Tagarchief: engelen

VRIJESCHOOL – Engelen

,

In Rudolf Steiners visie speelt de niet-zintuiglijke wereld een even concrete rol als de zichtbare. Ook al kunnen we deze onzichtbare werelden geen ruimtelijke plaats geven, in het spraakgebruik gaat het vaak over een’hogere’ wereld en een ‘lagere’ onzichtbare wereld. De zichtbare schepping bevindt zich daar a.h.we. tussenin. Zo is er sprake van een ‘hiërarchische’ wereld ‘boven’ ons en een ‘elementaire’wereld’ ‘onder’ ons.
De groep die als eerste boven ons staat, worden in deze visie de engelen genoemd. 
In onze taal gebruiken we het woord engel op verschillende manieren. Je kan iemand een ‘engel’ noemen; er kan er een op je schouder zitten (wanneer je aan iets ergs bent ontsnapt); ook de ‘bewaarengel’ is voor velen geen onbekend woord.

In onderstaand artikel spreekt Jakobus Knijpenga – in leven priester bij de christengemeenschap, de vernieuwde religieuze impuls van Rudolf Steiner.

Jakobus Knijpenga, Jonas 14, 11-03-1977

engelen

Kan een zinnig mens nog over engelen spreken? Behoort de engel niet tot een voorbijgegane voorstellingswereld? Dat een hogere wereld dan de onze bestaat is niet zo moeilijk aan te nemen maar de concreetheid van engelen met vleugels en al? En dan nog in soorten en met namen?

Wanneer bijv. in de geboortegeschiedenissen van Jezus in de Bijbel over engelen gesproken wordt is dat heel makkelijk voor het moderne bewustzijn vertaalbaar in innerlijke belevenissen. Maria voelt dat ze zwanger is en beleeft dat in een zekere zuiverheid als de mededeling van een engel. Zo wordt de engel tot een innerlijke belevenis als spiegel van innerlijke gebeurtenissen. In het Oude Testament (d.w.z. als apocrief boek, dat in de meeste Bijbels niet is afgedrukt) komt het boek Tobias voor, dat vertelt van een reis die een jonge joodse man moet maken om geld te innen voor zijn oude blinde vader. Hij zoekt en vindt een reisgezel, die hem steeds helpt en goede raad geeft. Aan het eind van het verhaal openbaart zich de reisgenoot als de engel Rafaël. Is die niet een innerlijk beleven van Tobias? Kent niet menigeen zulke belevenissen alsof iemand ons ineens iets in-fluistert wat we moeten doen? Zoals de oude mythologie goden op aarde in mensengestalte liet verschijnen, zo kent de middeleeuwse christelijke mens de verschijning van engelen.

Later gaat de verscheidenheid die men in de middeleeuwen kende in de engelverschijningen verloren. Stefan Lochner bijv. schildert nog blauwe engelen met vleugels en een soort vissenlijfje van onderen. In de renaissance zijn het mooie jonge vrouwen geworden met een paar vleugels. De oude christelijke kunst kent ook engelen zonder vleugels, later weer met 3 paar vleugels, enz. Maar op een gegeven ogenblik, met het aanbreken van de Nieuwe Tijd, na renaissance en hervorming, wordt het engelbeleven zeer conventioneel. De zoetelijke wezentjes verschijnen, die we zo als de bewaarengeltjes kennen. Dat komt omdat de bewustzijnstoestand van de mensheid verandert. Tot aan het eind van de middeleeuwen nam men nog werkelijk geestelijke wezens waar, niet alleen engelen, maar ook demonen. Naarmate het waarnemingsvermogen duidelijker de uiterlijke wereld gaat zien (wat men o.a. in de schilderkunst kan zien weerspiegeld) valt het vermogen om geestelijke wezens waar te nemen weg. De zintuigen nemen steeds meer waar wat wij nu de uiterlijke wereld noemen, de wereld van stoffelijke dingen en krachten. En men ontwikkelt tezamen met deze wijze van waarnemen een denken waarin de oorzaak voor een stoffelijk verschijnsel alleen in de stoffelijke wereld wordt gezocht.
Ook deze bewustzijnstoestand is echter bezig te veranderen. Steeds meer komt in onze tijd een vaag gevoel of soms ook een duidelijk vermoeden, dat dan ook tot denkmogelijkheid zich kan ontwikkelen over het bestaan van een niet-stoffelijke wereld die met de zintuiglijk-waarneembare werkelijkheid in verband moet staan. In deze nieuwe bewustzijnstoestand blijft het beschrevene met betrekking tot stoffelijke verklaring voor stoffelijke werkelijkheid vol geldig, maar er wordt iets anders aan toegevoegd wat duidelijk onderscheiden wordt van de uiterlijke waarneming, de waarneming van een geestelijke werkelijkheid. In tegenstelling tot vroeger zullen deze waarnemingen niet door elkaar lopen en met elkaar verward worden, maar duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Hoewel deze waarneming van geestelijke realiteiten principieel anders is dan de zintuiglijke waarneming, bestaat het begin van de scholing hierin toch in het intensiveren van de zintuiglijke waarneming. Deze nieuwe bewustzijnstoestand noemt Rudolf Steiner bewustzijnsziel.

Het is mogelijk waarnemingen zo intensief te maken dat geestelijke wezens kunnen worden waargenomen. Kinderen brengen dit vaak al mee, maar het gaat veelal weer verloren als het verstandelijke denken ontwaakt. Voor de volwassene komt het erop aan zich hier consequent te oefenen, ook al bereikt men het waarnemen van geestelijke wezens niet. Deze weg wordt uitvoerig geschilderd in enkele werken van Steiner (‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’, ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’, ‘Theosofie’ e.a.).

