Tagarchief: kerstspelen

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (6)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 19-12-1920

blz. 51

Wir werden uns erlauben, Ihnen heute Weihnachtspiele aus altem
Volkstum vorzuführen. Die beiden Spiele, die wir hier zur Darstellung bringen, sind aufgefunden von Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts innerhalb der deutschen Sprachinseln in Ungarn, in der Gegend, die nordwärts von der Donau liegt, von Preßburg westwärts liegt. In diesen Gegenden sind zu Ende des Mittelalters und noch etwas später Deutsche eingewandert. Sie haben sich unter anderen Kulturgütern, welche sie in ihrer Einfachheit besessen

TOESPRAAK DORNACH 19-12-1920

We zijn zo vrij om voor u vandaag oude volkse kerstspelen op te voeren. De beide spelen die we hier ten tonele zullen brengen, zijn ontdekt door Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw in Duitse taalkolonies in Hongarije, in de streek die ten noorden van de Donau ligt, ten westen van Pressburg. In deze streken zijn tegen het einde van de Middeleeuwen en nog later ook Duitsers geïmmigreerd. Ze hebben naast andere dingen uit hun cultuur die ze in hun eenvoud bezaten, 

blz.52

haben, nach ihrem neuen Aufenthaltsorte auch diese Weihnachtspiele mitgebracht.
Karl Julius Schröer, mit dem ich viel in meiner Jugend über diese Dinge gesprochen habe, der mir aus seinen persönlichen Erfahrungen erzählen konnte, wie wiederum in seiner Jugend – in den vierziger und fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts – unter diesen, ich möchte sagen slawischen und magyarischen Bevölkerungen von den dort lebenden verschlagenen Deutschen diese Weihnachtspiele immer aufgeführt worden sind, und wirklich in außerordentlichem Ernst und mit einem regen Eifer um die Weihnachtszeit auf die Gemüter dieser Menschen gewirkt haben.
Wir haben in diesen Weihnachtspielen deshalb Keime, die sich nach und nach aus einer längeren Kulturstraße herausentwickelt haben, die wir bis ins 13. Jahrhundert zurückverfolgen können. So daß bis in die letzten Jahrzehnte des 12. Jahrhunderts damals das Bedürfnis entstand, über die weitesten Gegenden Mitteleuropas hin – durch Thüringen bis an den Rhein hin und über den Rhein hinüber bis ins Elsaß, dann durch ganz Süddeutschland, durch die Nordschweiz -, was sich bezieht auf die biblische Geschichte, was sich bezieht auf die christlichen Traditionen, namentlich auch auf die christliche Legende, vor dem Volke dramatisch darzustellen.

ook deze kerstspelen naar hun nieuwe leefgebied meegenomen.
Karl Julius Schröer met wie ik in mijn jeugd veel over deze dingen heb gesproken, die mij zijn persoonlijke ervaringen kon vertellen hoe ook in zijn jeugd – in de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw – onder deze, ik zou willen zeggen, Slavische en Hongaarse bevolking van de daar wonende verslagen Duitsers, deze kerstspelen steeds zijn opgevoerd en dat werkelijk met een grote ernst en met een levendige ijver rond de kerststijd deze kerstspelen op het gemoed van deze mensen inwerkte. Vandaar dat in deze kerstspelen kiemen zitten die langzamerhand vanuit een lange weg die de cultuur gegaan is, tot ontwikkeling zijn gekomen die wij tot in de 13e eeuw terug kunnen volgen. We zien dat tot in de laatste tientallen jaren van de 12e eeuw er toen behoefte bestond verspreid over de meest verre gebieden van Midden-Europa, van Thüringen tot aan de Rijn en over de Rijn tot in de Elzas, dan in heel Zuid-Duitsland, Noord-Zwitserland – m.b.t. tot de Bijbelse gschiedenis, m.b.t. tot de christlelijke tradities, vooral ook tot de christelijke legende, dat voor het volk op te voeren.

Man kann geradezu sagen, daß vieles in der neueren Dramatik auf diesen Mysterienspielen – so nennt man sie ja wohl auch – beruht. Zunächst schlossen sich diese Spiele an die kirchlichen Handlungen an. Wenn die Weihnachtszeit, die Osterzeit, die Pfingstzeit, das Fronleichnamfest, manche anderen heiligen Feste herannahten, dann versammelten sich die Leute in der Kirche. Die Kirche selbst wurde dekoriert in der mannigfaltigsten Weise. Und zunächst im 12., 13. Jahrhundert wurde von den Geistlichen selbst, sogar zuerst in lateinischer Sprache dasjenige aufgeführt, was innerhalb der christlichen Tradition, innerhalb der Evangeliengeschichte enthalten ist.
So können wir gut zurückverfolgen, wie zum Beispiel dramatisch dargestellt wurde die Szene an dem Grabe Christi. Es kleideten sich ein drei Priester in Frauenkleider: die drei Frauen, die zu dem Grabe kamen; ein Engel, der auf dem eben verlassenen Grabe saß. Dasjenige,

Je kan wel zeggen dat veel van de nieuwe dramakunst op deze mysteriespelen – zo worden ze ook wel genoemd – gebaseerd is. Aanvankelijk sloten deze spelen aan bij de kerkelijke rituelen. Wanneer Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag dichterbij kwamen, dan kwamen de kerkmensen bij elkaar. De kerk zelf werd uitbundig versierd. En al in de 12e, 13e eeuw werd door de geestelijkheid zelf, maar eerst nog wel in het Latijn, ten tonele gevoerd wat binnen de christelijke traditie, binnen de geschiedenis van de Evangeliën bewaard is. We kunnen dus goed teruggaan naar hoe bv. dramatisch uitgebeeld werd de scène aan het graf van Christus. Drie priesters droegen vrouwenkleren: de drie vrouwen die naar het graf kwamen; een engel, die op het zojuist verlaten graf zat. 

was die Evangelien erzählen, was die Tradition erhalten hat, wurde dramatisch dargestellt.
Man ging aber auch allmählich dazu über, die Dinge, welche man lateinisch zunächst dargestellt hat> dann in der Volkssprache darzustellen. Und im 14. Jahrhundert treffen wir bereits sehr weit ausgebildete dramatische Darstellungen, zum Beispiel der Geschichte von den weisen und törichten Jungfrauen.
Wir wissen, daß im Jahre 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, in Eisenach, in dem Hause «die Rolle», ein Spiel von den weisen und von den törichten Jungfrauen aufgeführt wurde, das so bedeutsam in ein Menschenschicksal eingreifen konnte, daß der Landgraf Friedrich, welcher dabei war, der den merkwürdigen Beinamen hat, «mit der gebissenen Wange», daß der Landgraf Friedrich mit der gebissenen Wange davon einen Schlaganfall bekam und im Jahre 1323 an den Folgen dieses Eindruckes sogar gestorben ist.
Aber es ging ja nicht jedem so, sondern es war schon durchaus gerade das, was durch solche Darstellungen dargeboten war, etwas in diesen Zeiten außerordentlich feierliches. Es war lange Zeit gerade die dramatische Darstellung verloren, welche dazumal in Eisenach gegeben worden ist und einen so großen Eindruck gemacht hat.

Als een toneelstuk werd opgevoerd wat in de Evangeliën overgeleverd was, of wat de traditie had bewaard.
Maar er werd ook geleidelijk toe overgegaan om de dingen die men eerst in het Latijn opgevoerd had, nu ook in de volkstaal te brengen. En in de 14e eeuw treffen we al zeer uitgebreide dramatische stukken aan, bv. het verhaal van de wijze en de dwaze maagden.
We weten dat in het jaar 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg in Eisenach, in het huis [Duits heeft nu]’die Rolle’, een spel van de wijze en dwaze maagden opgevoerd werd, – wat zo sterk in een mensenlot kon ingrijpen, dat landgraaf Friedrich [2] die erbij was, hij had de merkwaardige bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is’, er een beroerte van kreeg en in 1323 aan de gevolgden van deze indruk zelfs gestorven is.
Dat overkwam natuurlijk niet iedereen, juist dergelijke opvoeringen waren in die tijd iets buitengewoon feestelijks. Het toneelstuk dat destijds in Eisenach werd opgevoerd en zo’n diepe indruk had gemaakt, was lange tijd kwijt.

Das Spiel wurde dann später wieder aufgefunden, merkwürdigerweise in Mülhausen im Elsaß, am Tegernsee und in einem Kloster Benediktbeuern, so daß man sehen kann, gerade aus diesem Auftreten am Tegernsee, daß diese Dinge eigentlich aus dem Süden in den Norden gezogen sind.
Wir finden dann sehr bald, wie nicht mehr etwa bloß Geistliche diese Dinge darstellten, sondern wie diese Dinge durchaus vom Volke übernommen wurden, dem Volke sehr ans Herz gewachsen waren.
Das Volk hatte sie außerordentlich lieb. Wir sehen, was ausgeführt wurde. Wir können das noch von einem Stück ablesen, dessen Handschrift erhalten ist. Wir entnehmen dieser Schrift, daß im 15. Jahrhundert die ganze Geschichte des Christus Jesus auf Erden aufgeführt worden ist: von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung. Und überall sehen wir, daß man außerordentlich dramatisch, geistig, gerade die wirksamsten Momente, die äußerlich für die Anschauung

Het spel werd later wel gevonden, merkwaardigerwijs in Mülhausen in de Elzas, aan de Tegernsee en in een klooster in Bediktbeuern, zodat je kan zien dat juist door het optrreden aan de Tegernsee deze dingen eigenlijk vanuit het zuiden naar het noorden gegaan zijn.
We vinden dan al zeer snel dat deze dingen niet maar alleen door geestelijken werden opgevoerd, maar dat ze met name door het volk overgenomen werden, ze betekenden voor het volk zeer veel. Het volk had ze in het hart gesloten. We kunnen zien wat er opgevoerd werd. We kunnen dat nog uit een stuk opmaken waarvan het handschrift bewaard gebleven is. We halen uit dit geschrift waarin in de 15e eeuw het hele verhaal van Jezus Christus op aarde opgetekend is:  van de bruiloft in Kana in Galilea tot de Opstanding.
En overal zien we dat men de meest werkzame ogenblikken er buitengewoon dramatisch, 

blz. 54

wirksamsten Momente herausgehoben hat, immer die Dinge, welche das Volk selber in diesen Darstellungen erlebte. Und wir dürfen annehmen, daß im 15. Jahrhundert, Ende des 16. Jahrhunderts und weiter über einen großen Teil der deutsch sprechenden Gegenden diese Volksspiele zur Weihnachtszeit, zur Osterzeit, zur Pfingstzeit, zum Fronleichnamstag, zu anderen Festen aufgeführt wurden.
Das eine der Weihnachtspiele ist ein Paradeis-Spiel, welches sich mehr an die Adventszeit hielt, das andere ist ein direktes christliches Hirten-Spiel, welches wir vor Ihnen hier aufführen. Sie werden aus dem zweiten Spiel, aus der Einleitung sehen, daß vom Rhein gesprochen worden ist, daß diese Stücke gewandert sind. Trotzdem kamen sie, wie Schröer sie aufgefunden hat, wie gesagt in den Oberuferer, in den Preßburger Gegenden – wie man sie ja auch nennt Oberuferer Weihnachtspiele – ostwärts von Preßburg zur Aufführung. Dort sind sie also in der Weihnachtszeit gespielt worden, trotzdem sie ganz anderswo entstanden sind. Ursprünglich sind sie gespielt worden da, wo der Rhein durchfließt. Sie sind also von einer Volksgemeinschaft mitgenommen worden, welche ostwärts gezogen ist, und die sich östlich von der Donau im Banat und so weiter angesiedelt hat. 

geestelijk uit liet springen, steeds die dingen die het volk in deze opvoeringen zelf beleefde. En we mogen wel aannemen dat in de 15e, eind 16e eeuw en later over een groot deel van de Duits sprekende streken deze volksspelen met de kerst, met Pasen, met Pinksteren, met Sacramentsdag, met andere feesten opgevoerd werden.
Een van de kerstspelen is een paradijsspel, dat meer bij de adventstijd hoorde, het andere is een uitgesproken christelijk herdersspel dat wij voor u opvoeren. U zal in dit tweede spel, bij de inleiding zien, dat er over de Rijn wordt gesproken, dat deze stukken zich verplaatst hebben. Afgezien daarvan werden ze, zoals Schröer ontdekte, zoals gezegd in de streken van Oberufer, van Pressburg – en zoals ze worden genoemd Oberuferer kerstspelen – ten oosten van Pressburg, opgevoerd.

