Tagarchief: advent

VRIJESCHOOL – Kerstmis (37)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021)

 

Kerstspelletje en engeltjes…

In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja

Stralende kleuters in lange witte jurken: 1 met vleugels, 1 met de sterrenstok, 1 met het kindje voor Maria en 1, soms nog meer, met een gouden hoofdbandje zingen zo helder, lopen zo gracieus, aandachtig en weten wat te doen: zij zijn “de” engelen.

In het kerstspelletje: de engel met de sterrenstok die Maria de geboorte aankondigt, de engelen, als groepje, bij het aanreiken van het Kindje aan Maria en later bij de slapende herdertjes als zij de goede mare brengen…

In het driekoningenspelletje als zij de koningen voorgaan op zoek naar het geboren Kind en later als zij de slapende koningen vertellen te vertrekken naar hun eigen land en de engel met de sterrenstok die Jozef vertelt dat hij met
het Kindje, Maria en de dieren uit de stal moet vertrekken. De engelen gaan ze voor:

”Toen Maria met haar kindje haastig vluchtte door het bos,
bogen zich de wilde winden en het sneeuwde op het mos.
Helder licht straalt allerwegen van haar vriendelijk aangezicht
in haar voetstap op de wegen, schijnt nog lang een gouden licht…”

Het Kerst- en Driekoningenspelletje betekent een periode van toneelspelen van begin december tot eind januari met de kerstvakantie als pauze: zo heerlijk vertrouwd dat op school de kersttijd nog even doorgaat. Het toneelspel, de aankleding, de versjes en liedjes, alle verzorging rond het verkleden voor en na het spel, geven de kleuters zo’n stevige vorm: ze leren te durven in het handelen, met ernst en vrolijkheid. Bovendien komen taal- reken- en
sociaal emotionele doelen uit het groepsplan als vanzelf aan de orde.
Ieder jaar opnieuw heb je de keuze als leidster om het spelletje te wijzigen, qua opzet of andere versjes/liedjes, in verbondenheid met de kleutergroep die je onder je hoede hebt. Maar sommige liedjes blijven….
Jozef of Maria mogen zijn is altijd fijn, maar engel dat wil toch iedereen. Herdertjes en waarden zijn vaak, niet alle jaren, minder favoriet. Schaapjes of andere dieren worden ook graag gespeeld in het Kerstspelletje of
Driekoningenspelletje.
Het is altijd zo’n bijzonder gegeven: een spel eerst te oefenen, daarna op te voeren voor ouders en anderen… hoe spannend is het wel niet en hoe graag willen de kinderen deelnemen, alhoewel niet alle kleuters in één keer van
harte mee kunnen doen: zij moeten eerst even meevoelen, en zich gedragen weten in verbondenheid met de uitvoerende groep, en dan opvoeren: terwijl alle genodigden hun aandacht op de groep hebben gericht. Wat een mooi beeld voor verbonden zijn: ouders, hun kind, alle kinderen uit de groep: ontroerend hoe kinderen, in hun onbevangenheid, de toeschouwers een kijkje op zichzelf geven terwijl onzichtbare engelen meebewegen met álle mensenkinderen.

“In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja”

Kerstfeest:
In de natuur ziet alles er doods en kaal uit, er is weinig leven te zien.
Op 21 december begint de winter met de winterzonnewende; de langste nacht en de kortste dag.
De zon heeft haar laagste punt bereikt en vanaf nu worden de dagen langzaam maar zeker weer langer.
Op de laatste vrijdag voor de kerstvakantie vieren we op school het Kerstfeest.
Alle kinderen van de school komen ’s ochtends in de zaal, waar we samen zingen en fluiten en enkele klassen iets moois laten zien of horen aan elkaar.
Ook de kleuters laten hun liedjes horen en de gezichten van de 5e- en 6e klaskinderen zie je dan verzachten.
Vaak kennen ze het liedje nog!
Als de kleuters in hun eigen lokaal gaan spelen en een plakje kerstbrood gaan eten, luisteren de andere klassen naar het vierde deel van het adventsverhaal.
Het heet ‘Een kerstverhaal uit de bergen’ en is te vinden in het boek ‘Een ster over de grens’.
In de adventskrans wordt nu de vierde kaars aangestoken en de lichtengelen nemen dit licht mee naar de klas.
Daar zijn de tafels mooi gedekt voor de kerstmaaltijd.
In de klassen staat een kerstboompje met 30 rode en 3 witte rozen erin.
Dan wensen we elkaar een fijne vakantie en mogen alle gemaakte spulletjes mee naar huis: het adventskandelaartje, kleiwerk, een schildering of tekening, een gevouwen ster, een zelf getrokken bijenwaskaarsje, misschien een mooie kerstkaart.

In vrijwel alle vrijescholen, over de hele wereld, worden rond Kerstmis de kerstspelen opgevoerd.
Het zijn oude spelen die door Rudolf Steiner zijn herontdekt.
Tot in het begin van de vorige eeuw werden deze zogenoemde ‘Oberufer Spelen’ nog gespeeld.
Zoals elk jaar worden ook dit jaar in de Vrije School Meppel Oberüfer kerstspelen opgevoerd door leraren en ouders, als geschenk aan de schoolgemeenschap.
Deze spelen stammen uit een rijke traditie. De Kerstspelen zijn afkomstig uit Hongarije, uit het dorpje Oberüfer.
Oberüfer werd vroeger door Duitsers bevolkt en zij hebben de spelen meegebracht toen zij in de 16e eeuw naar dit oostelijk deel van Midden-Europa trokken.
Een vriend van Rudolf Steiner, de taalgeleerde Karl Julius Schröer, die een studie maakte van de Duitse folklore in de Oostenrijks- Hongaarse streken, woonde in de buurt van Presburg (het huidige Bratislava) en ontdekte dat die
Duitse boeren in de kersttijd bepaalde oude spelen opvoerden.
Hij woonde de opvoeringen vaak bij en schreef de rollen op met de bedoeling dit cultuurgoed te behouden.
In Oberüfer zijn deze spelen tot omstreeks 1920 woordelijk op dezelfde manier opgevoerd, terwijl ze elders in Europa door modernisering verloren gingen.
Rudolf Steiner heeft ze geïntroduceerd bij de vrijescholen en sinds 1919 worden ze in alle talen overal ter wereld in vrijescholen en antroposofische instituten gespeeld: met spel, zang en “ommegangen”. In feite hebben de
vrijescholen deze waardevolle traditie dus voortgezet en behouden tot op de dag van vandaag.
De Oberüfer kerstspelen bevatten veel oude wijsheden, die zijn ontleend aan de mythologie, de astrologie en de getallenmystiek van de middeleeuwen. De spelen bevatten het Paradijsspel, het Kerstspel en het Driekoningenspel en elk spel heeft zijn eigen karakter.

In de kleuterklas voeren de kleuters hun eigen Kerstspelletje op…
Wel gebaseerd op het grote kerstspel. Het liedje van de aanbidding van de herders komt ook in het grote spel voor:
een herkenningspunt voor kleuters als ze voor het eerst in de avond mogen kijken naar het Kerstspel….
Het vormt een belangrijk onderdeel van de tijd naar Kerst toe als Sinterklaas verdwenen is uit het land en de klas….
Snel kunnen ze omschakelen: de oudsten weten het nog van vorig jaar, weten ook al wat ze zouden willen worden….
In de klas wordt een van de speelhuisjes omgetoverd tot “de stal”.
De kring van stoelen wordt zo geplaatst dat er makkelijk ommegangen gehouden kunnen worden.
Spontaan worden liedjes gezongen, de hele dag door al neuriënd…
Het is druk in de klas, maar zo fijn: een zoemende en spelende menigte kleine mensjes.
Dieuwke Hessels

Weekspreuk van Kerst

Advent maande ons om stil te zijn en vol verwondering te wachten op het wonder van Kerstmis. We werden naar binnen geduwd; letterlijk onze huizen in en figuurlijk naar ons hart. In deze donkere periode waarin de nachten nog
korter werden, staken we kaarsen aan. Maar waarom? Wat valt er binnen in ons hart te ervaren? En welk licht wordt er met Kerstmis ontstoken? Dat is de andere kant of de diepere betekenis van kerstmis.
Daar wil ik je meer over vertellen, maar eerst iets over de achtergronden van Kerstmis.
In voorchristelijke tijden werd in onze streken al feest gevierd rond Kerstmis. De Germanen vierden met het Joelfeest dat het zonnekind Widar geboren werd uit de maagdelijke oermoeder.
Kerstfeest was het zonnefeest; een feest van hoop, vertrouwen en geloof. In de natuur was de overwinning van de zon op de duisternis van de winter een feit.
De Romeinen vierden op 25 december de Geboortedag van de Onveroverde Zon. Het is dan ook niet gek dat de geboorte van Jezus door de kerk geplaatst is op 24 december.
Oude en nieuwe gebruiken worden verbonden en zorgden dat mensen van de eerste tijd makkelijker over konden gaan naar het christelijke geloof. Het
bijzondere van de zonnewende bleef zo gedeeltelijk behouden.
December is de donkerste tijd van het jaar, de dagen zijn kort en de nachten lang. Met Kerstmis komen we aan op het stiltepunt. De dagen en nachten blijven kort even lang (de 12 heilige nachten). Daarna worden de dagen langer
en de nachten korter. De aarde heeft zich in zichzelf gekeerd, lijkt kaal en leeg.
In de zomer heeft de aarde de zon, al het geestelijke, alle levenskrachten in zich opgenomen. In de winter liggen de velden er kaal en omgeploegd bij.
Moeder Aarde is een in zichzelf gekeerd wezen, in verwachting van het zonnekind.
De advent geeft ons de mogelijkheid om stil te worden; in stille verwachting van het kind te zijn. Als dan het zonnekind geboren is, kan het leven in de aarde zich op maken om te kiemen. Niet alleen de aarde kan zich ontkiemen ook onze lichtkrachten, plannen en ideeën kunnen dat.
Het woord Kerstmis komt van Christusmis en verwijst hiermee naar de mis die gehouden werd in de Rooms-Katholieke Kerk om Christus’ geboorte te vieren. Het evangelie volgens Lucas beschrijft de geboorte van het kindje in de stal, de engelen, de herders, die de blijde boodschap horen en die het Jezuskind vinden in de kribbe bij Jozef en Maria. Dit is het alom bekende verhaal.
Maar het evangelie volgens Mattheüs beschrijft het bezoek van de drie koningen. Zij hebben in de sterren gezien dat er een koningskind geboren zou worden en gaan opzoek naar het kind. Dit Christuskind is anders, rijker en spiritueler dan het arme timmermanskind.
Als je zo Mattheüs en Lucas naast elkaar legt, kun je opmerken dat het over twee verschillende kinderen gaat. In de Christengemeente wordt hier vaker over gesproken en in de antroposofie over geschreven.
Tegenwoordig wordt er nog een derde kind genoemd en dat is het Lichtwezen. Over dit Lichtwezen spreken de aartsengelen en opgestegen meesters in hun
spirituele verhandelingen.
Dan hebben we het al eerdergenoemde Germaanse zonnekind nog en ons Ik. Ze vormen zich al tot één; het Christuswezen.
Het kerstfeest begint op 25 december met een heilige nacht, waarna 12 heilige nachten volgen, die het kersfeest met het Driekoningenfeest verbinden. Dan viert de Russisch Orthodoxe Kerk het kerstfeest (dus 13 dagen later dan
wij). Midden in deze periode van heilige nachten valt het Nieuwjaarsfeest, dat een impuls geeft om ons te vernieuwen. Maar wij vieren de kerstnacht dus als de zon al over haar diepste punt (21-12) heen is. In bijna alle huizen staan kerstbomen, een traditie die stamt vanaf 1850, en ’s avonds branden we kaarsen. Kerstmis is namelijk het grote lichtfeest en dat vraagt om nadere uitleg.

