Tagarchief: kerstboom

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

.
Een stukje uit een schoolkrant van de vrijeschool antwerpen. nadere gegevens onbekend, aangevuld en verbeterd door Pieter HA Witvliet

.
de kerstboom

Symbolen ‘staan’ voor iets. Je kan naar het ‘waarom’ vragen. Dan ‘hoort er iets bij’ wat de betekenis, de zin duidelijker tot uitdrukking brengt.
Als de aartsengel Michaël eeuwen geleden al afgebeeld wordt met zwaard en weegschaal, dan hebben die wat Michaël te maken. 
Vele artikelen (o.a. 3, 30, 33) op deze blog gaan over die michaëlsymbolen.

Vaak stammen deze symbolen uit een ver verleden, ‘ergens’ zijn ze voor het eerst gebruikt. Ook met een ‘daarom’. 
Het zou interessant zijn om te kunnen weten uit welke stemming, met welke gedachten die vroegere mensen juist deze symboliek kozen.
Dat is meestal niet te achterhalen, dus gaan we interpreteren.

Een feit is wel dat vele oude symbolen voortleven. Wel niet meer met die oorspronkelijke betekenis en bedoeling, verdwenen zijn ze niet. En daarmee leiden ze ook een beetje een ‘eigen’ leven. Wat weer tot gevolg heeft dat het voorwerp min of meer los komt te staan van zijn oorspronkelijke bedoeling: iets tot uitdrukking brengen, ergens voor staan.

Dat heet vervlakking.

Dan begint het voorwerp voor ‘iets anders’ te staan. 
Kenners van de oude symboliek noemen dat ‘veruiterlijking’.

Zo is de kerstboom ten prooi gevallen aan deze veruiterlijking. Tegelijkertijd is hij tot een soort nieuw symbool geworden: dat van knusheid en gezelligheid, vrolijkheid en dat dan wel weer: veel licht verspreidend in een donkere tijd.

Dat laatste zou je nog kunnen zien als iets ‘christelijks’.

Begrijp me goed: ik veroordeel ‘knusheid en gezellighed’ helemaal niet – ik zou niet zonder kunnen – maar tegelijkertijd is er met en aan de boom nog zoveel meer te beleven wat echt met het kerstfeest te maken heeft.

Ieder jaarfeest kan – naast het ‘gewoon’ te vieren, ‘eraan mee te doen’- ook oproepen tot bezinning – en is en/of was er voor de bezinning.
En de symboliek kan daarbij helpen.

Je kan je afvragen: waarom is de kerstboom – kerst = Christus, een boom die altijd groen blijft, die nauwelijks bloeit. Grohmann geeft er in zijn ‘Leesboek voor de plantkunde‘ een mooie verklaring voor.

Ook door wat Rudolf Steiner over de kerstboom zei, kan je de boom op een andere manier symbolisch optuigen.
Mensen die zijn aanwijzingen gebruiken, hangen er 30 papieren rode rozen in, om aan te geven dat Jezus 30 jaar op aarde leefde. Als hij na de doop in de Jordaan nog 3 jaar leeft als de Christus, wordt dat gesymboliseerd door boven in de boom 3 witte rozen te bevestigen.

Ook sprak Steiner over diverse andere symbolen die een plaats zouden kunnen krijgen om een diepere relatie tot uitdrukking te brengen tussen waar deze symbolen voor staan en het wezen en de betekenis van Christus.

Hier volgen de door hem gegeven symbolische tekens,
Er staan enkele voorbeelden bij, maar het is geen volledige opsomming.

Het VIERKANT
Het getal vier symboliseert o.a. de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur.
Of steen, plant, dier en mens. Je zou hier kunnen spreken (met Leen Mees:) we leven op de aarde, van de planten, met de dieren, onder de mensen.
Op ons halfrond hebben we vier aan de seizoenen gebonden jaarfeesten: Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Michaël.
Horizontaal oriënteren wij ons op aarde in de vier windstreken.
De zeven vrije kunsten hebben hun bijzondere vierluik: spraakkunst, redeneerkunst, rethorica en rekenkunde.
Het mensbeeld spreekt over de vierheid: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik.

De DRIEHOEK  staat symbool voor de drie-eenheid: Vader, Zoon, Heilige Geest;
Maria, Jozef en het Kind; twee ouders en een kind (het gezin); het drieluik in de zeven vrije kunsten: muziek, geometrie en astronomie; 
de drieledige mens: denken, voelen, willen;
hoofd, romp en ledematen

De TAROK of TAROT: ‘Zij die ingewijd waren in de Egyptische mysteriën konden dit teken lezen en begrijpen. Zij konden het “Dodenboek” lezen, dat bestond uit 78 kaarten waarin zich alle gebeurtenissen van de wereld bevinden van het begin tot het einde, van:

ALFA  tot OMEGA, die men kon lezen als men wist samen te stellen in de juiste volgorde» Dit boek bevatte -in beelden- het leven, dat sterft en dat opnieuw ontluikt in een nieuw leven» Hij die het aantal en de beelden juist wist samen te stellen kon dit boek lezen. En deze wijsheid der getallen, deze wijsheid der beelden werd onderricht in de oude tijden.
En Christus wordt ‘de alfa en de omega’ genoemd.

TAO is het teken dat later uitgedrukt werd door de letter T» Op deze T is een cirkel geplaatst; het teken van de goddelijke natuur van de vader die alles omvat»
Het Egyptische anch-teken. Het is de sleutel die de mysteries van hemel en aarde kan ontsluiten. Het is een symbool van onsterfelijkheid.

