Tagarchief: Kerstmis

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – Maria (15)

.

kerstspelen Engel en Mariascène uit het kerstspel uit Oberufer ‘de verkondiging van de engel Gabriël aan Maria’.
.

Maria, dienstmaagd van de Heer

In Spaarndam is er eens een jongetje geweest dat zijn geboortedorp van een ramp redde door met zijn vinger een gat te dichten in de Spaarnedam. Gaat u maar kijken: er staat daar aan de dijk nog een beeld van hem.

Zo’n verhaal is geen klinkklare onzin of een spinsel van speelse fantasie: daar zijn de Hollanders veel te ernstige mensen voor. Het jongetje betekent dus zeker iets: de strijd tegen het water, waartoe ’de vingers van deze mensen van jongsaf geoefend zijn’.

Als het over de evangelies gaat, hebben we ook verhalen voor ons die heel waar zijn, maar denkelijk niet letterlijk gebeurd. Niemand kan er een levensloop van Jezus Christus uit reconstrueren die aan alle gegevens recht doet.

Ook de levensgeschiedenis van zijn moeder Maria is er niet uit af te lezen. Wel kunnen we een indruk krijgen van het beeld dat de eerste christenen van haar hadden.

Moeder en Kind
’Zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe.’
Het lijkt wel een krakersgezinnetje in 1971, en helemaal bedrieglijk is die overeenkomst niet. Moeder en Kind zijn natuurlijk onafscheidelijk: samen worden ze gevonden door herders en door wijzen. Als de mensen van Nazaret hun grote stadgenoot betitelen als ’de timmerman, de zoon van Maria’ (Marcus 6:3), dan is dat bedoeld als een schimpscheut, want een man werd naar zijn vader genoemd; maar onbedoeld licht er iets in door van een bijzondere verbondenheid tussen moeder en zoon.
Dat is ook het geval op de bruiloft in Kana (Johannes 2), waar de Heer zijn moeder zo op afstand als ’Vrouw’ aanspreekt, terwijl verder duidelijk blijkt, hoe na Maria Jezus staat en hoe fijn ze Hem aanvoelt. Ook zij weet dat het om haar Zoon gaat en niet om haar zelf. Maar dat besef vervreemdt haar niet van Hem: Hij kan zich aan haar en haar man onttrekken en zeggen: ‘Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ om daarna heel onderdanig met hen mee te gaan (Lucas 2:49+ 51).

Bij Kana denkt Johannes al aan het Uur van het Kruis. Jezus ziet zijn trouwe moeder daar staan en Johannes aan haar zijde; Hij zegt tegen haar: ‘Vrouw, dat is uw zoon’, en tegen de evangelist: ‘Dat is uw moeder’ (19:26). Voor Johannes betekende dit tafereel heel wat; hij noteert onmiddellijk daarna: ’Nu wist Jezus dat alles volbracht was.’ Hij zegt niet met evenveel woorden wat hij met dat gebaar van Jezus bedoelt. Maar op een tijdstip als dit is er bij deze evangelist zeker niet alleen sprake van Jezus’ zorg om zijn moeder onder dak te brengen. Waarschijnlijk ziet hij Maria als de moeder van de gelovigen, als beeld van de kerk, en zichzelf als vertegenwoordiger van de gelovigen, de kinderen van de moeder-kerk.

Zo is de Vrouw van Apokalyps 12 eveneens moeder van de Messias (vers 2) én van de gelovigen (vers 17). Maria is blijkbaar meer dan ’een meisje uit Nazaret’: zij is uitgegroeid tot moeder van haar Heer en van zijn volgelingen. Vandaar de toewijding, het geloof en de dienstbaarheid die zo typerend voor haar zijn. Door haar nabijheid bij de Heer is zij boven zichzelf uitgegroeid.

De maagd
Jozef ging naar Betlehem met ’Maria, zijn verloofde, die zwanger was’ (Lucas 2:5). De toelichting var Matteüs luidt: zij was zwanger ‘van de heilige Geest’ (2:18).
Moderne mensen zijn wel eens geneigd zulke woorden met argwaan te bekijken: ze vertrouwen het niet helemaal. Maar als we de evangelisten eerlijk proberen te verstaan, krijgen we toch een andere indruk. Het gaat om de status van het Kind: het is wezenlijk meer dan een gewoon mensenkind. Daarom wordt deze moeder ’overschaduwd’ door de Geest: zij is Gods woonplaats geworden, zoals in Exodus 40:34 staat: ‘Toen overdekte de wolk de tent van samenkomst’ (zie 1 Koningen 8:10).

En precies daarom is zij maagdelijk: die conditie wordt ook vermeld als een mens tot het Heilige nadert, bijvoorbeeld als hij betrokken is bij de heilige oorlog, zoals Uria in 2 Samuël 11:11.

De evangelisten drukken zich dus zó uit, dat hun lezers duidelijk wordt: dit kind is iets aparts, het heeft op een unieke manier iets met God te maken. Het is meer dan een gewone baby die zijn leven te danken heeft aan de verbondenheid van een man en een vrouw.

Daarom blijft Jozef zo op de achtergrond: Maria is al zwanger als ze verloofd is en dus nog geen geslachtsgemeenschap met Jozef gehad kan hebben; of, met andere woorden: zij is tegelijk moeder en maagd. Dit kind is namelijk ’van de heilige Geest’: wezenlijk meer dan andere kinderen een godsgeschenk. Daar gaat het in eerste instantie om als Maria maagd wordt genoemd.
In een uitspraak van het concilie van Efeze (431) wordt diegene veroordeeld ’die niet belijdt dat de Immanuël waarlijk God is en dat de heilige maagd daarom moeder is van God’.
Waarom zeggen wij dus dat Maria maagd en moeder van God is? Allereerst om te laten uitkomen dat haar zoon echt God en echt mens is. Zij is helemaal toegewijd en dienstbaar aan haar Zoon en Heer. Zij is met andere woorden echt een gelovige, die ook niet alles begrijpt (Lucas 2:50), maar zich wel gelovig in de werkelijkheid verdiept: ’Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was, in haar hart.’ Ook Kana is een demonstratie van haar zuivere geloof: zij geeft zich met hart en ziel aan Jezus over, geeft Hem alle ruimte: ‘Doet maar wat Hij zegt.’ Daarmee zijn de sluizen voor het wijnwonder opengezet. Een mens die helemaal in God opgaat, wordt in de bijbel ’maagd’ genoemd. Maria is zo iemand. En deze instelling heeft zij omdat zij de moeder is: zij leeft voor haar kind, en dat betekent bij haar, dat ze leeft voor God. Maria is dus maagdelijk ingesteld omdat ze zo’n goede moeder is voor haar unieke zoon.

Misschien kunnen we nog een stap verder zetten. De Bijbel ziet de mens als een eenheid. En veel moderne deskundigen zijn het daarmee eens: de naar binnen gekeerde kant van de mens verschijnt in zijn lichaam. Het lichaam is de ‘buitenkant’ van de mens, de persoon in zover die naar buiten gekeerd is. Het ligt dus voor de hand dat het lichaam een weergave, een uitdrukking is van het innerlijk; anders wringt er eigenlijk iets. Daarom ziet Genesis 3 de gevolgen van de zonde niet alleen in de wil, maar ook in het lichaam van de mens: het werken van de man en het moederschap van de vrouw worden er anders door beleefd. En zo gezien is het ook niet ongerijmd als die maagdelijke instelling van Maria ook in haar lichaam doordringt. Daardoor zou blijken dat de hele mens Maria leefde voor haar zoon alleen, en dat is bepaald geen bekrompen instelling. Bijbels gesproken zou het een dualisme zijn als Maria wel in haar hart, maar niet in haar lichaam maagd was.

Dienstmaagd van de Heer
Tweemaal wordt zij in het evangelie van Lucas genoemd: in 1:38 en 1:48. ’Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ Maria verklaart zich bereid om dienstbaar te zijn. Zij is geestelijk verwant aan Degene die komt om te dienen en niet om gediend te worden. Zij gelooft in het woord dat zij verneemt: ’zij ontving God in haar hart voordat zij Hem ontving in haar schoot,’ zegt Augustinus.

Zij zegt dat ze aan Gods woord gehoorzaam wil zijn; als zij zichzelf ‘dienares’ noemt, beschouwt ze God blijkbaar als haar Heer, als haar opdrachtgever. Ook tegen het ondergaan van het woord zal ze zich niet verzetten; zij is ook bereid Gods beschikkingen te aanvaarden: ’mij geschiede naar uw woord’. Zij geeft zich helemaal aan God over. Zij is de vrouw die helemaal aan Gods bedoelingen beantwoordt, door haar onvoorwaardelijk geloof, door haar volkomen dienstbaarheid.

Door de eeuwen verbeid
Maria is een dochter van Abraham, de gelovige. Zij noemt zich ‘dienares van de Heer’ en roept zo de gedachte op aan die ideale gestalte die bij de profeet ‘dienstknecht van de Heer’ heet. Zij is in haar houding echt een van die armen van Jahwe, de stille vromen van het Oude Testament.

Maria is aldus niet alleen een model-gelovige in de zin van het Nieuwe Testament. Zij is ook de schoonste bloem aan de stam van Israël. Zij is het hoogtepunt van eeuwenlange vroomheid. In haar wordt eindelijk het ideaal gerealiseerd; zij is een kind van Israël naar Gods hart. Dat betekent ook dat zij beide Testamenten met elkaar verbindt. Zij laat zien dat er geen breuk tussen ligt. Zij demonstreert hoe God zijn plannen in liefdevolle trouw waar maakt: de belofte aan de vaderen met betrekking tot hun nageslacht, maar ook met betrekking tot alle geslachten op aarde (Genesis 12:3).

Lucas brengt dat heel sprekend tot uitdrukking door haar Magnificat (1: 47-55) op te bouwen uit niets dan aanhalingen uit het Oude Testament. De beste momenten van het verleden komen in haar samen, de stemmen van Hanna en Lea, de stemmen van profeten en psalmisten.

De gelijkenissen met het Magnificat van Hanna (1 Samuël 2:1-10) zijn menigvuldig en overbekend. Lucas rijgt een collectie parels uit heel het Oude Testament aan één snoer. Soms moet hij er iets aan bijvijlen; soms neemt hij er alleen een tekenend element uit over om het naast een ander woord te schuiven.

Nic. J. Tromp, de bijbel

.De engel Gabriël brengt de blijde boodschap aan Maria
Miniatuur van Giovanni di Paola (1403-1482) in de pincotheek van het Vaticaan
.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

.

387-365

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- Kerstmis – verhaal ‘De kerstroos’

.

Dit verhaal van Selma Lagerlöf heb ik, omdat het vrij lang is en daardoor voor kinderen wat saai dreigt te worden, terwijl het toch zo’n prachtig verhaal is over de in de winter bloeiende kerstroos, ingekort, waarbij ik geprobeerd heb toch zo min mogelijk afbreuk te doen aan de beeldenrijkdom.

