Tagarchief: zoutproces

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (2-2)

.

Toen zo’n 100 jaar geleden in Stuttgart de vrijeschool van start ging, was er geen kant-en-klaar leerplan. 
In verschillende voordrachten had Steiner wel van allerlei over de vakken opgemerkt, maar meestal in grote trekken.
De leerkrachten voor de klas moesten zelf van alles ontwikkelen.

Het is interessant om te zien tot welke oplossingen ze kwamen. In de pedagogische vergaderingen waarbij Steiner aanwezig was, ging de laatste op vragen in en gaf nog allerlei aanvullende antwoorden, maar na zijn dood moesten de leraren het wiel zelf uitvinden.

Veel van wat er destijds ontwikkeld werd, is – dat hoeft bij een zo levende pedagogie als die van de vrijeschool niet te verbazen – nog altijd bruikbaar, ook al is er in die 100 jaar op allerlei terreinen van het leven bijzonder veel veranderd.

Eugen Kolisko beschrijft in een drietal artikelen het scheikunde-onderwijs uit die beginjaren.

Ik heb over zijn artikelen een aantal opmerkingen vooraf gemaakt.

 

Eugen Kolisko, Erziehungskunst jrg.6, 1/2, april 1932 blz. 64
.

OVER HET EERSTE SCHEIKUNDE-ONDERWIJS (2)

Over de vorming van kalk en zout

In de scheikunde is het begrijpen van tegenstellingen van de grootste betekenis. [1] We zijn uitgegaan van verbranding. Het tegenovergestelde van verbranden is zoutvorming. Het best worden deze verschijnselen duidelijk aan het voorbeeld van de kalk.
We tonen alleerst waar de kalk in de meest verschillende vormen in de natuur voorkomt: in de schalen van mosselen, de huisjes van slakken, koraal, kalksponzen, ammonieten- of trochietenkalk, krijt en botten van de meest uiteenlopende soort. Alles komt uit het dierenrijk. Dan volgen gesteenten die de organische oorsprong heel duidelijk laten zien, als bv. zoetwaterkalk, ammonieten- of trichietenkalk. Tot slot worden kalkspaat, druipsteen, marmer en kalkkorrels getoond. Hoe uitgebreider je dit aanschouwelijkheidsonderwijs geeft, des te beter. Nu wordt de vraag gesteld, hoe dit alles ontstaan is.
Alles is vanuit het water afgezet. Het duurde bv. heel lang voordat er druipsteen uit water werd afgezet. Ook vertel je dat er in zee voortdurend een fijne regen van schalen van dode dieren van allerlei soort naar beneden zakt en zich op de bodem afzet als kalkmodder. Zo is het krijt ontstaan uit het leven van ontelbare allerkleinste levende wezens. Zo zijn er hele bergen ontstaan, bv. de krijtrotsen aan de Noord- en Oostzee. Net zo zit het met de afzettingen van mosselkalk. Alles heeft een lange tijd nodig. Heel geleidelijk worden uit het kalk de bergen gevormd. De kalk komt los van het water en vormt vaste aarde. Hier gaat het om een totaal ander proces dan bij de verbranding. Bij het verbranden moest je de verschillende plantendelen aansteken en die veranderden in vuur en rook waarbij ze vluchtiger worden.
Nu brengen we een grote hoeveelheid schelpen en stenen mee naar de les. Die komen allemaal vanuit het water tot vaste stof of zijn door levende wezens afgezet. Alles verloopt in rust wanneer het aardse zich losmaakt uit het water. Het is net zo’n proces als waarbij het zout zich afzet uit de zee.

Bij het vuur is vooral vuur, licht en lucht actief. Er blijft maar weinig vaste stof over. Heel anders gaat het toe bij het kristalliseren, het afzettingsproces van kalk en andere zouten.
Weliswaar wordt kalk gevormd uit levende wezens, maar niet zoals bij het vuur dat al het leven verteert en naar de hemel terugstuurt, maar zo dat alles uit het waterelement van het leven uit naar de aarde gebracht wordt.
De zwaarte krijgt de overhand.
Wanneer de kinderen een langere tijd deze verschijnselen observeren, komen ze vaak vanzelf op deze grote tegenstellingen.
Het water laat de kalk niet alleen vallen, het lost die ook weer op. Later kan er weer een afzetting plaatsvinden. Zo ontstaat de druipsteen in de grot, net zo de kalktuf en ook de kalkkorst die zich betrekkelijk snel om die voorwerpen vormt die je in kalkhoudende bronnen legt, bv. in de Karlsbader bron
Beken en rivieren lossen veel kalk op en voeren dat met zich mee. Als er zoveel kalk in de rivieren zit, dan moet er nog veel meer kalk in de zee zitten, want alle rivieren stromen daarheen. Merkwaardigerwijs – dat vertel je de kinderen – vind je in het zeewater maar weinig kalk. Waar is dat heen gegaan? Dat zit in alle zeedieren, in de schalen van de slakken, koralen, mosselen, enz. Pas wanneer deze sterven, zinken de schalen en bouwen bergen op. Er ontstaat zo een kalkkringloop waarin de dieren zich bevinden. Eigenlijk komt alle kalk van de dieren. Want kalkspaat, druipsteen, marmer enz. zijn alleen maar door oplossing van de oorspronkelijke, organische bergkalk en door kristallisatie in het water gevormd. Wat daarvan dan weer opgelost wordt, gaat opnieuw in de vorming van kalkschalen van de zeedieren en in de vorming van beenderen zitten.
Kalk kan je niet in je beschowuing opnemen zonder het dierenrijk. Dat wist men in oude tijden ook en uit deze kennis is de Latijnse spreuk voortgekomen: ‘Omnis calx ex vermibus’, ‘alle kalk komt van de wormen’. Zo noemde men vroeger alle lagere dieren. Kalk zet zich of af uit het levend vloeibare als schaal en bot of uit het water. Het water draagt de kalk over de aarde, lost deze op en laat die weer vallen.
Zo wordt de aarde vanuit het water opgebouwd.
Voor deze en soortgelijke processen van het zich afzetten uit het water kiezen we de naam: zoutvorming.
Bij dergelijke uiteenzettingen over de zoutvorming gedragen de kinderen zich heel anders dan bij de vorige. Het vuur werkt aanstekelijk.
De cholerische kinderen voelen zich in het bijzonder aangesproken, ja de meeste kinderen worden bij het zien van vuur drukker en iets cholerisch. De activiteit slaat op de wil, op de stofwisselingsnatuur van de mens, op het bloed.

