Tagarchief: Melchior

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

 

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld tenminste één van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Pearadijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam-en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met  ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote te,genstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’,
‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze strerven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

 

 

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22

926

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.
Klaus Hünig, Leherrundbrief dec. 1996

.

GATTERCOMPAS
.

Een aantal taalkundig-astronomische opmerkingen bij het Oberuferer driekoningenspel.

In de eerste zinnen die koning Melchior spreekt in het begin van het driekoningenspel uit Oberufer, komen o.a. de woorden ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’ voor.
Uit de vragen van collega’s weet ik dat er onzekerheid bestaat over wat daarmee wordt bedoeld. De volgende bijdrage is een poging hierin wat helderheid te verschaffen.

Allereerst helpt een blik in het boek van Helmut Sembdner, ‘De Oberuferer kerstspelen’ [1]. Hierin wordt de tekst van Schröer met andere, nauw verwante teksten bekeken wat veel verrassende ophelderingen over onleesbare stukken tekst oplevert, niet alleen voor het driekoningenspel. Rudolf Steiner zei bij zijn laatste begroetingstoespraak bij de opvoeringen in Dornach, dat hij de tekst van Schröer had willen bewerken om de echte bewoordingen weer in ere te herstellen, waaraan hij echter niet meer toekwam. [2]
Het is nu de verantwoording van iedere ‘kompanij’ om, waar in de loop der eeuwen de mondelinge traditie onbegrijpelijke tekst tot gevolg had – die al in de tijd van Schröer door de boeren uit Oberufer niet meer begrepen werd, tekstveranderingen door te voeren of ook niet.

Voor het nodige inzicht biedt het boek van Sembdner een solide basis.

Wat Schröer zegt, klinkt bij Sembdner zo:

Mein gatter compas und alle instrument
bring her du pagi jetz und behend
des himels gloria auch nit vergiss
es scheint ein stern der nie gewesen ist:
wie Venus mit der sonnen sich consamaniert
auch etwas anders ist vor mir:….
[door Schröer veranderd in:
äuget was anders sich itzt vor mir….]
(cursief en vet door de schrijver)

De vertaling van mevrouw Bruinier luidt:

Myn gattercompas end instrumenten goet,
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
der heemlen gloria reickt boven dien
gins blinckt een star ao noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staot iet veurt oogh als nimmer te veuren:

Nu bestaat er een in 1693 waarschijnlijk in Pressburg gedrukte tekst van een kerstspel, die op veel plaatsen bijna letterlijk hetzelfde is als de tekst van het Oberuferer herders- en driekoningenspel en dat hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel heeft met de traditionele mondeling overgeleverde en geschreven spelen. [3]
Daarin luidt de betreffende passage:

Mein Quadrant/Compass und all Instrument/
Bring her du Bashi jetzo behend/
Des Himmels Globi auch nit vergiss/
Es scheint ein Stirn so niegewiss/
Wie Venus mit der Sonn sich conjungiret/
Darneben etwas anders doch ist formiret/….

Met de woorden ‘gatter, compas en ‘hemel-gloria’ wil Melchior een aantal astronomische instrumenten hebben, die in de tijd voor de ontdekking van de telescoop in de 17e eeuw. dus vóór Galileï en Kepler, tot de standaarduitrusting van een astronoom (of astroloog – dat was toch nog één) behoorden en hij gebruikt een paar namen uit het Latijn stammende vakjargon: (conju[n]giren: van planeten: een conjunctie hebben, d.w.z. dicht bij elkaar staan en formiren: vormen.

Hoe kwam nu ‘gatter’ uit ‘kwadrant’ en uit ‘Himmels Globi’ de ‘heemlen gloria’? Dat is gemakkelijk te verklaren: wat een kwadrant (Latijn voor quadrare, in vieren delen, vierhoekig maken) en wat Globi (meervoud voor het Latijnse globus, bollen) waren, wisten de boeren uit Oberufer niet, alleen al omdat ze in de regel geen Latijn kenden. Wel kenden ze het woord ‘gatter’ en ‘gloria’ was hun uit de godsdienst wel vertrouwd. Zo pasten ze de hun onbekende woorden aan, aan daarop lijkende woorden die wél vertrouwd klonken  en die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Zulke aanpassingen die met het begrip volksetymologie worden beschreven, komen in bijna alle talen voor. Het is buitengewoon stimulerend ze te onderzoeken.

Wat was er nu met de genoemde apparaten? Waarvoor dienden ze en hoe zagen ze eruit?

kwadrant in 2 andere standen

Een kwadrant is, zoals zijn Latijnse naam al zegt, een kwart van een cirkel, in de praktische uitvoering meestal een  kwart cirkelschijf. Op het gebogen deel – dus op het kwart van de cirkelomtrek – bevindt zich een getallenschaal van 0 tot 90 en in het middelpunt van de cirkel een draad met een gewicht, een schietlood dus, of een arm die kan draaien, de alhidade: vizierlineaal (een woord uit het Arabisch, zoals zo veel astronomische begrippen)

Met het loodkwadrant wordt zo gemeten: wanneer langs één van de beide rechte kanten van het kwadrant – dus langs de straal van de cirkel – een punt tussen horizon en zenit gepeild wordt, geeft het loodrecht naar beneden hangende schietlood op de schaal de hoogtehoek aan, d.w.z. de hoek die de straal van de blikrichting naar de horizon en die naar het ruimtepunt met elkaar vormen. Wanneer dat punt op de horizon ligt, is de hoek 0′, ligt deze in het zenit, dan is hij 90′. Met het loodkwadrant wordt dus de hoek gemeten die een ster maakt met de horizon.