DE KERSTROOS

De vrouw van de rover, die in het rovershol diep in het Goïnger bos woonde, was op een dag gaan bedelen in het dorp. De rover was vogelvrij verklaard en mocht niet buiten het bos komen. Hij lag vaak op de loer om reizigers, die zich in het bos waagden, te overvallen. Om toch aan wat eten te komen, nam de roversvrouw de vijf kinderen, die in slordige bontvachten gekleed waren en op schoenen van berkenbast liepen, mee. Waar ze aanklopten, durfde niemand haar iets te weigeren. Het was bekend, dat wanneer ze ergens niet vriendelijk werd behandeld, ze er niet voor terugschrok het huis de volgende nacht in brand te steken. Ze waren óók bang van haar man in het bos.

Zo bedelend van boerderij naar boerderij, kwam ze ook bij het klooster van Oved. Ze belde aan de poort en vroeg iets te eten. Een monnik schoof een luikje open en gaf haar zes ronde broden, één voor haar en één voor ieder kind. Terwijl hun moeder nog bij de poort stond, liepen de kinderen rond. Een van hen kwam naar haar toe en trok haar aan haar rok; ze hadden iets gevonden, zij moest gauw komen kijken. De vrouw liet zich meetronen. Rond het hele klooster stond een hoge, dikke muur, maar de kleine jongen had een achterdeurtje ontdekt, dat op een kier stond. De vrouw duwde onmiddellijk de deur verder open en ging zonder vragen naar binnen. Het klooster werd in die tijd bestuurd door abt Johannes, die plantkundige was. Hij had binnen de muren een kleine tuin aangelegd, en daar stond ze nu in. Zij was zo verbaasd door wat ze zag, dat ze bewegingloos bleef staan. Het was hartje zomer en de tuin van de abt stond in volle bloei. Overal was het een uitbundige kleurenpracht; blauw, rood en geel waar je ook keek! De roversvrouw glimlachte en liep een smal pad op. Overal bloemen!

In de tuin was een jonge monnik aan het wieden. Hij had het deurtje openstaan om plantenresten buiten de muur te kunnen brengen. Toen hij de vrouw van de rover met haar vijf kinderen zag, liep hij onmiddellijk op ze af en stuurde ze weg. Maar de bedelaarster liep onverstoord verder. Haar ogen dwaalden van links naar rechts, naar de witte lelies en de bloemen die hoog tegen de kloostermuur op groeiden. De tuinbroeder wilde haar bij de arm pakken. De vrouw richtte zich in haar volle lengte op en wierp hem zo’n felle blik toe dat hij terugdeinsde. ‘Ik ben de vrouw van de rover uit het Goïnger bos’, bitste ze, ‘waag het niet me aan te raken.’ De broeder probeerde het nu vriendelijker: ‘Je moet toch weten, vrouw, dat dit een monnikenklooster is en dat er geen vrouw binnen de muren mag komen? Als je niet gaat, worden de monniken boos op mij omdat ik vergeten ben de deur te sluiten en sturen ze me misschien wel weg!’

De vrouw trok onverschillig haar schouders op en liep verder naar de rozenbedden, de kamperfoelie met de geelrode bloemtrossen. De tuinbroeder kon niet anders dan hulp halen. Hij kwam terug met twee stevige monniken. De vrouw begreep dat het hen ernst werd. Ze posteerde zich midden op het pad en begon met schelle stem te schreeuwen dat ze zich op een vreselijke manier op het klooster zou wreken als ze niet in de prachtige tuin mocht blijven zo lang zij dat wilde. De monniken wilden haar beetpakken, maar de vrouw begon schel te schreeuwen; verzette zich slaand en bijtend. Haar kinderen begonnen haar te helpen. De drie mannen merkten al gauw dat ze haar niet aankonden en konden niets anders doen dan in het klooster meer hulp te halen. Toen ze over het pad renden, kwamen ze abt Johannes tegen. ‘Wat betekent al dat lawaai in de tuin?’ ’t Is de roversvrouw uit het Goïnger bos en ze wil niet weggaan!’ ‘Neen, geen geweld! Ga aan het werk!’ Met de tuinbroeder liep abt Johannes naar de vrouw die tussen de bloemen liep. Hij was verbaasd. Ze liep daar heen en weer tussen de bedden, die allemaal met een andere en zeldzame soort bloemen bezaaid waren, alsof ze de soorten kende. Ze glimlachte bij het zien van maagdenpalm, salie en rozemarijn. Af en toe schudde ze haar hoofd. De abt hield meer van zijn tuin dan van menig ding op aarde. Hoewel de vrouw met drie monniken had gevochten en er verwilderd uitzag, voelde hij toch sympathie voor haar. Ze had het immers gedaan om de tuin goed te kunnen bekijken? Hij liep naar haar toe en vroeg vriendelijk: ‘Vindt u de tuin mooi?’ De vrouw draaide zich bliksemsnel om, want ze verwachtte opnieuw dat ze haar met harde hand zouden proberen te verwijderen. Toen ze echter de grijze haren en de gebogen rug van de abt zag, antwoordde ze kalm: ‘Toen ik de tuin zag, dacht ik dat ik nog nooit een mooiere had gezien, maar deze is nog niet zo mooi dan een andere tuin die ik ken.’ Zo’n antwoord had Johannes niet verwacht. Hij zei niets en een lichte blos kleurde zijn gerimpelde wangen. De tuinknecht, die erbij stond, begon de vrouw dan ook dadelijk te berispen. ‘Dit is abt Johannes’, zei hij, ‘die met veel inspanning en ijver van heinde en verre de bloemen voor zijn tuin verzameld heeft. Er bestaat echt geen mooiere tuin dan deze en hoe kan jij dit nu weten als je steeds in het bos woont.

‘Ik wil zijn of jouw werk niet afkeuren’, antwoordde de vrouw van de rover, ‘ik zeg alleen dat wanneer jullie de tuin die ik ken, zouden kunnen zien, je iedere bloem die hier staat uit de grond zou trekken en als onkruid weggooien.’ Maar de tuinknecht, die misschien nog wel trotser op de bloemen was dan de abt zelf, begon honend te lachen. ‘Dat zal me een mooie tuin zijn die je tussen de dennen en jeneverbesstruiken in het Goïnger bos hebt aangelegd.’ De vrouw werd rood van kwaadheid omdat ze haar niet geloofden. Ze riep: ‘Maar jullie als monniken moeten toch weten dat het grote Goïnger bos om de geboorte van het Kerstkind te vieren, iedere kerstnacht in een prachtige tuin verandert? Wij, die in het bos wonen, hebben dat nu al jaren meegemaakt. In die tuin heb ik zulke prachtige bloemen gezien, dat ik het nooit gewaagd heb er één te plukken!’ Toen lachte de broeder nog harder: ‘Je kunt nu wel opscheppen over iets wat geen mens ooit kan zien, maar ik geloof dat het alleen maar mooie praatjes zijn. Het bos zou toch nooit het geboorteuur van Jezus vieren op een plaats waar zulke goddeloze mensen als jij en je man wonen!’ ‘Toch is het net zo waar als dat jij niet in de kerstnacht naar het bos durft te komen om het te zien’, zei de vrouw. De broeder wilde nog iets zeggen, maar abt Johannes gaf hem een teken te zwijgen. Hij had in zijn jeugd al horen praten over het feestkleed waarin het bos zich zou hullen in de kerstnacht. Hij had er vaak naar verlangd het te zien, maar het was hem nooit gelukt. ‘Mag ik alstublieft naar uw woning komen in de kerstnacht? Ik zal nooit verraden waar het is en ik zal u belonen. Een van uw kinderen kan mij de weg wijzen.’ De vrouw weigerde eerst. Ze dacht aan het gevaar dat haar man zou lopen als ze abt Johannes naar hun hol zou laten komen. Ten slotte won haar verlangen om hem te laten zien dat de tuin die zij kende mooier was dan de zijne en dus stemde ze toe. ‘Maar meer dan één iemand mag u niet meenemen’, zei ze. ‘En u mag ons niet in een hinderlaag lokken of ons laten overvallen, zo waarachtig u een man van God bent.’ Dat beloofde abt Johannes en toen vertrok de vrouw van de rover. De abt verbood de broeder over wat afgesproken was te spreken. Hij was bang dat zijn monniken, als ze van het plan zouden horen, hem met het oog op zijn leeftijd niet naar het hol zouden laten gaan. Ook hij zelf wilde het plan met geen sterveling bespreken.
Op een dag echter, kwam aartsbisschop Absalom uit Lund, die op reis was, naar Oved om er de nacht door de te brengen.
Toen Johannes hem de tuin liet zien, dacht hij aan de vrouw van de rover. De tuinbroeder die aan het werk was, hoorde hoe de abt zijn hoge gast vertelde over de rover, die al jaren vogelvrij in het bos woonde. Abt Johannes vroeg de aartsbisschop een vrijbrief voor hem, opdat hij weer een normaal eerlijk leven onder de mensen zou kunnen leiden. ‘Zoals het nu gaat groeien zijn kinderen op tot nog ergere misdadigers dan hij zelf is. Binnenkort zullen we daar in het bos met een hele roversbende te maken krijgen.’ Maar aartsbisschop Absalom antwoordde dat hij die slechte rover niet tussen de eerlijke mensen in het land wilde laten wonen. Het was voor iedereen het beste als hij daar maar diep in het bos bleef wonen. Toen begon de abt vol vuur te vertellen, dat het Goïnger bos zich rond het rovershol ieder jaar in kerstgewaad kleedt. ‘Als de rovers niet te slecht zijn om Gods heerlijkheid te mogen aanschouwen,’ betoogde hij, ‘dan kunnen ze toch niet te slecht zijn om bij de mensen te wonen?’
Maar de aartsbisschop had wel een antwoord voor de abt: ‘Ik wil u dit beloven, abt Johannes,’ zei hij glimlachend, ‘dat op de dag dat u mij een bloem stuurt uit die kersttuin in het Goïnger bos, ik u een vrijbrief geef voor iedere vogelvrije waarvoor u me dat vraagt.’
De broeder begreep wel dat aartsbisschop Absalom even weinig als hij zelf geloofde van het verhaal van de vrouw. Maar abt Johannes merkte het niet. Hij dankte Absalom voor zijn belofte en zei dat hij hem die bloem zeker zou sturen.