Heel anders gaat het bij het beschouwen van de kalk. Dat brengt meer een stemming van denken met zich mee, Je wordt aangespoord erover na te denken hoe de grote hoeveelheid gesteente door langere tijden heen gevormd is. Kristalliseren heeft tijd nodig. Alleen in rust voltrekt het proces zich. Wanneer er een laag sneeuw op aarde valt en oneindige hoeveelheden kristallen zich vormen, is ook dat een soort zoutvorming. Weliswaar wordt er geen zout in chemische zin gevormd, maar het proces is hetzelfde.
Nu kan je de vraag stellen: wanneer het vuur bij de mens in het bloed en in de bewegingen van de ledematen werkt, waar vinden we dan in de mens de zoutprocessen? Die bevinden zich voornamelijk in het hoofd, daar waar ook de meeste botsubstantie zit. Nooit zouden we kunnen denken en alles in rust begrijpen, wanneer er zich in het hoofd geen kalk zou afzetten. Dan zou er ook geen beenderstelsel zijn en alles zou in de mens wegvloeien.
Op deze manier leg je een verbinding van de kalkvorming naar de mens. Deze processen hangen dus met een andere gebied van het menselijk organisme samen.
De verbrandingsprocessen laten zien dat ze verbonden zijn met de benedenmens en de ledematen.
De zoutprocessen met de bovenmens, met het hoofd.
Aan de andere kant heb je een gevoel opgeroepen voor het feit dat het dode voortdurend uit het leven voortkomt, ja, dat het grootste deel van de aardbol zo gevormd werd.
Wie dit in zich heeft opgenomen, zal later niet proberen het leven vanuit het dode te willen verklaren.
Op deze manier verbind je het ontstaan van kalk enerzijds met de wereld en anderzijds met de mens.

In een volgend uur kun je de beschouwing over de kalk nog in een andere richting vervolgen.
Je verhit een stuk kalksteen, het beste met een brander. De gebrande kalk laten we afkoelen en gieten er water op. De gebrande kalk, vochtig door het water, sist en wordt warm. Deze proef herhalen we met een grotere hoeveelheid gebrande kalk. Het water wordt door de kalk begerig opgezogen. Tamelijk veel water verdwijnt spoorloos in de gebrande kalk. Na een poosje begint dit te roken en er ontstaat een grote hitte. De gebrande kalk mist dus het water, door de werking van het vuur is deze helemaal van het water gescheiden, waaraan het zijn oorsprong dankt. Daardoor zuigt hij het met zo’n begeerte weer in zich op. De door en door ‘dierlijke’ natuur van de kalk zie je zelfs nog, wanneer die allang door het dierlijke uitgescheiden is. Gieten we er meer water bij, dan ontstaat een melkachtige vloeistof (kalkmelk). Als je het laat staan, zet de opgeloste kalk zich af, iets blijft er nog van over en vormt een heldere vloeistof (kalkwater)
Nu dopen we lakmoespapier in dit kalkwater. Het wordt blauw. Voordien kleurde de ongebrande kalk het lakmoespapier niet blauw.
Een vloeistof die lakmoespapier blauw kleurt, heet een loog. De logen hebben een heel bijzondere smaak, net als de zuren.
Dus door het branden van kalk en het blussen met water is er een loog ontstaan. De kalk is iets anders geworden door de werking van het vuur en daarna door de werking van het water.
Is er misschien bij het verhitten van de kalk iets verdwenen?
Dat kan je duidelijk zien bij het verbranden van de kalk. In de kalkoven ontsnapt iets. Het is het koolzuurgas.
We vangen het op of we vertellen de kinderen minstens hoe dat kan gebeuren en dan laten we het koolzuurgas zien. Dit koolzuurgas is hetzelfde als wat er ontsnapt uit minerale bronnen, dat uit het mineraalwater met belletjes omhoog borrelt. De kalk heeft dus bij het verbranden iets uitgeademd. Hij is vaster geworden toen hij als gebrande kalk achterbleef. Dit vaste vertoont zich als loog, nadat het met water vermengd werd. Daarom wordt de gebrande kalk ook base genoemd of basisch, omdat hij zogezegd de vaste basis van het kalkzout vormt. De lucht die verdwenen is, kan je ook met water in contact brengen. Het koolzuurgas geeft het water een zure smaak. Lakmoespapier wordt daarin rood.
Zo ontstaat uit de kalk wat men koolzuur noemt.
Daarmee hebben we voor het eerst het kind de begrippen van zuur en loog bijgebracht.
Kalk is uit een zoutvormingsproces ontstaan.
Hij is zelf een zout. Door het vuur verandert hij. Het koolzuurgas ontsnapt en de gebrande kalk blijft achter. Uit het gas ontstaat koolzuur, wanneer er water bij komt; uit de vaste gebrande kalk het loog. Dus:

Doordat het water erbij komt, ontstaan daarop zuur en loog. Het vuur heeft een scheiding teweeggebracht. Door het water zie je de twee tegengestelden.
Deze verschillen kan je nog aanschouwelijker maken.

