Tagarchief: advent

VRIJESCHOOL – Advent (5-1)

.
Pieter HA Witvliet
.

aansteekstok met dover


Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaarsen meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.
Met een mooie aansteekstok
 voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.
Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’.Met de aantsteekstok is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Zo’n stok is eenvoudig te maken:

Nodig
rondhout
triplex/hout
koperbuis
lijm
ijzerzaag
rasp/vijl/schuurpapier
gatenzaag 

1)Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede tussen 13 en 15 mm meestal. De lengte is natuurlijk afhankelijk van het gebruik: moet je er de kaarsen in de zaal mee aansteken, dan zal die iets langer zijn.*
De onderkant met rasp/vijl/schuurpapier mooi ‘ronden’.

2.Neem een stukje hout of triplex van ongeveer 1cm dik.
Zaag met een gatenzaag met een doorsnee van 6 à 7 cm een rondje uit het materiaal. Zorg ervoor dat de boor van de gatenzaag niet dikker is dan de doorsnede van het rondhout.

 

 

3.Rasp het boorgat iets verder uit zo, dat het rondhout er strak inpast

4.Rasp/vijl/schuur de randen van het rondje fijn glad

5.Breng wat lijm aan in het gaatje van het rondje en schuif het rondhout erin tot en met 4 cm vanaf de bovenkant. Verwijder overtollige lijm.

6.Neem een stukje koperen buis met een doorsnede van 15mm. Het stokje moet erin kunnen; dit eventeueel wat afraspen. 
Snij met een pijpensnijdertje een stukje pijp af met een lengte van 7 à 8cm.
Wanneer je een ijzerzaag neemt, breng dan eerst mooi haaks erop plakband of verfafplakband aan om mooi recht te kunnen zagen. Bij ‘weglopen’ van de zaag, wordt zo ook het buisje niet beschadigd. Wanneer je een bankschroef gebruikt, let dan op of het buisje door het klemmen niet beschadigd wordt. Dat kun je voorkomen door het tussen houtjes o.i.d. te klemmen.
Vijl de ruwe kanten glad.
Poets het buisje mooi glimmend met koperpoets.

 

7.Lijm het buisje vast op het rondhout en laat het rusten op het rondje. Als er te veel ruimte is, kun je eerst wat band plakken

8.Pas de dikte van een kaarsje aan zodat het goed vast komt te zitten in het buisje. 

Zorg dat de lontjes van deze kaars en de kaarsen in de krans mooi rechtop staan, anders lukt het aansteken nog niet goed. Van tevoren aansteken is (de eerste keer) niet mooi.

9.Het stokje is nu klaar, maar je kan nog wat versieren met een blauw lint er kruiselings overheen.
Vervolgens een takje groen, dat je gewoon met doorzichtig plakband vastplakt. Altijd lager dan het vlammetje van de kaars!

10.Aan de onderkant bevestig je, eveneens met plakband een dovertje.

 

*Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raak, om de kaars te doen ontsteken.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer één voor één doven.

Wanneer het gewoonte is dat vanuit de adventvieriung op maandag in de grote zaal een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde. (Onder het lopen het vlammetje met je holle hand beschermen.
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.
.
Advent: alle artikelen – over de krans: nr. 5

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent: jaarfeest    jaartafel

.

`1952

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

(phaw)

 

VRIJESCHOOL – jaarfeesten – advent – verhaal (13-3)

.

Klein adventsverhaal

Maria wandelde langs de hemel, langs de zon en de maan en de vele sterren.
Ze knikten haar alle vriendelijk toe.
Maria keek naar de aarde en zag hoe donker het daar weer geworden was.
Ze deed haar mooie blauwe mantel om en dacht: ‘Het is tijd om het Kerstkind naar de aarde te brengen, bij de mensen in hun harten.’