Da wurden dann diese Spiele weitergespielt bis eben ins 19. Jahrhundert hinein. In der letzten Zeit gingen viele solche Schätze des Volkes unter den Zeitereignissen, die ganz andere geworden sind, verloren Aber diejenigen, die sich die Spiele noch angesehen haben, waren tief ergriffen, nicht nur von dem Spiel selbst, sondern namentlich von der Art und Weise, wie diese Spiele eingeleitet wurden.
Wenn die Weinlese vorüber war, im Herbste, dann versammelte der Geistliche und einige andere, der Lehrer des Ortes, diejenigen Burschen, die sie für fähig hielten, ein solches Weihnachtspiel aufzuführen. Durch viele Wochen hindurch wurden die Übungen, die Vorübungen gepflogen. Und aus der Art und Weise, wie die Leute sich vorbereiten mußten für das Feierliche dieser Stücke, ersieht man, aus welchem Geiste heraus solche Dinge unternommen worden sind. Es lebte, ich möchte sagen, ein innerlich gemütvolles Christentum, eine innerlichste gemütvolle Christlichkeit noch. Man sieht es in der ganzen Art und Weise der Einleitung solcher Spiele. Es gab bestimmte Vorschrif-

Daar zijn ze in de kersttijd gespeeld hoewel ze heel ergens anders zijn ontstaan. Oorspronkelijk werden ze gespeeld waar de Rijn stroomt. Ze zijn dus door een bevolkingsgroep meegenomen die naar het oosten trok en die zich ten oosten van de Donau in het Banaat en verder vestigden. Daar werden deze spelen dan verder gespeeld, tot wel in de 19e eeuw.
De laatste tijd zijn veel van dergelijke volksschatten door de gebeurtenissen in de tijd, verloren gegaan. Maar wie het spel nog hebben gezien, waren er diep van onder de indruk, niet alleen van het spel zelf, maar vooral door de manier waarop met deze spelen werd begonnen.
Wanneer de druivenpluk voorbij was, in de herfst, zochten de geestelijke en nog wat anderen, de dorpsleraar jongens bij elkaar die ze geschikt achtten zo’n kerstspel op te voeren. Vele weken lang werden de oefeningen, de vooroefeningen gehouden. En op de manier hoe de mensen zich moesten voorbereiden voor het feestelijke van deze stukken, kun je zien vanuit welke geestesstemming dergelijke dingen gedaan werden. Er was, zou ik willen zeggen, nog een innerlijk gemoedvol christendom, iets heel innerlijk zeer christelijks in het gevoelsleven. Dat zie je aan de hele manier van voorbereiding bij deze spelen. Er bestonden bepaalde voorschriften, 

blz. 55

ten, nach denen wochenlang, viele Wochen lang diese Spiele vorbereitet wurden. Der Geistliche, der Lehrer hat die Burschen gesammelt. Es wurden auch die weiblichen Rollen in der Regel von Burschen gegeben; das können wir hier nicht nachahmen. Da würden gar zu sehr unsere weiblichen Mitglieder dagegen protestieren, aber in der Oberuferer Gegend, da wo Karl Julius Schröer diese Dinge entdeckte, waren es durchaus Burschen, welche auch die weiblichen Rollen gaben. Diesen Burschen wurden strenge Vorschriften gegeben. Vorschriften wurden gemacht, die in derselben Weise jetzt, wo wir hier schon seit Jahren den Versuch machen, diese Spiele innerhalb unserer Kreise wiederum zu beleben, für diejenigen der verehrten Zuhörer, die dabei erscheinen wollen, -Vorschriften also wurden denSpielenden gemacht, die für unsere Spielenden nicht mehr jene Bedeutung haben, aber die uns zeigen, mit welchem Ernst die Dinge da aufgefaßt worden sind. So zum Beispiel war einer der Paragraphen, daß diejenigen, die da mitspielen sollten, an den vielen Wochen, vor allem Abend für Abend all die Wochen durch, wo sie diese Proben durchmachten, ein ehrsames Leben zu führen haben. Nun, das ist selbstverständlich ganz natürlich, daß unsere Leute immer ein ehrsames Leben führen! Also dieser Paragraph hat für uns weiter keine Bedeutung. Ferner durften keine Schelmereien verübt werden. 

volgens welke men weken lang, vele weken lang deze spelen voorbereidde. De jongens waren bij elkaar gezocht door de geestelijke, de leraar. Ook de vrouwenrollen werden in de regel door jongens gespeeld; dat kunnen we hier niet navolgen. Dan zouden onze vrouwelijke leden daar al te zeer tegen protesteren, maar in de streken van Oberufer waar Karl Julious Schröer deze dingen ontdekte, waren er alleen maar jongesn die ook de vrouwelijke rollen speelden.
Deze jongens kregen strenge voorschriften. Er werden voorschriften gegeven die op dezelfde manier nu, nu wij hier al sinds jaren proberen deze spelen bij ons weer nieuw leven in te blazen, voor diegenen van de geachte toeschouwers die willen komen kijken – voor onze spelers niet meer die betekenis hebben, maar voor die spelers waren er voorschriften en die laten ons zien met wat voor ernst de dingen beschouwd werden.
Een van de regels was dat degene die wilde meespelen gedurende de vele weken, alle avonden, al die weken, waarin gerepeteerd werd, een eerzaam leven zou leiden. Welnu, voor onze mensen is het vanzelfsprekend heel natuurlijk dat zij steeds een eerzaam leven leiden. Die regel heeft voor ons verder geen betekenis. Verder mochten er geen onzinnige dingen uitgehaald worden.

Das dürfte ja unter Anthroposophen nicht die Regel sein. – Allerdings gab es ‘auch noch eine Vorschrift, eine Art Strafe, die wir hier einfach aus dem Grunde nicht einführen, weil auch dagegen zu stark protestiert würde, und wenn es doch nötig wäre, sie zu verlangen, würde das nicht eingehalten werden. Es war nämlich eine strenge Vorschrift, daß für jeden Gedächtnisfehler, der begangen wurde noch bei der Generalprobe und insbesondere bei den Aufführungen selbst, strenge Strafen bezahlt werden mußten durch den Mitspielenden! Wie gesagt, das können wir nicht einführen. Denn es würden nie diese Strafen bei uns bezahlt.
Nun war aber eine ganz strenge Vorschrift, meine sehr verehrten Anwesenden, die wir gar nicht einführen können, vorhanden. Diese strenge Vorschrift war diese, daß in der Zeit, während welcher die Proben stattfanden, die Probenden also dem Geistlichen oder Lehrer, also allen, die Lehrmeister sein müssen, streng gehorsam sein mußten.

Dat zou onder antroposofen niet de regel mogen zijn –
Bovendien was er nog een voorschrift, een soort straf, die we hier niet invoeren simpelweg omdat ook daartegen te sterke protesten zouden komen en als het toch nodig zou zijn het te eisen, zou het niet ingewilligd wordenj. Het was namelijk het strenge voorschrift dat er bij elke vergeetfout die nog gemaakt werd bij de eindrepetitie en vooral tijdens de opvoeringen, door de spelers een flinke boete betaald moest worden. Zoals gezegd: dat kunnen we hier niet invoeren. Deze boetes zouden bij ons nooit betaald worden
En nu was er, zeer geachte aanwezigen, nog een streng voorschrift, dat we al helemaal niet kunnen invoeren. Dit strenge voorschrift was dat in de tijd waarin de repetities plaatsvonden de uitvoerenden alsook de geestelijke of leraar, dus allen die leermeester moesten zijn, streng gehoorzaam moesten zijn.

blz. 56

Nun, Sie werden begreifen, das können wir unter uns natürlich niemals einführen. Sie sehen aber aus diesen strengen Paragraphen, mit welch außerordentlichem Ernst man an diese Sache ging. Und dieser Ernst ist es, der einem auffällt, wenn man sich in die ganze Art und Weise wiederum vertieft, wie diese Spiele gespielt wurden. Nicht sentimental, oftmals mit einem köstlichen Humor durchsetzt, durchaus aus dem Volksgefühl heraus waren ursprünglich von der Geistlichkeit diese Dinge gegeben, aber das Volk hat sich ihrer bemächtigt, ganz in seinem Geiste aufgenommen. So daß, wie sie hier vorliegen, sie durch und durch volkstümlich sind und uns zurückweisen in das Fühlen, in das Empfinden, in das Denken eines Teiles des christlichen Volkes im 16. Jahrhundert, vielleicht im 15. Jahrhundert noch. Das alles steht vor unserer Seele, wenn wir diese Spiele ansehen.
Wir dürfen uns vorstellen, daß über einem großen Teil von Mitteleuropa, über die Gegenden, die ich früher schon erwähnt habe, vom 14. Jahrhundert bis in die folgenden Jahrhunderte hinein – in einzelnen Gegenden, wie Sie sehen, ist das erst nach und nach verschwunden im 19. Jahrhundert -, zu allen sogenannten heiligen Zeiten diese Spiele, also das Weihnachtspiel, das Osterspiel, das Pfingstspiel vorgeführt wurden.

