Tagarchief: winterzonnewende

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (14)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

 

DRIEKONINGEN 

Op 6 januari viert men Driekoningen of Epiphaniën en dan bakt en eet men het driekoningenbrood, Waarin een boon verborgen is. Die boon is een heilige boon (waar de uitdrukking: heilig boontje! van afkomstig is) en het is de eerste boon die men volgens oud gebruik mag eten na Kerstmis, want „van Moedernacht tot Dertiendag mag men geen bonen eten!”

Moedernacht is de kerstnacht van 24 op 25 december, en dat is de eerste der twaalf heilige nachten, tot aan Driekoningen.
Waarom?
In de stille decembermaand, de Nacht van het Jaar, trekt de goddelijke geest zich, in onze streken, waar het wintert, terug uit zijn stoffelijke belichaming, die hij in de voorzomer opbouwde. Daardoor volgt alles hem naar de onderwereld: de bomen lossen hun waardevolle stoffen op in hun sap en trekken het uit de bladeren weg om het door de stam omlaag te voeren, wat overblijft kleurt het stervende blad goud en geel en rood. De eenjarige verschijningsvorm van de levensgeest: de jaargod, wordt afgebroken en zijn wezen trekt zich terug in allerkleinst bestek: in zaad, boon, bol en wortel onder de aarde. De dieren kruipen in hun holen en gaan de winterslaap in. En ook de mens, meelevend met de geest, volgt hem de diepte in, terug in de grote moederschoot, als elke nacht, de schittering van zijn ziel en karakter afleggend als kleding, om het naakte kind te zijn, dat opnieuw, mét de levensgeest, geboren moet worden, in een nieuwe gestalte in het nieuwe jaar.

De kortste dag met de langste nacht zijn het keerpunt, de zonnewende. Dat is op 21 december, dan wordt die wende als feest in de hemel gevierd. Want al onze menselijke en aardse feesten zijn de flauwe afspiegelingen van hemelse feesten — net als de ware huwelijken, die eerst in de hemel gesloten zijn, en de ware genezingen en bekeringen en uitvindingen. Van de geestelijke sfeer door de psychische sfeer sijpelen zfj door tot in het stoffelijke, concrete: tot in onze kerstbomen en kerstkransen en nieuwjaarswensen. Die drie sferen of elementen: lucht, water en aarde, moet ook de levensgeest doorreizen bij zijn terugkeer naar de stof, waar hij in zijn nieuwe jaargestaite geboren zal worden. Daarom beeldt men hem af als Capricornus: de steenbok met de visstaart, half nog in het water, half op het vasteland. Of als het waterpaard, dat nog in de oude boerenwagens is uitgesneden. Of als Tijl Uilenspiegel, op het koord dansend in de lucht — maar de norne die hem doet in-carn-eren snijdt het koord door, hij valt in het water en klautert op de wal.
Met Nieuwjaar vieren wij de wedergeboorte van de geest in tijd en ruimte en als het goed is, worden ook wij zelf wedergeboren in deze moedernacht en komen met een nieuwe ziel het practische leven weer in. Zoals in de boon de levensgeest woont met al zijn gecomprimeerde kracht, zo zijn ook wij vervuld van het goede voornemen, geladen met het Heil. Nu moet dat openbaar worden, nu moeten wij het tonenl Epiphaniën is: openbaring. Levenspraktijk. In de daad moet de geest blijken en werken: in elk woord dat wij spreken en dat met heil geladen zij, in ons eten dat heilig zij, geen dode rommel, in ons werk, waarmee wij gerust geld mogen verdienen dat wij immers voor ons stoffelijk bestaan nodig hebben, maar dat niet enkel óm het geld verdienen gedaan mag worden, maar om, op welke wijze ook, met de geest mee te werken. De levensgeest werkt in ons — werken wij mét hem!

IK ben de muziek van uw lichaam:
Ik ben de stijgkracht uwer sappen, de vibratie uwer zenuwen, de bouwlust uwer cellen —
Ik ben het goud uit uw diepte,
het geheim uwer klieren,
het wonder der opperste samenwerking
aller heilige elementen —
Ik ben het lied van uw zingend lichaam,
dat Mij verwerkelijkt!

Ik ben uw moed en uw werklust,
de bezieling uwer daden,
de vaste kern van uw besluit,
de volharding in de beproevingen der tijden.
Ik ben de kracht van uw hand,
uw pantser in strijd en verschrikking —
Ik ben het lied van uw arbeid —
verricht alleen Mijn heilige arbeid,
wijk niet af!

.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam 10-01-1956

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1405

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten -Kerstmis (31)

 

van een natuurfeest tot het kerstfeest

Stel je eens voor dat de zon steeds maar kleiner wordt en een kleinere boog gaat beschrijven aan de hemel. Voor ons, met al onze kennis, is dat niet zo vreemd, wij weten immers wat er gebeurt. Maar voor oude volkeren moet het korten van de dagen en het afnemen van het licht wel beangstigend zijn geweest, zoals zo veel natuurverschijnselen om hen heen.

Zij beschikten immers nog niet over de wetenschap waarmee zij alles konden verklaren. De zon betekende voor oude volkeren in de eerste plaats licht, daarnaast ook warmte en voeding, want wat ze aten was afhankelijk van de zon. De zon was dus noodzakelijk om te overleven.

Dit alles zorgde ervoor dat er allerlei mythische verhalen ontstonden over wat er allemaal was gebeurd in het donker, terwijl de goden en demonen op dat moment in een strijd waren gewikkeld om de zon te veroveren.

Daarnaast vierden veel volkeren op het noordelijk halfrond midden in de donkere winter een feest om de komst van het licht te begroeten. Deze winterzonnewende was van groot belang. Men vierde er de terugkeer van het zonlicht, dat met het lengen der dagen nieuw leven zou brengen.

Rituelen
In de culturen van bijna alle natuurvolkeren werd het ‘keren van de zon’ als een regelmatig terugkerend verschijnsel gezien. Vanouds werd in de rituelen dan ook veel aandacht besteed aan de beide jaarlijkse zonnewendedagen (bij benadering: 21 december en 21 juni.) Vooral aan de winterzonnewende, die periode van het jaar dat de zon als het ware tot stilstand komt in haar laagste stand boven de horizon, hechtte men veel belang. Daar de eerste nacht van de winter de langste nacht is, en vanaf hier de dagen lengen en het licht en de warmte van de zon vermeerderen, werd deze nacht verondersteld het moment te zijn van de wedergeboorte van de zon.

Zo vierden de Germanen rond 25 december joelfeesten. Dat waren feesten van dankbaarheid voor wat geweest was en hoop voor wat nog kwam. Ze duurden dertien dagen en twaalf nachten (van 24 december tot 6 januari) en sloten direct aan op de grote slachttijd. Er werd niet gewerkt, maar wel veel gegeten, gedronken en lawaai gemaakt. Ook werden er enorme vreugdevuren aangestoken in een poging om de stervende zon te laten herleven.