Kijk zo tegen kerstmis eens om je heen. In tuinen en huizen branden duizenden lampjes en sommige lichtjes flikkeren aan en uit. De lichtjes in de buitenwereld zijn overdadig. Het duister probeert ons met alle kerststress, angst en stralende neplichtjes bij ons innerlijke rust en stilte vandaan te halen, zodat de geboorte van het licht niet in ons hart kan plaatsvinden; het wil onze frequentie en bewustzijn laag houden. De geboorte van het licht, ook wel het Christenwezen of de verbinding met de bron, in ons hart is het mysterie van Kerstmis. We verhogen daarmee onze frequentie. In deze tijd is er onder zoveel mensen (en vooral kinderen) een sterke behoefte aan innerlijke rust, liefde en licht. Gelukkig zijn de lichtkrachten en de frequentie op aarde de laatste jaren sterker geworden. We kunnen het licht laten ontvlammen via ons bewustzijn. Ik vind die geboorte elk jaar weer een groot mysterie en merk wel dat het steeds gemakkelijker wordt, Ik wens jou toe dat je deze kerstperiode de rust en stilte vindt om dat innerlijk Christuskind met al zijn lichtkracht te voelen en te bewaren in je hart. Wij zijn allemaal een stukje goddelijkheid of Licht en die verbondenheid maakt ons één.
~Marion VreugdenhilAntroposofie en het Kind

De reis van Jozef en Maria

adventstijd Archieven – Antroposofisch Leven, adventstijd, kerststal, kerst, Kerstmis, Alice Rowaan, auteur op Antroposofisch Leven

Het verhaal van het kerstkindje dat geboren werd in een stal, omdat er in de herberg geen plaats meer was, kennen we allemaal. Ook weten we wel dat Jozef en Maria op reis waren vanwege een volkstelling. Maar wist je ook dat er een hele leuke manier is om hun reis thuis uit te beelden, samen met kinderen? Vandaag vertel ik jullie er meer over.

Voorbereiding

De reis van Jozef en Maria begint in principe op de eerste adventzondag. Op school zal hier veel aandacht aan besteed worden; thuis is het vooral leuk om hier in de loop van de week op aan te sluiten, bijvoorbeeld op woensdagmiddag.
Zoek allereerst de spulletjes bij elkaar: Zet het kerststalletje klaar. De seizoenstafel is een heel goede plek, maar onder de kerstboom of op een andere
geschikte plaats in jouw kamer kan natuurlijk ook. In het stalletje staat een lege kribbe en misschien heb je nog wat hooi of stro om neer te leggen. Het is handig om een mooie donkerblauwe doek als achtergrond op te hangen.
In de loop van de komende weken zal het stalletje gevuld raken, dus zorg dat je alles (stenen, plantjes, de os, schaapjes, herders, het kindje natuurlijk, de drie koningen, een of meer engelen) bij de hand hebt.
De stenen, planten, dieren en mensen zullen in deze volgorde in de vier adventsweken verschijnen omdat zij herinneren aan de schepping van de aarde. Tot slot kun je ook sterretjes van goudkarton (of vilt) goed gebruiken; die komen een voor een op de blauwe doek te hangen. Jozef en Maria staan paraat.

De reis naar de stal: de eerste adventsweek

Zoek een plekje voor Jozef en Maria om hun reis te beginnen. De eerste adventsweek leg je stenen neer.
Bijvoorbeeld langs de weg naar de stal toe, of vóór het stalletje. Het is leuk om steentjes te gebruiken die de kinderen in de loop van de tijd verzameld hebben en die je toch al in huis hebt. Maar je kunt natuurlijk ook kristallen of mineraalsteentjes gebruiken, of gevilte/gekleide stenen.
Laat dan Jozef en Maria een stukje lopen op hun pad. Elke dag een stapje is het leukst, maar als ze liever vaak rusten en dan weer een eind lopen, kan dat
natuurlijk ook. Het is leuk om elke keer als je Jozef en Maria laat lopen, ook samen een sterretje te spelden op de doek achter de stal.

De tweede adventsweek

De tweede week is de week van de planten. Hier kun je zo creatief in zijn als je wilt. Mos in de kerststal, sparrentakjes die de kinderen in een voetstukje van klei zetten of dennenappels langs het pad van Maria en Jozef, of misschien liever kleine kamerplantjes in hun bloempotjes. Gestaag lopen zij verder, richting de stal.

De derde adventsweek

De derde week is die van de dieren. De os en de ezel mogen hun plaatsjes innemen in de stal, de schaapjes mogen in de buurt komen grazen, misschien heb je zelf ook wel dieren in huis die graag mee willen doen. Meestal weten
de kinderen wel, welke dat zijn.

De vierde adventsweek

In de vierde week gaan Jozef en Maria de stal binnen en installeren ze zich. Op 24 december (die soms samenvalt met de vierde adventszondag) verschijnt een engel voor de stal. In de nacht zal het kindje worden geboren; dat gebeurt waarschijnlijk vanzelf- let maar op! Zo gauw het kindje ontdekt is, kun je een grote ster ophangen in de achterdoek. Meer engelen mogen komen, en de herders met hun schaapjes stromen toe. En als je het echt compleet wilt hebben, kun je heel ver weg in de kamer de drie koningen laten verschijnen. Zij gaan de komende tijd op weg en zullen op 6 januari aankomen bij de stal.
Op deze manier kun je thuis een speelse, beeldende invulling geven aan de adventstijd. Ook na de kerst en Driekoningen kun je er nog mee doorgaan en de tijd van de lichtfeesten afsluiten op Maria Lichtmis.

Kerstverhaal  In het tijdschrift van Vrije Opvoedkunst, 4e jrg. nr 12, dec. 1936

Verhaal:
Stille nacht, tovernacht
Een kerstverhaal over ware vriendschap.

Het was koud, die nacht. Een ijzige wind joeg de sneeuw op en de mensen die nog buiten waren haastten zich.
Thuis brandde het vuur in de haard. De tafel was gedekt, de kaarsen waren aangestoken. Het was kerstnacht.
Nog maar één enkele man liep door de verlichte straten. Zijn rug was gebogen en hij liep maar voort door de sneeuw en de kou, zonder zelf te weten waarheen hij ging. Niemand wachtte op hem. Riton had geen familie en geen thuis.
De mensen keken naar hem als hij voorbijging. Hij lette er niet op. Zonder achterom te kijken, vervolgde hij zijn weg. Hij floot zachtjes voor zich heen en de sneeuwvlokken bleven in zijn baard hangen.
Toch was hij niet alleen in die ijzige nacht… Een hondje liep achter hem aan. Waar kwam hij vandaan? Om zijn nek had hij een halsband met een ster.
Toen Riton het hondje zag, begonnen zijn ogen te stralen. “Ben je verdwaald? Dan kunnen we beter bij elkaar blijven.” De hond keek hem aan.
Beschut onder de takken van een grote spar pakte Riton een stuk brood uit zijn rugzak en sneed het in tweeën.
“Hier!” zei hij met een glimlach. “Het is een mager maaltje voor een avond als deze, maar meer heb ik niet.”
Omdat het Kerstmis was vertelde hij een verhaal dat hij als kind heel mooi had gevonden. Daarna floot hij nog wat.
Ook de wind floot. Steeds luider en luider, steeds kouder en kouder. “Kom,” zei Riton. Hij zette de kraag van zijn oude, versleten winterjas op. “Laten we schuilen in die hut.”
Ze zaten daar een hele poos, lekker warm in het stro. Toen klonk er opeens een stem: “Schrik niet en luister. Ik ben geen hond. Ik ben een tovenaar.”
“Jij? Een tovenaar?” zei de oude man verbaasd.
“Vanavond heb ik mezelf in een hond veranderd, omdat ik degene die goed voor me zou zijn wilde belonen,” zei de tovenaar. “En jij bent de enige die goed voor me was. Om je te bedanken zal ik je liefste wens vervullen. Vertel me wat die wens is.”
“Ik wil geen grote dingen en ik heb niets nodig,” zei Riton. “Maar ik heb altijd al een hond gewild.”
De tovenaar dacht lang na. Was dat Ritons liefste wens? Toen besloot hij dat hij graag de beste vriend van de oude man wilde zijn. En hij gaf voorgoed zijn toverkracht op.
Heel vroeg de volgende ochtend verliet de oude man de hut om verder te trekken. En zijn vriend, de hond, volgde hem.

Een Noors kerstverhaal over een geschenk voor het Kerstkind
De fluit van de herdersjongen

In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om een van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen
diende bij een strenge heer – wie weet misschien wel bij een van de waarden in Bethlehem – en als hij zou thuiskomen en er een schaap van zijn kudde ontbrak, dan kreeg hij slaag. Daarom lette hij nauwelijks op de wonderbaarlijke dingen die om hem heen gebeurden. Hij merkte niet dat de wind ging liggen; hij hoorde niet hoe de vogels begonnen te zingen en hij zag niet dat alle sterren plotseling met dubbele glans straalden.
Zijn wegvoerde hem de berg op. Hij zocht achter iedere struik, tot hij ten slotte boven op de berg stond. Van hier kon hij ver in het rond over de velden zien, helemaal tot de stad Bethlehem.
Terwijl hij daar zo boven stond, gebeurde het, dat de hemel zich opende en dat de nacht zo licht werd als de dag.
Een ontelbare schaar engelen verscheen en hun lofzang klonk over de aarde. Hoe groot dit wonder was, dat in die nacht geschiedde, heeft tot op de dag van vandaag nauwelijks een mens begrepen. Daarom kunnen we het een
kleine herdersjongen ook vergeven, dat hij deze boodschap niet meteen begreep. Hij dacht alleen maar aan het schaap, dat ervandoor gegaan was en hij wilde verder zoeken.
Toen stond er plotseling een engel voor hem en sprak: “Maak je geen zorgen meer om het schaap, op dit uur is een veel grotere Herder geboren. Ga snel naar Bethlehem, waar het Christuskind, de Verlosser van de wereld, in de
kribbe ligt.”
“Voor de Verlosser van de wereld,” zei de jongen, “voor Hem mag ik toch niet verschijnen, als ik hem geen geschenk kan geven?”
“Hier, neem deze fluit en speel een lied voor het kind,” sprak de engel, en was op hetzelfde ogenblik verdwenen.
Zeven tonen had die fluit en toen de jongen haar aan zijn lippen zette, speelde ze als vanzelf.
Dankbaar en blij liep hij de berg af. Hij wilde over een beekje springen, maar struikelde en lag languit zo groot als hij was, tussen de kiezelstenen. De fluit viel uit zijn hand. Uit zijn mond ontglipte een woord, dat misschien wel eens
onder de herders gebruikt wordt, maar dat men beter niet gebruiken kan. Mooi was het niet! Én toen hij de fluit weer in de hand hield was er één toon verloren gegaan. Nog zes tonen kon de fluit spelen.
Tijd om te huilen was er niet en bovendien werd het pad langzaam beter; dus liep hij zo snel mogelijk door.
Ineens bleef hij staan: vlak voor zich zag hij een grote wolf zitten met ontblote tanden, klaar om te bijten. Het was de lammetjesverslinder zelf. De jongen werd woedend. “Maak dat je wegkomt,” riep hij en voor hij er erg in had, had hij de fluit naar de al wegvluchtende wolf gegooid. Toen hij haar weer vond, kon de fluit nog maar vijf tonen laten horen.
De herdersjongen was nu op de plaats gekomen waar de kudden steeds waren. Rustig lagen daar alle schapen en er heerste diepe stilte, slechts één schaap liep blatend rond. De jongen wilde het binnen de omheining brengen. Hij rende erachteraan en omdat het schaap hem ontweek gooide hij met wat hij juist in zijn hand hield. Het was de fluit, die weer een toon verloren had.
Maar waar waren de andere herders toch gebleven? De jongen kon immers niet weten dat zij voor het kindje in de stal knielden. Hij dacht dat ze vast weer met een kruik bier in de herberg zaten en dat hij als jongste weer de wacht moest houden. Boos schopte hij met zijn voet tegen een kruik met water, die dicht bij het vuur stond. Toen was het of een onzichtbare macht hem de fluit uit zijn hand sloeg, en toen hij haar weer opraapte had zij nog maar drie tonen over.
Daarop ging hij verder naar Bethlehem. Alles ging goed, tot hij door de stadspoort wilde gaan. Daar zag hij zich plotseling omringd door een groep straatjongens die hem zijn fluit wilden afnemen, maar hij wilde haar niet geven.
Er vielen klappen over en weer. De fluit had hij weliswaar behouden, maar weer was een toon verloren gegaan.
Eindelijk stond hij toch voor de stal. Hoog boven het dak straalde de wonderbaarlijke ster en in de kribbe lag de Verlosser van de wereld. En toch zou het nog gebeuren dat de fluit nog maar één toon overhad, toen hij de stal
binnenging. Want juist wilde hij langs de huisdeur lopen, toen de bitse hond van de waard op hem afschoot. Hij wist zich niet anders te verweren dan met wat hij in zijn hand hield en dat was de fluit.
Zo stond hij nu bij de staldeur maar durfde niet naar binnen te gaan. Hij schaamde zich heel diep, dat er zo weinig van zijn geschenk overgebleven was. In zijn onschuld kon hij niet weten, dat de weg die iedere mens tot de Verlosser voert vol hindernissen is.

De Zonnejaargroep geeft onderstaande aan om te vertellen in de Kerst-adventtijd.