Nu, u zal begrijpen dat we dat onder elkaar natuurlijk nooit uitvoeren. Maar aan die strenge regels ziet u met wat voor buitengewone ernst men hiermee bezig was. En het is die ernst die opvalt wanneer je je in alles verdiept hoe deze spelen gespeeld werden. Niet sentimenteel, dikwijls met kostelijke humor doorspekt, zeer zeker was dat oorspronkelijk vanuit het volksgevoel door de geestelijkheid aangegeven, maar het volk maakte het zich eigen, nam het helemaal in de geestesgesteldheid op. En wel zo dat zoals we ze nu hier hebben, ze door en door volks zijn en ons verwijzen naar dat gevoel, dat beleven, dat denken van een deel van het christelijke volk in de 16e eeuw, misschine nog in de 15e. Dat staat voor ons, wanneer we naar deze spelen kijken.
We mogen ons wel voorstellen dat verspreid over een groot deel van Midden-Europa, over de streken die ik al eerder noemde, vanaf de 14e eeuw tot in de volgende eeuwen – in een paar gebieden is dat, zoals u ziet, pas in de 19e eeuw, ze langzaam verdwenen, op alle zogenaamde heilige dagen deze spelen, dus het kerstspel, het paasspel, het pinksterspel opgevoerd werden.

Und an der Art und Weise, wie diese Leute das Christentum in sich belebt haben, wie sie in einer außerordentlich volkstümlichen Art und Weise, ich möchte sagen, anschaulich die Evangelien vor uns hinstellen, sieht man, daß sie tief eingegriffen haben in das Volk. Und wir betrachten es als unsere Aufgabe auch, darauf aufmerksam zu machen, wie das geistige Leben durch die Jahrhunderte durch, wie ein Stück des geistigen Lebens Mitteleuropas dadurch erhalten blieb. Derjenige, der noch gesehen hat, wie auch sonst dieses geistige Leben Mitteleuropas, insoferne es Volksleben war, in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts allmählich unter den neueren Zeiten dahingestorben ist, wird viel empfinden können durch diese Auferweckung alter volkstümlicher Zeiten. Aus diesem Geiste heraus, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir Ihnen zunächst das Paradeis-Spiel und dann auch das Christ-Geburt-Spiel heute vorführen.

En aan de manier waarop deze mensen het christendom beleefden, hoe ze op een buitengewone volkse manier, ik zou willen zeggen, de Evangeliën voor ons aanschouwelijk neerzetten, zie je dat zij op het volk een diepe indruk maakten. En wij vatten het ook als onze taak op erop te wijzen, hoe het geestelijk leven door de eeuwen heen, daardoor als een stuk geestesleven van Midden-Europa bewaard bleef. Degene die nog heeft gezien hoe toch ook dit geestelijke leven van Midden-Europa in zoverre het volksleven was, in de tweede helft van de 19e eeuw langzamerhand in de nieuwere tijd ten onder gegaan is, zal veel kunnen ervaren door het nieuw ingeblazen leven van oude volkse tijden. Vanuit deze stemming, geachte aanwezigen, zouden wij u nu het paradijsspel en dan ook het herdersspel willen laten zien. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (8)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 63

Wir werden uns erlauben, Ihnen in diesen Tagen einige deutsche Weihnachtspiele, die aus älterem Volkstume erhalten sind, vorzuführen. Wir werden heute damit beginnen, ein sogenanntes Paradeis-Spiel vorzuführen. Diese Weihnachtspiele wurzeln tief im mitteleuropäisch-deutschen Volkstum und sind, wenn man sie heute betrachtet, eigentlich eine lebendige Geschichtsdarstellung. Viel lebendiger bekommt man das Bild der Volksentwickelung aus der Wiederbelebung dieser Spiele, als durch eine sonstige historische Schilderung. Es ist ja in Europa das Drama aus kirchlichen Veranstaltungen hervorgegangen. Solche kirchlichen Veranstaltungen können wir geschichtlich ziemlich weit, bis in das 12. Jahrhundert zurückverfolgen; sie gehen aber eigentlich viel weiter zurück. Aus dem 12. Jahrhundert wird namentlich über ein oftmals gespieltes kirchliches Drama «Der Antichrist» berichtet; in den verschiedensten Formen war dieser «Antichrist» vorhanden. Und es ist außerordentlich bemerkenswert zu sehen, wie in diesem «Antichrist» großartige Kämpfe dargestellt wurden, die zwischen den europäischen und asiatischen Völkern stattfanden.

We nemen de vrijheid u deze dagen een paar Duitse kerstspelen te laten zien die uit oudere volksculturen bewaard zijn gebleven. We beginnen vandaag met een zgn. paradijsspel op te voeren.
Deze kerstspelen zijn diep geworteld in de Duitse volkscultuur in Midden-Europa en zijn wanneer je ze nu bekijkt, eigenlijk een levendig historisch beeld. Het beeld hoe het volk zich ontwikkelde, krijg je veel levendiger te zien wanneer je deze spelen weer tot leven brengt, dan door een of andere historische schets. In Europa is het drama ontstaan uit opvoeringen in de kerken. Deze kerkelijke opvoeringen kunnen we tamelijk ver in de geschiedenis terug volgen, tot in de 12e eeuw; maar eigenlijk gaan ze nog veel verder terug. Er wordt namelijk over een stuk uit de 12e eeuw gesproken, een vaak gespeeld kerkelijk drama, ‘de Antichrist’; deze ‘Antichrist’ bestond in de meest verschillende vormen. En het is buitengewoon interessant om te zien hoe in deze ‘Antichrist’ een grote strijd werd getoond tussen de Europese en Aziatische volkeren. 

Nun, später wurden dann das Leiden und die Geburt Christi und sonstige kirchliche Erinnerungen zuerst von Geistlichen in den Kirchen selbst dargestellt. Es wurden dann weltliche Veranstaltungen daraus, indem zuerst die Geistlichen außerhalb der Kirche diese geistlichen Spiele aufführten, und dann die Aufführungen auch auf weltliche Personen übergingen.
Ein besonders bemerkenswertes Spiel war zum Beispiel das von den «Zehn Jungfrauen». Bei einer Aufführung der «Zehn Jungfrauen», die 1322 in Eisenach stattfand, am Fuße der Wartburg, ging es so ergreifend zu, daß der anwesende Landgraf Friedrich «mit der gebissenen Wange» trostlos darüber war, daß es, wie dieses Spiel besagte, selbst der Heiligen Jungfrau nicht möglich war, durch ihre Fürbitte die Verbannten zu erlösen. Durch den mächtigen Eindruck, den dieses Spiel auf ihn mit dieser Tendenz machte, traf ihn der Schlag. Er siechte 

Welnu, later werden dan het Lijden en de Geboorte van Christus en andere kerkelijke gedenkwaardigheden in de kerken door de geestelijken zelf, op het toneel gebracht. Daaruit ontstonden de opvoeringen buiten de kerk, eerst nog opgevoerd door de geestelijken en daarna ging het over op wereldse personen. Een bijzonder opvallend spel was bijv. dat van de ‘Tien Maagden’. Bij een opvoering daarvan in 1332 in Eisenach, aan de voet van de Wartburg, ging het er zo aangrijpend aan toe dat landgraaf Friedrich ‘met de gebeten wang’ [1] niet te troosten was toen het, zoals het spel verhaalt, zelfs voor de Heilige Maagd niet mogelijk bleek door haar voorspraak de bannelingen te verlossen. Door de overweldigende indruk die het spel met dit verloop op hem maakte, kreeg hij een beroerte. Hij zakte

blz. 64

dahin und starb infolge des Eindruckes dieses Spiels der «Zehn Jungfrauen». Diese Geschichte wird durch das folgende Mittelalter hindurch viel erzählt. Kurz, wir finden überall Spuren durch ganz Mitteleuropa solcher geistlichen Spiele.
Diese geistlichen Spiele, welche dann ins Volksmäßige übergingen, treten uns noch in der mannigfaltigsten Gestalt als Festspiele, Weihnacht-, Oster- oder Fastnacht-Spiele durch die folgenden Jahrhunderte hindurch entgegen. Es ist insbesondere interessant, wie man verfolgen kann, daß wandernde deutsche Stämme diese Spiele auf ihren
Wanderungen mitnahmen.
Wir müssen uns darüber klar sein, daß mehr im Westen Mitteleuropas lebende deutsche Stämme, die dann nach Osten herüberzogen, nach Österreich zogen, die böhmischen Gegenden, aber namentlich Ungarn bevölkerten, ihre Spiele als ein teures, heiliges Gut mitnahmen und die Aufführung dieser Spiele in einer ganz außerordentlich bemerkenswerten Weise trieben. Diese Spiele lebten im Volke, ohne daß sich die gebildeten Stände viel darum kümmerten. Erst als die deutsche Altertumskunde im 19. Jahrhundert eine gewisse Vertiefung erfuhr, waren es einzelne solcher Altertumsforscher, welche aus dem Volkstum heraus diese Spiele aufführten. 

in elkaar en stierf als gevolg van deze indrukken van het spel van de ‘Tien Maagden’. Dit verhaal werd gedurende de middeleeuwse tijd die volgde, veel verteld. Kortom, we vinden overal sporen van dergelijke geestelijke spelen door heel de middeleeuwen heen.
Deze geestelijke spelen die dan door het volk werden overgenomen, zien we door de volgende eeuwen heen terug als kerst-, paas- of vastenavondspelen. Het is bijzonder interessant hoe men volgen kan dat wegtrekkende Duitse stammen deze spelen toen ze wegtrokken, meenemen.
We moeten weten dat de meer in het westen van Midden-Europa wonende Duitse stammen, die toen naar het oosten wegtrokken, naar Oostenrijk trokken, de Boheemse streken, met name Hongarije bevolkten en dat ze hun spelen als een kostbaar, heilig goed meenamen en de opvoering van deze spelen op een heel buitengewoon opvallende manier organiseerden. Deze spelen leefden onder het volk, zonder dat de ontwikkelde stand daar veel aandacht aan schonk. Pas toen in de 19e eeuw de studie naar de Duitse historie meer aandacht kreeg, waren er bepaalde geschiedenisonderzoekers die van deze spelen melding maakten.

