waarover verhaald wordt, openbaart zich.

Keert de mens zich geheel naar binnen en openbaart hij zijn innerlijk, dan wordt hij LYRISCH. Raakt zijn innerlijk op drift dan begint hij te roepen: clamare.
Zo ontstaat de DECLAMATIE.

De DRAMATICUS
Keert de mens zich naar buiten, heeft hij zijn object tegenover zich, waarmee hij converseert, dan wordt hij tot DRAMATICUS.

Hiermee heb ik geprobeerd iets weer te geven van de stijlverschillen tussen de drie spelen die we thans aan het instuderen zijn. En ik zou toch de voorzichtige, maar diepe hoop willen uitspreken, dat iets hiervan mag doorklinken in de drie groepen die nu aan de slag gaan.

Zou zich nog een volgende keer voordoen, dan zou het belangrijk kunnen zijn om wat dieper in te gaan op de Dionysische mysteriën en de figuur van Dionysos en wat die te maken heeft met Karl Julius Schroer,  de leraar van Rudolf Steiner, die deze spelen aan de vergetelheid ontrukte. Daarover dan hopelijk een volgende keer.

.                                                                                


(Hoewel de naam van de inleider ontbreekt, is het gezien de stijl, vrijwel zeker Wim Veltman geweest)

 

Kerstspelen: alle artikelen
.

239-225

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – algemene regie-aanwijzingen

.

Verslag van de bijeenkomst van kerstspelregisseurs op zaterdag 8-9-1979 in de Vrije School te s-Gravenhage.

Op zaterdag 8-9-1979 was er in Den Haag een bijeenkomst voor regisseurs. Dr.Nordlohne, oogarts te Middelburg, maakte de notulen:
(Ik laat ze hier volgen, inclusief onderstaande brief, waaruit het enthousiasme spreekt voor wat er gebeurde).

VLISSINGEN,    22-11 -1979
Waarde regisseurs,
Toen Christof Wiechert op Zaterdag 8-9-1979 vroeg wie er wilde notuleren, zei ik ja, niet vermoedende dat deze notulen zouden uitgroeien tot 26 pagina’s. Omdat in Middelburg tot op heden alleen Paradijsspel en Kerstspel werd uitgevoerd, was het Driekoningenspel voor mij het moeilijkste, want dat heb ik zelf maar één maal, op 10-1-1976 in Den Haag, gezien (en meteen qua regie zoveel mogelijk genotuleerd. Daarom wilde ik, alvorens deze notulen te verzenden, evenals Viligratia eerst de profeten consamaneren daer op ick al hope ende heul had gebout: wie onser sal den eersten syn ? Dat was mej.Gerretsen, die in haar brief van 27-10-1979 mijn vragen bij de getypte notulen beantwoordde: haar antwoorden en tekeningen plakte ik tussen de getypte notulen in (door dit plakwerk zijn de regels in de fotocopie wel eens gaan wiebelen)» Ook Jo Hass kon mij op 16-11-1979 met een aantal vraag­punten helpen, so my treffelyk gevallen doet» In de enkele hoeckskens die noch over en waeren plakte ik Middelburgse foto’s uit 1977. Aan het geheel voegde ik nog toe: artikelen van Walter Johannes Stein (over de Asklepios-Mysterien) en Ernst Bindel (over het getal 144008), een stukje over Crispijn, en een literatuurlijstje. Ik fotocopieerde vervolgens alle 37 pagina’s in dertigvoud (20 cent per foto copie) en verzond ze aan de Vrije Scholen in Nederland (portokosten per enve­loppe ƒ 2,10). Nu rest ons temet geen duyt noch penninc meer. Daarom ben ik zo vrij een vrijwillige bijdrage te vragen van bijv. ƒ 5,00 op mijn giro 671563. U hebt niet om deze notulen gevraagd, dus het moet niet»
Nabestelling is ook mogelijk, maar dan wel voor de kostprijs van ƒ 10,00 per exemplaar» Zelf deze fotocopie fotocopiëren is natuurlijk ook mogelijk. Gaarne ontvang ik aanwijzingen voor verbeteringen, want ik voel dat er nog veel ontbreekt» Hopelijk komt er weer een regisseursbijeenkomst !

Aan de initiatiefnemers:     van herten danck geseyt !
Aan allen:                                  bebouwt het veldt met noeste vlyt !

en goede nagt,

 

Algemene inleiding door Christof Wiechert
Allereerst zal ik U vertellen welke aanleiding er bestond voor het organiseren van deze bijeenkomst.
De Vrije School in Den Haag verkeert in een moderne positie. Het is de oudste school, met de oudste kerstspeltraditie, maar de mensen die de traditie beheerden hebben zich 3 jaar geleden teruggetrokken. Ze hebben hun opvolgers 2 jaar lang welwillend gadegeslagen en één jaar minder welwillend. Wij willen nu de kritiek objectiveren.

De Kerstspelen zijn te vergelijken met de Mattheüs Passion, het is een sacraal gebeuren, het is een stukje mysteriedrama. In het bijzonder voor regisseurs is het versterkend en heilzaam om inzicht te hebben in de achtergronden die Rudolf Steiner heeft gegeven. Het doorzien van het hoe en waarom is belangrijk.

Inleiding door W.F.Veltman
Het is mijn bedoeling verschillende zaken, waarvan de meeste U al bekend zullen zijn, op een rijtje te zetten.
We hebben bij de Kerstspelen met twee dingen te maken:
I. traditie
II. creativiteit

I. traditie.
Die traditie is dubbel:
a)   vroeger tijd: de zeer strenge tradities van de boeren uit Oberufer, met hun regie en taal uit een andere tijd.

Rudolf Steiner vernieuwt de Oberufererspelen, maar een aantal tradities heeft hij behouden en een aantal tradities heeft hij niet behouden. Hij heeft nieuwe dingen gebracht in de regie, de muziek is nieuw gemaakt en daarin zijn wéér tradities ontstaan:

b)   later tijd: de tradities die stammen uit de beginperiode van antroposofische groepen, vrijescholen, toneelspelgroepen. Er zijn toen ook negatieve gewoontes ingeslepen: het weglaten van de traditie is dan traditie geworden.

De vraag kan zijn: mag er aan de traditie dan nooit iets veranderen?

Wat heeft Rudolf Steiner behouden?  De boerentaal!  Hij wilde ook dat de spelers zouden spelen als boeren. Je kunt vaak zien dat dit niet meer gebeurt: God-Vader en Adam spreken met elkaar hoog-Haags of Amsterdams, maar géén boerentaal.

De boerentaal is wat zwaarder, wat meer uit het gemoed, uit de bloedskrachten, bevat meer klanken als aa, oe, oo, au.

Rudolf Steiner: “Methodik und Wesen der Sprachgestaltung
GA 280. blz.42/43:
Nehmen Sie an, die eine Persönlichkeit ist mehr ein Blutmensch, er kommt nicht leicht aus dem Häuschen, ist innerlich gefestigt, ruhig. Die andere ist ein Nervenmensch, kommt leicht aus dem Häuschen, ist aufgeregt, zappelt.
Diejenigen Vokale, die das wiedergeben, was im Blutmenschen lebt, sind a, u, o, au. Bei einer Rede, wo noch andere Vokale sind, muss man ein besonderes Augenmerk auf diese Vokale legen und sie voller klingen lassen. Die Vokale des Nervenmenschen sind i, e. Die i und e kommen den Nerven menschen ganz von selbst auf die Zunge. Bei den Sprachen der verschiedenen Völker kann man auf den Rassencharakter schliessen, je nach dem Überwiegen der einen oder der andern Vokale. Man kann studieren, wie bei ruhigen und in sich gefestigten Menschenvölkern das a und o, bei nervösen das e und i überwiegen.

Stel je eens voor: de ene persoonlijkheid is meer een bloedmens, hij komt niet gemakkelijk uit zijn huisje, is innerlijk sterk, rustig. De andere is een zenuwmens, komt makkelijk uit zijn huisje, is druk, onrustig. De klinkers die weergeven wat er in de bloedmens leeft, zijn a, oe, au .Bij een toespraak waar nog andere klinkers zijn moet men bijzondere aandacht voor deze klinkers hebben en ze voller laten klinken.
De klinkers van de zenuwmens zijn i en e. De i en e komen bij de zenuwmens vanzelf op de tong. Bij de talen van de verschillende volkeren kun je gevoltrekkingen maken over hun rassenkarakter al naar gelang de ene of de andere klinker de overhand heeft. Men kan bestuderen hoe bij rustige en innerlijke sterke mensenvolkeren de a en o, bij nerveuse de e en i overheersen.

1.   Der Ruhige:   Sahst du das Blass an Wang und Mund?
2.   Der Nervöse: Nichts im Gesicht bemerkte ich.
GA 280/42-43
Niet vertaald

Rudolf Steiner speelde alle rollen voor. Een voorbeeld ervan hoe hij dat deed, is te vinden in Assja Turgenieff: “Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum” blz..79.