Je laat twee fleesen zien, de ene met koolzuurhoudend water zoals dat in de mineraalbronnen voorkomt, de andere met kalkwater. Uit de eerste borrelen belletjes omhoog. Dat is hetzelfde als wat uit de kalk is verdwenen: koolzuurgas. De vloeistof smaakt zuur, ook prikkend en scherp. Het lakmoespapier wordt er rood door.
Het kalkwater in de andere fles is smakeloos en nietszeggend, het lakmoespapier wordt blauw.
Het doet de kinderen plezier wanneer ze deze grote verschillen kunnen beleven. Ook is het voor hen heel vanzelfsprekend dat het scherpe en zure rood wordt, daarentegen het nietszeggende en smakeloze, blauw. Voor hen is het vanuit hun kleurbeleving en door wat ze bij het schilderonderwijs geleerd hebben, heel begrijpelijk.
Uit het koolzuurwater borrelt het koolzuur naar boven. De stop vliegt eraf wanneer je deze niet door een afsluiter vastzet. In de fles met kalkwater ontstaat een laagje witte afzetting op de bodem. De stop zit vast of ‘vriest bijna vast’, omdat vaste stof wordt afgezet.
In de koolzuurfles is de richting omhoog. Er wil lucht ontsnappen. In de fles met kalkwater gaat de richting naar beneden. Het vaste wil zich afzetten. Als je met een lakmoesoplossing kleurt, vertoont zich dezelfde tegenstelling. Deze tegenstellingen zaten oorspronkelijk in de kalk. Ze zijn door het vuur bevrijd en het water heeft ze ieder tot verschijning gebracht.
Nu doe je deze proef:

Je neemt wat van het koolzuur en daar giet je kalkwater bij. Dit wordt nu troebel en op de bodem zet zich een wit zout af. Dit zout is weer kalk. Het ziet er net zo uit als krijt. Nu zijn de tegenstellingen weer overbrugd.
Nu neem je een glas kalkwater en je blaast erin met een rietje. Er ontstaat een identieke witte laag op de bodem. Dus zit er in de lucht die we uitademen hetzelfde als wat bij het branden van de kalk ontsnapt. Het is koolzuurgas. Zo heeft het vuur de kalk veranderd. Koolzuurgas is omhoog verdwenen, de vaste gebrande kalk is beneden achtergebleven; tussen vast en lucht, dus tussen gebrande kalk en koolzuurgas bevindt zich het water. Neem je het apart, dan verschijnen zuur en loog. Voeg je beide samen, dan ontstaat er weer kalk of wat je nu preciezer kan zeggen: koolzure kalk. Het vuur heeft de kalk in twee richtingen gevormd. Het heeft de tegenstellingen blootgelegd. Het water brengt die apart duidelijk tot verschijning, verbindt die twee echter ook weer.
Wat het vuur gescheiden heeft, wordt door het water weer herenigd.
Het is hierbij van groot belang dat je niet uitgaat van zuur en loog en daar het zout vanaf leidt, zoals meestal gebeurt, maar veel meer dat je de omgekeerde keer bewandelt. Dat is de natuurlijke weg.
Want kalk komt in de natuur voor. Die wordt als eerste overal gevormd. Zuur en loog worden pas daarna kunstmatig gevormd. Het zijn tegenovergestelden, die pas door ingrijpen, uit het zout als verschillen naar voren komen.

Wanneer je het kleine kind de rekenoperaties moet aanleren, gaan we ook niet bij het optellen van de optellers uit om daarmee het totaal af te leiden, maar we doen de kinderen begrijpen dat een oorspronkelijke eenheid verdeeld is en dat dan de delen weer tot eenheid terug moeten worden gebracht. We gaan van het geheel uit en niet van de optellers.
Zo moeten we ook hier van het geheel uitgaan en daaruit de delen laten ontstaan.
Dit is een belangrijk gezichtspunt dat de leraar al op dit niveau van het scheikunde-onderwijs moet meebeleven, dat je het begrip ‘chemische verbinding’ niet alleen zo kan bekijken dat deze verbindingen alleen maar als som van de delen of als chemische som van de elementen te zien is.
Het is iets nieuws, vaak iets oorspronkelijks.
We gaan hier van de kalk uit als het natuurlijke, van de stoffen die in de organische processen van beender- en schaalvorming verweven zijn. Dan pas leiden we daarvan af, wat door differentatie daaruit ontstaat. Uit het organische proces ontstaat de kalk en die vertoont zich onder invloed van het vuur als koolzure kalk, wanneer zuur en loog door deze handeling tevoorschijn komen.
In andere uren kan je kijken naar de toepassing ervan op het gebied van de techniek en in de praktijk van het leven.
Kalk komt voor in de aarde. Die wordt gewonnen in steengroeven. En naar kalkbranderijen gebracht. Nu leg je de kinderen uit hoe zo’n oven in elkaar zit. De kalk moet worden verhit. Het koolzuur ontsnapt en de gebrande kalk blijft achter. Je tekent hoe de oven eruit ziet. Zo mogelijk benut je de mogelijkheid om zoiets te bezichtigen.
Verder leg je uit hoe de gebrande kalk in zakken wordt gedaan en dan overal heen vervoerd wordt waar die nodig is. Bij deze gelegenheid kan je ook de economische omstandigheden schetsen die er door zo’n kalkfabriek ontstaan. Dat is ook in overeenstemming met het leerplan voor deze leeftijd.
Nu komt de kalk bij de metselaars. Dan laat je nog een keer zien met wat voor heftigheid zich het blussen van die grotere hoeveelheden kalk voltrekt. Nu vraag je: Waar komt toch die warmte vandaan die daarbij optreedt? Die komt van de hoeveelheid warmte die bij het branden van de kalk op de kalk inwerkte. Die warmte zit nu in de gebrande kalk en ook in het koolzuurgas dat verdwenen is. De uitgedroogde kalk die een soort slapend vuur met zich meedraagt, heeft heel veel dorst. Als nu het water binnenkomt, de dorst wordt gelest, komt de warmte tevoorschijn. Je kan dan ook laten zien welke gevaren er met het blussen van kalk zijn verbonden, wanneer je op de bijtende werking van het kalkloog wijst.
Daarbij kan je op veel wijzen wat in de maatschappij met deze bedrijfstak heeft te maken. De metselaars mengen de gebluste kalk met zand. Daardoor ontstaat er een specie. Ook hier zit weer een tegenstelling in, waarvan het goed is dat die in de les duidelijk wordt ervaren. Dat is de tegenstelling tussen kalk en kiezel. Zand is kiezelaarde of kiezelzuur, de kalkaarde is daarentegen een base. Zonder dat het al nodig is in te gaan door de natuur van het kiezelzuur te verklaren wat je pas hoeft te doen bij het behandelen van het maken van glas, wordt toch de tegenstelling tussen de begerige kalk die overgaat in de gladde, vetachtige kalkloog en het rustig gevormde, harde en droge zand, duidelijk.
Je laat nog zien hoe je twee bakstenen met specie kan verbinden en hoe dit dan snel uithardt. Door het samengaan van twee tegenstellingen ontstaat iets nieuws.
Verder vertel je nog dat de pas gebouwde huizen het beste drogen door er vuur in te stoken. Dan gaat het water van de gebluste kalk weg. Dat is niet alleen de reden dat het huis droog wordt. Uit het vuur ontsnapt weer koolzuurgas. Daar komt dan aan de ene kant het vaste zand bij (kiezelzuur), aan de andere kant de lucht en met deze het koolzuur. Het water verdwijnt.