Speciaal voor het beleven van de eigen engel kan men een weg gaan, die individueel verschillend kan zijn, maar in grote lijnen er als volgt uitziet. Men maakt zich tot gewoonte de afgelopen dag zo te overzien dat men de punten innerlijk noteert, waar iets is gebeurd, wat men zelf niet heeft gewild en voorbereid. Dat kan een ontmoeting zijn met een mens, een gebeurtenis. Het behoeft helemaal niet spectakulair te zijn. Het kunnen gewone mensen en gewone voorvallen zijn. Men loopt bijv. ’s avonds nog even naar de brievenbus en ontmoet daar iemand die men daar niet kon verwachten maar met wie dan een gesprek ontstaat dat verdere gevolgen heeft in mijn leven of in dat van de ander of van allebei. Die verdere gevolgen komen soms alleen als men wakker is en erop let wat er in dat gesprek eigenlijk moet gebeuren. Zo kan het ook zijn dat ik struikel. Misschien ben ik moe of in gedachten. Maar dat ben ik wel vaker en dan zonder te struikelen. Maar bij dat struikelen breek ik een pols en een werk waar ik mee bezig ben kan ik niet afmaken. Nu moet een ander dat doen en daar openbaren zich bij die ander plotselinge mogelijkheden, die ik tot nu toe niet gezien heb. Weer treedt dit meestal alleen op als ik zien wil. Anders gaat het voorbij.
Wat daar ingrijpt noemen we meestal toeval, ook als het diep ingrijpt en mijn leven of dat van een ander een andere wending geeft. Wanneer men echter een aantal van zulke toevallen overziet en wanneer men dit tot gewoonte maakt, zal men ontdekken dat er in dit toeval een bepaalde lijn zit, een bepaalde wetmatigheid. En er wordt steeds een beroep op mijn wakkerheid gedaan.
We kennen in het leven als ervaring dat een lijn, een wetmatigheid zichtbaar wordt als iemand iets wil. Ligt het niet in de rede om achter deze toevallen ook een wezen te zoeken dat ons iets toezendt? Zulk een wezen kunnen we een engel noemen. En de vleugelslag van de engel kan alleen gehoord worden als men leert luisteren. Deze engel is verbonden met ons persoonlijk lot. Iedere mens heeft zijn eigen engel. En tot deze engel kan men in een verhouding van vertrouwen en eerbied komen. Dan bouwt men aan een nieuwe ondogmatische religiositeit.

In het bovengeschetste beeld van de tegenwoordige bewustzijnstoestand kan duidelijk worden dat geestelijke machten nu door mensen heenwerken.
Dat moet nog iets nader worden toegelicht. De geestelijke wereld bestaat uit een reeks van wezens die trapsgewijs de wereld besturen. De engelen houden zich bezig met het individuele lot van de enkeling. Daarboven staan de aartsengelen, die gehele volken of andere groepen inspireren. Daarboven de archai (oerkrachten of tijdgeesten), die in een bepaald tijdperk werkzaam zijn. Daarboven zijn er nog tweemaal drie groepen van wezens. En daarboven de hoogste Godheid. Vanuit deze hoogste Godheid werkt dan de Christus door alle engelrijken heen op de aarde. Zo is, kort geschetst, volgens Rudolf Steiner, de veelvuldigheid van de ‘goddelijke’ wereld.

Waarop het in dit verband aankomt, is hoe de mens zich gedraagt ten opzichte van het onmiddellijk boven hem liggende rijk van de engelen. De mens kan luisteren of niet luisteren naar zijn engel. Wie luistert, zo goed hij dat kan, kan meewerken aan de vervulling van de geestelijke wetmatigheden van het aardeleven. Wie niet luistert, handelt daartegen in en kan daardoor het werktuig worden van de machten, die de aarde willen onttrekken aan de werkingssfeer van de Christus. Zo wordt het voor de wereldontwikkeling uiterst belangrijk wat mensen doen.
Het gaat erom dat mensen leren handelen in overeenstemming met de geestelijke machten. En daarvoor is primair nodig te leren luisteren naar de engel. De geschiedenis van de mensheid is er een van het verloren gaan van het contact met hogere machten. Aan onze tijd is de taak die contacten weer te zoeken en daarbij moeten we aan het begin beginnen, bij de engelen.

Dat is een menselijke zaak. Maar deze menselijke zaak is goddelijk.

.

Algemene menskunde:over de hiërarchische wereld [1-2]   

Jaarfeesten: aartsengel Michaël

.

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (36)

.
W.F.Veltman* in Vrije Opvoedkunst**, nr. 7/8 2012
.

kerstmis en de engelen
.

Ik geloof niet dat er veel mensen zijn – waarschijnlijk niet één – die op kerstavond de geboorteverhalen uit twee evangeliën: van Lucas en van Mattheüs, voorlezen in de familiekring, of voor zichzelf alleen. Schilders hebben door de eeuwen heen wel degelijk een combinatie van de twee overleveringen uitgebeeld. Ook de beroemde Vlaamse schrijver Felix Timmermans doet dit in zijn vertelling Het Kindeke Jezus in Vlaanderen. Alhoewel, we zien nooit de herders en de koningen gezamenlijk geknield liggen voor de kribbe in de stal te Bethlehem.

Verschillen

Als de twee verhalen in de schilderkunst niet worden gecombineerd, vallen enkele markante verschillen in het oog.

In de voorstelling volgens welke de herders bij het Kind komen (Lucas 2, 1-20), ligt het pasgeboren baby’tje in de kribbe, of ook wel op een bos stro op de grond. Het kind dat de koningen komen bezoeken en vereren (Matth. 2, 9-12), is afgebeeld op de schoot van de moeder – dus al iets ouder. Dat is, voor zover ik kan nagaan, een vaste traditie geweest.

Als we deze twee geboorteverhalen na elkaar lezen en daarna vergelijken, dan zien we enorme verschillen die niet zijn toe te schrijven aan verschillende tijdstippen van het bezoek en de aanbidding. Ook wat ervóór en erna is gebeurd, de voorgeschiedenis en het vervolg, dat is allemaal totaal verschillend.