‘Einmal machte uns Dr. Steiner vor, wie Joseph in einem ähnlichen
Spiel darzustellen wäre. Mit einem Stock unsicher stolpernd, ging er auf der Bühne nach vorne, mit leerem, verlorenem Blick und offenem Mund, dem Gesicht eines Greises – jeglicher Seelenregung bar. Plötz­lich verwickelte er sich in seinen Stock und lag zu unserem Schrecken auf allen vieren auf der Bühne, dann sprang er auf und lachte. «Ja, so muß der Joseph in diesem Spiel sein», sagte er. Es war unglaublich – diese Wandlungsfähigkeit.’

Op een keer speelde Dr.Steiner aan ons voor hoe Jozef neergezet zou kunnen worden. Met een stok, onzeker strompelend, liep hij op het toneel naar voren, met een lege, verloren blik en open mond, het gezicht van een grijsaard –zonder enige zielenbeweging. Plotseling raakte hij verstrikt in zijn stok en lag daar tot onze schrik op handen en voeten op het toneel, dan sprong hij op en lachte. ‘Ja, zo moet Jozef in dit spel zijn’, zei hij. Het was ongelooflijk – dit vermogen zo te veranderen.

In Oudnederlandse gedichten en Engelse balladen is Jozef een sullige figuur. Hij is verloofd en zijn verloofde is al in verwachting, dat is voor een man een wat sullige situatie. Volgens het Mattheüs Evangelie (Matth. 1:19) wilde hij haar zelfs verstoten: ‘Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde open­baarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.’
Dat is, ondanks de heiligheid van Jozef, traditie geworden. Rudolf Steiner liet zien: zó moet je Jozef spelen, als een ouwe sul.

Een ander interessant boekje is “Spuren auf den Weg” van Heinz Müller uit Hamburg (de tweede vrijeschool na Stuttgart). Hij beschrijft de ongelooflijke levendigheid waarmee Rudolf Steiner de rollen voorspeelde. Als hij de Boomdrager speelde, dan zag je aan zijn gezicht al die figuren die hij groette, dus niet alleen de uitge­streken smoel bij de “geestelicke heeren”.

Und nun ging das Grüßen an. Was so ein Bauer durch seine Seele ziehen hat, wenn er Gott Vater grüßt, wenn er sich in tiefer Ehrfurcht vor dem Herrn Christus neigt, oder sich dem heiligen Geist öffnet, wenn er dann schildert, wie Gott Vater einst die Welt geschaffen hat mit allen Bäumen und Blumen, mit allen Tieren auf der Erde, im Wasser und in der Luft, und zuletzt Adam und Eva; das alles wurde lebendig in jedem Wort, das Rudolf Steiner sprach, in jeder Geste, in der demut­voll frommen Haltung und dem gläubigen Blick. In die Augen sprang ein ver­schmitztes Zwinkern beim Grüßen der geistlinga Herrn und der übrigen Obrigkeit, und mit welchem Humor spielte er die kleine Stelle, wo der Teifül am Schwanz gezupft wird, wie schelmisch blitzten da seine Augen, als er so tat, als bliese er einen Büschel schwarzer Wolle aus dessen Schwanz in die Luft. Voller Hingabe packte er jede, auch die kleinste Szene an, und vor allem: niemals hatte man den Eindruck, daß da ein „Gelehrter und Studierter” auf der Bühne stand. So ursprüng­lich konnten selbst die besten Schauspieler in Dornach nicht spielen. Nun, die ganze Dramatik, die sich im Spiel zu entfalten hat, wird in dieser Begrüßung in Worten vorausgenommen. Und es ist das Meisterliche, was der Baumsinger zu schaffen hat, daß er rein durch das Wort, durch Schilderung und Geste alles das lebendig machen muß, was dann später in dem ungeheuer dramatischen Paradeises-Geschehen vor sich geht. Es ist das wohl eine der schwierigsten Rollen, die man sich vorstellen kann. Bei Rudolf Steiner wurde gerade in dem bäuerlichen Spiel das Wort leben­dig; das Wort wurde Geist unter seinem schaffenden, kraftvollen Wirken.

Nu begon het groeten. Wat een boer door zich heen voelt gaan, wanneer hij God-Vader groet, wanneer hij in diepe eerbied voor Christus de Heer buigt of zich openstelt voor de Heilige Geest, wanneer hij dan schetst hoe God-Vader de wereld heeft geschapen met alle bomen en bloemen, met alle dieren op de aarde, in het water en in de lucht en ten slotte Adam en Eva, dat alles werd levend in ieder woord dat Rudolf Steiner sprak, in ieder gebaar, in de deemoedige, vrome houding en de gelovige blik. Met zijn ogen schalks knipperend bij het groeten van de geestelijke heren en de ganse overheid, en hoe humoristisch speelde hij de kleine passage waarin de duivel aan zijn staart wordt getrokken, hoe ondeugend fonkelden zijn ogen wanneer hij dat deed, alsof hij een plukje zwarte wol uit zijn staart de lucht in blies. Vol overgave deed hij iedere, ook de kleinste scène en bovendien: nooit kreeg men de indruk dat daar een ‚geleerde en gestudeerde op het toneel stond. Zo origineel konden zelfs de beste toneelspelers in Dornach niet acteren. Op heel de dramatiek die in het spel tot uiting moet komen, wordt in deze begroeting in de woorden geanticipeerd. En het is meesterlijk wat de boompjesdrager te bewerkstelligen heeft, dat hij louter door het woord, door het schetsen en gebaren alles levend moet maken, wat dan later in de buitengewone dramatiek zich voltrekt in het Paradijs.
Het is wellicht één van de moeilijkste rollen die men zich kan voorstellen. Bij Rudolf Steiner werd juist in het  boerse spel het woord levend; het woord werd geest onder zijn scheppend, krachtvol werken.

Taal

Mej.Bruinier (1875-1951) vertaalde niet in dialect, en niet in Middelnederlands. Men denkt wel vaak dat zij vertaalde in Middelnederlands, maar dat is een misvat­ting, zij heeft dit met opzet niet gedaan. Zij heeft zo vertaald, dat zij woorden heeft genomen uit de gehele Nederlandse taalontwikkeling, dus ook uit de Vondeltijd, uit het Middelnederlands, en bv. “hartstikkedonker” uit de moderne tijd.
Deze vertaling is naar mijn gevoel meesterlijk: de eenvoud, kracht, vroomheid is er in gebleven.
(Het stukje in het Mededelingenblad van januari 1979, waarin de heer L.  een vertaling in modern Nederlands voorstond, kunnen we maar beter dood­zwijgen. Zó ver is het dus al gekomen met de degeneratie van het taalgevoel.

Als wij de rollen willen spelen als een boerenmeisje dat Maria speelt of als een boer die God-Vader speelt, dan moeten wij een dubbele metamorfose ondergaan. Ik geloof dat het beter is niet ieder jaar de rollen te wisselen. Men moet de spelers jarenlang gelegenheid geven zich met die ene rol te vereenzelvigen. Dat gebeurt bij de Passiespelen in Oberammergau en Tegelen ook. Het gaat dus niet om het therapeutisch uitgangspunt voor de spelers, maar om het kunstzinnig uitgangs­punt: hoe krijg je het spel het beste over het voetlicht. Ik speelde jaren achtereen Adam, en daar ben ik dankbaar voor, dat ik me zodoende diep kon verbinden met deze rol. Het lijkt mij dus goed een rol bijv 4- 5 jaar minstens te behouden, misschien méér (en dan zou ik zeggen 7 jaar…).

Muziek

Merkwaardig is dat Rudolf Steiner wel degelijk een andere muziek wilde. Er zijn (andere) vrijescholen die nu weer de oude muziek gebruiken. Interessant is, als je daar objectief naar luistert, dan hoor je: die oude muziek is voorbij, die heeft een andere taak. De muziek uit de 16e eeuw met Gregoriaanse toonreeksen en toonkleuren heeft een veel meer dienend karakter, spreekt de moderne mens in dien zin niet meer aan. Mij lijkt de muziek van Leopold van der Pals (1884-1966) helemaal in de roos. Men kan daarover natuurlijk van mening verschillen, maar Rudolf Steiner heeft de muziekopdracht gegeven, en daarna deze muziek als bruikbaar aanvaard.

ll Creativiteit»
De andere pool is de vernieuwing.
a) Spirituele achtergrond.
De cyclus ‘Die Geheimnisse der biblischen Schöpfungsgeschichte’ GA 122 (vertaald) of het boek van Emil Bock “Urgeschichte” heb je nodig om het Paradijsspel te begrijpen. Ook moet je weten van het oude Lemurië, anders begrijp je bepaalde regie-aanwijzingen niet: die vergeet je, die verdwijnen als je niet weet wat de ongelooflijke diepte erachter is. Wat is dat voor gebeuren daar in de stal, daar in de grot van Bethlehem, dat nachtgebeuren, de geboorte van de Genezer. Dat is allemaal mysterie-inhoud. Als regisseur moet je dat echt goed kennen, en zo nu en dan de spelers erover kunnen vertellen. Want door de antroposopie konden deze spelen in deze vorm gebracht en behouden blijven. De oude boeren van Oberufer vonden aan onze manier niets. Enkele voorbeelden van een spiritueel gezichtspunt zijn:

1. Bij het begin van het Paradijsspel is de volgorde der spelers: Boomdrager, Engel, God-Vader, Adam, Eva, Duivel, maar aan het einde, als de ketting valt, en de Duivel op zijn buik is neergevallen, en God-Vader bevestigt dat Adam “wanneer hy syne handen heft en leeve in alle eeuwicheidt”, dan is bij nr. 9 “O heilighe drievuldigheydt’ de volgorde der spelers als volgt: Boomdrager, Engel, God-Vader, Eva, Adam, Duivel. Waarom is dat ?