Einer derjenigen, die sich viel Mühe gaben, insbesondere solche Volkstümer in den verschiedensten deutschen Gegenden Ungarns aufzutreiben, war mein alter Freund und ehemaliger Lehrer Karl Julius Schröer. Seinem Verdienste ist es zuzuschreiben, daß namentlich aus der Preßburger Gegend die deutschen Weihnachtspiele erhalten blieben, wenigstens zunächst in der Literatur. Karl Julius Schröer fand solche Weihnachtspiele im Nordwesten Ungarns, in der Preßburger Gegend, in der sogenannten Oberuferer Gegend vor. Weihnachtspiele, die durchaus durch ihren Inhalt, durch ihre Sprache zeigten, wie sie aus westlicheren Gegenden mit den nach Osten wandernden deutschen Stämmen gebracht worden waren. Schröer konnte feststellen, daß solche Weihnachtspiele wie ein heiliges Gut von Generation zu Generation vererbt wurden, wie sie jedesmal, wenn die Weihnachtszeit herannahte, einstudiert und dann zur Weihnachtszeit aufgeführt wurden. Eine besonders bevorzugte Familie hatte diese Weihnachtspiele im Besitz. War nun die Zeit der Weinlese im 

Een van de mensen die zich veel moeite getroostte, met name om dergelijke volkscultuur in al die verschillende Duitse streken in Hongarije op te sporen, was mijn goede vriend en vroegere leraar Karl Julius Schröer. Het is zijn verdienste dat m.n. uit de omgeving van Pressburg de Duitse kerstspelen bewaard zijn gebleven, tenminste wel in de literatuur. Karl Julius Schröer vond zulke kerstspelen in het noord-westen van Hongarije, in de omgeving van Pressburg, de zgn. omgeving van Oberufer. Kerstpelen die vooral door de inhoud, door hun taal toonden hoe ze door de emigrerende Duitse stammen vanuit westelijker gelegen streken meegebracht zijn naar het oosten. Schröer kon vaststellen dat dergelijke spelen als een heilig goed van generatie op generatie overgeërfd werden, hoe ze iedere keer, wanneer Kerstmis naderde, ingestudeerd en met Kerstmis opgevoerd werden. Een bijzonder bevoorrechte familie had deze spelen in haar bezit. Wanneer nu de tijd van de wijnoogst in de

blz. 65

Herbste vorüber, und hatten die Landleute einige freie Zeit gewonnen, dann versammelte derjenige, der im Besitze des Manuskriptes solcher Weihnachtspiele war, die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und bereitete sie durch Einstudieren vor für die Aufführung zur Weihnachtszeit.
Es war mit solchen Aufführungen etwas ganz besonderes; sie wurden wie etwas behandelt, das eine tief religiöse Seite hat. Das geht daraus hervor, daß strenge Vorschriften für diejenigen bestanden, welche viele Wochen hindurch diese Spiele unter der Direktion des Meisters einstudiert hatten. Solche Vorschriften waren zum Beispiel diese, daß jene Burschen, die ausersehen waren, dieses Weihnachtspiel zu studieren und aufzuführen, während der Zeit des Einstudierens ihrem Meister in einer außerordentlichen Weise unbedingten Gehorsam leisten mußten; daß sie in dieser Zeit einen moralischen Lebenswandel führen mußten. Die besondere Vorschrift war diese, daß sie in dieser Zeit, wie der Volksmund sich ausdrückte, nicht zu dem Dirndl gehen durften. Wenn dann die Weihnachtspiele einstudiert waren, wurden
sie in der Regel in einem Gasthof aufgeführt, und zwar in echt volkstümlicher Weise. So gut es heute geht, wollen wir in unserer Aufführung diese Volkstümlichkeit eben festhalten, damit gewissermaßen historisch vor unsere Seele treten kann die Art und Weise, wie Weihnachten innerhalb dieses Volkstums gefeiert worden ist.

herfst voorbij was en de boeren wat meer vrije tijd kregen, riep degene die in het bezit was van de manuscripten van deze spelen, de jongens van het dorp, die hij geschikt achtte om mee te doen, bij elkaar en bereidde ze door het instuderen voor op de opvoering rond de kersttijd. Er was iets heel speciaals met deze opvoeringen; men ging ermee om als iets dat een diep religieuze kant heeft. Dat blijkt omdat er strenge voorschriften waren voor degenen die vier weken lang deze spelen onder leiding van de meester instudeerden. O.a. deze: de jongens die gekozen waren moesten gedurende de tijd van instuderen buitengewoon en onvoorwaardelijk naar hun leermeester luisteren; ze moesten een moreel leven leiden. Er was een speciaal voorschrift dat ze gedurende deze tijd niet, zoals de volksmond dat uitdrukte, naar de meisjes mochten gaan. Wanneer de spelen dan opgevoerd werden, gebeurde dat meestal in een herberg en echt op een volkse manier. Voor zover dat lukt, willen wij in onze spelen dat volkse vasthouden, zodat we in zekere zin historisch de manier voor ons kunnen zien hoe Kerstmis binnen deze volkscultuur gevierd is.

Eine besondere Eigentümlichkeit dieser Spiele war ihre Durchsetzung mit einem volkstümlichen Humor. Und es ist ganz falsch, wenn man diese Volksspiele etwa sentimental aufführt. Jede Sentimentalität muß ferneliegen. Führt man sie sentimental auf, so zeigt man einfach, daß man kein Verständnis hat für ein Element, welches im religiösen Leben des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit ganz besonders vorhanden war. Die Leute konnten tief religiös sein, waren es aber in humorvoller Weise, waren es ohne falsche Mystik, ohne Sentimentalität. Und sie konnten zwischen den Schilderungen der erhabensten Szenen zu gleicher Zeit echt volkstümliche Witze machen, echt volkstümlichen Humor entfalten. Man wollte das Lachen nicht verlernen, indem man betend zu den erhabensten Dingen aufblickte. Das ist ein Charakteristisches für die besondere Religiosiät 

Een bijzondere eigenschap van deze spelen was dat ze doorspekt waren met volkse humor. En het is totaal verkeerd wanneer je dezse spelen sentimenteel opvoert. We moeten verre blijven van elk sentiment. Als je ze sentimenteel opvoert, laat je simpelweg zien, dat je geen besef hebt van een element dat in het religieuze leven van de middeleeuwen en de beginnende nieuwe tijd op een bijzondere manier aanwezig was. De mensen konden diep religieus zijn, maar dat waren ze met humor, waren dat zonder onware mystiek, zonder sentimentaliteit. En ze konden tussen de vertolking van de meest verheven scenes, tegelijkertijd echte volkse grappen maken, echte volkse humor laten zien. Men wilde het lachen niet verleren door biddend op te zien naar de verhevendste dingen. Dat is een eigenschap van het bijzondere religieuze gevoel

blz. 66

früherer Zeiten, die in dieser Richtung gesund war. Ungesund wurde die Religiosität erst in späteren Zeiten.
Heute werden wir uns erlauben, dasjenige Spiel aufzuführen, das in der Regel den anderen voranging: das Paradeis-Spiel, darstellend wie Gott Adam und Eva ins Paradies führt, und wie sie von dem Teufel verführt werden. «Adam und Eva» ist ja der Festtag, welcher dem 25. Dezember im Kalender vorangeht, der eigentlichen Weihenacht. Und für die Weihnachtszeit, die spätere Weihnachtszeit war dann so etwas gewöhnlich in Aussicht genommen, wie das Christ-Geburt- Spiel, das wir uns dann erlauben werden, morgen diesem ParadeisSpiel nachfolgen zu lassen.

in deze vroegere tijden, dat wat dat betreft gezond was. Het religieuze gevoel werd pas later ongezond.
Vandaag nemen we de vrijheid het spel op te voeren dat als regel door de andere vooraf ging: het paradijsspel, dat vertoont hoe God Adam en Eva in het paradijs brengt en hoe ze door de duivel verleid worden. ‘Adam-en-Evadag’ is op de kalender de feestdag vóór Kerstmis op 25 december, het eigenlijke kerstfeest. En wat de kersttijd betreft, daarin stond dan gewoonlijk het geboortespel op het programma, dat wij dan morgen op dit pararadijsspel willen laten volgen.

In dieser Aufführung wurde zum ersten Male der von Rudolf Steiner rekonstruierte Text zur Einleitung des «Paradeis-Spieles» gesprochen. – Von den Auf- führungen am 25. und 26. Dezember liegen keine Nachschriften vor.
Bij deze opvoering werd als inleiding van het paradijsspel voor (bij?) de eerste keer de door Rudolf Steiner gereconstrueerde tekst gesproken. – Van de opvoeringen van 25 en 26 decfember zijn geen notities. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1678

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

VON DEN VOLKSTÜMLICHEN WEIHNACHTSPIELEN
EINE CHRISTFEST-ERINNERUNG

 

blz. 9

Vor fast vierzig Jahren*, etwa zwei oder drei Tage vor Weihnachten, erzählte mir mein lieber Lehrer und väterlicher Freund Karl Julius Schröer in seinem kleinen Bibliothekszimmer in der Wiener Salesianergasse von den Weihnachtspielen, deren Aufführung in Oberufer in Westungarn er in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts beige- wohnt und die er 1862 in Wien herausgegeben hatte.
Die deutschen Kolonisten dieser Gegend haben diese Spiele aus mehr westlich gelegenen Gegenden mitgebracht und ganz ‘in alter Weise jedes Jahr um die Weihnachtszeit weitergespielt. Es sind in ihnen wahre Perlen des deutschen Volkschauspieles aus einer Zeit erhalten, die der allerersten Entstehung der modernen Bühne vorangegangen ist.
In Schröers Erzählung war etwas, das eine unmittelbare Empfindung davon erregte, wie vor seiner Seele im Anblick der Spiele ein Stück ‘Volkstum aus dem 16. Jahrhundert stand. Und er schilderte ja aus dem vollen heraus. 

over de volkse kerstspelen
een herinnering aan een christusfeest

Ongeveer veertig jaar geleden, zo’n twee of drie dagen voor Kerstmis, vertelde mijn goede leraar en vaderlijke vriend Karl Julius Schröer me in zijn kleine bibliotheekkamer in de Weense Salesianersteeg over de kerstspelen waarvan hij in Oberufer in West-Hongarije in de jaren vijftig van de 19e eeuw een opvoering had bijgewoond en die hij in 1862 in Wenen had uitgegeven.
De Duitse kolonisten van deze streek hebben deze spelen uit meer naar het westen gelegen streken meegebracht en elk jaar tegen Kerst in die heel oude stijl weer opgevoerd. Er zitten nog echte pareltjes van Duits volkstoneel in uit een tijd die voorafging aan het allereerste ontstaan van het moderne toneel.
In wat Schröer vertelde zat iets wat onmiddellijk een gevoel opriep van wat hij beleefde als een stukje echt volksleven bij het zien van die spelen uit de 16e eeuw. Hij schetste het met verve.