Het PENTAGRAM
is het symbool van “alles wat de ruimte omvat en van de mensheid die zich ontwikkelt. Het is de ster, het symbool der mensheid dat alle “wijzen” volgen, zoals de “wijzen” aangaven in de oude tijden. Het is de geest van de aarde, van de grote Heros die geboren werd in de Heilige Nacht, opdat het Licht het meest glanze in de meest-diepe duisternis.
Er wordt ook gezegd: de samenstellende driehoeken verwijzen naar de vier elementen en naar spiritualiteit.
Zo ‘correspondeert’ dit teken in zekere zin met de onderste twee: de driehoek en het vierkant, want Steiner had de plaatsing van deze tekens in de kerstboom zo gedacht:

Vanuit een andere invalshoek brengt Steiner de Chrsitus in verband met de zon. De planeten en het ontstaan ervan worden door hem uitvoerig beschreven. Voor hem is Christus ‘een kosmische zonnegeest’. Dan is het niet verwonderlijk dat ook de planetentekens bij hem een plaats krijgen in deze symbolische kerstboom.
Rondom de boom, in een halve lemniscaat.
Ze worden wel aangegeven met kleur:
In de volgorde van onderop rechts:
Saturnus: donkerblauw
Zon: wit
Maan: geel
Mars: rood
Mercurius:
geel
Jupiter: oranje
Venus: heldergroen

Deze volgorde van de planeten stemt ook overeen met de volgorde van de dagen van de week: zaterdag, zondag enz. Die eindigt op vrijdag en vestigt nogmaals de aandacht op het kruis opdat de spiraal het levensteken zou zijn, zoals de tekens aan de stam de geboorte aanduiden, alle een kruis vormend in hun plaatsing.

Over alle gebruikte symbolen valt meer te zeggen dan hier kan worden weergegeven. 

Over de verlichting.

Bovenstaande inhoud ontleende ik voor een deel aan een artikel uit een schoolkrant van de vrijeschool in Antwerpen. Nadere gegevens onbekend.

De auteur heeft Steiners voordracht van 6 december 1906, in GA 96 gebruikt.
Vertaald. Ook in deze vertaling voordrachten uit GA 54 en GA 92

Over Kerstmis is meer werk van Steiner vertaald, bv. hier, uit GA 117
Kerstmis: uit GA 98, GA 127, GA 187

De lijst is niet compleet.

Meer over deze tekens

.

Kerstmis: alle artikelen

.

1976

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30)

 

het donkere gat tussen os en ezel

Dagen, soms wel een hele week, mochten we niet in de voorkamer komen. De mooie kamer. Zelfs op zondag niet. Want ook op die dag werd er gewerkt. De stoelen gingen aan de kant. De tafel werd ergens anders opgeslagen en als de geur van warme worstenbroodjes uit de oven van het fornuis kwam, mochten we binnen. Kerstmis. Het was een sprookje. In een week tijd was Bethlehem en wijde omgeving compleet in onze voorkamer overgeplant De kamer was Bethlehem geworden. Honderden lampjes flonkerden in de blauwe hardboardhemel. Weggetjes slingerden zich wit onder piepkleine lantaarntjes omhoog in de papieren rotsformatie. Een wand vol Alpen. Plukjes schapen keken op van mossige weitjes of spiegelden zich in waterpartijtjes.
Midden in dat gigantische land brandde een piepklein lampje in een stalletje. Daar woonden ze. Tijdelijk, omdat er in de herberg een steenworpje verderop geen plaats was.

Weken lang tot 2 februari, Maria Lichtmis, was Israël een flinke lap grond kwijt en Judea samen met Lucas II  l-14 bij ons in de voorkamer te gast.

En niet alleen bij ons. In veel huiskamers waren ‘stalmeesters’ keihard aan het werk om Kerstmis vorm te geven. Er was er zelfs een, zo werd gefluisterd, die een electrische trein tussen Bethlehem en de stal had lopen.

Elk jaar opnieuw worden de kerststalletjes van stal gehaald. Soms uitbundig, dan weer jarenlang rustig. Een simpel stalletje. De stal als tijdsbeeld. Dwarrelende plukken engelenhaar, glitterballen, gipsen heiligen, nog grotere kerstbomen. En na de nachtmis: worstenbroodjes, stollen, een plas of een plats, balkenbrei of kerboet.

Maar niet alles is heilig pal onder de plek waar de drie stralen door één schieten. Daar zou het engeltje een kleur van kunnen krijgen.

Een Tour de Noël door de oude boeken van het kerstverhaal Op zoek naar het licht in het donkere gat tussen os en ezel.

De kerstboom, de bijl van St. Winifried, worstenbroodjes en balkenbrij

‘We dromen naar Kerstmis toe,
het is in ons hart geweven…’

De eerste regels van een warm kerstgedicht gemaakt op een stille middag oog in oog met de kerststal, met de kerstboom. Een piek in de top, een engeltje ter bewaking van het prille geluk in de schaduw van de os en de ezel.

Een vredig tafereel. Niets is er te horen van het briesen en stampvoeten van de de blonde Germaan Winifried, ergens tijdens een koude winternacht in het jaar 725.
Winifried was een van de eerste brengers van het evangelie die in Noorwegen de Scandinaviërs probeerde te bekeren. Geen makkelijke opgave, want de druïden hadden een dikke vinger in de toverpap. Onder de leiding van die druïde kwamen de Noormannen onder de heilige eik van Donar bij elkaar om de dondergod te vereren. Telkens als Winfried dat zag, bad hij tot zijn god om hulp. Maar hij hoorde niets terug.

Tot die koude decemberwinternacht. Winifried wandelde door het grote woud en kwam oog in oog te staan met de Heilige Eik. Maar er was meer: vlakbij zag Winifried hoe een stel woeste barbaren met iets bezig waren: een klein kind. Winifried had niet veel nodig om te begrijpen dat dat kleine kind aan de god Donar geofferd zou worden. Dat was teveel. Hij ontstak in woede, sprong naar voren, het kind onder de wrede handen van de woestelingen weg en pakte een bijl. Met ferme klappen viel hij de Heilige Eik aan. De barbaren hielden hun adem in. Donar zou dat nooit toelaten en met donder en bliksem die blonde Germaan mores leren.

