Tagarchief: herdersspel

VRIJESCHOOL – Kerstspel

.

Pieter HA Witvliet

KERSTSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Kerstspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Kerstspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

KERSTSPEL

Lied bij binnenkomst:

Seegnen wilt ons binnengaen,
Wil ons zegenen als we naar binnen gaan,
onsen uytganck, heer, daerneven.
maar ook, Heer, als we weer naar buiten gaan.
Seegnen wilt ons gaen ende staen,
wil ons doen en laten zegenen,
’t daeglycx broot end’ allet leven.
het dagelijks brood en heel het leven.
Seeghent ons mit salig sterven,
Zegen ons met een zalig sterven,
laet uw hemel ons beërven.
laat ons in de hemel komen.

Sterrenzanger:

Goe sangersluyden mijn versaemelt man aen man
Mijn goede zangers verzamel man aan man
kreck als de spieringh in de pan.
net zoals spiering in de pan.
Goe sangersluyden mijn posteert u in den kringhe,
Mijn goede zangers ga eens in een kring staan,
Wy willen ons de wyle corten mit singhen.
Wij willen de tijd bekorten met zingen.
Goe sangersluyden mijn, laet u oock dapper horen,
Mijn goede zangers, laat u ook dapper horen,
bringhenm’ efter ons comp(e)lement van te voren.
Laten we eerst onze groet brengen.
Groetenme God vader in sijnen troon
Laten we Godvader groeten op zijn troon
en groetenme synen eenighsten soon.
en laten we zijn enige zoon groeten.
Groetenme den eenighen geest mit naôme
En laten we vooral de enige geest groeten
en groetenmens al gedrie te saômen.
En laten we ze alle drie samen groeten.
Groetenme Josef en Maria reyn
Laten we Jozef en de reine Maria groeten
en groetenme dat klene kindekyn.
en laten we dat kleine kindje groeten.
Groetenme oock os end’ eselken
laten we ook de os en het ezeltje groeten
die daor staene by het krebbeken.
die daar bij het kribje staan.
Groetenmens deur son- ende maneschyn
Laten we ze d.m.v. de zonne- en de maneschijn groeten
dwelc lighten al over see en over den Rijn.
waarvan het licht helemaal over de zee en de Rijn schijnt.
Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
Laten we ze d.m.v de kruiden en het blad groeten,
d’heylighe regen maakt so u als myn algaôre nat.
de heilige regen maakt zowel u als mij heel graag nat.
Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
Laten we de keizer groeten die over velen regeert,
groetenme de meester diet klaôr can speulen.
laten we de meester groeten die het zuiver kan spelen.
Groetenme onse geestelicke heeren
Laten we onze geestelijken groeten
wyl datme ’tspul mit haor permissie dorften leeren.
omdat we het met hun toestemming mochten instuderen.
Groetenme de schepenen mitten schout,
Laten we de schepenen groeten met de schout,
want yederse in eere houdt.
want die moet ieder wel in ere houden.
En groetenme de gantsche agtbaôr gemeent
En laten we alle mensen groeten
so mit mekanderen hier syn vereent.
die hier zo bij elkaar zijn gekomen.
Groetenme de vroetschap, agtbaôre en geëert,
Laten we de gemeenteraad groeten, achtbaar en geëerd
daor toe God se heyt verordineert.
dat heeft God hun bevolen.
Groetenmens deur d’wortelkens so in der eerde staon
Laten we ze d.m.v. de worteltjes groeten die daar in de grond staan
sonder één wortelken over te slaôn.
zonder één worteltje over te slaan.
Goe sanghersluyden myn, laewet anders beginnen:
Mijn beste zangers, laten we wat anders gaan doen:
de star willenme toe gaôn singen.
we gaan de ster bezingen.
Groetenme de star heur stange
Laten we de staf van de ster groeten
daor onse starre an doet hanghen.
waar onze ster aanhangt.
Groetenme de star heur scheer
Laten we de schaar van de ster groeten
daor de starre an reysen doet op ende neer.
daarmee gaat de ster op en neer.
Groetenm’ oock de houtjens één voor één
Laten we ook een voor een de houtjes groeten
die houwen onse starre byeen.
die houden onze ster bij elkaar.
Goe sangersluyden mijn hebt heuren connen
Mijn goede zangers, jullie hebben kunnen horen
datme de star hebben ânegesonghen.
dat we we de ster hebben toegezongen.
Groetenme onsen meester sangher goet
Laten we onze goede meesterzanger groeten
en groetenme den meestersangher syn hoet.
en laten we de meesterzanger zijn hoed groeten.
Groetenme eveleens onsen meester weert
Laten we eveneens onze waardevolle meester groeten
naedien hy mit Gods hulpe ons‘t heyt geleert.
want hij heeft het ons met Gods hulp geleerd.
Goe sangersluyden myn hebt heuren connen
Mijn goede zangers je hebt kunnen horen
hoe datme dit als hebben ânegesongen.
hoe we dit allemaal hebben bezongen.

Lied:

Toen het woort wierdt vervult
Toen het woord in vervulling ging
so God verkondight hadt,
dat God had verkondigd,
quam daer een enghel snel,
kwam er meteen een engel
van naôme Gabriël,
die Gabriël heette,
tot Nazareth, die Stadt
tot de stad Nazareth
Int land Galileea;
in het land Galilea;
teener maecht, Maria,
tot een maagd, Maria,
God hem henen sendt.
zond God hem.
Was met Josef ondertroud,
ze was met Jozef in ondertrouw
geen man en heeft bekend.
ze had nog nooit een man gehad.

Engel:

Weest gegroet ghy begenadigde!
Wees gegroet, begenadigde!
God den heer is met u!
God de heer is met je!
Ghy syt geseghend onder de vrouwen!
Je bent gezegend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
want je zal bevrucht worden
en eenen soon baeren
en een zoon baren
en sult synen naem heeten Jesus!
en je moet hem Jezus noemen!
En hy sal over syn volck conick syn in der eeuwicheyt.
en hij zal tot in de eeuwigheid koning over zijn volk zijn.

Maria:

Hoe sal dat wesen,
Hoe kan dat,
dewijl ick geenen man en bekenne?
als ik geen man heb gehad?

Engel:

Siet, ick ben den enghel Gabriël
Kijk, ik ben de engel Gabriël
Soot u verkondigt:
die je dit aankondigt:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen.
de kracht van de allerhoogste zal over je komen.
Daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wordt
daarom ook is het heilig wat uit jou geboren wordt
sal Gods sone genaemt worden.
en zal Gods zoon worden genoemd.
En siet, Elisabeth uwe nighte
En kijk, Elisabeth, je nicht
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
is zelf ook bevrucht en krijgt in haar ouderdom een zoon
en dese maend is haer,
en zij is deze maand al zes maanden zwanger,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
terwijl men zei dat ze onvruchtbaar was.
Want geen dingh en sal bij God onmoogelyck sijn.
Want bij God is niets onmogelijk.

Maria:

Siet de dienstmaecht des heeren,
Zie de dienstmaagd van de heer,
my geschiede nae uw woort.
laat gebeuren wat u zegt.

Lied:

Als Maria joncfrou reyn,
Toen Maria, de reine maagd,
swanger wierdt bevonden
zwanger bleek te zijn
nae het woort der profecy’n
volgens het woord van de voorspelling
dwelc God deet vermonden,
dat door God gesproken was,
liet Augustus naerstelyc
hield Augustus met grote voortvarendheid
tvolk bescryven in syn ryck.
een volkstelling in zijn rijk,
Geen en dorft bestryen.
Daar mocht geen mens zich tegen verzetten.
Daer gongck yeder nae de stadt
Toen ging iedereen naar de stad
alwaer hij oorspronck hadt,
waar hij vandaan kwam,
moestet willigh lyen. 
moest het maar gewillig ondergaan.

Engel:

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en het is ook niet door ongelovigen bedacht
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
over hoe Jezus Christus ter wereld kwam,
twelk grote quaden van ons nam.
wat veel kwaad van ons wegnam.
So gy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren,
swiyght stil en opent wijdt u ooren.
wees fan stil en luister
goed.

Lied:

Keyser Augustus teersten liet
Keizer Augustus liet als eerste
bescryven elck in syn gebied.
ieder zich in zijn eigen streek inschrijven.
dies Josef, synd uyt Davids stam,
vandaar dat Jozef uit de stam van David,
is opgegaen nae Judeam.
naar Judea is gegaan.

Maria jonckfrou toogh mit hem
De maagd Maria ging met hem mee
tot syne stadt, hiet Bethlehem.
naar zijn stad Bethlehem.
en als sy quamen tsaem daerbij,
en toen ze daar samen aankwamen,
Maria’s soon dien baerde sij.
Baarde Maria haar zoon.

 Jozef:

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
Keizer Augustus heeft bevolen
dat allet volck tesaem sal syn bescreven
dat heel het volk geteld moet worden
end elck van stonden aen sonder respyt
en iedereen van nu af zonder uitstel
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
zelf belasting moet gaan betalen.
Wyl nu voor onse nootdruft wierd besteet
Omdat nu het geld dat ik opzij gelegd had,
het geldt so ick terzyde legghen deed,
opgemaakt wordt aan wat we nu nodig hebben,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
hebben we bijna geen rooie cent meer,
alsulck ellend geclaegt sy God de heer.
God nog an toe, wat een ellende.
k En weet oock geen middel hoe geldt te bekomen,
En ik weet ook niet hoe ik aan geld moet komen,
myn kragten hebben of genomen,
ik heb ook niet zoveel kracht meer,
het hantwerck wierd me alree te swaer:
het handwerk werd me ook al te zwaar:
dat wil my bedroeven voor ende naer.
daar heb ik echt steeds veel verdriet van.
Alevel willic sonder draelen
En toch wil ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus deze belasting betalen
na skeysers wille en gebod
zoals de keizer dat wil.

Maria:

O Josef en laetet u niet verdrieten,
Ach Jozef, wees er nou niet verdrietig onder,
die som salmen wel veur willen schieten;
dat bedrag zullen ze wel voor willen schieten;
ik spreecker een vrund aan te morghen,
ik zal morgens eens een vriend vragen,
syt hierom sonder sorghen.
zit er nou maar niet overin.

Jozef:

Maria, wie isser so wel gestelt
Maria, wie is er zo welgesteld
om ons verstrecken so veul geldt?
om ons zoveel geld te kunnen geven?
de schaerschte heerscht aan alle kant.
er is overal tekort.
Wy willent legghen in Gods hant.
We laten het maar aan God over.

Maria:

Als geenderlei midd’len te vinden syn,
Als er helemaal geen oplossing komt,
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
dan moeten we het osje maar aanlijnen
en leydent nae Bethlehem met spoet
en dan brengen we het maar vlug naar Bethlehem
alwaer Augustus ons heentyen doet,
waar we van Augustus naartoe moeten,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
dan verkopen we daar voor niet al teveel
so macht noch goet afloopen.
dan komt het misschien toch goed.

Jozef:

Soome veur de beschryvinck het osjen geven,
Als voor het inschrijven het osje eraan geven,
hoe onderhouwenme verder ons leven?
hoe blijven we dan verder in leven?
Daer op ick al hope ende heul had gebout
waar ik nou zoveel van verwachtte
om een kleynicheyt het vercoopen soud’?
om dat nou voor een kleinigheid te verkopen?
Edoch, waert geldt van noode is
Maar ja, als er geld nodig is
het minste quat geboden is.
moeten we maar het minst slechte kiezen.
Maria het ezslken bringt ereis aen,
Maria, haal het ezeltje maar,
ick sal mettet osjen nevens u gaen. 
dan loop ik naast je met het osje.

Maria:

Comen wy nu ter stadt so meteenen,
Als we nu straks in de stad aankomen,
waer bringhenme os ende ezelken henen?
waar brengen we dan de os en het ezeltje naartoe?

Jozef:

Een man is my aldaer bekent,
Ik ken daar iemand,
Rufinus, houdt een losament;
Rufines die heeft daar een herberg;
daer sullenme ondercoomen vinden,
daar vinden we wel onderdak,
os end’ eselken in den stalle binden. 
de os en de ezel binden we vast in de stal.

Maria:

So efter vreemden waren gecomen
Maar als er nou eens vreemdelingen aangekomen zijn
en al de plaetse waer’ in genomen?
en alle plaatsen bezet zijn?
Wyl dat veul volcs van alderhant wys,
omdat er allerlei mensen
slagh ende soort alsnu nae Bethlem reyst.
nu op reis zijn naar Bethlehem.

Jozef:

Maria, ick sien de stadt op daegen,
Maria, ik zie de stad opdoemen,
wy willen‘t vee een weinigh jaegen,
we zullen het vee wat opdrijven,
dat niet de poorte quam te sluyten
dat de stadspoort niet gaat sluiten
enm’ overnachten mosten daar buyten. 
en we erbuiten moeten overnachten.

Maria:

O Josef en haest so ras niet voort,
Ach Jozef, loop niet zo hard,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
het lopen gaat steeds moeilijker worden,
de baen is ach so gladt van ys:
de weg is zo glad door het ijs;
ik vreze te vallen telken reis.
ik ben iedere keer bang dat ik val.
Van coude syn my de leden bevaên,
Mijn armen en benen zijn heel koud geworden,
ick vreze het mogt my qualyk vergaen.
ik ben bang dat het slecht met me afloopt.

Jozef:

Tavond wenme ons wit bereycken
Wanneer we er vanavond zijn
Sullenme soetjens de leden bestrycken
zullen we met warme doeken je armen en benen wrijven.
met doecken so heet. Maria, siet aen,
Maria, kijk eens,
alreets wy voor die herberghe staen.
we staan al voor de herberg.
God gheef u genavend myn goe Rufyn,
God geef’ u een goede avond, beste Rufijn,
meugenme te naght in u herberghe syn?
mogen we vannacht in je herberg zijn?
Wy coomen moey van langhe toght,
We hebben een vermoeiende tocht achter de rug,
so als elck reysersman wel kennen moght.
dat weet iedere reiziger wel.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
We hebben veel last gehad van de bittere kou,
de snerpende windt het gesicht schier ontvelt.
door de snijdende wind hebben we bijna geen vel meer op ons gezicht.

Rufinus:

Vriendt, wilt uw gaodingh elder soeken,
Vriend, zoek je heil maar ergens anders,
hier is t beset in allen hoecken
hier is elk hoekje bezet
van kelder tot solder, vroegh ende spâ:
van kelder tot zolder, vroeg en laat
het is so waôr als ick hier stae.
zo waar als ik hier sta.
Myn losament omt seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort. 
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Nu en ken ik lacie geen ander man
Nu ken ik helaas niemand anders
so ons behulpigh wesen can.
die ons kan helpen.
Doch laet ons hierom niet versaghen
maar laten we hierdoor niet de moed verliezen
en voort op nieus een poginck wagen,
en het nog een keer proberen,
den gebuere bidden met heuschen groet
de buurman eens beleefd groetend vragen
of hy bygeval ons beherbergen doet. 
of hij ons misschien onder kan brengen.
Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
Mijn vriend wil ons onderdak geven
datm’ een wyltyds gerusten connen.
dat we een poosje kunnen uitrusten.

Servilus:

Wat moetghe hier, ghy mit u wyf?
Wat moet jij hier met die vrouw?
Blyft bedelvolleck my vant lyf!
Ik moet geen bedelvolk aan mijn lijf!
Van andren hebbic meer gewin,
Aan anderen verdien ik meer,
landloopers laetmen hier niet in.
landlopers worden hier niet binnengelaten.
Wech van myn deur en packt u voort
Weg! Opgehoepeld
dat ghy my langer niet en stoort.
dat jullie me hier niet langer storen.

Maria:

Erbarmen mooch hem den rycken God
Dat de machtige God medelijden met hem heeft
datme henen gaene met sulcken spot,
dat we met zo’n spot moeten vertrekken,
van coude end’ angst ‘et besterven,
het besterven van kou en angst
geen toevlugt en meugen verwerven.
en geen onderkomen kunnen vinden.

Titus:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
Beste vrouw, waarom klaag je zo?
wat sytghe al sozeer verslaegen?
waarom ben je zo terneergeslagen?
Ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
Je ziet dat daarbinnen geen plaats is,
‘t huys tot de nok vol vreemdelingen.
het huis zit tjokvol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
Maar ik kom je graag tegemoet:
gaet in den stal, daôr sit gy goet.
ga maar in de stal, daar zit je goed.

Maria:

Ach baeslief, ons ist eenerley
Ach beste man, het is ons om het even
oft beddeken hart ofte sagte sy
of het bed nu hard is of zacht
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
zolang ons de sneeuwjacht maar bespaard blijft,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.
en niet de moordende wind door onze ledematen gaat.

Titus:

Treet dan getroost in elck geval
Kom dan een beetje opgefleurd in ieder geval
tot myn huys leegh is, in den stal.
tot mijn huis leeg is, in de stal,

Lied Jozef:

O jonckvrou reyn, 
O reine jonkvrouw,
in ginsche krebbe also kleyn
in die kleine kribbe daar
mit God wy moeten slaopen,
we moeten slapen met God,
want hy heeft ons geschaepen.
want hij heeft ons geschapen.
O jonckvrou reyn, o jonckvrou reyn.
O reine jonkvrouw.

Maria zingt:

Ach Josef myn,
Ach mijn Jozef,
ghy moet veur myn den trooster syn:
jij moet me troosten:
myn smerten syn toe genomen,
de pijn is erger geworden,
de uure is dra gecoomen,
het uur is weldra aangebroken
het kindekyn, o Jesulyn.
het kindje, o kleine Jezus.

Jozef:

Mettet kriecken van de uchtend gae
Morgen als het dag wordt
ick totten slagter in Kana:
ga ik naar de slager;
ons osjen sallick hem offreeren,
ik zal hem ons osje aanbieden,
sien wat hy hier voor uyt wilt keeren
kijken wat hij ervoor geven wil
daermet ick meughe sonder draelen
zodat ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus die belasting kan betalen
na ‘s keysers wille en gebod.
volgens wil en wet van de keizer.

Maria:
Bringht wel het dierken so veul op
Brengt het diertje wel zoveel op
dattet geld tons langht?
dat het geld genoeg is?

Jozef:

Hierop betrouwt:
Daar moeten we maar op vertrouwen:
‘tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
’t kan zijn dat ik wat overhoud.

Maria:

Ach Jozef, ’t uur is reets op handen
Ach Jozef, nu is her uur aangebroken
dattick verlost worde van myn banden,
dat de bevalling gaat beginnen,
naby is de gheboorte tyt
de tijd van de geboorte is dichtbij
daer van Gabriël my heeft aangeseyd.
die Gabriël aan mij heeft gezegd.

Hieromme bid den kasteleyn
Vraag de kastelein hierom
oft wyi n syn losament mogten syn.
of we in zijn herberg mogen.

Jozef:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
Maria, hoe zou hij ons dat gunnen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
als we meteen teveel vragen?
Doch willick totten waed gaen opterstond
Maar ik ga meteen naar de herbergier
en sien in syne woninck rond
en eens in zijn huis kijken
oft niet een hoecksken over en waere. 
of er niet een plekje over is.

Baes Titus daer wierd ons een kind geboren;
Baas Titus, er is een kind bij ons geboren
‘tister van nagt bykans bevroren,
’t is vannacht bijna bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
daarom vraag ik u of het goed is
in u losament binnen te gaen.
dat we in de herberg komen.