Een pas gebowd huis wordt ook droog wanneer er mensen in wonen. Die ademen koolzuur uit.
Men noemt de bewoners wel ‘Trockenbewoner‘, droogwoners [nu wordt er minder kalk gebruikt bij het bouwen]
Het is niet zo goed voor je gezondheid.
Hier zie je ook in de praktijk van het leven hoe zich bij het ademproces op een levende manier iets soortgelijks zich voltrekt als bij het vuurproces in de natuur. Op deze manier heb je iets wat je eerder met een laboratoriumproef getoond hebt, in de praktische toepassing daarvan, laten zien.

Nu gaan we in de les weer terug naar het begin.
Het beste is om dat de volgende dag te doen.
Dan kan je de volgende beschouwing houden: nu hebben we op het laatst weer de koolzure kalk gekregen, die de stenen van de huizen bij elkaar houdt. Die is verbonden met de kiezel. Eerder hadden we koolzure kalk, toen de kalk nog in de steengroeve zat. Waarom hebben we de hele zaak zo gedaan als we op het eind toch weer hetzelfe krijgen?
Eerst hadden we koolzure kalk. en op het eind, in de huizen is het opnieuw koolzure kalk. Maar door de koolzure kalk te splitsen en dan weer bij elkaar te voegen, zijn wel de huizen stevig geworden. De mens heeft zo ingegrepen dat hij uit de koolzure kalk van de natuur door het vuur er de verborgen tegenovergestelden uitgehaald heeft. Op het eind heeft hij dan kalk en koolzuur weer bij elkaar laten komen. Maar wanneer dit gebeurt wordt er weer opnieuw kalk gevormd, maar door de kracht van het weer bij elkaar zijn, blijven nu ook de huizen staan. Op deze manier heeft de mens een verdeling aangebracht in wat in de steengroeven een natuurlijke samenhang vertoont.
Over de hele aarde blijven de bouwwerken die hij zo heeft gemaakt, bewaard. Het is alsof de steengroeve die over de hele wereld verdeeld is, weer één wordt en daardoor samenhang brengt in de huizen van de mensen.
Het kan een zekere indruk maken, wanneer de leerling ervaart hoe de mens in het technische proces natuurkrachten gebruikt die naar verbinding streven, en de snelheid waarmee ze weer één willen worden benut om allerlei technische prestaties te laten uitvoeren.
Een stuwmeer levert waterkracht, wanneer je de stuwing opheft.
Zo is het ook hier, op het terrein van de chemie.

Anderzijds is wat er over de kalk gezegd kon worden, ook uitgebreid naar wat dit in het leven doet.
De leerlingen hebben geleerd dat zij aan de kalk hun beenderstelsel te danken hebben, hoe de kalk met dierlijke processen samenhangt en thuis is in het dierenrijk.
Kalk verschijnt als een proces in het geheel van de natuur, verbonden met de mens.
Nu kun je het begrip van de zoutvorming verder ontwikkelen. Men spreekt over zeezout. Het zout behoort onlosmakelijk bij de zee. Je vertelt hoe het ontstaat of door verdamping of door [Kolisko heeft hier het woord Gefrieren d.i. bevriezen, mij is geen proces van zoutwinning op die manier bekend]
Je laat beleven hoe deze afzetting vanuit het vloeibare langzaam gaat en je schetst ook de techniek van de zoutwinning. Dan heb je het over het voorkomen van zout in de bergen en vertel je over de zoutwinning in de bergen en in de zoutpannen. [En in Nederland vanuit de grond – zoutmijnen].
Dit zout, ons minerale zout, hangt veel minder samen met een levensproces. Het is puur mineraal: ook het enig minerale voedsel dat de mens nodig heeft. De andere minerale substanties zitten in het voedsel, alleen zout moet als zodanig in de voeding aanwezig zijn.
Als de mens geen zout krijgt, sterft hij. Want zout houdt vast, conserveert, houdt ontbinding tegen. Daarop berust het pekelen en inzouten. Ook de zeelucht werkt zo. Die maakt de mensen wakkerder. Aan de andere kant doodt een groot zoutgehalte alles wat leeft (vergelijk de Dode Zee).
Kan je dit zout net zo behandelen als de kalk?
In de hitte van de brander smelt het, verdampt zelfs. En uiteindelijk – dat kan je de kinderen vertellen – laat zich bij de hoogste temperatuur ook het gas verdrijven. Dat is het zoutzuurgas. Dat gaat makkelijker, wanneer je in plaats van een hoge temperatuur geconcentreerd zwavelzuur gebruikt en daarmee het steenzout of kookzout begiet.
Dan krijgen we een witte, buitengewoon sterk bijtend ruikende damp, het zoutzuurgas, waaruit we door het in water te brengen het zoutzuur krijgen. Bij de hoogste temperatuur blijft de vaste natronbase over. In dit geval is het veel moeilijker door alleen maar verhitten, uit het minerale zout loog en zuur te maken. Het is veel moeilijker dan het branden van kalk. Het gaat makkelijker met gebruikmaking van elektriciteit.
Dat krijgen de kinderen pas later te horen.
Nu laat je natronloog en zoutzuur zien. Aan deze kun je nog veel beter de polariteit van zuur en base beleven.
Opnieuw doe je:

zuur                                                                            base

scherp                                                                       weinig uitgesproken
roodkleuring                                                           blauwkleuring
opwekkend                                                              afstompend gevoel op de tong  luchtvormig                                                            vast

Nu pas je dit allemaal weer op de mens toe.
Je zegt: iedere keer wanneer je je arm beweegt, ontstaat in je spieren zuur, bij het wandelen en hardlopen nog meer. Dus door iedere activiteit ontstaat er in het menselijk lichaam zuur. Daarom zegt men terecht: ‘zuur werk’.[bij sportprestaties: verzuurde benen]
Je kan echter ook heel rustig in de kamer zitten en sterk over iets nadenken. Nu ontstaan er geen zuren, in de hersenen ontstaan meer basisch-loogachtige stoffen. Dus: wanneer je je beweegt, worden de spieren zuur en wanneer je gedachten in het hoofd actief zijn, wordt iets basisch gevormd. Zo hangt het zuur en het loog ook met jezelf samen. (Dit voorbeeld dank ik aan Rudolf Steiner die dit zelf bij een bezoek aan een klas van de vrijeschool in de les zeer aanschouwelijk uiteenzette.
Nu laat je dezelfde tegenstelling in het plantenrijk zien. In de wortels van de planten vind je overwegend de base, het loogachtige, in het uitlopen van het blad, tot in de vruchten aan toe, het plantenzuur. Zo smaakt bv. de klaver zuur, maar de wortels meer loogachtig of zoutachtig, waarbij de base overheerst. Dat is niet zo makkelijk te begrijpen, want het zuur behoort eigenlijk bij de lucht, de base daarentegen bij de vaste aarde. Over de uitzonderingen van deze wetten moet je in deze fase nog niet spreken. Maar in een later stadium is een bespreking daarvan heel belangrijk.

Dit hoofdstuk kan je dan op de volgende manier in een dictaat samenvatten:
‘Ook bij het zout kan je tegenstellingen vaststellen. Er wordt zoutzuurgas en natronbase gevormd. Het zoutzuurgas ruikt prikkelend, smaakt scherp en zuur. Het maakt wakker. Lakmoespapier kleurt rood. Het is een actieve stof. Het natronloog daarentegen smaakt naar niets, stompt de tong af. Daar komt bij de lakmoesproef de blauwe kleur.
Logen zijn net zoals de natronbase meest vast. Ze dragen zwaarte met zich mee. In de wortels van de plant zit meer loogachtigs. In de bladeren daarentegen bevindt zich het zuur, die smaken vaak zuur, bv. bij de klaver. Het zuur is verwant met de lucht. De base gaat in de richting van de aarde. Bij ons is het weer omgedraaid.
Wanneer onze benen behoorlijk actief zijn, ontstaat er zuur, maar in het hoofd ontstaat iets loogachtigs, basisch, wanneer er rustig wordt gedacht. Daar bevindt zich ook veel kalk. Zo zijn zuur en loog grote tegenstellingen die door de hele natuur heen werkzaam zijn.’

In een ander uur kan je deze tegenstelling gebruiken om die als voorstelling te schilderen. De tegenstelling van de kleuren is allang bekend. Nu moeten de kinderen de strijd tussen zuur en base schilderen. Voor dit doel heb je in de vorige uren ook nog deze proef gedaan:
geconcentreerde natronloog en zoutzuur worden bij elkaar gegoten. Dat geeft een buitengewoon hevige reactie. De vloeistof kookt, sist en spettert, veel meer dan bij het blussen van kalk.
Dat hebben de leerlingen dus al gezien en moeten deze strijd tussen zuur en loog in kleur weergeven. Er ontstaan meestal opmerkelijke voorstellingen, wanneer ze de rode kleur met de blauwe laten samengaan. Bij deze gelegenheid geven alle temperamenten zich bloot.

Zo is het mogelijk ook vanuit een kunatzinnige kant zo’n scheikundig basisprincipe te beleven. In het kind is een wetenschappelijk-kunstzinnig element aangelegd. (Pedagogisch zou het door de hier gebruikte gezichtspunten een onzinnig iets zijn, de begrippen van zuur, loog en base zo te gebruiken dat je over waterstof en hydroxiel spreekt, zoals tegenwoordig helaas zelf in de schoolboeken gebeurt.)
Zo is het proces zichtbaar geworden dat in de wereld en in de mens samenhangt met zuur en loog. Daarmee hebben we het kind in een heel ander gebied van de scheikunde gebracht.
Eerst was het de verbranding. Nu kent het ook de zoutvorming. Deze beide tegenstellingen zet je nog een keer duidelijk voor de klas neer, voor je weer verdergaat.
.
[1] Kolisko neemt hier de woorden van Steiner ter harte. Zie bv. ‘Wegwijzers‘ 20 en verdere uitspraken.
.
In de 6e klas werden de mineralen behandeld, m.n. kalk en graniet. Daar kun je dus op teruggrijpen en omgekeerd kan je in de mineralogieperiode rekening houden met wat er in de scheikundeperiode over aan de orde komt.