Sprookjes
Sneeuwwitje… Gebr. Grimm
• De Sterrendaalders… Gebr. Grimm
• De drie mannetjes in het bos… Gebr. Grimm
• Het boshuis… Gebr. Grimm
• De twaalf Apostelen… Gebr. Grimm
• Het Kind van Maria… Gebr. Grimm
• De Sneeuwkoningin… Gebr. Grimm

Hennie de Gans-Wiggermans:

Elk jaar weer was de advents- en
kersttijd voor mij de mooiste periode in de kleuterklas. De
voorbereidingen naar het kerstfeest, het lopen van de adventstuin*
en natuurlijk het Kerst- en Driekoningenspel met de kinderen, waarmee ik na de eerste adventsviering begon.
Boekje vol tips en tricks.

Als volgende het kerstspelletje en voorbereidingen daarvoor.


KERSTSPELLETJE

Hoe te beginnen?

De spelers/rollen
Jozef
Maria
Os
Ezel

Waard 1
Waard 2
Waard 3

Herder 1 Stiechel
Herder 2 Witok
Herder 3 Gallus

Engel met ster
Engel met kindje
Engel

Muzikantjes

Voorbereiding

Doos met kleding in de kring.
Kleding en attributen eruit halen en neerleggen.
Zelf pakken: engel: sterrenstok en haarband.
Andere engelen: haarband en 1 engel mag het kindje voorzichtig bij zich dragen.
Muzikantjes pakken zelf een bellenketting.
Jozef en de herders halen hun eigen stokken op en herder Stiechel pakt zijn herderstas.
De waard met het lampje haalt zijn lantarentje zelf op.

Bij elkaar leggen:
• Jozef, Maria, os en ezel
• Waarden
• Herders
• Schaapjes
• Engelen
• Sterrestok in de stal
• Kindje in de kribbe

Kindje van de dag mag kiezen wie hij/zij vandaag wil zijn.
Elk kind kiest elke dag een andere rol.
Het kindje van de dag mag helpen.

Kleuters zitten in de kring op volgorde:
Naast de poort: Maria, jozef, os en ezel, herders en lammetjes aan een kant van de kring
Andere kant van de kringpoort: engelen, waarden, muzikantjes.

Ondertussen zingen en neuriën we:


Voorafgaand aan het spel

Schaapjes zijn jullie klaar?
Mé, mé, mé
Os en Ezel zijn jullie klaar?
Moeoeoe, iiaaa
Waarden zijn jullie klaar?
Jaja
Herders zijn jullie klaar?
3x tik met de wandelstokken
Jozef ben je klaar?
Ja dat ben ik!
Maria ben je klaar?
Ja, begint u maar.
Engelen zijn jullie klaar?
Zwaaien met hun armen licht op en neer.
Muzikantjes (engelen) laat je bellen maar horen.
Klingelingeling

Meteen doorgaan naar het 1e liedje van het kerstspelletje.


Alle kinderen zingen mee, zittend in de kring.
Na dit lied gaat Maria staan en gaat rond in de kring (met de klok mee) terwijl allen zingen:


Maria neemt plaats op het krukje in het midden van de kring.

Vertellen [leidster]:
Eens op een dag zit Maria in haar huis een boek te lezen toen daar ineens een Engel kwam.
De Engel met ster staat op en gaat achter Maria staan.
De Engel spreekt:
Maria heb geen angst hoor,
Ik ben de Engel Gabriël.
Het is een blijde boodschap die ik vertel.
Jij gaat een kindje krijgen,
en Jezus is zijn naam….
De Engel gaat terug.

Jozef staat op en gaat voor Maria staan en spreekt:
Lieve Maria, wij moeten gaan reizen,
om ons in te laten schrijven.
Naar Bethlehem moeten we reizen,
om onze namen op te laten schrijven.
Jozef schudt.
Os en Ezel zullen ons beiden,
naar Bethlehem begeleiden.

Maria gaat ook staan, samen lopen ze naar de Os en de Ezel. Zij lopen rond de kring terwijl door de andere kinderen wordt gezongen:


Maria staat stil en spreekt:
Och Jozef, luister me toe
Jozef stopt nu en gaat bij Maria staan. Maria spreekt:
Ik ben toch zo moe!

Jozef legt een arm om Maria heen en zegt dan:
Ben je zo moe lieve Maria?
Maria knikt.
Jozef spreekt tegen Ezel:
Kom eens kleine ezel, blijf dicht bij haar!
Het Ezeltje balkt:
Iaaaa, iaa!

Zingen: Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe

Jozef spreekt:
Ik zie een lichtje dagen,
laat ons daar om onderdak vragen.
Loopt naar de 1e Waard.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
Het deurtje gaat open, de waard komt naar voren.

Met zijn handen in zijn zij spreekt hij:
Wat zoeken jullie hier?

Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs
en moe van de lange reis.
Heeft u voor ons een bed?

De Waard spreekt:
Jammer, alles is bezet.
Ga maar naar hiernaast.
Voortuit! Want ik heb haast!

Jozef en Maria lopen naar de 2e Waard, die net zijn straatje aan het schoonvegen is.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
De 2e Waard kijkt op, stopt met vegen en spreekt:
Wat zoeken jullie hier?
Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs en moe van de lange reis.
Os en Ezel willen wel wat hooi en vinden het kleinste plekje al mooi!
De 2e Waard spreekt:
Het spijt me zeer, ik heb echt geen plaatje meer!
Van zolder tot kelder is mijn huis bezet.
Pak je weg! (vegen met bezempje)
Snel van mijn deur! Verder wil ik geen gezeur!
Maria en Jozef lopen weg van de Waard.
Maria spreekt:
Oh Jozef, wat moeten we toch beginnen,
nergens kunnen we naar binnen!
Jozef spreekt:
Och Maria lief (pakt haar hand)
Ik zal wel wat verzinnen.

Maar dan komt er een 3e Waard met een lampje aan en spreekt:
Goede vrouw, ik hoor je klagen, om een bed hoe je mij niet te vragen.
Loop met me mee, hier zijn we al, In mijn eigen kleine stal.

De Waard loopt naar de stal, zet een krukje voor Maria neer (naast het kribje) en laat het lampje achter.
Ezeltje en Os gaan zitten bij het kribje.
Jozef houdt Maria’s blauwe mantel vast, terwijl Maria plaatsneemt op het krukje.
Jozef gaat aan de andere kant naast het kribje staan, leunend op zijn staf.
Verteller:
Maria en Jozef gaan slapen, het is een donkere nacht, buiten houden sterren de wacht.
Allen zingen:


Dan komen de Engelen, ze staan op van hun stoel, lopen door de kring terwijl ze zingen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

Daarna lopen de Engelen naar de stal.

Verteller:
In deze nacht wordt stil en zacht, Maria haar kindje gebracht.
(Engel geeft Maria haar kindje)
Maria neemt Hem in haar armen en dekt Hem toe om te verwarmen.

De Engelen blijven in de stal.
Maria wiegt haar kindje.

Allen zingen:


Maria spreekt: Jozef…. Jozef….wordt eens wakker! En ze zingt
Jozef, liefste Jozef mijn, help eens wiegen ons kindekijn.
Hij zal onze verlosser zijn, het Kerstekind/Jezuskind en Maria.


Jozef is wakker en komt gauw naar Maria en spreekt: verbaasd
Ohhh Maria…. Het kindje is geboren?
Wat een lief neusje, wat een mooie ogen….
Snel ga ik naar de Waard om te vragen,
of we nu warm naar binnen kunnen voor een paar dagen.

Jozef neemt het lampje mee en loopt naar de 3e Waard.
Hij tikt 3x met zijn staf op de grond en roept:
Waard, waard, (de Waard gaat staan)
Ons is vannacht een Kind geboren, in de stal is het bijna bevroren.
Nu wil u vragen, of we nu in uw huis kunnen voor een paar dagen?
De Waard spreekt:
Beste man, ik gaf het je graag, maar er zijn al zoveel gekomen vandaag.
Van kelder tot zolder alles is vol. Ik heb echt geen bed, zie zelf maar hoe je je redt!
Langzaam loopt Jozef terug, als hij weer bij Maria is spreekt hij:
Ach Maria, er is nog geen plaatsje daarbinnen, wat zullen we toch beginnen?
Ik weet het al! We leggen het Kind in de kribbe in deze stal!
Allen zingen:


Ondertussen zet Jozef het kribje voor Maria neer. Maria legt voorzichtig het Kindje in het hooi van de kribbe.
Verteller:
En boven de stal daar spreekt de ster, de stralen stralen heel erg ver.
Ook daar waar de herders waren op het veld, Zij hadden zojuist hun schaapjes geteld.

1e herder Stiechel zegt:
Brrrrr, wat is het koud vannacht, laat eens zien wat je hebt meegebracht?
2e herder Witok zegt:
Lekker spek kreeg ik van mijn vrouw,
(gaat op de grond zitten, maakt zijn tas open en deelt uit)
één voor jou, één voor jou en één voor jou.
Ze eten samen, smakken (eventueel een boertje laten)
Na het eten spreekt Gallus al gapend:
We kunnen vannacht met de schapen, wel even buiten slapen.

Nu gaan ze liggen, de schapen dichtbij.

Dan komen de Engelen en zingen terwijl ze rond de herders lopen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

De Engelen zingen staand: [bij muzikanten en leidster]


De Engelen lopen achter elkaar de kring weer uit, terug naar de stal.

De Herders worden wakker en rekken, strekken en gapen. Ze kloppen kun kleertjes af en doen hun mutsjes goed.
Stiegel zegt:
Luister eens goed, mijn beste broers. Engelen kwamen ons bezoeken,
zodat wij het Kindje gaan zoeken! Mmmm even denken,
wat zal ik eens gaan schenken? Een kruikje melk neem ik mee,
dan is Hij vast tevree!
Gallus spreekt:
Ik geef een plukje wol van het schaap zijn vacht, dat is lekker warm én zacht!
Witok spreekt:
En ik neem mee een heel klein lam, waar het Kind mee spelen kan.
Ze staan met z’n drieën bij elkaar en dansen en zingen:
Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!
Dan gaan ze op weg, lopen buiten om de kring al tastend met hun stokken op de grond.
Allen zingen:


Als ze de kring rond zijn spreekt Stiegel:
Wat is het toch donker!
Gallus spreekt:
Waar zou het toch zijn?
Witok houdt zijn hand boven zijn ogen, tuurt en kijkt naar de ster en spreekt:
Ik zie daar een nieuwe ster, oh wonder, dat Kind is vast en zeker heel bijzonder!
Ze lopen verder:
Stiegel zegt:
Ik zie reeds een huis van strooi, Laten we vragen,
Of in het stalletje klein, Is geboren het kindekijn.

Ze komen bij de stal, ze gaan bij het stalletje staan.
Ze tikken met hun staf op de grond en roepen zacht:
Hallo daar, hallo? Is daar iemand binnen? Hallo?

Jozef pakt het lampje en komt aangelopen en spreekt:
Wat zoekt gij hier beste herdersvrienden?
Stiechel spreekt:
Beste man, wij hoorden engelen en zagen een ster.
Een Kindje zou zijn geboren, is het hier misschien,
En mogen wij het eventjes zien? We brengen melk, wol en een lammetje mee.
Jozef spreekt:
Herdersvrienden, kom binnen. Hier zijn jullie goed!
Ze nemen hun muts af en leggen de stokken neer. Ze komen binnen en knielen bij het kribbetje neer. Schaapjes zitten achter de herders.
Allen zingen:


Eén voor één geven de herders hun geschenken, het kleine lam gaat tussen Os en Ezel zitten.
Maria spreekt: Dank lieve Herders voor jullie geschenken en dat jullie hier gekomen zijn!
Wij zullen vast nog vaak aan jullie denken. En zie het Kindje wordt nu moe,
Ga zoetjes weer naar jullie schaapjes toe.
De Herders gaan staan, buigen en spreken:
Dag Maria, dag Jozef, dag lief Kindekijn!
Wij gaan iedereen vertellen, die het maar wil horen,
dat het Kindje vannacht is geboren!

Nu lopen ze achteruit de stal uit, buigen nogmaals, draaien zich om. Ze zetten hun mutsjes weer op en nemen hun stokken weer mee. De schaapjes volgen…..

Ze buigen langzaam buitenom de kring.

Ze komen terug in de kring.
Stiechel spreekt:
Wat een Kindje mooi, liggend in het hooi.
Gallus spreekt:
En geboren in een stal, het Kind dat iedereen blij maken zal.
Witok: spreekt:
Laten we gaan het gaan vertellen aan iedereen, en zeggen dat we Hem zelf hebben gezien.

Ze zingen en dansen nogmaals:

Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!