Titus:

Waerlyk vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
Ect vriend, dat gunde ik je graag
als niet kreck tweu dousyn gecoomen en waren.
als er niet net twee dozijn bij waren gekomen.
Houden alle hoecken en gaeten beset,
Die zitten in elk hoekje en gaatje,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
kijk zelf maar hoe je je met dat kind redt.
Myn losament om t seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek
een waert van myn postuur comt immer plaets te dort.
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Maria ons bidden is al verloren,
Maria het vragen heeft geen zin,
we blyven in den stal gelyk tevoren.
we blijven gewoon in de stal.
maer dattet kind niet koud en hebbe
maar omdat het kind het niet koud moet krijgen
legh’t tussechn os en eselke in de krebbe.
leggen we het tussen de os en ezel in de kribbe.

Maria zingt:

Ach Josef myn, 
Ach Jozef, 
hoe ontrou can de waerelt syn!
hoe ontrouw kan de wereld zijn!
met schande boven maten
het is een grote schande

ons inden stalle te laeten.
om ons in de stal te laten.
O Josef myn;
Ach Jozef;
o Josef myn!
ach Jozef!
Een handeken hooys reick, Josef, my,
Geef mij eens een handje hooi, Jozef,
dattick het kind een beddeken sprey.
dat ik voor het kind een bedje kan maken.

Jozef zingt:

Myn hert en wil, myn gantsch gemoet
Mijn hart en wil, mijn hele ziel,
staen al nae u myn sone goet.
richt ik op jou, mijn goede zoon.

Maria zingt;

O Josef myn,
Ach Jozef,
wiegter met myn het kindelyn:
wieg met mij het kindje:
God sal temet vergelder syn.
God zal je er weldra voor belonen.
O Josef myn, o Josef myn.
Ach Jozef, Jozef

Jozef zingt:

So geern, so geern, goe Mario,
Heel graag, heel graag, Maria
staen ick u by, het sij also,
help ik je, zo is het,
ick wil wel wiegen dat kinde dyn,
ik wil dat kindje wel wiegen,
God sal temet vergelder syn,
God zal het weldra belonen
Mario, Mario!
Maria, Maria!

Maria zingt:

O Josef, Maria’s enghelyn
Ach Jozef, Maria’s engel
nu is aldra, singt gloria,
inu is weldra, zingt het gloria,
de minne daer binnen getoghen
de liefde hier binnengekomen
wyl wy gewinnen moghen
omdat wij het kindje krijgen
het kindekyn,
het kindje,
o Jesulyn.
ach kleine Jezus.

Lied:
1.
Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelks ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2
Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
Dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang

Gallus:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ick sou de leste syn
Ik dacht dat ik de laatste zou zijn
en waôrlyk synder haôrluy noch naer myn.
en nou komen zij dus nog na mij.
Ooy, ooy wat isset bitter coud!
Tjonge, jonge, wat is het bitter koud!
De vorst nypt vinnigh in ‘t gelaet
De vorst grijpt je fel in je gezicht
dattic niet weet waôr myn neus staet.
dat ik niet weer waar mijn neus staat.
Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregd!
Mijn wollen wanten heeft Stiechel geleend!
Hy borregtse als maôr, keer op keer.
Hij leent ze almaar, iedere keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Waar blijft nou mijn broeder Stiechel weer?
Ick kyk ‘reis efkens rond en te omme:
Ik kijk eens even om me heen:
daor sienc  sowaor myn broeder Stiechel kommen.
daar zie ik zo waar mijn broeder Stiechel aankomen.

Stiechel:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ik coom te eersten aen
Ik had gedacht dat ik er het eerst zou zijn
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.
en daar zie ik zowaar broeder Gallus al staan.

Gallus:

Stiechel, hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?
Stiechel, hoe staat het met de kudden schapen?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender bij-naest styf bevroren.
Oei, Gallus, ik ben bijna stijf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Oei, Stiechel ben jij bijna stijf bevroren?
Sietereis myn beye handen!
Kijk eens naar mijn twee handen!

Stiechel:

Ei, hebtgh‘ er maor tweu kwansys?
Oei, heb jij er echt maar twee?
alle hondert en dusent, wat maeckt ge me wys!
wel verdorie, wat maak je nou wijs!
Ei, waor blyft broeder Witok so lanck?
Oei, waar blijft broeder Witok zo lang?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme
Ik kijk eens even om me heen
daor sienck dowaor myn broeder Witok kommen!
daar zie ik zowaar mijn broeder Witok aankomen!

Witok:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
Ik dacht als eerste bij de schapen te zijn
en waorlyk synder haorluy noch voor myn!
en nou zijn jullie er warempel nog vóór mij!

Stiechel:

Ghy komter oovk alle hondert en dusendmael te spa.
Jij komt ook verdorie altijd te laat.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
Mijn vrouw liet me niet gaan voordat
‘k de oû schoenen hadde benayd en gelapt.
ik de oude schoenen genaaid en verzoold had.
Trouwen! Wen de vorst niet en luwen doet
Trouwens, wanneer de vorst niet minder wordt
gaen wylie een coude waeke temoet.
gaan wij een koude wacht tegemoet.

Gallus:

Stiechel, ‘k mogt weten oft u ter oqre quam
Stiechel ik zou wel weten of jij gehoord hebt
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
dat de stadhouder van de keizer, die Cyrenius heet, 
in t lant een groote beschryvick laet houden,
in ’t land een grote volkstelling laat houden,
daor van alle man hemselfs loscoopen soude,
en dat moet iedereen zelf betalen
op straffe vant verlies al synder have en goets!
op straffe dat je alles kwijt bent!
Wie can daor wesen vrooën moets?
Hoe kan je dan blij zijn?

Stiechel:

Ei vrund Gallus, wat seghtghe daor?
Oei, vriend Gallus, wat zeg je daar?
Is dat gebaesel of ist waor?
Is het geklets of is het waar?
tvolck verwagt dat de qua tyen verkeeren,
’t volk verwacht dat de slechte tijden over zijn,
en moeten de sorghen noch vermeeren?
en moeten de zorgen nog groter worden?

Witok:

Och gaet de verwaghtinck noyt niet ten endt?
Och, komt er nu nooit eens een eind aan dat verwachten?
O wee onse jammer en onse ellend!
Och, och, ons geklaag en onze ellende!
Datter de sorgh noch vermeeren most!
Dat de zorgen nu nog groter moeten worden!
We comen al swaor genog an de kost.
We komen al moeilijk genoeg aan de kost,
tis ongeluck op ongeluck
t is de ene tegenslag na de andere
daor onder yeder gaet gebuckt.

waar iedereen onder gebukt gaat.

Gallus:

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Ga weg Witok, jij hebt toch niets te klagen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Vraag liever naar mijn armoede.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ik arme sloeber, ik heb nooit rust!
Ick worde geplaegt by nagt en by dagh.
Ik word dag en nacht geplaagd.
Voor en naor bennick mit de schaepen,
Altijd ben ik bij de schapen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.
nooit van mijn leven tijd om te slapen.
Gister noch, toen ick was oppet veldt,
Gisteren nog toen ik op het veld was,
neerstlyk myn schaepkens hadde geteldt,
zo goed mogelijk mijn schapen had geteld,
ten synder temael niet bystern veul,
het zijn er nu eenmaal niet veel,
daorck u cort de oorsaek van segghen wil.
waar ik je kort de oorzaak van wil zeggen.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ode wouwelaer!
Zeg het dan, oude kletskous!

Gallus:

Een goê deel heyt de wollef levend verscheurdt.
Een goed deel heeft de wolf levend verscheurd.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd:
’t Kan net zo goed door de slagershond zijn gebeurd:
dan synser by ongeval dootgebeten;
dan zijn ze per ongeluk doodgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?
moet het meteen ook maar een wolf zijn?

Gallus:

Myn trou Stiechel, houdt uwen mond,
Beste Stiechel, hou je mond,
byt niet de wolf kreck zo hart als de hond?
bijt de wolf niet net zo hard als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.
Ja, nog veel harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
Zeg mij dan maar hoe het gegaan is
als hadtgh’er sellef by gestaen.
alsof je er zelf bij had gestaan.

Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
Mijn vrouw heeft grutten voor ons gebakken!
Die laetenm’ ons te nagt wel smaeken.
Die laten we ons vannacht wel smaken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?
Zit er misschien ook spek bij?

Witok:

Drie sulcke hompen louter vet!
Drie van zulke hompen puur vet!
Lestent wierdtme inder bree vertelt
Laatst werd me uitvoerig verteld
‘twaor van God in eeuwicheyd bestelt
dat was God al eeuwen van plan
dat tonsent den begeerden messias sou comen
dat de zo gewenste messias naar ons zou komen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
tot verlichting en verlossing van alle vrome mensen.
Alsdan sullen wylie hier beneden
Dan zullen wij hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden.
bevrijd zijn van druk en zorgen.

Gallus:

Och. Waor den messias digt byder hant
Och. Was de messias maar dichtbij
dan soudenme setten al sorghen aan kant,
dan zouden we alle zorgen opzij zetten.
van louter jolyt soudenme springhen,
van puur plezier zouden we springen,
met vrolicheid gode het Gracie singhen.
vrolijk voor God een danklied zingen.

Stiechel:

Twelcker tyd ende plaetse moetet geschien?
Op welke tijd en welke plaats moet het gebeuren?
datme der armen solaes mocgten sien?
dat we de helper van de armen mogen zien ?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
De tijd is niet aangegeven,
doch van de plaetse staet geschreven:
maar over de plaats staat geschreven:
in Bethlehem wort hy geboren
dat hij in Bethlehem wordt geboren
van eener maegde uiyvercoren.
bij een uitverkoren maagd.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn:
Luister eens beste broeders:
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
nu we met z’n drieën bij elkaar zijn
meughenme wel efkens d’ ooghen sluyten
kunnen we wel eventjes de ogen sluiten
end’ een cortewyl slaepen hierbuyten.
en eventjes hierbuiten slapen.

Engel zingt:

Gloria, gloria, in excelcis.
ick bringh uliên een maere blydt
ik breng jullie een blijde boodschap
en allen volken op aerde wijdt.
en aan alle volken op de wijde wereld.
O christen maekt
O christen maakt 
u op en waekt;
maak u gereed en wordt wakker;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind,
met spoed naar de kribbe, met spoed naar het kind,
gezwind, gezwind!
met spoed, met spoed!
Wackere herdersluyd, flucx op de been,
Wakkere herders, ga vlug staan,
spoeter nae Bethlehem alle met een;
haast je meteen naar Bethlehem;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
groet er met fluiten en herdersfluiten
gins in den stalle het kindeken kleyn,
ginds in de stal het kleine kind,
het kindekyn, het Jesulyn!
het kind, de kleine Jezus!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaên:
Herders, herders, wees niet bang:
siet, groote blydschap segh ick u aen.
zie, ik verkondig u grote blijdschap.

Gallus:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende seldsaem gedruis?
Stiechel, wat moet dat gejubel en zeldzaam lawaai?
Me dunckt, het is niet heelend’al pluys,
ik denk dat het niet helemaal pluis is
of isset een gespoock quansuys?
of is het echt een spook?

Stiechel:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
Zowaar, ’t is wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
zo gauw ik onder mijn hoed
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt.
vandaan kijk, zie ik zo’n fel licht,
Wat schynt gins voor een droomgesigt?
Wat schijnt daar voor droomgezicht?

Witok:

Een stemme hoor ick hel en klaor,
Ik hoor zo’n heldere stem,
het lykent wel een enghlenschaor.
het lijkt wel een engelenschaar.

Engel zingt:

Van hemelsrycken coom ick neer,
Ik kom neergedaald uit hemelrijken,
een hemelsbode van also veer;
een hemelbode van zo ver;
veul goede maeren bringh ick u,
ik breng u een heel blijde boodschap,
die seg ick en die singh ick u.
die zeg ik en die zing ik jullie.

Gallus:

Past erop, so gladt als een spieghel.
Kijk uit, het is spiegelglad.

Witok:

Als ’t is! En deuvenkatersgladt;
Dat is het zeker! Duivels glad;
theyt mot gereghent:
het heeft gemotregend:
gants vol ysel is myn baardt!
m’n hele baard zit vol ijs!

Gallus:

Stiechel, staet op, den hemel kraeckt alree!
Stiechel, sta op, het wordt al dag!
[dit ‘kraken’ heeft ook iets van ‘krakkemikkig’, vandaar de opmerking over ‘oud’]

Stiechel:

Ei laotmaor kraecken, hy’s waorlyk oudt genog daor veur.
Ei, laat maar [kraken] aanbreken, hij is er oud genoeg voor.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veugelkens tuytren al!
Stiechel, sta op, de vogeltjes zingen al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
Ei, laat maar zingen!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaek.
In hun kleine kopjes zit niet zoveel slaap.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs den weghen.
Stiechel, sta op, de voerlui rijden al hard over de weg.

Stiechel:

Ei laot maor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.
Joh, laat maar hard rijden, ze hebben nog een gezegend stuk te te gaan.

Gallus:

Ei ghe mot doch opstaen!
Joh, je moet toch opstaan!
Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.
Past erop Stiechel, zo glad als een spiegel.

Stiechel:

Ei alle hondert en dusend!
Oei, verdorie nog aan toe!
Costgh’ oock niet waorschouwen
Kon je dan niet waarschuwen
voor dat ‘k myn pens hebben bont ende blau gestooten?
voordat ik mijn buik bont en blauw gestoten heb?
Ha myn Gallus! Wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Gallus, wat je wel gedroomd,
datgh’ u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb je dan gedroomd?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
Dat kan ik vrijuit zeggen.

Gallus zingt:

Ick docht in eenen stal te gaen,
Ik dacht in een stal te gaan,
sach daer een os end’ esel staen
zag daar een os en ezel staan
die uyt een krebken vraten;
die uit een kribbe vraten;
beneven haer een jonckfrou teer,
naast hen zat een tere jonkvrouw,
een edel grysbaert saten.
en een edele man met een grijze baard.
Nu is de slaepenstyt voorby!
Nu is de tijd van slapen voorbij!
quam elke naght dien droom tot my,
als ik iedere nacht zo droomde
‘ksou gheern tot zeuvenen slaepen.
zou ik wel graag tot zeven uur slapen.

Stiechel:

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Witok, wat heb jij wel gedroomd,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb jij dan gedroomd?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
kan ik jullie vrijuit zeggen.

Witok zingt:

In stille kerstnagt opten lant
In de stille kerstnacht op het land
deur diepe slaep wierck overmant.
werd ik door een diepe slaap overmand,
Myn hert deet overvloeyen
Mijn hart liep over 
van soete vreucht en honigh goet
van heerlijke vreugde en goede honing
en rosen deden bloeyen.
en er bloeiden rozen.

Gallus:

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
Ha Stiechel, wat heb jij wel gedroomd
dat g’u neffens mijn zo ommerollen en ommetollen deed?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt? 
Wat heb jij dan gedroomd?

Stiechel zingt:

Ick droomd’ als dat een inghel quam 
Ik droomde dat er een engel kwam
en ons nae Bethlem met hem nam
die ons meenam naar Bethlehem
in varre joodsche oorden:
in verre joodse streken:
Een wonderdick was daer geschiet,
Daar was een wonder gebeurd,
twas wonder watme hoorden.
het was een wonder wat we hoorden.

Lied:

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
Vrolijke herders, olijke knapen
die singhen alsse niet en slaepen:
die zingen als ze niet slapen:
heisa ho ee! laet lustig ons singen,
heisa ho he! laat ons maar lustig zingen,
welgemeyt in ‘t ronde springhen.
vrolijk in ’t rond springen.
David een kloecken herder was,
David was een dappere herder,
droegh oock een staf ende herderstasch.
droeg ook een staf en een herderstas.

2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
Een lied fluitend en genoeg van het slapen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
zo hoeden wij onze kudde schapen,
bly singhen wy God heere ter eere,
blij zingen wij God ter ere,
wie sal ‘t weren, d’ruggh’ ertoe keeren?
wie zal dat afwijzen, het de rug toekeren?
daer isser geen soot euvel diedt,
niemand neemt ons dit kwalijk,
deet te mael David het selver niet?
deed David immers niet hetzelfde?

3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
Toen hij de vijand had verslagen
wierdt hy coninck al syne daghen,
werd hij voor de rest van zijn leven koning,
cieraet der joden, schepter in handen,
sieraad van de joden, scepter in zijn hand,
potentaet vans heeren landen.
heerser van de landen van de Heer.
Alleman mach op David sien:
Iedereen mag wel opkijken tegen David:
synder die herders geen wack’re liên?
zijn de herders geen wakkere lui?

Gallus:

Wel an, laet ons tot Bethlem gaen
Kom op, laten we naar Betlehem gaan
twonder sien dwelck ons is kondt gedaen.
het wonder zien waarvan ons is verteld.
Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat gaan we geven?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?
Met wat voor geschenk het kind vereren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
’t Krijgt van mij een kruikje zoete melk
dat syne moeder hem rycklyck gevoedt.
dat zijn moeder hem rijkelijk kan voeden.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
Daar is bij mijn kudde een mooi jong lam,
het kind is wel weert dattick’t tot hem nam;
het is het wel waard om het voor het kind mee te nemen;
salt schielycken mit myn staf omvaên
ik zal het snel met mijn staf vangen
en over myn bey schouders laên.
en over mijn schouders leggen.

Gallus:

Ick neem een plucksken wol voort kinde, me dogt
Ik neem een plukje wol voor het kind, ik dacht
dat syne moeder het warrem dao inlegghen mogt.
dat zijn moeder hem daar warm in kan leggen.

Stiechel:

tis hardstickedonker, ik tast nae den wegh,
’t Is hartstikke donker, ik tast naar de weg,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
ik weet zowaar geen heg of steg.
Gaewe qualyk of regt nae stadt by abuys?
Gaan bij vergissing verkeerd of goed naar de stad?

Gallus:

Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
Stiechel, ik zie al een huis met strodak,
we willen naet godskind vragen een reize
we zullen eens naar het godskind vragen
en ofse daorgunter ons mogten wysen
en of ze ons daarginder zouden kunnen wijzen
hoe datme moeten gaen
hoe dat we moeten gaan
om dra comen by dat kinde an.
om gauw bij dat kind te komen.
Heida! Heida! En isser agter geen
He, hallo! En is er achter niet iemand
die cost ons seggen alwaor heen?
die ons kan zeggen waar we heen moeten?

Jozef:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Vriend, wie zoek je op deze plek?
yemant so u den wegh wysen dee?
heeft iemand u de weg gewezen?
Wilt my seggen waor na u de sinnen staen,
Zeg eens wat u wil,
waer g’u beneerstigt henen gaan?
waar u zo graag naar toe wil?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
Beste man, wij zooeken het godskindje
soude ons alhier geboren syn,
dat zou hier voor ons geboren zijn,
wy mogtent weten ende des syns gewis
wij zouden het zeker willen weten
nadient ons dus verkondight is.
nadat het ons dus verteld is.

Jozef:

Soo ghe dit wensch syt ghy te regt.
Als je dit wil ben je aan het goede adres.
Hier leytet kind daer van ghy segt.
Hier ligt het kindje waarover je spreekt.

Lied:

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
Wees aandachtig, mijn hart en kijk naar het kindje
so gunder in de krebbe light;
dat daar in de kribbe ligt;
dat isset kindjen wel gemint,
dat is het kindje waar men veel van houdt
het overschone Jesuskind.
het wonderschone Jezuskind.