De Romeinen
Mithras, een zonnegod die al voorkomt in de Vedische geschriften van India, werd vooral populair in Perzië als beschermer van de onschuldigen en als bemiddelaar tussen het zuiver hemelse licht en de aardse corruptie ervan. Herders waren getuige hoe hij uit een rots geboren werd als aanvoerder van de lichtlegioenen, die streden tegen de machten der duisternis. In het bijzonder dit laatste zou hem zo populair maken bij de soldaten van de Romeinse legioenen. Zij brachten hem in de eerste eeuw voor Christus mee uit het Oosten. Omdat de Romeinse legers ’overal’ heen trokken, verspreidde de cultus van Mithras zich snel en het duurde niet lang of het Mithrasïsme werd de belangrijkste godsdienst van het Romeinse rijk.
Opvallend zijn trouwens de parallellen met het christendom. Zo werd van Mithras verteld dat hij gestorven was en weer opgestaan en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om zo te vieren dat hij in hen zelf opnieuw geboren werd. In Rome zelf wemelde het in de 3e eeuw trouwens van mensenreddende goden of godenzonen. En van bijna allemaal werd de geboorte in december gevierd in de buurt van de winterzonnewende.

In 274 werd het keizer Aurelianus te bar en hij verordonneerde dat al die feesten op één dag gebundeld moesten worden en wel op de 25ste december, de feestdag van de Sol Invinctus (de onoverwinnelijke zon). En aan het hoofd van heel die godenschare benoemde hij Mithras, die volgens de mythe ook op 25 december geboren was, tot staatsgod.

Toen het christendom zich verspreidde over het Romeinse rijk werden steeds meer Romeinen christen. Zij bleven echter het feest van Mithras op 25 december vieren. Omdat dat feest, het feest van de onoverwinnelijke zon, gemakkelijk te combineren was met het feest van Jezus als het Licht der wereld (men wist immers niet wanneer Jezus geboren was) besloot paus Liberius in het jaar 354 dat voortaan de geboorte van Jezus op 25 december gevierd moest worden met een speciale ’Christusmis’ (Kerstmis).

Aanpassingen
Dit soort aanpassingen deed de kerk overigens vaker. Want naarmate het christendom zich meer en meer uitbreidde onder ‘heidense’ volkeren, kwamen ook steeds meer ‘heidense’ gebruiken de leefwereld van de christenen binnen. Het was belangrijk voor de kerk deze te christianiseren om niet ten onder te gaan. Zo heeft ze kunnen integreren in de cultuur van vele volkeren.

Omdat de christelijke beweging in het begin zo sterk was, misschien wel dankzij de ernstige vervolgingen waaronder zij in de eerste eeuwen te lijden had, verdween de verering van Mithras steeds meer naar de achtergrond, zeker na de bekering van keizer Constantijn de Grote tot het christendom. Vanaf die tijd wordt er steeds meer aandacht gegeven aan de geboorte van Jezus en ontwikkelt het kerstfeest zich tot het feest dat wij tegenwoordig kennen. Buiten proporties gegroeid, vieren we nog steeds hetzelfde als de oude volkeren: de warmte, de knusheid en gezelligheid midden in de kilheid en tegenwoordig voor veel mensen, de eenzaamheid van de wintermaanden. Laten we het Licht daarbij niet vergeten.

Theo Hofland in een regionaal dagblad, nadere gegevens onbekend

Kerstmis: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (2)

Driekoningen: alle artikelen

.

VAN KERST TOT DRIEKONINGEN

De periode tussen 25 december en 6 januari wordt sinds de synode van Tours in 567 de tijd van de Heilige Twaalf dagen genoemd. Ook is het in diverse streken van Europa gebruikelijk geworden, te spreken van de 12 Heilige Nachten. Het woord ‘heilige’ is een christelijke toevoeging aan de bena­ming van de periode die in voor-chris­telijke tijden kortweg de Twaalf Nach­ten heette.

Denkt men sinds de invoering van het christendom in deze streken aan een tijd, gewijd aan de brenger van het Licht, in voor-christelijke tijden ervoer men in de donkere winternachten niet alleen de nabijheid van de goede krach­ten uit de geestelijke wereld, ook boze geesten waarden rond, de mensen schrik en vrees aanjagend.
We kunnen, op weg geholpen door de antroposofie, proberen een
zingeving te vinden voor deze bijzondere periode van het jaar. Een zingeving die mogelijk een stukje van de afstand tus­sen christendom en ‘heidendom’ kan overbruggen.

In voor-christelijke tijden was de win­tertijd in onze streken gewijd aan de god Wodan, met name in zijn kwaliteit als god van het dodenrijk en god van de vruchtbaarheid. Het aan hem opge­dragen feest, was het bekende Julfeest. De duur van dit feest stond vast: het was de tijd die verliep tussen volle maan en nieuwe maan: een halve syno­dische omloop. Het tijdstip waarop de Jultijd begon, was niet als kalenderda­tum vastgelegd. Het was, net zoals dat met de paasdatum nu nog het geval is, gekoppeld aan de stand van de zon in de dierenriem, en aan de onderlinge relatie van zon, aarde en maan. Als de zon zijn meest zuidelijke stand in de dierenriem had bereikt – de kort­ste dag van het jaar – vierde men het winterzonnewende feest. De Jultijd begon bij de eerstvolgende volle maan na de zonnewende, en eindigde op de daarop volgende nieuwe maan. Het schijnt overigens dat er ook streken waren, waar de Jultijd begon op de [tekst weggevallen] na de kortste dag komende nieuwe maan en eindigde met de daaropvolgende volle maan. Waarschijnlijk ligt hier ook de oorzaak, van het merkwaardige ver­schijnsel dat de traditie van de Heilige Nachten niet overal in Europa gelijk is: in bepaalde streken zijn het de nachten van Kerst tot Driekoningen, in andere gebieden sluiten ze direct aan op 21 december, of, weer anders: ze liggen allemaal in januari. Maar toch: oor­spronkelijk een beweeglijk feest, waar­van begin en einde aan de sterrenhemel werden afgelezen. Over de duur van het feest nog het volgende. Men kende voor het jaar twee indelingsprincipes: een indeling in dertien maanden, gebaseerd op de maanomloop, en een indeling in twaalven, overeenkomstig de zonsomloop. Als de dertien maan-maanden van 27 dagen om waren, had de zon zijn baan nog niet voltooid. Daar wa­ren nog 14 dagen voor nodig. Die veer­tien dagen is de duur van de Jultijd. Pas later met de vastlegging van de kerstdatum is ook de tijd van de Hei­lige Nachten vastgelegd: de periode van Kerst tot Driekoningen. Daartussenin ligt de viering van de jaarwisseling.