Waarom geen verklaring?

Hoe is het toch mogelijk dat de verklaring van die verschillen in de loop van de tijd niet duidelijk naar voren is gebracht? Wilde de kerk dat niet? En zo ja, waarom niet? Mochten de gelovigen van Rome de Bijbel zelf niet lezen, omdat dan wellicht lastige vragen gesteld konden worden? Dat was zeker het punt niet. De kerk hanteerde dit als geheimhouding zoals in de oude mysteriën de inhoud van hun leringen ook niet vrij naar buiten mocht komen. Evenwel, de Bijbel werd in de loop van de tijd door hervormers vertaald uit het Latijn in verschillende landstalen, en de protestanten konden de evangeliën lezen, en niet alleen de zogenaamd ‘hogeropgeleiden’ maar ook de eenvoudige mensen zoals een molenaarsvrouw, moeder van Rembrandt. Alleen: een verklaring van de in het oog springende verschillen in de geboorteverhalen kwam met de Hervorming evenmin tevoorschijn.

Twee kinderen

Toch mogen we niet voorbijgaan aan het feit dat juist bij de schilders een mogelijke verklaring van de twee verschillende geboorteverhalen is te vinden. Er bestaat namelijk een niet gering aantal afbeeldingen, uit de Renaissancetijd vooral, waarop twee Jezuskinderen zijn te zien, soms zelfs samen met een derde jongetje dat overduidelijk door een bepaald attribuut dat het draagt, Johannes de Doper is.

Dat het in werkelijkheid om twee Jezuskinderen en twee ouderparen gaat, is ook duidelijk door passages uit de zogenoemde Dode Zeerollen, teksten van de Essenen (een soort kloostergemeenschappen in Palestina en Egypte uit de tijd rond het begin van onze jaartelling), ontdekt in het midden van de twintigste eeuw in grotten aan de oever van de Dode Zee. In deze teksten wordt gesproken over twee Messiasfiguren, één uit de koninklijke lijn en de andere uit een priesterlijke lijn, zoals de evangelisten Mattheüs en Lucas eigenlijk ook in hun twee verschillende stambomen van Jezus hebben overgeleverd.

De koninklijke lijn bij Mattheüs vangt aan met de Davidszoon Salomo. Het kind uit die lijn zou dus het Salomonische Jezuskind genoemd kunnen worden. De andere lijn uit het Lucasevangelie, vangt aan met Nathan[1], eveneens een Davidszoon met dezelfde moeder als Salomo: Bathseba. Deze Nathan was een priesterlijke figuur; van hem is verder niets bekend. Het kind uit die lijn zou je het Nathanische Jezuskind kunnen noemen.

Het is Dr. Rudolf Steiner die als eerste in het begin van de twintigste eeuw in zijn voordrachten over de evangeliën het raadsel van de verschillen in de geboorteverhalen op uitvoerige en duidelijke wijze bespreekt en oplost.

Engelen

Ik wil nu echter over een ander element in deze ‘boodschappen’ betreffende de geboorte van Jezus Christus spreken, waarop meestal niet zozeer de nadruk wordt gelegd, omdat de Europese cultuur sinds de zeventiende eeuw de engelenwereld de rug heeft toegekeerd, maar welk element van de allergrootste betekenis is om met de allerdiepste eerbied de boodschap van Kerstmis te benaderen.

In beide berichten wordt over engelen gesproken. De engel die aan Maria in het Lucasevangelie de geboorte aankondigt – alleen door Lucas verteld, bij Mattheüs is daarvan geen sprake – en de engel die Jozef ervan weerhoudt Maria – een andere Maria dan de door Lucas genoemde – te verlaten, toen hem was gebleken dat zij zwanger was “eer zij samengekomen waren”. Deze geschiedenis waarmee Mattheüs’ vertelling begint, slaat dus niet op de timmerman uit Nazareth waar Lucas over spreekt, maar op een reeds wat oudere Jozef, woonachtig in Bethlehem, die door een wijzing van God gehuwd was – eigenlijk verloofd – met een nog zeer jonge vrouw, een meisje nog, dat eveneens uit het Davidsgeslacht stamde.[2] Zij wordt ook Maria genoemd, maar de evangelist Johannes, die door Christus vanaf het kruis op Golgotha tot behoeder van deze vrouw wordt geroepen, vermeldt haar naam niet. Hij noemt haar slechts ‘de Moeder van Jezus’. Was haar werkelijke naam wellicht ook een toegedekt geheim?

Ontvangenis

Het is duidelijk dat de beide ouderparen in beide gevallen zich van geen bevruchtingsdaad bewust zijn geweest en in beide gevallen heeft de engel dit op markante wijze aangeduid. Hij [3] spreekt namelijk tot de oude man Jozef en tot de eveneens nog heel jonge vrouw van de timmerman over een bevruchting door de Heilige Geest. Deze zogenoemde ‘onbevlekte ontvangenis’ is oorspronkelijk door de gelovigen als een goddelijk wonder aangenomen. Natuurlijk zijn dienaangaande later twijfels ontstaan, wanneer vele mensen niet meer aan godswonderen kunnen en willen geloven. In het begin van de Europese beschaving werden echter alle ‘welgeboren’ kinderen uit een bepaalde cultuurstroom (Germaanse mysteriën in Noord-Europa) in een slaaptoestand van de beide ouders verwekt. Herinneringen daaraan vinden we in het Oudnederlandse woord ‘bijslaap’ voor paring. Dit nog in heiligheid voltrokken gebeuren werd door priesters geleid. Het vrijwaarde de aldus naar de aarde indalende mensenziel van een te sterke door zinnelijke lust geleide incarnatie. Hoe dit oude gebruik in de joodse tempelgeheimen is gekomen, weten we niet. Bij Steiner heb ik daaromtrent niets gevonden, hoewel hij dit gebruik in verband met Jezus’ geboorte wel vermeldt en zegt dat deze onbewuste paring ‘geboren uit de Heilige Geest’ werd genoemd.

