VRIJESCHOOL – Engelen

,

In Rudolf Steiners visie speelt de niet-zintuiglijke wereld een even concrete rol als de zichtbare. Ook al kunnen we deze onzichtbare werelden geen ruimtelijke plaats geven, in het spraakgebruik gaat het vaak over een’hogere’ wereld en een ‘lagere’ onzichtbare wereld. De zichtbare schepping bevindt zich daar a.h.we. tussenin. Zo is er sprake van een ‘hiërarchische’ wereld ‘boven’ ons en een ‘elementaire’wereld’ ‘onder’ ons.
De groep die als eerste boven ons staat, worden in deze visie de engelen genoemd. 
In onze taal gebruiken we het woord engel op verschillende manieren. Je kan iemand een ‘engel’ noemen; er kan er een op je schouder zitten (wanneer je aan iets ergs bent ontsnapt); ook de ‘bewaarengel’ is voor velen geen onbekend woord.

In onderstaand artikel spreekt Jakobus Knijpenga – in leven priester bij de christengemeenschap, de vernieuwde religieuze impuls van Rudolf Steiner.

Jakobus Knijpenga, Jonas 14, 11-03-1977

engelen

Kan een zinnig mens nog over engelen spreken? Behoort de engel niet tot een voorbijgegane voorstellingswereld? Dat een hogere wereld dan de onze bestaat is niet zo moeilijk aan te nemen maar de concreetheid van engelen met vleugels en al? En dan nog in soorten en met namen?

Wanneer bijv. in de geboortegeschiedenissen van Jezus in de Bijbel over engelen gesproken wordt is dat heel makkelijk voor het moderne bewustzijn vertaalbaar in innerlijke belevenissen. Maria voelt dat ze zwanger is en beleeft dat in een zekere zuiverheid als de mededeling van een engel. Zo wordt de engel tot een innerlijke belevenis als spiegel van innerlijke gebeurtenissen. In het Oude Testament (d.w.z. als apocrief boek, dat in de meeste Bijbels niet is afgedrukt) komt het boek Tobias voor, dat vertelt van een reis die een jonge joodse man moet maken om geld te innen voor zijn oude blinde vader. Hij zoekt en vindt een reisgezel, die hem steeds helpt en goede raad geeft. Aan het eind van het verhaal openbaart zich de reisgenoot als de engel Rafaël. Is die niet een innerlijk beleven van Tobias? Kent niet menigeen zulke belevenissen alsof iemand ons ineens iets in-fluistert wat we moeten doen? Zoals de oude mythologie goden op aarde in mensengestalte liet verschijnen, zo kent de middeleeuwse christelijke mens de verschijning van engelen.

Later gaat de verscheidenheid die men in de middeleeuwen kende in de engelverschijningen verloren. Stefan Lochner bijv. schildert nog blauwe engelen met vleugels en een soort vissenlijfje van onderen. In de renaissance zijn het mooie jonge vrouwen geworden met een paar vleugels. De oude christelijke kunst kent ook engelen zonder vleugels, later weer met 3 paar vleugels, enz. Maar op een gegeven ogenblik, met het aanbreken van de Nieuwe Tijd, na renaissance en hervorming, wordt het engelbeleven zeer conventioneel. De zoetelijke wezentjes verschijnen, die we zo als de bewaarengeltjes kennen. Dat komt omdat de bewustzijnstoestand van de mensheid verandert. Tot aan het eind van de middeleeuwen nam men nog werkelijk geestelijke wezens waar, niet alleen engelen, maar ook demonen. Naarmate het waarnemingsvermogen duidelijker de uiterlijke wereld gaat zien (wat men o.a. in de schilderkunst kan zien weerspiegeld) valt het vermogen om geestelijke wezens waar te nemen weg. De zintuigen nemen steeds meer waar wat wij nu de uiterlijke wereld noemen, de wereld van stoffelijke dingen en krachten. En men ontwikkelt tezamen met deze wijze van waarnemen een denken waarin de oorzaak voor een stoffelijk verschijnsel alleen in de stoffelijke wereld wordt gezocht.
Ook deze bewustzijnstoestand is echter bezig te veranderen. Steeds meer komt in onze tijd een vaag gevoel of soms ook een duidelijk vermoeden, dat dan ook tot denkmogelijkheid zich kan ontwikkelen over het bestaan van een niet-stoffelijke wereld die met de zintuiglijk-waarneembare werkelijkheid in verband moet staan. In deze nieuwe bewustzijnstoestand blijft het beschrevene met betrekking tot stoffelijke verklaring voor stoffelijke werkelijkheid vol geldig, maar er wordt iets anders aan toegevoegd wat duidelijk onderscheiden wordt van de uiterlijke waarneming, de waarneming van een geestelijke werkelijkheid. In tegenstelling tot vroeger zullen deze waarnemingen niet door elkaar lopen en met elkaar verward worden, maar duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Hoewel deze waarneming van geestelijke realiteiten principieel anders is dan de zintuiglijke waarneming, bestaat het begin van de scholing hierin toch in het intensiveren van de zintuiglijke waarneming. Deze nieuwe bewustzijnstoestand noemt Rudolf Steiner bewustzijnsziel.