Bij ‘mineralogie‘ vind je er artikelen over, tevens extra informatie over bv. kalk, druipsteen, zout.

Deel 0 – opmerkingen
Deel 1  deel 3

7e klas scheikundealle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
Een artikel over Kerst, geschreven vanuit antroposofische gezichtspunten.
.

De plaats van Kerstmis in de gang van het jaar:

Als we op weg gaan naar het hoogtepunt van het winterseizoen, dat we met sneeuw en ijs, met vorst en heldere lucht tegemoet zien, gaat de aarde kort daarvoor door een merkwaardige sfeer van een melancholische stemming. Het in de zomer vol levenslust opgebouwde leven, dat de hemel en de sterrenhemel tegemoet werd gedragen, zinkt terug, valt weg.  De val van de bladeren, de grijze hemel, het late gloren van de dag en het snel weer avond worden, hebben een soms bedrukkende invloed op het gemoed van de mens. Het lijkt wel of de afstervende natuur de mens mee wil trekken in de afgrond van de jaarlijks terugkerende dood.
Is het echter eenmaal echt winter, dan verdwijnt dat treurige gevoel al snel. De merkwaardig nuchtere helderheid van een zonnige winterdag reinigt het innerlijk van de mens en de duisternis verdwijnt uit zijn gemoed en verheldert de zelfstandige denkende activiteit van de mens. De mens heeft zich tot een winterse denker omgevormd. De dood in de natuur is de tegenspeler van het menselijke zelfbewustzijn. Alle twee: de neergang buiten en het opstaan in het innerlijk zijn op een raadselachtige manier met elkaar verbonden. Als mens zijn we verbonden met de werkingen in de natuur, maar juist in de winter wordt dit gebonden zijn op een bepaalde manier vrij gemaakt: natuur en mens zijn gescheiden van elkaar, maar tegelijk is er ook sprake van een open zijn voor elkaar. Kunnen we hier iets verder in doordringen, in dat winterraadsel van het enerzijds verbonden zijn en het anderzijds tegenover elkaar staan?

De aarde heeft een kosmische voorgeschiedenis. Zij is het product van een tweevoudige scheiding en haar substantie het resultaat van een dubbele loutering. Want wanneer de aarde altijd met de zon verbonden zou zijn gebleven, dan had ze nooit aarde kunnen worden. In de kosmisch vlammende gloed van de zon had ze niet de rust en ook niet de gestalte-kracht kunnen vinden, die nodig was als grondslag voor het tot stof worden van de mens en de natuurrijken. Dan zou die gestalte-kracht in de zon zijn verbrand. Het was nodig dat de aarde zich bevrijdde van het vuurproces van de zon, dat in oude tijden het “sulfur-proces” werd genoemd. Wat er in het belang van de totale kosmos ontwikkeld moest worden, kon slechts in het trage tempo van de aardegeschiedenis rijp worden. Die rijping had behoefte aan de tragere tijdmaat van de aarde tegenover de kosmisch brandende snelheid van de zon.

Maar de aarde moest zich ook afscheiden van de maan. Was de aarde met de maan verbonden gebleven, dan had ze het aarde-worden niet kunnen bereiken. Met de verstarrende kou van de maan verenigd, zou er teveel verharding zijn opgetreden, alvorens het leven zich bewegend en plastisch had kunnen ontwikkelen. Wat er aan leven zou zijn ontstaan, zou direct verhout zijn, en de bloesem zou in de knop verdroogd zijn. Om niet te vervallen tot stilstand en de rust van de dood, moest de verstarrende, verhoutende kracht van de aarde losgemaakt worden. Door de afscheiding van de maan, werd het verstarrende losgelaten.

De aarde ontwikkelde het eigenaardige en moeilijk te beschrijven midden tussen verbranden en verhouten(verharden), een wonderlijke toestand tussen kosmische snelheid en dodelijke verstarring. In oude tijden werd deze toestand “mercurius-proces” genoemd. Het pendelen tussen zon en maan is een als maar doorgaand proces, een gebeuren, wat we terugzien in het RITME. De aarde is eigenlijk onzichtbaar; het is een bovenzinnelijk wezen. Alleen dat aan haar is echt aarde, wat door het loskomen van de zon en de maan, in de invloed is gekomen van het pendelende mercurius karakter.

Dit mercuriale ritme ligt ook ten grondslag aan het jaarverloop. In de zomer wordt de aarde door een “sulfur-tendens” gegrepen. In de zomer bestaat voor de aarde altijd het gevaar van de verbranding. In de winter werkt de verhoutings(verhardings)tendens van de maan en is er altijd weer het gevaar van de verstarring.

Maar de aarde is niet alleen in het tijdsverloop tussen zomer en winter een pendelende mercurius. Ook ruimtelijk is ze, als geheel, Mercurius. Wat we op een bepaalde plaats, bijvoorbeeld onze woonplaats, als seizoen-loop beleven, is op de hele aarde ruimtelijk tegenwoordig. Zomer en winter zijn tegelijkertijd aanwezig, doordat ze op het noordelijk en het zuidelijk halfrond tegenover elkaar staan. Dus de vier seizoenen zijn op de aarde als geheel voortdurend gelijktijdig aanwezig. Rondom de evenaar is het eigenlijk eeuwig zomer. Hier is het gevaar van verbranding het grootst. Bij de Noord-en Zuidpool is het eeuwig winter en daar is het gevaar van de verstarring het grootst. Het Mercurius-karakter van de aarde is dus duidelijk aanwezig.