Eva bijt in de appel, en er gebeurt niets. Pas als Adam bijt, gebeurt er wat: dát is het meest dramatische hoogtepunt van het stuk. In de mens is alleen het mannelijk element aangetast, het vrouwelijk aspect blijft méér met God verbonden. Zo’n geweldige waarheid wordt in de volgorde tot uiting gebracht, zó simpel.

2. In het Herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a. de driehoek en het vierkant als tekens gehangen. De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.

3.In het Paradijsspel worden de gebaren van God-Vader nagebootst door Adam. God-Vader maakt grote gebaren, Adam maakt wat kleinere gebaren. Adam bootst na, zoals het kleine kind nog leeft in de nabootsing. Dit is technisch niet zo eenvoudig, want Adam mag niet omkijken: hij moet het dus óf afspreken óf aanvoelen. Het is een zeer amateuristisch trekje als Adam op de uitvoering andere gebaren maakt dan op de repetitie. Bij het beroepstoneel staat daar een zware boete op, maar dat is bij ons nog niet ingevoerd, tot mijn spijt.
Dat nabootsen herhaalt zich als Adam en Eva tesamen in het Paradijs lopen (“Hoe liefelyck, Eva, op deuse wys met U te wonen int paradys”): de gebaren van Eva zijn dan nog wat lichter, nog wat intiemer. Als je dit allemaal weglaat, gaat de fine fleur er af.

4. In het Paradijsspel wordt bij het lopen in het Paradijs door het elkaar de hand geven in al zijn simpelheid uitgedrukt dat Adam en Eva één zijn: man-vrouw, hermafrodiet. Als de Duivel zegt: “Adam, proeft van het sap soo ryck,
Soo wort ghy aen u god gelyck,” dan drijft hij ze uit elkaar, en benadert hij alleen Eva:
“Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartenlust
en gheeft ervan aen Adam oock”.

b) Spiritualiteit van het theatergebeuren als zodanig. Deze uit zich in spraak, gebaar, plaats in de ruimte
1.Plaats in de ruimte.
In het Paradijsspel staat de boom midden op het toneel.
Opmerking van Ruud Gersons: in Stuttgart links achter op het toneel.
Antwoord van Veltman: dat is dan het Stuttgarter systeem, daar heeft de Antroposofische Vereniging al veel onder te lijden gehad (!)

Het publiek is geplaatst tegenover het toneelgebeuren, er ontstaat een wissel­werking, de naturalistische ruimte wordt een zielenruimte waarin we te maken hebben met fantasie, droom, imaginatie.

Op het toneel hebben voor en achter, links en rechts zeer verschillende kwaliteiten. Je moet weten hoe deze dingen werken.

Toneelwetmatigheden.
Zodra het gordijn open is, kijk je in een zielenruimte.
De betekenis van de plaats kun je experimenteel vaststellen.
Alles wat je op de voorgrond plaatst is realistisch, individueel, persoonlijk, buiten de manteau in het bijzonder. Op de voorgrond zie je bijv. een koning in zijn eenzaamheid, subjectief. De boze waard komt van links naar de voorgrond.

Als Eva zegt ‘Wee ons, die arme vrouwen’, doet ze één klein stapje vooruit.

Als Maria zegt “Erbarmen mooch hem den rycken god”, doet ze één klein stapje vooruit.

(Mej.Gerretsen: het volgende staat in de “Dramatischer Kurs”, GA 282)
Op de voorgrond moet lyrisch gesproken worden, in de vocalen.
Op de achtergrond spreekt men bijv. een recitatief.

Op de achtergrond komt een boodschapper met een bericht, een objectief verhaal, of een hogere macht, bijv. een Engel. Een Engel op de voorgrond is eigenlijk niet goed, en bij Bruning lachen ze dan ook nog omdat het een man is. ‘k Treet voor uluyden sonder spot”, maar met een spotlight op zich.

Bij de geboortescène: Maria en Jozef, ezel en os, blauwig licht in de vriesnacht, een piepjonge Maria (ze was immers nog maar 14 jaar) en die ouwe sul er achteraan, worden door de Kerstboom in het midden wat naar voren gebracht. Op de achtergrond: vierschaar, natuurgeweld.

De monoloog van Hamlet “to be or not to be” achteraan lijkt een verkondiging.
Als Lady Macbeth opkomt —brief — heks —complot — persoonlijke eerzucht, is dat op de voorgrond.  Als zij boze geesten oproept, doet zij dat op de achtergrond.
Eén van de interessantste problemen is het verschil tussen links en rechts: voor het innerlijk beleven is dat niet hetzelfde.

Bij rechts op het toneel wordt het linker oog het eerste actief. Bij links op het toneel wordt het rechter oog het eerste actief.
Het linker oog is meer op het gevoelskarakter van de dingen gericht, het rechter oog meer op het nuchtere, verstandelijke, zakelijke. Daar moet je de regie op afstellen. Het kan soms allebei goed zijn, dan leg je alleen accenten.

Het stalletje staat in Dornach links (tegenwoordig in het midden), in Den Haag rechts. De plaats van de troon van God-Vader is gevoelsmatig.

In Dornach was, vanuit de zaal gezien, links op het toneel, het noorden. Volgens van Bemmelen heeft de zuidsfeer een oude-maankarakter, een Lemurisch karakter, terwijl de kerststal voor de Zonneheld juist links staat, in het noorden.

De driehoek van de herders moet steeds met de punt naar achter toe. Opmerking van Wijnand Mees : vanuit de euritmie: dat geeft een vrolijke indruk. met de punt naar voren geeft een tragische stemming.

2. Gebaren
De 6 grondgebaren zijn te vinden in de “Dramatischer Kurs” GA 282. (niet vertaald)
Het Nederlands volk is arm aan gebaren, bij het Italiaanse volk zijn ze indrukwekkend. Bij de gebaren moet men het intellectualistische overwinnen.
Men (niet U!) zegt wel: zo klungelig mogelijk, dan is het juist erg mooi, juist zo aandoenlijk. Daar kan men op antwoorden: waarom zing je dan niet knettervals ? Ja, zegt men dan, van muziek en zang moet je verstand hebben. Maar van toneel ook !! Het kunstzinnige moet gehoorzamen aan wetten die in dat gebied heersen. Men zegt wel: als we alleen maar heel vroom aan het Kerstkindje denken, komt het wel goed. Maar dat is lariekoek.

We moeten overwinnen het intellectualistische dat in ons allemaal zit. Dat zie je aan verschillende fenomenen.

Is de hoofdpool te sterk geworden ten koste van de ademhaling, dan heeft de stem bij spreken en zingen geen volume, het spreken blijft in de kop steken. En de gebaren kan men niet aanhouden en niet afmaken, en beide moet men kunnen op het toneel. Ik denk aan de schoolmeesters, altijd met die verdomde vinger, ook in hun spreken. Dat is dat vogelachtige, dat zenuwachtige. Ga eens met beide voeten breed en stevig staan en maak dan een gebaar vanuit je Stiermens of je Leeuwmens.

Vragenbeantwoording door W.F.Veltman
Vraag: wat gebeurt er in het Paradijsspel na het boomdragen ? Antwoord: de spelers staan in een halve boog.

Vraag: waar blijven de andere spelers als de Engel optreedt ? Antwoord:

 regie-aanwijzingen driekoningenspel10

Vraag: hoe is de belichting in het Paradijsspel?
Antwoord: de belichting is erg belangrijk. Stylering ontstaat door costuums en belichting.