Het is mogelijk waarnemingen zo intensief te maken dat geestelijke wezens kunnen worden waargenomen. Kinderen brengen dit vaak al mee, maar het gaat veelal weer verloren als het verstandelijke denken ontwaakt. Voor de volwassene komt het erop aan zich hier consequent te oefenen, ook al bereikt men het waarnemen van geestelijke wezens niet. Deze weg wordt uitvoerig geschilderd in enkele werken van Steiner (‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’, ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’, ‘Theosofie’ e.a.).

Speciaal voor het beleven van de eigen engel kan men een weg gaan, die individueel verschillend kan zijn, maar in grote lijnen er als volgt uitziet. Men maakt zich tot gewoonte de afgelopen dag zo te overzien dat men de punten innerlijk noteert, waar iets is gebeurd, wat men zelf niet heeft gewild en voorbereid. Dat kan een ontmoeting zijn met een mens, een gebeurtenis. Het behoeft helemaal niet spectakulair te zijn. Het kunnen gewone mensen en gewone voorvallen zijn. Men loopt bijv. ’s avonds nog even naar de brievenbus en ontmoet daar iemand die men daar niet kon verwachten maar met wie dan een gesprek ontstaat dat verdere gevolgen heeft in mijn leven of in dat van de ander of van allebei. Die verdere gevolgen komen soms alleen als men wakker is en erop let wat er in dat gesprek eigenlijk moet gebeuren. Zo kan het ook zijn dat ik struikel. Misschien ben ik moe of in gedachten. Maar dat ben ik wel vaker en dan zonder te struikelen. Maar bij dat struikelen breek ik een pols en een werk waar ik mee bezig ben kan ik niet afmaken. Nu moet een ander dat doen en daar openbaren zich bij die ander plotselinge mogelijkheden, die ik tot nu toe niet gezien heb. Weer treedt dit meestal alleen op als ik zien wil. Anders gaat het voorbij.
Wat daar ingrijpt noemen we meestal toeval, ook als het diep ingrijpt en mijn leven of dat van een ander een andere wending geeft. Wanneer men echter een aantal van zulke toevallen overziet en wanneer men dit tot gewoonte maakt, zal men ontdekken dat er in dit toeval een bepaalde lijn zit, een bepaalde wetmatigheid. En er wordt steeds een beroep op mijn wakkerheid gedaan.
We kennen in het leven als ervaring dat een lijn, een wetmatigheid zichtbaar wordt als iemand iets wil. Ligt het niet in de rede om achter deze toevallen ook een wezen te zoeken dat ons iets toezendt? Zulk een wezen kunnen we een engel noemen. En de vleugelslag van de engel kan alleen gehoord worden als men leert luisteren. Deze engel is verbonden met ons persoonlijk lot. Iedere mens heeft zijn eigen engel. En tot deze engel kan men in een verhouding van vertrouwen en eerbied komen. Dan bouwt men aan een nieuwe ondogmatische religiositeit.

In het bovengeschetste beeld van de tegenwoordige bewustzijnstoestand kan duidelijk worden dat geestelijke machten nu door mensen heenwerken.
Dat moet nog iets nader worden toegelicht. De geestelijke wereld bestaat uit een reeks van wezens die trapsgewijs de wereld besturen. De engelen houden zich bezig met het individuele lot van de enkeling. Daarboven staan de aartsengelen, die gehele volken of andere groepen inspireren. Daarboven de archai (oerkrachten of tijdgeesten), die in een bepaald tijdperk werkzaam zijn. Daarboven zijn er nog tweemaal drie groepen van wezens. En daarboven de hoogste Godheid. Vanuit deze hoogste Godheid werkt dan de Christus door alle engelrijken heen op de aarde. Zo is, kort geschetst, volgens Rudolf Steiner, de veelvuldigheid van de ‘goddelijke’ wereld.

Waarop het in dit verband aankomt, is hoe de mens zich gedraagt ten opzichte van het onmiddellijk boven hem liggende rijk van de engelen. De mens kan luisteren of niet luisteren naar zijn engel. Wie luistert, zo goed hij dat kan, kan meewerken aan de vervulling van de geestelijke wetmatigheden van het aardeleven. Wie niet luistert, handelt daartegen in en kan daardoor het werktuig worden van de machten, die de aarde willen onttrekken aan de werkingssfeer van de Christus. Zo wordt het voor de wereldontwikkeling uiterst belangrijk wat mensen doen.
Het gaat erom dat mensen leren handelen in overeenstemming met de geestelijke machten. En daarvoor is primair nodig te leren luisteren naar de engel. De geschiedenis van de mensheid is er een van het verloren gaan van het contact met hogere machten. Aan onze tijd is de taak die contacten weer te zoeken en daarbij moeten we aan het begin beginnen, bij de engelen.

Dat is een menselijke zaak. Maar deze menselijke zaak is goddelijk.

.

Algemene menskunde:over de hiërarchische wereld [1-2]   

Jaarfeesten: aartsengel Michaël

.

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.