De Mercurius-Aarde, de onzichtbaar actieve aarde werkt het intensiefst aan de oppervlakte van de aarde. In de grenslagen van atmosfeer, hydrosfeer en aardkorst wordt het mercurius-karakter heel duidelijk. In de lente stijgt iets elementairs, iets geestelijks op in de “luchtmantel” van de aarde en streeft met een zeker heimwee naar de sterren. En het licht van de sterren en van de zon komt (met haar kosmische kracht) de aarde nooit zo sterk tegemoet dan in de zomer. De uitwisseling tussen kosmos en aarde is dan op zijn hoogtepunt. Wanneer dan de aarde in de winter onder de invloed komt van de verstarrende krachten van de maan komt het mercuriale tot rust.

In de sneeuw zien we de mercuriale tendens tot bolvorming terug, die op elke ondergrond plastische rondingen vormt. Kijk je naar de aarde als geheel, dan verschijnt het als een druppel, als sfeer in het wereldal. De in de winter door de rusttendens van de maan aangegrepen Mercurius toont zich als kogelvormig, als bol. Terwijl in de zomer de processen van verbranden en verstarren elkaar doordringen, gaan ze in de winter uiteen. In de winter krijgen deze processen hun fysiognomische uitdrukking. Zou de zon in de zomer de waterige
mercurius-bol steil van boven treffen, dan zou die meteen verdampen. De zon zou, wat zich in de winter bolvormig tot ronding maakt, oplossen en er zou een vlak ontstaan. Maar dat gebeurt niet. In de winter is de zon machteloos geworden. De zwavel(sulfur)werkingen laten zich (net zoals Mercurius) fysiognomisch zien. Het zwavelproces van de winter bereikt de aarde-zoals de zomerzon in het gebied van de polen- tangentiaal, d.w.z als een raaklijn. We bewonderen in deze tijd graag de bijna vlak, plat, horizontaal invallende winterzon, die door onze kamer kan gaan en haar fysiognomische lichtkring op de tegenoverliggende wand schildert. Maar ook het verhoutings(verhardings)proces wordt fysiognomisch in de winter: de wereld van planten, bomen en struiken verschijnt met ontbladerde takken in de wereld. En de uitdrukking daarvan is verstarring en dood. Je kunt je moeilijk voorstellen dat daaruit zich nieuw leven kan ontwikkelen.

De hoop, dat de aarde weer vrij kan worden van de dood van de winter, is terecht, omdat we weten dat de zon langzaam maar zeker weer meer invloed krijgt. Na het hoogtepunt van de winter,  verandert de lichtinval en vanuit het horizontale groeit de vertikale lichtinval. Maar op welke grond komt de stijgende zon aan? Hoe kan de zon het in de winter verharde “maanleven” in een dragend “aardeleven” veranderen?

De kiemkracht van de winterlijke aarde-grond ontstaat uit de kracht van het zout. Terwijl de maanresten in de aarde leiden tot verharding en verhouting, vormt de aarde zelf het ZOUT.  In het zout gaat de verhardingstendens niet in de richting van het maanachtige verhouten, maar in de aardse kristalvorming. Zoutkristallen zijn de harde vorm van de aarde, verhouting en verharding hoort bij de maan. En de in het zout sluimerende kiemkracht laat zich zien in de mogelijkheid van het zout om op te lossen. Wil je hout verlossen uit de verharding, dan moet je het verbranden, waardoor het hout via de omweg van de as en de oplossing daarvan weer in de mercurius-kringloop wordt teruggebracht. Zout echter is aan de ene kant aarde-vast, maar ook bereid zich op te lossen in het mercuriale water en daardoor de aarde weer te verbinden met de kringloop van het leven. Dat noemde men in oude tijden het “zout-proces”. Hiervandaan komt het “huwelijk”tussen de zwavelige zuren en de maanachtige basen, tussen lichte zonnekracht en donkere maangrond. En in dit huwelijk komen alle twee de polen tot zoutvormende aarde-rust.

Toch zou de wassende zon uit de aarde geen nieuw leven kunnen wekken, als het nieuwe leven niet in de aarde zou sluimeren, als niet al levenskiemen in de aarde op de kosmische warmte zouden wachten. Maar hoe komen deze levenskiemen in de vaste en verstarde aarde-grond?

Alle wezens op aarde zijn op een of andere manier deel van het mercurius karakter van de aarde. Zo ook het leven en dan met name de plantenwereld. In het mercuriale midden van het blad neemt ze het verbrandingsproces van de zon op in de bloesems en de verhoutingskracht van de maan in de wortels. Maar waar het op aankomt is de mercuriale activiteit van het blad, die alles doordringt, zowel bloesem als wortel. Het is echt een heel goed maatje voor de aarde bij het vervullen van de Mercurius-missie. Net zoals de aarde, maakt ook het blad heel duidelijk zichtbaar de gang door de seizoenen. Als de plant in de zomer bloeit, nadert ze de zon en ontwikkelt haar “zwavel”-organen: bloesem en vrucht. Gaat ze samen met de aarde de winter in dan reduceert ze zichzelf tot het kiemende leven in wortel, hout en zaad tijdens de verstarring van de wintertijd. Het Mercuriuswezen is innig verbonden met de aarde. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de opeenvolging van de seizoenen. Ze zijn innig met elkaar verbonden. Kijk je bijvoorbeeld naar eenjarige planten dan is het echt niet zo, dat ze alleen tot dit jaar behoren. Ze komen voort uit een kracht, uit een kiem van het voorafgaande jaar. Als de plant in de zomer tot bloei komt, leeft ze in het nu. De zon die schijnt, wekt de bloei, waarin de “zwavel”-brand begint. Maar het verloopt op een milde manier, die bij de aarde hoort. Want elke bloei(bloesem) is een gebeuren van verbranding, maar wel een gebeuren dat bij de aarde hoort. En zoals uit het minerale(aardse) vuur de imponderabilien van warmte en licht zonder vorm in de wereld bevrijd worden, terwijl minerale as op de bodem valt, zo bevrijden zich uit de levendige verbranding van de plantenwereld in het bloeien de elementengeesten in de wereld, om het wezen van de aarde mee te delen. Maar ook daar valt as op de bodem: de stof die vrij komt uit de bloesem en vooral het vrijkomende zaad. Novalis, die de onorganische verbranding van de plant begrijpelijk wilde maken zei:”Alle as is stuifmeel en de kelk is de hemel”. Met het zaad ontwikkelt de plant zijn eigen toekomst en ook de toekomst van de aarde. Zo staat de plant als bemiddelende Mercurius tussen de tijden: in haar zaad ligt de toekomst al opgesloten; wortel, uitloping en stengel stammen uit het voorbije jaar; in het blad komen het verleden en de toekomst bij elkaar. En de bloesem(bloei) is louter NU,  het vergankelijke ogenblik. Opdat de aarde in het nieuwe jaar toekomst heeft, liggen in haar de asresten van het planten-vuur als zaad en dat wacht op de stijgende zon, die wekkend zal optreden in een nieuwe levenscyclus.