Voor veel mensen begon overigens nog heel lang het nieuwjaar pas echt met Driekoningen. Men noemde die dag: Het Grote Nieuwjaar. De periode tus­sen Kerst en Driekoningen noemt men in bepaalde Duitse streken nog steeds ‘Zwischen den Jahren’. Nog heel lang hebben op het platte­land gebruiken stand gehouden, die een heel directe samenhang hebben met de oude Jultijd: met wierook werd het hele huis uitgerookt om boze geesten te verdrijven (Rauchtage), of men liep met zonne- en maanwielen door het dorp. Een duidelijke verwij­zing naar de kosmische oorsprong van het feest.

De Germaanse mythologie vertelt ons, dat Wodan zich niet alleen als de
bren­ger van de vruchtbaarheid aan de mensen manifesteerde, maar ook als de god van de doden: aan het hoofd van het ‘Wilde Heir’, een leger bestaande uit gestorvenen, trok hij in de Twaalf Nachten rond. Vreemde figuren trok­ken mee op deze wilde jacht door de lucht, soms zelfs dwars door de hui­zen: demonen, spookdieren, ja zelfs Vrouw Holle.

Wat moet je daar nu van denken in onze tijd? De oude Germaanse ritue­len zijn deels verdwenen en vergeten, deels opgegaan in Sinterklaas-, Kerst-, Oudjaar-, en Driekoningengebruiken. Maar is daarmee de realiteit die achter de oude gebruiken schuil ging: de nabijheid, de ervaarbare nabijheid van de geestelijke wereld, ook verdwenen, ook voltooid verleden tijd?

Steiner spreekt er meerdere malen over dat de mensen met een sterke
verbon­denheid met de natuur, ook nu nog kunnen ervaren dat ze in deze bijzon­dere tijd van het jaar in verhoogde mate ontvankelijk zijn, open staan voor spirituele indrukken. Maar voor de meeste mensen uit onze westerse cultuur is deze verbinding verbroken. Enerzijds mag je dat misschien cultuur­beschadiging noemen, anderzijds is het het onvermijdelijke gevolg van de bewustzijnsontwikkeling van de mens. De vanzelfsprekende, oude banden met de natuurwereld zijn verbroken; nieuwe wegen naar de spirituele ach­tergronden van kosmos en mensheid moeten bewust gezocht worden. De wetenschap dat we in de tijd van de Heilige Nachten ‘de stroom mee hebben’ kan ons daarbij wellicht te hulp komen.

Kleinschaligheid is een modebegrip aan het worden. Toch wil ik het hier
ge­bruiken. Het geeft iets aan van mense­lijke maat, van eigen maat. Persoonlijk zoek ik het graag in het kleine, als het om grote dingen gaat. In de tijd van de Heilige Nachten houd ik me graag bezig met die dingen die in het afgelopen jaar een beetje aan je bewustzijn zijn ontsnapt: de kleine toevalligheden, de dingen die je niet afmaakt, de gevolgen van eigen hande­len en doen.

Dat geeft een heel bepaald gevoel met betrekking tot het oude jaar, maar ook tot de tijd die voor je ligt. Het is alsof je, wat het oudejaar betreft nog net iets opvangt, een glimp van wat zich in het bijna duister verschool. En juist dat glimpje wil gezien worden, ontstoken in het grote Nieuwe jaar.

(Rinke Visser, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Driekoningenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldDriekoningen

.

411-385

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (1)

.
Driekoningen: alle artikelen

.

TUSSEN KERSTFEEST EN DRIEKONINGEN

De tijd staat even stil

Er was eens een oude vrouw die haar liefde alleen maar kon uiten in het geven van ge­schenken. Ze was niet in staat liefde of sym­pathie te uiten in woord of gebaar. Tegen­woordig zouden we haar gefrustreerd noe­men, maar dat woord was vijftig jaar geleden nog niet uitgevonden. Ze had werkelijke lief­de in haar hart maar kon dat alleen maar uiten door iemand ‘goed te doen’ in uiterlijke, za­kelijke zin. Als haar geen warmte tegemoet gebracht werd als dank, was ze steeds teleurgesteld. Zo ongeveer is de situatie van de tegenwoor­dige westerse mensheid met het kerstfeest. Diep verborgen in de harten leeft licht en liefde, maar hoe uiten we dat tegenover el­kaar? In sociale daden, liefst zo goed moge­lijk georganiseerd. En het kind in de kribbe blijft koud, ook het kind in de eigen ziel.
Tussen deze twee is een samenhang. Het kerstfeest is een herinneringsfeest, maar te­vens een feest van wat er in de wil van de enkele mens en van wat er in de mensheid gebeuren kan. Het traditionele kerstfeest ver­toont er nog duidelijk de sporen van. In kerstliederen en -verhalen zijn veel aankno­pingspunten aan het bijbelverhaal voorhan­den, maar evenzeer is er de betrokkenheid op het heden: de sneeuw en de winter, maar ook de liefde en belangstelling voor de tegen­woordige mens, die lijdt of ongelukkig is.
Men kan hier denken aan ‘De Kerstroos‘ van Selma Lagerlöf.
Reeds enige eeuwen geleden schreef Angelus Silesius: ‘Was Christus dui­zendmaal in Bethlehem geboren en niet in u, zo waart ge nog verloren’.
In deze spreuk ligt eigenlijk de kern besloten van wat ons met betrekking tot het kerstfeest bezig houden kan. Hoe verhoudt zich de herdenking van het historische tot het tegen­woordige en toekomstige?Bij de beschouwing van de adventstijd in Jo­nas 7 (27 november 1981-niet op deze blog) zagen we hoe een herdenking van een historische verwachting alleen tot langzaam groter wordende leegte leidt. Is dat bij het kerstfeest ook zo?
Om hierop een antwoord te vinden, kan het goed zijn eerst de inhoud te bezien die het kerstfeest in deze tijd kan krijgen. Historisch gezien is de geboorte van Jezus het begin van de christelijke ontwikkeling, maar in het verdere verloop wordt de opstanding het belangrijkste. Elke herdenking van de ge­boorte van Jezus krijgt zijn zin door het feit van de opstanding.
Bij de opstanding begon een nieuwe fase voor de mensheid. Het was als het ware de ombuiging van een steeds ver­der wegzakken in de materie naar een
ver­geestelijking van deze materie. En in dat proces is het kerstfeest ieder jaar weer belang­rijk.Het kerstfeest valt na de winterzonnewende. De diepste duisternis is alweer voorbij, ook al merken we daar nauwelijks iets van. In de natuur wordt de kracht van het licht lang­zaamaan weer groter. Dat heeft ongetwijfeld in het oude religieuze beleven van de winter­zonnewende een grote rol gespeeld. Maar be­langrijker was toch nog iets anders. En dat andere is ook nu nog het belangrijkste. De natuur is afgestorven, maar heeft een actief leven in de aarde, daar waar de wortels groeien. Daar wordt in het verborgene voor­bereid, wat straks ‘aan het licht zal komen’. De krachten die daar werken zijn ontstaan in de zomer. Toen werden ze zichtbaar in groei en bloei. In de herfst trokken ze zich terug en in de winter werken ze in het verborgene aan de toekomst.