Het begint vol “heerlyckheyt”: goudstralend. Volgens een “Angabe” zijn de hoofdkleuren van het: Paradijsspel: rood en wit, met een rood achterdoek (appels) maar ook roodachtig-goud.
Kerstspel: blauw en wit, met een blauw achterdoek maar ook iets mengen met rood.
Driek.spel: geel en wit, met een wit achterdoek.

belichting

Bij een geestelijke invloed op het toneel wordt meer rood gegeven, bijv. als Maria langs Herodes gaat. De Herodesscène zelf is in geel licht. Rudolf Steiner had niets tegen het gebruik van schijnwerpers. De ommegangen zijn met de zaallichten aan.
Je moet altijd zorgen dat je spelers door het licht “eruit”komen: de figuren “los” maken met spots.
Ook altijd denken aan de complementaire kleuren: een groene koning wordt in rood licht-zwart.
De richting van het licht is ook belangrijk: te veel onderlicht is spookachtig. Het voetlicht moet slechts een lichte helling hebben.

Vraag: over het schminken.

Antwoord: Rudolf Steiner zelf was erop uit om bij het schminken de mens echt een heel andere kop te geven in tegenstelling tot het schminken bij het moderne toneel, waarin het naturalisme hoogtij viert. Karl Schubert als Boomdrager werd door Rudolf Steiner geschminkt, en zei later: die kop zou ik mijn hele leven hebben willen houden. Van schminken moet je wel een beetje verstand hebben: je moet weten hoe het werkt, het hangt ook erg van de belichting af. In rood licht worden donkere partijen zwart.

Vraag: over de Duivel.
Antwoord: In het Paradijsspel is de duivel: Lucifer: rode pruik.
In het Driek.spel   is de duivel: Ahriman: zwart, met zwarte kap, de oren zijn niet zichtbaar.
Lucifer: wijkend vanuit de neus naar de oren.
Ahriman: samentrekkend tussen de ogen .
zie ‘die Gruppe’ in Dornach                     

Vraag: over de leeftijden der toeschouwers. Antwoord: Kerstspel: alle leeftijden.
Paradijsspel: 1e klas en hoger, onherroepelijk. Het getuigt van een onpaedagogische sentimentaliteit te menen dat “kleutertjes” dat niet kunnen hebben. Je moet ze alleen niet op de eerste rij zetten, en een klein beetje het dramatische terughouden. Juist zulke beelden werken sterk op de moraliteit. Driekoningenspel: 3e klas en hoger.

Vraag: over de tocht van de herders naar Bethlehem.
Antwoord: bij de rondgang van de herders in het ”hardstickedoncker”, blijven ze in Den Haag op het toneel !

Opmerking van Christof Wiechert:
De ommegangen in het Paradijsspel zijn tegen de klok in.
De ommegangen in het Kerstspel zijn met de klok mee.       

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

95-92

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel regie-aanwijzingen

.

Op 8-9-1979 werden de volgende aantekeningen gemaakt:

Regie-opmerkingen Driekoningenspel in chronologische volgorde.

De Kompany komt op en blijft, vóór een witte achtergrond, voor de banken staan.
Mej. Noor Gerretsen*: de Duivel geeft dan aan wanneer je moet gaan zitten, zodat dat tegelijk gaat

De Engel komt naar voren om het voorwoord te zeggen en daarna gaat ze rechts voor staan met de ster, zodat die Koningen dáár komen te zitten.

regie-aanwijzingen driekoningenspel1

De Duivel,  de toneelknecht,  zet de (10-1-1976: blauwe) koningstroon neer en daar gaat eerst de rode Koning Melchior (10-1-1976: bruin haar) op zitten en die doet zijn woordje.(10-1-1976: hij kijkt door de verrekijker. De Duivel kijkt verkeerd om door de verrekijker, en neemt de verrekijker mee). Op het moment dat in de tekst gezegd wordt ‘oock doet sy nieuwers stille staon’, dan gaat de ster  bewegen en dan loopt de Engel over en dan bij “doch sneller ende sneller rontsomme gaon’,  gaat ze nog een beetje sneller, dan staat ze dus daar.

Dan is die Koning uitgesproken, die gaat weg, uitgenodigd door de Pagie (10-1-1976: lichtblauw met gele voorschoot, op witte kousevoeten). Je hebt dan eerst nog Viligratia, die is ook nog bij hem geweest, die gaan dus samen weg: dan is het toneel even leeg, behalve dat de troon er nog staat. De Engel gaat weer terug, zodat ze voor de volgende Koning weer op de goede plaats staat, ze blijft hier dus op en neer wandelen. Dan komt de volgende Koning, en die zegt ook: ‘Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen’, dus dan gaat de Engel weer en even éérder natuurlijk hê, zodat hij dat kan zeggen, en de Engel staat nu ook daar, totdat koning Balthasar is uitgesproken. De (10-1-1976: blauwe koning met wit haar) gaat niet direct zitten. Dat is ook wel interessant, dat  Balthasar eerst blijft staan, dan komt de zin ‘gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt’, en dan pas gaat hij zitten (staande kan je niet zo goed nadenken, zeker als koning niet), en dan zegt hij: ‘O, nimmer en hoordic, veur ofte nae’. Goed. die is dan ook weg, de Pagie heeft hem daartoe uitgenodigd. De Engel gaat dan weer op haar oude plaats staan. En dan komt de derde Koning,  Kaspar (10-1-1976: groene Koning met zwart gezicht en rode lippen), en Kaspar zit helemaal niet, die doet alles staande.

Veltman*: weet je dat zeker, Noor. ik dacht dat hij ook op het eind nog even ging zitten.
G: bij: ‘Sy soeken alder weghen mit groot misbaer offet oock ieuwerinc te vinden waer’, ja, daar kán hij bij gaan zitten, ik meen dat dat wel eens gebeurd is (opmerking van de notulist: op 10-1-1976 ging hij inderdaad zitten), maar de laatste koning die we gehad hebben, deed dat niet.

G. schreef op 27-10-1979 aan de notulist:
De laatste jaren werd Kaspar steeds door dezelfde persoon gespeeld. Ik meen. dat het niet nodig is dat hij gaat zitten, maar er is volstrekt geen bezwaar tegen het wel te doen.
Hij moet dan gaan zitten bij:’ Wat efter salt geschenck end offer syn’ en weer opstaan bij: ‘Mit alsulck offer willic tot hem gaen.’

V.: maar de troon staat er dan voor noppes.
G: nou. dat hindert toch niet.
V: op het toneel mag nooit iets voor noppes staan.

G: hier verplaatst de Engel (zich) niet, want wat de Koning zegt, dat komt daarvoor niet in aanmerking. Zij gaat dus,  nadat de Koning naar de plaats is gebracht door de Pagie, ook terug. Dan haalt de Duivel de troon weg. Dan komt de 1ste ommegang (nr.1).
Die moet gelopen worden in de vorm van een lemniscaat en dat is niet zo gemakkelijk. De Engel voorop. ‘Der wysen starre blinckt ons claer’ .

regie-aanwijzingen driekoningenspel5

Vraag: komt er ook een kruising tot stand ?

V.: nee nèt niet, dat is te moeilijk voor leraren, dat kan niet. Advies uit de zaal: de Engel moet de eerste lus sterk uitbochten naar voren, dan komt het altijd goed, dan heb je geen kruising. Als je de lemniscaat plat maakt, loopt het mis. Het zou echt wel leuk zijn om eens zo’n kruising te proberen. V: daarvoor moet je eerst de leraren eens een paar jaren euritmie laten doen.

V: de Schriftgeleerden, die komen, en nu is het mooie dat het niet helemaal klopt, want als de goede afdeling op tijd is aangekomen, zijn de Schriftgeleerden er nog niet helemaal: die sloffen dan nog eventjes er achteraan naar hun plaats. Dit is dus bij de lemniscaat. De muziek is dan al klaar.

V: de Pagie haalt elke Koning af vóór deze opgaat: de Pagie staat op, maakt een buiging, maar niet dan nadat de vorige koning is gaan zitten G: dat kan ook bijna niet, want de Pagie staat naast de troon van die Koning: die Koning gaat weg en de Pagie gaat er achteraan, dan zijn ze terug, en dan beginnen ze met de volgende.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De Koningen gaan langs de kortste weg van de troon naar hun plaats terug.

Vraag: en buigt de Pagie ook als die Koning daar weer zit, nog als groet ? Antwoord: nee, de Koning staat op, en de Pagie gaat daar weer direct achteraan. V: wat er werd gezegd (zie boven) over “daartoe uitgenodigd door de Pagie, dat geldt voor het opstaan dáár.

Vraag van de notulist: hoe lopen de Koningen hier ? Antwoord: alle drie Koningen links van de troon op rechts van de troon af:
regie-aanwijzingen driekoningenspel2

G: na deze ommegang nr.1 begint de Engel met dwars over het toneel nu links te gaan staan. Daar zijn achtergebleven, of achtergebleven ja, dat zijn altijd gewoon van die technische dingen: als je dus op een toneel blijft, dan moet er soms iemand van het toneel af om op te komen: dus na deze ommegang gaat de staart met Kaspar aan de linker kant af, Balthasar loopt achter het doek om en gaat rechts achter staan, zodat nu op het eind alleen Melchior nog over is, en die komt dus met de Pagie niet al te veel naar voren, en dan ziet de Pagie daar dus dat de beide anderen aankomen: Kaspar van links en Balthasar van rechts. Die naderen en dan hebben ze een gesprek.