Dan doet Jozef de geschenken in de tas.
Maria neemt het Kindje in haar armen, onder de mantel om het te verwarmen.
Os, Ezel en Lam lopen er achteraan.
De Engelen gaan voor het stalletje staan.
Engelen voorop, dan Maria, Jozef, Lam, Os, Ezel, Waarden, Herders en Schapen.
Allen lopen buitenom de kring terwijl ze zingen:


Allen komen uiteindelijk in de kring staan.
Aan het einde van het lied maakt iedereen een buiging naar elkaar, eventueel naar de ouders en nogmaals naar elkaar.
Dan gaan ze zitten op de stoel.
De kleertjes gaan uit, worden netjes opgevouwen en gaan terug in de doos. Of……
Als afsluiting hebben de kleuters gezongen, een buiging gemaakt en zijn blij dat ze klaar zijn. Vlug mogen ze naar hun ouders, kleertjes mogen aanblijven of als dat gewenst wordt in de kledingkratten, kleuters ontvangen complimentjes en knuffeltjes en krijgen heerlijke zelfgebakken sterrenkoekjes [door de ouders en de klas zelf gebakken], nadat ze wat koek en sap hebben gehad, krijgen ze hun kaars [met wollontengel] uitgedeeld en de ouders krijgen een kerstkaart.
Nog één keer komen de kleuters in de kring voor de gangbare afsluiting met als laatste Engel van God ontfermer, wees altijd mijn beschermer,
Houdt helpend bij mij de wacht, ’s ochtends, ‘s avonds, dag en nacht.
Wil ziel en lichaam behoeden en wil mij leren al het goede.


En dan zingen ouders en kinderen samen:

We wish you a merry christmas, we wish you a merry Christmas,
we wish you a merry Christmas and a happy New year.
Good tidings we bring, to you and your kin,
We wish you a merry Christmas and a Happy New Year.

En zo is het!!!!!
Fijne Kersttijd toegewenst en goede vakantie!


I
Jozef=j
Maria=m
Os en ezel= o en ez
Engel= e [ster, kindje, vleugels]
Waarden: w 1, w2, w3
Herder: h1, h2, h3
Schaapjes= s en l
Muzikantjes= m

Mandala’s om te kleuren

Kaarten

Boeken


Transparanten

.

Kerstmis: alle artikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Jasrfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis    jaartafel

.

2557

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Advent (18)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021)

.

ADVENT
.

“VREDE op aarde voor de mensen van goeden wille”.
.
Van het Zonnejaar door Alice Woutersen

Advent : voorbereiding en verwachting? Voorbereiding van wat?
Voor kinderen is het duidelijk: wij vieren de geboorte van Jezus, die voor de mensen het Licht op de aarde bracht, in feite [voor hun] vieren we de geboorte van ieder kind!!!!
Met Advent bereiden we langzaam maar zeker dit feest voor.
Op de seizoentafel wordt het naar de aarde gaan van het Kind duidelijk gemaakt en mogelijk wel als volgende :
Een Engel (of engelen) brengt iedere dag het Kerstkind een beetje dichter bij de aarde. Trede voor trede daalt zij af om in de Kerstnacht het kind in de armen van Maria te leggen.
Op de seizoentafel onder een adventsladder vormt zich door de vier adventsweken heen de aarde met alles wat erbij hoort.
Eerst dragen wij zand, stenen en water aan.
De tweede week komen de planten erbij (aangevuld met zelfgemaakte bloemen en bladeren).
De derde week volgt het dierenrijk en vormen onze handen uit klei of bijenwasfiguren die op dieren lijken. Ook [wollen] figuren kunnen ontstaan, zoals de schapen en de os en ezel.
De vierde week zijn wij aangekomen bij het rijk van de mensen. Uit klei, wol en/of lapjes ontstaan herders en ook Jozef en Maria.
Jozef en Maria verplaatsen zich samen met de ezel in de richting van de stal, die ondertussen ook al verschenen is. Elke dag een stukje verder, tot ze op Adam-en-Eva-dag (24 december) in de stal aankomen. Dit is de dag waar iedereen naar uitziet.
Vandaag wordt gezamenlijk de kerstboom opgetuigd, het huis versierd en met vereende krachten het kerstbrood gebakken. De kleintjes gaan naar bed, de groten naar een kerstnachtdienst of maken in het donker een mooie wandeling.
’s Avonds laat worden de kleintjes gewekt. Het hele huis is dan met kaarsen verlicht, en zingend gaan we naar beneden om in het stalletje te gaan kijken waar Maria, verlicht door een kaarsje, gelukzalig haar kindje wiegt. De kaarsjes in de boom branden nu ook en het warme kerstbrood staat te geuren.
Dan wordt het geboorteverhaal gelezen uit ‘Maria’s kleine ezel’, nog wat gezongen, en daarna wordt het kerstbrood aangesneden.

Zo is door de jaren heen dit bij ons de traditie geworden, die natuurlijk
van gezin tot gezin verschilt.
Maar wat verwacht ik nu zelf, wordt het voor mij innerlijk ook feest of ga ik ten onder aan alle drukte en familiespanningen van dingen die niet te combineren zijn?
Wat wil ik verwachtingvol beleven of in mijzelf wakker roepen c.q. geboren laten worden? Waar wil ik zelf bij stil staan (als het al mogelijk is om in deze tijd ergens de rust te vinden om stil te staan, vooral vlak voor kerst)? Het kost moed en kracht je hiervan bewust te worden en dan bedoel ik werkelijk innerlijk in jezelf te voelen wat je wilt en niet wat je met je hoofd bedenken kan.
Ik wil in die tijd mijzelf als mens beleven en mijn innerlijk goddelijke kern voelen. Ik wil bewust leren voelen dat ik de christuskracht, die Christus sinds het mysterie van Golgotha in ieder mens gelegd heeft, in mij draag en proberen deze vonk tot een mooie vlam te ontwikkelen. Wanneer ik dat werkelijk wil dan kost dat voorbereiding. Dit Licht in mijzelf kan alleen stralen en anderen tot heil zijn
als ik zelf stevig in mijn schoenen kan staan.

Daarop moet ik dus in eerst instantie mijn aandacht richten, niet egoïstisch, maar om daardoor de ander de ruimte te kunnen bieden zichzelf te kunnen zijn. Met Michaël neem je de moed op om deze weg te gaan. De weg naar het geestelijke in jezelf, de weg naar het geestelijke in de ander, de weg naar het geestelijke in de wereld, de weg naar alle geestelijke wezens die ons zorgend en wevend omringen.

Hoe doen we dat? Als je in de Michaëlstijd (dus oktober-november) om je heen kijkt in de natuur wordt het je duidelijk. Alle bomen doen het ons namelijk voor: “leg sierlijk en met vreugde je oude omhullingen (verdedigingsmuren enz.) af en behoud de gouden essentie van je zijn”.
Iedere boom laat in de herfst met gratie en tot vreugde van vele levende wezens zijn vruchten en bladeren vallen. Hij verschijnt dan in zijn naakte zijn, zijn wezenlijke gestalte en draagt een groot geheim bij zich.
Welk geheim? Hij lijkt wel kaal en naakt, maar in zijn knoppen ligt de gouden essentie van zijn zijn. In wezen is hij nu het meest zichzelf, stevig rechtop staand trotseert hij iedere storm. Die stevigheid moeten wij ook zoeken. Wij moeten dan zelf op zoek gaan naar de gouden essentie van ons eigen zijn.
De antroposofie kan je daarbij helpen. Het is en blijft een persoonlijke zoektocht. En als je deze gouden essentie gaat naderen, dan voel je je warm van binnen worden, je voelt dat de vonk in jezelf gaat opvlammen. Het gaat echter niet alleen om jezelf. Deze vonk wordt pas echt een vlam als hij in het sociale kan opvlammen.
Daar sta je dan als een boom, kaal maar eigenlijk het meest jezelf en overal in je knoppen draag je de gouden essentie van je eigen zijn. Nu komt de eerst proef: het feest van Sint-Maarten. Ben je in staat te delen? Dit is de eerste stap in de grote adventstijd die op 11 november begint en 43 dagen duurt.
Men spreekt ook wel over de grote kersttijd die zich uitstrekt van Sint-Maarten tot en met Maria Lichtmis (2 februari, 40 dagen na Kerst).
Het sociale oefenen is begonnen. Kun je werkelijk delen op alle denkbare gebieden ? Sint-Maarten deelde zijn mantel in tweeën en gaf zijn halve mantel weg. De andere helft van zijn mantel behield hij.
Dit laatste moeten wij goed tot ons door laten dringen. Een mens kan namelijk niet meer goed functioneren als hij innerlijk alles weggeeft. Ieder mens moet een deel behouden en zal dan merken dat deze halve mantel steeds weer heel, zo niet groter, wordt. Hierdoor kan men steeds weer en steeds meer schenken.
Dit delen en schenken is een hoge kunst, een kunst die je pas goed kan leren hanteren als je inzicht hebt gekregen in jezelf dus in je eigen gouden essentie.

De volgende proef is het Sinterklaasfeest, het feest van creatief en sociaal bezig zijn.
Voor dit feest moet je je werkelijk verdiepen in de andere mens, je probeert van haar of hem een levend beeld te maken. Door de andere mens zo zuiver mogelijk te proberen te zien kun je hem datgene geven wat die ander juist nodig heeft. Met humor en creativiteit kun je de ander een handje helpen op zijn levensweg. HUMOR is daarbij onontbeerlijk. Vrolijkheid, lachen, zingen, creativiteit en
humor zijn een soort smeerolie in het leven. Het is overigens niet alleen je inleven in de ander, want de ander houdt jou ook een spiegel voor. Dit kan je weer helpen beter inzicht te verwerven over jezelf en hoe je overkomt bij anderen.
Je verzamelt dus eerst de moed om je gouden essentie te gaan zoeken (en zodoende jezelf te leren kennen), dan om te leren werkelijk te delen met anderen en vervolgens om te proberen levende beelden te ontwikkelen van je medemensen en hen met liefde en humor tegemoet te treden en tevens leer je ook in je eigen spiegel te kijken om zo een eerlijk beeld over jezelf te vormen.
Door deze ontwikkeling te gaan kun je een open en onbevangen houding ten opzichte van je medemensen krijgen waarbij je niet overheerst noch dominant voelt en waar de ander zich ook veilig en gezien kan voelen. Ontmoeten wordt dan ook echt ont-moeten, dus je moet niet meer en mag jezelf zijn. Wanneer mensen elkaar zo ontmoeten, dan geeft dat nieuwe energie (“waar twee of meer
in mijn naam verenigd zijn ben Ik (Christus) in hun midden”).
Wij worden weer enthousiast (zijn in God en-thou-siast).
Op deze wijze zou ik het kerstfeest willen naderen: rustend in mijzelf en open voor de ander. En als het je lukt niet alleen je eigen vlammetje te laten opvlammen, maar ook dat van de anderen, dan voel je de jubel: het lukt (ook al is het soms kortstondig)! Er kan dan een intense vrede ontstaan, een
vrede waarin iedereen zichzelf kan zijn in zijn diepste wezen.

Advent

Een tijd waarin het zonlicht steeds korter bij ons is op de dag, de natuur (in ons deel van de aardbol) verstilt, kan ons helpen om dichter bij ons zelf te komen en bij wat er werkelijk toe doet. Om het ‘nieuwe licht’ dat geboren wil worden straks goed te kunnen ontvangen.
De school wordt schoongemaakt; alle herfstspullen worden opgeruimd en er wordt ruimte gemaakt voor een adventskrans die symbool staat voor de 4 weken voor kerst waarin de dagen korter worden en wij het innerlijke licht meer en meer laten schijnen en in de kleuterklassen worden er blauwe gordijnen opgehangen, alle seizoentafels krijgen blauwe kleden, daarop kunnen er de 1e adventsweek ‘stenen’ gelegd worden als symbool voor het aarde element.
De andere 3 weken zal daar telkens een element bij komen: plant, dier en mens.
De ramen worden beplakt met gele vloeipapieren sterren en blauw van de hemel.
In de gangen verschijnen adventpotjes  [blauwvloeipapier geplakt om lege glazen potjes], deze worden door de kinderen gemaakt.
Op de adventsmaandagen zal er bij binnenkomst een speciale entree zijn: muziek [in de hal].
En gaan kinderen elke maandag het licht van de adventskrans in de zaal halen om daarmee een eigen licht in de klas aan te steken. De stemming zal dus veranderen.
En speciaal is, ook weer dit jaar, dat we midden in de adventstijd Sint-Nicolaas verwelkomen. Ook Sint-Nicolaas kan maken dat ons hart vol verwachting klopt en daarmee worden niet alleen de cadeautjes bedoeld!