Mensen maken een vergelijkbaar proces door. In de zomer kunnen de gedachten en gevoe­lens bevrucht worden door wat ons uit de overvloed in de natuur toestroomt. Maar wat ons toestroomt, komt niet uit de natuur zonder meer. Het komt uit de reële kracht die door de opstanding met Pasen aan de aarde, en daarmee aan alles wat op aarde leeft, is geschonken.

Als we naar de menselijke biografie kijken zien we dat de natuurlijke levenskrachten van de mens onherroepelijk afnemen bij het ouder worden, maar dat geestelijke krachten kunnen groeien. Deze geestelijke krachten werken ook telkens weer vernieuwend op de levenskrachten. Elk jaar maakt ieder mens dit proces door.

Wat geschonken wordt, moet verwerkt wor­den en dit geeft nieuwe krachten tot in het uiterlijke toe. Deze activiteit, die gekenmerkt wordt door de werking van Michaël, kan in de kersttijd leiden tot een reële geboorte in de ziel. Dat wat geschonken werd uit de kosmos, kan individueel worden. Kosmisch licht kan innerlijk licht worden. Dit gebeurt niet vanzelf zoals in de plantenwereld. De mens moet er het gehele jaar door actief voor zijn. Deze activiteit is in de zomer een actief openstellen en misschien luisterend opne­men, in de herfst het verwerken daarvan om het in de kersttijd zelfstandig te laten wor­den, geboren te laten worden. Het gaat hier om de eigenlijke wezenskern van de mens, om het Ik.
Kerstfeest is de geboorte van het Ik in de ziel.

Wat betekent dit?
Ik-zeggen betekent dingen voor eigen verantwoording willen en kunnen nemen. In vroegere tijden werden religieuze waarheden geopenbaard en de enkeling kon ze geloven. Het is alsof men een verhaal hoort van de zuivere lucht in de Zwitserse alpen. Men kan dat geloven als de verteller voldoen­de geloofwaardig overkomt. Deze geloofwaar­digheid had vroeger de kerk. In onze tijd komt het er steeds meer op aan dat men zelf de ervaring opdoet, dat men die lucht heeft ingeademd. Dat wil zeggen: door een bewust­making van mogelijkheden die de ziel heeft om zelf toegang te vinden tot hogere werel­den, ontstaat de mogelijkheid tot eigen erva­ring daarvan.
De ontwikkeling van deze mo­gelijkheden zijn gegeven in de antroposofie en vanuit de antroposofie kunnen ook de christelijke feesten nieuw begrepen worden. In het beleven van de feesten kan het begrij­pen zich verdiepen tot grijpen, tot eigen ma­ken. Het kerstfeest is in dit proces een be­langrijke factor.

De geopenbaarde waarheden krijgen dan ook een nieuw licht. De ziel moet een zekere on­bevangenheid hebben, een zekere reinheid, die men ook maagdelijkheid kan noemen. Het oefenen van onbevangenheid ten opzich­te van hogere waarheden is het zich openstellen voor de bevruchting door heilige geest. Er is echter ook rijpheid van de menselijke geest voor nodig, die alleen door ervaring ontstaan kan. In het bijbelverhaal van Jezus’ geboorte is Jozef de vader, een oude man met levenservaring en wijsheid. Eenmaal in de geschiedenis werd dit oerbeeld uiterlijke werkelijkheid en daardoor werd een mens toebereid om de drager van Chris­tus te worden. Hiermee is principieel moge­lijk geworden dat ieder mensenwezen tot drager van Christus wordt.
Zo wordt het Ik in de ziel dan tot Christus-Ik, door het oefenen van onbevangenheid, bevrucht door rijpe menselijke ervaring. Deze ervaring is dan niet alleen vrucht van vele levens, maar ook van goddelijk – geestelijke krachten, die in de enkeling geïndividualiseerd worden.

Aan de kersttijd van twaalf dagen (als oer­beeld voor het gehele jaar) sluit de driekoningentijd aan. De tijd heeft als het ware even stilgestaan. Nu moet de innerlijke lichtkiem zich gaan ontplooien en in verschijning tre­den, zoals Christus bij de doop in de Jordaan in Jezus zichtbaar werd. Maar dat is een lang­zaam proces. Het gaat zich op drievoudige wijze ontplooien.

Het denken kan zich door het kerstbeleven doordríngen met het licht dat uit ideeën stroomt, die zich niet aan de waarneming ontvonken, maar scheppende ideeën zijn, nieuw, iets voortbrengend wat in de uiterlij­ke wereld nog niet te vinden is. Het is de goudglans, die vroeger in de gesloten ruimte binnen de tempel aanwezig was en die nu zichtbaar wil worden in het zelfstandig ge­worden denken van de enkeling, die zich zijn hoger Ik in de kersttijd bewust wordt. Het goud is het eerste geschenk van de koningen. Het voelen richt zich in eerbied op het kerstlicht, dankbaar dat dit licht tot ons kwam. Het voelen wordt niet meer afgeleid door sympathie en antipathie, die door de waarne­ming van uiterlijke dingen wordt opgeroe­pen, maar het verheft zich tot enthousiasme voor ideeën, die idealen kunnen worden. Dit drukt zich uit in het beeld van de wierook dat het tweede geschenk is van de koningen. Het willen heeft het het moeilijkst. Hoe kun­nen de hoge idealen de wereld in? De duiste­re wereld zal het kerstlicht verslinden zoals de gebruikelijke katterigheid van de maand januari duidelijk laat voelen. De wil raakt gewond aan de weerbarstige wereld en heeft genezing nodig. De mirre, het derde geschenk van de koningen, heeft een genezende
wer­king. Deze genezing kan komen uit het be­wustzijn dat we eens de ster hebben gezien. Elke tegenslag in het leven kan tot nieuwe krachten leiden als we ons herinneren dat we het oerlicht eens hebben beleefd.
In volksoverleveringen zijn de drie koningen soms schertsfiguren geworden, inleiding tot het carnaval. Is het misschien een natuurlijke verdediging van de mens om in de scherts te vluchten als de realiteit te zwaar wordt?
Ook nu nog blijft de vraag: kunnen wij het koningschap aan, in denken, voelen en wil­len?
Kan het Christuswezen zich werkelijk in ons openbaren? We kunnen niet meer vluchten voor deze vraag. Ze is er te ernstig voor. In onze tijd kan de openbaring van Christus alleen door de mens heen beleefd worden.

(J.Knijpenga, Jonas 8/9, 18-12-1981)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen

.

410-384

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (25)

.