Maria schreed langs de sterren, de zon en de maan.
“Lieve sterren, willen jullie mij helpen om voor het Christuskindje een hemdje te weven?”
‘Ja’,  knikten alle sterren en ze schonken haar het sterrengoud.
Ook aan de zon en de maan vroegen ze het en alle gaven van hun licht.

Maria weefde met zachte hand van al die draden een mooi en glanzend hemdje..
Toen het klaar was, deed ze het haar Kindje aan dat straalde met een groot warm licht.

Nu klingelden de sterrenklokjes en zingend brachten de Engelen het Kerstkind naar de aarde.
.

Over sterren

.

(bron onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

1395

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (13-2)

.
Adventsverhaal

Het verhaal van de vier kaarsen

Heel langzaam brandden eens vier kaarsen.
De omgeving was zo rustig dat men ze kon horen spreken.
De eerste kaars zei: “Ik ben de VREDE.
Ik deed zolang mijn best
opdat mensen geen ruzie zouden maken,
dat ze geen wapens zouden gebruiken,
dat ze niet zouden slaan voor een meningsverschil.
Maar er blijft oorlog overal,
en waar mensen in groepen samenkomen
blijven er twisten ontstaan.
Wat heeft het voor zin dat ik voor hen brand?
Niemand, kan mij beletten dat ik uitdoof.”
Haar vlammetje werd vlug kleiner en doofde uit.

De tweede kaars zei: “Ik ben het VERTROUWEN.
Meestal kan ik gemist worden.
Dus heeft het geen zin meer dat ik blijf branden.
Want ik leer mensen om te geloven
in het leven zelf en in elkaar.
Ik leer hen dat ze samen iets moois kunnen maken,
maar ze luisteren niet.
Hun vertrouwen is zo klein.
Ze geloven alleen wat simpel is
en in dromen die wegvliegen als een veertje.
Mensen vertrouwen niet eens meer hun eigen hart,
en geloven niet in het waarom van hun bestaan.”
Wanneer ze stopte met praten
blies ze zichzelf met een laatste zuchtje uit.

Op haar beurt sprak zachtjes de derde kaars:
“Ik ben de LIEFDE.
Ik heb de kracht niet gekregen om te blijven branden.
De mensen negeren me.
Ze vergeten zelfs hun naasten te beminnen.
Ik had zo gehoopt
dat ik mensen kon helpen
om elkaar warmte te geven,
en het gevoel dat er altijd Iemand
ook van hen hield – zelfs al wist men dat niet.”
Ze wachtte niet langer en doofde uit.

Plots kwam er een kind aan
en zag de drie gedoofde kaarsen.
Het keek naar de vrede
waarvan het licht verdwenen was,
en naar het vertrouwen
dat het nodig had om groot te worden
en om moedig te zijn,
en naar de liefde
omdat het kind niet alleen wilde zijn.
“Waarom branden jullie niet langer?”
riep het kind vol onzekerheid uit.
De drie kaarsen spraken
en vertelden hoe slecht het met hen ging.
Nadat dit alles gezegd was
begon het kind te wenen.

Toen zei de vierde kaars:
“Wees niet bang, mijn kind.
Nu ik nog brand
kunnen we de andere kaarsen weer aansteken.
Want ik ben de HOOP!”
Met glanzende ogen nam het kind de kaars van de hoop
en stak de andere kaarsen weer aan.
Het vlammetje van de hoop
wilde het kind nooit uit het leven laten verdwijnen.

Laten ook wij allemaal de HOOP, het VERTROUWEN, de VREDE
en de LIEFDE bewaren en koesteren!!!
Dan groeit het grote licht
dat Kerstmis is voor vandaag, voor morgen en altijd!

Door Kevin Starmans geplaatst bij facebookgroep vrijeschool, 04-12-2017

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

1385

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

 

ADVENT EN KERSTMIS 

 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

 

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

906

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (5)

VERBORGEN LICHTJES

Sint Maarten staat niet op zichzelf. Het donkerte jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende
ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose
Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het
jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend
In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen
Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt -en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)

*dit liedje begint zo: Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals ‘komt uit verre’)

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent – alle artikelen

.