Het Heiland-wezen

In het geboorteverhaal volgens Mattheüs wordt verder niets over engelen gezegd. Een hemelse ster heeft de koningen naar Bethlehem geleid. Dat wijst op een uitzonderlijke individualiteit die in dit kind op aarde komt. Welke individualiteit is dat? Het antwoord op deze vraag vinden we in het heilige boek van het oude Iran, de zogenoemde ‘Zend Avesta’. Deze Avesta spreekt over de wederkomst van de grote, wijze leider van de Iraanse godsdienst, Zarathoestra, als toekomstige Heiland – een redder, een genezer – maar ook over een hoger wezen dat op deze Heiland zal nederdalen. Dit is een duidelijke profetische verwijzing naar de Jordaandoop waarbij de Christusgeest, in de Avesta aangeduid met de woorden: “de uit de Vader in eeuwigheid geboren”, indaalt in het Jezuskind dat een volwassen man van dertig jaar is geworden.

Ik geef hier de in het Nederlands vertaalde tekst van de bedoelde plaats in de Avesta (Yasht 19):

De machtige, de koninklijke
beloftedragende zonne-ether-aura
de godgeschapene [eigenlijk: “uit de Vader in eeuwigheid geboren”]
vereren wij in het gebed,

die over zat gaan op de zegenrijkste der heilanden
en op de anderen, zijn apostelen,
die de wereld voorwaarts zal brengen,
die overwinnen zal ouderdom en dood, ontbinding en verval,
die haar brengen zal tot eeuwig leven,
tot eeuwig gedijen, tot vrije wil,
als de doden weer worden gewekt,
als de levende overwinnaar van de dood komt,
en door zijn wil de wereld wordt vernieuwd, [4]

Deze indrukwekkende tekst, eeuwen vóór de komst van Christus op aarde genoteerd in het Nabije Oosten, is een van de belangwekkendste voorchristelijke benaderingen van het Christusmysterie.

Nu komen natuurlijk in verband met het voorafgaande de klemmende vragen: bij de Jordaandoop werd door Johannes de Doper toch slechts één Jezus gedoopt? Welke van de twee was dat, en waar was de andere Jezus dan?

De Twee in Eén

Ik heb heel lang geleden in het Brits Museum te Londen een ‘ansichtkaart’ gekocht met de afbeelding van de Jordaandoop op een zesde eeuws geïllustreerd handschrift. Daar is Jezus in het rivierwater te zien als een dubbele figuur, als een Siamese tweeling. In de daarbij behorende tekst is geen verklaring van deze merkwaardige dubbele figuur te vinden. Men wist in die vroege tijden blijkbaar nog iets van het geheim van twee-in-één. De één-wording van de twee kinderen is in het evangelie van Lucas wel aangeduid, maar tegelijkertijd verborgen. Het zijn echter schilders die meer van dit geheim wisten en het op een bepaalde manier tot uitdrukking brachten. Het meest vermeldenswaardig in deze samenhang is een schilderij van Borgognone: ‘Disputa con i dottori’. Het hing vroeger in de sacristie van de oude Basilica di San Ambrogio te Milaan. Ik heb het daar in 1958 nog gezien. Daar is het na de restauratie niet teruggebracht, doch in een museum gehangen.

De twaalfjarige

Lucas vermeldt in zijn evangelie (2, 41 ev.) dat Jezus op twaalfjarige leeftijd met zijn ouders uit Nazareth naar Jeruzalem reist om het paasfeest te vieren. Maar als de timmerman en zijn vrouw naar huis willen keren, is het kind verdwenen. Ze zoeken hem gedurende drie dagen en vinden hem tenslotte in de Tempel in gesprek met schriftgeleerden die ten hoogste verbaasd zijn over de wijsheid en kennis van deze twaalfjarige. Zijn ouders zullen daarover zeer zeker ook uitermate verbaasd zijn geweest, maar ze beknorren hem alleen een beetje over zijn driedaagse onvindbaarheid en keren heel blij dat hij is teruggevonden met hem naar huis. Dit kind was voordien – alle overleveringen betreffende hem stemmen daarin overeen – één en al liefelijkheid, vol liefde en erbarmen voor mens en dier, doch zonder enig blijk van weten, van kennis, van enige vertrouwdheid met aardse dingen. Nu was hij totaal veranderd, een overrijpe geest sprak nu uit de jongen, van wie de evangelist aan het slot van zijn hoofdstuk schrijft: “En in Jezus groeide de wijsheid en rijpte het karakter en zijn gestalte was schoon voor God en mensen” (vert. Ogilvie, priester van De Christengemeenschap).

Op het schilderij van Borgognone zien we een in het rood gekleed, stralend kind, zittend op een soort verhoogde troon, omringd door mannen, eerbiedwaardige en wijze geleerden, terwijl een ander kind links op de voorgrond wegloopt naar zijn moeder en vader. Dit kind is niet stralend, maar ziet er zwak uit met een gebaar van de rechterhand op zijn hart en met de linkerhand een gebaar van weggaan, van verlaten.Dit kind was oorspronkelijk nog in blauw gewaad gekleed om het verdwijnende, het afzien-van in de kleur duidelijk tot uitdrukking te brengen. Zo heb ik het schilderij nog gezien, maar met de restauratie is ook het verdwijnende kind met een rood gewaad bekleed. Daardoor is gesuggereerd dat het hetzelfde kind is als de op de troon zetelende jongen. In de Middeleeuwen schilderde men immers vaak om het verloop van een gebeuren aan te geven de handelende of anderszins centrale figuur op hetzelfde tafereel meer dan eenmaal.

Is dit hier onwetendheid, of is dit op kerkelijk gezag geschied?