Ook de mens is een Mercurius-wezen. In zijn hoofd is de winterse verhardingskracht en in zijn stofwisseling is oplossing en verbranding actief en deze twee uitersten worden door de ritmische (mercurius)organisatie in evenwicht gehouden. In de gezonde mens moet het nooit eenzijdig zomer of winter worden. Ontstaan zomer (of winter) toch, dan moet dat direct weer worden opgeheven. Voor de mens geldt: “De winteractiviteit roept de zomeractiviteit op, de zomeractiviteit de winteractiviteit.” Deze evenwichtstoestand wordt bewerkstelligd door Mercurius en daardoor is Mercurius zowel ruimtelijk als wat betreft de tijd in de mens aanwezig. Zijn pendelbewegingen zijn impliciet, intensief werkzaam; bij de gezonde mens komen ze nooit extensief te voorschijn. Zou de zomer met de verbrandingskracht geisoleerd in de mens actief worden, dan zou ziekte het gevolg zijn. Alle ontstekingen hebben te maken met eenzijdige zomer-zwavel activiteit. Sclerose-ziekten ontstaan door geisoleerde, ziekmakende winteractiviteit. De mens draagt dus de kosmische verhoudingen in zich. De maan als “maatje” van de aarde, die het zonlicht spiegelt, komt ons in onze hersenen microkosmisch tegemoet. Zonder die spiegelfunctie van de hersenen zouden we niet het voorwerp-aardebewustzijn hebben. We zouden dan niet de nuchtere, wereld spiegelende winterse denkers zijn. Maar de maan liet in oude tijden bij zijn uittreding uit de aarde het winterse maanleven achter in de aardkorst. Zo draagt ook de mens in het vrouwelijke organisme de maanachtige baringskrachten in zich. Maand na maand wachten ze op de bevruchting en daardoor de omvorming van maanachtig leven in kiemend aarde-leven. Elk mensenkind dat op aarde ontvangen wordt, daalt als bode van de zon in de “maangrond” van de moederlijke schoot.

Kerstmis, de geboorte van Jezus, voltrekt zich op het hoogtepunt van de aarde-winter. Kijk je terug op de jaarcycli die je in je leven mag doorlopen, dan lijkt het erop alsof elke lente de kracht heeft om de verstarring van de winter geheel en al op te lossen. Kijk je echter naar de geschiedenis van de aarde en de geschiedenis van de mensheid, die daar zo innig mee verbonden is, dan zien we dat de kracht van de winter steeds groter wordt. Het lijkt erop alsof de aarde haar jeugd achter zich gelaten heeft en binnen is getreden in de fase van de ouderdom. De aarde kan de mens niets meer geven van de eens zo levend aanwezige overschotskrachten. De winterse doodsstemming op de ons omgevende aarde-lichamen (de dingen) wordt als maar groter. Maar tegelijkertijd is de maanachtige spiegelkracht van het menselijk bewustzijn en de intellectuele helderheid toegenomen. Daardoor is het ziele-leven van de mens in de moderne tijd steeds meer in een maanachtig geesteslicht gekomen: kil en koud.  Maar ook dit bewustzijn wacht op de bevruchting. De maanachtige intelligentie is de voorwaarde voor de winterse overwinning van de zon in de geestwereld. Maar bevruchting is van node.

De aartsengel, die Maria de komst van de Zonne-held verkondigt, door wie de doof geworden maankwaliteit van de aarde voor de toekomst bevrucht moest worden, is ook een voorbereider en boodschapper van een “geest-bevruchting” van het menselijk bewustzijn. Gabriél (de aartsengel die zo sterk verbonden is met de maan), heeft zich door alle tijden heen verbonden met de erfelijkheid in het menselijk bestaan. Daarbij was de aartsengel actief in het barende maanleven.

Maar nu gaat het om het volgende (Wintersonnenwende in Wahrspruchworte)

DIE SONNE SCHAUE
UM MITTERNÄCHTIGE STUNDE.
MIT STEINEN BAUE
IM LEBLOSEN GRUNDE.

SO FINDE IM NIEDERGANG
UND IN DES TODES NACHT
DER SCHÖPFUNG NEUEN ANFANG
DES MORGENS JUNGE MACHT.

DIE HÖHEN LASS OFFENBAREN
DER GÖTTER EWIGES WORT;
DIE TIEFEN SOLLEN BEWAHREN
DEN FRIEDEVOLLEN HORT.

IM DUNKEL LEBEND
ERSCHAFFE EINE SONNE.
IM STOFFE WEBEND
ERKENNE GEISTESWONNE.

RUDOLF STEINER

Klaus Dumke, Die Drei, december 1991.
Vertaling Wim Maas.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

1155

.