Gallus:

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Wees gegroet kindeke teer!
Hoe leyt ge daor so ermelijk neer.
Wat lig je daar nu armzalig.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
Een strobed, geen zachte veertjes,
alleenlich wat stoppelen hooys zo hardt.
alleen wat harde stoppels hooi.
Niet op somersdach geboren en syt,
Niet op een zomerdag geboren,
maor inder bitt’ren winterstyd.
maar in de bittere wintertijd.
Voort lelyenblanc ende rosenroodt
In plaats van witte lelies en rode rozen
kiestghe snippende vorst en coude groot.
kies je bijtende vorst en erge kou.
U bleke koontjens, u neuzeken fyn
Uw bleke wangetjes en fijn neusje
hoe datse schier vervrosen syn,
hoe die bijna bevroren zijn.
en u schone guld’ oochjens synder vol
en uw mooie gouden oogjes staan vol
van bittere traenen. Siet hier een plucksken wol,
met bittere tranen. Kijk eens hier, een plukje wol,
die hebbic u Jesuken metgebrocht
dat heb ik, kleine Jezus, voor u meegebracht
dat uw moeder u warrem daor inlegghen mogt.
dat uw moeder u daar warm in kan leggen.
Oock hebbic noch een hantvol meel,
Ook heb ik nog een hand vol meel,
dat uw moeder een papjen kookt. Tisser er niet veul,
dat uw moeder een papje kan koken. Het is niet zoveel,
maor soot u ghelieft, ick coom ereis weer,
maar als u het wil, kom ik nog een keer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.
dan breng ik voor u Jezus, veel meer mee.

Stiechel:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
Wees gegroet, kindje teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
wat lig je daar nu helemaal verkleumd van de kou!
Gins hebtghe u hemelsaele groot
Ginder hebt u uw grote hemelzaal
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
en komt op aarde naakt, arm en bloot;
een kruyksken mellek mogtick u schenken,
ik wil u een kruikje melk geven,
nu biddic u, wilt myns gedencken.
nu vraag ik u, wil mij gedenken.

Witok:

God gheef u goên dach lief kindeken,
God geve u een goede dag lief kindje,
syt er gegroet lief Jesuken!
wees gegroet lieve Jezus!
Ghy die syt coninck boven al,
U die boven allen koning is,
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
geboren, gevoed in een armzalige stal;
ick bringh u, coninck, een wolligh lam,
ik breng u, koning, een wollig lam,
verschoont dattic niet met meerders en quam.
vergeef me dat ik niet meer bij me heb.

Jozef:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.

Maria:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.
God wil u neerinck doen gedy’n
God geve uw werk voorspoed
en laete u schaepkens tierigh syn.
en dat het goed gaat met de schapen.

Lied:

Buyght by het krebbeken neder,
Kniel bij het kribje neer,
wieght twichtjen heen ende weder,
wieg het kindje heen en weer,
dat wilder ons al genesen,
dat ons allemaal wil genezen,
dat kindeken sy gepresen.
dat kindje zij geprezen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!
O lieve Jezus, o lieve Jezus!

Gallus:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
’t Is een wonder hoe je het wendt of keert
dat hy geboren is so onbekend,
dat hij zo onbekend is geboren,
gebrek en coude deerlyk lydt
danig gebrek lijdt en kou
en toch regeert de waerelt wydt.
en toch de wijde wereld regeert.

Witok:

Hy quam hier opter aerden erm
Hij kwam hier arm op aarde
op dat hy onser hem ontferm
opdat hij zich over ons kan ontfermen
en maek’ ons in synen hemel ryk
en in zijn hemelrijk
even selfs d’engelen gelyk.
ons zelfs gelijk maakt aan de engelen.
Sulcx doet hy dat den mensch mogt leeren
Dat doet hij opdat de mens zal leren
van hoverdy hem of te keeren,
zich af te keren van hoogmoedigheid,
dat hy niet leve in stacie ende pragt,
dat hij niet leeft in pracht en praal,
maor regt deemoedicheyt betracht.
maar echt deemoedig probeert te zijn.

Stiechel:

Tcan ons getroosten in onsen moet
Het kan een troost zijn voor onze moed
deur dien wy syn van coninclyc bloet.
dat wij van koninklijk bloed zijn.
Coningh David was oock een herdersman
Koning David was ook een herder
ent is mirackel wat hy heeft gedaen:
en ’t is een wonder wat hij heeft gedaan:
het staet te lesen inder scrift als dat
het staat in de Bijbel te lezen dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.
hij de machtige Goliath doodde.

Gallus:

Als we efter totten ghesellen gewagen
Als we straks aan de andere herders zeggen
van ‘tgeenme alhier mit ooghen zagen,
wat we hier met eigen ogen hebben gezien,
veur den sot sullens’ ons houwen, ’t noyt niet gelooven,
zullen ze ons voor gek verklaren, het nooit geloven,
want deuse saek gaetet verstant te boven.
want dit gaat je verstand te boven.

Witok:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
Het moet mij van het hart of ik het wil of niet,
voort segh ik den lantheer wat hier is geschied
ik ga het aan de landheer zeggen wat hier is gebeurd
en sal morgen den dach nae Hierusalem gaen
en morgen ga ik naar Jeruzalem
en segghen het oock den stadthouwer an.
en het ook tegen de stadhouder zeggen.

Stiechel:

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
Kijk, daar komt Crispijn naar ons toe, die heeft niet gedacht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesocht.
ons hier aan te treffen, heeft vast en zeker op de hei gezocht.
God moet u groeten, myn goê Crispijn!
God moet u groeten, mijn beste Crispijn!

Crispijn:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.
God moet u belonen, mijn oude Stiechel.

Gallus:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?
Hoe staat het met onze kudden?

Crispijn:

Werentig de schaepkens weyden alle te gaor,
Zeker, de schapen zijn met z’n allen aan ’t grazen,
groot’ ende clene, so d’ eene als d’ aor.
de grote en de kleine, zowel het ene als het andere.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
Hebben jullie toevallig ook gehoord
wat of die geruchten int volc beduyden?
wat die geruchten onder de mensen betekenen?

Gallus:

Werentig! In Bethlem leytet kindeken
Zeker! In Bethlehem ligt het kindje
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken.
in een kribje tussen een os en een ezeltje.
Schout ghe selver geerne twonder aen,
Als je zelf graag het wonder wil zien,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
moet je morgen vroeg opstaan
en mit onslie nae Bethlem gaen.
en met ons mee naar Bethlehem gaan.

Crispijn:

Hoe veer ist wel?
Hoe ver is dat wel niet?

Gallus:

Tot gh’ er bent!
Tot je er bent!

Crispijn:

Jao, jao, ick salereis bedenken
Ja, ja, ik zal eens bedenken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
en het kind een slip van mijn pelsvacht schenken.

Lied:

Herdersluyden vro en bly
Herderslieden vrolijk en blij
waren by den schaepen,
waren bij de schapen,
opten velde waekten sy
op het veld hielden zij de wacht
en leyden haar slapen.
en legden zich te slapen.
Toen voer een enghel tot haer neer
Toen kwam er een engel naar hen afgedaald
vol heerlykheyt, sodatse seer
in volle heerlijkheid, zodat ze zeer
in schrik en vreesen waren.
schrokken en bang waren.
De enghel sprack: vreest niet met al,
De engel sprak: je hoeft helemaal niet bang te zijn,
veel vreuchd den volke wesen zal,
voor het volk zal er veel vreugde zijn,
‘kbring u blye maeren.
ik breng een blijde boodschap.

Lied:

1.
Juyght nu, juyght soo arm als ryck!
Juigt nu, juigt of je arm bent of rijk!
Ons is op deusen dach
Voor ons is op deze dag
een kind geboren heuchelyk
verheugend, een kind geboren
dwelc alle dinc vermagh,
dat alles kan,
oock heylig is daerby,
daarbij is het ook heilig,
tis Jesus Christus, hy
het is Jezus Christus hij
die quam om ‘smensen sond voorwaar
die werkelijk kwam voor de zonde van mens
uit synen hemel klaer.
uit zijn reine hemel.

2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
Denk er eens aan hoe hij afgedaald is
in noot en nederheyd,
in nood en nederigheid,
in Bethlem so de scrift verhaelt,
in Bethlehem zoals in de Bijbel staat,
al in een schuere leyt.
in een schuur ligt.
Een krib syn woninck is
Een krib is zijn woning
die toch een coninck is,
terwijl hij toch koning is,
den hoochsten koninck wyd ende zyd
wijd en zijd de hoogste koning
op d’ aert in eeuwicheyt.
op aarde tot in eeuwigheid.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
Dat iedereen hiermee het allerbeste doet,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
wensen wij u van de almachtige God een goede nacht.
.

Kerstspelalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspelen alle beelden

Kerstmis: alle artikelen

.

1978

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

 

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld tenminste één van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Pearadijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam-en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met  ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote te,genstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’,
‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze strerven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

 

 

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22

926

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (18)

.

GEDICHTEN

1)
Begin van Kerstnacht

De moeder Gods was nog niet
gekomen tot den stal,
de herders hielden nog rustig
hun nachtwacht in het dal.

Sint Joseph liep nog zoekend
de deuren af in ’t dorp,
de boeren bij den teerling
roerden nog worp om worp,

soldaten en afgereisden
zaten nog neer bij den wijn,
knechtjes en maagden schreden
nog over paden en plein,

de velden lagen nog ledig
de heuvelen stil daar omtrent,
Efrata was nog vergeten
Bethlehem niet bekend.

De Draak die rond ging op aarde
speurde zijn Winnaar nog niet,
het wijde gebied van de nacht had
nog geen lichtend verschiet,

ook brandde nog niet aan den hemel
Gods teken in de Ster,
nog stonden de blijde Engelen
fluisterende van ver,

het was de laatste avond
onder de oude bewind,
de eeuwen der eeuwen naderden
nu tot het uur van het Kind!

(bron onbekend)

2)
Ons ghenaket die avontstar

Ons ghenaket die avontstar,
Die ons verlichtet also claer,
Wel as haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat huus dat hadd so menich gat,
Daer Cristus in gheboren waa.
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren schoot.
Si cussedet voor sijn mondekijn root,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op hare cnien.
Si sprac: groot eer moet u gheschien!
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren aerm,
Mit groter vrouden sach sijt aan,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Die moeder makede den kinde een bat,
Hoe lieflic dattet daer
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat kindekijn pleterde mitter hant,
Dattet water uten becken spranc.
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minna sprac Marien toe.

Die os ende ooc dat eselkijn
Die aenbeden dat soete kindekijn.
Wel was haer doe.
Susa minna susa noe,
Jesus sprac Marien toe.

(Anonymi, 15e eeuw)

muziek

3

kerstfeest

De bloemen bloeiden in de warmte van de zomerzon.
De bijen dronken het edele vocht, dat de plant uit licht en warmte bereidde.
In het lichaampje van de bij werd de nectar tot was.
Onze kinderen trokken er kaarsen van.
Straks zal het vlammetje branden.
Ruikt u nog de bloemengeur?
Wat is zo’n kaars anders dan om­gewerkte zomerwarmte, zonnelicht en bloemenstof?

Is dit het licht, waarover wij spreken in de meest donkere tijd van het jaar?
Ontsteken wij dit licht vanuit een heimwee naar de zomerzon?
Of is er nog een diepere zin misschien?

Straks in het voorjaar zal de berk weer berkenblaadjes maken,
de appelboom haar bloesem en de rozenstruik haar rozen.
Uit welke sferen hebben zij hun vormen ontvangen?
Zingen wij niet met Kerst van de twaalf Heilige Nachten, waarin de hemel geopend is?
Zou het zaad ooit kunnen ontkie­men, de knoppen ontspruiten zon­der deze geopende hemel?

Wij zingen in deze tijd van Maria en haar heilige kind.
Wie voelt niet een zweem van vroomheid oplichten in onze nuch­tere en moderne ziel?
Dit zweempje vroomheid zou ster­ker kunnen worden,  zó sterk, dat wij – als Maria – onze engel zonden kunnen horen.

Maria met het kind, de engel, de ster – alleen maar ontroerende herinnering?
Of dieper werkelijkheid?
Een werkelijkheid in het leven van onze aarde en een werkelijk­heid in onze eigen ziel.

Hebben wij de ster ontmoet, die straalt boven de kribbe van ons eigen hart?
In het midden van de Twaalf Heilige Nachten wensen wij el­kaar een gezegend nieuwjaar.
Vóór ons ligt de toekomst.
Boven ons straalt de Christus­ster.

Mogen we ieder jaar iets meer meedragen van dit licht.

(Map Remmers, vrijeschool, nadere gegevens ontbreken)

4

KERSTLIEDJE

In  de donkere dagen van Kersttijd
is een kind van licht gekomen,
de maan stond helder over de dijk
en ijzel hing aan de bomen.

Onder de doeken in de krib
daar lag dat lief Jezuskindekijn
en spelearmde en van zijn hoofd
ging af een zuivere lichtschijn

Maria die was bleek en zwak
op de knieën neergezegen
en zag blij naar het kindeke;
en Jozef lachte verlegen.

En buiten in de bittere kou
en de stille Kerstnacht Iaat
de heilige driekoningen kwamen van ver
door de diepe sneeuw gewaad.

De heilige driekoningen hoesten en doen
en rood zijn beî hun oren,
een druppel hangt er aan hun neus
en hun baard is wit bevroren.

De heilige driekoningen in de stal
verwonderd zijn binnen getogen;
het licht, dat van het kind afging,
schijnt in hun grote ogen.

De heilige driekoningen staren het aan
en weten zich niet te bezinnen
en het kind ligt al te kijken maar
en tuurt in een denkbeginnen.

(J.H.Leopold)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

391-369

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld. We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel : een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een
spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

(Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend)

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.Kover de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (1)

.

DE VIER ADVENTSZONDAGEN

Waarom zijn er vier adventszondagen, voorafgaande aan Kerstmis? De vorige keer heb ik bij de NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR de adventstijd helemaal niet meegeteld. Advent is dan ook in zekere zin een voorbereidingstijd. In de tijd van het jaar die beleefd wordt als de donkerste tijd van het jaar, verwachten we de KOMST VAN HET LICHT. We doen dat in vier grote stappen van een week. De zondag is de enige juiste dag ervoor om die stap te markeren. Niet alleen is sedert de Kruisiging en Opstanding de Zondag de belangrijkste dag van de week geworden – daarvoor was het de Zaterdag (Sabbath) -; de zondag is ook de eerste dag van de week, altijd geweest, al vanaf het Scheppingsver­haal uit het Oude Testament, dus in de voor-chris­telijke tijd. (Op school moeten we noodgedwongen deze adventsweken op maandag vieren, omdat er op zondag natuurlijk geen lessen zijn. Maar wel zijn er de Zondagshandelingen en daarin kunnen de kinderen van de hele onderbouw, want ook de 1e-klassers mogen dan voor het eerst de Kinderhande­ling meemaken, de adventszondagen in schoolverband beleven.)

Advent betekent: DE BINNENKOMST, iets anders dan Verwachting, maar beide betekenissen spelen door elkaar. Op 1e advent is alles nog heel pril: één kaarsje in de adventskrans brandt nog maar.
Maar weldra is daar al het Sinterklaasgebeuren. Op Sinterklaas, verbonden met het lot en de wil is in de vorige Branding uitvoerig ingegaan. Dat Sinter­klaas altijd in de adventstijd valt, moet toch eigenlijk wel als heel bijzonder worden opgevat. Sint-Nicolaas is dan ook een wegbereider van het kerstkind, in een prachtig verhaal van D. Udo de Haes:  ‘Sint-Nicolaas, de Kerstbode’ genoemd. Sinterklaas valt dit jaar* op de dinsdag van de 1e adventsweek, vorig jaar echter op de maandag van de 2e adventsweek.
Een week na 6 december hebben we vervolgens Sinte-Lucia, de Lichtbrengster, vooral in Zweden wordt dit feest veel gevierd. Opvallend is dat bijvoorbeeld de zon niet meer later onder­gaat, dus dat het vanaf Sinte-Lucia ’s middags al is afgelopen met steeds donkerder te worden, terwijl voor de ochtenden geldt dat pas na DRIEKO­NINGEN (6 januari) de zon steeds vroeger opgaat.
Advent begon vroeger op en met Sint-Maarten {11 november). Hij was de eerste die het Licht van het Christuskind bracht, nu zodanig gevierd dat we een kaarsje in een lantaarntje doen en daarmee in het pikkedonker gaan lopen.

In het Kerstspel uit Oberufer, dat de leraren van alle vrijescholen ieder jaar voor hun leerlingen opvoeren, komen we dit beeld opnieuw tegen: de zgn. Goede Waard, dat is de laatste van de drie waarden, vaak door een juffie gespeeld, heeft een lantaarn in haar hand, waaruit ze na de geboorte van het Kindje het licht haalt om er de kaarsjes in de kerstboom, die zich achter Jozef en Maria bevindt, mee aan te steken. In de stal waarin ze Jozef en Maria brengt laat ze de lantaarn bij Jozef achter. En Jozef licht met deze zelfde lantaarn ten slotte de drie herders, die op zoek zijn naar de stal, bij.

Sint-Maarten zelf trok vanuit Pannonië, in het huidige Hongarije, via Padua naar Frankrijk. Bij Amiens moet de bekende ontmoeting met de bedelaar hebben plaats gevonden. Hij werd vervolgens bis­schop van Tours, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, zorgde voor armen en zieken en trok ieder jaar naar het onbekende hoge noorden tot in onze streken om de KOMST VAN CHRISTUS niet alleen te verkondigen, maar ook al weer door het stichten van kapelletjes en ziekenhuizen te laten ervaren.  (Vandaar de Sint- Maartensoptochtjes van 2 of 3 kinderen van deur naar deur om het licht te brengen.
Als we nu de periode van Sint-Maarten tot Kerstmis nemen, dan komen we op 43 of 44 dagen. Maar tot 21 december, de dag waarop de winterzonnewende valt is het precies 40 dagen.

advent 1

Kerstmis – de geboorte van het Kerstkind-  valt drie dagen later, immers: het kind wordt geboren te middernacht van 24 op 25 december. Het tijdperk van 40 dagen is een heilig tijdperk. Christus bracht 40 dagen in de woestijn door met vasten; het is dus een periode waarin de mens kan versterven, dat wil zeggen: door geen voedsel te nemen te vergeestelijken. Een even lange periode van 40 dagen kennen we na Kerstmis – we komen dan op 2 februari, vanouds de dag waarop de Kersttijd definitief werd afgesloten met een processie, met het opbranden van de kaarsresten en een vrije dag voor iedereen met kermis en dansen.

Waarom is advent nu echter beperkt tot 4 zondagen? Dat heeft er mee te maken dat het niet alleen om een geestelijke gebeurtenis gaat, maar ook om een aardse. Het getal 3 is een kosmisch getal: het beeld voor de goddelijkheid, de driehoek.  In het Kerstspel worden ze na elkaar gegroet:

‘Groetenme God vader in synen troon
en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naôme en
groetenmens al gedrie te saômen.’

Het getal 4 is 3 plus 1. Het getal 4 is aards, verbonden mét en beeld van de aarde. Het vierkant is het teken voor aarde, maar ook het kruis. De vier windrichtingen geven dit het duidelijkst aan. Iedere kerk werd vroeger als een kruis gebouwd, met bovenop de toren een haan op een windwijzer.  In het Kerstspel treffen we 3 herders aan, 3 waarden, 3 koningen, 3 schriftgeleerden, en ineens zijn het er 4, doordat er telkens een vierde bijkomt. Als de Drie Koningen bij Koning Herodes komen wordt het opeens een aardse aangelegenheid. Als de vierde herder (Crispijn) er bij komt, belooft hij dat hij het kind een slip van zijn pelsvacht zal schenken. De drie waarden in het Kerstspel zijn het tegen­beeld van de warme, meevoelende herders. Het zijn aardse, zelfgenoegzame personen, die er niet in het minst voor voelen daadwerkelijk de helpende hand uit te steken, zelfs niet de Goede Waard met de lantaarn. Pas als de 4e waard komt, Jozef, die de lantaarn opneemt en gaat kijken wie er buiten de stal staan te roepen, en er de 3 herders aantreft, wordt beleefbaar wat gastvrijheid betekent. Hij zegt:

‘Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt –
hier leytet kind daer van ghy seght.’