Men had het schilderij al vóór de restauratie van de San Ambrogio weggehaald, omdat voortdurend bepaalde toeristen er zo dringend naar vroegen. Dat waren antroposofen. Wat wisten die? Het geestelijkwetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner over het hier afgebeelde gebeuren deelt ons mee wat Lucas niet in het evangelie onthult.
Het andere kind, de Salomonische Jezus, was met Pasen ook met zijn familie uit Nazareth naar Jeruzalem gegaan. Hoe waren deze mensen in Nazareth gekomen? Vader en moeder van deze jongen waren onmiddellijk na het bezoek van de drie koningen op aandringen van een engel met hun kindje uit Bethlehem gevlucht, want Herodes wilde dit kind, de ware koning van Judea naar hij van de Wijzen uit het Oosten had vernomen, vermoorden om zijn eigen onterechte koningschap – hij was zelfs niet eens 0 van joodse afkomst! – niet te verliezen.

Deze ‘vlucht naar Egypte’ is een beroemd motief uit het Mattheüsevangelie, ook vele malen in kunstwerken vereeuwigd. De gevluchten verbleven twee jaar in de heilige Egyptische zonnestad Heliopolis, totdat ze hadden vernomen dat Herodes gestorven was. Ze keerden terug, doch niet naar Bethlehem, maar naar het ver daarvan gelegen Nazareth in Galilea, waar zij tezamen kwamen met de timmerman Jozef met zijn vrouw en kind, eveneens ‘Jezus’ geheten. In Nazareth was ook een belangrijke vestiging van de Essenen!

Eén-wording

Tijdens de drie dagen dat het Nathanische kind voor zijn ouders onvindbaar was, heeft zich tussen de twee Jezuskinderen, die elkaar dus al vele jaren kenden en innig bevriend met elkaar waren, een bijzondere gebeurtenis afgespeeld. Het ‘ik’ van de Salomonische Jezus was, zoals we hebben gehoord, het machtige, wijze ‘Ik’ van de ingewijde leraar Zarathoestra. Dit Ik-wezen verliet lichaam en ziel van de Salomonische Jezus en doordrong het lichaam en de ziel van het Nathanische kind, waardoor de verbazingwekkende verandering in het drie dagen ‘zoekgeraakte’ kind zich voltrok. Het Salomonische kind offerde zich aan het andere kind, opdat er kon geschieden wat geschieden moest: het machtige, kosmisch-aardse offer van Golgotha.

Zonder menselijk ‘ik’ kon dit Salomonische kind natuurlijk niet voortleven; hij stierf kort daarna.

Moest dit Zarathoestra-lk dan bij de andere jongen eerst een ‘ik’ uitdrijven om voor zich zelf plaats te maken? Neen, dat hoefde niet, want dit kind had geen menselijk ‘ik’ in normale zin. Het had een ik-aanleg, maar die was niet ontwikkeld, want het had geen aardse incarnaties gehad; het had geen karma, het was het volkomen onschuldige, onbezoedelde, in zekere zin goddelijk te noemen oorsprongswezen van de mens.

De grote christelijke leraar Origenes, later als ‘ketter’ door de kerk miskend, was wetend omtrent dit Kind en hij noemde het de ‘anima candida’, de reine ziel, het hogere wezen van de eerste mens, Adam.

Engelen in het Lucasevangelie

Het mag wellicht duidelijk zijn dat de ‘Nathanische Jezus’ wiens geboorte Lucas beschrijft, een geheel ander wezen was dan de ‘Salomonische Jezus’ uit het Mattheüsevangelie. Dat zien we al direct bij de verkondiging aan Maria, maar ook aan het grote verschil ten aanzien van de andere Maria, moeder van de ‘Salomonische Jezus’. De geschiedenis van deze Maria is niet in de Bijbel te vinden, maar er bestaat een apocrief evangelie (en als schrijver daarvan wordt ook Mattheüs genoemd), waarin de geboorte en lotgevallen van haar zijn beschreven. Dit prachtige verhaal over de ouders Joachim en Anna, Maria’s geboorte en haar opgroeien in de Tempel, haar verloving met Jozef door de goddelijke wijzing, dat alles was in de Middeleeuwen bijzonder geliefd en vele malen in fresco’s en beeldhouwwerken afgebeeld.

De Maria van het Lucas-evangelie geniet wel dezelfde verering, maar haar herkomst is niet bekend. Zij is plotseling aanwezig na de uitvoerige beschrijving van de ouders en van de geboorte van Johannes de Doper (Lucas 1). Maria is er als verloofde van de timmerman uit Nazareth en we weten niets van haar behalve het bezoek van de engel die haar groet en de geboorte aankondigt van haar zoon (Lucas 1). Hoewel ze daardoor hevig ontroerd is en in zekere zin bevangen, is het alsof ze toch vertrouwd is met zo’n bovennatuurlijke bezoeker. De engel zegt wel: “Wees niet bevreesd,” maar er is eigenlijk geen sprake van vrees bij haar, slechts ontroering en verwondering over wat haar wordt verkondigd. Zij is ‘de dienstmaagd des Heren’ en zij zegt simpelweg: “mij geschiede naar uw woord”. Het lijkt alsof zij zelf tot het engelrijk behoort.

Bij het daarop volgende bezoek aan haar nicht Elizabeth spreekt ze dan die eenvoudige maar toch zo verheven woorden uit van de lofzang, welke later als ‘magnificat’ zo vele malen in de Europese muziek is vereeuwigd.