Op die kerstavond ging Johannes op weg naar het Goïnger bos. Een van de kinderen rende voor hem uit en de tuinbroeder reed naast hem. Hiernaar had Johannes de hele herfst uitgekeken en hij was blij dat het zover was. De tuinbroeder had heel andere gevoelens. Hij hield vanuit het diepst van zijn hart van de abt en zou niet graag gezien hebben dat een ander met hem mee was gegaan om hem te beschermen; maar hij geloofde niet dat ze een kersttuin te zien zouden krijgen. ‘Als het maar geen valstrik is van de rover om zo de abt in handen te krijgen.’ Hij werd steeds banger en smeekte abt Johannes ten slotte om terug te gaan en zich niet zomaar aan de rover uit te leveren. Maar Johannes zweeg. De weg werd slechter, het was nauwelijks meer dan een rotsig en met dennennaalden bezaaid pad. Er waren geen bruggetjes over de beekjes en rivieren, wel steile en glibberige zijpaden. Het werd kouder en diep in het bos was de grond bedekt met sneeuw. Tegen het invallen van de nacht leidde het kind hen over een weide waar hoge bomen omheen stonden. Er stonden wat kale loofbomen en groene dennen. Aan één kant verhief zich een bergwand en daarin zat een deur van ruwe, dikke planken. Abt Johannes begreep dat ze aan het einde van de tocht waren gekomen en hij klom van zijn paard. Het kind deed de deur voor hem open en hij keek een schamele grot met kale rotswanden binnen. De vrouw van de rover zat bij een houtvuur dat midden op de vloer brandde. Tegen de wand waren wat bedden van twijgen en mos gemaakt. Op één ervan lag de rover te slapen. ‘Kom toch binnen, jullie daarbuiten’, riep de vrouw, zonder op te staan, ‘en neem de paarden mee naar binnen, zodat ze niet doodgaan van de kou vannacht.’ Abt Johannes ging de grot binnen en de broeder volgde hem. Het was er armoedig en de vrouw had geen voorbereidingen getroffen om het kerstfeest te vieren. Ze had niets gebakken of gekookt en niet schoongemaakt. Haar kinderen lagen op de grond. Ze aten uit een ketel waarin niets beters zat dan een waterige gortepap. Maar de vrouw gedroeg zich net zo waardig als een trotse boerenvrouw. ‘Gaat u hier maar zitten, abt Johannes, en warm u’, zei ze. ‘En als u te eten bij u heeft, eet dat dan nu maar. Het eten dat wij hier in het bos klaarmaken zal u, denk ik, wel niet smaken. Als u moe bent van de reis, kunt u op een van de bedden daar wat rusten. U hoeft niet bang te zijn dat u zich zult verslapen, want ik blijf bij het vuur waken en zal u roepen zodat u alles, waarvoor u gekomen bent, kunt zien.’ De abt deed wat de vrouw zei en pakte zijn knapzak. Maar hij was zo moe van de lange tocht dat hij bijna niets kon eten en insliep zodra hij was gaan liggen. De broeder kreeg ook een bed aangewezen, maar hij durfde niet te gaan slapen. Hij dacht dat hij de rover in de gaten moest houden, zodat die niet stiekem op zou staan om de abt gevangen te nemen. Maar langzamerhand overmande ook hem de vermoeidheid, zodat hij toch in slaap viel. Toen hij wakker werd, zag hij dat de abt was opgestaan en bij het vuur met de vrouw zat te praten. De rover zat bij hen. Het was een lange magere man die er moe en somber uitzag. Hij zat met zijn rug naar de abt toe. Het leek alsof hij niet wilde dat ze merkten dat hij naar hun gesprek luisterde. De abt vertelde de vrouw over de voorbereidingen van de viering van het kerstfeest die hij onderweg had gezien en vroeg haar of ze dat vroeger ook had meegemaakt. ‘Het is jammer voor uw kinderen dat ze nooit mee kunnen doen als de andere kinderen verkleed op straat spelen en stoeien in het kerststro’, zei hij. De vrouw gaf een nogal kortaf en stug antwoord, maar langzamerhand begon ze zachter te praten. Plotseling draaide de rover zich echter om naar de abt en schudde hem een gebalde vuist voor zijn gezicht heen en weer. ‘Jij ellendige monnik, ben je soms hier gekomen om mijn vrouw en kinderen bij mij vandaan te lokken? Weet je dan niet dat ik vogelvrij ben verklaard en het bos niet mag verlaten?’
De abt keek hem rustig aan. ‘Mijn plan is je een vrijbrief van de aartsbisschop te bezorgen’, zei hij. De rover en zijn vrouw barstten in lachen uit. Ja, zij wisten maar al te goed wat voor genade een rover van bisschop Absalom kon verwachten! ‘Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg’, riep de rover, ‘dan beloof ik je dat ik nooit meer zal stelen, nog geen gans!’
De tuinknecht was verontwaardigd, dat ze de abt durfden uit te lachen, maar het leek Johannes zelf weinig te kunnen schelen. De knecht had hem zelden zo vriendelijk en tevreden gezien bij de monniken op Oved, als nu tussen een paar rovers.
Maar plotseling sprong de roversvrouw op. ‘Wij zitten hier maar te praten, abt Johannes’, zei ze, ‘en we vergeten helemaal naar het bos te kijken. Ik kan hier binnen zelfs het luiden van de kerstklokken horen.’
Onmiddellijk nadat dit gezegd was stonden allen op en gingen zo snel mogelijk naar buiten. In het bos was het nog donker en koud. Het enige dat ze hoorden was het luiden van de klokken ver weg, aangedragen door een zachte zuidenwind. ‘Hoe zal nu het luiden van de klokken het bos tot leven kunnen brengen?’, vroeg abt Johannes zich af. Want nu hij midden in het donkere, winterse bos stond, leek het hem nog minder mogelijk dan vroeger, dat hier een prachtige tuin zou opbloeien.
Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, schoot er plotseling een lichtstraal door het bos. Meteen werd het weer even donker als ervoor, maar even later kwam het licht terug. Als een oplichtende mist verspreidde het zich moeizaam tussen de donkere bomen, maar het had zoveel kracht dat het duister overging in een zwakke morgenschemering. Toen zag de abt dat de sneeuw verdween, alsof iemand een deken wegtrok. De grond begon groen te worden. Varens kwamen tevoorschijn, met hun loten ineengerold als bisschopsstaven. De dophei die op de steenhopen groeide en de rozemarijn die in het moeras groeide, kregen snel een lentegroene kleur. Mosheuveltjes werden hoger en lentebloemen schoten op. Ze hadden zwellende knoppen die al een beetje kleur vertoonden. Abt Johannes’ hart sloeg heftig toen hij de eerste tekenen van het ontwaken van het bos zag. ‘Zou een oude man als ik dan toch nog een wonder mogen meemaken?’ vroeg hij zich af en er schoten tranen in zijn ogen. Toen werd het weer zo donker dat het leek alsof het duister van de nacht het weer zou winnen. Maar opnieuw brak het licht, dat als een golf kwam aanrollen, door. Beken begonnen te bruisen en watervallen te ontdooien. De bladeren van de loofbomen verschenen zo snel dat het leek alsof er een wolk groene vlinders op de kale takken was neergestreken. En niet alleen de bomen en de planten werden wakker. Een kruisbek begon in de takken heen en weer te springen. Spechten hakten in de stammen zodat de splinters in het rond vlogen. Een vlucht spreeuwen streek in de top van een den neer om wat te rusten. Het waren geen gewone spreeuwen. De puntjes van hun veren waren rood en als ze zich bewogen, schitterden ze als edelstenen. Opnieuw werd het een tijdje stil, maar toen begon het weer. Een sterke, warme zuidenwind en bracht zaden mee. Ze hadden nog nergens in de harde grond wortel kunnen schieten. Hier op de bosweide schoten ze op, op het ogenblik dat ze de grond raakten. Toen de volgende lichtgolf kwam, begonnen de blauwe bosbessen en de vossenbessen te bloeien. Wilde ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, vinken bouwden hun nest en de jonge eekhoorntjes begonnen in de boomtakken te spelen. Alles voltrok zich nu zo snel, dat de abt geen tijd had te beseffen wat voor wonder hier gebeurde. Hij had alleen maar tijd om zijn ogen en oren open te sperren. De volgende lichtgolf die kwam aanrollen bracht de geur van pas geploegde akkers. Heel in de verte hoorde je het geluid van de klokken van de koeien en de belletjes van de lammeren. De dennen en sparren waren zo dicht met goudachtig rode appels bezaaid, dat de bomen glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen die elk ogenblik van kleur veranderden. Bosbloemen bedekten de grond zodat die helemaal wit, blauw en geel was. Abt Johannes boog zich voorover en plukte een aardbeibloesem en terwijl hij zich oprichtte, rijpte de aardbei in zijn hand. De bosuil die net zijn nachtelijke jacht was begonnen, keerde, verbaasd over het licht, maar weer naar huis terug en ging zitten slapen in zijn spleet. De kinderen van de rover schreeuwden van plezier. Ze deden zich tegoed aan de bosbessen, die zo groot als dennenappels aan de struiken hingen. Een van hen speelde met een paar jonge haasjes. De rover stond op het mos en at bramen. Toen hij opkeek zag hij vlak naast zich een groot, zwart dier. De rover brak een wilgentakje af en tikte er de beer mee op zijn neus. ‘Blijf jij nou aan jouw kant’, zei hij. ‘Dit is mijn kant.’ De beer week achteruit en liep de andere kant op. Steeds opnieuw kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan. Geel stuifmeel van het roggeveld zweefde door de lucht. Er fladderden grote vlinders die op vliegende lelies leken. Het bijennest in de holle eik zat nu al zo vol honing, dat het langs de stam naar beneden droop. De bloemen, waarvan het zaad uit verre landen was gekomen, openden zich. Abt Johannes dacht aan de bloem die hij voor bisschop Absalom moest plukken, maar de ene was nog mooier dan de andere en hij wilde de allermooiste voor hem uitzoeken. Hij zei in zichzelf: ‘Nu zou ik niet meer weten wat de volgende lichtgolf nog voor mooiers zou kunnen brengen.’ Maar het licht bleef komen en het leek de abt alsof het iets meevoerde vanuit de oneindige verten. De abt merkte dat alles stil werd, de vogels zwegen, de jonge vossen speelden niet langer en de bloemen groeiden niet verder. De gelukzaligheid die over hem kwam was zo groot, dat zijn hart bijna ophield met kloppen. Uit zijn ogen vloeiden tranen – hij merkte het niet, de ziel verlangde weg te mogen vliegen, de eeuwigheid in. Héél, héél ver weg klonk harpmuziek en hemels gezang naderde als gefluister. Abt Johannes vouwde zijn handen en zakte op zijn knieën. Zijn gezicht straalde. Nooit had hij gedacht al in dit leven de schoonheid van de hemel te mogen ervaren en de engelen kerstliederen te horen zingen. Maar naast de abt stond de tuinknecht die met hem mee was gekomen. Hij zag het bos van de rover vol groen en bloemen en hij werd kwaad omdat hij begreep dat hij nooit zo’n prachtige tuin zou kunnen aanleggen, al werkte hij nog zo hard met zijn schoffel en spade. Hij kon niet begrijpen dat God die pracht nu juist aan de rovers verspilde. Er kwamen duistere gedachten bij hem op. Dit kan niet van God komen. Dit is allemaal een spel van de duivel. Het is de macht van het kwade, die ons beheerst en ons dingen laat zien die niet bestaan. In de verte klonken de liederen van engelen, maar de broeder dacht dat het boze, duivelse machten waren, die dichterbij kwamen. ‘Ze willen ons verleiden’, zuchtte hij. ‘Nooit komen we hier heelhuids meer vandaan.’
Nu waren de engelenscharen zo dichtbij, dat abt Johannes tussen de bomen de lichtende gestalten zag opdoemen. De broeder zag hetzelfde als hij, maar hij dacht alleen maar hoe verschrikkelijk het was dat boze geesten zich met deze zaken bezighielden, juist in de geboortenacht van de Verlosser. Al die tijd hadden er vogels rond het hoofd van abt Johannes gevlogen en had hij ze in zijn hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor de broeder: geen vogel was er op zijn schouder gaan zitten. Een bosduifje dat merkte hoe dichtbij de engelen waren gekomen, vatte moed. Ze vloog op de schouder van de broeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Maar hij sloeg met zijn hand naar het duifje en riep zo hard dat het door het bos galmde: ‘Ga terug naar de hel, waar je vandaan bent gekomen!’ Juist op dat ogenblik waren de engelen zo dichtbij dat de abt hun grote vleugels hoorde ruisen. Hij zat geknield om ze te kunnen begroeten. Toen de woorden van de broeder echter opklonken, werd het gezang plotseling afgebroken en weken de engelen uiteen. Ook het licht en de zachte warmte verdwenen op slag bij het aanhoren van zoveel kou en duisternis in een mensenhart. Als een groot kleed daalde de duisternis over de aarde neer, de koude kwam terug, de planten op de weide krompen in elkaar, de dieren renden weg, het ruisen van de watervallen verstomde en de bladeren vielen ritselend van de bomen. Het klonk alsof het regende. Abt Johannes voelde hoe zijn hart, dat even tevoren nog overvloeide van geluk, zich nu krampachtig samentrok in ondraaglijk verdriet. ‘Dit zal ik niet overleven,’ dacht hij. ‘De engelen die zo dichtbij waren en zelfs kerstliederen voor mij wilden zingen, zijn weggejaagd.’ Plotseling dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had. Hij boog zich voorover en tastte tussen de bladeren en het mos om op het laatste ogenblik nog iets te vinden. Maar hij voelde hoe de grond onder zijn vingers bevroor en zag hoe witte sneeuw over het veld kwam aanglijden. Toen werd zijn verdriet nog groter, hij voelde zijn hart steken. Hij kon zich niet meer oprichten en bleef voorover liggen …