Ook in het ‘ Drieconinghenspel’ treffen we zo’n tegenbeeld aan, nu van de drie koningen: de drie schriftgeleerden, in wezen toch mensen die omgaan met geestelijke zaken, gebeurtenissen, openbarin­gen. Maar zij blijven bij hun tekst en verklaren alles vanuit de dode letter. Pas als Koning Herodes aan de Hoofdman opdracht heeft gegeven ‘tot alle landpaelen af te condighen dat men ombrenghe alle knegtjens cleyn so tweejaerigh en daar onder syn’ komt de vierde schriftgeleerde (Judas) naar voren, die angstig naar de hoofdman luistert en dan uitroept:
‘o wee, o wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaat,
onse kinderkens moetens worren gedoot?
ach, wat salt gheven, smert, pyn ende   noot!’

Hij moet dit met zijn leven bekopen…

Waar het nu om gaat in de kersttijd, is het beleven dat Gods Zoon op aarde geboren wordt en dat gebeurt door op 4 zondagen achtereen advent te vieren. Heel geleidelijk nadert het Kerstkind de aarde en doordringt zo de 4 natuurrijken: het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. We vieren dit heel dikwijls zo dat we de vier adventszondagen verbinden met deze vier natuurrij­ken:

1e advent – minerale rijk
2e advent – plantenrijk
3e advent – dierenrijk
4e advent – mensenrijk.

We leggen dan bij of onder de adventskrans of op een plek waar we later het Kindje in het kribbetje uitbeelden op de 1e advent mineralen: stenen,
op 2e advent komen daar planten bij, of in ieder geval van planten afkomstige voorwerpen.
Op 3e advent materiaal van dieren afkomstig, zoals bijvoorbeeld een plukje schapenwol, als het kan dierfiguren gemaakt van dierlijke stoffen.
En op 4e advent komt de mens: dat kan al een menselijke gestalte zijn van bijenwas, maar ook poppen van hout, van stof, of van wat voor materiaal.

Op deze vier natuurrijken zal in deze en de volgen­de Branding vanuit de leerstof door een aantal collega’s nader worden ingegaan.

Een goede advents- en kersttijd gewenst.

(Hans ter Beek, Rudolf Steiner School Nijmegen, *nadere gegevens onbekend)
.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

305-285

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspel – Regie-aanwijzingen herdersspel

.

De notities van deze kerstspelregiebijeenkomst zijn niet compleet. Ze beginnen bv.’ ergens verderop’.

Maria, hoe levendig ook, is in een lichte sfeer. Ze moet nooit uit de verticale komen, dat is lelijk; iedere uitslag uit de verticale zie je als een storing. Nora von Baditz zei destijds: Maria mag niet zo ver voorover buigen in het kribje. Dit zijn zulke wezenlijke dingen die met het wezen van Maria te maken hebben. Daarom is bij ons de krib iets verhoogd.
Voor de warmte van Maria moet veel met de stem gebeuren. Maria is licht, lieftallig en met warmte. Men zie de Isis-voordrachten van 1920 (Rudolf Steiner: “Die Brücke zwischen der Weltgeistigkeit und dem Physischen des Menschen – Die Suche nach der neuen Isis, der göttlichen Sophia” GA 202) en verschillende Madonna’s van Raphael en anderen. Maria is de centrale rol.
Belangrijk is ook het zingen van Maria, dit is werkelijk zó belangrijk, speciaal in het Driekoningenspel, waar ze alléén maar zingt. Daarom niet al te vaak wisselen van rol.

Het hoogtepunt van de Kerstspelen in Den Haag is geworden de (iets bekorte) uitvoe­ring door de 12de-klas voor de kleuters. Fluisterend gezegd: die is vaak mooier dan de uitvoerig door de leraren.

Opmerking mej.Gerretsen: het zingen van Maria is in het Kerstspel veel minder gewichtig dan in het Driekoningenspel. Te goed zingen is ook niet goed.

 

Veltman vervolgt:
Soms kijkt Maria met de ogen niet naar het gebeuren, dat is uitermate storend.
Het sleutelwoord voor de rol van Maria is: “en Maria bewaarde al deze woorden in haar hart” (Lucas 2:51). De kompany neuriet de herhaling van nr.3. Jozef loopt iets vooruit, niet te veel, en niet te weinig (anders kan Maria niet zeggen: “0 Josef en haest U so ras niet voort”).

Als Maria zegt: “So efter vreemden waren gecomen, En al de plaetse waar in genomen ?” maakt Jozef een gebaar van “ik weet het niet”. Als Maria zegt: “ick vreze het mogt my qualick vergaan”, loopt Jozef, die op dat moment rechts op het toneel staat, weer helemaal terug naar Maria links op het toneel. De waarden mogen Jozef en Maria niet ”wegspelen”. De waarden stammen regelrecht uit de zondeval. Rufinus is niet onvriendelijk, maar wel een botterik. Servilus, de boze waard, is een rotzak. Hij komt van links achter op. Titus, de zogenaamde goede waard, lijkt vriendelijk, maar laat het kind net zo goed in de kou staan (“siet selfs hoeghe u met dat kinde redt’!.). Niet te overdreven spelen. “Postuur” betekent zoveel als “standing”.Bij “Erbarmen mooch hem den rycken god” gaat Maria iets naar voren. Daarna komt Titus van rechts achter tussen Jozef en Maria in. In de zin “thuys tot de nok vol vreemdelingen” zie je de patser.
Deze waard wordt meestal gespeeld door een vrouw, en ‘ach baeslief’ wordt dan ‘ach vrouwlief’.
Als Titus het lantaarntje heeft neergezet, rechts voor de kribbe, gaan Jozelf en Maria nog niet direct zitten. Jozef helpt Maria met de sluier bij het gaan zitten op het krukje. Als Jozef zegt: ’t can syn als dat ick iet overhoudt’, went hij zich iets af.

Jozef is niet meer bij dit geboortemysterie aanwezig.

Opm. Nordlohne: in Middelburg pauzeert Maria na ‘hieromme’ heel even en in die kleine pauze kijkt Jozef op en om en dan ziet hij het kind voor het eerst.

Veltman:
Bij de geboortescene staat de Engel op een kleine verhoging. De melodie van ‘de witte wolken zweven’ wordt geneuried. (PHAW: het is de melodie van ‘Een roze fris ontloken‘)
Het is zó moeilijk dat Maria vaak een strak gezicht heeft, terwijl ze eigenlijk moet glimlachen naar de baby, zoals een moeder doet. Direct oefenen met de sluier! De ‘spot’ (rood en blauw) op de Engel moet niet te fel zijn, anders ontstaan te zware schaduwen.
Na de geboorte kijkt Maria bij haar eerste zinnetjes naar het kind.
Bij ‘legh ’t tusschen os en eselken in de krebbe’ schermt Jozef het inleggen met zijn mantel af. De kleine kinderen hebben dan toch een armpje of beentje van het kind gezien: dan is het goed gespeeld!

Verslag van de bijeenkomst van Kerstspelregisseurs op Zaterdag 29-9-1979 in de Vrije School te ‘s-Gravenhage.

W.F.Veltman heet allen welkom, en vervolgt met:

Noor (Gerretsen) heeft gevraagd of ik maar eventjes dat overgebleven deel van het Kerstspel zal doen, want zij is nog bezig met de dingen op te hangen, dat is vorige keer iets misgelopen, daar had U al erg op gerekend, dat spijt ons nog steeds, maar goed, nu kunnen we de schade inhalen, zodat we straks in de pauze met elkaar die kostuums eens kunnen bekijken, en daar kunnen we dan gezamenlijk over praten.

Nu hebben we afgesproken dat we van 2 tot 5 zouden werken, en daar moeten we het hele Herdersspel in doen en het hele Driekoningenspel, dus dat is toch wel even hard werken. En nu is de vraag: hoe doen we dat? De vorige keer hebben we ’s middags zo’n beetje gespééld. Ik heb gehoord dat verschillenden dat juist erg fijn vonden. Voor mij zelf is dat een beetje moeilijker toch, want ja, als je daar dan zelf staat, heb je de neiging als je ziet dat iemand iets aan het doen is, om te zeggen: eigenlijk zou je dat zus of zo moeten doen. Maar ’s avonds heb ik dat dus anders gedaan – en dat was voor anderen weer een teleurstelling – toen heb ik meer vertéld. Nu ja, hoe wilt U het. Zouden we het zo kunnen doen, dat we voor u het Herdersspel door drie mensen laten spelen ?

Hiertoe wordt besloten: tot 14-45 uur, en dan een pauze maken, klaar of niet, dat zien we dan wel, en we krijgen nog thee geloof ik, en dan kunnen we daarna nog twee uur besteden aan het Driekoningenspel.

Het Herdersspel wordt nu (zonder Herdersstaven) gespeeld door Wyna Meenk (Stiechel) Jo Hass (Witok) en Ruud Gersons (Gallus).

Veltman:
We spelen het dus in Haagse Fassung: links op het toneel. Maria en Jozef zitten bij de kribbe rechts op het toneel. Bij de laatste ommegang (Nr.8) zijn er twee achtergebleven, dat zijn dus Gallus en Stiechel, en Witok is mee het toneel opgegaan. Er wordt afgesproken dat Veltman zo nodig het spel zal onderbreken. Stiechel komt van rechts achter in de zaal, mag niet op het toneel voor Maria en Jozef heen lopen, maar loopt voor het toneel naar links, en gaat daar het toneel op, zorgt meteen dat hij in de linker helft van het toneel komt.

Veltman:
De Herders mogen absoluut niet over het midden van het toneel heen komen, ze mogen dus niet komen op de helft van Maria en Jozef: zoveel mogelijk toch in die linker hoek blijven. Maria en Jozef zitten in het gedeelte van Bethlehem, die stal, dat is een kwart gedeelte. Jullie spelen zoals dat in de middeleeuwen altijd was: met die twee plaatsen die naast elkaar liggen.

De herders moeten van begin af aan goed zorgen in de driehoek te blijven, en niet op een rijtje gaan staan, dat is heel belangrijk.
Stiechel vraagt bij ”ei vrund Gallus, wat zeght ghe daor’ of ze nu mag changeren of dat ze stokstijf in haar punt van de driehoek moet blijven staan.

Veltman antwoordt: ‘Nee, stokstijf niet.’
Veltman: ‘Stiechel moet bij “seght dan op, gy ouwe wouwelaer” niet te ver naar voren komen, want dan springt hij uit het beeld.’

Opmerking van de notulist: ‘In Middelburg schrikken Stiechel en Witok heftig bij het woord “wollef” (omdat de wolf een imaginatie van het Boze is): ze deinzen terug.’

Veltman (bij “Lestent wierdt me in der brêe vertelt”): ‘Nu, dat is meteen even een vraag, ik zou het eigenlijk beter vinden dat jullie eerder opstonden, niet tegelijk. Ik herinner me dat van de keren dat ik daar heb meegedaan, dat we opstonden als Witok het woord “Messias” zegt. Gallus en Stiechel denken eerst: hij gaat weer wat kletsen, maar dan blijk het een belangrijke mededeling te zijn, dus daar ga je bij staan. Anders komt er een dode plek in tussen zijn tekst en de volgende tekst van Gallus.’

Bij “In Betlehem wort hy geboren” wijst Witok naar Bethlehem.

Bij “Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn,”  begint Gallus met een geeuw.

De Herders liggen helemaal languit plat op de aarde.

(De Koningen slapen knielend, laten eigenlijk nooit de hemelbol los).

Vraag: ‘En met het hoofd welke kant uit: naar het publiek toe, of er vanaf?’ Antwoord:’Je moet het wel zo doen, dat als je de tekst moet zeggen, je naar het publiek toe kan spreken, want als je dat met je hoofd naar de achterkant zegt, dan verstaat natuurlijk niemand het, trouwens, de mensen verstaan het toch niet…’
Vraag: ‘Moet bij het slapen de driehoek gehandhaafd blijven?’
Antwoord: ‘Nee, de engel moet er doorheen kunnen lopen.’

Veltman: ‘De engel moet wel ruggelings ook weggaan (na Nr,10), zoals een euritmiste dat zo mooi kan.’

Veltman: ‘Dat is altijd een groot raadsel voor mij geweest, waar de pens bij die herders zat. De pens is namelijk je maag, dus dan moet die vent op zijn buik vallen, en niet op zijn achterste, want ik heb dat vroeger vaak gezien, dat ze zeiden “dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten” en daarbij op hun achterwerk voelden, dat is natuurlijk onzin, er staat nu eenmaal pens, en dan moet je dus voorover vallen. Volgens Wijna geldt het woord “pens” voor het hele lijf. In de Duitse tekst staat: “Ranzen” – ransel, buik, bast, pens.
Veltman: ‘Stiechel is bij “wat hebt ghy wel gedroomt” niet zo flegmatisch!’

Na “dat can ick u vry segghen” doen wij het zo, dat Gallus in die linker hoek komt.

Witok en Stiechel blijven met de rug naar hem toe, in de driehoek, en de punt van de driehoek blijft achter!

Nu komt Witok, en jullie draaien één punt verder, tegen de klok in. Dan Stiechel.

Bij Nr.14 komt dat draaien om je eigen as pas in het tweede deel, dat komt pas bij “David een kloecken herder was”.

Opmerking van de notulist: zou dit draaien om de eigen as niet moeten beginnen juist halverwege de drie coupletten, bij “wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?

We hoeven de drie coupletten van Nr.14- niet te zingen, want de tijd dringt.

De driehoek moet bij Nr.14 wel precies blijven, die moet beslist aangehouden worden, dus absoluut niet in een kring ronddraaien, maar de hoeken scherp maken, duidelijk keren op een hoek, en met de stokken pas in het tweede gedeelte. Het tweede couplet wordt herhaald op deze manier.

Opmerking Veltman: ‘Ja, dat is een dronkemanstroep van totaal onmathematische herders.’

‘Nou ja, ’t geeft niet, ga maar doo.r’

Nu komt de tocht van de herders in het donker naar Bethlehem.

Veltman: ‘Er zijn mensen, die de herders nu in de zaal laten afgaan, maar wij laten ze links achter afgaan, en dan komen ze weer terug op het toneel, dan wordt de belich­ting inmiddels donkerder, en dan loopt Stiechel voorop. Niet te ver naar achter, hoor, zo halverwege, tussen de tweede en derde poot, en dan moet je weer iets naar voren komen.’

Het spel op het toneel wordt nu beëindigd.

Enkele opmerkingen van Veltman:                                                                                

‘De driehoek wordt tot een vierkant door Crispijn. Dit kunnen we in samenhang zien met de driehoek op het voorhoofd van God-Vader, en het driehoeksteken in de kerst­boom. Dit is de oude drievoudige voorbereiding. De herders hebben te maken met de fase vóór Christus, met de drie Hüllen van het Ik:

Witok: denken. Hij is de oudere, de wijze.

Stiechel: willen. Hij is een doe-vent, wat driftig.

Gallus: voelen. Hij is een gemoedsman, de eerste herder.

Bij de Koningen is het juist andersom:

Melchior, de eerste Koning: denken  (Perzie)

Balthasar: voelen

Kaspar:  de donkere Koning: willen (Morenland)

Het gebaar.
De vorige keer heb ik het gehad over het boer zijn. Daaruit vloeit niet alleen de spraak voort, maar ook het gebaar. Ons zit het intellect dwars, maar daar heeft zo’n oude boer geen last van (een jonge boer misschien wel!). Hij maakt een expressief gebaar, een breed gebaar, een rond O-gebaar, liefdevol omvattend. Armen en handen dus niet te dicht bij je houden!

De herders in de driehoek.
Wijnand Mees heeft vorige keer vanuit de euritmie gezegd dat de driehoek met de punt naar achter een vrolijke indruk geeft, met de punt naar voren een tragische stemming. Dit kan een steun zijn om het te begrijpen. Toneeltechnisch is het ook de beste opstelling.

Nel v.d.Kroef: ‘De punt naar achteren: kosmisch
de punt naar voren: aards.’

De aanbidding.
De tekst van de aanbidding is zo interessant. Witok heeft het over een Koning,
Gallus heeft het over “U bleke koontjen, u neuzeken fyn”.
Gallus moet zich niet te ver omkeren bij het spreken: toch zo veel mogelijk “en face”.

Er voor te zorgen dat het bij de aanbidding niet te veel “en profil” wordt, is heel moeilijk. Het bewustzijn moet bij de zaal zijn, ook bij de aanbidding, dat is de overwinning op het naturalisme.                                        

De drie geschenken van de herders.
Heel lang geleden heeft  in “Natura” een artikel van Walter Johannes Stein gestaan, dat veel te weinig bekend is geworden. W.J.Stein brengt de geschenken van de herders in samenhang met de Griekse Asklepios-Mysteriën: de godheid Trophonius werd vereerd in een grot, in een holte, als je daar naar toe ging, werd je genezen in tempelslaap door een helderziende priester. En wat bracht je mee als offer? Wol, melk en lam! Als publiek bij het kerstspel kijk je dus mee in het Mysterie van de Genezer.
De vraag rijst! hoe komen die middeleeuwers daaraan, dat kan geen toeval zijn. Trophonius is een soort chthonische godheid, behoort tot een oudere laag van goden in de onderaardse wereld, een hoge hiërarchie.
herders in kerstspel 1
nu komt Witok en jullie draaien één
punt verder, tegen de klok in. Dan Stiechel. Bij het zingen van nr. 11, 12, 13                   kijken de andere 2 naar buiten!
herders in kerstspel 2
.
Kerstspelen: alle artikelen
.
240-226

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – regie-aanwijzingen algemeen

.

Dit is een verslag van een bijeenkomst voor regisseurs van de kerstspelen van 8.11.1979.

Inleiding  kerstspelen voor de leraren

Beste mensen,

Vorig jaar oktober is voor het eerst in de geschiedenis in Dornach een bijeenkomst geweest van kerstspelregisseurs.

Nu het aantal scholen, heilpedagogische instituten en andere plaatsen gestaag groeit, waar deze spelen opgevoerd worden, ontstond de behoefte bij velen om zich intensief met de regie bezig te houden, zich er grondig in te verdiepen.

Uit de wijze waarop vanaf het allereerste begin in de tijd van Rudolf Steiner met deze spelen is omgegaan, kan men direct afleiden, dat men hier te maken heeft met zeer bijzondere spelen, die niet zo maar elke benadering van een zich vrij voelende regisseur verdragen.

Vorig jaar hebben we ons daar sterk bezig gehouden met het geboortespel, dit jaar, dus net in de afgelopen herfstvakantie met het paradijsspel en volgend jaar zal het driekoningenspel aan de orde komen.

Nu is over de geschiedenis van de spelen, nl. hoe ze uit het gebied van de Elzas terecht zijn gekomen in het Hongaarse Oberufer en hoe ze daar op het laatste nippertje vlak voor het in vergetelheid raken, zijn ontdekt door Karl Julius Schroer, die ze aan R. Steiner liet zien, genoeg bekend, en ik kan iedereen zeer aanraden daarover te lezen in de  “Ansprachen zu den Weihnachtspielen”. [GA 274] Vertaald op deze blog.

Het is trouwens voor onze drie groepen die nu aan het oefenen zijn gegaan, zeer waardevol en aan te raden hieruit stukken voor te lezen, om iets van de stemming en de stijl en het ontstaan van de spelen te weten te komen.

Veel minder bekend zijn echte concrete regie-aanwijzingen, omdat die tot nu toe nooit op schrift zijn gesteld. Er zijn nog enkele oudere mensen die oorspronkelijke exemplaren beweren te hebben en misschien ook in werkelijkheid wel hebben, waar aanwijzingen van R. Steiner op zouden staan. En als die er inderdaad op staan, heeft het alleen maar zin om die toe te passen, als men de zin er van doorgronden kan.