Seizoentafel advent:

Blauwe kleuren als ondergrond en achtergrond, Jozef en Maria gaan op weg om op de dag van de kerstviering aan te komen in het stalletje; de grote engel daalt iedere week een stapje naar beneden, de berg met gouden noten [er zit voor ieder kind een klein geschenkje in] als adventkalender, het stalletje en kribje staan klaar en er liggen wat mooie mineralen.


Op de foto niet afgebeeld: 4 lichtjes: 1e week de 1e, 2e week de 2e enz.

De symboliek van de adventstuin

Bijzondere dagen, zo vlak voor advent. Alles buitelt over elkaar heen: regen en hagel, pietjes, Jan de Wind, de duisternis, maar ook de kinderen – vol van verwachting. Sint-Nicolaas is onderweg, en vlak na zijn verjaardag vieren we de geboorte van het kerstkind.
December is de tijd van wachten en verwachten, maar ook van bergen prikkels.

Het ritueel

4 zondagen voor Kerstmis is de 1e zondag de 1e advent: Dan begint de Stille Tijd: het duurt dan nog precies vier weken tot kerstavond. Op deze dag op veel vrijescholen jonge kinderen het adventstuintje: het moment alleen al is speciaal: op maandagochtend; als het nog schemert komen kleuters en een van hun ouders bij elkaar in de klas, waar een spiraal van schelpenzand met
goudsterren erin [vroeger dennengroen] ligt. In het midden staat één grote kaars. De ruimte wordt slechts verlicht door kleine adventpotjes, verdeeld in de ruimte.. Daar word je vanzelf al stil van. Elk kind krijgt een appel met gouden ster aangereikt, waarin een kaarsje is gestoken; de engel is een leerling uit de hoogste klas van de school. Er zijn meerdere engelen: sommige geven de kaarsjes aan en begeleiden een kleuter in het tuintje en andere grote kinderen maken begeleidende of ondersteunende muziek. Er is dus muziek en zang. Kleuters gaan een voor een de spiraal in naar het middelpunt toe. Daar ontsteken ze hun eigen lichtje aan de grote kaars en dan cirkelen ze weer terug.
Onderweg zetten ze op een gouden ster van de spiraal hun lichtje neer.

De gedachte

November is onstuimig en ruilt oud in voor nieuw. Voordat de winter komt, ploegen de boeren hun land en spitten wij onze tuinen om, zodat alles straks optimaal kan wortelen en groeien.
Ook het kosmische kan dan diep in de aarde doordringen.
In de adventstijd zaait de hemel nieuw leven met sterrenkracht. En ook
al is het buiten donker, diep in het binnenste van de aarde ontkiemt alweer licht.
De bloemen die komend jaar zullen bloeien, zijn er nu al: diep verborgen in het binnenste van de aarde.
Kijken we naar onszelf omdat we een innerlijke weg willen gaan, dan zullen we
moeten beginnen met het maken van diepe verbindingen.
De donkere dagen voor Kerstmis werpen ons terug op onszelf. Wanneer je minder wordt afgeleid door wat er zich buiten je afspeelt, lukt het beter om af te stemmen op jezelf. Als het donker en stil wordt, voelen we ook intenser. Door onze aandacht te vestigen op ons innerlijk, kan daar zich iets ontwikkelen.

Waarom een appel?

Een peuterjuf zei me ooit: “We doen hier niets voor niets: alles heeft een reden of
een betekenis.” Dat geldt ook voor het lichtje dat de kinderen dragen. Hun kaarsje is gestoken in een gouden ster, in een appel. Die ster verwijst naar de ster die de herders en de drie koningen de weg wees naar de stal. De sterrenkracht die in de aarde huist, ook al zien we het niet, kunnen we opvatten als een teken van hoop en houvast. De appel verwijst naar de boom van kennis van goed en kwaad – in het hart van het Paradijs – waar ook de zondeval begon.
Dit lichtje herinnert ons dus ook aan het gegeven dat we nu leven op aarde, waar we onze eigen keuzes moeten maken en dragen.
De lichtjes van de kinderen langs de spiraal maken de ruimte steeds lichter. Zij zijn nog niet vertrouwd met alle symboliek en toch voelen ze de plechtige stemming haarfijn aan: de ingetogenheid en ieders aandacht. Klein en groot, iedereen beleeft dit ritueel op zijn eigen manier. Kijk ook eens naar hoe
kinderen het adventstuintje lopen. Ieder kind loopt anders, want elk kind gaat zijn eigen levensweg.
Die eenheid in verscheidenheid samen beleven en zien hoe vele kleine vlammetjes het donker doen oplossen, wekt vertrouwen. In elk van ons vonkt een beetje sterrenkracht!


[ naar “inspiratie voor ouders”]

Adventstuintje

In de kleuterklassen wordt een adventtuin gelegd van zilverzand met in het midden een grote kaars.
Daar omheen worden stoeltjes klaargezet voor kinderen en tafels voor ouders om op te zitten.
Ook is er ruimte nodig voor de muzikanten uit de hogere klassen en een tafel staat apart voor appelkaarsjes.
Bij het adventtuintje mag per kind één ouder aanwezig zijn

Zie hier:

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden.
Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: ‘Goedenavond Maan!’
‘Goedenavond Sint-Nicolaas’, zei de Maan. ‘Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen’? ‘Natuurlijk’, zei de Maan, ‘als de Zon dan overdag wil helpen…’
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. ‘Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?’
‘Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen, Sint-Nicolaas?’ ‘De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen.’ ‘Ik help graag mee’, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het
Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Kaarsjes “trekken”… in de adventtijd

Activiteit:
getekende ster op goudpapier opvullen met verschillende
materialen [in dit geval glazen schijfjes]

Vloeipapieren sterren vouwen
Zie hier.

Origami lampje vouwen
Zie hier  (link onduidelijk)

In deze weken kerststalletje knutselen


[vanuit het Oberufer Kerstspel] aanzegging:
Engel: Wees gegroet gij begenadigde!
God den heer is met u!
Gij zijt gezegend onder de vrouwen,
want gij zult bevrucht worden
en enen zoon baren
en zult zijnen naam heten Jezus.
En hij zal over zijn volk koning zijn in der eeuwigeid.
Maria: Hoe zal dat wezen,
dewijl ik genen man en bekenne?
Engel: Ziet, ik ben den engel Gabriël
zo ‘t u verkondigt:
de kracht des allerhoogsten zal u overschaduwen.
Daarom ook dit heilige dat uit u geboren wordt
zal Gods zone genaamd worden.
En ziet, Elisabeth uw nichte
is ook zelve bevrucht mit enen zone in haren ouderdom
en deze maand is haar,
die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Want geen ding en zal bij God onmogelijk zijn.
Maria: Ziet de dienstmaagd des heren,
mij geschiede naar uw woord

 

Een verhaaltje:

Een oude man die het einde van zijn leven voelde naderen riep zijn drie zoons bij zich en zei: “Ik kan mijn bezit niet door drieën delen, want wat ik nalaat is niet te verdelen. Daarom heb ik besloten alles wat ik heb na te laten aan degene die het meest intelligent is en het helderste inzicht bezit, anders gezegd: aan mijn beste zoon.
Op tafel ligt voor ieder van jullie een muntstuk. Pak dat. Wie er iets van koopt waarmee deze hut waarin we wonen geheel gevuld kan worden zal alles krijgen.”
Ze vertrokken.
De eerste zoon kocht stro, maar dat reikte slechts tot halverwege.
De tweede zoon kocht zakken met veren, maar ook hem lukte het niet de hut te vullen.
De derde zoon, die de erfenis uiteindelijk zou krijgen, kocht maar iets heel kleins.
Het was een kaars.
Hij wachtte tot het donker was, stak de kaars aan en vulde de hele hut met licht.


Het Luciafeest is een typisch Zweeds lichtfeest dat op 13 december, de
naamdag van Sint-Lucia, wordt gevierd. De traditie is ontstaan in de
middeleeuwen en heeft zich in de 20e eeuw van Västergötland naar de rest
van Zweden en naburige landen verspreid. In Zweden markeert het Luciafeest
nu het begin van de kerstperiode. De traditie heeft elementen van het
voorchristelijke midwinterlichtfestival overgenomen. In vroegere tijden kwam
de dertiende december overeen met de midwinternacht. Door
kalenderwijzigingen in de loop van de eeuwen is het moment van de kortste
dag op de kalender verschoven, hoewel het feest op 13 december bleef staan.
De traditie in Zweden is dat er vroeg in de morgen meisjes in witte kleding
met een rode sjerp en met kaarsjes op hun hoofd het gezin en ouderen
wekken en eten brengen. Daar worden dan ook speciale Lucialiedjes bij
gezongen. Ook is het traditie dat elk dorp jaarlijks een eigen ‘Lucia’ kiest.
Tijdens het Luciafeest worden er vaak lussekatter (gele safraanbroodjes)
gegeten. (uit wikipedia)


Donker wordt de aarde,
Duister overal.
Maar ons hart bewaarde
Licht, dat blijven zal.

Dat het helder brande,
Lichten mag heel ver,
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster!

Lena Struik

Advent:

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent  – jaartafel

.

2552

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Advent (5-1)

.Pieter HA Witvliet
.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is aansteekstok-14.jpg

aansteekstok met dover


Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaarsen meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.
Met een mooie aansteekstok
 voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.
Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’. Met de aansteekstok is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Zo’n stok is eenvoudig te maken:

Nodig
rondhout
triplex/hout
koperbuis
lijm
ijzerzaag
rasp/vijl/schuurpapier
gatenzaag 

  1. Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede tussen 13 en 15 mm meestal) De lengte is natuurlijk afhankelijk van het gebruik: moet je er de kaarsen in de zaal mee aansteken, dan zal die iets langer zijn.*
    De onderkant met rasp/vijl/schuurpapier mooi ‘ronden’.

2. Neem een stukje hout of triplex van ongeveer 1cm dik.
Zaag met een gatenzaag met een doorsnee van 6 à 7 cm een rondje uit het materiaal. Zorg ervoor dat de boor van de gatenzaag niet dikker is dan de doorsnede van het rondhout.

3. Rasp het boorgat iets verder uit zo, dat het rondhout er strak inpast.

4. Rasp/vijl/schuur de randen van het rondje fijn glad.

5. Breng wat lijm aan in het gaatje van het rondje en schuif het rondhout erin tot en met 4 cm vanaf de bovenkant. Verwijder overtollige lijm.

6. Neem een stukje koperen buis met een doorsnede van 15mm. Het stokje moet erin kunnen; dit eventueel wat afraspen. 
Snij met een pijpensnijdertje een stukje pijp af met een lengte van 7 à 8cm.
Wanneer je een ijzerzaag neemt, breng dan eerst mooi haaks erop plakband of verfafplakband aan om mooi recht te kunnen zagen. Bij ‘weglopen’ van de zaag, wordt zo ook het buisje niet beschadigd. Wanneer je een bankschroef gebruikt, let dan op of het buisje door het klemmen niet beschadigd wordt. Dat kun je voorkomen door het tussen houtjes o.i.d. te klemmen.
Vijl de ruwe kanten glad.
Poets het buisje mooi glimmend met koperpoets.

7. Lijm het buisje vast op het rondhout en laat het rusten op het rondje. Als er te veel ruimte is, kun je eerst wat band plakken.

8. Pas de dikte van een kaarsje aan zodat het goed vast komt te zitten in het buisje. 

Zorg dat de lontjes van deze kaars en de kaarsen in de krans mooi rechtop staan, anders lukt het aansteken nog niet goed. Van tevoren aansteken is (de eerste keer) niet mooi.

9. Het stokje is nu klaar, maar je kan nog wat versieren met een blauw lint er kruiselings overheen.
Vervolgens een takje groen, dat je gewoon met doorzichtig plakband vastplakt. Altijd lager dan het vlammetje van de kaars!

10. Aan de onderkant bevestig je, eveneens met plakband, een dovertje.

 

*Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raakt, om de kaars aan te steken.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer een voor een doven.

Wanneer het gewoonte is dat vanuit de adventviering op maandag in de grote zaal een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde. (Onder het lopen het vlammetje met je holle hand beschermen).
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.
.
Advent: alle artikelen – over de krans: nr. 5

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent: jaarfeest    jaartafel

.

`1952

.

 
 
 
 
 

VRIJESCHOOL – jaarfeesten – advent – verhaal (13-3)

.

Klein adventsverhaal

Maria wandelde langs de hemel, langs de zon en de maan en de vele sterren.
Ze knikten haar alle vriendelijk toe.
Maria keek naar de aarde en zag hoe donker het daar weer geworden was.
Ze deed haar mooie blauwe mantel om en dacht: ‘Het is tijd om het Kerstkind naar de aarde te brengen, bij de mensen in hun harten.’