Toen het gezin van de rover en de broeder tastend in het donker de grot teruggevonden hadden, misten zij abt Johannes. Zij pakten een paar brandende takken uit het vuur en gingen hem zoeken. Ze vonden hem voorover liggend in de sneeuw: hij was gestorven. De broeder begon te huilen, want hij begreep dat het zijn schuld was.
Toen de abt naar Oved was gebracht, zagen de monniken die de zorg voor de dode hadden, dat hij zijn rechterhand stijf gesloten hield om iets dat hij tijdens zijn sterven gegrepen moest hebben. In zijn hand vonden ze een paar aan het mos ontrukte witte bolletjes. De tuinbroeder plantte ze in de tuin van abt Johannes. Hij verzorgde ze en wachtte het hele jaar af of er ook bloemen op zouden komen. Tevergeefs. De lente, de zomer en de herfst verstreken. Toen de winter was gekomen en alle bladeren en bloemen dood waren, wachtte hij niet langer meer.
Op de kerstavond herinnerde echter alles zo sterk aan abt Johannes, dat hij naar de tuin ging om hem te gedenken. En kijk, toen hij langs de plaats kwam waar hij de kale bolletjes had geplant, zag hij dat daar welige, groene stengels waren opgeschoten, die prachtige bloemen met zilverwitte bladeren droegen. Hij riep alle monniken van Oved bij elkaar en toen ze zagen dat deze plant bloeide op kerstavond, als alle andere planten dood zijn, begrepen ze dat deze werkelijk door abt Johannes uit de kersttuin in het Goïnger bos was meegebracht. Toen vertelde hij van het grote wonder in het roversbos. ‘Ik móet een bloem aan bisschop Absalom brengen’.
Toen de broeder voor bisschop Absalom verscheen, gaf hij hem de bloem en zei: ‘Deze stuurt abt Johannes u. Deze heeft hij geplukt in de kersttuin in het Goïnger bos.’ En toen bisschop Absalom de bloem zag, die midden in de winter was opgekomen, en hoorde wat de broeder zei, bleef hij een poos zitten zonder te spreken en toen zei hij: ‘Abt Johannes heeft woord gehouden. Ik zal het mijne houden.’
Hij liet een vrijbrief schrijven voor de rover, die vanaf zijn jeugd als vogelvrije in het bos had gewoond. Hij gaf de brief aan de broeder mee en deze trok naar het bos en vond de weg naar het rovershol. Toen hij daar op kerstdag binnenging, liep de rover hem met opgeheven bijl tegemoet: ‘Ik zal jullie monniken neerslaan, hoeveel er ook van jullie zijn’, zei hij. ‘Het ligt aan jullie dat het Goïnger bos vannacht niet in een prachtige kersttuin is veranderd.’
‘Ik alleen ben schuldig’, antwoordde de broeder, ‘straf mij hoe je wil, maar neem eerst de boodschap van abt Johannes aan.’ En hij haalde de brief van de bisschop tevoorschijn en vertelde de rover dat hij voortaan vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Hij liet hem het zegel van bisschop Absalom zien dat aan het perkament hing. ‘Vanaf nu zullen u en uw kinderen het kerstfeest vieren onder de mensen, zoals abt Johannes het wilde’, zei hij. Daarop wist de rover, die bleek was geworden, niets te zeggen. Zijn vrouw sprak voor hem: ‘Abt Johannes heeft zijn woord gehouden. Mijn man zal dat ook doen.’ De rover en zijn vrouw en kinderen verlieten het hol.
De broeder trok er zich in eenzaamheid in terug. Hij bad dagelijks dat zijn harde ongeloof hem vergeven zou worden. En niemand mag een kwaad woord zeggen over een mens, die berouw heeft en tot inkeer komt, maar wel mag men wensen dat die boze woorden nooit gesproken waren.

Het Goïnger bos heeft nooit meer het geboorteuur van Christus gevierd. Van al die pracht bleef alleen het plantje over dat abt Johannes heeft geplukt. Het werd ‘kerstroos’ genoemd en ieder jaar komen in de kersttijd zijn groene stengels en witte bloemen op uit de aarde, alsof het nooit kan vergeten dat het eens in de prachtige grote kersttuin groeide.

.

Selma Lagerlöf, vertaling Margaretha Meijboom

Er is nog een heel klein verhaal over de kerstroos onder nr. 6 van 14/1

over de kerstroos

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

1400

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
Een artikel over Kerst, geschreven vanuit antroposofische gezichtspunten.
.

De plaats van Kerstmis in de gang van het jaar:

Als we op weg gaan naar het hoogtepunt van het winterseizoen, dat we met sneeuw en ijs, met vorst en heldere lucht tegemoet zien, gaat de aarde kort daarvoor door een merkwaardige sfeer van een melancholische stemming. Het in de zomer vol levenslust opgebouwde leven, dat de hemel en de sterrenhemel tegemoet werd gedragen, zinkt terug, valt weg.  De val van de bladeren, de grijze hemel, het late gloren van de dag en het snel weer avond worden, hebben een soms bedrukkende invloed op het gemoed van de mens. Het lijkt wel of de afstervende natuur de mens mee wil trekken in de afgrond van de jaarlijks terugkerende dood.
Is het echter eenmaal echt winter, dan verdwijnt dat treurige gevoel al snel. De merkwaardig nuchtere helderheid van een zonnige winterdag reinigt het innerlijk van de mens en de duisternis verdwijnt uit zijn gemoed en verheldert de zelfstandige denkende activiteit van de mens. De mens heeft zich tot een winterse denker omgevormd. De dood in de natuur is de tegenspeler van het menselijke zelfbewustzijn. Alle twee: de neergang buiten en het opstaan in het innerlijk zijn op een raadselachtige manier met elkaar verbonden. Als mens zijn we verbonden met de werkingen in de natuur, maar juist in de winter wordt dit gebonden zijn op een bepaalde manier vrij gemaakt: natuur en mens zijn gescheiden van elkaar, maar tegelijk is er ook sprake van een open zijn voor elkaar. Kunnen we hier iets verder in doordringen, in dat winterraadsel van het enerzijds verbonden zijn en het anderzijds tegenover elkaar staan?

De aarde heeft een kosmische voorgeschiedenis. Zij is het product van een tweevoudige scheiding en haar substantie het resultaat van een dubbele loutering. Want wanneer de aarde altijd met de zon verbonden zou zijn gebleven, dan had ze nooit aarde kunnen worden. In de kosmisch vlammende gloed van de zon had ze niet de rust en ook niet de gestalte-kracht kunnen vinden, die nodig was als grondslag voor het tot stof worden van de mens en de natuurrijken. Dan zou die gestalte-kracht in de zon zijn verbrand. Het was nodig dat de aarde zich bevrijdde van het vuurproces van de zon, dat in oude tijden het “sulfur-proces” werd genoemd. Wat er in het belang van de totale kosmos ontwikkeld moest worden, kon slechts in het trage tempo van de aardegeschiedenis rijp worden. Die rijping had behoefte aan de tragere tijdmaat van de aarde tegenover de kosmisch brandende snelheid van de zon.

Maar de aarde moest zich ook afscheiden van de maan. Was de aarde met de maan verbonden gebleven, dan had ze het aarde-worden niet kunnen bereiken. Met de verstarrende kou van de maan verenigd, zou er teveel verharding zijn opgetreden, alvorens het leven zich bewegend en plastisch had kunnen ontwikkelen. Wat er aan leven zou zijn ontstaan, zou direct verhout zijn, en de bloesem zou in de knop verdroogd zijn. Om niet te vervallen tot stilstand en de rust van de dood, moest de verstarrende, verhoutende kracht van de aarde losgemaakt worden. Door de afscheiding van de maan, werd het verstarrende losgelaten.

De aarde ontwikkelde het eigenaardige en moeilijk te beschrijven midden tussen verbranden en verhouten(verharden), een wonderlijke toestand tussen kosmische snelheid en dodelijke verstarring. In oude tijden werd deze toestand “mercurius-proces” genoemd. Het pendelen tussen zon en maan is een als maar doorgaand proces, een gebeuren, wat we terugzien in het RITME. De aarde is eigenlijk onzichtbaar; het is een bovenzinnelijk wezen. Alleen dat aan haar is echt aarde, wat door het loskomen van de zon en de maan, in de invloed is gekomen van het pendelende mercurius karakter.

Dit mercuriale ritme ligt ook ten grondslag aan het jaarverloop. In de zomer wordt de aarde door een “sulfur-tendens” gegrepen. In de zomer bestaat voor de aarde altijd het gevaar van de verbranding. In de winter werkt de verhoutings(verhardings)tendens van de maan en is er altijd weer het gevaar van de verstarring.