Bij de verkondiging aan de herders ’s nachts op het veld is in zekere zin ook die ‘god-nabijheid’. Want wanneer de engel tot hen komt in de slaap, komt hij niet alleen: de Heerlijkheid des Heren omscheen hen en zij werden bevangen door grote vrees. Deze ‘Heerlijkheid des Heren’ (Ogilvie vertaalt het Griekse ‘doxa’ dat er staat met ‘het Openbaringslicht van de Heer[1]), is er niet bij de andere engelverschijningen. Vervolgens openbaren zich aan de herders alle scharen van de engelen, dus de totaliteit van de gehele hiërarchische goddelijke wereld, welke de engel presenteert met de woorden: “Heden is voor u geboren de Heilbrenger, het is Christus de Heer…” Deze heirscharen zingen over dit openbaringslicht van de Heer. De Latijnse vertaling van deze woorden luidt “Gloria in excelsis Deo”, wat in de Nederlandse Statenvertaling werd: “Ere zij God in den hoge…” Ogilvie vertaalt wederom: “Geopenbaard zij God in hemelhoogten”, want wat staat daar weer in het Grieks? Weer dat geheimzinnige woord ‘doxa’. Zoek je dit woord op in het woordenboek, dan vind je daar een overstelpende veelheid van betekenissen; ik zal ze niet allemaal opnoemen, maar als je beseft wat de herders beleven, begrijp je hun ‘grote vrees’. Zij hebben in hun slaap de geweldige, onvoorstelbaar verheven licht-ervaring van Christus die als ‘uit de Vader in alle eeuwigheid geboren’ de alheid van de hemelse hiërarchieën in zijn wezen samenvat.

Het is duidelijk dat Lucas in zijn geestelijke schouwing dit hoge wezen ten nauwste met Jezus verbonden ziet. Na dertig jaar is deze ‘geboorte’ door de Jordaandoop pas geestelijk en lichamelijk volledig voltrokken.

Het kerkelijk dogma dat het concilie van Ephesos (431) heeft vastgesteld dat Maria, de moeder van het Nathanische kind, de moeder Gods is, berust dus op een vergissing: zij is de moeder van de reine zondeloze mens die mede door het offer van het Salomonische kind het dienende ‘instrument’ wilde zijn voor de werkelijke mens-wording van God, van de Logos of Godszoon die door zijn wederopstanding uit de dood de door de Avesta en door de Bijbel als de grote Verlosser en Brenger van Vrijheid wordt beschreven.

Kerstmis mogen we niet in een nieuwe zin vieren als we de doop in de Jordaan (6 januari) daarbij niet mee betrekken en als we niet een nieuwe weg tot de goddelijk-geestelijke wereld willen betreden. 

Noten

• Zie voor literatuurlijst en afbeeldingen ook: De twee Jezuskinderen, door Loek Dullaart, ABC Wegwijzer 5.

1 Deze Nathan is niet de Nathan uit het Oude Testament die David berispt.
2 Zie het apocrieve Mattheüs-evangelie.
3 Dit is zonder twijfel Gabriël die ook in het Lucasevangelie wordt genoemd.
4 Deze vertaling is naar de Duitse vertaling van Herman Beek.

Meer over dit onderwerp: De twee kerstkinderen en hier

In dit artikel worden de verschillen omtrent de twee Jezuskinderen door de wetenschap opgemerkt: Kerstverhaal is te mooi om waar te zijn

Kerstmis: alle artikelen

*W.F.Veltman

**VRIJE OPVOEDKUNST

.

1987

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 17/18, in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Steiner spreekt hier over ‘de geestelijke wereld’, over de hiërarchieën. Hij noemt in ‘de ongedrukte passage’ de wezens van de zgn. 3e hiërarchie: de engelen, de aartsengelen en de geesten van de persoonlijkheid; resp. in het Latijn: angeloi, archangeloi en archai.

In dit artikel over Michaël geeft de schrijver aan hoe je als lezer – en in dit geval als vrijeschoolleerkracht die net met de vrijeschoolachtergronden heeft kennis gemaakt – een bepaalde verhouding kunt vinden tot dit gebied van bovenzintuiglijke mededelingen.

In vele (niet-pedagogische) voordrachten schetst Rudolf Steiner vanuit verschillende gezichtspunten deze bovenzintuiglijke, hiërarchische wereld(en).
Voor mij was het nauwelijks mogelijk om me daarmee intensief te verbinden. Simpelweg door het vele schoolwerk en ik vond de bestudering van de pedagogische voordrachten belangrijker en voor mij noodzakelijker.

In de loop van de tijd,  nadat ik in 1970 met het vrijeschoolwerk was begonnen, kreeg ik wel een veel breder perspectief van de wereld te zien dan daarvoor, door o.a. artikelen te lezen en voordrachten te bezoeken.
Het gaat bij antroposofie toch vaak om ‘het verruimen van de gezichtspunten’, om de grenzen van het denken allereerst te zien als jouw begrenzing.

Waarom zouden de 4 rijken: het minerale, het planten-, het dieren- en het mensenrijk, als rijtje naast of onder elkaar opgeschreven, links en rechts of boven en onder niet nog verder kunnen gaan; aan de ene kant de wereld van het elementaire en aan de andere kant de engel als hoger mens, maar dan in het rijk van de hiërarchieën. De mens als ‘tiende hiërarchie’, met nog negen andere boven hem en een aantal rijken onder hem.
Ontegenzeggelijk is het zo dat de mens door zijn daden en zijn wandaden, door zijn verantwoordelijkheid of juist onverantwoordelijkheid invloed op de overige natuurrijken uitoefent. In een bepaald opzicht maakt hij het mogelijk of onmogelijk dat ze voortbestaan, gedijen.
Zou het dan kunnen zijn dat dit ook geldt t.a.v. de hiërarchische wereld? Dat die wereld ons óók nodig heeft om te kunnen gedijen en zich te ontwikkelen?
En als de natuurrijken ons veel schenken, zou de geestelijke wereld dat dan ook niet kunnen of doen?