KERST OP GEBOORTEDAG PERZISCHE ZONNEGOD

Romeinen bepaalden datum; heidenen de rituelen

Dat Kerst op 25 decem­ber valt, danken we aan de Romeinen. Die vierden op die dag het feest van de zonnegod Mitras, die van Perzi­sche oorsprong is. Veel rituelen rond Kerst zijn terug te voeren naar ‘heidense’ gebruiken.

In de eerste eeuwen van het christendom was er geen kerstfeest. Christenen noch joden vierden hun geboorte­dag; dat was een Romeins ge­bruik. Het is dan ook een be­keerde Romeinse generaal, Julius Africanus, die in 211 voorstelt om de geboorte van Jezus te vieren en wel op 25 december, de geboortedag van de Perzische zonnegod Mitras.
Deze Mitras was door keizer Aurelius tot God van het Romeinse rijk verheven. Toen de Romeinse keizer Constantijn (306-337) zich be­keerde tot het christendom, beval hij de geboortedag van Je­zus te vieren op 25 december om op die manier het feest van Mitras (bekend als Sol Invictus – onoverwinnelijke zon, of Saturnalia) te kerstenen. Dat feest van Mitras ging ge­paard met het geven van pak­jes, muntstukken en kaarsen, het versieren van groenblijvende bomen (wat al een eeu­wenoude traditie was), takkenkransen aan de voordeur en muren en een gezamenlij­ke maaltijd.
Paus Liberius maakt de datum 25 december officieel in 354. Overigens vie­ren orthodoxen het kerstfeest op 9 januari en de Armeense kerk op 19 januari.

Ons kerstverhaal met stal, os en ezel komt noch in het evangelie van Mattheüs noch in dat van Lucas voor. Wél in het geboorteverhaal van Mi­tras. Waarschijnlijk zijn die symbolen onder Romeinse druk overgenomen.

Mitras-verhaal
Volgens de Perzische traditie werd Mitras geboren uit een ‘onbevlekte, maagdelijke’ moeder Anahita en kwam het zaad van Zarathustra, be­waard in een heilig meer. In de Iraakse versie is de moeder Semirames of Astarte. Zij noemde zich maagdelijk om­dat haar man Nimrod (ook Marduk genoemd of Ninus, de bouwer van Ninevé) al eer­der gedood was. Deze Nimrod (Hebreeuws voor rebel) komt in het Oude Testament voor als zoon van Kus, kleinzoon van Cham, die door diens vader Noah ver­vloekt werd omdat hij diens naaktheid gezien had (Gene­sis, vers 20-25). De rebel Nim­rod bouwde een machtig rijk, waartoe ook de (bijbelse) vol­keren van Kanaän behoorden zoals de Filistijnen. In dat rijk werd de god Bel/Bellus/Baäl vereerd, waarschijnlijk de vergoddelijking van Nimrods vader Kus. Nimrod bouwde de Toren van Babel (babel bete­kent poort naar God). Waar­schijnlijk waren er meerdere babels: archeologen vonden in het huidige Irak en Iran 30 heilige torens, ziggurats. De familie Nimrod, Semirames en zoon Mitras (ook wel Tammuz genoemd) was wellicht het voorbeeld voor het Egypti­sche goddelijke trio Osiris, Isis en hun kind Horus; het Griekse drietal Kronos, Rhea en Zeus en in Rome: Saturnus, Venus en Jupiter. Zelfs in de Aziatische tradities komt een ‘goddelijke moeder’ voor. De christelijke familie Jozef, Maria en Jezus moest voor de Romeinen deze oude voor­beelden doen vergeten op de geboortedag van de zonnegod Mitras.

Jezus werd vrijwel zeker niet op 25 december geboren. Zelfs niet in de maand decem­ber. Bisschoppen konden het vanaf het eerste begin van de christenheid al niet eens wor­den over Jezus’ geboortedag, vanwege het verschil tussen joodse maanmaanden (29-30 dagen) en Romeinse zonne­maanden (30-31 dagen). Als de gegevens uit de Bijbel over Jezus’ sterven, doop en vooral zijn gang naar de tem­pel gelegd worden op de jood­se (tempel)kalender, moet Je­zus geboren zijn in augus­tus/begin september. Dat klopt ook beter met het tijd­stip van de Romeinse volkstel­ling, waarvoor Maria en Jozef naar Bethlehem moesten. Je houdt toch geen volkstelling in december, in de regentijd, als de zandwegen in een mod­derpoel zijn veranderd en dus vrijwel onbegaanbaar? Volgens de joodse traditie moesten Jozef en Maria op de 41ste dag na de geboorte van hun zoon Jezus naar de tem­pel in Jeruzalem om te offe­ren.

Dat maakt het waarschijnlijk dat de vlucht naar Egypte daarna heeft plaatsgevonden, waarschijnlijk kort vóór Je­zus’ tweede jaar. Dat zou ten­minste verklaren waarom Herodes, getipt door de wij­zen uit het Oosten, kinderen tot twee jaar oud liet vermoorden.

Wijzen
De wijzen uit het oosten wa­ren geen koningen, maar waarschijnlijk Perzische ster­renkundigen. Het waren ze­ker niet koning Caspar uit Tarsus, Melchior uit Arabië of Baltasar uit Ethiopië, want die rijken liggen niet in het oos­ten, maar resp. in het noor­den, zuidoosten en zuidwes­ten. Nergens in de Bijbel staat trouwens dat het er drie wa­ren. Het zouden er drie zijn geworden om het drietal Zaratrustra, Anahita, Mitras en opvolgers te doen vergeten. Jezus’ geboorteverhaal zou ge­lezen moeten worden in de joodse contekst. Zo zou ‘krib­be’ berusten op een verkeerde vertaling. Een jood zou zijn baby niet graag in een voeder­bak voor ‘onreine’ dieren leg­gen. Waarschijnlijk gaat het om een houten bak waarin broden in een doek moesten rijzen. De bevalling had wel­licht plaats in een verlaten ‘loofhut’ van het joodse loof­huttenfeest.

‘Er was geen plaats in de her­berg’. In die tijd werd een zwangere vrouw als onrein beschouwd en mocht om die reden niet in de gemeen­schappelijke ruimte van een herberg. Daarbij moet je niet denken aan een hotel, maar aan een omheinde ruimte rond een bron, een caravanserai.

Zonnewende
Kerst is de Germaanse uit­spraak van Christus. Kerst moest bij de Germanen het feest van de zonnewende (21-22 december) ‘kerstenen’. Bij de zonnewende werden (men­senoffers voor de Germaanse god Odin in een boom gehan­gen. Kelten hingen dode vo­gels en andere offers in bo­men. Druïden ontleenden hun kracht aan bomen, bij­voorbeeld aan de maretak. Het is dan ook niet verwon­derlijk dat het kerstfeest rond een boom werd gesitueerd. In de Achterhoek en andere plaatsen werd tot in de vorige eeuw rond eenzame bomen in het bos gebeden. In Zweden begon men met een kunstmatige boom in elk dorp te plaatsen, op welks takken lichten geplaatst wa­ren; later vervangen door een driearmige kandelaar. In mid­deleeuwse afbeeldingen is soms een kerstboom vol etenswaar en een naakt kerst­kind te zien. Het eerste be­richt over een kerstboom bin­nen in huis komt uit Straats­burg in 1605: versierd met veelkleurig papier, appels, wafels, chocola en klater­goud.