Maar de aarde is niet alleen in het tijdsverloop tussen zomer en winter een pendelende mercurius. Ook ruimtelijk is ze, als geheel, Mercurius. Wat we op een bepaalde plaats, bijvoorbeeld onze woonplaats, als seizoen-loop beleven, is op de hele aarde ruimtelijk tegenwoordig. Zomer en winter zijn tegelijkertijd aanwezig, doordat ze op het noordelijk en het zuidelijk halfrond tegenover elkaar staan. Dus de vier seizoenen zijn op de aarde als geheel voortdurend gelijktijdig aanwezig. Rondom de evenaar is het eigenlijk eeuwig zomer. Hier is het gevaar van verbranding het grootst. Bij de Noord-en Zuidpool is het eeuwig winter en daar is het gevaar van de verstarring het grootst. Het Mercurius-karakter van de aarde is dus duidelijk aanwezig.

De Mercurius-Aarde, de onzichtbaar actieve aarde werkt het intensiefst aan de oppervlakte van de aarde. In de grenslagen van atmosfeer, hydrosfeer en aardkorst wordt het mercurius-karakter heel duidelijk. In de lente stijgt iets elementairs, iets geestelijks op in de “luchtmantel” van de aarde en streeft met een zeker heimwee naar de sterren. En het licht van de sterren en van de zon komt (met haar kosmische kracht) de aarde nooit zo sterk tegemoet dan in de zomer. De uitwisseling tussen kosmos en aarde is dan op zijn hoogtepunt. Wanneer dan de aarde in de winter onder de invloed komt van de verstarrende krachten van de maan komt het mercuriale tot rust.

In de sneeuw zien we de mercuriale tendens tot bolvorming terug, die op elke ondergrond plastische rondingen vormt. Kijk je naar de aarde als geheel, dan verschijnt het als een druppel, als sfeer in het wereldal. De in de winter door de rusttendens van de maan aangegrepen Mercurius toont zich als kogelvormig, als bol. Terwijl in de zomer de processen van verbranden en verstarren elkaar doordringen, gaan ze in de winter uiteen. In de winter krijgen deze processen hun fysiognomische uitdrukking. Zou de zon in de zomer de waterige
mercurius-bol steil van boven treffen, dan zou die meteen verdampen. De zon zou, wat zich in de winter bolvormig tot ronding maakt, oplossen en er zou een vlak ontstaan. Maar dat gebeurt niet. In de winter is de zon machteloos geworden. De zwavel(sulfur)werkingen laten zich (net zoals Mercurius) fysiognomisch zien. Het zwavelproces van de winter bereikt de aarde-zoals de zomerzon in het gebied van de polen- tangentiaal, d.w.z als een raaklijn. We bewonderen in deze tijd graag de bijna vlak, plat, horizontaal invallende winterzon, die door onze kamer kan gaan en haar fysiognomische lichtkring op de tegenoverliggende wand schildert. Maar ook het verhoutings(verhardings)proces wordt fysiognomisch in de winter: de wereld van planten, bomen en struiken verschijnt met ontbladerde takken in de wereld. En de uitdrukking daarvan is verstarring en dood. Je kunt je moeilijk voorstellen dat daaruit zich nieuw leven kan ontwikkelen.

De hoop, dat de aarde weer vrij kan worden van de dood van de winter, is terecht, omdat we weten dat de zon langzaam maar zeker weer meer invloed krijgt. Na het hoogtepunt van de winter,  verandert de lichtinval en vanuit het horizontale groeit de vertikale lichtinval. Maar op welke grond komt de stijgende zon aan? Hoe kan de zon het in de winter verharde “maanleven” in een dragend “aardeleven” veranderen?

De kiemkracht van de winterlijke aarde-grond ontstaat uit de kracht van het zout. Terwijl de maanresten in de aarde leiden tot verharding en verhouting, vormt de aarde zelf het ZOUT.  In het zout gaat de verhardingstendens niet in de richting van het maanachtige verhouten, maar in de aardse kristalvorming. Zoutkristallen zijn de harde vorm van de aarde, verhouting en verharding hoort bij de maan. En de in het zout sluimerende kiemkracht laat zich zien in de mogelijkheid van het zout om op te lossen. Wil je hout verlossen uit de verharding, dan moet je het verbranden, waardoor het hout via de omweg van de as en de oplossing daarvan weer in de mercurius-kringloop wordt teruggebracht. Zout echter is aan de ene kant aarde-vast, maar ook bereid zich op te lossen in het mercuriale water en daardoor de aarde weer te verbinden met de kringloop van het leven. Dat noemde men in oude tijden het “zout-proces”. Hiervandaan komt het “huwelijk”tussen de zwavelige zuren en de maanachtige basen, tussen lichte zonnekracht en donkere maangrond. En in dit huwelijk komen alle twee de polen tot zoutvormende aarde-rust.

Toch zou de wassende zon uit de aarde geen nieuw leven kunnen wekken, als het nieuwe leven niet in de aarde zou sluimeren, als niet al levenskiemen in de aarde op de kosmische warmte zouden wachten. Maar hoe komen deze levenskiemen in de vaste en verstarde aarde-grond?

Alle wezens op aarde zijn op een of andere manier deel van het mercurius karakter van de aarde. Zo ook het leven en dan met name de plantenwereld. In het mercuriale midden van het blad neemt ze het verbrandingsproces van de zon op in de bloesems en de verhoutingskracht van de maan in de wortels. Maar waar het op aankomt is de mercuriale activiteit van het blad, die alles doordringt, zowel bloesem als wortel. Het is echt een heel goed maatje voor de aarde bij het vervullen van de Mercurius-missie. Net zoals de aarde, maakt ook het blad heel duidelijk zichtbaar de gang door de seizoenen. Als de plant in de zomer bloeit, nadert ze de zon en ontwikkelt haar “zwavel”-organen: bloesem en vrucht. Gaat ze samen met de aarde de winter in dan reduceert ze zichzelf tot het kiemende leven in wortel, hout en zaad tijdens de verstarring van de wintertijd. Het Mercuriuswezen is innig verbonden met de aarde. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de opeenvolging van de seizoenen. Ze zijn innig met elkaar verbonden. Kijk je bijvoorbeeld naar eenjarige planten dan is het echt niet zo, dat ze alleen tot dit jaar behoren. Ze komen voort uit een kracht, uit een kiem van het voorafgaande jaar. Als de plant in de zomer tot bloei komt, leeft ze in het nu. De zon die schijnt, wekt de bloei, waarin de “zwavel”-brand begint. Maar het verloopt op een milde manier, die bij de aarde hoort. Want elke bloei(bloesem) is een gebeuren van verbranding, maar wel een gebeuren dat bij de aarde hoort. En zoals uit het minerale(aardse) vuur de imponderabilien van warmte en licht zonder vorm in de wereld bevrijd worden, terwijl minerale as op de bodem valt, zo bevrijden zich uit de levendige verbranding van de plantenwereld in het bloeien de elementengeesten in de wereld, om het wezen van de aarde mee te delen. Maar ook daar valt as op de bodem: de stof die vrij komt uit de bloesem en vooral het vrijkomende zaad. Novalis, die de onorganische verbranding van de plant begrijpelijk wilde maken zei:”Alle as is stuifmeel en de kelk is de hemel”. Met het zaad ontwikkelt de plant zijn eigen toekomst en ook de toekomst van de aarde. Zo staat de plant als bemiddelende Mercurius tussen de tijden: in haar zaad ligt de toekomst al opgesloten; wortel, uitloping en stengel stammen uit het voorbije jaar; in het blad komen het verleden en de toekomst bij elkaar. En de bloesem(bloei) is louter NU,  het vergankelijke ogenblik. Opdat de aarde in het nieuwe jaar toekomst heeft, liggen in haar de asresten van het planten-vuur als zaad en dat wacht op de stijgende zon, die wekkend zal optreden in een nieuwe levenscyclus.

Ook de mens is een Mercurius-wezen. In zijn hoofd is de winterse verhardingskracht en in zijn stofwisseling is oplossing en verbranding actief en deze twee uitersten worden door de ritmische (mercurius)organisatie in evenwicht gehouden. In de gezonde mens moet het nooit eenzijdig zomer of winter worden. Ontstaan zomer (of winter) toch, dan moet dat direct weer worden opgeheven. Voor de mens geldt: “De winteractiviteit roept de zomeractiviteit op, de zomeractiviteit de winteractiviteit.” Deze evenwichtstoestand wordt bewerkstelligd door Mercurius en daardoor is Mercurius zowel ruimtelijk als wat betreft de tijd in de mens aanwezig. Zijn pendelbewegingen zijn impliciet, intensief werkzaam; bij de gezonde mens komen ze nooit extensief te voorschijn. Zou de zomer met de verbrandingskracht geisoleerd in de mens actief worden, dan zou ziekte het gevolg zijn. Alle ontstekingen hebben te maken met eenzijdige zomer-zwavel activiteit. Sclerose-ziekten ontstaan door geisoleerde, ziekmakende winteractiviteit. De mens draagt dus de kosmische verhoudingen in zich. De maan als “maatje” van de aarde, die het zonlicht spiegelt, komt ons in onze hersenen microkosmisch tegemoet. Zonder die spiegelfunctie van de hersenen zouden we niet het voorwerp-aardebewustzijn hebben. We zouden dan niet de nuchtere, wereld spiegelende winterse denkers zijn. Maar de maan liet in oude tijden bij zijn uittreding uit de aarde het winterse maanleven achter in de aardkorst. Zo draagt ook de mens in het vrouwelijke organisme de maanachtige baringskrachten in zich. Maand na maand wachten ze op de bevruchting en daardoor de omvorming van maanachtig leven in kiemend aarde-leven. Elk mensenkind dat op aarde ontvangen wordt, daalt als bode van de zon in de “maangrond” van de moederlijke schoot.

Kerstmis, de geboorte van Jezus, voltrekt zich op het hoogtepunt van de aarde-winter. Kijk je terug op de jaarcycli die je in je leven mag doorlopen, dan lijkt het erop alsof elke lente de kracht heeft om de verstarring van de winter geheel en al op te lossen. Kijk je echter naar de geschiedenis van de aarde en de geschiedenis van de mensheid, die daar zo innig mee verbonden is, dan zien we dat de kracht van de winter steeds groter wordt. Het lijkt erop alsof de aarde haar jeugd achter zich gelaten heeft en binnen is getreden in de fase van de ouderdom. De aarde kan de mens niets meer geven van de eens zo levend aanwezige overschotskrachten. De winterse doodsstemming op de ons omgevende aarde-lichamen (de dingen) wordt als maar groter. Maar tegelijkertijd is de maanachtige spiegelkracht van het menselijk bewustzijn en de intellectuele helderheid toegenomen. Daardoor is het ziele-leven van de mens in de moderne tijd steeds meer in een maanachtig geesteslicht gekomen: kil en koud.  Maar ook dit bewustzijn wacht op de bevruchting. De maanachtige intelligentie is de voorwaarde voor de winterse overwinning van de zon in de geestwereld. Maar bevruchting is van node.