Ihm war das deutsche Volkstum in den verschiedenen österreichisch-ungarischen Gegenden ans Herz gewachsen. Zwei Gebiete waren der Gegenstand seines besonderen Studiums. Dieses Volkstum und Goethe. Und wenn er über irgend etwas aus diesen beiden Gebieten sprach, dann teilte sich nicht ein Gelehrter mit, sondern ein ganzer Mensch, der sich der Gelehrsamkeit nur bediente, um auszusprechen, was ihn mit ganzem Herzen und intensivem Lebensinhalt persönlich damit verband.
Und so sprach er damals über die bäuerlichen Weihnachtspiele. Lebendig wurden aus seinen Worten die armen Leute von Oberufer, die jedes Jahr um die Weihnachtszeit für ihre Mitbewohner zu Schauspielern sich ausbildeten. Schröer kannte dieser Leute Art. Er hat ja auch alles getan, um sie kennenzulernen. Er bereiste das ungarische Bergland, um die Sprache der Deutschen in dieser Gegend Nordungarns zu studieren. Von ihm gibt es ein «Wörterbuch der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1858); eine «Darstellung der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1864). Man 

Hem lag die Duitse volksgemeenschap in de verschillende Oostenrijks-Hongaarse streken na aan het hart. Wat zijn bijzondere studies betrreft, waren er twee onderwerpen. Deze volksgemeenschap en Goethe. En wanneer hij over iets van deze beide sprak, was er geen geleerde aan het woord, maar helemaal een mens die zijn geleerdheid alleen maar gebruikte om uit te spreken wat hem van ganser harte en met een intense volheid des levens daarmee verbond.
En zo sprak hij toen over die kerstspelen van de boeren. Door zijn woorden kwamen de arme mensen uit Oberufer die ieder jaar tegen Kerst voor hun dorpsgenoten toneelspelers werden, tot leven. Schroër kende de aard van deze mensen. Hij had er alles aan gedaan om ze te leren kennen. Hij reisde door het Hongaarse bergland om de taal van de Duitsers in deze streek van Noord-Hongarije te bestuderen. Er bestaat een woordenboek van hem: ‘Woordenboek van Duitse dialecten in het Hongaarse bergland’ (1858); een ‘Proeve van de Duitse dialecten van het Hongaarse bergland’ (1864). Je

blz. 10

braucht nicht gerade eine Vorliebe für die Lektüre von Wörterbüchern zu haben, um von diesen Büchern gefesselt zu werden. Das äußere Gewand der Darstellung hat zunächst allerdings ‘nichts Anziehendes. Denn Schröer sucht der wissenschaftlichen Art der Germanistik seiner Zeit gerecht zu werden. Und diese Art erscheint zunächst auch bei ihm recht trocken. Überwindet man aber diese Trockenheit und geht man auf den Geist ein, der da waltet, wenn Schröer Worte, Redensarten, Wortspiele und so weiter aus den Volksdialekten mitteilt: dann vernimmt man in wahrhaft anmutigen Miniaturbildchen Offenbarungen reinster Menschlichkeit. Aber man ist nicht einmal darauf angewiesen. Denn Schröer schickt seinen Wörterbüchern und grammatikalischen Aufzählungen Vorreden voraus, die weiteste kulturgeschichtliche Ausblicke geben. In Volkstümliches, das eingestreut in anderes Volkstum und innerhalb desselben im Untergange begriffen ist, verliebt sich eine selten sinnige Persönlichkeit und schildert es, wie man eine Abenddämmerung schildert.

hoeft niet meteen een voorliefde voor woordenboeken te hebben om door die boeken geboeid te raken. De uiterlijke kant van zijn betoog heeft echt niets aantrekkelijks. Want Schröer probeert recht te doen aan de wetenschappelijke manier van Germanistiek bedrijven. En dat is ook bij hem aanvankelijk nogal droog. Overwin je echter dit droge en pak je de geest die eruit spreekt, wanneer
Schröer woorden, manieren van zeggen, het spelen met woorden enz. uit het volksdialect meedeelt: dan merk je in werkelijk prachtige miniatuurbeeldjes uitingen van een pure menselijkheid. Maar daarop ben je niet eens aangewezen. Want Schröer schrijft in zijn woordenboeken en grammaticale opsommingen een voorwoord dat een wijde blik op een verreikende cultuurgeschiedenis werpt. Aan wat het eigene van een volk is, verstrooid tussen andere volksgroepen en gedoemd om ten onder te gaan, verliest een zeldzaam gevoelige persoonlijkheid zijn hart en toont het ons, zoals een avondschemering.

Und aus dieser Liebe heraus hat Schröer auch ein Wörterbuch der Heanzen-Mundart des westlichen Ungarns geschrieben [1859] und eines der ganz kleinen deutschen Sprachinsel Gottschee in Krain [1870].
.Es war immer etwas von einem tragischen Grundton da, wenn Schröer aussprach, was er empfand, wenn er hinblickte auf dieses untergehende Volksleben, das er in Form der Wissenschaft bewahren wollte.
Zur innigen Wärme steigerte sich aber diese Empfindung, als er von den Oberuferer Weihnachtspielen sprach. Eine angesehene Familie bewahrte sie und ließ sie als heiliges Gut von Generation auf Generation übergehen. Das älteste Mitglied der Familie war der Lehrmeister, der die Spielart von seinen Vorfahren vererbt erhielt. Der suchte sich aus den Burschen des Ortes jedes Jahr, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen aus, die er als Spieler für geeignet hielt. Ihnen brachte er das Spiel bei. Sie mußten sich während der Lehrzeit eines Lebenswandels befleißigen, der dem Ernste der Sache angemessen war. Und sie mußten sich treulich allem fügen, was der Lehrmeister verordnete. Denn in diesem lebte eine altehrwürdige Tradition.
In einem Wirtshaus waren die Aufführungen, die Schröer gesehen

En vanuit deze betrokkenheid schreef Schröer ook een woordenboek van het Heanzendialect uit West-Hongarije (1859) en een van de heel kleine Duitse taalenclave Gottschee in Krain (1870).
Er was altijd iets van een tragische ondertoon wanneer Schröer uitsprak wat hij beleefde wanneer hij naar dit verdwijnende volksleven keek, wat hij in een wetenschappelijke vorm wilde vastleggen.
Maar dit gevoel groeide aan tot een innerlijke warmte als hij over de kerstspelen uit Oberufer sprak. Een in aanzien staande familie bewaarde die en als iets heiligs ging het van generatie op generatie over. Het oudste familielid was de leermeester die de manier van spelen van zijn voorouders erfde. Hij zocht onder de jongens uit de streek, ieder jaar wanneer de wijnoogst voorbij was, enkele uit die hij geschikt achtte als speler. Aan hen leerde hij het spel. Ze moesten tijdens de instudeertijd hun best doen zo te leven dat het paste bij de ernst van de zaak. En ze moesten zich trouw schikken in wat de leermeester wilde. Want hij was de vertegenwoordiger van de oude, eerbiedwaardige traditie.
De opvoeringen die Schröer heeft gezien,

blz. 11

hat. Aber sowohl Spieler wie Zuschauer trugen in das Haus die herzlichste Weihnachtsstimmung hinein. – Und diese Stimmung wurzei,t in einer echt frommen Hingebung an die Weihnachtswahrheit. Szenen, die zur edelsten Erbauung hinreißen, wechseln mit derben, spaßhaften. Diese tun dem Ernst des Ganzen keinen Abbruch. Sie sind nur ein Beweis dafür, daß die Spiele aus derjenigen Zeit stammen, in welcher die Frömmigkeit des Volkes so festgewurzelt im Gemüte war, daß sie durchaus neben naiver volkstümlicher Heiterkeit einhergehen konnte. Es tat zum Beispiel der frommen Liebe, in der das Herz an das Jesuskind hingegeben war, keinen Eintrag, wenn neben der wunderbar zart gezeichneten Jungfrau ein etwas tölpischer Joseph hingestellt wurde oder wenn der innig charakterisierten Opferung der Hirten eine derbe Unterhaltung derselben mit drolligen Späßen voranging. Diejenigen, von denen die Spiele herrührten, wußten, daß der Kontrast mit der Derbheit die innige Erbauung bei dem Volke nicht herabstimmt, sondern erhöht. Man kann die Kunst bewundern, welche aus dem Lachen heraus die schönste Stimmung frömmster Rührung holt und gerade da- durch die unehrliche Sentimentalität fernhält.

vonden plaats in een herberg. De spelers, maar ook de toeschouwers brachten daar de warmste kerststemming mee naartoe. – En deze stemming is geworteld in een echt diepgelovige devotie voor de waarheid van Kerstmis. Scènes die het gemoed tot de puurste aandacht voeren, worden afgewisseld met wat minder fijngevoelige grappen. Die doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel. Ze zijn er slechts een bewijs van dat de spelen uit een tijd stammen waarin de vroomheid van een volk zo vast in het gemoed wortelt dat die heel goed samen kon gaan met een naïve volkse vrolijkheid.
Het deed bijv. de gelovige liefde waarmee het hart toegewijd was aan het Jezuskind geen afbreuk, wanneer naast de wonderlijk teer aangeduide jonkvrouw, een wat sukkelige Jozef stond of wanneer aan de innige opvoering van de gaven aan het kind door de herders, hun wat lompere conversatie met potsierlijke grappen voorafging. Degenen van wie de spelen kwamen, wisten dat de tegenstelling van wat minder fijngevoelig is, de puurste aandacht niet in der eg staat, maar intenser maakt. Je kan de kunst bewonderen die vanuit de lach de stemming van het puurste aangedaan zijn laat ontstaan en juist daardoor blijft vals sentiment achterwege.

Ich schildere, indem ich dies schreibe, den Eindruck, den ich empfing, nachdem Schröer, um seine Erzählung zu illustrieren, das Büchelchen aus seiner Bibliothek hervorgeholt, in dem er die Weihnachtspiele mitgeteilt hatte und aus denen er mir nun Proben vorlas. Er konnte darauf hinweisen, wie der eine oder der andere Spieler in Gesichtsausdruck und Gebärde sich verhielt, wenn er dieses oder jenes sprach. Schröer gab mir nun das Büchelchen mit (Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn, geschildert und mitgeteilt von Karl Julius Schröer Wien 1 858I62); und ich durfte, nachdem ich es durchgelesen hatte, ihn noch oft über vieles fragen, was mit der Spielart des Volkes und dessen ganzer Auffassung von dieser besonderen Weise, Weihnachten und das Dreikönigsfest zu feiern, zusammenhing.
Schröer erzählt in seiner Einleitung zu den Spielen: «In der Nähe von Preßburg, eine halbe Stunde Weg zu fahren, liegt auf einer VorInsel zur Insel Schütt das Dörfchen Oberufer, dessen Grundherrschaft die Familie Palfy ist. Die katholische sowohl wie die protestantische Gemeinde daselbst gehören als Filialen zu Preßburg und haben ihren 

Ik schets, wanneer ik dit zo beschrijf, de indruk die het op mij maakte, nadat Schröer, om zijn verhaal te illustreren, het boekje uit zijn bibliotheek tevoorschijn haalde, waarin hij de kerstspelen opgeschreven had en waaruit hij mij nu stukjes voorlas. Hij kon aangeven hoe de ene of de andere speler met een gezichtsuitdrukking of een gebaar acteerde wanneer hij dit of dat sprak. Schröer gaf mij dat boekje toen mee (Duitse kerstspelen uit Hongarije, gekarakteriseerd en meegedeeld door Karl Julius Schröer Wenen 1858/62) en ik mocht, nadat ik het gelezen had hem over veel nog vragen stellen m.b.t. de manier van dit volkse spelen en de hele opvatting van deze bijzondere manier om zo Kerstmis en Driekoningen te vieren.
Schröer vertelt in zijn inleiding tot de spelen: ‘In de buurt van Pressburg, een half uurtje rijden, ligt op een vooreilandje bij het eiland Schütt het dorpje Oberufer, waarvan de familie Palfry eigenaar is. De katholieke als ook de protestantse gemeente horen als afdelingen bij Pressburg en houden hun

blz. 12

Gottesdienst in der Stadt. Ein Dorfschulmeister für beide Gemeinden ist zugleich Notär, und so sind denn in einer Person alle Honoratioren des Ortes vereinigt. Er ist den Spielen feind und verachtet sie, so daß dieselben bis auf unsere Tage unbeachtet und völlig isoliert von aller von Bauern ausgingen und für Bauern aufgeführt wurden. Die Religion macht dabei keinen Unterschied, Katholiken und Protestanten nehmen gleichen Anteil bei der Darstellung sowohl als auch auf den Zuschauerplätzen. Es gehören die Spieler jedoch demselben Stamme an, der unter dem Namen der Haidbauern bekannt ist, im 16. oder zu Anfang des 17. Jahrhunderts aus der Gegend am Bodensee (Schröer stellt in einer Anmerkung das nicht als ganz gewiß hin) eingewandert und noch 1659 ganz protestantisch gewesen sein soll … In Oberufer ist nun der Besitzer der Spiele seit 1827 ein Bauer; er hatte schon als Knabe den Engel Gabriel gespielt, dann von seinem Vater, der damals der Spiele war, die Kunst geerbt. Von ihm hatte er die Schriften, die auf Kosten der Spieler angeschafften und instand gehaltenen Kleidungen und anderen Apparat geerbt, und so ging denn auch auf ihn die Lehrmeisterwürde über.»