De gewoonte dennenbomen als kerstboom te nemen ont­stond in Duitsland. Prins Albert bracht die Duitse ge­woonte in 1841 over naar En­geland. Tenslotte rukte de dennenboom op naar Italië, waar ‘dit heidens gebruik’ aanvankelijk door het Vaticaan werd veroordeeld. De kerstballen waren natuur­lijk symbolen van de zon, maar Europa kende ook 300 jaar ‘heksenballen’ in ramen in het huis, die heksen zou­den afschrikken of juist van­gen. Ook paddenstoelen, rood met witte stippen, in kerst­stukjes gaan terug naar ‘hei­dense’ tijden: het waren hal­lucinerende paddenstoelen die door toverdokters, sjama­nen, werden gebruikt. De kerstman zou uiteindelijk teruggaan op de Germaanse God Odin, die vaak met ren­dieren werd afgebeeld en er­gens in het verre noorden (vandaar de Noordpool) zou huizen.

Zo kreeg kerst elementen van een feest van een zonnegod, joodse gebruiken, heidense boomverering en heksenangst.

(Jan Meulemeester, Brabants Dagblad, 18-12-2000)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

406-382

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (21)

.

KERST EN KERSTSPELEN

Met een forse ruk gaat de blinkende ster aan de Jacobsladder omhoog. De spelers, waaronder vooral de ruige herders in groen, rood en blauw opvallen, groeten vrolijk de houtjes, die de ster overeind houden. De kundige sterrezanger zwaait met de hoed en er wordt gegroet: zon, maan en sterren, de Drieëenheid, de planten, de gehele natuur. Maar ook worden de geestelijke en wereldlijke autoriteiten gegroet. Dit alles geschiedt met veel eerbied, vrolijke eerbied, waarvan alleen middeleeuwse spelen het geheim schijnen te bezitten. Men moet het beleefd hebben om erover te kunnen spreken. Of men meespeelt of toehoorder is … er kan een gevoel ontstaan, dat er een werkelijk kerstgebeuren op handen is.

De middeleeuwen hadden een sterke gemoedscultuur, die in zijn naïviteit en primitiviteit, zuiverheid en oorspronkelijkheid, een sterke en gezondmakende werking op de menselijke ziel had. Onze tijd heeft een verstandscultuur, die juist zwak is in die middeleeuwse gemoedskwali­teiten.
Zo kan men middeleeuwse kerstspelen leren zien als een pedago­gisch medicijn voor onze kinderen. Maar ook de volwassene kan veel aan deze spelen hebben.
Vaak tonen nieuwe ouders hun verbazing, dat steeds dezelfde spelen worden opgevoerd. Is het niet nodig, dat er steeds iets nieuws wordt gebracht?
Een grote misvatting.
Even dwaas als de opvatting, dat iets ouds altijd iets goeds zou zijn, is de mening, dat iets nieuws altijd waarde zou hebben.
Op het stenen paard van de verstarde traditie kan men niet rijden, hoogstens zitten.
Maar op de wilde hengst van de ongedurigheid kan men noch rijden noch zitten.

Wie het ritme van de jaarfeesten en de jaargetijden innerlijk tracht te volgen, kan bemerken, dat hetzelfde steeds nieuwe inhoud kan krij­gen. Daaraan moet bewust gewerkt worden.
Zo is het met de jaarlijks opgevoerde Kerstspelen ook.

Deze tijd van het jaar heeft een heel bijzondere sfeer. Alles wordt donkerder, kouder en kaler. Donker en lang worden de nachten. Vaal en kort de dagen. Koud en doods is de aarde in onze hemelstreek. De bloeiende plantenwereld is verdwenen, kaal staan de bomen, de dierenwereld is grotendeels verborgen. Maar de terugkeer van licht en warmte wordt voorbereid. De nieuwe knoppen zitten al aan boom en heester.
Op 21 december is het de kortste dag, ook winterzonnewende of solstitium genoemd. Geleidelijk wint de zon aan kracht. Zegevierend keert hij terug.
Lange tijd voor de opkomst van het christendom vier­den de noordelijk cultuurvolken omstreeks 21 december het feest van de terugkerende, onoverwinnelijke zon.

Het christendom behoefde slechts aan te knopen aan de plaatselijke ‘heidense’ traditie, zegt men wel. Slimme geestelijken zouden gebruik hebben gemaakt van de traditionele heidense feesten om de christelijke feesten er bij de bevolking ‘in te krijgen.
Deze nog veel verbreide opvatting vindt geen steun in de cultuurhistorie en behoort in de rommelkamer der utilistische fabelen te worden opgeborgen.
Van Perzië tot IJsland wist men reeds duizenden jaren in de mysteriën, dat er een kind zou worden geboren als heiland en verlosser voor de mensheid. Bovendien wist men, dat de vereerde, onoverwinnelijke zon de mantel van dit goddelijk wezen – later met een Grieks woord ‘Chris­tus’ genoemd – vormde.
Rudolf Steiner bevestigt dat.
Een traditioneel adventslied zegt in een van zijn couplettent “De Zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht … is Christus,’t eeuwig Licht”.
De dichter heeft deze woorden zonder twijfel symbolisch bedoeld. Maar dit symbool duidt op een werkelijk­heid, die grootser is dan hij waarschijnlijk zelf ooit gedacht heeft.

Hoe vierde men het kerstfeest in de eerste eeuwen van het christendom? Nu, men vierde Kerstmis in het geheel niet. Veel belangrijker vond men in die tijd de “Doop in de Jordaan”, waardoor de Christus zich als hoogste Geestwezen verbond met het lichaam van Jezus van Nazareth. Dit is de geboorte, waarmede het Markus- en Johannesevangelie beginnen. Volgens de overlevering vond deze plaats op 6 januari. Het feest werd Epiphanie (=goddelijke verschijning) genoemd. Om allerlei redenen werd in het begin van de middeleeuwen door de Kerk de geboorte van het Jezuskind in het middelpunt van de belang­stelling geplaatst. In theologisch opzicht betekende dat een voor­keur voor het Mattheüs- en Lucasevangelie, welke immers beginnen met de geboorte van een heilig kind.

Dit alles geschiedde niet zonder wijsheid. Want de dag voor de 25ste december was vanouds gewijd aan Adam en Eva. Was het Jezuskind niet de ‘nieuwe Adam’, gekomen om de zonde van de oude Adam goed te maken? Zo werden de lotgevallen van het oudste mensenpaar verbonden met de geboorte van Jezus.