Misschien ben je als (nieuwe) vrijeschoolleerkracht afgekomen op wat de vrijescholen over leerlingen zeggen: ‘worden wie je bent’, misschien vind je dat onderwijs méér is dan ‘een vat vullen’ met kennis; spreekt ‘hoofd, hart en handen’ je aan in je onderwijzersziel.
De vraag ‘wie ben jij’ vraagt uiteindelijk toch naar de diepste wezenskern van een mens en dat is voor de vrijeschoolpedagogie het Ik en dit is meer dan materie, erfelijkheid, resultaat van de omgeving of van het brein. Het behoort niet tot de stoffelijke wereld – daarin manifesteert het zich – maar is een geestelijke realiteit.

Als je dit onzin vindt, moet je volgens mij niet aan een vrijeschoolleraarschap beginnen. Dat is niet hetzelfde als ‘je moet dit dus geloven’. Het vraagt wel een oprecht openstaan voor deze wellicht totaal nieuwe wereld, deze totaal andere gezichtspunten die je tot nog toe volkomen onbekend waren.
Kortom: de wil om er voor open te staan.

Zo verging het mij: aanhoren, in je opnemen, onderzoeken, kijken waar in de wereld er iets zichtbaar van wordt, enz. Niet klakkeloos aannemen, niet een automatisch nazeggen, omdat ‘Steiner het gezegd heeft’, maar zeker ook niet een bijvoorbaat afwijzen; wel ervoor openstaan, met geduld ermee bezig zijn; er niet meer over zeggen, dan je verantwoorden kan; vertrouwen hebben, dat áls het een realiteit is, deze je eens wat te zeggen zal hebben.

Uiteindelijk betekent dit toch weer Steiner erop nalezen en overdenken.

Het noemen van de hiërarchieën is niet nieuw en zeker niet door Steiner ‘bedacht’.
Al in de 1e eeuw na Christus stelde Dionysius de Areopagiet [4] een indeling op van de geestelijke wezens:

Drie-eenheid        Vader – Zoon (Logos) – Heilige Geest

I.Hierarchie
Geesten van de liefde (Seraphim)
Geesten van de harmonie(Cherubim)
Geister van de wil (Thronen)

ll.Hierarchie
Geesten van de wijsheid (Kyriotetes)
Geesten van de beweging (Dynameis)
Geesten van de vorm (Exusiai)

III. Hierarchie
Geesten van de persoonlijkheid (Archai)
Aartsengelen (Archangeloi)
Engelen (Angeloi)

Steiner gebruikt de naamgeving van Dionysius, maar beschrijft het wezen en de werking van de hiërarchische wezens op vele plaatsen in zijn voordrachten soms zeer gedetailleerd, vanuit zijn eigen bovenzintuiglijke waarnemingen.

GA 193

blz. 110

«So wie wir nach unten angegliedert sind an die drei Reiche, an das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, so sind wir nach oben angegliedert an die drei Reiche der Angeloi, Archangeloi und Archai.
Und erst dann sagen wir nicht eine halbe, sondern eine volle Wahrheit, wenn wir nicht nur sagen, wir blicken nach unten auf das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, sondern wenn wir auch nach oben hinblicken können auf das Reich der Angeloi, der Archangeloi und der Archai. So wie unser physischer Leib ein gewisses Verhältnis hat zu dem Tierreich, Pflanzenreich und dem Mineralreich, so auch unser Geistig-Seelisches zu dem, was die drei Hierarchien über uns ausmacht. Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Rei-Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Reichen der Natur sehr ändern, wir auch das Verhältnis zu den drei Reichen der Hierarchien, die über dem Menschen stehen, ändern. Auf diese ernste Angelegenheit der Menschheits­entwickelung möchte ich Sie heute hinweisen ( ).

Zoals we naar beneden bij de drie rijken horen, bij het dierenrijk, plantenrijk en mineraalrijk, zo horen we naar boven bij de drie rijken van de engelen, aartsengelen en geesten van de persoonlijkheid (Archai)
Pas dan zeggen we geen halve, maar een hele waarheid, wanneer we niet alleen maar zeggen dat we naar beneden kijken, naar het dieren-, planten- en mineraalrijk, maar wanneer we ook naar boven kunnen kijken naar het rijk van de Angeloi, Archangeloi  en Archai. Zoals ons fysieke lichaam een bepaalde verhouding heeft tot het dieren-, planten- en het mineraalrijk, zo heeft ons geest-zielenwezen tot de hiërarchieën boven ons zijn verhouding. Maar met name in onze tijd is het zo, dat terwijl onze houding tot de drie rijken van de natuur erg verandert, wij ook onze houding tot de drie rijken van de hiërachieën die boven de mens staan, veranderen. Op dit ernstige feit in de ontwikkeling van de mensheid, zou ik u vandaag willen wijzen.

Wenn wir auf das zurückblicken, was sich in der Menschheits-
entwickelung in den früheren Zeiträumen zugetragen hat, die gewisser-
maßen mit der Mitte des 15. Jahrhunderts ihren Abschluss finden, so
müssen wir sagen, wenn wir von den höheren [Stufen der] Hierarchien
noch absehen: Die Wesen der Angeloi, der Archangeloi und der Archai
haben sich immer mit dem Menschen beschäftigt … Aber die Beschäfti-
gung der Wesen dieser drei Hierarchien mit dem Menschen hat in gewis-
ser Beziehung einen Abschluss gefunden in unserem Zeitalter. Unter den
mannigfaltigen Tätigkeiten, denen die Wesen dieser drei Hierarchien ob-
gelegen haben, ist diese: mitzuarbeiten an dem Bilde, das dem physischen
Erdenmenschen, der physischen Organisation des Erdenmenschen zu-
grunde liegt.