En dan is het heel mooi, vind ik altijd, om op het moment dat Kaspar heeft gezegd:
‘Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat  hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –
mogtet so syn – het vinden begeren’

en dan staat er en dat staat in mijn tekst namelijk niet: de Engel gaat langzaam naar de achtergrond. Maar veel mooier is het en zo heb ik het ook altijd gezien  en daar kom je namelijk eerder toe als het er niet staat, om terwijl Kaspar dat zegt, de Engel al naar de achtergrond te laten gaan, want als zij daar namelijk is en dat antwoord van Melchior tegenkomt op wat Kaspar daar net gezegd heeft, dan is dat: ‘Doch, nu de starre schier verdween’ en dan is die ster namelijk helemaal weg, dan is de Engel inmiddels hier aangeland, en wanneer Koning Melchior dat zegt, doen de Koningen een stap naar voren toe, ze komen wat dichter bij elkaar en dan krijg je namelijk als beeld, prachtig, dat ze daar even volkomen in eenzaamheid staan. Eerst staan ze achter op het toneel niet te dicht bij elkaar, dan verdwijnt de ster, en dan is het zo, ik weet niet of U dat zich kan voorstellen zo, dat ze zo met zijn drieën dan wat dichter bij elkaar wat meer op de voorgrond komen. Vraag: de Engel, die gaat daar echt weer achterlangs ? Antwoord: nee, die gebruikt die hele tekst van de Koningen om in een langzame boog achterom te lopen en die moet dan zorgen – dat is altijd weer moeilijk voor die engelen – dat ze hier aangeland is, wanneer Melchior uitgesproken is en gezegd heeft: ‘of wy in gintser stede welligt niet en vernamen een naeder berigt’

regie-aanwijzingen driekoningenspel6

Engel

dat moet ze secuur uitknobbelen, want dan krijg je nu de muziek van nr.2

“Drie coninghen tyen, de starre veur an”, dan is ze er weer om vooraan te lopen.

Ja, zo duidelijk? Dan lopen ze hier in een driehoek. Dus de Engel loopt zó, en de Koningen voegen zich zó achter haar, en dan wordt de driehoek dus echt keurig zo afgewerkt, en dan kunt U dat pas op het toneel mooi vertonen wat hier netjes is, namelijk dat precies op de regels uitkienen, zodat ze aan het eind van het lied hier staan: “daer bleve de starre stil staen”.
regie-aanwijzingen driekoningenspel8

En dan komt de rest van de Kompany er bij voor nr.3.
De Engel moet dus wèl zorgen dat ze dan niet te ver is, want de rest van de Company moet dan gaan inhalen, want op dat ‘staan’, staat de Engel, maar staat ook de rest van de Kompany en gaat dan bij het volgende lied (nr.3)
Ter tyt Herodis regiment’  de zaal in.

Vraag: dat “Drie coninghen tyen”, wordt dat ook nog eens een keer gezongen nadat de Koningen in Jerusalem zijn geweest, en voordat Balthasar spreekt “Siet an, de sterre gaot veur ons uyt” ?
Antwoord: nee. Vervolg vraag: daar zit een beetje de vraag in: ik heb eens een keer in het spel gespeeld, waarin dit ene lied (nr.2) op die plaats is gezet, omdat natuurlijk vanuit de logica iets niet helemaal klopt: de ster ver­dwijnt, en dan zie je ze even later weer achter de ster aan lopen.

G: maar je moet deze dingen nooit logisch nemen (vraagsteller: nou, dat weet ik niet…), niet al te logisch. Kijk, die Koningen worden natuurlijk toch geleid door de ster en dit lied hoort hier (tekst: pag.5) dus echt, want nu waren ze dus alleen, maar toch, en nou is het mooie: ze zijn in de gesproken tekst de ster kwijt, maar in het lied komt hij weer te voorschijn. En het staat hier echt hoor, hier eerst, oorspronkelijk staat het eigenlijk op deze plaats.

V: het is natuurlijk de overweging, het is niet zo zeer een logische overweging, maar het is omdat natuurlijk toch duidelijk de ster niet naar Jerusalem leidt: de ster leidt naar Bethlehem en daarom kan ik begrijpen dat je dit zo doet, maar ja, het staat er sinds mensenheugenis echt op deze plek, en niet op een andere plaats. Vraag (vervolg): nu ja, het is ook volgens mij zo, dat de Koningen tegenover de Herders toch inderdaad wel de denkkrachten meer vertegenwoordigen en het is ook vanuit hun eigen denken, dat ze op een gegeven moment tot het besluit komen: kom, laten wij naar Jerusalem gaan.

G: ja, maar ze komen op die gedachte doordat ze de ster zien, want die ster zien ze dus alle drie.

V: ja, want je zit er dan trouwens nog mee: hoe krijg je de Koningen dan weg van het toneel als je dat niet met dat lied doet, want die moeten weg, want dan komt Herodes, hoe krijg je ze dan weg, als je dat lied (nr.2) daar overslaat ? G: ja, maar er komt nog een ommegang (nr.3), dus het is mogelijk om het zo te doen: ‘Ter tyt Herodis regiment’ komt er nog achteraan en dat is juist het moeilijke he, die aansluiting. V: ja, ik geloof dat het daar moet blijven, hoor, compositioneel gezien: hoe dat driekoningenlied aansluit met ‘Ter tyt Herodis regi­ment’, met die hele profety daar, dat is onverbreekbaar verbonden. Dat lied nr.2 wordt dan misschien nog eens herhaald, dat is een mogelijkheid, maar op die plaats horen nr.2 en nr.3 helemaal bij elkaar.

V: mag ik daar één opmerkinkje over de tekst van nr.3 maken. Omdat er meestal niet zo veel Latinisten onder de collega’s zijn, wordt dat vaak zó gezongen: ‘Ter tyt Herodes’ regiment’, maar er staat ‘Herodis regiment’, dat is de genitivus van Herodes. Het is juist wel leuk dat er nog op enkele plaatsen alleen in dit spelstukje te herkennen is, namelijk ook in dat ene lied, dat die spelen eigenlijk uit de liturgische Latijnse drama’s zijn ontstaan, al is het wel het laatste restje. De Koningen zingen op een goed moment in het Latijn, en dit is óók een stukje Latijn, maar goed, zoals je ook Christi geboorte zegt, dit is ook Latijn, dus: Herodis. Let maar eens op als u met Uw groep dit zingt: dus niet Herodes'(met komma), maar Herodis, Opmerking uit de zaal: die Latijnse resten vind ik toch beslist niet mooi in het Nederlands.
V: o, maar dat is een andere kwestie, maar dan ga je dus aan de vertaling van mej.Bruinier tasten: daar moeten we dan een andere bijeenkomst over houden. Zo lang we die tekst van haar nog gebruiken, G: en ik hoop dat we die nog heel lang mogen gebruiken…), is het Herodis.    (gelach)

G: dus die ommegang nr.3 is voorbij en iedereen zit op zijn plaats en de Duivel zet dan de (10-1-1976: rode) troon van Herodes klaar.

Mevr.v.d.Kroef: zouden we dan niet even noemen, dat nu tot dit stuk soms Viligratia ook de Lakei speelt en dus dan ook af moet bij die ommegang ? Zo niet, is het geen punt, als je spelers genoeg hebt.

G: maar dat is al eerder gebeurd dan: dan verdwijnt Viligratia bij de lemniscaat en die (speler) komt nu dan weer terug als Lakei.

V: is dat ook duidelijk voor iedereen, dit punt ? Ik weet niet hoe dat komt, het is waarschijnlijk ook uit die Oberuferer traditie, want daar hadden ze ook voor bepaalde rollen maar een beperkt aantal spelers: God-Vader speelde altijd de rode Koning, zodat dus de Lakei en Viligratia door dezelfde persoon wordt gespeeld. Het hoeft niet, natuurlijk niet, maar wij hebben het hier altijd wel gedaan. En dan moet  Viligratia, die moet al even eerder met de lemniscaat-doorgang weg en die moet zich verkleden, die moet een andere pruik op zijn hoofd en die moet een beetje anders geschminkt en dan voegt hij zich bij deze laatste ommegang (nr.3) weer in.
Vraag: alle spelers zijn zichtbaar, geeft dat geen spanning: Viligratia is er niet meer, vraagt de argeloze toeschouwer zich niet: heb ik Viligratia nou gezien ? Antwoord G: heb je hem ooit gemist ? Antwoord: nee.

