Tagarchief: twaalf heilige nachten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (2)

Driekoningen: alle artikelen

.

VAN KERST TOT DRIEKONINGEN

De periode tussen 25 december en 6 januari wordt sinds de synode van Tours in 567 de tijd van de Heilige Twaalf dagen genoemd. Ook is het in diverse streken van Europa gebruikelijk geworden, te spreken van de 12 Heilige Nachten. Het woord ‘heilige’ is een christelijke toevoeging aan de bena­ming van de periode die in voor-chris­telijke tijden kortweg de Twaalf Nach­ten heette.

Denkt men sinds de invoering van het christendom in deze streken aan een tijd, gewijd aan de brenger van het Licht, in voor-christelijke tijden ervoer men in de donkere winternachten niet alleen de nabijheid van de goede krach­ten uit de geestelijke wereld, ook boze geesten waarden rond, de mensen schrik en vrees aanjagend.
We kunnen, op weg geholpen door de antroposofie, proberen een
zingeving te vinden voor deze bijzondere periode van het jaar. Een zingeving die mogelijk een stukje van de afstand tus­sen christendom en ‘heidendom’ kan overbruggen.

In voor-christelijke tijden was de win­tertijd in onze streken gewijd aan de god Wodan, met name in zijn kwaliteit als god van het dodenrijk en god van de vruchtbaarheid. Het aan hem opge­dragen feest, was het bekende Julfeest. De duur van dit feest stond vast: het was de tijd die verliep tussen volle maan en nieuwe maan: een halve syno­dische omloop. Het tijdstip waarop de Jultijd begon, was niet als kalenderda­tum vastgelegd. Het was, net zoals dat met de paasdatum nu nog het geval is, gekoppeld aan de stand van de zon in de dierenriem, en aan de onderlinge relatie van zon, aarde en maan. Als de zon zijn meest zuidelijke stand in de dierenriem had bereikt – de kort­ste dag van het jaar – vierde men het winterzonnewende feest. De Jultijd begon bij de eerstvolgende volle maan na de zonnewende, en eindigde op de daarop volgende nieuwe maan. Het schijnt overigens dat er ook streken waren, waar de Jultijd begon op de [tekst weggevallen] na de kortste dag komende nieuwe maan en eindigde met de daaropvolgende volle maan. Waarschijnlijk ligt hier ook de oorzaak, van het merkwaardige ver­schijnsel dat de traditie van de Heilige Nachten niet overal in Europa gelijk is: in bepaalde streken zijn het de nachten van Kerst tot Driekoningen, in andere gebieden sluiten ze direct aan op 21 december, of, weer anders: ze liggen allemaal in januari. Maar toch: oor­spronkelijk een beweeglijk feest, waar­van begin en einde aan de sterrenhemel werden afgelezen. Over de duur van het feest nog het volgende. Men kende voor het jaar twee indelingsprincipes: een indeling in dertien maanden, gebaseerd op de maanomloop, en een indeling in twaalven, overeenkomstig de zonsomloop. Als de dertien maan-maanden van 27 dagen om waren, had de zon zijn baan nog niet voltooid. Daar wa­ren nog 14 dagen voor nodig. Die veer­tien dagen is de duur van de Jultijd. Pas later met de vastlegging van de kerstdatum is ook de tijd van de Hei­lige Nachten vastgelegd: de periode van Kerst tot Driekoningen. Daartussenin ligt de viering van de jaarwisseling.

Voor veel mensen begon overigens nog heel lang het nieuwjaar pas echt met Driekoningen. Men noemde die dag: Het Grote Nieuwjaar. De periode tus­sen Kerst en Driekoningen noemt men in bepaalde Duitse streken nog steeds ‘Zwischen den Jahren’. Nog heel lang hebben op het platte­land gebruiken stand gehouden, die een heel directe samenhang hebben met de oude Jultijd: met wierook werd het hele huis uitgerookt om boze geesten te verdrijven (Rauchtage), of men liep met zonne- en maanwielen door het dorp. Een duidelijke verwij­zing naar de kosmische oorsprong van het feest.

De Germaanse mythologie vertelt ons, dat Wodan zich niet alleen als de
bren­ger van de vruchtbaarheid aan de mensen manifesteerde, maar ook als de god van de doden: aan het hoofd van het ‘Wilde Heir’, een leger bestaande uit gestorvenen, trok hij in de Twaalf Nachten rond. Vreemde figuren trok­ken mee op deze wilde jacht door de lucht, soms zelfs dwars door de hui­zen: demonen, spookdieren, ja zelfs Vrouw Holle.

Wat moet je daar nu van denken in onze tijd? De oude Germaanse ritue­len zijn deels verdwenen en vergeten, deels opgegaan in Sinterklaas-, Kerst-, Oudjaar-, en Driekoningengebruiken. Maar is daarmee de realiteit die achter de oude gebruiken schuil ging: de nabijheid, de ervaarbare nabijheid van de geestelijke wereld, ook verdwenen, ook voltooid verleden tijd?

Steiner spreekt er meerdere malen over dat de mensen met een sterke
verbon­denheid met de natuur, ook nu nog kunnen ervaren dat ze in deze bijzon­dere tijd van het jaar in verhoogde mate ontvankelijk zijn, open staan voor spirituele indrukken. Maar voor de meeste mensen uit onze westerse cultuur is deze verbinding verbroken. Enerzijds mag je dat misschien cultuur­beschadiging noemen, anderzijds is het het onvermijdelijke gevolg van de bewustzijnsontwikkeling van de mens. De vanzelfsprekende, oude banden met de natuurwereld zijn verbroken; nieuwe wegen naar de spirituele ach­tergronden van kosmos en mensheid moeten bewust gezocht worden. De wetenschap dat we in de tijd van de Heilige Nachten ‘de stroom mee hebben’ kan ons daarbij wellicht te hulp komen.

Kleinschaligheid is een modebegrip aan het worden. Toch wil ik het hier
ge­bruiken. Het geeft iets aan van mense­lijke maat, van eigen maat. Persoonlijk zoek ik het graag in het kleine, als het om grote dingen gaat. In de tijd van de Heilige Nachten houd ik me graag bezig met die dingen die in het afgelopen jaar een beetje aan je bewustzijn zijn ontsnapt: de kleine toevalligheden, de dingen die je niet afmaakt, de gevolgen van eigen hande­len en doen.

Dat geeft een heel bepaald gevoel met betrekking tot het oude jaar, maar ook tot de tijd die voor je ligt. Het is alsof je, wat het oudejaar betreft nog net iets opvangt, een glimp van wat zich in het bijna duister verschool. En juist dat glimpje wil gezien worden, ontstoken in het grote Nieuwe jaar.

(Rinke Visser, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

411-385

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.