Geraas
Maar er gebeurde niets. De Noormannen waren sprakeloos. Iemand die geen ontzag had voor de donderdergod Donar en ook niet gestraft werd…. Terwijl de eerbied voor de prediker met elke klap toenam, brak een donderend geraas los. Geen Donargedonder, maar de laatste splinters die de gigantische eik nog aan de wortels bond, werden gebroken en met een daverend geweld klapte de woudreus als een toren naar beneden. Niets ontziend, alles meesleurend, bomen brekend.

Behalve…… een jonge den.

Het boompje bleef onbeschadigd en zoals het in het scenario van een goede legende altijd geregeld is: geheel onverwacht brak een straal maanlicht door de donkere wolken en zette de naalden in een zilveren glans. Een wonder, dachten de mannen met baarden en Winifried sprak de historische woorden: „Dit boompje zal vanavond uw heilige boom zijn. Zijn hout is het hout van de vrede, want uw huizen zijn van dennenbomen gebouwd. Hij is het teken van het eeuwige leven, want zijn tooi is altijd groen. Zie, hoe hij naar de hemel wijst. Het is de boom van het Christkind.”

En het was de Eerste Kerstdag.

Winifried zelf: hij had succes, bekeerde bossen Noormannen en werd beloond met de titel ‘St’

Voorgebakken
Waar of niet waar. „’t Is echter een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van het Christendom, dat de kerk een heidensch feest, dat niet zo gemakkelijk was uit te roeien, annexeerde door er een christelijke beteekenis aan te geven”, zo staat in het boek Mozaik Tegels uit 1892.
De schrijver F.W. Drijver heeft het over de accommodatie- of verzoeningstheorie en legt uit: het is hem opgevallen dat het Kerstfeest samenvalt met het Joodse feest van de Tempelreiniging en het heidense feest Saturnalia. De Saturnaliën werden eind december na de oogst gevierd ter ere van Saturnus, de god van de landbouw. Aan het feest van de Romeinse god was ook de zogenaamde Brumalia verbonden, het feest van de kortste dag, dat door Julius Caesar zelf met enig historisch besef op 25 december was vastgesteld. „Die dag, ook solstitium, zonnestilstand, of dies natalis invicti solis, geboortedag der onoverwinlijke zon geheeten, kan misschien de overgang gevormd hebben tusschen ’t feest der Heidenen en dat der Christenen.”

Maar niet alleen de Romeinen hadden feest. Ook de Germanen in de noordelijke bossen vierden hun midwinterfeest, de Joeltijd, het feest ter ere van de zon, die na de korste dag aan een nieuw leven begon. Joel staat voor toverij. De aarde die ontwaakt in nieuw leven, het begin van dertien dagen Joelfeest

Van 25 december tot 6 januari was een tijd van rust voor de zon en voor de mensen. Een feesttijd van dertien dagen, waarvan de laatste als dertiendag gevierd werd en nu nog als Driekoningen.

Maar het was dé tijd voor de geesten, de elfen, de nixen en de nimfen om los te breken in een nieuw leven. Ze trekken met vliegende vendels over de aarde. „Woeste horden”, staat er in het volkskundig leesboek voor de lagere scholen uit 1931. „Nu moet er ook geofferd worden aan de god der vruchtbaarheid, aan Wo- dan; onder ’t winterkleed vergadert de aarde nieuwe levenskrachten, en ’t is Wodan, die dat alles schikt en die over dat alles zijn zegenende zorg doet gaan. Nu verheugt men zich bij dans en drank….”

Eten
En wat zegt de schrijver Drijver: voor de zendelingen was het een makkie om een feest dat bij de heidenen al bestond een Christelijk betekenis aan te geven. Een voorgebakken feest, inclusief heidense gebruiken.

Het klokgelui in de kerstnacht om de boze geesten te verjagen, de midwintersboom. Het gebruik bij onze oosterburen om elkaar met kerst geschenken te geven: het is een oud Germaans gebruik, de ‘Jul-klapper’, de Joelcadeautjes in het Zweeds. Het branden van het kerstblok, dat in veel landen wordt gedaan, de ‘Souche de Noël’ in Frankrijk, de Letten noemen kerstavond zelfs ’Bluckewart’ blokavond. In sommige delen van Nederland werd vroeger de Kerststobbe op het vuur gelegd, het kerstblok. In een charter van 1264 gaven de schepenen van Susteren aan ieder de vrijheid om tegen kerstmis een kerststobbe uit het bos te halen.
Allemaal staat het in verbinding met de vuren van de Germaanse eredienst, zeggen historici.

Offer
En het eten. Het schoolboekje uit 1931 heeft het over de de ‘dikke vretaovond1  zoals die in de Gelderse Achterhoek werd genoemd. De Kerstnacht en eten. ‘Het kerstgebak’, zo schrijft de heer Drijver uit 1892, „dat mede afstamt uit de heidensche oudheid, toen men nog godenbeelden van deeg maakte.”
De krakeling, met de vier spaken, het zinnebeeld van de Zonnegod. Het kerstbrood is niets anders dan een overblijfsel van de oude offermaaltijden, waarbij koeken een zinnebeeldige vorm hadden. De benaming duvekater voor kerstbrood, bepaald geen heilige naam.

Eten: later het worstenbroodje, balkenbrij dampend op tafel na de nachtmis. De smaak van Kerstmis.

Het donkere gat tussen os en ezel: heidense gebruiken, Germanen, Wodan, Donar, duvekater, offerbrood.

Zo leert het leesboek uit 1931:
„De dieren vertellen van het kerstfeit:
De haan kraait: Kin..detje ge- bóren”..
De duif roept: „Woe.. woar?”
Het lam zegt: „In Bê.. .t.lêm”

„Zeker, nog leeft het geloof, dat de Kerstnacht, zooals Midwinternacht weleer, een toovernacht is, voort.”

Hans Jacobs, De Gelderlander, 15 december 1989

Kerstmis, alle artikelen

918

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (27)

.