Maria schreed langs de sterren, de zon en de maan.
“Lieve sterren, willen jullie mij helpen om voor het Christuskindje een hemdje te weven?”
‘Ja’,  knikten alle sterren en ze schonken haar het sterrengoud.
Ook aan de zon en de maan vroegen ze het en alle gaven van hun licht.

Maria weefde met zachte hand van al die draden een mooi en glanzend hemdje..
Toen het klaar was, deed ze het haar Kindje aan dat straalde met een groot warm licht.

Nu klingelden de sterrenklokjes en zingend brachten de Engelen het Kerstkind naar de aarde.
.

Over sterren

.

(bron onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

1395

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (13-2)

.
Adventsverhaal

Het verhaal van de vier kaarsen

Heel langzaam brandden eens vier kaarsen.
De omgeving was zo rustig dat men ze kon horen spreken.
De eerste kaars zei: “Ik ben de VREDE.
Ik deed zolang mijn best
opdat mensen geen ruzie zouden maken,
dat ze geen wapens zouden gebruiken,
dat ze niet zouden slaan voor een meningsverschil.
Maar er blijft oorlog overal,
en waar mensen in groepen samenkomen
blijven er twisten ontstaan.
Wat heeft het voor zin dat ik voor hen brand?
Niemand, kan mij beletten dat ik uitdoof.”
Haar vlammetje werd vlug kleiner en doofde uit.

De tweede kaars zei: “Ik ben het VERTROUWEN.
Meestal kan ik gemist worden.
Dus heeft het geen zin meer dat ik blijf branden.
Want ik leer mensen om te geloven
in het leven zelf en in elkaar.
Ik leer hen dat ze samen iets moois kunnen maken,
maar ze luisteren niet.
Hun vertrouwen is zo klein.
Ze geloven alleen wat simpel is
en in dromen die wegvliegen als een veertje.
Mensen vertrouwen niet eens meer hun eigen hart,
en geloven niet in het waarom van hun bestaan.”
Wanneer ze stopte met praten
blies ze zichzelf met een laatste zuchtje uit.

Op haar beurt sprak zachtjes de derde kaars:
“Ik ben de LIEFDE.
Ik heb de kracht niet gekregen om te blijven branden.
De mensen negeren me.
Ze vergeten zelfs hun naasten te beminnen.
Ik had zo gehoopt
dat ik mensen kon helpen
om elkaar warmte te geven,
en het gevoel dat er altijd Iemand
ook van hen hield – zelfs al wist men dat niet.”
Ze wachtte niet langer en doofde uit.

Plots kwam er een kind aan
en zag de drie gedoofde kaarsen.
Het keek naar de vrede
waarvan het licht verdwenen was,
en naar het vertrouwen
dat het nodig had om groot te worden
en om moedig te zijn,
en naar de liefde
omdat het kind niet alleen wilde zijn.
“Waarom branden jullie niet langer?”
riep het kind vol onzekerheid uit.
De drie kaarsen spraken
en vertelden hoe slecht het met hen ging.
Nadat dit alles gezegd was
begon het kind te wenen.

Toen zei de vierde kaars:
“Wees niet bang, mijn kind.
Nu ik nog brand
kunnen we de andere kaarsen weer aansteken.
Want ik ben de HOOP!”
Met glanzende ogen nam het kind de kaars van de hoop
en stak de andere kaarsen weer aan.
Het vlammetje van de hoop
wilde het kind nooit uit het leven laten verdwijnen.

Laten ook wij allemaal de HOOP, het VERTROUWEN, de VREDE
en de LIEFDE bewaren en koesteren!!!
Dan groeit het grote licht
dat Kerstmis is voor vandaag, voor morgen en altijd!

Door Kevin Starmans geplaatst bij facebookgroep vrijeschool, 04-12-2017

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

1385

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

 

ADVENT EN KERSTMIS 

 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

 

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

906

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (3)

 

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)
.

VERBORGEN LICHTJES
.

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donkere jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook
op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose

Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend

In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen

Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

 

*dit liedje begint zo:

 Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals
‘komt uit verre’)

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar – peuter/kleuterklas

[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

658-604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent – alle artikelen

.

1.De vier adventszondagen
Hans ter Beek over: advent; St.-Nicolaas; Sint-Lucia; Kerst; de kerstspelen; winterzonnewende; de 4 natuurrijken

St.-Nicolaas en Advent
confrontatie met ons eigen oerbeeld; verwachting; stilte; dood

2.Steen
Yvon Hummel over: de 4 adventsdagen in het teken van de ‘elementen’: aarde: gesteente; vader- en zoonprincipe; graniet

3.Oergesteente  Een verhaal over gesteente voor de 1e adventsviering
Theo ten Bruin, vertaling uit: Von Pflanzen und Tieren, Steinen und Sternen, Elisabeth Klein, over: het oergesteente – graniet; kwarts, glimmer en veldspaat; betekenis voor de wereld

4.Advent
Marieke Anschütz over: voorbereiding in het gezin; welke mogelijkheden zijn er om te vieren

5.Adventskrans
Verschillende auteurs over: verschillende adventskransen; aansteekstok; adventskalender

6.Drie aangezichten van december
J.Zeylmans van Emmichoven over: bedrijvigheid, verwachting, depressie

7.Advent
Henriette de Boer over: voorbereiden en vieren; wat is advent; de krans; Sint en Piet als symbolische helpers;

8.De tere stilte van advent
Jelle v.d.Meulen over: stemming ‘oefenen’; ervaringen in een therapeutisch instituut

9.Advent
H.W.IJzerman over: voorbereiding kleuters; kleintjes in gezin; wat geef je mee: vertrouwen;
wat doen we in de adventtijd: op zondagmorgen kinderen verrassen; adventskalender(tje); verhaal; bakken  zie ook bijv. knutselen

10. De adventsviering en St.-Nicolaas
Andrea over: in de kleuterklas, adventstuin, adventskrans (zie 5), adventskalender, jaartafel ; advent in de sinterklaastijd

11.Wereldstilte
Gerard Reijngoud over: de spanning tussen drukte en stilte

12.Advent
Annet Schukking over: in de wereld (van 1974); wel of geen kinderen krijgen/houden?; verhouding tot kerst(spelen); Maria en Jozef; Herodes; beelden als hulp voor gezonde gedachten en verbodenheid

verhalen:
13-1.De  ongelukkige waskaars 
Een adventsverhaal van Dan Udo de Haes; klein
13-2.Verhaal over de vier kaarsen. (Voor oudere kinderen, denk ik)
13-3.Mariaverhaaltje – als inleiding op lied ‘Over sterren’, voor kleuters
13-4. Het geschenk van de koning die in het verborgene heerst (1e adv)

Sint-Nicolaas en Maria, een verhaal van Dan Udo de Haes, vaak in peuter- en kleuterklas gebruikt: zie advent 17

14.Wanneer is het jaar jarig
Maarten Udo de Haes over: advent, 1 januari, Pasen? waar is het begin van een kringloop; hoe beginnen de evangeliën; wanneer begint de dag; advent: christelijk jaarbegin; 1 januari: een tweede begin; nog een begin: Pasen; kiemlegging, geboorte, verwerkelijking;

15.Advent in de 1e klas
Juf Huls over: een kleine impressie

16.Advent in de kleuterklas
Een kleine impressie

[17].Advent – op weg naar kerst
Loïs Eijgenraam over: wat kunnen we verstaan onder ‘ongeborenheid’ – het nog niet geboren-zijn; Steiner daarover; Sixtijnse madonna; Maria en Sint-Nicolaas, verhaal van D.Udo de Haes;

Advent en Kerstmis
Annemieke Zwart over: Annemieke Zwart over: verbinding advent en Kerst; adventstuin-spiraal; heilige nachten; Olaf Asteson; kerstspelen

De beleving van advent door een leerling, jaren later weergegeven

Advent op de site van Eveline Clignet

Gezongen adventsliederen op de site van Eveline Clignet

.

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

408-383

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (15)

.

ADVENT IN DE 1E KLAS

Vrijdagmiddag (27 november*) kwamen enkele ouders de kerst­stal en kerstgroep brengen. Nieuwsgierig en blij heb ik alles bekeken. Nieuwsgierig, omdat ik niet wist hoe het eruit zou zien en blij omdat het een fijn gevoel is om te weten dat ouders je helpen en dingen voor je maken.

Hoe het eruit ziet? Kom maar kijken, ik ben er erg tevreden mee en wil iedereen die hieraan mee­gewerkt hebben heel erg bedanken.

Advent is voor mij de eerste keer, dat ik dit met een eigen klas beleef. Dit stukje werd aan de vooravond van de advent geschreven. Alles is voorbereid en doorgesproken, de klas ziet er gezellig uit en ik heb al zin om te beginnen.

Deze hele periode door hebben we iedere dag bij het begin een vast adventgebeuren.
s Morgens komen de kinderen de klas in. We beginnen met de spreuk. Dan mag de engel (iedere dag een ander kind) de kaars in de adventkrans aansteken. Op de grond van de klas ligt een spiraalvorm van dennengroen, die naar het midden toe voert, waar een grote kaars staat. Elk kind mag bij ’t zingen en spelen van adventsliederen een eigen kaarsje aan deze grote kaars (die door de engel wordt aangestoken) gaan aansteken. Als dit gebeurd is, mag de engel een poortje van de adventkalender open maken en een pak­je uitpakken van de “adventslinger”. Daarna wordt er een verhaal verteld uit “Ma­ria’s kleine ezel” van Gunhild Sehlin. Wanneer dit gebeurd is gaan de kaarsen uit en spelen we het kerstspel.
Dan pas begint het hoofdonderwijs.

(Dit artikel – van juffie Huls, *nadere gegevens onbekend – ging nog verder met een voorbeeld uit het schrijfonderwijs)
 .

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

372-351

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (13-1)

.

Hier volgt een verhaal van Dan Udo de Haes.
Hij schreef vier bundels rond de jaarfeesten met als titel ‘Zonnegeheimen’.

Het verhaal over de waskaars staat in deel 1 ‘Advent, Kerstmis, winter.

Hoewel de taal soms wat gedateerd is, is het motief zeer bruikbaar. Ik heb het vaak verteld – hier en daar wat aangepast met eigen zinnen.

DE ONGELUKKIGE WASKAARS

In de la van een oud kabinet werd eens een mooie glanzende waskaars gelegd. Hij was van echte bijenwas gemaakt en daardoor rook hij naar honing en was zo half en half doorzichtig, zoals men dat tegenwoordig haast niet meer ziet. Maar de mooie waskaars kwam hier terecht tussen een hoop oude rommel en waardeloze lorren, die al jaren lang in de la hadden gelegen en die daardoor eigenlijk niet veel bijzonders te vertellen hadden.

Daar was bijvoorbeeld een mager oud vouwbeen dat nooit meer gebruikt werd, een rondachtig stenen voor­werp, dat diende om papieren onder zich te bewaren, een onafgemaakt breiwerkje, waar men niet meer aan dacht, een oude pennenbak met enige penhouders erin, die opzij waren gelegd toen de mensen vulpennen kregen, een paar versleten stoflappen, die men vergeten had weg te gooien en nog enkele meer van zulke dingen.

De waskaars kwam hier als een nieuweling bij en hoe­wel hij dat zelf natuurlijk niet wist, was hij door de mensen net pas gemaakt. Hij voelde echter wel, dat hij de enige jonge ziel was tussen al deze oudgedienden. Vandaar ook dat het een hele opschudding teweeg bracht toen hij bin­nen kwam. De pennenbak, de papierbewaarder en het vouwbeen knepen alle drie tegelijk hun neus dicht en spotten en mopperden met elkaar over die rare lucht die daar in de la kwam. Zij konden zich namelijk niets anders meer herinneren dan het muffe luchtje waarin zij zelf al sinds onheuglijke tijden gelegen hadden en alles wat anders rook, vonden zij niet zoals het hoorde. Een enkele keer hadden zij al eens iets te ruiken gekregen, dat zij niet in de haak vonden, zoals bijvoorbeeld een stukje nieuw leer of iets dat van vers hout gemaakt was, maar dat was nog niets, vergeleken bij de zoete honinggeur van deze vreemdeling, die de hele la verontreinigde! Die was gewoonweg niet om uit te houden! Bovendien was dat nog niet het enige! Dat nieuwe ding was daar binnen­gekomen met een pronkende glans, die de ogen van de oude luitjes eenvoudig verblindde. Nu, daar kon men over denken zoals men wilde, maar voor bejaarde dingen, die wisten hoe men zich te gedragen had, was dat een onhebbelijkheid, die alle perken te buiten ging.