De aartsengel, die Maria de komst van de Zonne-held verkondigt, door wie de doof geworden maankwaliteit van de aarde voor de toekomst bevrucht moest worden, is ook een voorbereider en boodschapper van een “geest-bevruchting” van het menselijk bewustzijn. Gabriél (de aartsengel die zo sterk verbonden is met de maan), heeft zich door alle tijden heen verbonden met de erfelijkheid in het menselijk bestaan. Daarbij was de aartsengel actief in het barende maanleven.

Maar nu gaat het om het volgende (Wintersonnenwende in Wahrspruchworte)

DIE SONNE SCHAUE
UM MITTERNÄCHTIGE STUNDE.
MIT STEINEN BAUE
IM LEBLOSEN GRUNDE.

SO FINDE IM NIEDERGANG
UND IN DES TODES NACHT
DER SCHÖPFUNG NEUEN ANFANG
DES MORGENS JUNGE MACHT.

DIE HÖHEN LASS OFFENBAREN
DER GÖTTER EWIGES WORT;
DIE TIEFEN SOLLEN BEWAHREN
DEN FRIEDEVOLLEN HORT.

IM DUNKEL LEBEND
ERSCHAFFE EINE SONNE.
IM STOFFE WEBEND
ERKENNE GEISTESWONNE.

RUDOLF STEINER

Klaus Dumke, Die Drei, december 1991.
Vertaling Wim Maas.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

1155

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-2)

 

In dit artikel worden gebruiken beschreven ‘van vroeger”. Soms in de tegenwoordige tijd, alsof deze gebruiken er nog zijn. Dat is niet in alle gevallen zo.

 

OUDE GEBRUIKEN

Jeremias heeft ghesprocken.
Sint Nicolaas heeft nog maar net de aftocht geblazen om een jaar lang weer in Spanje uit te rusten of de kerstbomen komen op de markt. Iedereen komt zijn boompje uitzoeken om thuis zo feestelijk mogelijk op te tuigen met slingers, ballen, glinstertjes en kaarsen. Die kaarsen dreigen* in de verdrukking te komen nu de elektrische kerstboomversiering hand over hand toeneemt, maar zij die nog een beetje gevoel voor traditie hebben, houden het op het levende licht.
Traditie? De kerstboom met kaarsen is in ons land een vrij jong verschijnsel, overgewaaid uit buurland Duitsland waar men de kerstboom al heel lang kende. Pas na de eerste wereldoorlog werd de kerstboom ook in ons land meer algemeen. Nog aan het einde van de vorige eeuw* foeterde dr. Eelco Verwijs ‘Laat Duitschland zijn kerstboom’, maar het is er toch van gekomen, al was er dan vooral in orthodox-protestantse kringen nog vele jaren verzet tegen de kerstboom als een heidens gebruik. Ook de Duitse gewoonte om elkaar met Kerstmis geschenken te geven, neemt in Nederland toe; maar het blijft een zwakke afschaduwing van wat Sinterklaas te schenken heeft.
Kerstmis is in Nederland een huiselijk feest en dat is goed te merken. Men gaat bij voorkeur niet de straat op om het kerstfeest te vieren, de obligate kerkgang of de kerstmis (mis tot viering van Christus’ geboorte) op de avond voor Kerstmis daargelaten. Vroeger was dat wel anders. Vooral de kinderen kwamen op straat om kerstliederen te zingen; radio, televisie en grammofoonplaten waren nog niet uitgevonden. Het zingen toen was nodig om de stemming er in te brengen en – hoewel het repertoire ook straatliederen bevatte – het waren toch vooral kerstliederen die ten gehore werden gebracht, vaak in de hoop dat de geleverde inspanning een materieel beloninkje zou opleveren.
Jeremias heeft ghesprocken,
Dat Hij comen sal,
Uit Davids wortel ghesproten,
Die ons verlossen sal.
Het gezamenlijk buitenshuis zingen is niet helemaal verdwenen. Het is min of meer opgeleefd in de massale volkskerstzang die in verschillende grote steden wordt georganiseerd en waarvan die in Amsterdam een zekere vermaardheid gekregen heeft. Dan klinkt natuurlijk ook het Stille nacht, heilige nacht, dat in 1818 in het dorpje Oberndorf ten noorden van Salzburg ontstond. Uit nood geboren. Vlak voor Kerstmis raakte daar het orgel van de dorpskapel onklaar en er was geen tijd meer om het te repareren. Toen schreef de dorpsonderwijzer en organist van het nabijgelegen Arnsberg een kerstlied waarbij Josef Mohr de melodie componeerde. Een lied om samen te zingen nu het orgel kapot was. Zo ontstond Stille nacht, heilige nacht en het werd internationaal een van de populairste kerstliederen.

Ook de kerstkaart, waarvan er nu jaarlijks vele miljoenen over de hele wereld worden verzonden, werd bij toeval en uit nood geboren. De geschiedenis vertelt dat dat in 1843 was toen Henry Cole, de stichter van het Victoria and Albert Museum in Londen plotseling ontdekte dat hij geen tijd meer had om aan vrienden en relaties voor Kerstmis een brief te schrijven om hen het allerbeste toe te wensen. Goede raad was duur, maar de inventieve Cole vond een oplossing. Hij liet door de schilder J. C. Horsley een kaart ontwerpen. Deze kaart werd gedrukt en verzonden. Cole was zakenman genoeg om er wat meer te laten drukken die hij voor een shilling per stuk verkocht. Hij haalde er zelfs de pers mee, want een dagblad gaf van die eerste kerstkaart een uitvoerige beschrijving. ‘Een omlijsting van lofwerk in Duitse stijl deelde de kaart in een middenpaneel en twee zijstukken. De zijden waren gevuld met afbeeldingen van het spijzigen van de hongerigen en het kleden van de naakten; op het middenstuk werd een familie aan tafel getoond – een oude man, een jonge vrouw met haar man en enige kinderen – en zij waren weergegeven tijdens het uitbrengen van een heildronk met wijn.’ Niet alleen lof voor de eerste kerstkaart. Critici hekelden het feit dat kunst aan industrie werd gepaard doordat het kunstwerk door het te laten drukken was verveelvoudigd. Er waren er ook die vonden dat de afbeelding de dronkenschap zou bevorderen. De laatste jaren is in eigen land nogal kritiek geleverd op de folkloristische kerstkaartenrage als vorm van geldverspilling; bovendien zo traditioneel dat het allemaal niets meer zegt. Maar dat is één opvatting. Velen zouden de kerstkaart echt niet over boord willen zetten. Folklore of niet. Dat Kerstmis in aantocht is, kan men steeds goed merken in Gouda, de kaarsenstad. Daar wordt in de dagen voor Kerstmis de binnenstad in kaarslicht gezet. Duizenden kaarsen verlichten de gevels en een kolossale kerstboom op het marktplein draagt een ontelbaar aantal kaarsen.

Er is ook feeststemming in het Gelderse rivierengebied waar in Tiel de indrukwekkende kerstveiling van het zogenoemde hardfruit – appels en peren – wordt gehouden. Voor het fruit geveild wordt, kan het publiek in de grote veilinghallen de fruitmozaïeken bewonderen. En het publiek kan zelf ook veilen. Iets waar men letterlijk bij staat te watertanden.
Regelrechte confrontatie met hét onderwerp van Kerstmis – de herdenking van de geboorte van Christus -wordt in Rijen, tien kilometer van Breda geboden. Daar is tegen Kerstmis het kerstdorp Klein Bethlehem te bezichtigen. Op een stuk land ter grootte van een voetbalveld wordt Bethlehem herbouwd met stadsmuren, poorten, het paleis van Herodes en natuurlijk de kerststal. In en rond de kerststal lopen tientallen dieren: schapen, kamelen, de ezel, de os. Er staan levensgrote mensenfiguren, gekleed volgens de traditie uit de tijd van Christus.
Ook elders vindt men openbare kerststallen zoals in Den Bosch, terwijl in de schaapskooi in Rheden op het landgoed Heuven de typische kerstsfeer wordt weergegeven op de avond voor Kerstmis. De schaapherder leest dan voor wie het horen wil het kerstevangelie. Wie daar gaat kijken, moet er aan denken dat volgens een oud verhaal de dieren op kerstavond met elkaar praten. Alleen wie rein van hart en geweten is, kan het horen! Wel van te voren informeren, bijvoorbeeld bij de V.V.V., want dit is nu zo’n gebruik dat zo weer verdwijnt.

Konijn, haas, fazant, gans, kalkoen; het zijn typische

kerstlekkernijen die met veel smaak en goed gegarneerd worden verorberd. Daarnaast natuurlijk kerstbrood en de uit Engeland overgewaaide plumpudding. Heel speciaal voor deze gelegenheid is de Noordhollandse duivekater, een soort cakebrood, waarvan het echte recept een zorgvuldig bewaard bedrijfsgeheim is. Een echt oud-Hollandse lekkernij die men zeker eens moet hebben gegeten. En bij dit alles niet vergeten wat een oude dichter eens voor Kerstmis schreef.
Ghy swemt dan in ruyme weelden,
in leckerney, in lust, in bancketteren.
Maar er is meer waaraan men op deze dag moet denken, want hij gaat voort met:
Vermeut o mensch dyn leven,
doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren
siet hoe d’Engeltjens sweven
wiens zoet gejuyg ghij kennelyck meugt hooren.
Tweede kerstdag is vroeger in vele streken van ons land een wilde dag geweest; de naamdag van Sint Stefanus of Sint Steffen. Er werden allerlei spelletjes gedaan, zoals het steffen uit de ton jagen, waarbij een kat uit een vat moest worden geknuppeld. De dierenbeschermers hebben voor dit wrede vermaak een stokje gestoken. In Drenthe trok de jeugd naar de boerderijen met hooi en oud brood om de koeien te voeren. Tegen de boer werd gezegd: ‘Ik steffen joe koe’ en dan moest die boer met wat centen of een goed belegde boterham over de brug komen. Er werd ook gezongen.
Hum, koe, hum,
Sunt Steffen is gekomen.
Hard gelopen; duur verkopen.
Honderd gulden veur die koe
En een dikke stoetbrugg toe.
In Gorssel heeft men nog steeds* het Sint Steffenrijden in ere gehouden, waarbij een bepaalde groep een tocht te paard maakt; het paard wordt die dag afgereden. Dat is een gebruik dat van vader op zoon overgaat. Alleen weinigen weten nog waar het vandaan komt.
.
*Uit ‘Shell-Journaal van Nederlandse  folklore 1972

.

kerstmis: alle artikelen
jaarfeesten: alle artikelen

.

929

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten -Kerstmis (31)

 

van een natuurfeest tot het kerstfeest

Stel je eens voor dat de zon steeds maar kleiner wordt en een kleinere boog gaat beschrijven aan de hemel. Voor ons, met al onze kennis, is dat niet zo vreemd, wij weten immers wat er gebeurt. Maar voor oude volkeren moet het korten van de dagen en het afnemen van het licht wel beangstigend zijn geweest, zoals zo veel natuurverschijnselen om hen heen.