diensten in de stad. Een dorpsschoolmeester voor de beide gemeenten is tegelijkertijd notaris en op deze manier zijn alle notabelen van de plaats in één persoon verenigd. Hij moet die spelen niet en verafschuwt ze, zodat ze tot nu toe door de gehele ‘intelligentsia’ niet worden opgemerkt en volledig los daarvan, van boeren uitgaan en voor boeren worden opgevoerd. De godsdienst doet er niet toe, katholieken en protestanten hebben een gelijk aandeel bij de uitvoeringen en ook bij het aantal zitplaatsen. Immers, de spelers behoren tot dezelfde volksgroep die onder de naam Haidboeren bekend staat, in de 16e of in het begin van de 17e eeuw uit de omgeving van het Bodenmeer (Schröer zegt in een voetnoot dat dat niet helemaal zeker is) geïmmigreerd en die zou in 1629 nog protestants geweest zijn….In Oberufer is degene die nu sinds 1827 de spelen in zijn bezit heeft een boer; hij had als jongen al de engel Gabriël gespeeld, toen van zijn vader, die toen ‘leermeester’ van de spelen was, de kunst geërfd. Van hem had hij de rollen, op kosten van de spelers aangeschaft en de bewaarde kleding en andere voorwerpen geërfd en zo ging dan op hem de waardigheid van de leermeester over.’

Wenn die Zeit zum Einüben gekommen ist, «wird abgeschrieben, gelernt, gesungen, Tag und Nacht. In dem Dorfe wird keine Musik gelitten. Wenn die Spieler über Land gehen, um in einem benachbarten Ort zu spielen, und es ist Musik da, so ziehen sie weiter. Als man ihnen zu Ehren in einem Orte einmal die Dorfmusikanten aufspielen ließ, fragten sie entrüstet: ob man sie für Komödianten halte? … Die Spiele dauern vom ersten Advent bis heiligen Dreikönig. Alle Sonntag und Feiertag wird gespielt; jeden Mittwoch ist eine Aufführung zur Übung. An den übrigen Werktagen ziehen die Spieler über Land auf benachbarte Dörfer, wo gespielt wird… Ich halte die Erwähnung dieser Umstände deshalb für wichtig, weil aus ihnen ersichtlich wird, wie auch gegenwärtig noch eine gewisse Weihe mit der Sache verbunden ist.»
Und wenn Schröer über die Spiele sprach, so hatten seine Worte noch einen Nachklang von dieser Weihe.
Ich mußte, was ich damals durch Schröer aufnahm, im Herzen behalten. Und nun spielen Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft seit einer Reihe von Jahren zur Weihnachtszeit diese Spiele. 

Wanneer de tijd van de repetities aanbrak, ‘wordt er overgeschreven, geleerd, gezongen, dag en nacht. In het dorp verdraagt men geen muziek. Wanneer de spelers door het land trekken om in een buurdorp te spelen en er wordt daar muziek gemaakt, trekken ze verder. Toen men te hunner ere eens in een dorp de dorpsmuzikanten liet spelen, vroegen ze gepikeerd: of ze misschien voor komedianten aangezien werden?….De spelen duren van de eerste advent tot aan Driekoningen. Elke zondag en feestdagen wordt er gespeeld; iedere woensdag is er een ‘try-out’. Op de andere werkdagen trekken de spelers door het land naar buurdorpen, waar wordt gespeeld…..Ik vind het noemen van deze feiten belangrijk, omdat daaruit blijkt hoe ook tegenwoordig nog een zekere gewijde ernst met de zaak is verbonden.”
En wanneer Schröer over de spelen sprak, klonk er in zijn woorden nog iets van deze wijding door.
Ik moest, wat ik toen van Schröer hoorde, in mijn hart bewaren. En nu spelen leden van de Antroposofische Vereniging al sinds jaren met de Kerst deze spelen.

blz. 13

Während der Kriegszeit durften sie sie auch den Kranken in den Lazaretten vorspielen. Wir spielen sie auch seit Jahren um jede Weihnachtszeit im Goetheanum in Dornach. Auch dieses Jahr wird es wieder so sein. Es wird, soweit das bei den veränderten Verhältnissen möglich ist, streng darauf gesehen, daß Spielart und Einrichtung dem Zuschauer ein Bild geben, wie es diejenigen vor sich hatten, die im Volksgemüt diese Spiele festgehalten und als eine würdige Art, Weihnachten zu feiern, angesehen haben.
Weihnachten 1922    Rudolf Steiner

Tijdens de oorlog mochten ze deze ook spelen voor de zieken in de veldhospitalen. We spelen ze sinds een paar jaar rond iedere Kerst ook in het Goetheanum in Dornach. Dat zal ook dit jaar weer zo zijn. Er zal, voor zover dat door de veranderde omstandigheden mogelijk is, streng op worden toegezien dat de manier van spelen en de enscenering de toeschouwer een beeld geven, zoals diegenen dat voor zich hadden, die in hun volkse ziel deze spelen hebben bewaard en als een waardige manier om Kerstmis te vieren, hebben opgevat.

Kerstmis 1992  Rudolf Steiner

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1388

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (21)

.

KERST EN KERSTSPELEN

Met een forse ruk gaat de blinkende ster aan de Jacobsladder omhoog. De spelers, waaronder vooral de ruige herders in groen, rood en blauw opvallen, groeten vrolijk de houtjes, die de ster overeind houden. De kundige sterrezanger zwaait met de hoed en er wordt gegroet: zon, maan en sterren, de Drieëenheid, de planten, de gehele natuur. Maar ook worden de geestelijke en wereldlijke autoriteiten gegroet. Dit alles geschiedt met veel eerbied, vrolijke eerbied, waarvan alleen middeleeuwse spelen het geheim schijnen te bezitten. Men moet het beleefd hebben om erover te kunnen spreken. Of men meespeelt of toehoorder is … er kan een gevoel ontstaan, dat er een werkelijk kerstgebeuren op handen is.

De middeleeuwen hadden een sterke gemoedscultuur, die in zijn naïviteit en primitiviteit, zuiverheid en oorspronkelijkheid, een sterke en gezondmakende werking op de menselijke ziel had. Onze tijd heeft een verstandscultuur, die juist zwak is in die middeleeuwse gemoedskwali­teiten.
Zo kan men middeleeuwse kerstspelen leren zien als een pedago­gisch medicijn voor onze kinderen. Maar ook de volwassene kan veel aan deze spelen hebben.
Vaak tonen nieuwe ouders hun verbazing, dat steeds dezelfde spelen worden opgevoerd. Is het niet nodig, dat er steeds iets nieuws wordt gebracht?
Een grote misvatting.
Even dwaas als de opvatting, dat iets ouds altijd iets goeds zou zijn, is de mening, dat iets nieuws altijd waarde zou hebben.
Op het stenen paard van de verstarde traditie kan men niet rijden, hoogstens zitten.
Maar op de wilde hengst van de ongedurigheid kan men noch rijden noch zitten.

Wie het ritme van de jaarfeesten en de jaargetijden innerlijk tracht te volgen, kan bemerken, dat hetzelfde steeds nieuwe inhoud kan krij­gen. Daaraan moet bewust gewerkt worden.
Zo is het met de jaarlijks opgevoerde Kerstspelen ook.

Deze tijd van het jaar heeft een heel bijzondere sfeer. Alles wordt donkerder, kouder en kaler. Donker en lang worden de nachten. Vaal en kort de dagen. Koud en doods is de aarde in onze hemelstreek. De bloeiende plantenwereld is verdwenen, kaal staan de bomen, de dierenwereld is grotendeels verborgen. Maar de terugkeer van licht en warmte wordt voorbereid. De nieuwe knoppen zitten al aan boom en heester.
Op 21 december is het de kortste dag, ook winterzonnewende of solstitium genoemd. Geleidelijk wint de zon aan kracht. Zegevierend keert hij terug.
Lange tijd voor de opkomst van het christendom vier­den de noordelijk cultuurvolken omstreeks 21 december het feest van de terugkerende, onoverwinnelijke zon.

Het christendom behoefde slechts aan te knopen aan de plaatselijke ‘heidense’ traditie, zegt men wel. Slimme geestelijken zouden gebruik hebben gemaakt van de traditionele heidense feesten om de christelijke feesten er bij de bevolking ‘in te krijgen.
Deze nog veel verbreide opvatting vindt geen steun in de cultuurhistorie en behoort in de rommelkamer der utilistische fabelen te worden opgeborgen.
Van Perzië tot IJsland wist men reeds duizenden jaren in de mysteriën, dat er een kind zou worden geboren als heiland en verlosser voor de mensheid. Bovendien wist men, dat de vereerde, onoverwinnelijke zon de mantel van dit goddelijk wezen – later met een Grieks woord ‘Chris­tus’ genoemd – vormde.
Rudolf Steiner bevestigt dat.
Een traditioneel adventslied zegt in een van zijn couplettent “De Zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht … is Christus,’t eeuwig Licht”.
De dichter heeft deze woorden zonder twijfel symbolisch bedoeld. Maar dit symbool duidt op een werkelijk­heid, die grootser is dan hij waarschijnlijk zelf ooit gedacht heeft.

Hoe vierde men het kerstfeest in de eerste eeuwen van het christendom? Nu, men vierde Kerstmis in het geheel niet. Veel belangrijker vond men in die tijd de “Doop in de Jordaan”, waardoor de Christus zich als hoogste Geestwezen verbond met het lichaam van Jezus van Nazareth. Dit is de geboorte, waarmede het Markus- en Johannesevangelie beginnen. Volgens de overlevering vond deze plaats op 6 januari. Het feest werd Epiphanie (=goddelijke verschijning) genoemd. Om allerlei redenen werd in het begin van de middeleeuwen door de Kerk de geboorte van het Jezuskind in het middelpunt van de belang­stelling geplaatst. In theologisch opzicht betekende dat een voor­keur voor het Mattheüs- en Lucasevangelie, welke immers beginnen met de geboorte van een heilig kind.

Dit alles geschiedde niet zonder wijsheid. Want de dag voor de 25ste december was vanouds gewijd aan Adam en Eva. Was het Jezuskind niet de ‘nieuwe Adam’, gekomen om de zonde van de oude Adam goed te maken? Zo werden de lotgevallen van het oudste mensenpaar verbonden met de geboorte van Jezus.