Zo werd dus de jonge lichte waskaars niet bijzonder vriendelijk ontvangen en alle labewoners deden even bits en terughoudend tegen hem. Twee dingen alleen deden anders; dat waren een doosje lucifers en een kandelaar. Die waren namelijk de enigen in dit tehuis die wel eens in de buitenwereld kwamen en die wisten, dat daar nog wel wat anders te beleven viel! Zij lagen echter aan de andere kant van de la en daarom konden zij helaas toch niet met de waskaars omgaan. Maar uit de verte hoorde het jonge ding het lucifersdoosje wel eens iets vertellen van „daarbuiten”. Dan meende hij zo iets op te vangen van „licht” dat je zelf in de duisternis kunt maken, van „vuur” dat je in anderen kunt doen ontbranden en van dergelijke wonderlijke dingen meer, die in die grote wereld schenen te gebeuren. Maar het leek wel of er be­halve de kandelaar eigenlijk niemand hiernaar luisterde. Ach hoe graag zou de waskaars zijn plaats geruild hebben met een van die onverschillige oude stamgasten die daar bij het lucifersdoosje lagen! Maar van plaats te verwisse­len behoorde in de la tot de meest onbetamelijke dingen. Waar je lag daar bleef je liggen en daar viel niet aan te tornen!

Zo lag de jonge onervaren nieuweling hier eenzaam en ongelukkig tussen al die grommende en brommende oude lui en daar zijn glans nergens op hen weerspiegelde en evenals zijn geur overal afgekeurd en bespot werd, begon hij te geloven, dat het werkelijk hele slechte dingen waren, die hij bezat en dat het eigenlijk vreselijk was, dat hij ze om zich heen verspreidde. Daarom probeerde hij voortaan, ze maar zo veel mogelijk bij zich te houden. Helaas hielp dat niet veel, want hij kon ze toch niet ver­stoppen en hoe meer hij zijn best deed om net zo dof te zijn en net zo muf te ruiken als de andere dingen, des te meer werd hij bespot en uitgelachen. Ach, er was wel niemand in de la, die zichzelf zo slecht vond en die zich zó ongelukkig voelde als de jonge waskaars!

Eens op een dag was er een grote opschudding in de la. Er had namelijk zo iets als een aardbeving plaats! Waar­schijnlijk was er een grote hond tegen het kastje gespron­gen, of misschien had iemand het een beetje onvoorzichtig verschoven. Dat was voor de wezens daarbuiten niet veel bijzonders, maar voor de bewoners van de la was dat een aardbeving! Zij werden heen en weer geslingerd en door elkaar geschud en kregen tenslotte een heel andere ligging. Beduusd keken ze rond, toen ze van de eerste schrik be­komen waren… Ach, wat zag er alles nu anders uit! Het leek wel een andere wereld! Wat eerst ver af was, was nu dicht bij en waar men zich vroeger zowat aan stootte, was nu onbereikbaar ver geworden. Wat een moeite om nu opnieuw te weten te komen, wat gewoon of wat niet gewoon was en wat goed of slecht gevonden moest wor­den! Maar daar de duisternis en de muffe lucht dezelfde waren gebleven en daar alle wezens na de schok weer even stil kwamen te liggen als voorheen, waren de nieuwe regels toch weer gauw gevonden. En ziet, het bleek al spoedig, dat die eigenlijk precies dezelfde waren als de oude en dat er niets veranderd was in de wereld van de la. Vóór alles waren alle oude dingen het erover eens, dat de waskaars met zijn glans en zijn geur na de aardbeving even onmogelijk was gebleven als tevoren. Ja, het was nu zelfs nóg erger met hem geworden, want hij glansde meer dan hij ooit had gedaan.

En… zij hadden gelijk! Want wat was er gebeurd?

De waskaars was door de schok geworpen naar de voorkant van de la, waar er een kier zat tussen de planken en daar was hij juist voor komen te liggen. Door deze kier kwam een beetje daglicht naar binnen en dat drong in de waskaars. Zo kwam het, dat zijn glans nog was toege­nomen.
Foei, foei, wat een verblindend licht en wat een schan­de in de ogen van die oude lieden!
Maar… de waskaars kon door de kleine kier naar buiten gluren.
En wat zag hij daar? .
Een heel nieuwe wereld!
Een wereld van licht!

En in die lichte wereld waren vreemde wezens, wezens die er heel anders uitzagen dan alle dingen in de la. Zij lagen niet stil, zoals dit onder de deftige l-bewoners de gewoonte was, maar bewogen zich voort op twee lange steunsels die onderaan zaten. Iets hoger aan hun lijf hadden zij twee kleinere uitsteeksels, waarmee zij allerlei konden aanpakken en doen. Het leek zelfs wel, of zij met die uitsteeksels andere dingen konden maken! Dat scheen de waskaars een wonder toe! Zoiets gebeurde in de la nooit! Maar hij zag nog meer: Boven op hun lichaam droegen die wezens een grote bal met allemaal deuken en hobbels en ook met twee spiegeltjes erin. Of waren dat lichtjes? Dat was niet goed te zien, want soms spiegelden zij en soms straalden ze net als de sterren.

Kijk! deze wezens glansden dus wel!, dacht de kaars bij zichzelf. En het scheen wel of zij het ook helemaal niet slecht vonden om te glanzen! Zou hij misschien met hen verwant zijn? Hij voelde zich in elk geval erg tot hen aangetrokken. Maar wat zouden het toch voor wezens zijn? Zouden dit misschien die „mensen” zijn, waar in de la wel eens van verteld werd?

Er werd erg verschillend over hen gesproken.

De oude voorwerpen konden zich nauwelijks meer iets van de mensen herinneren. Vroeger waren ze wel met hen omgegaan, maar dat was al zo ontzettend lang geleden en tegenwoordig vonden ze hen alleen maar vervelend. Dat was geen wonder, want die „mensen” waren de enige wezens die telkens hun rust verstoorden. Dat deden zij namelijk door de la open te schuiven, waarbij er een akelig fel licht naar binnen viel en waarbij het gezelschap in de la telkens geheel in de war werd gebracht. Want al was ’t dan nog niet zo’n „aardbeving” als van daareven, toch werd er dan gerommeld en gestommeld, geduwd en ge­stoten en duurde het een heel lange tijd, voordat de rust was teruggekeerd. Zo werd er over het algemeen niet erg gunstig over die „mensen” geoordeeld. De enigen, die wat goeds van hen wisten te vertellen en die zich min of meer bevriend met hen schenen te voelen, waren weer dezelfde makkers die zich daar nog altijd aan de andere kant van de la bevonden: de kandelaar en het lucifersdoosje. Bij het lucifersdoosje was daar nog een persoonlijke reden  voor, want dat licht in de duisternis, waar het van verteld had, kon het namelijk zélf maken. Maar… de mensen moesten hem daarbij helpen. Zonder hen kon hij het niet klaarspelen. De kandelaar echter voelde zich vooral dank­baar, omdat hij alle feesten van de mensen bij mocht wo­nen en omdat hij hierbij een zeer verantwoordelijke per­soonlijkheid was. Daardoor was het ook te begrijpen, dat hij steeds glom van plezier als de la open ging.

Nadat nu de waskaars al deze aardige en minder aardige dingen had horen vertellen, was het niet te ver­wonderen, dat hij popelde van nieuwsgierigheid om van die menswezens meer te weten te komen. Het allerliefst zou hij eens een tijdje in hun wereld willen zijn en zelf beleven of het allemaal waar was, wat er van hen verteld werd. Zouden zij werkelijk alles wat er in iemand was licht kunnen laten geven? Het lucifersdoosje had dat im­mers zelf verteld! En als zij dat deden, zouden zij dan zijn glans misschien ook niet zo erg slecht vinden?… Maar ach, hij was er natuurlijk niet goed genoeg voor om bij hen te zijn. Kijk, daar waren vele dingen om die mensen heen, die precies leken op de oude gezellen in de la. De waskaars zag duidelijk personages, die net zo mager waren als het vouwbeen; anderen waren even dik en zwaarlijvig als de papierbewaarder en weer anderen schenen net zo hol tge zijn als het pennenbakje. Maar deze dingen dienden de mensen zeker en dat zou hij vast niet kunnen. Daarom mocht hij natuurlijk niet bij die mensenwezens komen!
Deze droevige gedachte vervulde de waskaars lange tijd… Totdat er op een goede dag iets bijzonders ge­beurde.

De jonge kaars gluurde als gewoonlijk door het kiertje naar buiten en hij zag de mensen in een grote kring bijeen zitten.

Zij waren zoals altijd in de weer met hun bovenste uitsteeksels en het scheen of zij ditmaal bezig waren sa­men iets te maken. Maar wat zij maakten scheen iets heel merkwaardigs te worden. Midden in de kring op de grond lag er namelijk een hoge stapel takken en groen;
„dennengroen” noemden de mensen dat en daaruit vlochten zij een groot rond ding dat zij „krans” noemden. Al vlech­tende spraken zij over de winter die voor de deur stond en over een feest dat zij in het begin van de winter wilden vieren. Dat scheen wel een heel bijzonder feest te zijn, want bij alle mensen, de groten en de kleinen, begonnen de spiegeltjes sterker te glanzen wanneer er over dit feest gesproken werd. Eindelijk begon het donker te worden en het werd steeds moeilijker om iets te zien van wat daarbuiten gebeurde. Toen zei een van de mensen: „Laten we onze waskaars eens halen!”… En de anderen vielen hem dadelijk bij: „Ja, ja…!”

Wat had dat te betekenen?

Zou de kaars deze woorden goed verstaan hebben?

Waarom moest hij er bij komen? En waarom moest dat juist nu gebeuren, nu er tóch niets meer te zien viel? Ach, hij begreep het al! Omdat hij toch voor niets deugde, wil­den de mensen hem maar weggooien!… Nu dan was het dus met zijn leven gedaan!

Het volgende ogenblik kwam er weer een hevige schok. De la werd opengeschoven en een laatste restje daglicht viel naar binnen. De waskaars die met angstige spanning lag te wachten, voelde dat hij opgepakt en meegenomen werd. Waar zou hij terecht komen? Op een hoop afval? Of zou hij misschien begraven worden? Hij bereidde zich op de ergste dingen voor, maar hij had hiertoe niet lang tijd, want het volgende ogenblik voelde hij, dat hij met zijn voeten ergens op neer werd gezet. ,,Dat is de bodem van de kuil!” dacht hij, terwijl het angstzweet hem uit­brak… Zonder het zelf te willen en zonder het ook eigenlijk te durven sloeg hij toch even een blik naar beneden…

Wat zag hij daar?

O welk een heerlijke geruststelling! Welk een vreugde! Dat had hij niet durven dromen, dat hij daar op stond! Het was niemand anders dan die goede vriendelijke kan­delaar, die hem op de schouders droeg! Hoe verdwenen nu plotseling alle angsten als sneeuw voor de zon! De
kan­delaar was immers zo dikwijls bij de mensen geweest en hij had er nooit anders dan goeds van verteld. Op zijn schouders kon het niet anders dan veilig zijn! Maar zie, daar was er nóg een, die meegekomen was en toen de waskaars hem zag, kende zijn vreugde geen grenzen.

Die derde was niemand meer of minder dan het lucifers­doosje! Nu was het de kaars of het helder licht werd in zijn hart!

Maar intussen was het overal om hem heen donker geworden… Daar nam een van de mensen het lucifers­doosje op, maakte enkele wonderlijke bewegingen en… een lichtje straalde in het rond! Het was dus werkelijk waar: De mensen konden licht maken uit wat iemand daar binnen in zich droeg en zij vonden het goed als iemand zo straalde!

Maar wat gebeurde er nu? Daar kwam de mens die het lichtje had gemaakt bij hem en raakte er de pluim van zijn mutsje mee aan… O wonder! Daar straalde hij met zo’n zelfde lichtje in het rond!

O, nog nooit in zijn leven had de waskaars zich zo gelukkig gevoeld! Hij straalde en straalde maar en ver­lichtte alle mensen in de kamer! Nu zag hij het. Het was niet omdat hij nergens goed voor was, dat hij eerst niet bij de mensen mocht komen; neen, zij hadden hem juist voor de duisternis bewaard om die te doorlichten! – Kijk, daar waren de spiegeltjes die hij boven in de mensen ontdekt had ook weer!

Maar wat zag hij daar nu in? Hij zag in alle spiegeltjes een vlammetje wapperen! En onder dat vlammetje zag hij iets lichts. Wat mocht dat zijn? Hij had het gevoel dat dat met hem te maken had, maar hij kon het niet her­kennen.