Op de Tagung in Dornach van vorig jaar kwam al meteen duidelijk tot uiting, dat er tegenwoordig drie ‘kerstspelstromingen’ bestaan, die zich alle drie beroepen op authenticiteit en Rudolf Steiners ‘Angaben’, hoewel ze alle drie totaal verschillende zijn. Dit zijn Dornach, Berlijn en Stuttgart.

Een voorbeeld:  In Dornach staat de boom in het paradijsspel en kerstspel ietsje links van het midden, vanuit de toeschouwer gezien, terwijl in Stuttgart van achter het toneel slechts enkele dennentakken uit de coulissen steken, zodat het hele podium verder vrij is. En dat heeft men altijd zo gelaten.

Persoonlijk ben ik van mening, dat hier slechts praktische oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen: waarschijnlijk zal de grootte van het Stuttgarter toneel geen hele boom hebben toegelaten.

Nu hebben wij in Dornach vorig jaar en ook dit jaar weer het grote geluk gehad, in ons midden te hebben de heer Schmidt die indertijd onder Rudolf Steiner zelf de uitvoeringen heeft meegemaakt en tientallen jaren tot op vandaag de dag, met de toneelspelers van de Dornacher Bühne elk jaar de spelen opnieuw instudeert. Ook volgens hem zijn vele verschillen op praktische omstandigheden terug te voeren, omdat op het ene toneel bv. de trap rechts zit (zoals oorspronkelijk in de Schreinerei) en ergens anders de trap links zit (bv. in de Grundsteinsaal van het Goetheanum).

Dat de drie Schriftgeleerden met bank en al languit op de grond vallen als ze terug komen van Herodes,  zoals het ook in de teksten staat, berust op een toevallige gebeurtenis. Eens ten tijde van Steiner is die bank ongevallen en dat beviel zo goed dat men het altijd zo heeft gelaten.

Maar dit soort zaken hebben alle nog betrekking op uiterlijkheden. En niet alle uiterlijkheden hebben een diepere achtergrond. Er zijn echter andere zaken – en nu komen we meer op innerlijke aspecten van deze spelen — die zich niet zo maar laten veranderen, al zouden uiterlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Natuurlijk willen vele spelers er in een bepaald jaar eens een ander nieuw element aan toevoegen, iets veranderen, “verbeteren”. En dan rijst de vraag: hoe ver kan en mag men daarmee gaan?

Dit hangt er nu helemaal vanaf hoe men de spelen ziet, en vooral wat men ermee bereiken wil. Meestal komen wij niet verder dan te zeggen: het is een kerstgeschenk van de leerkrachten aan de kinderen. Maar zo eenvoudig ligt de zaak m.i. niet.

Want het kerstgeschenk dat wij leraren onze kinderen aanbieden is niets minder dan een op het toneel in beeldvorm opgevoerde menselijke ontwikkelingsweg. Het is in een kort bestek de hele mensheidsgeschiedenis, beginnend in een oer-verleden, in het paradijs, dan de zondeval, de hoop op   de weg terug, en op het moment van de diepste aardeduisternis in de Grieks-Romeinse cultuurperiode de geboorte van de verlosser. Ten slotte het Driekoningenspel dat werkelijk ongelofelijk actueel is en zelfs naar een toekomst wijst die voor ons mensen nog ver in het verschiet ligt.

Het op het toneel tonen van een menselijke ontwikkelingsweg in beeld, noemt men een mysteriespel. Dat heb ik de vorige keer, toen ik kort iets over de spelen hier heb gezegd ook al aangeduid. De mysteriespelen ontstonden in de Griekse cultuurperiode, werden geleid vanuit de mysteriën en hadden tot doel het volk zo te leiden en op te voeden, dat het zich naar de toekomst toe verder in juiste zin kon ontwikkelen.

Waarom waren die mysteriespelen er dan niet al veel eerder? Omdat ze niet nodig waren! Vanuit de grote verbondenheid met de bovenzinnelijke wereld wisten de mensen, maar vooral de mensheidsleiders, de priesterkoningen, heel precies hoe de aarde bebouwd en bewoond moest worden. Maar in de Grieks-Romeinse tijd wist men dat niet meer. En, hoewel we dit allemaal weten is het toch goed dit misschien nog eens in het bewustzijn te roepen, namelijk, dat wij op school in sprookjes, fabels, legenden en mythologie ook de kinderen in beeldvorm de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid en de ontwikkeling van een individu verhalend vertellen. Allemaal dingen die wij volwassenen elkaar rechtstreeks kunnen vertellen, maar die een kind alleen in een beeld kan opnemen. Zo werd eens de mensheid in de Griekse tijd in grootse beelden onderwezen, nl. in de beelden die zij op het toneel zagen. En daaruit is alle toneel gegroeid, tot en met Shakespeare toe, ja zelfs tot Brecht en Pinter. Het is allemaal ontstaan als mysteriedrama. En die werden tot ver in de late middeleeuwen opgevoerd, toen natuurlijk geleid vanuit de broedergemeenten die er waren en de kerk. Maar ze hadden eigenlijk hetzelfde doel. Het mysterie-element is natuurlijk verdwenen.

Nu hebben onze Oberuferspelen niet alleen mysteriekarakter, doordat bv. de “company” nu is, wat het Griekse koor vroeger was, maar het zijn regelrecht mysterie-spelen, in de meest diepe zin van het woord. Want de mens gaat er door belevenissen en klimt geestelijk omhoog. En de toeschouwer beleeft eerst ANGST als Adam en Eva uit het paradijs worden gestoten en in de aarde-eenzaamheid komen. Maar dan beleven ze ook medelijden. En ten slotte beleven ze de loutering mee die Adam doormaakt als de duivelse ketting van hem is afgevallen. De mens gaat door angst, medelijden en loutering. Dat maakten de Grieken ook door en daardoor konden zij het komende jaar aan, totdat weer nieuwe mysteriespelen opgevoerd werden. Ik heb, meen ik, de vorige keer al gezegd dat zoiets twee maal per jaar gebeurde, gedurende drie dagen. Elke dag een zwaar drama, waarin de toeschouwer van de beleving van ANGST via MEDELIJDEN kwam tot de LOUTERING, de catharsis. En dan ’s avonds de komedie, waarvan we aspecten in ons herdersspel terug kunnen vinden.

Maar als het waar is dat onze Oberuferspelen mysteriespelen zijn, dan werken ze ook als zodanig op de toeschouwers, nl. onze kinderen. En dan maakt het een groot verschil of de beelden berusten op een objectieve waarheid, of zo maar op een holle traditie of een leuke verandering.

Bijvoorbeeld : Waarom loopt Eva in het Paradijsspel eerst achter Adam, dus bijna achteraan? En waarom loopt zij aan het eind vlak achter Godvader, helemaal vooraan, terwijl Adam en de duivel achteraan lopen. We komen nu heel concreet in de achtergronden van wat we doen. Dat is, omdat we de kinderen willen laten beleven: eerst werd Eva gemaakt uit een ribbe van Adam. En in Dornach laat Godvader een echte materiële rib zien. Zij is dus gemaakt uit het middengebied van Adam. Eva is een en al middengebied. Zij is dus gemoed, gevoel en veel minder hoofdmens of ledematenmens. Bij Adam zegt Godvader: “Neemt ook verstand….” Dan: “Zo leef dan Adam” en ten slotte: “Ga steevast op Uw voeten staan.” Daar heb je de hele DRIELEDIGE MENS. Maar dat zegt Godvader niet bij Eva. Zij heeft veel minder bewustzijn aan de ene kant en minder daadkracht aan de andere kant. Daarom kan zij ook instrument worden van de duivel. Maar ook daarom gebeurt er innerlijk met haar helemaal niets als ze in de appel bijt. Haar bewustzijn verandert misschien wel, maar het dringt niet tot haar bewuste IK door.
De vrouw heeft sindsdien de gevoels- en gemoedskrachten veel sterker bewaard. In zekere zin is Eva veel oorspronkelijker gebleven dan Adam, die veel sterker aarde- en materiegericht is geworden dan Eva.

En daarom, om dat element de kinderen in beeld te laten zien, loopt zij op het eind dichter bij Godvader. Zo concreet laten wij de dingen aan de kinderen zien. Als de kinderen later leren wat vrouwenemancipatie is en te horen krijgen dat man en vrouw gelijk zijn, zullen zij hopelijk uit dit grandioze beeld de specifieke vrouwelijke en manlijke kwaliteiten herkennen.

Maar wat het meest direct de kinderen aanspreekt zijn in hoofdzaak de gebaren. Velen van jullie, en misschien nog wel het meest de kleuterjuffies, zullen bemerkt hebben, hoe stek de kinderen worden aangesproken door de gebaren die ze zien. Spelen ze thuis Maria of Jozef of de herders, dan zul je flarden tekst te horen krijgen waarin veel door elkaar gehaald is, maar dat geeft niet. De gebaren van Gallus en Witok, als ze uitglijden op het ijs, weten ze feilloos na te bootsen. De waargenomen gebaren gaan bij de kinderen zeer diep.

Wij hebben dan ook een zeer grote verantwoordelijkheid, welke gebaren wij op het toneel hebben en vooral of ze waar zijn en doorleefd.

De oude Griekse mysteriespelen kenden, vanuit de mysteriën in hoofdzaak zes grondgebaren. Deze zes grondgebaren of zielennuances vormen de hoekstenen van de opleiding Sprachgestaltung.  De beroepsacteurs uit Dornach, dus de mensen die daar Rudolf Steiners Mysteriedrama’s opvoeren werken er zeer intensief mee. Zij hebben met ons samen de regisseurs—Tagung meegemaakt en hebben ons laten zien hoe ze er mee werken.

Voor acteurs, die een werkelijke vernieuwing van de dramatische kunst nastreefden, heeft Rudolf Steiner de zgn. “Dramatische cursus” gegeven, waarbij ook de spraakvorming hoort. Daarin is beschreven hoe die grondnuances waren. Elk gebaar, welk dan ook, is van deze grondgebaren een afzwakking, is ervan afgeleid. Ja, Steiner zegt in de tweede voordracht letterlijk: Op het toneel is geen gerechtvaardigd gebaar of het moet afgeleid zijn uit deze zes grondgebaren.
Hoe wij daar in Dornach mee geoefend hebben en waar men ze concreet in de kerst­spelen kan terugvinden wilde ik nog kort aanduiden.

Het gaat er dus om, dat de menselijke ziel zich uit. Dit doet hij door taal en gebaar. Maar in onze ver voortgeschreden cultuur heeft de spraak zelf geen gebarenkarakter meer. De oertaal moet het gehad hebben en de euritmie heeft het weer gekregen, maar onze gewone taal, ook die van het toneel, heeft het niet. Telkens weer wijst Steiner de cursisten erop, van het gebaar tot de spraak te komen.

1) Gaan we uit van het uiterlijke gegeven, dat de mens wil dat zijn spraak WERKZAAM, EFFECTIEF wil zijn. Dat is het eerste: EFFECTIEF.

2) Dit kan alleen als hij met die zielenuiting door de taal een gedachte verbindt. Wordt dit sterk, dan wordt de mens bedachtzaam. Dat is het tweede, bedachtzaam. De taal wordt immers pas wezenlijk als er doorheen een belangrijke gedachte klinkt. Anders praten we alleen om te praten, maar daar gaat het natuurlijk niet om.

3) Gaat de zielenopenbaring verder van mij vandaan, dan kan ik vaak mij onzeker voelen, tastend, in betrekking tot de buitenwereld. Dit komt in de taal vaak tot uiting in vragen en wensen. (”Ben ik daar wel tegen opgewassen? Kan ik die klas aan? Ach…had ik maar wat meer tijd om me voor te bereiden.” enz.) Onzekerheid dus.  Dat is het derde: naar voren tasten.)
Gaat dit nog een stapje verder, maar dat hoort direct bij 3, dan is er sprake van besluiteloosheid.

4) Wanneer mijn ziel zich uit, dan kan het zijn dat antipathie mij tegemoet komt. Ik wijs het af. Dus: ANTIPATHIE-AFWIJZEND. Dat is het vierde.

5) Maar er kan mij ook sympathie bejegenen, of ik voel sympathie van mij uitgaan. Dan bekrachtig ik. SYMPATHIE- BEKRACHTIGEND.

6) Ten slotte kan ik mij in mijn zielenuiting willen terugtrekken op mij zelf. Ik maak mij los van de omgeving. Hierna kan de hele cyclus weer van voren af aan beginnen. Een soort ademingsproces dus, tussen mijn ziel en dat wat ik uit de omgeving gewaar wordt.

En nu de gebaren die daarbij horen.

1) Bij het werkzame woord hoort een sterk DUIDEND gebaar. Iemand die effectief wil zijn gebruikt duidende, aanwijzende gebaren. Steiner zegt dat het bestuderen van die gebaren voor de acteur van het grootste belang is. Dan moet hij niet naar Engeland gaan. (Handen in de zakken.) Maar bv. naar Italië. In de schilderkunst van de Italiaanse Renaissance (Leonardo) is dat duidende gebaar goed waar te nemen. (laten zien het schilderij van de “Duidende vrouw.”)

2) Bij het bedachtzame hoort een gebaar, waarbij men de armen en handen aan zich­zelf houdt. Bv. Vinger op voorhoofd: nadenken.

3) Bij het naar voren tasten hoort een rollende beweging van de armen, waarbij de handpalmen naar beneden zijn gericht en de handen open zijn. De beweging rolt naar voren.

4) Bij antipathie wil ik mijn armen en benen van mijn lichaam wegslingeren.

5) Bij sympathie wil ik het object aanraken, mijn ledematen er liefkozend naar uitstrekken,  (beroeren.)

6) Wil ik mij terugtrekken op mijzelf dan maak ik een kort afwerend gebaar, waar­bij de armen kort afgezet worden van het eigen lichaam, ietsje schuin naar beneden.

En nu moeten we proberen vanuit deze gebaren de weg naar de taal terug te vinden. Dat hebben we in Dornach zo geoefend, dat je probeert je in te leven in de stemming, die van dat gebaar uitgaat. Dat deden we vanuit hele concrete situaties. Bv. hebben we gespeeld zonder taal eerst. Eerst alleen gebaar: Iemand heeft een vermoeiende congresdag achter de rug en het zat nogal tegen. Euritmisch is hij in een “E-” stemming. Afwijzend. Bewust. Vermoeid. Hij komt op zijn hotelkamer, waar plotseling het licht uitvalt. Dan is hij eerst wat angstig. Hij voelt zich a.h.w. “U”. Maar dan herinnert hij zich dat hij in zijn koffer een zaklantaarn heeft. Er gaat hem innerlijk een licht op, dus voelt hij zich “I”. Terwijl hij in het donker voorttast naar zijn koffer, struikelt hij over de stoel. Daardoor voelt hij zich weer ellendig: ‘E’, ‘E’, ‘E’. Dan vindt hij gelukkig de zaklantaarn:  “AA”  “AA”   “AA”. En op hetzelfde moment gaat het licht weer aan: “OO”,  “OO”.

Zo hebben we vele oefeningen gezien die de Dornacher toneelspelers voor ons hebben opgevoerd. Dit kun je ook doen met iemand die buiten slaapt, ontwaakt door de eerste zonnestralen en een prachtige zonsopgang ziet. Wat beleeft hij? Dan wordt het licht steeds feller, en verblindt hem tenslotte. Een zeer leerzame oefening.

Ook kun je in temperamenten oefenen: een cholerische dame die aan een flegmatische stationschef vraagt naar welk perron ze moet, terwijl de trein al moet vertrekken. Enz. enz.

Waar het bij al deze oefeningen om gaat, is om in de juiste klankstemming te komen, die aan dat gebaar beleefbaar wordt. Wij hebben helaas geen tijd om zulke oefeningen te doen. Maar zou een groep er eens in slagen echt direct na Michael te beginnen, dan kun je deze dingen natuurlijk doen en dan zal blijken hoe vruchtbaar ze zijn. Nu naar de taal, waarbij we even willen afzien van het vocale- en consonantische. Daarover zou nog apart gesproken moeten worden. De tijd staat dat helaas niet toe.

1) Bij het effectieve in de taal en het duidende gebaar hoort de taal indringend te zijn. Steiner spreekt zelfs van “schneidend”. Van zelfs iets metaalachtigs krijgen.

2) Bij het bedachtzame van de zielenuiting en het aan zich houdende gebaar hoort een volle, gedragen taal.

3) Bij het besluitloze en stilhouden der ledematen wordt de taal langzaam en slepend, getrokken.

4) Bij het onzeker naar voren tasten, met rollende bewegingen wordt de taal levend, vibrerend.

5) Bij antipathie en wegslingerende ledematen wordt de taal hard.

5) Bij sympathie en beroering van het object, wordt de taal  zacht.

6) Bij het terugtrekken op jezelf wordt de taal kort, afgezet. Voorbeeld:
“Jij wilt nu gaan wandelen? Ik wil hier blijven! Ik—ga- een—boek—lezen.”

Voorbeelden aan de hand van de kerstspelen:

sub l) Het werkzame woord, duidend gebaar, indringende taal: verkondiging door de engel aan Maria. In renaissanceschilderijen sterk duidend weergegeven. Ook engel die aan Jozef verschijnt in het Driekoningenspel.

sub 2) Bedachtzaam, ledematen houden lichaam ergens vast. Hand aan hoofd. Spraak: vol. Voorbeeld: Melchior, bedachtzaam:
”t coomt mij veur oft woort van den profeet alree in Bethlehem sich vervullen deet. dies wil ik naestelijk BEDENKEN wat ik het kindeke sal schenken.”

Herodes, bedachtzaam, nadat schriftgeleerden zijn vertrokken:
“ic wil te deghen en regts die saeke overweghen en rigt mijn sin en mijnen moet op dattic vergiete het kint sijn bloet.”

Extreem bedachtzaam, als het denken tot intellectueel abstract denken wordt, bij de schriftgeleerden zelf. In de tekst staat: “zij kussen zichzelf op de schouders.”
Dit is misschien een heel extreme vorm van het houden van de ledematen (bovenarmen) aan het lichaam.

sub 3) Voorttasten der taal tegen weerstanden, met armen en handen rollend gebaar. Bevende taaluiting.
Voorbeeld: denk aan herders op weg naar stal:
’t is hartstikke donker, ick tast nae de wegh, ik en weet sowaor geen hegh of de stegh. Gaewe qualic of regt na de stadt bij abuys?”

Dit laatste is inderdaad een vraag! Steiner zegt dat vooral de letter rrrr goed helpt om dit tastende, bevende tot uiting te brengen. Blijf wat langer op zo’n r hangen.

sub 4) Antipathie, afhandelend, beweging wegslingerend. Harde taal.
Voorbeelden te over: 2e waard, (kan eerst bedachtzaam beginnen.) bedachtzaam:    “Wat moetghe hier, ghij met u wyf?
werkzaam duidend, indringend: ‘blijft bedelvolk mij van het lijf.’
bedachtzaam………..     ‘van anderen heb ik meer gewin’
(of antipathie, kan hier ook werkzaam duidend, indringend: ‘landlopers laat men hier niet in.’

antipathie, hard.……    “wegh van mijn deur en pakt u voort’

bedachtzaam…………..     ‘dat gij mij langer niet en stoort.”