Onze Kerstspelen bestaan dan ook uit een “paradijsspel”, een “Geboortespel” en een “Drie Koningenspel”.

Zoals gezegd wortelen zij in de middeleeuwen, een tijd van felle kleur, helder licht en duistere dramatiek. De felste hartstocht en meest brute wreedheid kwamen voor naast de diepste innigheid, trouw en geloof in God en mensheid. De goddelijke geestwereld was dichtbij en men keek meer naar het toekomstige hemelse dan naar het aardse leven. In onze tijd is het omgekeerde het geval. Vandaar dat voort­brengselen van Middeleeuwse cultuur in onze tijd een opwekkende en genezende uitwerking kunnen hebben.

Kerstspelen als element van kerstviering hebben zelf een lange ontwikkeling achter de rug.
In de vroege middeleeuwen bestond de kerstviering uit een nachtmis in het Latijn. Niemand bijna verstond de teksten. Gelukkig kwamen er in de kerken steeds meer gekleurde glazen en schilderijen, waarop, als in een beeldroman, de heilige kerstge­beurtenissen zichtbaar werden.

Maar de gelovigen verlangden het kerstgebeuren in steeds concreter gestalte voor zich te zien, ja er in te participeren. Aan dit verlangen werd tegemoet gekomen: zg.  “kerststallen” van hout, klei of metaal ontstonden. Ook kerststallen met levensgrote poppen. De kerkgangers mochten het kindje in de kribbe helpen wiegen. Het ging er vaak vrolijk toe ‘men juichte het kindje en moeder Maria uit­bundig toe en bespotte de ietwat sullige Jozef.’

Nog later begonnen geestelijken het kerstevangelie als een soort toneelspel in de kerk uit te beelden. Gezongen bijbelteksten werden als basis voor het spel gebruikt. Gesproken teksten zijn van nog jonger datum.
Zo ontstonden in West-Europa vele religieuze spelen, ook wel mysterie­spelen genoemd.

Tenslotte kwamen deze spelen”buiten de kerk”, waar zij door zich ernstig oefenende “leken”  (= niet-geestelijken) werden opgevoerd.

Het toneelspel als Kunst heeft zich in de late middeleeuwen losge­maakt uit de schoot der kerk, zoals alle kunsten, en is een steeds wereldlijker weg gaan bewandelen.

Tijdens de Renaissance vond een beïnvloeding plaats door de oervorm van toneeldrama, de Griekse tragedie, eveneens oorspronkelijk een religieuze aangelegenheid.

Onze Kerstspelen zijn in vrijwel gave toestand ontdekt in het dorpje Oberufer, waar Duitse emigranten al sinds de middeleeuwen zich hadden gevestigd. Oberufer ligt op een eiland in de Donau bij de stad Pressburg (Bratislava). Geïsoleerd in een Hongaars gebied bewaarden de boeren van Oberufer hun spelen als een kostbare schat. Zij werden in één boerengeslacht van vader op zoon opgeleverd. Na de oogsttijd zocht de leermeester-boer een stel geschikte jongens uit – vrouwen mochten niet meespelen – en studeerde de spelen met hen in. De regels voor de spelers waren zeer streng (bv. boetes voor elke fout in de tekst). Het was dan ook een heilige aangelegenheid. De boeren speelden deze Kerstspelen in Oberufer en omgeving vanaf de eerste adventzondag tot en met Driekoningen op iedere zon- en feestdag.

Professor C.J. Schroer ontdekte de spelen en gaf ze uit. Als taal­geleerde besefte hij de waarde in hoge mate. Het enthousiasme van Schröer werd overgedragen op zijn student, Rudolf Steiner. Laatstgenoemde stelde aan het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart voor om deze spelen door de leraren als kerst­geschenk voor de leerlingen te laten opvoeren. Dat gebeurde. Het is een opwekkende gedachte, dat deze waardevolle spelen thans in meer dan honderdveertig* Vrije Scholen en heilpedagogische in­stituten in de gehele wereld, van Canada tot Nieuw Zeeland worden opgevoerd in de komende dagen.

In de Kerstspelen uit Oberufer vindt men alle elementen uit de lekespelen terug die in het voorafgaande genoemd zijn. De drieledigheid van de Griekse tragedie, het koorzingen, het kindje-wiegen en de in de tekst verwerkte bijbelwoorden.
Op de inhoud van de spelen zelf hoop ik in een volgend artikel nader in te gaan.

Mogen deze Kerstspelen niet alleen bij de kinderen, maar vooral ook bij de ouders en de belangstellenden die waardering vinden die zij ten volle waard zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
*2017 zijn dat er ca 1100

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

394-372

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (12)

.

ADVENT 

Kerstmis nadert.
We vieren advent, de verwachting van de geboorte van het Kind.

We vieren advent in een tijd, waarin je steeds meer geneigd bent te denken, dat som­mige kinderen maar niet geboren moeten worden.*

In een tijd waarin steeds meer mensen menen te kunnen voorspellen dat het leven van sommige kinderen niets dan ellende voor zichzelf en voor anderen zal betekenen, zo­dat het een.goede, een sociale daad is om de geboorte van deze kinderen op de meest radicale wijze te verhinderen.

Steeds moeilijker wordt het de zorg van het leven voor de ene mens af te wegen tegen de verantwoordelijkheid voor dat van een ander. Normen die eens vanzelfsprekend waren, blijken nu weerstanden op te roepen, maar waarop berust datgene wat als voor­uitstrevend en juist verkondigd wordt? Hoe houd je in de maalstroom van de ontwikke­ling het zicht op de kern van de problematiek?

In deze tijd betekent het een weldaad om beelden voor ogen te krijgen die tot deze kern terugvoeren.
Dat zijn de beelden zoals deze gegeven worden in de Kerstspelen,
die jaarlijks in de school voor de leerlingen en voor de ouders en vrienden wordenopgevoerd. Spelen, die in hun eenvoud zo zuiver en zo raak het drama van de menselijke ontwikkeling voor ogen stellen, dat iedere discussie overbodig wordt.
Het kan dan ook gebeuren, dat wanneer je jarenlang deze spelen hebt gezien en je je op een ander moment van het jaar met een bepaalde problematiek bezig houdt, plotseling beelden uit het Paradijs-, het Herders- of het Driekoningenspel in je opduiken en een verhelderend licht hierop werpen,

Maria die de engelboodschap hoort. Ze is eigenlijk niet blij, maar eerder verrast. “Hoe zal dat zijn dewijl ik genen man en bekenne?” vraagt zij. In een tijd waarin het meest intieme samenzijn van man en vrouw nog onbewust in de slaap kon plaats vinden, is haar verwondering oprecht.

Zij heeft dit niet verwacht, zeker niet “gewenst”. Maar zij aanvaardt in vertrouwen de opdracht die haar gesteld wordt en die voor haar levensbeheersend zal zijn:
“Mij’ geschiede naar Uw wil.”

Jozef en Maria
Zij hebben het niet breed. Geen sociale voorzieningen; van hun armoedje moeten zij nog “tribuut” betalen en bovendien onder benarde omstandigheden een reis ondernemen. Zij worden onvriendelijk bejegend en het aanbod van een stal als kraamkamer moet als een gunst beschouwd worden. Hun verbondenheid wordt er echter door versterkt.

Koning Herodes
Rijk en bekleed met macht. Maar hij hecht hieraan terwille van zichzelf. De angst voor het verlies van zijn positie drijft hem er toe duistere ingevingen te volgen en tenslotte naar het meest radicale middel te grijpen …

Het lijkt misschien naïef om aan deze beelden zoveel waarde te hechten. Ik geloof dat het goed is om tegen Kerstmis weer naïef te zijn. Naïef heeft te maken met gebo­ren worden. Het kerstfeest is niet zozeer een feest van tradities als van een nieuwe geboorte. Daarom is de kersttijd ook de tijd van de goede wensen.

Je zou wensen dat veel mensen de beelden uit de kerstspelen, die ons in de december­maand door de leraren van de school geschonken worden, in zich mee zullen dragen, het nieuwe jaar in. En dat deze beelden ertoe zullen bijdragen dat er gezonde ge­dachten geboren worden, gedachten, die de vrucht zijn van een omvattend weten en een zuiver gevoel voor verbondenheid.

(Annet Schukking, 1974, nadere gegevens ontbreken)

*vooral de tijd van de dreiging van kernwapens (wel of niet plaatsen in Nederland) en de roep om abortus te legaliseren (baas in eigen buik)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

361-340

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -Crispijn

.

CRISPIJN
Crispijn, de vierde herder in het kerstspel, is blijkbaar een moeilijk te begrijpen figuur. Ik* ontmoette, in voor mij chronologische volgorde, de volgende opvattingen:

K.J.Schroer(1858) [1]

Es folgt die schöne Szene der Opferung und am Schluß das Auftreten eines vierten Hirten, der in seinem ganzen Wesen etwas rätselhaft ist, wenn auch schon in der Legende die Hir­ten einmal drei, einmal vier sind. Vielleicht stellt er nichts andres dar als den törichten Hirten, der, für die hehre Er­scheinung unempfänglich, nichts geträumt noch gesehen hat. Crispus kömmt in einem Schafpelz, den er umgekehrt mit der rauhen Seite nach außen um hat, ebenso ist seine mit Schaf­pelz gefütterte Mütze umgekehrt. Er geht immer gebückt und sucht sich im Pelz ganz zu verkriechen. Also eine vermummte Rauhnachtgestalt. (Merkwürdig ist, daß das Rauhe auch im lateinischen Namen schon angekündigt ist; etwa ein männ­licher Allerleirauh?) In verschiedenen Gegenden Ungarns kommen am Heiligen Abend Hirten singend in die Häuser, vier, fünf und mehr. Einer unter ihnen hat einen Strohgürtel um und unterscheidet sich durch schlechte Kleider. Der legt sich auf den Boden und wird von den andern mit den Hirten-Stäben wie mit Hebeln aufgehoben. Er heißt Kubo. Ist das unser Crispus? Ist es der Wintergott, der auf die Beine kommt?

Na de mooie scene van de aanbidding komt  op het einde nog een vierde herder op, die naar zijn hele wezen wat raadselachtig is, ook al zijn in de legende de herders wel met z’n 3-en of 4-en. Misschien stelt hij niets anders voor  dan een onnozele herder, die voor de indrukwekkende verschijnselen niet open stond, niets gedroomd, noch gezien heeft. Crispijn komt op in een schapenvacht, die hij omgekeerd, met de ruwe kant naar buiten draagt, net als zijn met schapenvacht gevoerde muts die ook binnenstebuiten zit. Hij loopt steeds krom en probeert zich helemaal in zijn vacht te verstoppen. Dus een vermomde figuur tijdens de 12 heilige nachten optredend  (Rauhnachtgestalt)
(Merkwaardig is, dat het ruige ook in de Latijnse naam al aangekondigd wordt; iets als een mannelijke Allerleirauh=Bontepels.
In verschillende streken van Hongarije komen op de heilige avond herders zingend de huizen binnen, vier, vijf en meer. Een van hen heeft een strogordel om en onderscheidt zich door zijn slechte kleding.
Hij gaat op de grond liggen en wordt door de anderen met de herdersstaven als hefbomen opgetild. Hij heet Kubo. Is dat onze Crispijn? Is het de wintergod die overeind komt?