Vraag Jo Hass: mag ik iets vragen dat met een trekje in het stuk heeft te maken: die muts of hoed, die Viligratia draagt, die heb ik al eens gezien met de planetentekens er op, is dat fout ?
G: ja, dat heb ik ook wel eens gezien. Die Sinterklaasmuts is wel aangegeven, maar die tekens, ik geloof eerlijk gezegd dat die er eens afgegaan zijn, want die zijn er dan opgeplakt (geweest), en toen heeft een welwillend iemand, die het zielig vond dat ik dat dan ook nog weer moest doen, die heeft er wat opge­plakten die heeft er wat anders opgeplakt, (gelach)

Jo Hass: ja, ik vraag het daarom, omdat ik het hier niet zag, ik dacht, hangt het samen met:    “Ghenadighe coninck, dit sy van my verre , .
Doch willic de profeten consamaneren                 (tekst pagina 2)

dus hij wil dat eigenlijk niet. Dus die achtergrond heb ik er achter gezocht.

Veltman: nee, hij is niet meer helderziend, hij kan het niet meer zelf zien, hij leest het uit de boeken. Tineke, weet jij daar iets over ?

Tineke Witvliet: in Stuttgart hebben ze ook die Sinterklaasmuts, die mijter, maar met een spiraal die naar binnen toe gaat, een inwikkelende spiraal. Volgens Frau Berthold is dat een “Angabe”.

G: schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Over die tekens op de mijter ben ik niet zeker. De zogenaamde “Angaben” van Frau Berthold lijken mij soms wat  “fragwürdig” !

V: het lijkt me inderdaad zeer de vraag of die planetentekens juist zijn, ik geloof dat het niet moet.
G: we hebben wel eens zo’n spiraal opgeplakt, maar die is er afgegaan en toen hebben we er iets anders opgezet, maar dat lijkt niet op een planetenteken, dat is zo maar iets.

Tineke: in Stuttgart is het hele costuum van Viligratia anders. V: o, vertel eens, dat is leuk.
Tineke: het is zwart, het is net een schilderij van Rembrandt: een grote witte plooi­kraag, zwarte kuitbroek met zilverkleurige knopen en ook zwarte schoenen met zilver­kleurige gespen, dus echt een geleerde. En wel die muts.

G: in Stuttgart, daar waren heel wat vreemde dingen bij voor mij. Tineke: Jozef heeft een heel grote hoed op.
G: ja, bij voorbeeld En een zespuntige ster op de Madonna-ikoon. Daar moet er helemaal geen zijn:

Kleuren van de  Madonna-ikoon in Den Haag
Maria heeft een blauw boven­kleed met een lichtgele zoom ter hoogte van schouders, ellebogen en enkels. Haar onderkleed, zichtbaar boven de enkels en bij de linker pols, is lichtrood. Het kind heeft lichtblauwe ogen, en is gekleed in de zelfde kleur als het onder­kleed van Maria: lichtrood. Het heeft iets geels (boek?) in de linker hand. Beide hebben donkergeel haar.

V: je ziet het, zó zie je het, zo zie je maar eens: wij moeten dat gewoon alle­maal kiezen hè (Ruud Gersons: als je maar je eigen achtergrond hebt), maar het be­roerde is-: wij kunnen hier tenminste nog vrij duidelijk aangeven van wie we de dingen hebben, en dan kun je daar natuurlijk, aan die bron kun je gaan twijfelen, maar er zijn ook meningen van mensen, die beweren dat het van Herr Doktor komt, en dat gelóóf ik vaak helemaal niet hè, dus dat is het moeilijke hè, je kunt dat iemand niet in zijn gezicht zeggen.

V: goed, gaan we verder met de boze afdeling, met Herodes. Klopte de knots van Herodes (met Stuttgart) ?

G: die knots heb ik niet meegenomen. Tineke: die scepter ? Veltman: die scepter, met zo’n burchtje erop, met die kantelen. G: ja, dat klopt wel.    (gelach)

regie-aanwijzingen driekoningenspel3

V:  Herodes zit dus hier (10-1-1976: Herodes met rode mantel, zwart gewaad, zilveren ketting, gouden kroon, gaat zitten bij ‘ende op de hoochste plaats geset’. De Duivel heeft de (10-1-1976: rode) troon daar nu klaar gezet en die mag daar met die troon natuurlijk iets meer geintjes maken dan bij de Koningen.
Vraag: in het midden ? ik dacht dat die juist aan de zwarte kant moest staan.
V: nee, dat is ook gemakkelijker voor de souffleur, want   Herodes heeft een moeilijke rol.       (gelach)

Vraag: waarom staat de troon in het midden ? Krijgen de Koningen dan straks niet te weinig ruimte, als zij op bezoek komen ?

Antwoord G: je kunt eenvoudig het toneel in drie afdelingen verdelen, dus:

Jozef en Maria                             Herodes                                         drie Koningen

De plek van Herodes is in het midden gewoon, de plek van Jozef en Maria is links, de plek van de drie Koningen is rechts. Vraag: waarom ?

G: waarom, ja hoor eens, je moet mij nooit vragen waarom, ik heb dat zo 55 jaar lang gezien, en dat is genoeg.
Vraag: ja, maar waarom in het midden, ik vind het juist heel interessant, zijn daar gezichtspunten over ?
Antwoord uit de zaal: misschien moet je daarbij overwegen dat Herodes hier toch duidelijk in het middelpunt zit, hij kan naar de goede kant gaan, hij kan ook naar de slechte kant gaan.

V: ik heb nu gehoord de gedachten over hoe het met Herodes zit, maar het is toch duidelijk dat Herodes de tegenhanger is van dat kind dat geboren wordt, dus dat hele drama om zijn persoon gaat, dus dat hij in bepaald opzicht wel een middelpunt­figuur is. Maar zuiver technisch zou het ook niet erg mooi zijn om zó lang deze helft van het toneel leeg te laten.

Harry Polderman: probeer je eens voor te stellen dat je Herodes speelt, en dan daar (= links) moet gaan spelen: je beheerst het toneel niet meer. Als je in het midden zit, zoals nu, beheers je het hele toneel als beeld, maar als je daar gaat zitten…. Veltman (“daar” zittende nu): ‘Bin ick eerst regt op een verbolghen’ (gelach)

G: ik wou zeggen, dat, wat Harry daar zegt voor deze scène, is natuurlijk voor die laatste scène, waar hij dus door de Engel de hellekroon opgezet krijgt, dat is natuurlijk schitterend: dat je dat in het midden speelt, dat kan je niet in een hoekje stoppen.

V: er wordt geklopt en d e Lakei staat dus aan deze kant en die gaat dus kijken, die gaat kijken en die komt dan terug en die vertelt dan de Koning…    moeten we dat helemaal spelen ? Antwoord: nee.

regie-aanwijzingen driekoningenspel7

Vraag: wat is dat voor een man, die Lakei, is hij gewoon wat gek, of ? Mag hij soms wel in die richting geregisseerd worden ?

V: dat is altijd het moeilijke met die Lakei: die mag natuurlijk hier en daar wat, laat ik zeggen, caricaturaal worden aangezet en we hebben hier een soort traditie in die richting, omdat in Den Haag Henri Zagwijn de eerste Lakei was en dat was een koddig mannetje met een gnomig hoofd, zijn opvolger Laffree deed de scepter van Herodes na met zijn duim, Soetekouw maakte er een geniepige gek van, een rotventje, een slaaf met een lakeienziel. Het moeilijke van de Lakei is, dat hij niet gaat schmieren op de uitvoering, en dan daarmee het tragische van Herodes wegspeelt: dat mag niet. Dus niet te dik er boven op leggen, bijv. als hij schrikt van de zwarte Koning, hij moet met Herodes in evenwicht zijn. Zagwijn, Laffree en Soetekouw waren zó kunstzinnig, die schmierden niet.

Opmerking van de notulist: op 10-1-1976 bij Kaspar: ‘brenghenme u kondschap van het kinde’, komt de Engel naar voren. Na de Lackeye: ‘de overpriesters byeen vergaere’ klopt Herodes heftig op de leuning van de troon.

V: de goede, edele Pagie loopt mooi driedelig, maar als de Lakei met zijn mooie kostuum om de Schriftgeleerden roept, komen ze alle drie in hun grijze (10-1-1976: zwarte) kostuum en zij lopen zonder spieren, alleen met botten en pezen, geen enkele beweging mag soepel zijn, ze lopen op hun hakken. De Schriftgeleerden hebben geen ziel, alleen kennis en weten van de letters, het is een luguber stel. Als het grappig is, wordt het fout gespeeld. Als je het goed doet, lachen ze niet in het publiek. Het is echt geen demonstratie van antisemitisme. Ze spreken scherp consonantisch. ‘Heer’ heel   snel herhaald enz.
‘Joetse lant’ wordt uitgesproken als’ joodse land’

Er zijn een aantal uit de traditie overgeleverde dingen:
Bij Kaifas:       ‘Het saat der vroue ( = afstammelingen van Eva) sal der slanghe den kop vermorselen en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.’ dan stampen ze op de grond bij ‘vermorselen’, en keren ze zich om bij ‘weeromme bringhen.’