Herodes: sterke antipathie, wegslingerende beweging, hard:
“Pack U gezwind van hier, dwazin, wat laat ghe u mit mynen saeken in?”

sub 5) Sympathie, beroering, zachte spraak.
—   Godvader schept Adam (Zie het bekende reliëf uit Chartres.)
—   Adam ziet de natuur en de schepselen van het paradijs voor het eerst.
–   Maria-kind. Als Maria zingt met Jozef. Ook Jozef. Maria kan een gebaar naar het kind maken, als wil ze het aanraken en beschermen als de herders aanklop­pen. Zelf is zij geschrokken van het aankloppen en de stemmen en reikt naar het kind.
–   Herders zelf als zij het kind in de kribbe aanbidden. Het wiegen heeft dit gebaar al sterk in zich.

sub 6) terugtrekken op zichzelf; gebaar van de armen afstotend van het lichaam, korte, stotende taal.
Als Herodes de schriftgeleerden wegstuurt en alleen wil zijn. Hier wordt door Herodes vaak waanzinnig hard geschreeuwd: “Algoet laat af….”
Het is zeer de vraag of dat juist is. Dat zou vanuit de taal op antipathie duiden. De schriftgeleerden en Herodes staan echter niet zo heel ver van elkaar af…….
Herodes zou dit dus veel korter en stotender kunnen zeggen. (Kurz abgesetzt.RS)
Algoet-laat af-en swijgt alsnu.
ick heurde—alree—genoegh—van—u
maak tu van hier. (kort)(stop.)

Waar het dus om gaat is, om op belangrijke momenten de wezenlijke gebaren te vinden en van daaruit naar de spraak te gaan.

Slot

Als afsluiting nog dit:
Elke cultuurperiode heeft zijn prille begin, zijn opbloei naar een hoogtepunt en zijn verval in decadentie. Daaraan is ook de Griekse tijd niet ontkomen. Men vindt dit duidelijke terug in de Griekse zuilen: de prille, eenvoudige Dorische, dan de volle, krachtige Ionische, en tenslotte de pompeus, protserig wordende Korinthische.

Elk van deze drie periodes: begin, bloei en einde, hebben hun eigen dramatische auteurs gekend.

Zo hoort bij het prille Ayschylos. In zijn spelen vindt men een koor met hoogstens een enkele of een paar spelers. Grote eenvoud. Hij is een episch schrijver.

Dan komt de bloeiperiode met Sofokles. Het tragische in zijn spelen blijft mild door het kunstzinnige ervan. Zeer harmonisch. Zijn werken zijn lyrischer.

Tenslotte is er Euripides. Sterk retorisch, pathetisch, dramatisch.

Deze drie elementen kunnen wij als grondstemming, als stijl, ook in onze kerstspelen terugvinden.

Het paradijsspel is sterk episch, het kerstspel lyrisch en het driekoningenspel is echt dramatisch.
Zo gaan de drie spelen ook nog eens door de hele mens heen, beginnende in zijn hoofd met het verhalende, vertellende; dan het middengebied – het gevoelsmatig—lyrische en ten slotte en in de ledematen handelende-dramatische.
Daar staat voor ons nog eens de DRIELEDIGE mens.

De EPICUS
Spreekt iemand EPISCH, verhalend dus, en wil hij de andere mens daarmee raken, dan zal hij sterker in vocalen spreken. Deze zijn immers de rechtstreekse uiting van wat in onze ziel leeft. In de consonanten kruipt hij in de DING-wereld. De EPISCHE spreker citeert. En als hij herhaaldelijk citeert dan RE-CITEERT hij. Het object, waarover verhaald wordt, openbaart zich.

Keert de mens zich geheel naar binnen en openbaart hij zijn innerlijk, dan wordt hij LYRISCH. Raakt zijn innerlijk op drift dan begint hij te roepen: clamare.
Zo ontstaat de DECLAMATIE.

De DRAMATICUS
Keert de mens zich naar buiten, heeft hij zijn object tegenover zich, waarmee hij converseert, dan wordt hij tot DRAMATICUS.

Hiermee heb ik geprobeerd iets weer te geven van de stijlverschillen tussen de drie spelen die we thans aan het instuderen zijn. En ik zou toch de voorzichtige, maar diepe hoop willen uitspreken, dat iets hiervan mag doorklinken in de drie groepen die nu aan de slag gaan.

Zou zich nog een volgende keer voordoen, dan zou het belangrijk kunnen zijn om wat dieper in te gaan op de Dionysische mysteriën en de figuur van Dionysos en wat die te maken heeft met Karl Julius Schroer,  de leraar van Rudolf Steiner, die deze spelen aan de vergetelheid ontrukte. Daarover dan hopelijk een volgende keer.

.                                                                                


(Hoewel de naam van de inleider ontbreekt, is het gezien de stijl, vrijwel zeker Wim Veltman geweest)

 

Kerstspelen: alle artikelen
.

239-225

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -verkondiging

.

IETS OVER DE KERSTSPELEN


Nu de tijd waarin vele groeperingen weer kerstspelen gaan opvoeren, nadert, wil ik graag iets naar voren brengen over het z.g. spel van Christi geboorte. Indertijd heeft Rudolf Steiner voor de drie Oberufer Weihnachtsspiele regie-aanwijzingen gegeven. Deze aanwijzingen zijn aan de Nederlandse groep van kerstspelers in het begin van de twintiger jaren overgebracht door J. Stuten.

De toen gegeven aanwijzingen zijn m.i. te splitsen in twee categorieën. Tot de eerste (of liever juist tweede) behoren die, welke betrekking hebben op het brengen van bepaalde scènes, zo, dat ze door een publiek met aandacht en genoegen opgenomen kunnen worden. Ik denk hierbij o.a. aan sommige grapjes uit het herdersspel, die Rudolf Steiner in verschillende groepen van spelers, verschillend voorspeelde. Zulke regievondsten, die dikwijls ontstaan op het moment dat men aan het repeteren is, kunnen tamelijk vrijblijvend gehanteerd worden.

Tot de voornaamste categorie behoren aanwijzingen van een geheel ander soort, namelijk die betrekking hebben op de achtergrond van deze spelen. Zo was ik ver­leden jaar enigszins verbaasd, toen ik merkte, dat er groeperingen zijn (niet alleen in Nederland maar in de hele wereld), die in het ‘geboortespel’ de z.g. Verkondi­ging plaatsen ná de proloog van de engel. Nader hierop ingaande begreep ik al heel gauw waar de oorzaak hiervan te vinden was. In de gedrukte Duitse tekst van de Oberufer Weihnachtspiele is de volgorde in het spel van Christi-geboorte: Sterre-gesanck, proloog van de engel, verkondiging. Daarna volgt dan de dialoog tussen Jozef en Maria.

Ik was ervan overtuigd, dat dit niet goed was. Maar daar ik ten tijde dat de eerste kerstspelopvoeringen hier in Nederland plaats vonden, nog in de peuterleeftijd ver­keerde, meende ik er goed aan te doen mij eerst eens nader hierover te oriënteren en er met iemand over te spreken, die deze ‘begintijd’ iets bewuster meegemaakt had. Mevrouw Thea Onnes van Nijenrode leek mij hiervoor de aangewezen persoon. Omdat ik haar adres kwijt was belde ik Harry Polderman uit Zutphen en kreeg van hem te horen dat zij juist de vorige dag overleden was. Ik legde hem uit, waarover ik haar had willen spreken. Toen vertelde hij mij het volgende: Thea Onnes had in de tijd van hun kerstspelrepetities een keer een repetitie bijgewoond om de pianiste die ziek was, te vervangen. Op die repetitie werd, hoewel nog niet iedereen aanwezig was, toch maar vast begonnen. Na het ‘Sterregesanck’ bleek Maria nog afwezig.

Daarom sprak de engel de proloog vóór de verkondiging. Intussen was Maria ge­arriveerd en werd de verkondiging gespeeld. Na de repetitie vroeg Thea Onnes aan Harry Polderman, enigszins ongerust, of zij altijd in deze volgorde speelden. Op zijn verklarend en ontkennend antwoord vertrok zij gerustgesteld. Hetgeen Polderman mij daar vertelde, was een indirect maar duidelijk antwoord op mijn vraag. Als ik haar zelf gesproken had, zou ik haar verzocht hebben nog eens iets te schrijven over de kerstspelen, zoals zij die in haar jeugd, door Rudolf Steiner geregisseerd, gezien had. Nu zij dit niet meer kan doen, wil ik graag zelf op het volgende wijzen: Voor zover mij bekend, is de ‘verkondiging’ een scène die nog niet bij het eigenlijke spel hoort, een voorspel. Tijdens deze scène is de hele kompany niet op het toneel, terwijl bij alle andere scènes deze steeds zichtbaar ergens op­gesteld is, zoals dat ook bij het Paradijs- en Driekoningenspel het geval is. In de muziekteksten, waar steeds de wachtwoorden aangegeven zijn. waar de liede­ren moeten aansluiten krijgt men na het sterregesanck (in de vertaling van mej. Bruinier):

Toen het woord wierdt vervult
So God verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van naôme Gabriel
tot Nazaret die Stadt
uit lant Galilea
t’eener maecht Maria enz.

In deze vertaalde tekst staat dan: de hele kompany gaat nu af en Maria blijft alleen. Dit lied geeft duidelijk aan, dat nu de verkondiging plaats zal hebben. Na de verkondiging komt de kompany weer op en zingt:

Als Maria jongfrou rein Swanger wierdt bevonden enz.

Dit lied wijst er duidelijk op, dat de verkondiging plaats gehad heeft. Nu pas treedt de engel naar voren en spreekt de proloog. Het eigenlijke spel van Cristi Geboorte is begonnen. Carl Julius Schröer beschrijft dit in zijn boekje ‘Uber die Oberufer Weihnachtsspiele’ net zo. Hij vermeldt er nog bij dat Maria tijdens het voorspel in het wit gekleed is. In dit boekje beschrijft Schröer nog veel meer over de oude gebruiken, die vroeger in Oberufer in zwang waren. Rudolf Steiner heeft ze lang niet allemaal overgenomen; waarschijnlijk omdat veel van deze gebruiken met de omstandigheden van de dorpsherberg in een dorpsgemeenschap te maken hadden. Maar men zou toch wensen, dat hetgeen wel in zijn regie naar voren gebracht is, zoveel mogelijk in stand gehouden zou mogen worden. Een raadsel blijft, hoe het mogelijk is dat in genoemde Duitse tekst, deze volgorde verwisseld is, maar de druk­pers heeft ons wel meer eigenaardige verrassingen bezorgd.

(L. Gerretsen, Mededelingen van de A.V.I.N. nov.1974)
.

Nog iets over de Kerstspelen
Op hetgeen mevrouw L. Gerretsen in het novembernummer van dit blad over de Kerstspelen naar voren heeft gebracht zou ik graag, in zover ik dat vermag, wat nader ingaan. Het was mij uit het hart gesproken ‘dat de regie van Rudolf Steiner inderdaad zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden’. Evenzeer was het ver­helderend er op te wijzen dat naast de vele exacte aanwijzingen – Dr. Steiner heeft indertijd in Dornach elke speler zijn rol geheel en al voorgespeeld! – er toch nog ruimte genoeg blijft voor de grapjes en spontane regievondsten, die mevrouw Ger­retsen terecht in een aparte categorie geplaatst wil zien. Juist uit zulke originele invallen kan blijken, dat er vanuit de ware gemoedsstemming wordt gespeeld. Uit­gedachte, ‘interessante’ novums worden dan direct ontmaskerd, want die verdragen de spelen niet.

De Nederlandse musicus Jan Stuten kreeg van Dr. Steiner in die oertijd de rollen van Adam, Gallus en Herodes te spelen, ook werd hem van het begin af aan de leiding toevertrouwd. Ik heb het voorrecht gehad hem nog jaren lang in de spelen te mogen beleven. Onvergetelijk hoe hij kort voor zijn dood, oud en ziek, plotseling in moest springen en een Adam gaf zo stralend nieuwgeschapen als ik later nooit meer heb meegemaakt.

In deze regie nu, die onveranderd is gebleven, spreekt de engel eerst de begroeting uit en daarna heeft de verkondiging plaats.* Daarom staat dit zo afgedrukt in de pas veel later in boekvorm verschenen tekst, waarin meer aanwijzingen anders zijn dan in het boekje van K. J. Schröer. Volgens deze inmiddels ontstane traditie wordt het in Dornach en elders zo opgevoerd, dat de company zingend binnenkomt – in tegenstelling tot de zwijgend binnentrekkende stoet van het paradijsspel – en zich opstelt vóór het toneel (behalve Jozef en Maria, die hun plaats op de krukjes óp het toneel innemen). Hierop wordt het ‘sterrengesank’ gesproken, waarna de company terzijde gaat zitten mét Jozef en Maria. Terwijl de engel hierop het toneel opgaat voor de begroeting, blijft de sterrenzanger beneden (eveneens in het midden) staan en buigt met alle buigingen van de engel, die hij dus niet zien kan, mee. Na de begroeting nodigt de engel de company uit het toneel op te komen en wordt ‘toen het woord wierdt vervult” gezongen (nr. 2). De engel houdt zich daarna onge­merkt schuil achter de boom, Maria blijft vóór de boom staan en als de company nog zingend het toneel heeft verlaten vindt de verkondiging plaats. Hierbij zijn zeer merkwaardige gebaren voor Maria aangegeven, waaruit blijkt dat zij in deze scène moet staan.

Daarna gaan engel en Maria het toneel af en de company zingt ‘Als Maria jongfrou reyn’ (nr. 3). Direct hierop aansluitend volgt ‘Keyser Augustus’ (nr. 4) wat door de abrupte wisseling in de andere toonaard een sterk effect geeft. Ik zou dit alles hier niet zo uiteen durven zetten als ik slechts op mijn herinnering zou steunen. Toen ik echter in de jaren vijftig zelf in Den Haag met de kerstspelen begon, heb ik mijn licht opgestoken bij iemand, die alle repetities met Rudolf Stei­ner heeft meegemaakt en zijn aanwijzingen toen heeft genoteerd. Dit was de musi­cus Edmund Pracht, die sedertdien 33 jaar lang aan de spelen heeft meegedaan. Zijn ‘boze waard’ was elk jaar weer anders en steeds onovertrefbaar. Hij heeft mij veel gebaren voorgedaan en ik mocht al zijn notities en tekeningetjes overnemen. Hierdoor heb ik gemerkt hoeveel hiervan in de Nederlandse traditie verloren is gegaan, dat veel anders is, is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar en kan zelfs zeer overtuigend werken, maar nu moet ik mijnerzijds vragen: hoe komt het, dat men hier te lande de kribbe meestal vlak voor Maria’s knieën plaatst, die zelf pal en face naar het publiek zit, wat op zichzelf al geen goed toneelbeeld geeft? Hoe licht gaat Maria dan wat krom zitten, vooral tijdens het herdersspel, met die krib vlak voor haar. Ik herinner mij hoe ik zelf in deze regie reeds in 1928 daarmee te kam­pen had, te meer, daar men mij niet had gezegd, dat Maria de handen gekruist voor de borst moet houden (als grondstemming). Hoezeer komt deze edele houding tot zijn recht als men, zoals het in Dornach het geval is, Jozef en Maria aan weers­zijden van de kribbe plaatst – Marias ‘kruksken’ is wat lager dan dat van Jozef! – waardoor de herders ook de mogelijkheid krijgen bij de aanbidding gedrieën achter de kribbe te knielen met het gezicht naar het publiek, beschenen door de goudglans van het strooien dakje boven het kind.

De oorspronkelijke Maria, Emica Mohr-Senft, heeft mij alle gebaren van Maria voorgedaan. Bij de geboorte gaf Rudolf  Steiner een beweging aan alsof zij met de rechterarm voorzichtig iets uit de grond opheft, eigenlijk opschept, wat dan over­gaat in ‘die Gebärde des Kindhaltens’. Van boven af laat de Engel de ster in haar armen schijnen. De prachtige map met gekleurde platen van Assja Turgenjeff, die helaas sinds jaren niet meer te krijgen is, illustreert duidelijk de diverse scènes. Dat Dr. Steiner het voor de huidige tijd nodig vond van de traditie, die Schröer heeft opgetekend, af te wijken blijkt het duidelijkst uit het feit, dat hij de musici niet heeft gevraagd de oude muziek op te zoeken, die trouwens bekend was. In Graz worden de spelen nog jaarlijks van de kerk uit volgens de oorspronkelijke melodieën met het vastgelegde aantal schreden opgevoerd. Dr. Steiner verzocht in­tegendeel Leopold van der Pals om voor deze oude spelen een nieuwe muziek te schrijven. Wie de oude kent weet hoezeer die, mét of zonder versieringen, ons in een bewustzijn lokt dat niet meer het juiste is voor deze tijd.

Hoe gaarne zou ik besluiten met het aanbod aan ieder, die daar belangstelling voor heeft, de notities van Edmund Pracht verder te geven … als ik wist waar het tekst­boekje, waarin ik ze overschreef, is gebleven! Men moge het mij vergeven dat ik van deze gelegenheid gebruik maak om een dringend appèl te doen horen: moge degene, die dit boekje reeds jaren geleden van mij heeft geleend het mij nu direct terugzenden! De betrokkene kan het riskeren: ik zal hem of haar laten leven en nog dankbaar zijn bovendien.

(Johanna Knottenbelt, Mededelingen A.V.I.N., jan. 1975)
.

* Zie ook de reactie van Dr. Lehrs aansluitend aan dit artikel.

Wij ontvingen, eveneens als reactie op het artikel van L. Gerretsen, een schrijven van Dr. E. Lehrs, waaruit we het volgende ontnemen.

Dr. Lehrs zag tijdens R. Steiners leven tweemaal de opvoering van het Kerstpel in Dornach. Hij speelde jaren mee onder de leiding van Karl Schubert, die onder R. Steiners regie in Dornach had meegewerkt. Bovendien heeft Dr. Erich Schwebsch Steiners aanwijzingen de regie van het Kerstspel betreffend overgeschreven (zijn in Stuttgart nog voorhanden). Zonder enige twijfel liet R. Steiner de verkondiging na de proloog van de engel spelen. Dr. Lehrs is van mening dat de reden hiervoor was dat in de huidige tijd de mensen uit het ‘Alltagsempfinden’ eerst geleid moeten wor­den in de spirituele ruimte, waar de spelen pas echt beleefd kunnen worden. De deur die leidde tot de ‘Alltagsraum’ moet, nadat hij is verlaten, eerst gesloten wor­den, dan wordt de deur naar een nieuwe ruimte geopend; de zielen treden binnen in deze nieuwe ruimte door het aanspreken, de begroeting van de engel. Wij zouden het niet verdragen de spelen zo te zien als ze destijds door de boeren gespeeld en gezongen werden.

(de redactie)

 

Kerstspelen: alle artikelen

238-224

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – algemene regie-aanwijzingen

.

Verslag van de bijeenkomst van kerstspelregisseurs op zaterdag 8-9-1979 in de Vrije School te s-Gravenhage.

Op zaterdag 8-9-1979 was er in Den Haag een bijeenkomst voor regisseurs. Dr.Nordlohne, oogarts te Middelburg, maakte de notulen:
(Ik laat ze hier volgen, inclusief onderstaande brief, waaruit het enthousiasme spreekt voor wat er gebeurde).