AAN DE KERSTBOOM: elektrische verlichting of kaarsen?
.

Degenen die tegenwoordig nog echte kaarsen laten branden in de kerstboom zijn met een lantaarntje te zoeken. De elektrische kaarsverlichting is vrijwel algemeen geworden.

Nu goed, kan men zeggen,  dat ligt in. de lijn der dingen. Tenslotte is de tijd van kaarslicht,  petroleumlamp en gloei­kousje voorbij.  Ieder heeft elektrisch licht. Waarom dan kunstmatig zo’n eiland met kaarslicht in stand te houden temidden van een zee van elektrisch licht? Daar zijn we niet mee gebaat. We kunnen de tijd niet meer terugschroeven en ‘weltfremd’ worden. En zeker geldt dit voor onze kinderen die toch in deze moderne wereld moeten leven en geen
uit­zonderingspositie moeten gaan innemen. De kerstboom met de echte kaarsen stamt nog uit een wat romantische (ouderwetse) tijd en het is sentimenteel daarnaar terug te verlangen.

Inderdaad,  zouden de voorstanders van de echte kaars uit behoudzucht,  sentimentaliteit of gebrek aan moed om het nieuwe te aanvaarden,  deze kaarsen blijven gebruiken dan voe­ren zij een achterhoedegevecht,  waard om verloren te worden.

We kunnen ons echter afvragen of er ook zinvollere ideeën zijn om toch de echte  kaars trouw te blijven en daarbij eerst de blik eens richten op wat die kaars in wezen uit wil beelden.

Bezien we de gewone waskaars.  Zijn vlam is bewegelijk,  slechts dan brandt hij goed als hij rechtop staat in volle rust. En waardoor kan hij branden? Doordat de kaars zich opoffert. De was, zijn lichaam, gaat op in licht en warmte.

Doet dit niet aan de mens zelf denken?

De mens heeft ook steeds de behoefte om vanuit de aardse zwaarte op te stijgen tot de wereld van de kunst en de ideeën, van warmte en licht. Niet in starheid, maar beweeg­lijk. Doch de weg naar omhoog gaat de mens slechts door zich vele offers te getroosten.

En wat zien we bij de elektrische kaars? Zijn vlam is star en onbewegelijk, werkt daardoor wezenloos. Deze kaars wordt tijdens het branden niet kleiner en zijn stand is willekeurig, hij kan in alle richtingen branden. Hieruit blijkt wel dat het oerbeeld van de kaars daardoor geheel verloren gaat.  Zo is hij een karikatuur van de echte kaars. Wat een gezicht als men kaarsen omgekeerd aan de kerstboom ziet hangen.

Nu willen we de blik richten op wat het kind beleven kan als we de waskaarsen gebruiken.
Het is de dag voor Kerstmis. De Kerstboom staat in de kamer en zal versierd worden.  Allereerst wordt aan de kaarsen ge­dacht. De houders, schoon en glimmend, worden aan de takken bevestigd. Dat moet met overleg gebeuren,  omdat de kaarsen niet vlak. onder een andere tak mogen branden. Sommige
tak­ken, merken we, zijn te slap, andere te stijf om er een kaars in te zetten. Als alle houders op hun plaats zitten komen de kaarsen erin. Wel ervoor zorgen dat ze goed klem zitten. Is dat gelukt dan moeten de houders vaak nog ‘bijgesteld’ worden, zo lang tot de kaarsen mooi rechtop staan want an­ders branden ze niet goed. Dat vereist soms veel geduld en nauwgezetheid.
Toch kan na een tijdje blijken dat enkele twijgen doorgebogen zijn onder het gewicht. Weer moet hier en daar wat veranderd worden. En ja, eindelijk blijven ze goed staan….. een zucht van voldoening!
Daarna volgt het versieren. Ook dit vereist veel zorgzaam­heid opdat niets te dicht bij de brandende kaarsen komt te hangen.

Dan komt ’s avonds het lang verwachte ogenblik: de kaarsen worden ontstoken. De kamer is slechts verlicht door een kaars waarmee de kerstboomkaarsen aangestoken worden. Elk kind krijgt gedurende de kersttijd natuurlijk een beurt. Wat gewichtig, als je de oudste bent en dit als eerste mag doen, wat heerlijk als je de jongste bent en je wordt op­getild tot bij de hoogste kaarsjes!  Ieder leeft mee of het goed gaat!

Langzaam neemt de lichtglans toe totdat de boom daar in volle luister staat. Wat een aandacht en rust was ervoor nodig tot alle kaarsen branden.

Aan het eind van de avondviering worden de kaarsen gedoofd. Het uitblazen geeft veel plezier, het doven met een domper is plechtiger en eist veel aandacht,  want het is beter de pit daarbij niet te raken.

Zo geleidelijk als het licht toenam,  zo geleidelijk neemt de lichtglans weer af.

Na verloop van tijd moeten dan de kaarsen vernieuwd worden. En op de laatste avond mogen dan alle kaarsen uitbranden. Het is heel spannend welke kaars of zelfs wie z’n kaarsje het langst blijft branden!  Ze gloeien soms nog heel lang na, roodachtig en blauw. Aan de zoldering ontstaan de mooiste schaduwen die telkens veranderen als er weer een kaars dooft. Zo neemt het licht weer afscheid van ons.

De volgende dag wordt alles opgeruimd. De houders worden schoongemaakt, de stompjes van kaarsen, die misschien nog over waren van vorige dagen, gaan bij elkaar. Daar kunnen de kinderen volgend jaar zelf weer nieuwe kaarsen van maken.