De kwadrant met de vizierarm kan onafhankelijk van de horizon gebruikt worden, bv. om de hoek tussen 2 sterren te meten. Daarbij wordt tegelijkertijd gepeild langs de vizierarm en langs de zijde van het kwadrant, waartoe het apparaat in de regel vrij draaibaar op een standaard gemonteerd is en de meting door twee waarnemers tegelijk uitgevoerd kan worden. In plaats van een kwadrant heeft men ook dikwijls de handzamere sextant gebruikt die precies zo geconstrueerd is, maar als basis een zesde van een cirkel heeft (niet te verwarren met de pas in de 18e eeuw uitgevonden en tegenwoordig nog gebruikte spiegelsextant).

Het is niet zo moeilijk om met behulp van een passer, gradenboog en liniaal uit karton of triplex een kleine loodkwadrant te maken. Een zevendeklasser zou hiertoe eigenlijk de gelegenheid moeten krijgen in de geschiedenis- of meetkundeperiode. Kwadranten waren in het tijdperk van de veroveringen onontbeerlijk voor de navigatie..

driekoningenspel gatter

Met een kompas – in de zin van een oud astronomisch apparaat – wordt niet, zoals men zou kunnen denken, een magneetkompas, maar een passer bedoeld. In het Engels is het duidelijk: passer is in die taal: a pair of compasses. Waar deze bij gebruikt werd, wordt pas duidelijk wanneer je de Himmels Globi, dus de hemelgloben bekijkt. Ze waren in de regel zo gemaakt dat de sterrenbeelden in spiegelbeeld afgebeeld werden, omdat men de hemelbol als van buitenaf bekeek en ze hadden aan de buitenkant een horizontale ring, die de positie van de horizon aangaf. Wilde men de afstand tussen twee sterren aan de hemelboog markeren, dan mat men eerst hun hoekafstand, bv. met behulp van een kwadrant, bracht deze hoek over op een steekpasser waarvan de lengte van de benen precies overeenkwam met de bolradius van de hemelglobe en zo kon men met de passerpunten deze afstand zuiver op de bovenkant van de hemelglobe overbrengen. Nu is het ook niet meer zo verwonderlijk waarom men op oude prenten de astronoom zo vaak met de passer in de hand voor een hemelglobe afgebeeld ziet.

Blijft nog het raadsel wat zich verbergt achter de woorden alle instrumenti – vertaald in – end instrumenten goet. Waarschijnlijk een kijker, die men echter niet mag verwarren met een verrekijker omdat er geen lenzen inzaten en misschien een jakobsstaf. De eerste is sinds de oudheid, de laatste sinds de 13e eeuw bekend.
Met een kijker, bv. een eenvoudige rol karton, kun je ook zonder de lichtconcentratie van lenzen het zicht op de hemel aanzienlijk verscherpen, omdat het oog zich fixeert op een klein stukje hemel.
Een jakobsstaf is een staf met een gradenschaal waarop een kortere dwarsstaf verschoven kan worden.

Peilt men 2 punten en verschuift men de dwarsstaf tot de punten precies met het einde samenvallen, dan kan men op de schaal van de hoofdstaf de hoek tussen de 2 punten aflezen.

Wat kun je van het bovenstaande nu gebruiken in het driekoningenspel?

Dat moet iedere ‘kompany’ zelf beslissen. Maar je kunt je afvragen hoe het staat met het bewustzijn waarnaar we ook op school vanuit de antroposofie streven, wanneer onbegrijpelijk verbasterde woorden alleen maar gebruikt worden om niet met een geliefde traditie te breken.

Klaarblijkelijk is aan het begin van deze traditie meteen al met een eerdere traditie gebroken, waardoor het tot onbegrijpelijke woordverbasteringen kwam.

De vraag hoeveel en welke astronomische instrumenten de page moet brengen, moet met veel inlevingsvermogen beantwoord worden. Een kerstspel is geen tentoonstelling. Vermoedelijk is een mooie, een koning waardige kijker genoeg, zoals tot nog toe bij de speltraditie in onze scholen gebruikelijk is.
.

[1] Helmut Sembdner, Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext
[2] blz.179
[3] blz.35

In de tekst van het driekoningenspel waarover ik beschik, staan de woorden ‘gatter’ en ‘kompas’ aan elkaar geschreven. Uit bovenstaande blijkt dat er eigenlijk een spatie of komma tussen hoort: het zijn 2 instrumenten.

Voor meer informatie over de instrumenten

.

Kerstspelenalle artikelen   w.o.  Driekoningenspel

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

741-678

.