Bij Herodes: ‘myn ryck staet hier in groot gevaor’, dan lachen ze schamper, en maken ze dienovereenkomstige gebaren en als antwoord daarop zegt Herodes: ‘wattic u segghe dat is waor.’
By Kaifas:’‘Heer, so en dorfment niet verstaen als soude u ryck te gronde gaen: een coninck sal hy worden geagt maor niet en heerschen mit conincklycke magt, verwesen sal hy syn ter doot, syn eygenst volleck tot een spot.’
dan steken ze alle drie hun tong uit.

Mevr.v.d.Kroef: speelde onder regie van Ernst Lehrs: hij liet Kajafas gebaren maken met de handen, het zogenaamde “kop afsnijden” (snelle draaiing van spaakbeen om ellepijp en terug !) ter hoogte van de hals: de buik was hem al te laag !

V: bij Herodes: ‘Twaor beter sulx te veure comen dat jonck hem tleven wier benomen,’ daar reageren de Schriftgeleerden niet zo op.
Bij Pilatus: ‘of syt aldus hebben bevonden’ spreken de Schriftgeleerden het laatste woord (steeds) drie maal uit.

Als de Schriftgeleerden in hun papierrollen gaan kijken, rollen ze die horizontaal (!) uit, en lezen ze van rechts naar links, ze houden ze Herodes voor zijn neus.
Als Jonas spreekt: ‘Sy doene allen eenparighlyc weten’, dan spreken alle drie Schriftgeleerden deze 5 regels tegelijk uit: ze schreeuwen ze in zijn oren.

Maar dan schreeuwt Herodes, dat de kinderen het in hun broek doen, z6 geweldig gaat hij te keer, hij eindigt met: ‘maekt u van hier’
(10-1-1976: Kaifas krijgt een schop na).

De Schriftgeleerden haasten zich naar hun bank links achter en vallen met bank en al om. Deze bank moet dus van te voren al los staan !

Na Herodes: ‘op dattic vergiete het kint syn bloet’ is er, achter het toneel (in rood licht) een lach van de Duivel.

Na Herodes: ‘O wee, is neymant soot vermogt ? is geen daor so my by wilt staon ?’ komt de Duivel (listig) binnen, en die houdt eerst een (consonantische !) alleen­spraak, springt om Herodes heen, tikt hem op de schouder als hij juist de andere kant uit kijkt, enzovoort.

Dan Herodes: ‘Van anghsten soudic vast versaeghen.’

Dan de Duivel weer, hij eindigt met ‘dies maekt u op, geen uur gewagt’  en doet dan twee of drie stappen naar links, waarna Herodes hem terugroept.

Als Herodes zegt: ‘Ghesel, op iet bin ick noch bedacht’, komt de Duivel weer dichter bij.

Als de Duivel zegt: ‘wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts:’, dan zegt hij dat twee maal ‘so merckts’ met een hoge, (bijna) piepende stem.
De Duivel staat bij ‘ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn’ achter Herodes, en loopt daarna bij ‘dan doenic laghen in myne vuyst’ van rechts achter naar links voor, en gaat daar dan af.

Bij “Bix Bax” gaat het licht uit. De troon wordt weggenomen.
Bix Bax is een oude toverspreuk. Schroer S.57: Pix = Pech, Hölle ?(hel)

Nu komt de ommegang nr.4, met de Engel voorop.

V: de Koningen volgen de ster = Zarathustra. Het kind is al geboren. De Engel draagt die ster. Dit is het kosmische beeld van de Jonkvrouw met de Ster bekleed: de geest van Zarathustra, die de aarde bezoekt in de persoon van Jezus van Nazareth. Dat staat ook in Jesaja 7:1.

Het is mooi als iedereen bij de laatste regel van nr 4 ‘in Betlehem bleve de star stil staen’, nu ook werkelijk stil staat.

Dan de ommegang nr.5 (10-1-1976: in de zaal): Geboren is in Betlehem’. Daarna gaat de Engel naar links voor, de Koningen staan dan op. De Pagie haalt een krukje voor Maria met kind op arm.

Volgens v.Bemmelen heeft de Engel geen ster op het voorhoofd (zoals in het Kerstspel). Wel heeft Maria een sterrenkroon.

De Koningen zijn de ster nog steeds kwijt: ze zitten in de eenzaamheid.
Kaspar: ‘Verlaet o heer ons nemmermeer !’  is een gebed

Melchior: ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’: dan zien ze de ster stille staan bij Jozef en Maria. Dan zingt Maria het eerste deel van nr.6.

Vraag Jo Hass: zijn er bij ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’ vier heffingen met soms één soms twee korte lettergrepen ? Is het ‘Welc deuser twee paden (Den Haag), of  ‘Welc deuser paden’ (Rotterdam) ? antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.
Opmerking notulist: in de Duitse tekst: “Hier san zween weg, wölchs ist der recht ?’ Nu komt het ritueel van de offering.

De Pagie neemt van iedere koning de staf in ontvangst.
Opmerking uit de zaal: in Bergen is het een traditie, gekomen uit de heilpaedagogische instituten, dat de staven omgekeerd gebracht, en ook omgekeerd weggebracht worden.

V: als je een teken omdraait, is dat zwarte magie, ik zou het nooit doen. Tineke: in Stuttgart heeft de blauwe Koning de grootste staf, de staf van de rode Koning past erin, en die van de groene Koning weer daarin, en de knoppen van de staven verschillen ook: tesamen een lotos.

Opmerking notulist (10-1-1976): iedere koning knielt en zet de offergave voor zich neer, de andere twee koningen blijven geknield met handen tesaam.

rode K                                                  blauwe K                                                   groene K

Dan zingt Melchior ‘Psallite unigenito’ nr.6 tweede deel).

Bij het weggaan van de Koningen is drie maal buigen wel aangegeven (bij de Herders niet) . De drie Koningen buigen drie maal tegelijk en gaan achterwaarts. De Pagie komt drie maal met staf en wijst hen de plaats aan.

Mevr.d.Kroef: het bij elkaar zetten van de staven (Christengemeenschap Rotterdam) is mij niet bevallen.

V: dan valt slagschaduw op de Engel, dat is lelijk. Dus bovenlicht !

Na de offering gaan de drie Koningen langs Herodes, maar zij kijken niet naar hem.

Opmerking notulist (10-1-1976): als Jozef spreekt blijft hij achter Maria staan. Het wordt donkerder. Het wordt nacht. De drie Koningen knielen.

Dan komt de nocturne nr. 8. De Engel begint achterwaarts te lopen en als zij slapen (Ic laghe in eene nagt en sliep” ), dan spreekt zij: ‘Ghy heylghe coninghen van oriënt’, dit klinkt van verre. De Engel moet daar ‘etherisch’ spreken.
regie-aanwijzingen driekoningenspel4

Als de Koningen slapen, slaapt Jozef ook.

De Koningen vertellen hun droom en gaan weg met nr.9.

Dan komt de dialoog tussen de Engel en de geknielde Jozef. Jozef en Maria kijken naar voren.

G:   liet, als Maria nr.10 zingt, Jozef opstaan bij ‘Hier om staet op, syt wel gemeyt’ (= weest welgemeend), maar men vond dit destijds te intellectualistisch, je moest niet precies doen wat je zei, en zo..

De Pagie komt (10-1-1976: neemt de offergaven één voor één mee naar links), haalt tenslotte ook het krukje weg en gaat zitten.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel brengt de rode zetel van Herodes. Het toneel is verduisterd in rood.

V: de Duivel komt met 1.mandaat, 2.zakje met geld, 3. zwaard.

Bij Herodes (10-1-1976: steeds zeer consonantisch): ‘soo willic om gaon mittet kint.’ fluistert de Duivel hem iets in het oor.

Dan komt de moeilijke ommegang rondom de troon waarin Maria nr.11 zingt: Zij moet steeds frontaal blijven. Belichting: een spot recht van boven op Herodes en iets voetlicht. Als het lied uit is, is Maria achter op het toneel. Het is een vizioen,  dus Herodes fixeert Maria niet: hij kijkt recht vooruit en iets omhoog.

Opmerking notulist (10-1-1976): bij Herodes: ‘Wout ghy my dan verordineren? staat Herodes op, en het licht gaat aan.

V: dan spreekt de Hooftman het mandaat uit. Judas is er bij.

Flink stampen bij het wegmarcheren. Het gevaar is, dat daar om gelachen wordt, maar dat is niet zo erg, als het daarna maar stil wordt.

Opmerking notulist (10-1-1976): Judas protesteert, de Hooftman steekt hem met rood zwaard, brengt hem weg.

Herodes: ‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert’. Herodes geeft het zwaard. Opmerking notulist (10-1-1976): bij de Lackeye:’ ick laot my niet besteken’ (=omkopen) maakt hij het gebaar van geld tellen.