Onze Kerstspelen bestaan dan ook uit een “paradijsspel”, een “Geboortespel” en een “Drie Koningenspel”.

Zoals gezegd wortelen zij in de middeleeuwen, een tijd van felle kleur, helder licht en duistere dramatiek. De felste hartstocht en meest brute wreedheid kwamen voor naast de diepste innigheid, trouw en geloof in God en mensheid. De goddelijke geestwereld was dichtbij en men keek meer naar het toekomstige hemelse dan naar het aardse leven. In onze tijd is het omgekeerde het geval. Vandaar dat voort­brengselen van Middeleeuwse cultuur in onze tijd een opwekkende en genezende uitwerking kunnen hebben.

Kerstspelen als element van kerstviering hebben zelf een lange ontwikkeling achter de rug.
In de vroege middeleeuwen bestond de kerstviering uit een nachtmis in het Latijn. Niemand bijna verstond de teksten. Gelukkig kwamen er in de kerken steeds meer gekleurde glazen en schilderijen, waarop, als in een beeldroman, de heilige kerstge­beurtenissen zichtbaar werden.

Maar de gelovigen verlangden het kerstgebeuren in steeds concreter gestalte voor zich te zien, ja er in te participeren. Aan dit verlangen werd tegemoet gekomen: zg.  “kerststallen” van hout, klei of metaal ontstonden. Ook kerststallen met levensgrote poppen. De kerkgangers mochten het kindje in de kribbe helpen wiegen. Het ging er vaak vrolijk toe ‘men juichte het kindje en moeder Maria uit­bundig toe en bespotte de ietwat sullige Jozef.’

Nog later begonnen geestelijken het kerstevangelie als een soort toneelspel in de kerk uit te beelden. Gezongen bijbelteksten werden als basis voor het spel gebruikt. Gesproken teksten zijn van nog jonger datum.
Zo ontstonden in West-Europa vele religieuze spelen, ook wel mysterie­spelen genoemd.

Tenslotte kwamen deze spelen”buiten de kerk”, waar zij door zich ernstig oefenende “leken”  (= niet-geestelijken) werden opgevoerd.

Het toneelspel als Kunst heeft zich in de late middeleeuwen losge­maakt uit de schoot der kerk, zoals alle kunsten, en is een steeds wereldlijker weg gaan bewandelen.

Tijdens de Renaissance vond een beïnvloeding plaats door de oervorm van toneeldrama, de Griekse tragedie, eveneens oorspronkelijk een religieuze aangelegenheid.

Onze Kerstspelen zijn in vrijwel gave toestand ontdekt in het dorpje Oberufer, waar Duitse emigranten al sinds de middeleeuwen zich hadden gevestigd. Oberufer ligt op een eiland in de Donau bij de stad Pressburg (Bratislava). Geïsoleerd in een Hongaars gebied bewaarden de boeren van Oberufer hun spelen als een kostbare schat. Zij werden in één boerengeslacht van vader op zoon opgeleverd. Na de oogsttijd zocht de leermeester-boer een stel geschikte jongens uit – vrouwen mochten niet meespelen – en studeerde de spelen met hen in. De regels voor de spelers waren zeer streng (bv. boetes voor elke fout in de tekst). Het was dan ook een heilige aangelegenheid. De boeren speelden deze Kerstspelen in Oberufer en omgeving vanaf de eerste adventzondag tot en met Driekoningen op iedere zon- en feestdag.

Professor C.J. Schroer ontdekte de spelen en gaf ze uit. Als taal­geleerde besefte hij de waarde in hoge mate. Het enthousiasme van Schröer werd overgedragen op zijn student, Rudolf Steiner. Laatstgenoemde stelde aan het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart voor om deze spelen door de leraren als kerst­geschenk voor de leerlingen te laten opvoeren. Dat gebeurde. Het is een opwekkende gedachte, dat deze waardevolle spelen thans in meer dan honderdveertig* Vrije Scholen en heilpedagogische in­stituten in de gehele wereld, van Canada tot Nieuw Zeeland worden opgevoerd in de komende dagen.

In de Kerstspelen uit Oberufer vindt men alle elementen uit de lekespelen terug die in het voorafgaande genoemd zijn. De drieledigheid van de Griekse tragedie, het koorzingen, het kindje-wiegen en de in de tekst verwerkte bijbelwoorden.
Op de inhoud van de spelen zelf hoop ik in een volgend artikel nader in te gaan.

Mogen deze Kerstspelen niet alleen bij de kinderen, maar vooral ook bij de ouders en de belangstellenden die waardering vinden die zij ten volle waard zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
*2017 zijn dat er ca 1100

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

394-372

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (1)

.

DE VIER ADVENTSZONDAGEN

Waarom zijn er vier adventszondagen, voorafgaande aan Kerstmis? De vorige keer heb ik bij de NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR de adventstijd helemaal niet meegeteld. Advent is dan ook in zekere zin een voorbereidingstijd. In de tijd van het jaar die beleefd wordt als de donkerste tijd van het jaar, verwachten we de KOMST VAN HET LICHT. We doen dat in vier grote stappen van een week. De zondag is de enige juiste dag ervoor om die stap te markeren. Niet alleen is sedert de Kruisiging en Opstanding de Zondag de belangrijkste dag van de week geworden – daarvoor was het de Zaterdag (Sabbath) -; de zondag is ook de eerste dag van de week, altijd geweest, al vanaf het Scheppingsver­haal uit het Oude Testament, dus in de voor-chris­telijke tijd. (Op school moeten we noodgedwongen deze adventsweken op maandag vieren, omdat er op zondag natuurlijk geen lessen zijn. Maar wel zijn er de Zondagshandelingen en daarin kunnen de kinderen van de hele onderbouw, want ook de 1e-klassers mogen dan voor het eerst de Kinderhande­ling meemaken, de adventszondagen in schoolverband beleven.)

Advent betekent: DE BINNENKOMST, iets anders dan Verwachting, maar beide betekenissen spelen door elkaar. Op 1e advent is alles nog heel pril: één kaarsje in de adventskrans brandt nog maar.
Maar weldra is daar al het Sinterklaasgebeuren. Op Sinterklaas, verbonden met het lot en de wil is in de vorige Branding uitvoerig ingegaan. Dat Sinter­klaas altijd in de adventstijd valt, moet toch eigenlijk wel als heel bijzonder worden opgevat. Sint-Nicolaas is dan ook een wegbereider van het kerstkind, in een prachtig verhaal van D. Udo de Haes:  ‘Sint-Nicolaas, de Kerstbode’ genoemd. Sinterklaas valt dit jaar* op de dinsdag van de 1e adventsweek, vorig jaar echter op de maandag van de 2e adventsweek.
Een week na 6 december hebben we vervolgens Sinte-Lucia, de Lichtbrengster, vooral in Zweden wordt dit feest veel gevierd. Opvallend is dat bijvoorbeeld de zon niet meer later onder­gaat, dus dat het vanaf Sinte-Lucia ’s middags al is afgelopen met steeds donkerder te worden, terwijl voor de ochtenden geldt dat pas na DRIEKO­NINGEN (6 januari) de zon steeds vroeger opgaat.
Advent begon vroeger op en met Sint-Maarten {11 november). Hij was de eerste die het Licht van het Christuskind bracht, nu zodanig gevierd dat we een kaarsje in een lantaarntje doen en daarmee in het pikkedonker gaan lopen.