1.De vier adventszondagen
Hans ter Beek over: advent; St.-Nicolaas; Sint-Lucia; Kerst; de kerstspelen; winterzonnewende; de 4 natuurrijken

St.-Nicolaas en Advent
confrontatie met ons eigen oerbeeld; verwachting; stilte; dood

2.Steen
Yvon Hummel over: de 4 adventsdagen in het teken van de ‘elementen’: aarde: gesteente; vader- en zoonprincipe; graniet

3.Oergesteente  Een verhaal over gesteente voor de 1e adventsviering
Theo ten Bruin, vertaling uit: Von Pflanzen und Tieren, Steinen und Sternen, Elisabeth Klein, over: het oergesteente – graniet; kwarts, glimmer en veldspaat; betekenis voor de wereld

4.Advent
Marieke Anschütz over: voorbereiding in het gezin; welke mogelijkheden zijn er om te vieren

5.Adventskrans
Verschillende auteurs over: verschillende adventskransen; aansteekstok; adventskalender

6.Drie aangezichten van december
J.Zeylmans van Emmichoven over: bedrijvigheid, verwachting, depressie

7.Advent
Henriette de Boer over: voorbereiden en vieren; wat is advent; de krans; Sint en Piet als symbolische helpers;

8.De tere stilte van advent
Jelle v.d.Meulen over: stemming ‘oefenen’; ervaringen in een therapeutisch instituut

9.Advent
H.W.IJzerman over: voorbereiding kleuters; kleintjes in gezin; wat geef je mee: vertrouwen;
wat doen we in de adventtijd: op zondagmorgen kinderen verrassen; adventskalender(tje); verhaal; bakken  zie ook bijv. knutselen

10. De adventsviering en St.-Nicolaas
Andrea over: in de kleuterklas, adventstuin, adventskrans (zie 5), adventskalender, jaartafel ; advent in de sinterklaastijd

11.Wereldstilte
Gerard Reijngoud over: de spanning tussen drukte en stilte

12.Advent
Annet Schukking over: in de wereld (van 1974); wel of geen kinderen krijgen/houden?; verhouding tot kerst(spelen); Maria en Jozef; Herodes; beelden als hulp voor gezonde gedachten en verbodenheid

verhalen:
13-1.De  ongelukkige waskaars 
Een adventsverhaal van Dan Udo de Haes; klein
13-2.Verhaal over de vier kaarsen. (Voor oudere kinderen, denk ik)
13-3.Mariaverhaaltje – als inleiding op lied ‘Over sterren’, voor kleuters

Sint-Nicolaas en Maria, een verhaal van Dan Udo de Haes, vaak in peuter- en kleuterklas gebruikt: zie advent 17

14.Wanneer is het jaar jarig
Maarten Udo de Haes over: advent, 1 januari, Pasen? waar is het begin van een kringloop; hoe beginnen de evangeliën; wanneer begint de dag; advent: christelijk jaarbegin; 1 januari: een tweede begin; nog een begin: Pasen; kiemlegging, geboorte, verwerkelijking;

15.Advent in de 1e klas
Juf Huls over: een kleine impressie

16.Advent in de kleuterklas
Een kleine impressie

[17].Advent – op weg naar kerst
Loïs Eijgenraam over: wat kunnen we verstaan onder ‘ongeborenheid’ – het nog niet geboren-zijn; Steiner daarover; Sixtijnse madonna; Maria en Sint-Nicolaas, verhaal van D.Udo de Haes;

Advent en Kerstmis
Annemieke Zwart over: Annemieke Zwart over: verbinding advent en Kerst; adventstuin-spiraal; heilige nachten; Olaf Asteson; kerstspelen

De beleving van advent door een leerling, jaren later weergegeven

.

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

408-383

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.