Als U dit gebeuren zo meegevolgd en beleefd hebt, merkte U hoeveel gevoelens van zorg, rust, vreugde, eerbied, teleur­stelling misschien, spanning en voldoening er bij de kinde­ren ontstonden. En juist dit leek mij zo’n belangrijk aspect. Maar deze gevoelens moeten dan ook, zoals een plant, de tijd krijgen zich te ontplooien en op te bloeien.
Bij de elektrische kerstboomverlichting is dat echter onmo­gelijk. De stekker gaat in het stopcontact en al die werke­lijk kostbare tijd wordt samengeperst in een onderdeel van een seconde. Daarbij kunnen al die gevoelens niet ontstaan. Ze worden, om bij de plant te blijven, in de kiem gesmoord. Ook alle zorg, nodig bij de gewone kaarsen, is hier overbo­dig.Waar en hoe men de elektrische kaarsjes hangt speelt hoegenaamd geen rol.

Een ander verschijnsel dat bij de elektrische kerstboom­verlichting optreedt, is dat men deze vaak de gehele dag laat branden. Dat dit geen verdieping in het innerlijk teweegbrengt maar juist vervlakking, behoeft geen betoog,

Ligt dit dan niet aan de mensen? Ik meen van niet. Het is, dunkt me, een logisch gevolg van de elektrische verlichting, die slechts imitatiekaarslicht geeft, stenen voor brood. Daardoor is men er innerlijk niet door verzadigd. En wat intuïtief aan kwaliteit gemist wordt, zoekt men in de kwan­titeit. (Wat men aan de diepte mist, zoekt men in de lengte)

En zo blijken twee uitersten de elektrische verlichting te begeleiden. Bij het aangaan en doven krijgt het gevoelsleven té weinig tijd zich te ontplooien, bij het voortdurend bran­den daarentegen teveel tijd.

Samenvattend zou ik willen zeggen: de elektrische kerst­boomverlichting geeft veel minder aan het gevoels- en wilsleven van het kind, dan de echte kaarsjes.

De elektrische werking is zeer praktisch in het dagelijks gebruik, maar daar waar het gaat om het vieren van een feest, plechtig of vrolijk, speelt niet het praktisch nut een rol, maar de levende ziel van de mens en die eist een andere benadering. – Trouwens, ook vele volwassenen voelen intuïtief dat de kaars ons iets bijzonders te zeggen heeft en erbij hoort als er iets feestelijks of plechtigs
plaatsvindt. Men luistert niet voor niets een diner op met kaars­licht. En waarom dit dan aan de kinderen te onthouden?

Blijft men met deze gedachten de echte kaars trouw, dan levert men geen sentimenteel achterhoedegevecht, maar kan men zich als modern mens bewust een voorvechter voelen (die op de bres staat) voor een gezonde ontwikkeling van de kinderziel: verdieping van het gevoel en versterking van de wil. Juist in deze tijd, die in vele opzichten vervlakkend en verslappend werkt op het innerlijk, kan dit ons een gevoel geven van grote verantwoording en enthousiasme.

(Oscar Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, jaartal onbekend)

kerstboomverlichting kaars

kerstboomverlichting 2
Kerstmis: alle artikelen
687

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (22)

.

HET KERSTGEHEIM VAN DE GOEDE WIL

Midden op de Dam, midden in het hart van Amsterdam, verheft zich een machtige boom, een woudreus uit het hoge noorden, een kerstboom. Zacht be­wogen door de wind twinkelen daarin hon­derden lichtjes. Eromheen razen auto’s, vluchtauto’s, trams, fietsen en haast zich een menigte van mensen voort, hun gedachten en hun begeerten vervuld van talloze, zeer verschillende zaken. Ze gaan allemaal ergens heen. Waarheen? Wat leeft er in hun hart? Wat beleeft ieder van hen aan die kerstboom.
De oude mythologieën kenden reeds de Wonderboom des Levens.
Als aan de bomen in het voorjaar alle knoppen opengaan, dan ziet men het duidelijkst de levenskracht van de natuur. Het beeld voor deze kracht die alles leven doet is de meiboom of de meitak.
Op de eerste meidag, maar ook met Pinkste­ren of Sint-Jan, wordt een hoge den of spar uit het woud gehaald en, ontdaan van zijn zijtakken en zijn schors en versierd aan de top, in een plechtige optocht door het dorp gedragen. In plaats van een boom ziet men ook overal een met linten en bloemenkran­sen opgeschikte meitak. Pas in het begin van de vorige eeuw werden deze levensbomen van de lente ook opgericht in het midden van de winter als kerstbomen. Aanvankelijk alleen binnenshuis in de woonkamers. Nu staat hij met Kerstmis ook midden op de Dam.

De levensboom werd Kerst-(Christus)boom, want Christus heeft zich, na zijn opstanding uit de dood, verenigd met de levenskracht van heel de aarde. Eeuwen en eeuwen lang heeft men dit aangevoeld, maar eerst nu is de mensheid eraan toe om dit ook te gaan be­grijpen. De levensboom, in de Noorse my­thologie Yggdrasil, de ‘ik-drager’, wordt, als in het lengen der dagen de nieuwe zon gebo­ren wordt, voor de mens tevens de Christus­boom. Hebben de miljarden mensen op aar­de behalve hun stoffelijk leven ook niet een nieuwe, geestelijke levenszon nodig?

Duizenden gaan over de Dam. Miljarden over de aarde. Overal is haat en vijand­schap. Waar liefde ontbreekt kan haat komen. Waar geen werkelijke vriendschap is kan vijandschap ontstaan. Hoe komt het kwaad in de wereld? Kwaad is alles wat ach­terblijft en wat ons mensen doet achterblij­ven bij de harmonische ontwikkeling van het heelal. Kwaad is overal daar, waar goedheid ontbreekt. Er is zoveel kwaad, omdat wij zo­wel in wederzijdse liefde als in begrip en hulpvaardigheid voor elkaar zoveel te kort komen. Het is de liefde die begrijpen doet. Thomas van Aquino, de grote denker van de middeleeuwen, heeft het zo kernachtig ge­zegd: ‘Iets wordt net zoveel begrepen als het wordt bemind’. Dat iets, waarover Tho­mas spreekt, is alles wat is. Waar wij, mensen, niet buiten kunnen, als wij iets willen begrij­pen, is de geboorte van iets in onszelf, wat wij ‘liefde’ noemen, maar wat ook met ‘we­zenlijk begrip’ is aan te duiden. Wat wij hard nodig hebben is iets dat ons allen liefdevol leidt en verlicht. Iets wat hoger is dan alles wat de mensen op aarde ooit van elkaar kan vervreemden. Iets wat de mensen verenigt, hoe oneens zij het met elkaar ook mogen zijn. Dat kan geen abstractie zijn, want ab­stracties bestaan niet in werkelijkheid. Het moet een concreet wezen zijn, dat ons door de dood van het niets naar het leven kan voe­ren. Iets dat innig verbonden is met de leven­de aarde en met ieder mens. Het moet de warmte en het licht der wereld zijn.