Op een gegeven ogenblik begon het vlammetje dat hij droeg, te flakkeren en… daar begonnen de lichtjes in alle spiegeltjes van de mensen óók te flakkeren! Nu be­greep de waskaars wat dat was. „Zie”, zei hij, „het is mijn licht dat uit al deze mensen straalt en dat glanzende daaronder is mijn lijf!”

O welk een heerlijke gedachte! En hoe voelde de was­kaars zich hier nu thuis in deze wereld! Werkelijk, dat had hij nooit kunnen dromen: Niemand anders dan hij was hier immers de bron van al het licht en de mensen deden niets anders dan zijn glans weer verder stralen! Steeds gelukkiger voelde zich de waskaars en… steeds hoger begon hij van zichzelf te denken…

Totdat hij plotseling een vreselijke ontdekking deed!

In zijn verheerlijkte gevoelens had hij zich in het geheel niet afgevraagd, hoe het zijn vriend, de kandelaar ging die hem zo welwillend op de schouders droeg. Dat viel hem plotseling te binnen en hij gluurde weer eens even naar omlaag. Maar wat hij nu zag was zó verschrikkelijk dat hij van onsteltenis bijna omlaag was getuimeld.

Wat was dat?

Wel dat was niets meer of niets minder dan dat er een groot stuk van zijn eigen lichaam verdwenen was!

O welk een afschuwelijke ontdekking! – Als het zo door­ging, zou hij binnen korte tijd er helemaal niet meer zijn!

De waskaars knetterde en knisterde van angst en zijn vlammetje ging uit…

Dat gaf even een verwarring onder de mensen, maar na enig gestommel hadden zij iets anders te voorschijn gehaald en al gauw zag de kaars een nieuw lichtje bran­den. Het ding dat dat lichtje droeg kende hij niet, maar hij hoorde zo iets zeggen als „lamp” en „olie” en een andere mens zei: „Jammer dat de waskaars het niet meer doet!” Toen werd hij in de la teruggelegd.

Gelukkig voor hem kwam hij op hetzelfde plaatsje terecht, waar hij het laatst gelegen had, zodat hij opnieuw door de kier naar buiten kon kijken. Anders had hij het daarbinnen zeker niet kunnen uithouden, want nu werd hij dubbel gehoond en bespot. En ach, deze bespottingen troffen hem nog veel dieper dan vroeger, want nu voelde hij dat hij ze verdiende. Waren zijn hoogste wensen zo­juist niet vervuld en had hij zelf niet alles bedorven? Maar hoe had hij ook kunnen weten, dat er zulk een offer van hem verlangd werd? Wie had hem kunnen zeggen, dat hij om zijn geluk te bereiken, zijn eigen leven moest af­staan? Neen, tot dit offer was hij niet in staat!

„Wel”,… hoorde hij een honende stem in de la zeg­gen, „heb je daar bij de mensen willen glanzen met je licht? Dat is je zeker niet gelukt hè? En ben je nu afge­dankt? Ja, ja, nu zitten wij weer met je opgescheept! Gelukkig maar, dat je tenminste een beetje kleiner bent geworden! Misschien dat je daardoor iets beter te ver­dragen bent!”… En meer van dergelijke hatelijkheden kreeg hij te slikken.

De waskaars hoorde geduldig al deze opmerkingen aan en tuurde stil naar buiten. Het was immers alles waar, wat die oude lui daar in de la zeiden! Maar wat moest hij be­ginnen? Hoe kon hij nu zijn eigen aard veranderen? Neen, wat daarbuiten van hem verlangd werd, zou hij nooit kunnen volbrengen! Dus bleef er niets anders over, dan eeuwig hier in de duisternis te liggen en alle bespottingen te doorstaan.

Zwijgend tuurde hij naar buiten.

Daar zag hij het andere lichtje dat de mensen hadden aangestoken en hij zag, hoe ze verder werkten aan de grote groene krans. Ook vele andere mooie dingen maak­ten zij: voorwerpen die zij verzilverden of verguldden… en alles was bestemd voor dat feest waar zij voortdurend over spraken. Nu zag de waskaars ook, welk lichtje op dit ogenblik uit de spiegeltjes van de mensen blonk. Dat was het vlammetje van die lamp!… Maar hoe zou het de lamp zelf daarbij vergaan? Zou hij ook zijn lichaam er bij moeten verliezen? Neen, hij scheen er helemaal niet klei­ner van te worden… Maar kijk, in z’n buik zat er toch iets dat steeds minder werd! Dat moest hij zeker weggeven om te kunnen stralen in de wereld?…

De lamp scheen het met plezier te doen. Maar… wat die lamp weggaf, had hij van de mensen gekregen! De waskaars had zelf gezien, dat het in zijn buik gegoten werd! Zo iets kon je gemakkelijk afstaan, vooral als je misschien telkens nieuw kreeg. Maar hij, de waskaars, moest om te stralen zichzelf weggeven! Dat was nog heel wat anders!

Stil tuurde en tuurde hij door de kier.

Eindelijk scheen de krans klaar te zijn en de waskaars hoorde hoe een van de grote mensen tegen de kleineren zei „kinders kom nu eens om mij heen, ik zal jullie eens wat vertellen!”

Nu kwamen alle kleine mensen om die ene grote heen en hij vertelde: „Toen de Lieve God de eerste mensen schiep, waren zij nog zo rein en goed, dat zij overal om zich heen een heldere glans verspreidden. Maar helaas kon het zo niet blijven. Zij werden tot boze dingen verleid en nu was het met hun glans gedaan! Geen sprankeltje licht verspreidden zij meer en ook hun nakomelingen keken duister om zich heen. Dat ging zo duizenden jaren voort, totdat een kind geboren werd, dat hen uit de duis­ternis verlossen kon. Dit kind was het Godskind. Dat had de glans die van de mensen geweken was, opgevangen en bewaard en toen het op aarde geboren werd, bracht het tezamen met zijn eigen licht, de verloren glans terug.

Die legde het de mensen in het hart. Maar zó diep legde het dat licht, dat het van buiten niet te zien was. En zo ligt de glans van het Godskind nu in ieder mensenhart verbor­gen, zonder dat iemand het ziet.” „En kan die glans dan nooit naar buiten stralen?”, vroeg een van de kinderen. „Ja, telkens als iemand zich iets van het Godskind
her­innert, begint die glans een klein beetje naar buiten te komen.”

„Maar hoe kan iemand zich iets van het Godskind her­inneren?” vroeg nu een ander kind.

„Door een beetje van zichzelf te vergeten,” antwoordde de grote mens, terwijl hij dromend voor zich uitstaarde en het wel leek, of hij zelf niet precies wist wat hij gezegd had.

„Ja maar,” vroegen nu alle kinderen tegelijk: „wie kan nu zichzelf vergeten?”

„Ja dat is waar,” beaamde de grote mens, die uit zijn overpeinzingen ontwaakte. „Dat kan natuurlijk niemand. Maar ik geloof toch, dat we er allemaal wel iets van kun­nen leren. En in elk geval zijn er wezens die ons daarbij helpen doordat zij ons vertonen, hoe je werkelijk kunt stralen door jezelf te vergeten.”

„Wat zijn dat dan voor…”

Verder luisterde de waskaars niet. Hij had zijn besluit genomen. Hij rolde en wentelde, zonder zich iets te bekommeren om de regels in de la, net zo lang tot hij vlak bij de kande­laar en het luciferdoosje kwam te liggen. Toen wachtte hij geduldig af wat er gebeuren zou. De volgende dag, toen weer alle mensen en kinderen verzameld waren om de krans, hoorde hij een van de groteren zeggen: „Kom, nu steken we weer een lampje aan en gaan bij de krans zingen!”

Toen werd de la opengeschoven en een van de mensen greep naar het lucifersdoosje. Maar nu gebeurde het, wat de waskaars had gehoopt. De mens die het lucifersdoosje opnam, zei: „Kijk, daar ligt de kaars ook! Laten we het nog eens met hem proberen. Het licht van een waskaars is toch verreweg het mooiste!”

Toen werd de kaars uit de la genomen en op de groene krans gezet en de kinderen kwamen in een kring er om­heen staan. De grote mens stak hem opnieuw aan en toen hij zijn licht in het rond liet stralen, zongen de kinderen met heldere stemmen:

Daar is een kindeke geboren op aard…

Opnieuw zag de waskaars hoe zijn eigen vlammetje weerkaatste in de spiegeltjes van de kinderen. Maar hij zag ook, dat er uit hun gezichten een nog veel grotere glans begon te blinken. Nu begreep hij, welk groot licht dit was en hij begreep ook, dat hij uit alle kleine vlamme­tjes uitverkoren was om mee te mogen helpen, dat veel grotere licht in de kinderen wakker te maken. Toen be­dacht hij zich geen ogenblik meer en hij straalde en straalde, totdat het laatste restje van zijn lichaam was op­gebrand.

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

362-341

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (12)

.

ADVENT 

Kerstmis nadert.
We vieren advent, de verwachting van de geboorte van het Kind.

We vieren advent in een tijd, waarin je steeds meer geneigd bent te denken, dat som­mige kinderen maar niet geboren moeten worden.*

In een tijd waarin steeds meer mensen menen te kunnen voorspellen dat het leven van sommige kinderen niets dan ellende voor zichzelf en voor anderen zal betekenen, zo­dat het een.goede, een sociale daad is om de geboorte van deze kinderen op de meest radicale wijze te verhinderen.

Steeds moeilijker wordt het de zorg van het leven voor de ene mens af te wegen tegen de verantwoordelijkheid voor dat van een ander. Normen die eens vanzelfsprekend waren, blijken nu weerstanden op te roepen, maar waarop berust datgene wat als voor­uitstrevend en juist verkondigd wordt? Hoe houd je in de maalstroom van de ontwikke­ling het zicht op de kern van de problematiek?

In deze tijd betekent het een weldaad om beelden voor ogen te krijgen die tot deze kern terugvoeren.
Dat zijn de beelden zoals deze gegeven worden in de Kerstspelen,
die jaarlijks in de school voor de leerlingen en voor de ouders en vrienden wordenopgevoerd. Spelen, die in hun eenvoud zo zuiver en zo raak het drama van de menselijke ontwikkeling voor ogen stellen, dat iedere discussie overbodig wordt.
Het kan dan ook gebeuren, dat wanneer je jarenlang deze spelen hebt gezien en je je op een ander moment van het jaar met een bepaalde problematiek bezig houdt, plotseling beelden uit het Paradijs-, het Herders- of het Driekoningenspel in je opduiken en een verhelderend licht hierop werpen,

Maria die de engelboodschap hoort. Ze is eigenlijk niet blij, maar eerder verrast. “Hoe zal dat zijn dewijl ik genen man en bekenne?” vraagt zij. In een tijd waarin het meest intieme samenzijn van man en vrouw nog onbewust in de slaap kon plaats vinden, is haar verwondering oprecht.

Zij heeft dit niet verwacht, zeker niet “gewenst”. Maar zij aanvaardt in vertrouwen de opdracht die haar gesteld wordt en die voor haar levensbeheersend zal zijn:
“Mij’ geschiede naar Uw wil.”

Jozef en Maria
Zij hebben het niet breed. Geen sociale voorzieningen; van hun armoedje moeten zij nog “tribuut” betalen en bovendien onder benarde omstandigheden een reis ondernemen. Zij worden onvriendelijk bejegend en het aanbod van een stal als kraamkamer moet als een gunst beschouwd worden. Hun verbondenheid wordt er echter door versterkt.

Koning Herodes
Rijk en bekleed met macht. Maar hij hecht hieraan terwille van zichzelf. De angst voor het verlies van zijn positie drijft hem er toe duistere ingevingen te volgen en tenslotte naar het meest radicale middel te grijpen …

Het lijkt misschien naïef om aan deze beelden zoveel waarde te hechten. Ik geloof dat het goed is om tegen Kerstmis weer naïef te zijn. Naïef heeft te maken met gebo­ren worden. Het kerstfeest is niet zozeer een feest van tradities als van een nieuwe geboorte. Daarom is de kersttijd ook de tijd van de goede wensen.

Je zou wensen dat veel mensen de beelden uit de kerstspelen, die ons in de december­maand door de leraren van de school geschonken worden, in zich mee zullen dragen, het nieuwe jaar in. En dat deze beelden ertoe zullen bijdragen dat er gezonde ge­dachten geboren worden, gedachten, die de vrucht zijn van een omvattend weten en een zuiver gevoel voor verbondenheid.

(Annet Schukking, 1974, nadere gegevens ontbreken)

*vooral de tijd van de dreiging van kernwapens (wel of niet plaatsen in Nederland) en de roep om abortus te legaliseren (baas in eigen buik)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

361-340

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.