VLISSINGEN,    22-11 -1979
Waarde regisseurs,
Toen Christof Wiechert op Zaterdag 8-9-1979 vroeg wie er wilde notuleren, zei ik ja, niet vermoedende dat deze notulen zouden uitgroeien tot 26 pagina’s. Omdat in Middelburg tot op heden alleen Paradijsspel en Kerstspel werd uitgevoerd, was het Driekoningenspel voor mij het moeilijkste, want dat heb ik zelf maar één maal, op 10-1-1976 in Den Haag, gezien (en meteen qua regie zoveel mogelijk genotuleerd. Daarom wilde ik, alvorens deze notulen te verzenden, evenals Viligratia eerst de profeten consamaneren daer op ick al hope ende heul had gebout: wie onser sal den eersten syn ? Dat was mej.Gerretsen, die in haar brief van 27-10-1979 mijn vragen bij de getypte notulen beantwoordde: haar antwoorden en tekeningen plakte ik tussen de getypte notulen in (door dit plakwerk zijn de regels in de fotocopie wel eens gaan wiebelen)» Ook Jo Hass kon mij op 16-11-1979 met een aantal vraag­punten helpen, so my treffelyk gevallen doet» In de enkele hoeckskens die noch over en waeren plakte ik Middelburgse foto’s uit 1977. Aan het geheel voegde ik nog toe: artikelen van Walter Johannes Stein (over de Asklepios-Mysterien) en Ernst Bindel (over het getal 144008), een stukje over Crispijn, en een literatuurlijstje. Ik fotocopieerde vervolgens alle 37 pagina’s in dertigvoud (20 cent per foto copie) en verzond ze aan de Vrije Scholen in Nederland (portokosten per enve­loppe ƒ 2,10). Nu rest ons temet geen duyt noch penninc meer. Daarom ben ik zo vrij een vrijwillige bijdrage te vragen van bijv. ƒ 5,00 op mijn giro 671563. U hebt niet om deze notulen gevraagd, dus het moet niet»
Nabestelling is ook mogelijk, maar dan wel voor de kostprijs van ƒ 10,00 per exemplaar» Zelf deze fotocopie fotocopiëren is natuurlijk ook mogelijk. Gaarne ontvang ik aanwijzingen voor verbeteringen, want ik voel dat er nog veel ontbreekt» Hopelijk komt er weer een regisseursbijeenkomst !

Aan de initiatiefnemers:     van herten danck geseyt !
Aan allen:                                  bebouwt het veldt met noeste vlyt !

en goede nagt,

 

Algemene inleiding door Christof Wiechert
Allereerst zal ik U vertellen welke aanleiding er bestond voor het organiseren van deze bijeenkomst.
De Vrije School in Den Haag verkeert in een moderne positie. Het is de oudste school, met de oudste kerstspeltraditie, maar de mensen die de traditie beheerden hebben zich 3 jaar geleden teruggetrokken. Ze hebben hun opvolgers 2 jaar lang welwillend gadegeslagen en één jaar minder welwillend. Wij willen nu de kritiek objectiveren.

De Kerstspelen zijn te vergelijken met de Mattheüs Passion, het is een sacraal gebeuren, het is een stukje mysteriedrama. In het bijzonder voor regisseurs is het versterkend en heilzaam om inzicht te hebben in de achtergronden die Rudolf Steiner heeft gegeven. Het doorzien van het hoe en waarom is belangrijk.

Inleiding door W.F.Veltman
Het is mijn bedoeling verschillende zaken, waarvan de meeste U al bekend zullen zijn, op een rijtje te zetten.
We hebben bij de Kerstspelen met twee dingen te maken:
I. traditie
II. creativiteit

I. traditie.
Die traditie is dubbel:
a)   vroeger tijd: de zeer strenge tradities van de boeren uit Oberufer, met hun regie en taal uit een andere tijd.

Rudolf Steiner vernieuwt de Oberufererspelen, maar een aantal tradities heeft hij behouden en een aantal tradities heeft hij niet behouden. Hij heeft nieuwe dingen gebracht in de regie, de muziek is nieuw gemaakt en daarin zijn wéér tradities ontstaan:

b)   later tijd: de tradities die stammen uit de beginperiode van antroposofische groepen, vrijescholen, toneelspelgroepen. Er zijn toen ook negatieve gewoontes ingeslepen: het weglaten van de traditie is dan traditie geworden.

De vraag kan zijn: mag er aan de traditie dan nooit iets veranderen?

Wat heeft Rudolf Steiner behouden?  De boerentaal!  Hij wilde ook dat de spelers zouden spelen als boeren. Je kunt vaak zien dat dit niet meer gebeurt: God-Vader en Adam spreken met elkaar hoog-Haags of Amsterdams, maar géén boerentaal.

De boerentaal is wat zwaarder, wat meer uit het gemoed, uit de bloedskrachten, bevat meer klanken als aa, oe, oo, au.

Rudolf Steiner: “Methodik und Wesen der Sprachgestaltung
GA 280. blz.42/43:
Nehmen Sie an, die eine Persönlichkeit ist mehr ein Blutmensch, er kommt nicht leicht aus dem Häuschen, ist innerlich gefestigt, ruhig. Die andere ist ein Nervenmensch, kommt leicht aus dem Häuschen, ist aufgeregt, zappelt.
Diejenigen Vokale, die das wiedergeben, was im Blutmenschen lebt, sind a, u, o, au. Bei einer Rede, wo noch andere Vokale sind, muss man ein besonderes Augenmerk auf diese Vokale legen und sie voller klingen lassen. Die Vokale des Nervenmenschen sind i, e. Die i und e kommen den Nerven menschen ganz von selbst auf die Zunge. Bei den Sprachen der verschiedenen Völker kann man auf den Rassencharakter schliessen, je nach dem Überwiegen der einen oder der andern Vokale. Man kann studieren, wie bei ruhigen und in sich gefestigten Menschenvölkern das a und o, bei nervösen das e und i überwiegen.

Stel je eens voor: de ene persoonlijkheid is meer een bloedmens, hij komt niet gemakkelijk uit zijn huisje, is innerlijk sterk, rustig. De andere is een zenuwmens, komt makkelijk uit zijn huisje, is druk, onrustig. De klinkers die weergeven wat er in de bloedmens leeft, zijn a, oe, au .Bij een toespraak waar nog andere klinkers zijn moet men bijzondere aandacht voor deze klinkers hebben en ze voller laten klinken.
De klinkers van de zenuwmens zijn i en e. De i en e komen bij de zenuwmens vanzelf op de tong. Bij de talen van de verschillende volkeren kun je gevoltrekkingen maken over hun rassenkarakter al naar gelang de ene of de andere klinker de overhand heeft. Men kan bestuderen hoe bij rustige en innerlijke sterke mensenvolkeren de a en o, bij nerveuse de e en i overheersen.

1.   Der Ruhige:   Sahst du das Blass an Wang und Mund?
2.   Der Nervöse: Nichts im Gesicht bemerkte ich.
GA 280/42-43
Niet vertaald

Rudolf Steiner speelde alle rollen voor. Een voorbeeld ervan hoe hij dat deed, is te vinden in Assja Turgenieff: “Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum” blz..79.

‘Einmal machte uns Dr. Steiner vor, wie Joseph in einem ähnlichen
Spiel darzustellen wäre. Mit einem Stock unsicher stolpernd, ging er auf der Bühne nach vorne, mit leerem, verlorenem Blick und offenem Mund, dem Gesicht eines Greises – jeglicher Seelenregung bar. Plötz­lich verwickelte er sich in seinen Stock und lag zu unserem Schrecken auf allen vieren auf der Bühne, dann sprang er auf und lachte. «Ja, so muß der Joseph in diesem Spiel sein», sagte er. Es war unglaublich – diese Wandlungsfähigkeit.’

Op een keer speelde Dr.Steiner aan ons voor hoe Jozef neergezet zou kunnen worden. Met een stok, onzeker strompelend, liep hij op het toneel naar voren, met een lege, verloren blik en open mond, het gezicht van een grijsaard –zonder enige zielenbeweging. Plotseling raakte hij verstrikt in zijn stok en lag daar tot onze schrik op handen en voeten op het toneel, dan sprong hij op en lachte. ‘Ja, zo moet Jozef in dit spel zijn’, zei hij. Het was ongelooflijk – dit vermogen zo te veranderen.

In Oudnederlandse gedichten en Engelse balladen is Jozef een sullige figuur. Hij is verloofd en zijn verloofde is al in verwachting, dat is voor een man een wat sullige situatie. Volgens het Mattheüs Evangelie (Matth. 1:19) wilde hij haar zelfs verstoten: ‘Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde open­baarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.’
Dat is, ondanks de heiligheid van Jozef, traditie geworden. Rudolf Steiner liet zien: zó moet je Jozef spelen, als een ouwe sul.

Een ander interessant boekje is “Spuren auf den Weg” van Heinz Müller uit Hamburg (de tweede vrijeschool na Stuttgart). Hij beschrijft de ongelooflijke levendigheid waarmee Rudolf Steiner de rollen voorspeelde. Als hij de Boomdrager speelde, dan zag je aan zijn gezicht al die figuren die hij groette, dus niet alleen de uitge­streken smoel bij de “geestelicke heeren”.

Und nun ging das Grüßen an. Was so ein Bauer durch seine Seele ziehen hat, wenn er Gott Vater grüßt, wenn er sich in tiefer Ehrfurcht vor dem Herrn Christus neigt, oder sich dem heiligen Geist öffnet, wenn er dann schildert, wie Gott Vater einst die Welt geschaffen hat mit allen Bäumen und Blumen, mit allen Tieren auf der Erde, im Wasser und in der Luft, und zuletzt Adam und Eva; das alles wurde lebendig in jedem Wort, das Rudolf Steiner sprach, in jeder Geste, in der demut­voll frommen Haltung und dem gläubigen Blick. In die Augen sprang ein ver­schmitztes Zwinkern beim Grüßen der geistlinga Herrn und der übrigen Obrigkeit, und mit welchem Humor spielte er die kleine Stelle, wo der Teifül am Schwanz gezupft wird, wie schelmisch blitzten da seine Augen, als er so tat, als bliese er einen Büschel schwarzer Wolle aus dessen Schwanz in die Luft. Voller Hingabe packte er jede, auch die kleinste Szene an, und vor allem: niemals hatte man den Eindruck, daß da ein „Gelehrter und Studierter” auf der Bühne stand. So ursprüng­lich konnten selbst die besten Schauspieler in Dornach nicht spielen. Nun, die ganze Dramatik, die sich im Spiel zu entfalten hat, wird in dieser Begrüßung in Worten vorausgenommen. Und es ist das Meisterliche, was der Baumsinger zu schaffen hat, daß er rein durch das Wort, durch Schilderung und Geste alles das lebendig machen muß, was dann später in dem ungeheuer dramatischen Paradeises-Geschehen vor sich geht. Es ist das wohl eine der schwierigsten Rollen, die man sich vorstellen kann. Bei Rudolf Steiner wurde gerade in dem bäuerlichen Spiel das Wort leben­dig; das Wort wurde Geist unter seinem schaffenden, kraftvollen Wirken.

Nu begon het groeten. Wat een boer door zich heen voelt gaan, wanneer hij God-Vader groet, wanneer hij in diepe eerbied voor Christus de Heer buigt of zich openstelt voor de Heilige Geest, wanneer hij dan schetst hoe God-Vader de wereld heeft geschapen met alle bomen en bloemen, met alle dieren op de aarde, in het water en in de lucht en ten slotte Adam en Eva, dat alles werd levend in ieder woord dat Rudolf Steiner sprak, in ieder gebaar, in de deemoedige, vrome houding en de gelovige blik. Met zijn ogen schalks knipperend bij het groeten van de geestelijke heren en de ganse overheid, en hoe humoristisch speelde hij de kleine passage waarin de duivel aan zijn staart wordt getrokken, hoe ondeugend fonkelden zijn ogen wanneer hij dat deed, alsof hij een plukje zwarte wol uit zijn staart de lucht in blies. Vol overgave deed hij iedere, ook de kleinste scène en bovendien: nooit kreeg men de indruk dat daar een ‚geleerde en gestudeerde op het toneel stond. Zo origineel konden zelfs de beste toneelspelers in Dornach niet acteren. Op heel de dramatiek die in het spel tot uiting moet komen, wordt in deze begroeting in de woorden geanticipeerd. En het is meesterlijk wat de boompjesdrager te bewerkstelligen heeft, dat hij louter door het woord, door het schetsen en gebaren alles levend moet maken, wat dan later in de buitengewone dramatiek zich voltrekt in het Paradijs.
Het is wellicht één van de moeilijkste rollen die men zich kan voorstellen. Bij Rudolf Steiner werd juist in het  boerse spel het woord levend; het woord werd geest onder zijn scheppend, krachtvol werken.

Taal

Mej.Bruinier (1875-1951) vertaalde niet in dialect, en niet in Middelnederlands. Men denkt wel vaak dat zij vertaalde in Middelnederlands, maar dat is een misvat­ting, zij heeft dit met opzet niet gedaan. Zij heeft zo vertaald, dat zij woorden heeft genomen uit de gehele Nederlandse taalontwikkeling, dus ook uit de Vondeltijd, uit het Middelnederlands, en bv. “hartstikkedonker” uit de moderne tijd.
Deze vertaling is naar mijn gevoel meesterlijk: de eenvoud, kracht, vroomheid is er in gebleven.
(Het stukje in het Mededelingenblad van januari 1979, waarin de heer L.  een vertaling in modern Nederlands voorstond, kunnen we maar beter dood­zwijgen. Zó ver is het dus al gekomen met de degeneratie van het taalgevoel.

Als wij de rollen willen spelen als een boerenmeisje dat Maria speelt of als een boer die God-Vader speelt, dan moeten wij een dubbele metamorfose ondergaan. Ik geloof dat het beter is niet ieder jaar de rollen te wisselen. Men moet de spelers jarenlang gelegenheid geven zich met die ene rol te vereenzelvigen. Dat gebeurt bij de Passiespelen in Oberammergau en Tegelen ook. Het gaat dus niet om het therapeutisch uitgangspunt voor de spelers, maar om het kunstzinnig uitgangs­punt: hoe krijg je het spel het beste over het voetlicht. Ik speelde jaren achtereen Adam, en daar ben ik dankbaar voor, dat ik me zodoende diep kon verbinden met deze rol. Het lijkt mij dus goed een rol bijv 4- 5 jaar minstens te behouden, misschien méér (en dan zou ik zeggen 7 jaar…).

Muziek

Merkwaardig is dat Rudolf Steiner wel degelijk een andere muziek wilde. Er zijn (andere) vrijescholen die nu weer de oude muziek gebruiken. Interessant is, als je daar objectief naar luistert, dan hoor je: die oude muziek is voorbij, die heeft een andere taak. De muziek uit de 16e eeuw met Gregoriaanse toonreeksen en toonkleuren heeft een veel meer dienend karakter, spreekt de moderne mens in dien zin niet meer aan. Mij lijkt de muziek van Leopold van der Pals (1884-1966) helemaal in de roos. Men kan daarover natuurlijk van mening verschillen, maar Rudolf Steiner heeft de muziekopdracht gegeven, en daarna deze muziek als bruikbaar aanvaard.

ll Creativiteit»
De andere pool is de vernieuwing.
a) Spirituele achtergrond.
De cyclus ‘Die Geheimnisse der biblischen Schöpfungsgeschichte’ GA 122 (vertaald) of het boek van Emil Bock “Urgeschichte” heb je nodig om het Paradijsspel te begrijpen. Ook moet je weten van het oude Lemurië, anders begrijp je bepaalde regie-aanwijzingen niet: die vergeet je, die verdwijnen als je niet weet wat de ongelooflijke diepte erachter is. Wat is dat voor gebeuren daar in de stal, daar in de grot van Bethlehem, dat nachtgebeuren, de geboorte van de Genezer. Dat is allemaal mysterie-inhoud. Als regisseur moet je dat echt goed kennen, en zo nu en dan de spelers erover kunnen vertellen. Want door de antroposopie konden deze spelen in deze vorm gebracht en behouden blijven. De oude boeren van Oberufer vonden aan onze manier niets. Enkele voorbeelden van een spiritueel gezichtspunt zijn:

1. Bij het begin van het Paradijsspel is de volgorde der spelers: Boomdrager, Engel, God-Vader, Adam, Eva, Duivel, maar aan het einde, als de ketting valt, en de Duivel op zijn buik is neergevallen, en God-Vader bevestigt dat Adam “wanneer hy syne handen heft en leeve in alle eeuwicheidt”, dan is bij nr. 9 “O heilighe drievuldigheydt’ de volgorde der spelers als volgt: Boomdrager, Engel, God-Vader, Eva, Adam, Duivel. Waarom is dat ?

Eva bijt in de appel, en er gebeurt niets. Pas als Adam bijt, gebeurt er wat: dát is het meest dramatische hoogtepunt van het stuk. In de mens is alleen het mannelijk element aangetast, het vrouwelijk aspect blijft méér met God verbonden. Zo’n geweldige waarheid wordt in de volgorde tot uiting gebracht, zó simpel.

2. In het Herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a. de driehoek en het vierkant als tekens gehangen. De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.

3.In het Paradijsspel worden de gebaren van God-Vader nagebootst door Adam. God-Vader maakt grote gebaren, Adam maakt wat kleinere gebaren. Adam bootst na, zoals het kleine kind nog leeft in de nabootsing. Dit is technisch niet zo eenvoudig, want Adam mag niet omkijken: hij moet het dus óf afspreken óf aanvoelen. Het is een zeer amateuristisch trekje als Adam op de uitvoering andere gebaren maakt dan op de repetitie. Bij het beroepstoneel staat daar een zware boete op, maar dat is bij ons nog niet ingevoerd, tot mijn spijt.
Dat nabootsen herhaalt zich als Adam en Eva tesamen in het Paradijs lopen (“Hoe liefelyck, Eva, op deuse wys met U te wonen int paradys”): de gebaren van Eva zijn dan nog wat lichter, nog wat intiemer. Als je dit allemaal weglaat, gaat de fine fleur er af.

4. In het Paradijsspel wordt bij het lopen in het Paradijs door het elkaar de hand geven in al zijn simpelheid uitgedrukt dat Adam en Eva één zijn: man-vrouw, hermafrodiet. Als de Duivel zegt: “Adam, proeft van het sap soo ryck,
Soo wort ghy aen u god gelyck,” dan drijft hij ze uit elkaar, en benadert hij alleen Eva:
“Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartenlust
en gheeft ervan aen Adam oock”.

b) Spiritualiteit van het theatergebeuren als zodanig. Deze uit zich in spraak, gebaar, plaats in de ruimte
1.Plaats in de ruimte.
In het Paradijsspel staat de boom midden op het toneel.
Opmerking van Ruud Gersons: in Stuttgart links achter op het toneel.
Antwoord van Veltman: dat is dan het Stuttgarter systeem, daar heeft de Antroposofische Vereniging al veel onder te lijden gehad (!)

Het publiek is geplaatst tegenover het toneelgebeuren, er ontstaat een wissel­werking, de naturalistische ruimte wordt een zielenruimte waarin we te maken hebben met fantasie, droom, imaginatie.

Op het toneel hebben voor en achter, links en rechts zeer verschillende kwaliteiten. Je moet weten hoe deze dingen werken.

Toneelwetmatigheden.
Zodra het gordijn open is, kijk je in een zielenruimte.
De betekenis van de plaats kun je experimenteel vaststellen.
Alles wat je op de voorgrond plaatst is realistisch, individueel, persoonlijk, buiten de manteau in het bijzonder. Op de voorgrond zie je bijv. een koning in zijn eenzaamheid, subjectief. De boze waard komt van links naar de voorgrond.

Als Eva zegt ‘Wee ons, die arme vrouwen’, doet ze één klein stapje vooruit.

Als Maria zegt “Erbarmen mooch hem den rycken god”, doet ze één klein stapje vooruit.

(Mej.Gerretsen: het volgende staat in de “Dramatischer Kurs”, GA 282)
Op de voorgrond moet lyrisch gesproken worden, in de vocalen.
Op de achtergrond spreekt men bijv. een recitatief.

Op de achtergrond komt een boodschapper met een bericht, een objectief verhaal, of een hogere macht, bijv. een Engel. Een Engel op de voorgrond is eigenlijk niet goed, en bij Bruning lachen ze dan ook nog omdat het een man is. ‘k Treet voor uluyden sonder spot”, maar met een spotlight op zich.