V: dan komen ze terug met in de rechter hand de gedode kinderen. Achteraan op­staan. Dit moeten echt wel popjes zijn, maar niet “naturalistisch op ware grootte’: het kunstzinnige gehoorzaamt aan andere wetmatigheden, het moeten aanduidingen zijn. Een stuk rauwheid zit hier in.

Tineke: Frau Berthold had de poppen in wit en zwart, absoluut niet realistisch. V: het rode tongetje moet uit het Duivelskind hangen.

De Duivel komt op van links, trapt tenslotte het kind dood, en strooit de inhoud als zaagsel over Herodes heen, dat deze natuurlijk niet mag afkloppen. Dan de Hooftman: ‘Coninclyc majesteyt, ic bid om verschoningh’. Herodes wil zelf in Bethlehem gaan kijken. Lackeye: ‘Een appel end een mes bringht haestiglyc dattic myn here laefenis reick.’

V: zie hiervoor Emil Bock: “Caesaren und Apostel” bladzijde 92:

In den Gärten von Jericho, wo der kranke Greis vergeblich nach Linderung seiner Qualen sucht, läßt er sich Apfel und Messer bringen mit der Absicht, seinem Leben ein Ende zu be­reiten. Der Selbstmord wird verhindert, aber bald darauf erliegt er seinen Qualen, während in Jerusalem bereits stürmische Unruhen ausbrechen: die strenggläubigen Juden gehen bilderstürmerisch gegen die Prunkschöpfungen des Herodes vor .
In de tuinen van Jericho, waar de zieke grijsaard tevergeefs naar vermildering van zijn kwalen zoekt, laat hij zich een appel en een mes brengen met de bedoeling zijn leven te be-eindigen. De zelfmoord wordt verhinderd, maar spoedig daarna sterft hij aan zijn kwalen, terwijl er in Jeruzalem al stormachtige onlusten uitbreken: de strenggelovige Joden gaan als beeldenstormers tekeer tegen de pracht en praal van Herodes.
 Schroer S.58  Hat der Apfel tiefere Bedeutung? der Tod bringende Apfel Adams? Heeft de appel een diepere betekenis? De dood brengende appel van Adam?

De Engel komt tegelijk op met de Hooftman ,en zingt nr.12:
‘Herodes, Herodes, ghy snoode tiran’
Zij staat daarbij op een kleine verhoging achter de troon.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Daarvoor moet de Duivel zorgen, als hij Herodes’ troon voor de slotscène klaarzet.

Bij Herodes: “dies heeft den duyvel my ten val gebragt’: laat de Hooftman de geldzak vallen.

By Herodes: ‘nu vaer ic henen in Abrahams hof.’ valt zijn hoofd achterover en de kroon valt, hij grijpt naar zijn hart. Duisternis.

V: de Engel zet hem de “helle-croon”, de kroon met vlammen op: het oerbeeld van de clownsmuts. De Engel heeft deze kroon achter een bankje.

Opmerking: op de VPA niet: de Engel zegt het tegen de ‘hellegheesten’, en die doen het.

Opmerking Jo Hass: in Rotterdam geeft de Duivel de kroon aan de Engel.
G schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Wanneer de Engel zelf de helle-croon meebrengt, moet deze gedurende het hele spel ergens onzichtbaar binnen haar bereik staan.

Dan spreken Hooftman, Lackeye en Krygsknecht tesamen: ‘Wat baet de hoghe troon, wat schepter ende croon, schepter en regiment,  tgaet alles ras ten end.’
Dan gaan ze weg.

De Duivel komt: ‘Buckt u Joostjen, buckt u,’, alsof hij tot een mede-duivel spreekt.
En later de Duivel: ‘Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.’

De ziel van Herodes is héél licht, weegt bijna niets. Hij gaat jammerend af.

Dan komt de passage met de Hooftman: ‘Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven.’ Deze tekst, met het zich ophangen en verdrinken, heeft eenzelfde inhoud als het tweede optreden van de Duivel in het Paradijsspel.

De Hooftman doorsteekt zich en valt in de troon van Herodes, dat wil zeggen hij neemt het karma van Herodes op zich, het is een zeer positieve zelfmoord. Deze Hooftman is zijn geweten nog niet kwijt.

De Romeinen deden de verschrikkelijkste dingen, maar er was ook een hoofdman over honderd (Marcus 15:39), die zei: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon’. Zeer indrukwekkend.

De Duivel moet nu snel alle spullen opruimen.

In de ommegang nr.13 loopt Herodes als een slappe, uitgebluste veroordeelde er achteraan.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel houdt Herodes (zijn buit) in de kraag vast. Slotwoord van de Engel en buigen.

Vraag Jo Hass: waarom is het in nr.13 Jesu den Messias en niet Christus den Messias .Antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.

Opmerking notulist: in de Duitse tekst staat: ‘Seid fröli und jubilieret, Christus dem Messiä, (maar in de muziek van van der Pals staat  ‘Jesu den messias’

Vraag: over de kleding van de Koningen.
G: de Koningen zijn met niets zo aan te kleden, dat ze worden wat ze zijn. Crêpepapier met kleurige belichting is werkelijk erg mooi, anders wordt het niets.
V: het geestelijke wordt daardoor juist versterkt: van de Koningen gaat dan iets uit als van een andere wereld. Het is een mooie vondst, want hoe durf je zo iets te doen ?

Mevr.v.d.Kroef: volgens Ernst Lehrs waren de Hooftman en de Lackeye twee uitgetreden zielekrachten van Herodes in het extreem: Hooftman: het bloederige, brallerige.
Lackeye: het slaafse, onderdanige, strebe­rige.

V.: je kunt dit op verschillende niveaux bekijken.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De ‘lichte” en de “zwarte’kant tellen beide acht spelers:
Licht: Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Pagie, Viligratia, Maria, Jozef. Zwart: Herodes, Lakei, Hoofdman, Soldaat, drie Schriftgeleerden, Duivel.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Na de aanbidding door de Koningen en het wegtrekken van Jozef en Maria naar Egypteland, komt de waanzinscène van Herodes gevolgd door diens ondergang. Dat is een lang stuk, waarbij men moet oppassen, dat dit deel niet gaat overheersen in het spel. Zowel de regisseur als de gehele Kompany moeten  hierop bedacht zijn. Het gaat om de aanbidding door de drie Koningen.

Heinz Muller citeert in “Spuren auf den Weg” op blz. 54 Karl Schubert:
In Erinnerung an diese herrliche Zeit und an meinen Freund Karl Schubert seien hier einige Worte aus seinem Aufsatz in den „Mitteilungen* Nr. 6/1948 angeführt:
‘Wer immer beim Erleben der Weihnachtsspiele Freude und inneren Reichtum ge­winnt, der möge daran denken, daß diese Spiele nur eine literarische Tatsache der wissenschaftlichen Welt geblieben wären, wenn sie nicht durch Rudolf Steiner, der in seinem Lehrer Karl Julius Schröer den literarischen, wissenschaftlichen, lie­bevollen Behüter der Spiele kennengelernt hatte, zu neuem Leben erweckt worden wären. – Wenn man sie spielt, so sollte man sie im Dialekt und ohne jede Pathetik schlicht, einfach und würdig spielen. Man bedenke, was es heißt und was es be­deutet, daß solch ein Mensch wie Dr. Steiner trotz der vielen Arbeit sich die Zeit nahm, die Spiele selbst einzustudieren. Daher gehe man als Spieler und als Zu­schauer so an die Spiele heran, daß man in Dankbarkeit an Dr. Steiner denkt, der etwas von seinem Wesen den Weihnachtsspielen gegeben hat.’
In herinnering aan deze heerlijke tijd en aan mijn vriend Karl Schubert laat ik hier een paar woorden uit zijn artikel in de ‘Mededelingen’nr.6 1948 volgen:
‘Wie steeds bij het meemaken van de kerstspelen vreugde en innerlijke rijkdom ten deel valt, zou daaraan kunnen denken, dat deze spelen slechts een literair feit van de wetenschappelijke wereld zouden zijn gebleven, wanneer Rudolf Steiner, die in zijn leraar Karl Julius Schröer de literaire, wetenschappeliijke, liefdevolle beschermer van de spelen had leren kennen, ze niet tot nieuw leven gewekt had. Wanneer men ze speelt, dan moet men ze in het dialect en zonder pathetisch te doen, heel eenvoudig en waardig spelen. Denk eens in wat het betekent dat een mens als Dr.Steiner die ondanks zijn vele werk, de tijd nam om de zelf spelen in te studeren. Vandaar dat men als speler en toeschouwer zo naar de spelen zou moeten kijken dat men in dankbaarheid aan Dr.Steiner denkt die iets van zijn wezen in deze Kerstspelen gelegd heeft.’

*Noor Gerretsen, in het verslag afgekort G
Wim Veltman, in het verslag afgekort V

Kerstspelen – Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten: Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningenalle beelden

 

76-73

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.