Figur 8 ** ist der Hirtenknecht Crispus, der ganz vermummt und in Pelz gehüllt, gebückt einhergeht, wahrscheinlich ein Repräsentant der rohen, ungläubigen Heiden. Ein Hirt mit dem «Zippelpelz» kommt auch in andern Weihnachtspielen (selbst bei Slawen als «Kubo») vor. Die mit der Krippe um Weihnachten herumziehenden Hirten in der Slowakei zeigen dem «Kubo» die Krippe und fragen, ob er glauben will; er weigert sich und wird dafür geschlagen. In deutschen Weih­nachtspielen kommt zuweilen ein harthöriger oder törichter Hirte vor, der dasselbe zu bedeuten haben wird. Meine Weih­nachtspiele dürften diesen Zug für die ältesten Zeiten be­urkunden. Sonst erinnert der Zippelpelzträger (namentlich durch seinen Strohgürtel, den er oft vorschriftmäßig trägt) an den Wintergott, wie er in volkstümlichen Darstellungen des Kampfes zwischen Sommer und Winter dargestellt wird.

Figuur 8** is de herdersknecht Crispijn die helemaal vermomd in zijn pels gehuld, gebukt rondgaat, waarschijnlijk een represantant van de ruwe, ongelovige heiden. Een herder met de ‘Zippelpelz’=Zipfelpelz =de ‘jas’ van schapenvacht met slippen, komt ook in andere kerstspelen (ook in het Slavisch)  als ‘Kubo’ voor. De met de kribbe tegen kerst rondtrekkende herders in Slowakije laten aan ‘Kubo’ de krib zien en vragen of hij wil geloven; hij weigert en wordt daarom geslagen. In Duitse kerstspelen komt soms een dove en dwaze herder voor, die dezelfde betekenis zou hebben. Mijn kerstspelen kunnen deze trek voor de oudste tijden met oorkonden staven. Anderszins herinnert de drager van de schapenvacht (namelijk door zijn strogordel die hij dikwijls overeenkomstig de voorschriften draagt) ons aan de wintergod, zoals hij in volkse voorstellingen de strijd tussen zomer en winter verbeeldt.

Ir J.van Wettum, in brieven aan mij* dd 24-12-1977 en 14-2-1978:
Ik heb al enige keren tegen de spelers gezegd, dat ik meen, dat Chrispijn sterk verbonden is, ja, min of meer representeert wat men mag noemen “de groepsziel” van die oude herders, in hun natuurverbondenheid en daardoor oude wijsheid.
In de opbouw van dit kerstspel is toch te beleven hoe dit slot op de (toenmalige?) toehoorders en toeschouwers moet werken als die slotzinnen, die drie maal in de “Grondsteenspreuk” aan het eind van elk derde deel klinken: “Das hören die Elementargeister in Ost, West, Nord,Süd: Menschen mögen es horen”.
Chrispijn heeft “beleefd” wat er gebeurd is, maar op die atavistische wijze. Hoe komt de mens tot een persoonlijk beleven? Vandaar de vraag: “Hoe veer ist wel?” en het antwoord: “Tot gher bent!”

Rudolf Steiner heeft eens gezegd, dat die boeren, die deze oude spelen gezien hadden, naar huis gingen met de min of meer bewuste vraag: “Bin ich ein Wirt oder bin ich ein Hirt?” (ben ik een waard of ben ik een herder)  Zou niet een nog diepere vraag bij het beleven van deze spelen opgeroepen worden, ongeveer zo: “Hoe lang is de weg tot ik de ontmoeting met dit goddelijke kind mag hebben?” In woorden gebracht: “Hoe veer ist wel?” En is dan niet het enige ant­woord: dat hangt van je zelf af, hoe veel je er aan doet, de eigen inspanning, de heilige wil, enz.enz., samengevat in het simpele antwoord: “tot gher bent!”
Door dergelijke overwegingen krijgt deze slotfase van het Kerstspel zo’n duidelijke zin en betekenis. En dan is het pijnlijk, dat er min of meer een parodie van gemaakt wordt, die afbreuk doet aan de gaafheid van dit spel.’

Wat Chrispijn betreft, daar schreef je zelf al het antwoord. Ik drukte het wel eens zo uit, dat hij nog zo verbonden is met de “herders-groepziel”, misschien beter
een­voudig gezegd: nog een meer atavistische verbondenheid met de geestelijke werkelijk­heid heeft, dat hij daardoor inderdaad in de wereld van de “omkeringen” leeft. Voor de moderne mens is hij simpel. Zelfs het Nathanische Jezuskind zou voor moderne be­grippen een achterlijk kind geweest zijn, zegt Rudolf Steiner. Hij leeft nog zo sterk in die andere wereld, dat hij “doof” is voor de woorden hier, althans hardhorend. Die pelsvacht is voor hem toch de bescherming tegen alle ongemakken van de aardse omstandigheden. En zo is er meer.

Elise Schulz, Haussmannstrasse 44, Freie Waldorfschule, Uhlandshöhe, 1) 7000 Stuttgart-1, in een brief aan mij* dd 31-8-1978:

‘Mir ist es sehr interessant, was Sie von Herrn van Wettum schreiben, wie er den Crispus auffaszt»
Ich erlebe den Crispus als eine Gestalt, die zu spät kommt, im rechten Augen­blick nicht f,zur Stelle war”, auch für eine Gabe nicht vorbereitet war, der Vierte» Drei kamen zur rechten Zeit» Es sind auch drei Könige, die hellen, erleuchteten; der vierte Konig Herodes, der Finstere» In Goethes Märchen sind es auch Drei und der Vierte zusammengesetzt» Im Mysterienspiel sah ich auch eine Entsprechung im Retardus» In der Tempelszene sinkt er in sich zusammen.
Crispus schüttelt immer den Kopf, noch beim Gesang; er kann das grosze Geschehen nicht fassen» Die Frage: “ís es wait dohin?”, Antwort: “Bis d’hikummst” besagt schon: “es hangt von dir selber ab”» Diese Schluszszene gibt ein Bild: wieviel von Crispus hat jeder in sich?

Ob Sie mit meiner Antwort einverstanden sind?

Voor mij is het erg interessant wat U over de Heer van Wettum schrijft, hoe hij Crispijn opvat.
Ik beleef Crispijn als een figuur die te laat komt, op het juiste ogenblik niet ‘ter plekke was‘ ook niet voorbereid op een geschenk, de vierde. Drie kwamen er op tijd. Er zijn ook drie koningen, de helderen van geest, de verlichten; de vierde koning Herodes, de duistere. In Goethes sprookje [2] zijn er ook 3 en de 4e. In het mysteriedrama [3]  zag ik iets overeenkomstig bij Retardus. In de tempelscene stort hij in.

Crispijn schudt steeds het hoofd, ook nog bij het zingen; hij kan de grote gebeurtenis niet vatten. De vraag: ‘Hoe veer ist ’t wel?‘, antwoord: ‘tot gh’er bent‘ laat het zien: het hangt van jou zelf af. Deze slotscene geeft een beeld: hoeveel van Crispijn heeft ieder van ons in zich.
(Of U het met mijn antwoord eens bent?)’

W.F.Veltman zei in de regisseursbijeenkomst in Den Haag op 8-9-1979:
In het herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a  de  driehoek  en het   vierkant als tekens gehangen» De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.
Crispijn wordt dus achtereenvolgens gezien als Wintergod, herdersgroepziel, de slechte die te laat komt, en het jonge Ik»

Aan de heer van Wettum had ik geschreven over het feit dat bij Crispijn alles omgekeerd is: binnen en buiten, groot en klein. Dit deed mij denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de geestelijke wereld en over de droom. Ook daarin is veel omgekeerd. Het getal 123 in de geestelijke wereld wordt 321 in de fysieke wereld; jonge kinderen schrijven nog vaak spiegelbeeldletters. Verscheurende dieren die ons in de droom aan­vallen, zijn imaginaties van driften die van ons uitgaan. Enzovoort. Dat Crispijn dus ‘iets’ in de geestelijke wereld representeert, is voor mij zeker. Zijn gebogen houding, ja, eigenlijk zijn opgerolde houding, doet mij denken aan de houding van het jonge embryo die hij nog niet of nauwelijks heeft afgelegd. Hij is, in die ziens­wijze, nog maar zonet geboren, dat hij nog niet goed kan verstaan (dubbele betekenis !) wat er gezegd wordt. Hij is dus niet doof uit ouderdom. Hij herhaalt de woorden ‘kindeken, eselken’ enz. als het ware nog uit een kortdurende nabootsingsdrang.
De drie Herders geven, uit de natuur, geschenken zoals W.J.Stein die beschreef voor de Asklepios-Mysterien» Crispijn geeft echt iets van zich zelf. Onze vice-voorzitter dr. J.van Dam bracht dit in een gesprek met mij als volgt tot uitdrukking: de slip van de pelsjas is een door ontwikkeling zelf verworven, omgewerkt deel van het astraallichaam dat door het Ik geschonken wordt aan de Christus» Hij zag hier een samenhang met de sage van het Gulden Vlies. Het zoeken naar het Gulden Vlies heeft de betekenis van het zoeken naar de oorspronkelijk zuiver gouden “Flusz” van het astraallichaam van vóór de verduistering tengevolge van de afdaling van de mens (Rudolf Steiner: “Ägyptische Mythen und Mysterien”, GA 106)» Tot zover dr. J.van Dam»

Het is wel merkwaardig dat het artikel van Walter Johannes Stein “Die Mysterien der Asklepios” ook uitmondt in de sage van het Gulden Vlies»

‘So kann es uns nicht verwundern wenn von Asklepios die griechische Sage berichtet, er sei beteiligt gewesen an dem Zuge der Argonauten, er sei mit hinübergezogen an das schwarze Meer um nach Besiegung des Drachens das goldene Fliess zu holen.’
Zo hoeft het ons niet te verbazen dat wanneer er van Asklepios sprake is de Griekse sage dan verhaalt dat hij deelgenomen heeft aan de reizen van de Argonauten, dat hij meegetrokken is naar de Zwarte Zee om het gulden vlies te halen na de overwinning op de draak.

Het is niet onmogelijk dat al deze zienswijzen waarheden op verschillend niveau bevatten die tot een groter geheel kunnen worden samengevat. Wie kan het ?

*Dr.Nordlohne 
**[1] foto t.o. titelblad: figuur beneden uiterst rechts

kompanij

[1] Karl Julius Schröer Über die Oberuferer Weihnachtsspiele.
1963 Verlag Freies Geistesleben
[2] J.W. von Goethe Het sprookje van de groene slang en de schone lelie
[3] Rudolf Steiner Mysteriedrama’s
.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel

75-72

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.