Bij de geboortescène: Maria en Jozef, ezel en os, blauwig licht in de vriesnacht, een piepjonge Maria (ze was immers nog maar 14 jaar) en die ouwe sul er achteraan, worden door de Kerstboom in het midden wat naar voren gebracht. Op de achtergrond: vierschaar, natuurgeweld.

De monoloog van Hamlet “to be or not to be” achteraan lijkt een verkondiging.
Als Lady Macbeth opkomt —brief — heks —complot — persoonlijke eerzucht, is dat op de voorgrond.  Als zij boze geesten oproept, doet zij dat op de achtergrond.
Eén van de interessantste problemen is het verschil tussen links en rechts: voor het innerlijk beleven is dat niet hetzelfde.

Bij rechts op het toneel wordt het linker oog het eerste actief. Bij links op het toneel wordt het rechter oog het eerste actief.
Het linker oog is meer op het gevoelskarakter van de dingen gericht, het rechter oog meer op het nuchtere, verstandelijke, zakelijke. Daar moet je de regie op afstellen. Het kan soms allebei goed zijn, dan leg je alleen accenten.

Het stalletje staat in Dornach links (tegenwoordig in het midden), in Den Haag rechts. De plaats van de troon van God-Vader is gevoelsmatig.

In Dornach was, vanuit de zaal gezien, links op het toneel, het noorden. Volgens van Bemmelen heeft de zuidsfeer een oude-maankarakter, een Lemurisch karakter, terwijl de kerststal voor de Zonneheld juist links staat, in het noorden.

De driehoek van de herders moet steeds met de punt naar achter toe. Opmerking van Wijnand Mees : vanuit de euritmie: dat geeft een vrolijke indruk. met de punt naar voren geeft een tragische stemming.

2. Gebaren
De 6 grondgebaren zijn te vinden in de “Dramatischer Kurs” GA 282. (niet vertaald)
Het Nederlands volk is arm aan gebaren, bij het Italiaanse volk zijn ze indrukwekkend. Bij de gebaren moet men het intellectualistische overwinnen.
Men (niet U!) zegt wel: zo klungelig mogelijk, dan is het juist erg mooi, juist zo aandoenlijk. Daar kan men op antwoorden: waarom zing je dan niet knettervals ? Ja, zegt men dan, van muziek en zang moet je verstand hebben. Maar van toneel ook !! Het kunstzinnige moet gehoorzamen aan wetten die in dat gebied heersen. Men zegt wel: als we alleen maar heel vroom aan het Kerstkindje denken, komt het wel goed. Maar dat is lariekoek.

We moeten overwinnen het intellectualistische dat in ons allemaal zit. Dat zie je aan verschillende fenomenen.

Is de hoofdpool te sterk geworden ten koste van de ademhaling, dan heeft de stem bij spreken en zingen geen volume, het spreken blijft in de kop steken. En de gebaren kan men niet aanhouden en niet afmaken, en beide moet men kunnen op het toneel. Ik denk aan de schoolmeesters, altijd met die verdomde vinger, ook in hun spreken. Dat is dat vogelachtige, dat zenuwachtige. Ga eens met beide voeten breed en stevig staan en maak dan een gebaar vanuit je Stiermens of je Leeuwmens.

Vragenbeantwoording door W.F.Veltman
Vraag: wat gebeurt er in het Paradijsspel na het boomdragen ? Antwoord: de spelers staan in een halve boog.

Vraag: waar blijven de andere spelers als de Engel optreedt ? Antwoord:

 regie-aanwijzingen driekoningenspel10

Vraag: hoe is de belichting in het Paradijsspel?
Antwoord: de belichting is erg belangrijk. Stylering ontstaat door costuums en belichting.

Het begint vol “heerlyckheyt”: goudstralend. Volgens een “Angabe” zijn de hoofdkleuren van het: Paradijsspel: rood en wit, met een rood achterdoek (appels) maar ook roodachtig-goud.
Kerstspel: blauw en wit, met een blauw achterdoek maar ook iets mengen met rood.
Driek.spel: geel en wit, met een wit achterdoek.

belichting

Bij een geestelijke invloed op het toneel wordt meer rood gegeven, bijv. als Maria langs Herodes gaat. De Herodesscène zelf is in geel licht. Rudolf Steiner had niets tegen het gebruik van schijnwerpers. De ommegangen zijn met de zaallichten aan.
Je moet altijd zorgen dat je spelers door het licht “eruit”komen: de figuren “los” maken met spots.
Ook altijd denken aan de complementaire kleuren: een groene koning wordt in rood licht-zwart.
De richting van het licht is ook belangrijk: te veel onderlicht is spookachtig. Het voetlicht moet slechts een lichte helling hebben.

Vraag: over het schminken.

Antwoord: Rudolf Steiner zelf was erop uit om bij het schminken de mens echt een heel andere kop te geven in tegenstelling tot het schminken bij het moderne toneel, waarin het naturalisme hoogtij viert. Karl Schubert als Boomdrager werd door Rudolf Steiner geschminkt, en zei later: die kop zou ik mijn hele leven hebben willen houden. Van schminken moet je wel een beetje verstand hebben: je moet weten hoe het werkt, het hangt ook erg van de belichting af. In rood licht worden donkere partijen zwart.

Vraag: over de Duivel.
Antwoord: In het Paradijsspel is de duivel: Lucifer: rode pruik.
In het Driek.spel   is de duivel: Ahriman: zwart, met zwarte kap, de oren zijn niet zichtbaar.
Lucifer: wijkend vanuit de neus naar de oren.
Ahriman: samentrekkend tussen de ogen .
zie ‘die Gruppe’ in Dornach                     

Vraag: over de leeftijden der toeschouwers. Antwoord: Kerstspel: alle leeftijden.
Paradijsspel: 1e klas en hoger, onherroepelijk. Het getuigt van een onpaedagogische sentimentaliteit te menen dat “kleutertjes” dat niet kunnen hebben. Je moet ze alleen niet op de eerste rij zetten, en een klein beetje het dramatische terughouden. Juist zulke beelden werken sterk op de moraliteit. Driekoningenspel: 3e klas en hoger.

Vraag: over de tocht van de herders naar Bethlehem.
Antwoord: bij de rondgang van de herders in het ”hardstickedoncker”, blijven ze in Den Haag op het toneel !

Opmerking van Christof Wiechert:
De ommegangen in het Paradijsspel zijn tegen de klok in.
De ommegangen in het Kerstspel zijn met de klok mee.       

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

95-92

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -Crispijn

.

CRISPIJN
Crispijn, de vierde herder in het kerstspel, is blijkbaar een moeilijk te begrijpen figuur. Ik* ontmoette, in voor mij chronologische volgorde, de volgende opvattingen:

K.J.Schroer(1858) [1]

Es folgt die schöne Szene der Opferung und am Schluß das Auftreten eines vierten Hirten, der in seinem ganzen Wesen etwas rätselhaft ist, wenn auch schon in der Legende die Hir­ten einmal drei, einmal vier sind. Vielleicht stellt er nichts andres dar als den törichten Hirten, der, für die hehre Er­scheinung unempfänglich, nichts geträumt noch gesehen hat. Crispus kömmt in einem Schafpelz, den er umgekehrt mit der rauhen Seite nach außen um hat, ebenso ist seine mit Schaf­pelz gefütterte Mütze umgekehrt. Er geht immer gebückt und sucht sich im Pelz ganz zu verkriechen. Also eine vermummte Rauhnachtgestalt. (Merkwürdig ist, daß das Rauhe auch im lateinischen Namen schon angekündigt ist; etwa ein männ­licher Allerleirauh?) In verschiedenen Gegenden Ungarns kommen am Heiligen Abend Hirten singend in die Häuser, vier, fünf und mehr. Einer unter ihnen hat einen Strohgürtel um und unterscheidet sich durch schlechte Kleider. Der legt sich auf den Boden und wird von den andern mit den Hirten-Stäben wie mit Hebeln aufgehoben. Er heißt Kubo. Ist das unser Crispus? Ist es der Wintergott, der auf die Beine kommt?

Na de mooie scene van de aanbidding komt  op het einde nog een vierde herder op, die naar zijn hele wezen wat raadselachtig is, ook al zijn in de legende de herders wel met z’n 3-en of 4-en. Misschien stelt hij niets anders voor  dan een onnozele herder, die voor de indrukwekkende verschijnselen niet open stond, niets gedroomd, noch gezien heeft. Crispijn komt op in een schapenvacht, die hij omgekeerd, met de ruwe kant naar buiten draagt, net als zijn met schapenvacht gevoerde muts die ook binnenstebuiten zit. Hij loopt steeds krom en probeert zich helemaal in zijn vacht te verstoppen. Dus een vermomde figuur tijdens de 12 heilige nachten optredend  (Rauhnachtgestalt)
(Merkwaardig is, dat het ruige ook in de Latijnse naam al aangekondigd wordt; iets als een mannelijke Allerleirauh=Bontepels.
In verschillende streken van Hongarije komen op de heilige avond herders zingend de huizen binnen, vier, vijf en meer. Een van hen heeft een strogordel om en onderscheidt zich door zijn slechte kleding.
Hij gaat op de grond liggen en wordt door de anderen met de herdersstaven als hefbomen opgetild. Hij heet Kubo. Is dat onze Crispijn? Is het de wintergod die overeind komt?

Figur 8 ** ist der Hirtenknecht Crispus, der ganz vermummt und in Pelz gehüllt, gebückt einhergeht, wahrscheinlich ein Repräsentant der rohen, ungläubigen Heiden. Ein Hirt mit dem «Zippelpelz» kommt auch in andern Weihnachtspielen (selbst bei Slawen als «Kubo») vor. Die mit der Krippe um Weihnachten herumziehenden Hirten in der Slowakei zeigen dem «Kubo» die Krippe und fragen, ob er glauben will; er weigert sich und wird dafür geschlagen. In deutschen Weih­nachtspielen kommt zuweilen ein harthöriger oder törichter Hirte vor, der dasselbe zu bedeuten haben wird. Meine Weih­nachtspiele dürften diesen Zug für die ältesten Zeiten be­urkunden. Sonst erinnert der Zippelpelzträger (namentlich durch seinen Strohgürtel, den er oft vorschriftmäßig trägt) an den Wintergott, wie er in volkstümlichen Darstellungen des Kampfes zwischen Sommer und Winter dargestellt wird.

Figuur 8** is de herdersknecht Crispijn die helemaal vermomd in zijn pels gehuld, gebukt rondgaat, waarschijnlijk een represantant van de ruwe, ongelovige heiden. Een herder met de ‘Zippelpelz’=Zipfelpelz =de ‘jas’ van schapenvacht met slippen, komt ook in andere kerstspelen (ook in het Slavisch)  als ‘Kubo’ voor. De met de kribbe tegen kerst rondtrekkende herders in Slowakije laten aan ‘Kubo’ de krib zien en vragen of hij wil geloven; hij weigert en wordt daarom geslagen. In Duitse kerstspelen komt soms een dove en dwaze herder voor, die dezelfde betekenis zou hebben. Mijn kerstspelen kunnen deze trek voor de oudste tijden met oorkonden staven. Anderszins herinnert de drager van de schapenvacht (namelijk door zijn strogordel die hij dikwijls overeenkomstig de voorschriften draagt) ons aan de wintergod, zoals hij in volkse voorstellingen de strijd tussen zomer en winter verbeeldt.

Ir J.van Wettum, in brieven aan mij* dd 24-12-1977 en 14-2-1978:
Ik heb al enige keren tegen de spelers gezegd, dat ik meen, dat Chrispijn sterk verbonden is, ja, min of meer representeert wat men mag noemen “de groepsziel” van die oude herders, in hun natuurverbondenheid en daardoor oude wijsheid.
In de opbouw van dit kerstspel is toch te beleven hoe dit slot op de (toenmalige?) toehoorders en toeschouwers moet werken als die slotzinnen, die drie maal in de “Grondsteenspreuk” aan het eind van elk derde deel klinken: “Das hören die Elementargeister in Ost, West, Nord,Süd: Menschen mögen es horen”.
Chrispijn heeft “beleefd” wat er gebeurd is, maar op die atavistische wijze. Hoe komt de mens tot een persoonlijk beleven? Vandaar de vraag: “Hoe veer ist wel?” en het antwoord: “Tot gher bent!”

Rudolf Steiner heeft eens gezegd, dat die boeren, die deze oude spelen gezien hadden, naar huis gingen met de min of meer bewuste vraag: “Bin ich ein Wirt oder bin ich ein Hirt?” (ben ik een waard of ben ik een herder)  Zou niet een nog diepere vraag bij het beleven van deze spelen opgeroepen worden, ongeveer zo: “Hoe lang is de weg tot ik de ontmoeting met dit goddelijke kind mag hebben?” In woorden gebracht: “Hoe veer ist wel?” En is dan niet het enige ant­woord: dat hangt van je zelf af, hoe veel je er aan doet, de eigen inspanning, de heilige wil, enz.enz., samengevat in het simpele antwoord: “tot gher bent!”
Door dergelijke overwegingen krijgt deze slotfase van het Kerstspel zo’n duidelijke zin en betekenis. En dan is het pijnlijk, dat er min of meer een parodie van gemaakt wordt, die afbreuk doet aan de gaafheid van dit spel.’

Wat Chrispijn betreft, daar schreef je zelf al het antwoord. Ik drukte het wel eens zo uit, dat hij nog zo verbonden is met de “herders-groepziel”, misschien beter
een­voudig gezegd: nog een meer atavistische verbondenheid met de geestelijke werkelijk­heid heeft, dat hij daardoor inderdaad in de wereld van de “omkeringen” leeft. Voor de moderne mens is hij simpel. Zelfs het Nathanische Jezuskind zou voor moderne be­grippen een achterlijk kind geweest zijn, zegt Rudolf Steiner. Hij leeft nog zo sterk in die andere wereld, dat hij “doof” is voor de woorden hier, althans hardhorend. Die pelsvacht is voor hem toch de bescherming tegen alle ongemakken van de aardse omstandigheden. En zo is er meer.

Elise Schulz, Haussmannstrasse 44, Freie Waldorfschule, Uhlandshöhe, 1) 7000 Stuttgart-1, in een brief aan mij* dd 31-8-1978:

‘Mir ist es sehr interessant, was Sie von Herrn van Wettum schreiben, wie er den Crispus auffaszt»
Ich erlebe den Crispus als eine Gestalt, die zu spät kommt, im rechten Augen­blick nicht f,zur Stelle war”, auch für eine Gabe nicht vorbereitet war, der Vierte» Drei kamen zur rechten Zeit» Es sind auch drei Könige, die hellen, erleuchteten; der vierte Konig Herodes, der Finstere» In Goethes Märchen sind es auch Drei und der Vierte zusammengesetzt» Im Mysterienspiel sah ich auch eine Entsprechung im Retardus» In der Tempelszene sinkt er in sich zusammen.
Crispus schüttelt immer den Kopf, noch beim Gesang; er kann das grosze Geschehen nicht fassen» Die Frage: “ís es wait dohin?”, Antwort: “Bis d’hikummst” besagt schon: “es hangt von dir selber ab”» Diese Schluszszene gibt ein Bild: wieviel von Crispus hat jeder in sich?

Ob Sie mit meiner Antwort einverstanden sind?

Voor mij is het erg interessant wat U over de Heer van Wettum schrijft, hoe hij Crispijn opvat.
Ik beleef Crispijn als een figuur die te laat komt, op het juiste ogenblik niet ‘ter plekke was‘ ook niet voorbereid op een geschenk, de vierde. Drie kwamen er op tijd. Er zijn ook drie koningen, de helderen van geest, de verlichten; de vierde koning Herodes, de duistere. In Goethes sprookje [2] zijn er ook 3 en de 4e. In het mysteriedrama [3]  zag ik iets overeenkomstig bij Retardus. In de tempelscene stort hij in.

Crispijn schudt steeds het hoofd, ook nog bij het zingen; hij kan de grote gebeurtenis niet vatten. De vraag: ‘Hoe veer ist ’t wel?‘, antwoord: ‘tot gh’er bent‘ laat het zien: het hangt van jou zelf af. Deze slotscene geeft een beeld: hoeveel van Crispijn heeft ieder van ons in zich.
(Of U het met mijn antwoord eens bent?)’

W.F.Veltman zei in de regisseursbijeenkomst in Den Haag op 8-9-1979:
In het herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a  de  driehoek  en het   vierkant als tekens gehangen» De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.
Crispijn wordt dus achtereenvolgens gezien als Wintergod, herdersgroepziel, de slechte die te laat komt, en het jonge Ik»

Aan de heer van Wettum had ik geschreven over het feit dat bij Crispijn alles omgekeerd is: binnen en buiten, groot en klein. Dit deed mij denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de geestelijke wereld en over de droom. Ook daarin is veel omgekeerd. Het getal 123 in de geestelijke wereld wordt 321 in de fysieke wereld; jonge kinderen schrijven nog vaak spiegelbeeldletters. Verscheurende dieren die ons in de droom aan­vallen, zijn imaginaties van driften die van ons uitgaan. Enzovoort. Dat Crispijn dus ‘iets’ in de geestelijke wereld representeert, is voor mij zeker. Zijn gebogen houding, ja, eigenlijk zijn opgerolde houding, doet mij denken aan de houding van het jonge embryo die hij nog niet of nauwelijks heeft afgelegd. Hij is, in die ziens­wijze, nog maar zonet geboren, dat hij nog niet goed kan verstaan (dubbele betekenis !) wat er gezegd wordt. Hij is dus niet doof uit ouderdom. Hij herhaalt de woorden ‘kindeken, eselken’ enz. als het ware nog uit een kortdurende nabootsingsdrang.
De drie Herders geven, uit de natuur, geschenken zoals W.J.Stein die beschreef voor de Asklepios-Mysterien» Crispijn geeft echt iets van zich zelf. Onze vice-voorzitter dr. J.van Dam bracht dit in een gesprek met mij als volgt tot uitdrukking: de slip van de pelsjas is een door ontwikkeling zelf verworven, omgewerkt deel van het astraallichaam dat door het Ik geschonken wordt aan de Christus» Hij zag hier een samenhang met de sage van het Gulden Vlies. Het zoeken naar het Gulden Vlies heeft de betekenis van het zoeken naar de oorspronkelijk zuiver gouden “Flusz” van het astraallichaam van vóór de verduistering tengevolge van de afdaling van de mens (Rudolf Steiner: “Ägyptische Mythen und Mysterien”, GA 106)» Tot zover dr. J.van Dam»

Het is wel merkwaardig dat het artikel van Walter Johannes Stein “Die Mysterien der Asklepios” ook uitmondt in de sage van het Gulden Vlies»

‘So kann es uns nicht verwundern wenn von Asklepios die griechische Sage berichtet, er sei beteiligt gewesen an dem Zuge der Argonauten, er sei mit hinübergezogen an das schwarze Meer um nach Besiegung des Drachens das goldene Fliess zu holen.’
Zo hoeft het ons niet te verbazen dat wanneer er van Asklepios sprake is de Griekse sage dan verhaalt dat hij deelgenomen heeft aan de reizen van de Argonauten, dat hij meegetrokken is naar de Zwarte Zee om het gulden vlies te halen na de overwinning op de draak.

Het is niet onmogelijk dat al deze zienswijzen waarheden op verschillend niveau bevatten die tot een groter geheel kunnen worden samengevat. Wie kan het ?

*Dr.Nordlohne 
**[1] foto t.o. titelblad: figuur beneden uiterst rechts

kompanij

[1] Karl Julius Schröer Über die Oberuferer Weihnachtsspiele.
1963 Verlag Freies Geistesleben
[2] J.W. von Goethe Het sprookje van de groene slang en de schone lelie
[3] Rudolf Steiner Mysteriedrama’s
.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel

75-72

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.