Zij beschikten immers nog niet over de wetenschap waarmee zij alles konden verklaren. De zon betekende voor oude volkeren in de eerste plaats licht, daarnaast ook warmte en voeding, want wat ze aten was afhankelijk van de zon. De zon was dus noodzakelijk om te overleven.

Dit alles zorgde ervoor dat er allerlei mythische verhalen ontstonden over wat er allemaal was gebeurd in het donker, terwijl de goden en demonen op dat moment in een strijd waren gewikkeld om de zon te veroveren.

Daarnaast vierden veel volkeren op het noordelijk halfrond midden in de donkere winter een feest om de komst van het licht te begroeten. Deze winterzonnewende was van groot belang. Men vierde er de terugkeer van het zonlicht, dat met het lengen der dagen nieuw leven zou brengen.

Rituelen
In de culturen van bijna alle natuurvolkeren werd het ‘keren van de zon’ als een regelmatig terugkerend verschijnsel gezien. Vanouds werd in de rituelen dan ook veel aandacht besteed aan de beide jaarlijkse zonnewendedagen (bij benadering: 21 december en 21 juni.) Vooral aan de winterzonnewende, die periode van het jaar dat de zon als het ware tot stilstand komt in haar laagste stand boven de horizon, hechtte men veel belang. Daar de eerste nacht van de winter de langste nacht is, en vanaf hier de dagen lengen en het licht en de warmte van de zon vermeerderen, werd deze nacht verondersteld het moment te zijn van de wedergeboorte van de zon.

Zo vierden de Germanen rond 25 december joelfeesten. Dat waren feesten van dankbaarheid voor wat geweest was en hoop voor wat nog kwam. Ze duurden dertien dagen en twaalf nachten (van 24 december tot 6 januari) en sloten direct aan op de grote slachttijd. Er werd niet gewerkt, maar wel veel gegeten, gedronken en lawaai gemaakt. Ook werden er enorme vreugdevuren aangestoken in een poging om de stervende zon te laten herleven.

De Romeinen
Mithras, een zonnegod die al voorkomt in de Vedische geschriften van India, werd vooral populair in Perzië als beschermer van de onschuldigen en als bemiddelaar tussen het zuiver hemelse licht en de aardse corruptie ervan. Herders waren getuige hoe hij uit een rots geboren werd als aanvoerder van de lichtlegioenen, die streden tegen de machten der duisternis. In het bijzonder dit laatste zou hem zo populair maken bij de soldaten van de Romeinse legioenen. Zij brachten hem in de eerste eeuw voor Christus mee uit het Oosten. Omdat de Romeinse legers ’overal’ heen trokken, verspreidde de cultus van Mithras zich snel en het duurde niet lang of het Mithrasïsme werd de belangrijkste godsdienst van het Romeinse rijk.
Opvallend zijn trouwens de parallellen met het christendom. Zo werd van Mithras verteld dat hij gestorven was en weer opgestaan en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om zo te vieren dat hij in hen zelf opnieuw geboren werd. In Rome zelf wemelde het in de 3e eeuw trouwens van mensenreddende goden of godenzonen. En van bijna allemaal werd de geboorte in december gevierd in de buurt van de winterzonnewende.

In 274 werd het keizer Aurelianus te bar en hij verordonneerde dat al die feesten op één dag gebundeld moesten worden en wel op de 25ste december, de feestdag van de Sol Invinctus (de onoverwinnelijke zon). En aan het hoofd van heel die godenschare benoemde hij Mithras, die volgens de mythe ook op 25 december geboren was, tot staatsgod.

Toen het christendom zich verspreidde over het Romeinse rijk werden steeds meer Romeinen christen. Zij bleven echter het feest van Mithras op 25 december vieren. Omdat dat feest, het feest van de onoverwinnelijke zon, gemakkelijk te combineren was met het feest van Jezus als het Licht der wereld (men wist immers niet wanneer Jezus geboren was) besloot paus Liberius in het jaar 354 dat voortaan de geboorte van Jezus op 25 december gevierd moest worden met een speciale ’Christusmis’ (Kerstmis).

Aanpassingen
Dit soort aanpassingen deed de kerk overigens vaker. Want naarmate het christendom zich meer en meer uitbreidde onder ‘heidense’ volkeren, kwamen ook steeds meer ‘heidense’ gebruiken de leefwereld van de christenen binnen. Het was belangrijk voor de kerk deze te christianiseren om niet ten onder te gaan. Zo heeft ze kunnen integreren in de cultuur van vele volkeren.

Omdat de christelijke beweging in het begin zo sterk was, misschien wel dankzij de ernstige vervolgingen waaronder zij in de eerste eeuwen te lijden had, verdween de verering van Mithras steeds meer naar de achtergrond, zeker na de bekering van keizer Constantijn de Grote tot het christendom. Vanaf die tijd wordt er steeds meer aandacht gegeven aan de geboorte van Jezus en ontwikkelt het kerstfeest zich tot het feest dat wij tegenwoordig kennen. Buiten proporties gegroeid, vieren we nog steeds hetzelfde als de oude volkeren: de warmte, de knusheid en gezelligheid midden in de kilheid en tegenwoordig voor veel mensen, de eenzaamheid van de wintermaanden. Laten we het Licht daarbij niet vergeten.

Theo Hofland in een regionaal dagblad, nadere gegevens onbekend

Kerstmis: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30)

 

het donkere gat tussen os en ezel

Dagen, soms wel een hele week, mochten we niet in de voorkamer komen. De mooie kamer. Zelfs op zondag niet. Want ook op die dag werd er gewerkt. De stoelen gingen aan de kant. De tafel werd ergens anders opgeslagen en als de geur van warme worstenbroodjes uit de oven van het fornuis kwam, mochten we binnen. Kerstmis. Het was een sprookje. In een week tijd was Bethlehem en wijde omgeving compleet in onze voorkamer overgeplant De kamer was Bethlehem geworden. Honderden lampjes flonkerden in de blauwe hardboardhemel. Weggetjes slingerden zich wit onder piepkleine lantaarntjes omhoog in de papieren rotsformatie. Een wand vol Alpen. Plukjes schapen keken op van mossige weitjes of spiegelden zich in waterpartijtjes.
Midden in dat gigantische land brandde een piepklein lampje in een stalletje. Daar woonden ze. Tijdelijk, omdat er in de herberg een steenworpje verderop geen plaats was.

Weken lang tot 2 februari, Maria Lichtmis, was Israël een flinke lap grond kwijt en Judea samen met Lucas II  l-14 bij ons in de voorkamer te gast.

En niet alleen bij ons. In veel huiskamers waren ‘stalmeesters’ keihard aan het werk om Kerstmis vorm te geven. Er was er zelfs een, zo werd gefluisterd, die een electrische trein tussen Bethlehem en de stal had lopen.

Elk jaar opnieuw worden de kerststalletjes van stal gehaald. Soms uitbundig, dan weer jarenlang rustig. Een simpel stalletje. De stal als tijdsbeeld. Dwarrelende plukken engelenhaar, glitterballen, gipsen heiligen, nog grotere kerstbomen. En na de nachtmis: worstenbroodjes, stollen, een plas of een plats, balkenbrei of kerboet.

Maar niet alles is heilig pal onder de plek waar de drie stralen door één schieten. Daar zou het engeltje een kleur van kunnen krijgen.

Een Tour de Noël door de oude boeken van het kerstverhaal Op zoek naar het licht in het donkere gat tussen os en ezel.

De kerstboom, de bijl van St. Winifried, worstenbroodjes en balkenbrij

‘We dromen naar Kerstmis toe,
het is in ons hart geweven…’

De eerste regels van een warm kerstgedicht gemaakt op een stille middag oog in oog met de kerststal, met de kerstboom. Een piek in de top, een engeltje ter bewaking van het prille geluk in de schaduw van de os en de ezel.

Een vredig tafereel. Niets is er te horen van het briesen en stampvoeten van de de blonde Germaan Winifried, ergens tijdens een koude winternacht in het jaar 725.
Winifried was een van de eerste brengers van het evangelie die in Noorwegen de Scandinaviërs probeerde te bekeren. Geen makkelijke opgave, want de druïden hadden een dikke vinger in de toverpap. Onder de leiding van die druïde kwamen de Noormannen onder de heilige eik van Donar bij elkaar om de dondergod te vereren. Telkens als Winfried dat zag, bad hij tot zijn god om hulp. Maar hij hoorde niets terug.

Tot die koude decemberwinternacht. Winifried wandelde door het grote woud en kwam oog in oog te staan met de Heilige Eik. Maar er was meer: vlakbij zag Winifried hoe een stel woeste barbaren met iets bezig waren: een klein kind. Winifried had niet veel nodig om te begrijpen dat dat kleine kind aan de god Donar geofferd zou worden. Dat was teveel. Hij ontstak in woede, sprong naar voren, het kind onder de wrede handen van de woestelingen weg en pakte een bijl. Met ferme klappen viel hij de Heilige Eik aan. De barbaren hielden hun adem in. Donar zou dat nooit toelaten en met donder en bliksem die blonde Germaan mores leren.

Geraas
Maar er gebeurde niets. De Noormannen waren sprakeloos. Iemand die geen ontzag had voor de donderdergod Donar en ook niet gestraft werd…. Terwijl de eerbied voor de prediker met elke klap toenam, brak een donderend geraas los. Geen Donargedonder, maar de laatste splinters die de gigantische eik nog aan de wortels bond, werden gebroken en met een daverend geweld klapte de woudreus als een toren naar beneden. Niets ontziend, alles meesleurend, bomen brekend.

Behalve…… een jonge den.

Het boompje bleef onbeschadigd en zoals het in het scenario van een goede legende altijd geregeld is: geheel onverwacht brak een straal maanlicht door de donkere wolken en zette de naalden in een zilveren glans. Een wonder, dachten de mannen met baarden en Winifried sprak de historische woorden: „Dit boompje zal vanavond uw heilige boom zijn. Zijn hout is het hout van de vrede, want uw huizen zijn van dennenbomen gebouwd. Hij is het teken van het eeuwige leven, want zijn tooi is altijd groen. Zie, hoe hij naar de hemel wijst. Het is de boom van het Christkind.”

En het was de Eerste Kerstdag.