In het Kerstspel uit Oberufer, dat de leraren van alle vrijescholen ieder jaar voor hun leerlingen opvoeren, komen we dit beeld opnieuw tegen: de zgn. Goede Waard, dat is de laatste van de drie waarden, vaak door een juffie gespeeld, heeft een lantaarn in haar hand, waaruit ze na de geboorte van het Kindje het licht haalt om er de kaarsjes in de kerstboom, die zich achter Jozef en Maria bevindt, mee aan te steken. In de stal waarin ze Jozef en Maria brengt laat ze de lantaarn bij Jozef achter. En Jozef licht met deze zelfde lantaarn ten slotte de drie herders, die op zoek zijn naar de stal, bij.

Sint-Maarten zelf trok vanuit Pannonië, in het huidige Hongarije, via Padua naar Frankrijk. Bij Amiens moet de bekende ontmoeting met de bedelaar hebben plaats gevonden. Hij werd vervolgens bis­schop van Tours, een paar honderd kilometer ten zuidwesten van Parijs, zorgde voor armen en zieken en trok ieder jaar naar het onbekende hoge noorden tot in onze streken om de KOMST VAN CHRISTUS niet alleen te verkondigen, maar ook al weer door het stichten van kapelletjes en ziekenhuizen te laten ervaren.  (Vandaar de Sint- Maartensoptochtjes van 2 of 3 kinderen van deur naar deur om het licht te brengen.
Als we nu de periode van Sint-Maarten tot Kerstmis nemen, dan komen we op 43 of 44 dagen. Maar tot 21 december, de dag waarop de winterzonnewende valt is het precies 40 dagen.

advent 1

Kerstmis – de geboorte van het Kerstkind-  valt drie dagen later, immers: het kind wordt geboren te middernacht van 24 op 25 december. Het tijdperk van 40 dagen is een heilig tijdperk. Christus bracht 40 dagen in de woestijn door met vasten; het is dus een periode waarin de mens kan versterven, dat wil zeggen: door geen voedsel te nemen te vergeestelijken. Een even lange periode van 40 dagen kennen we na Kerstmis – we komen dan op 2 februari, vanouds de dag waarop de Kersttijd definitief werd afgesloten met een processie, met het opbranden van de kaarsresten en een vrije dag voor iedereen met kermis en dansen.

Waarom is advent nu echter beperkt tot 4 zondagen? Dat heeft er mee te maken dat het niet alleen om een geestelijke gebeurtenis gaat, maar ook om een aardse. Het getal 3 is een kosmisch getal: het beeld voor de goddelijkheid, de driehoek.  In het Kerstspel worden ze na elkaar gegroet:

‘Groetenme God vader in synen troon
en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naôme en
groetenmens al gedrie te saômen.’

Het getal 4 is 3 plus 1. Het getal 4 is aards, verbonden mét en beeld van de aarde. Het vierkant is het teken voor aarde, maar ook het kruis. De vier windrichtingen geven dit het duidelijkst aan. Iedere kerk werd vroeger als een kruis gebouwd, met bovenop de toren een haan op een windwijzer.  In het Kerstspel treffen we 3 herders aan, 3 waarden, 3 koningen, 3 schriftgeleerden, en ineens zijn het er 4, doordat er telkens een vierde bijkomt. Als de Drie Koningen bij Koning Herodes komen wordt het opeens een aardse aangelegenheid. Als de vierde herder (Crispijn) er bij komt, belooft hij dat hij het kind een slip van zijn pelsvacht zal schenken. De drie waarden in het Kerstspel zijn het tegen­beeld van de warme, meevoelende herders. Het zijn aardse, zelfgenoegzame personen, die er niet in het minst voor voelen daadwerkelijk de helpende hand uit te steken, zelfs niet de Goede Waard met de lantaarn. Pas als de 4e waard komt, Jozef, die de lantaarn opneemt en gaat kijken wie er buiten de stal staan te roepen, en er de 3 herders aantreft, wordt beleefbaar wat gastvrijheid betekent. Hij zegt:

‘Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt –
hier leytet kind daer van ghy seght.’

Ook in het ‘ Drieconinghenspel’ treffen we zo’n tegenbeeld aan, nu van de drie koningen: de drie schriftgeleerden, in wezen toch mensen die omgaan met geestelijke zaken, gebeurtenissen, openbarin­gen. Maar zij blijven bij hun tekst en verklaren alles vanuit de dode letter. Pas als Koning Herodes aan de Hoofdman opdracht heeft gegeven ‘tot alle landpaelen af te condighen dat men ombrenghe alle knegtjens cleyn so tweejaerigh en daar onder syn’ komt de vierde schriftgeleerde (Judas) naar voren, die angstig naar de hoofdman luistert en dan uitroept:
‘o wee, o wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaat,
onse kinderkens moetens worren gedoot?
ach, wat salt gheven, smert, pyn ende   noot!’

Hij moet dit met zijn leven bekopen…

Waar het nu om gaat in de kersttijd, is het beleven dat Gods Zoon op aarde geboren wordt en dat gebeurt door op 4 zondagen achtereen advent te vieren. Heel geleidelijk nadert het Kerstkind de aarde en doordringt zo de 4 natuurrijken: het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. We vieren dit heel dikwijls zo dat we de vier adventszondagen verbinden met deze vier natuurrij­ken:

1e advent – minerale rijk
2e advent – plantenrijk
3e advent – dierenrijk
4e advent – mensenrijk.

We leggen dan bij of onder de adventskrans of op een plek waar we later het Kindje in het kribbetje uitbeelden op de 1e advent mineralen: stenen,
op 2e advent komen daar planten bij, of in ieder geval van planten afkomstige voorwerpen.
Op 3e advent materiaal van dieren afkomstig, zoals bijvoorbeeld een plukje schapenwol, als het kan dierfiguren gemaakt van dierlijke stoffen.
En op 4e advent komt de mens: dat kan al een menselijke gestalte zijn van bijenwas, maar ook poppen van hout, van stof, of van wat voor materiaal.

Op deze vier natuurrijken zal in deze en de volgen­de Branding vanuit de leerstof door een aantal collega’s nader worden ingegaan.

Een goede advents- en kersttijd gewenst.

(Hans ter Beek, Rudolf Steiner School Nijmegen, *nadere gegevens onbekend)
.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

305-285

 

 

 

 

 

 

 

 

.