Kerstfeest: het geboortefeest van de Liefde en het vredefeest van het Licht. Het geboortefeest moet je voelen, het lichtfeest is te begrijpen. Beide feesten krij­gen hun reliëf door de achtergrond. Temid­den van vijandschap en haat, van zelfzucht en machtswellust ligt in de kribbe de pasge­boren Liefde. In de donkere tijd van het jaar en in de duisternis van de meest prozaïsche nuchterheid en uitzichtsloosheid komt het nieuwe Licht op aarde. Als je niet gelooft in het bestaan van een we­reld achter die van de zintuigen, als je met je verstand in alles wat er gebeurt slechts toeval ziet, een blinde samenloop van omstandighe­den, een zinneloos gedoe, een onbegrijpelijk spel, waarin de mens een volstrekt onbelang­rijke rol speelt, dan wordt de aarde en alles wat erop gebeurt, dan worden al onze bele­venissen zinloos. Dat is een onmogelijkheid, omdat het absurd is. Want absurd is per defi­nitie iets wat ondenkbaar is! Bovendien heeft ieder mens een hart dat zegt – hoe stil en zachtjes ook -: ‘Voor iets beters ben ik ge­boren. Wat geeft het leven zijn zin?’ Waaraan ieder mens behoefte heeft is de blijde gewaar­wording, het warme gevoel, dat er een kracht leeft, waarvan de seksuele liefde een allereer­ste begin en een zwakke afspiegeling is, een kracht, waardoor God, die Liefde is, kon af­dalen in een mensenlichaam om de wereld van de ondergang te redden. Daarnaast heeft de mens echter inzicht nodig. Inzicht in de wijsheid, die het heelal en ook de aarde en het mensenwezen heeft geschapen en in stand houdt. Liefde maakt niet blind, liefde maakt helderziende. Liefde en inzicht horen bij elkaar.

De kersttijd begint met Sint-Maarten, de elfde dag van de elfde maand (elf is het begin van een nieuw tiental), ongeveer 40 dagen vóór de zonnewende. De kersttijd eindigt 40 dagen na Kerstmis met Maria Lichtmis op de tweede dag van de tweede maand. In het midden van die tijd liggen van oudsher de twaalf heilige nachten (Weinachten), de tijd van het zogenaamde solstitium, waarin de zon bijna stilstaat. De eerste van die twaalf nachten is de kerstnacht en aan het eind komt de laatste, als dertiende, de nacht vóór Driekoningen (6 januari).
Ons feest van Kerstmis bestond in het jaar 353 nog niet. Het is ingesteld op het einde van de vierde eeuw, toen de mensen de laatste resten van hun oorspronkelijke helderziend­heid verloren. Veel ouder, een der oudste christelijke feesten, is dat van Epifaneia, de Verschijning des Heren, waarop de doop van Christus in de Jordaan – waarmee zowel het Marcus – als het Johannesevangelie beginnen – en het bezoek van de Wijzen uit het oosten, de drie koningen der wijsheid, worden ge­vierd. Zo duurt het kerstfeest twaalf nachten en twaalf dagen en wordt het afgesloten met de herdenking van de komst, de verschijning op aarde van Christus als een goddelijk we­zen. Het Christusfeest duurt van Kerstmis tot en met Driekoningen.
Toen in de vierde eeuw, tegelijk met het ont­waken van het heldere denkbewustzijn, dat voor ons nu zo vanzelfsprekend is, het dro­merige, helderziende zielenleven, zoals een kleuter dat nu nog heeft, was verdwenen, toen moest dit beleven worden vastgelegd in een feest. Daardoor ontstond ons kerstfeest. Het oude verschijningsfeest raakte op de achtergrond. Het meeste in die streken waar het denken zich het sterkst ontwikkelde. Het minste in het oosten en in Spanje. Er ont­stond langzamerhand een kloof tussen voe­len en denken, tussen geloven en weten.
In de vorige eeuw, toen de afgrond tussen dat wat je moest geloven en dat wat je kon weten schier onoverbrugbaar werd, begon overal het beeld van nieuwe geestelijke le­venskracht, de kerstboom, te groeien.
Waarom? De boom des levens stond in het aards paradijs. Doordat de mens echter be­wust werd en at van de boom van kennis, van het goede en dus ook kennis maakte met het niet-goede, met het kwaad, werd hij uit het paradijs verdreven en kon hij niet meer eten van de levensboom. Hij moet voortaan gaan door de poort van de dood. Maar, zo zegt de legende, uit het hout van de boom des levens werd de kribbe getimmerd voor hel Kerstkind, het kind van de liefde. Leven en lieven zijn van dezelfde woord­stam.

De boom van kennis echter, de inzichtboom, die midden in het paradijs stond en waarvan de verjaagde mens nu eten kan en eten moet, mocht dienen voor het kruis waaraan Christus stierf op Golgotha. Christus stierf en stond weer op tot leven waarmee de aarde nu word! vernieuwd. Wij kregen daardoor de mogelijkheid om datgene wat wij in wezen zijn, ons onstoffelijke wezen, te verlossen van de dood waaraan ons stoffelijk lichaam onderworpen werd. Zo leven wij tussen krib­be en kruis. Zo moet ons hele leven als het ware een overgang zijn over de brug tussen onze geboorte tot leven op aarde en onze dood, die een opstanding tot geestelijk leven wordt. Zo werden beide bomen, de boom des levens door Christus’ komst op aarde en de boom van kennis door Christus’ opstan­ding tot onze kerstboom.