Winifried zelf: hij had succes, bekeerde bossen Noormannen en werd beloond met de titel ‘St’

Voorgebakken
Waar of niet waar. „’t Is echter een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van het Christendom, dat de kerk een heidensch feest, dat niet zo gemakkelijk was uit te roeien, annexeerde door er een christelijke beteekenis aan te geven”, zo staat in het boek Mozaik Tegels uit 1892.
De schrijver F.W. Drijver heeft het over de accommodatie- of verzoeningstheorie en legt uit: het is hem opgevallen dat het Kerstfeest samenvalt met het Joodse feest van de Tempelreiniging en het heidense feest Saturnalia. De Saturnaliën werden eind december na de oogst gevierd ter ere van Saturnus, de god van de landbouw. Aan het feest van de Romeinse god was ook de zogenaamde Brumalia verbonden, het feest van de kortste dag, dat door Julius Caesar zelf met enig historisch besef op 25 december was vastgesteld. „Die dag, ook solstitium, zonnestilstand, of dies natalis invicti solis, geboortedag der onoverwinlijke zon geheeten, kan misschien de overgang gevormd hebben tusschen ’t feest der Heidenen en dat der Christenen.”

Maar niet alleen de Romeinen hadden feest. Ook de Germanen in de noordelijke bossen vierden hun midwinterfeest, de Joeltijd, het feest ter ere van de zon, die na de korste dag aan een nieuw leven begon. Joel staat voor toverij. De aarde die ontwaakt in nieuw leven, het begin van dertien dagen Joelfeest

Van 25 december tot 6 januari was een tijd van rust voor de zon en voor de mensen. Een feesttijd van dertien dagen, waarvan de laatste als dertiendag gevierd werd en nu nog als Driekoningen.

Maar het was dé tijd voor de geesten, de elfen, de nixen en de nimfen om los te breken in een nieuw leven. Ze trekken met vliegende vendels over de aarde. „Woeste horden”, staat er in het volkskundig leesboek voor de lagere scholen uit 1931. „Nu moet er ook geofferd worden aan de god der vruchtbaarheid, aan Wo- dan; onder ’t winterkleed vergadert de aarde nieuwe levenskrachten, en ’t is Wodan, die dat alles schikt en die over dat alles zijn zegenende zorg doet gaan. Nu verheugt men zich bij dans en drank….”

Eten
En wat zegt de schrijver Drijver: voor de zendelingen was het een makkie om een feest dat bij de heidenen al bestond een Christelijk betekenis aan te geven. Een voorgebakken feest, inclusief heidense gebruiken.

Het klokgelui in de kerstnacht om de boze geesten te verjagen, de midwintersboom. Het gebruik bij onze oosterburen om elkaar met kerst geschenken te geven: het is een oud Germaans gebruik, de ‘Jul-klapper’, de Joelcadeautjes in het Zweeds. Het branden van het kerstblok, dat in veel landen wordt gedaan, de ‘Souche de Noël’ in Frankrijk, de Letten noemen kerstavond zelfs ’Bluckewart’ blokavond. In sommige delen van Nederland werd vroeger de Kerststobbe op het vuur gelegd, het kerstblok. In een charter van 1264 gaven de schepenen van Susteren aan ieder de vrijheid om tegen kerstmis een kerststobbe uit het bos te halen.
Allemaal staat het in verbinding met de vuren van de Germaanse eredienst, zeggen historici.

Offer
En het eten. Het schoolboekje uit 1931 heeft het over de de ‘dikke vretaovond1  zoals die in de Gelderse Achterhoek werd genoemd. De Kerstnacht en eten. ‘Het kerstgebak’, zo schrijft de heer Drijver uit 1892, „dat mede afstamt uit de heidensche oudheid, toen men nog godenbeelden van deeg maakte.”
De krakeling, met de vier spaken, het zinnebeeld van de Zonnegod. Het kerstbrood is niets anders dan een overblijfsel van de oude offermaaltijden, waarbij koeken een zinnebeeldige vorm hadden. De benaming duvekater voor kerstbrood, bepaald geen heilige naam.

Eten: later het worstenbroodje, balkenbrij dampend op tafel na de nachtmis. De smaak van Kerstmis.

Het donkere gat tussen os en ezel: heidense gebruiken, Germanen, Wodan, Donar, duvekater, offerbrood.

Zo leert het leesboek uit 1931:
„De dieren vertellen van het kerstfeit:
De haan kraait: Kin..detje ge- bóren”..
De duif roept: „Woe.. woar?”
Het lam zegt: „In Bê.. .t.lêm”

„Zeker, nog leeft het geloof, dat de Kerstnacht, zooals Midwinternacht weleer, een toovernacht is, voort.”

Hans Jacobs, De Gelderlander, 15 december 1989

Kerstmis, alle artikelen

918

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30)

De zuilen/pijlers van de geboorte

De afbeelding van twee madonna’s op een terracottategel

Talrijk waren de reacties van lezers op de artikelen en boeken van de op 11 april van dit jaar* gestorven schrijfster Hella Krause-Zimmer. Zo kreeg Krause-Zimmer rond kerst 2001 een brief van Rose Marie Egger Kreutz met een foto van een reliëftegel met de voorstelling van 2 madonna’s met het kindje Jezus, die de afzendster in een landhuis in Toscane ontdekte.
Aangespoord door deze ‘verrassende vondst […] tot in detail’, zoals Krause-Zimmer in maart 2002 aan Egger Kreutz schreef, ontstond een kleine bijdrage aan ‘das Goetheanum’.* Een paar vragen: uit welk materiaal, met welke techniek de tegel was gemaakt en waar deze vandaan kwam, stelde Krause-Zimmer wel aan Egger Kreutz, maar deze kon die helaas niet beantwoorden. Het manuscript schijnt niet af te zijn.

Op heel bijzondere wijze en met een verrassende rijkdom aan kennis is het thema van de 2 Madonna’s op een tegel bij elkaar gezet, die uit Ligurië (Italië) komt – men weet echter niet waar die vandaan komt. Ze bevindt zich in Italië in privébezit.

De twee Maria’s die om het hoofd een aura hebben, zitten gelijkwaardig naast elkaar en houden hun kleine Jezuskind op schoot. Ze zijn met zorg, vaste hand en schoonheid uitgewerkt. Aannemelijk is dat de tegelmaker – of hij nu meer vakman of meer een beeldhouwer was – volgens een voorbeeld gewerkt heeft, misschien naar een altaar in zijn omgeving.

Het thema van de twee Maria’s is zelden zo uitgebeeld ‘to the point’ als bij dit kleine reliëf en het eventuele voorbeeld. Bij alle uniformiteit is naar een subtiel, maar duidelijk onderscheid, gestreefd.

De rechter Maria met een jeugdig open gelaat, maar met bescheiden geloken ogen, is eenvoudig gekleed, een doek bedekt haar hoofd. Haar naar beneden gerichte blik rust op haar jongetje dat op haar bovenbeen zit en er zeer kinderlijk uitziet. Ze steunt het met haar linkerhand en met haar rechter omvat ze zijn voetje. Het kind zelf heeft iets in zijn beide handjes, wat op een granaatappel lijkt. De Moeder van dit zo liefdevol vastgehouden kindje zit op een troon, geflankeerd door engelen en zingende engelen houden een kroon boven haar hoofd. De uitdrukking op haar gezicht zou je, in vergelijking met de andere Maria, verinnerlijkt kunnen noemen.

Door bogen verbonden:
De eenvoudige en de aristocratische madonna

De linker Maria oogt strenger – met de rechte neus, de enigszins starre blik die niet op het kind rust. Haar hoofd is niet met een doek bedekt. Hier zie je ook geen engelen, niet bij de troon en ook wordt deze Maria niet door engelen gekroond. Haar gewaad is voller, rijker en er zit een opvallend voorname boord aan. Haar kindje staat en wordt door haar linkerhand maar weinig gesteund. Het is soevereiner en minder kind dan het andere knaapje. Hij houdt geen granaatappel vast, maar hij houdt zijn rechterhand tegen zijn eigen borst en houdt met de andere hand de rijke zoom van Maria’s mantel vast. De Moeder houdt hem een bloem of een vrucht voor. Ook hij heeft, net als zijn Moeder, zijn ogen open, de oogleden niet geloken.

Je zou kunnen zeggen dat de rechter ‘eenvoudige’ Madonna een ietwat boerse inslag heeft, terwijl de linker met haar scherpere, fijn uitgewerkte trekken eerder aristocratisch lijkt.

Door de inspanning van de meester kunnen we de beide Madonna’s onderscheiden in die zin, dat we in de engel-Maria en haar kinderlijke jongetje de Madonna uit het Lucasevangelie kunnen herkennen en in de strengere, uiterlijk rijker geklede linker Moeder de ‘Mattheüs-Maria’. Met andere woorden, het Kind aanbeden door de engelen en de herders hier en het Kind van de aanbidding der koningen, daar.

Bij deze karakterisering past ook de granaatappel, want deze is het symbool van de dood en het ‘Kind uit Lucas’ is hij die op Golgotha zal sterven.

De Maria’s zijn gescheiden door een zuil en verbonden door een dubbele boog die op de zuilen rust. Boven de bogen zweeft de duif van de Heilige Geest.

Op veel voorstellingen van de oudere christelijke kunst is een zuil te zien. Bij de scene van de verkondiging staat deze tussen Maria en de engel Gabriël die haar de onbevlekte ontvangenis aanzegt. Bij de beelden van de geboorte ligt het kindje aan de voet van de zuil. Zo vertoont de zuil zich als een metafoor, als een uitdrukking van het nederdalen en het overeind staan op het aardoppervlak: de geboorte.
De geboortezuil, evenals de daarboven zwevende Heilige Geest die het tot stand brengt, valt de beide Maria’s ten deel.
Op voorstellingen is ook vaker links en rechts van de zuil een arcade te zien. Wat deze dubbele rondboog moet vertellen, laat onze meester open en zonder verhulling zien: de 2-voudige geboorte; de twee Jezuskinderen; de twee Maria’s.

twee Jezuskinderen

Een kleine tegel, misschien voor een huisaltaar gedacht – vol verwondering staan wij ervoor en vragen ons af, hoe dat hier zo duidelijk benadrukte weten over de twee Kinderen en hun Moeders tot de kunstenaar en zijn opdrachtgever gekomen is ondanks de toen zo machtige kerk. De woordelijke traditie is zo tegengehouden dat de christenen heden ten dage daarvan nauwelijks iets weten.

Rudolf Steiner heeft langs de weg van geesteswetenschappelijk onderzoek naast de documenten en tradities dit geheim weer ontdekt. Alleen daardoor en ook sindsdien kun je ontdekken dat in de beeldende kunst dit thema eens rijkelijk aanwezig was; honderden voorbeelden, verspreid over heel Europa zijn als rest nog aanwezig en getuigen ervan.

De kleine tegel sluit als een van de nieuwste vondsten aan bij de grote groep van deze getuigen.

(Hella Krause-Zimmer, *Das Goetheanum, *51-52/2002)

Ongeveer 200 voorbeelden worden besproken en met foto’s gedocumenteerd in het boek: ‘Die zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst‘ van Hella Krause-Zimmer; voor een deel ook in ‘Herodes und der Stern von Bethlehem
(beide niet vertaald)

Er bestaat wel een Nederlandse uitgave met de titel ‘De twee Jezuskinderen in de beeldende kunst’ van Hans Lap Stolp (zie reacties)

zie ook: De twee kerstkinderen: theologisch probleem

Kerstmis: alle artikelen

697