Wanneer we terugkijken naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in de eerdere ontwikkelingsfasen van de mensheid die in het midden van de 15e eeuw een einde nemen, dan moeten we, wanneer we de hogere hiërarchieën nog buiten beschouwing laten: de engelen, aartsengelen en de Archai hebben zich steeds aan de mens gewijd. (  ) Maar de toewijding van de wezens van deze drie hiërarchieën met de mens is in zekere zin in onze tijd tot een einde gekomen. Onder de vele activiteiten die deze wezens van deze drie hiërarchieën zich tot hun plicht rekenden is deze: meewerken aan het beeld dat aan de fysieke aardemens, aan de fysieke organisatie van de aardemens ten grondslag ligt.

blz. 111

Wir treten durch die Geburt in unser physisches Dasein,
wachsen heran in diesem physischen Dasein: das Bild der Menschheit
prägt sich in uns aus. Dieses Bild war in uralten Zeiten der Menschheits-
entwickelung ganz anders. Es hat manchen Wandel durchgemacht… Das
Bild der Menschheit hat sich geändert, und an diesem Bilde zu arbeiten,
oblag den Wesenheiten dieser drei höheren Hierarchien …
Aber nun liegt das Eigentümliche vor, und eine wirkliche geistige Beob-
achtung der Menschheitsentwickelung zeigt dies: Mit der eigentlichen
Ausbildung dieses Menschheitsbildes sind die Wesenheiten dieser drei
Hierarchien in unserem Zeitalter im Wesentlichen fertig. Dieses Mensch-
heitsbild, insofern es der physischen Organisation des Menschen zugrun-
de liegt, ist eigentlich abgeschlossen … Und wir leben in dem Zeitalter, in
dem diese Wesenheiten der drei höheren Hierarchien sich sagen: Wir ha-
ben gearbeitet an dem Menschheitsbilde, aber wir sind fertig geworden.
Wir haben den Menschen hineingestellt in diese Erdenwelt als physischen
Menschen, und wir sind nun fertig! …
Wer im geistigen Schauen diese Tatsache überblickt, der empfindet na-
mentlich erschütternd die Tatsache, dass das Interesse der Wesenheiten
dieser drei höheren Hierarchien in diesem Zeitalter nicht nur abgenom-
men hat, sondern geschwunden ist.»

Door de geboorte komen we in ons fysieke bestaan, hierin groeien we: het beeld van de mensheid drukt zich in ons uit. Dit beeld van de mens was in oeroude tijden van de mensheidsontwikkeling heel anders. Het is vaak veranderd. (  ). Het beeld van de mens is veranderd en aan dit beeld te werken was de plicht van deze drie hogere hiërarchieën. (  )
Maar nu doet zich het merkwaardige voor en een werkelijke geestelijke waarneming van de mensheidsontwikkeling laat dit zien: met de eigenlijke vorming van dit mensbeeld zijn de wezens van deze drie hiërarchieën in onze tijd a.h.w. klaar. Dit mensbeeld, in zoverre het ten grondslag ligt aan de fysieke organisatie van de mens, is eigenlijk afgesloten. (  ) En we leven in de tijd waarin deze wezens van de drie hogere hiërachieën zeggen: ‘We hebben aan het mensbeeld gewerkt, maar we zijn klaar. We hebben de mens op deze wereld zijn plaats kunnen geven als fysieke mens, en nu zijn we klaar ( )
Wie geestelijk schouwend dit overziet, ervaart het als een schok dat de interesse van deze drie hogere hiërarchieën in de vorming van het fysieke mensheidsbeeld in deze tijd niet alleen maar minder is geworden, maar weg is.
GA 193/110-111
Niet vertaald

Dat betekent dat er in onze tijd zich een basale verandering zou voltrekken!
De menselijke lichamelijkheid is rijp geworden voor de aarde, de vorm van het lichaam bijna vervolmaakt, in het bijzonder de hersenorganisatie, zodat de daaraan werkende hiërarchische wezens hun interesse aan het werk of de mens waaraan ze tot dan toe werkten, verloren hebben – tenzij dat ‘wij zelf aan onze ziel en geest werken.’
Dat is de voorwaarde waarbij de interesse van de hogere wezens blijft. [5]

GA 193

. «Und was wir seelisch-geistig arbeiten, was wir durch geistes-wissenschaftliche Forschung aus der geistigen Welt heraus offenbaren,
das wird in unserer Menschenseele etwas werden, was die Wesenheiten
der drei höheren Hierarchien wieder interessieren wird. Sie werden in den
Gedanken und Empfindungen sein, die wir aus der geistigen Welt heraus-
holen. Dadurch werden wir wieder die Beziehungen zu den Wesen dieser
Hierarchien anknüpfen … Der Mensch muss an seinem Seeleninhalt an-
fangen zu arbeiten, damit er wieder den Weg zurückfindet zu den drei
höheren Hierarchien.»

En onze activiteit wat geest en ziel betreft, wat wij door geesteswetenschappelijk onderzoek uit de geestelijke wereld zichtbaar kunnen maken, zal in onze ziel tot iets worden waarin de wezens van de drie hogere hiërarchieën weer geïnteresseerd zullen zijn. Zij zullen bij de gedachten en gevoelens zijn die wij uit de geestelijke wereld verkrijgen. Daardoor worden we weer verbonden met de wezens van deze hiërarchieën. (  ) De mens moet beginnen met aan zijn ziel te werken om de weg weer terug te vinden tot de drie hogere hiërarchieën.
GA 193/113
Niet vertaald
[6]

Met dit als achtergrond kun je je nu afvragen waar je als mens staat in een wereld waarin de geestelijke wereld ‘werkt’ en hoe hij met deze wereld verbonden is. Kun je een antwoord vinden op de vraag wat de wezens die deel hebben aan de scheppende Logos van de mens willen, het wezen dat sinds de ‘zondeval’ van deze wezens werd afgezonderd en intussen tot vrijheid is gekomen. Het kan nooit meer gaan om een stilzwijgende en onbewuste ‘leiding’ van de mens door de geestelijke machten.

.
*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Dionysius de Areopagiet; tevens
[5] E.e.a uit Leber
[6] Het lezen van de hele voordracht geeft je nog meer inzicht in het thema dat hier maar summier is weergegeven.
.
Algemene menskunde: over de geestelijke wereld [1-2]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1239

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.