Om aan een gevoelsbelevenis, die iets levends is, een door het doodse denken
verworven inzicht te verbinden, daar is moed voor nodig. Dat moet je willen. Kerstmis is een feest van liefde en inzicht. Het is het feest van het kind van liefde, geboren in een stal en gelegd tussen een os en een ezel in de kribbe van ons hart.
De geboorte van dit kind wordt niet aan wijzen en geleerden verkondigd, maar een koor van hemelse wezens verkondigt het aan straatarme herders, die in de tijd van Jezus’ geboorte de meest verachte en ongeletterde bevolkingsgroep vormden. Daarover vertelt de evangelist Lucas.
De Driekoningen: drie wijzen, drie ingewijden, lezen in de sterren en zij zien in, dat er een Koning der Joden geboren is. Een feit, waarvan koning Herodes hevig schrikt en heel Jeruzalem met hem. Want heeft de profeet Micha (5:1) niet voorspeld, dat uit Bethlehem Efrata de heerser over Israël zal voortkomen, wiens oorsprong is vanuit de dagen der eeuwigheid? Over dat kind verhaalt de evangelist Mattheüs

Wij in onze lijd waarin het zelfbewust­zijn zo sterk groeit, hebben allemaal behoefte aan leven en lieven. Maar dat lukt niet meer vanzelf. Er zijn nu ook in­zicht en wijsheid nodig, vermogens die moei­zaam veroverd moeten worden. Wij moeten eenvoudige herders zijn in ons liefdevol vertrouwen en tegelijk door ons inzicht ook wijze koningen worden. Ons streven daarnaar, onze inzet, onze moed, onze wil-die-tot-daad wordt – op wat voor gebied dan ook, in ’t klein of in ’t groot – wordt in ons geboren met de hulp van de kracht die Christus ons geeft. Deze kracht is er. Jezus heeft deze kracht op aarde gebracht.
In deze tijd, waarin het ik-bewustzijn in de mens pas werkelijk ontwaakt, waarin de ‘scheiding der geesten’ een aanvang neemt, kan de mens de kracht van Christus niet alleen op zijn gevoel laten inwerken en zeggen: ‘Heer, Gij zijt geboren en Gij zult mij verlos­sen en ervoor zorgen dat ik vooruit kom’.
De mens moet nu ook tot zichzelf zeggen: ‘Ik wil gaan inzien wat Christus is, hoe Hij is afgedaald, ik wil met behulp van mijn geest deel hebben aan de daad van Christus’. Er is behalve het vermogen om liefde te schenken en te ontvangen ook de wil nodig tot steeds dieper inzicht.

De engelen gaven in de kerstnacht aan de herders een teken om te bevestigen, dat de Heiland geboren was: ‘Een kind in doeken gewikkeld, liggend in een kribbe. Dat teken wijst ons op het kind, dat ieder van ons, wie of wat hij ook is, bewust of onbewust, altijd blijft in zijn of haar hart.
De drie priesterwijzen echter moeten het zelf ontdekken en het verklaren uit de sterren.
Mattheüs spreekt niet van een teken, maar van ‘ton astera’, wat sterrenbeeld betekent.
Wij zullen, volwassen wordend, ook de beelden, die alles wat vergankelijk is ons geeft, moeten leren verstaan.

Dit steeds dieper voelen en steeds klaarder en levendiger denken worden pas effectief als daarmee een vaste wil om beide steeds meer en meer in onze daden te verwezenlijken gepaard gaat. Daarin ligt het geheim van het Christusfeest. Ons werkelijke wezen kan dank zij Christus’ geboorte op aarde en zijn offerdaad op Golgotha, ons leiden tussen kribbe en kruis.

Miljoenen hartevuren geven warmte en liefde op aarde. Een wereldboom, een Christusboom van eeuwig leven staat in het midden vol twinkelend licht. Aan allen die Christus aanvaarden en op Hem vertrouwen verkondigen de engelen dit geheim:
Openbaring van het goddelijke in de hoogten van alle bestaan en vrede op aarde voor de mensen, die van goeden wille zijn.

kerstmis levensboom

(Henk Sweers, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:   advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

401-378

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (19)

.

BONIFATIUS EN DE KERSTBOOM

Voordat Bonifatius in het jaar 755 bij Dokkum door Friese heidenen werd vermoord, had hij heel wat van hun mede-Ger­manen tot het christendom weten te bekeren. De heilige schuwde daarbij het spektakel niet. Zo hakte hij eens in de buurt van het Duitse Geismar een eeuwenoude, aan de don­dergod Thor gewijde eiken­boom om. De reusachtige eik vernielde nogal wat kleinere bomen en struiken bij het neerkomen, maar op miracu­leuze wijze bleef een klein den­nenboompje gespaard. De aanwezige Germanen wa­ren danig onder de indruk toen de missionaris niet ter plekke door de bliksem werd getroffen en bekeerden zich massaal. Bonifatius, die besefte dat twee wonderen altijd beter zijn dan een, wees zijn kersverse kudde op het dennenboompje dat te­midden van de omval­lende eik aangerichte puin­hoop nog fier overeind stond en verklaarde dat het hier ging om ‘de boom van het kindje Je­zus’ Aldus is het gebruik van de kcrstboom ontstaan.
Zo wil  althans de legende
Serieuze onderzoekers  twijfelen echter hier aan de waarheid van dit verhaal. Ze hechten al even weinig geloof aan de traditie die zegt dat het gebruik om de kerstboom met lichtjes te versieren teruggaat op Maarten Luther. De grote hervormer zou eens op een winternacht de sterren hebben zien schitteren tussen de takken van de naaldbomen. Dat zou een mooie manier zijn om de komst van het Licht te symboliseren dat met de geboore van de Heiland in de wereld was gekomen, bedacht hij. Luther zou vervolgens in zijn eigen huiskamer een met brandende kaarsen versierd sparretje hebben geplaatst.

Voor beide legenden be­staat geen enkel bewijs. Vast staat wel dat het plaatsen van kerstbomen in Duitsland is be­gonnen.
De eerste ver­melding van een kerstboom (nog zonder licht­jes) zou dateren uit 1521 in de Elzas (toen nog Duits). In de aantekeningen van een onbe­kende Straatsburger uit 1605 wordt melding gemaakt van ‘naaldbomen, die de mensen in hun woonkamers plaatsen en waaraan zij papieren bloemen, appels, koekjes, goudfolie en snoepgoed ophangen’.
Mogelijk is het gebruik de voortzetting van een oude Ger­maanse traditie, die wilde dat tijdens het winterse joelfeest naaldboompjes in huis werden gehaald. De altijd groene spar­ren en dennen symboliseerden de tijdelijke aard van de barre wintertijden. Als het inderdaad een oud Germaans gebruik be­treft, is echter niet duidelijk waarom er in de eeuwen tus­sen de kerstening van de Ger­manen, die rond het jaar 800 voltooid was, en de zestiende eeuw nergens melding van wordt gemaakt. Wellicht is het ontstaan van de kerstboomtraditie daarom eerder terug te voeren op de ‘mysteriespelen’ die vanaf de elfde eeuw in Eu­ropa werden opgevoerd. Dat waren een soort stichtelijke to­neeluitvoeringen waarin scè­nes uit de Bijbel werden nage­speeld ter lering en vermaak van het ongeletterde volk. Zeer in trek was het paradijsverhaal, waarin de geschiedenis van de zondeval werd verklaard met behulp van een ‘paradijsboom’ die prominent op de bühne werd geplaatst. De boom hing vol appels, waarvan ‘Eva’ er op het geëigende moment een plukte om met ‘Adam’ te de­len.

Omdat de mysteriespelen steeds meer gepaard gingen met losbandigheid (althans in de ogen van de kerkelijke ge­zagsdragers), werden zij aan het einde van de middeleeu­wen door de Kerk verboden. De gewone burgers zouden inmid­dels echter zozeer aan de
‘para­dijsboom’ gewend zijn geraakt, dat ze ze in hun eigen wonin­gen begonnen op te tuigen. Dat gebeurde op 24 december, de feestdag van Adam en Eva. Omdat op 25 december de ge­boorte van Jezus werd gevierd, werd de paradijsboom ook daarmee geassocieerd. Gelovige christenen herinnert de boom derhalve niet alleen aan de zondeval in het paradijs, maar ook aan het hout van het kruis waaraan Christus is gestorven. De kerstboom moet hoe dan ook een goed idee zijn geweest, want het gebruik heeft zich sinds de zestiende eeuw vanuit Duitsland over zowat de hele wereld verspreid.

(Martijn Hover, Brabants Dagblad, 17-12-2003)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel
.

392-370

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (21)

 .

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.79, hoofdstuk 21                                                                         alle hoofdstukken

.

DE KERSTBOOM, EEN STRALENDE, BLOEIENDE EN VRUCHTDRAGENDE NAALDBOOM
Eén naaldboom speelt in het leven van ieder kind eenmaal in het jaar een heel bijzondere rol-als kerstboom.
Liefdevol wordt hij opgetuigd, met kaarsjes erin; appels en noten worden erin gehangen en ook wordt hij met goud en zilver zo mooi mogelijk versierd.
Wat wordt daaraan geen zorg besteed en wat gaat er een gelukzaligheid van hem uit, wanneer de kaarsjes aangestoken worden!
Laten wij onszelf de vraag maar eens stellen, waarom dat eigenlijk allemaal gedaan wordt!
Waarom moet het nu juist een naaldboom zijn, onverschillig of het nu een den of een spar is.
Uit wat we tot nog toe bekeken hebben, kun je dit heel goed begrijpen. Dat het een boom moet zijn die ook ’s winters groene bladeren heeft, is vanzelfsprekend; maar wij laten deze boom ’s winters zelf bloeien, wanneer we de kaarsjes erin zetten, namelijk. Ja, de kaarsvlam is de bloem van de naaldbomen.
Laten we er wel aan denken dat de spar een boom is die in de zomer niet bloeit-in ieder geval niet zoals de appelboom bv., – en dan zijn de kaarsen die erin staan pas echt vol betekenis.
Wat in het midden van de winter zo heerlijk bloeit, dat kondigt natuurlijk het grote heldere zielenlicht aan, dat door de geboorte van het kind Jezus op aarde gekomen is. De christusboom wil ons laten zien, dat alles verlost kan worden en op kan bloeien, zoals de in de naalden van de boom verborgen bloei. Die kan nog niet aan het licht komen, slechts door de geur van het hars geeft ze dat te kennen. Door de aangestoken kaarsen wordt ze in ieder geval symbolisch verlost.
In sommige huizen bestaat de gewoonte om ook nog rode rozen in de kerstboom te hangen. Die mogen wel van papier zijn; daar komt het niet op aan.
Het is duidelijk dat zo’n boom dan ook vruchten kan dragen. Daarvoor konden de sparren dat niet; nu kunnen ze het wel. Daarom hangen we appels aan de twijgen, dat ze er bijna van buigen en ook noten.
Ten teken echter dat het hemelse vruchten zijn, moeten de noten verguld worden. Natuurlijk kan men ook koek of andere lekkernijen in de kerstboom hangen, als die er maar als vruchten uitzien.
Goud en zilver aan de takken geeft alles pas echt een feestelijk en fleurig aanzien.
Zo brengen wij de naaldboom met kerstmis tot stralen, bloeien en vruchtdragen.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

26-24

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.