VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14/1)

.

VERHALEN

1)  Het vreemde kind (It);
2)  De herders;
3)  De heilige nacht;
4)  Hoe het sneeuwklokje zijn naam kreeg;
5)  De belofte van de harpspeler;
6) De kerstroos (Marialegende); zie ook nr. 14/2
7) De vogelmelk
8) De lavendel (Marialegende)

1) Het vreemde kind

In een huisje aan de rand van een bos woonde een arme dag­loner die met grote moeite in zijn onderhoud voorzag met houthakken. Hij had een vrouw en twee kinderen, een jongen­ en een meisje; het waren goede, gehoorzame kinderen en zij maakten de vreugde van hun ouders uit. Zij hielpen ook flink mee als het erop aankwam iets te verdienen. Toen deze goede mensen bij elkaar zaten en hun schamel brood aten, werd er zachtjes op de deur geklopt. Buiten sneeuwde het en de wind joeg de vlokken hoog op.
Een fijn stemmetje riep buiten: ‘Ach, laat mij binnen in jullie huis! Ik ben een arm kind en ik heb niets te eten. Onderdak heb ik ook niet en ik sterf bijna van honger en kou. O, laat mij toch binnen!”
De kinderen sprongen op van hun stoel,  openden de deur en riepen:  “Kom toch binnen, arm kind. We hebben zelf niet erg veel, maar we zullen eerlijk met je delen!’
Het vreemde kind kwam binnen, en warmde zijn half bevroren handen en voeten bij de kachel. De kinderen gaven het te eten. Daarna zeiden ze: “Je zult wel moe zijn. Kom, ga maar in ons bed liggen. Wij zullen vannacht op de bank bij de kachel slapen.”
Het vreemde kind antwoordde: “Mijn vader in de hemel dankt jullie daarvoor!”

De kinderen brachten hun kleine gast in hun kamertje, hielpen hem in bed, dekten hem toe en dachten: “Wat hebben wij het nog goed! Wij hebben onze warme kamer en ons lekker bedje. Het arme kind heeft niets dan de hemel als dak en de grond als ligplaats.”
Toen de ouders naar bed gingen, legden de kinderen zich neer op de bank bij de kachel en zeiden tegen elkaar: “Het vreemde kind zal wel genieten in ons warme bed. Slaap lekker!”
De goede kinderen sliepen vast tot de vroege morgenstond. Toen werd de kleine Marie wakker en wekte haar broer: “Valentijn! word wakker! Luister eens naar die mooie muziek!”
Voor het huis hoorden zij muziek en zang. Zij waren een beetje bang en toch weer niet. Voorzichtig slopen zij naar het venster om te zien wat er buiten gebeurde. In het oosten gloeide het morgenrood. Voor het huis zagen zij een aantal kinderen staan. Zij hadden zilverkleurige jurkjes aan en in de hand droegen zij gouden harpen. Terwijl zij verbaasd naar buiten staarden, voelden zij een lichte aanraking op hun schouder. Toen zij omkeken zagen zij het vreemde kind voor hen staan. Het kind zei:  “Ik ben het Christuskind, dat in de wereld rondgaat om goede kinderen geluk en vreugde te brengen. Jullie hebt mij deze nacht geherbergd, omdat jullie dachten, dat ik een arm kind was. Ik geef jullie beiden mijn zegen.”
Toen ging het kind naar buiten en brak een tak van een dennenboom af, die dicht bij het huis stond en zei: “Dit takje plant ik in de grond hier. Het zal een boom worden en ieder jaar vrucht dragen.”
Toen verdwenen zowel het kind als de engelen die gezongen en gespeeld hadden.

Het dennentakje echter groeide en werd een kerstboom. Die was behangen met gouden appeltjes en zilveren noten. Elk jaar bloeit de boom één maal.

In de kersttijd.

(Italiaans kerstverhaal van Fr.Pocci)
.

 2) De herders

U, die Kerstmis houdt, die de heilige tijd viert, hebt u ooit bedacht, waarom het noodzakelijk is, dat er een kind geboren wordt om de wereld te redden? Hier is een kerstverhaal van God, die het Goede is. Het begint ver terug, toen de wereld pas geschapen was.

In den beginne had God twee aartsengelen, op wie Hij bijzonder gesteld was: de ene heette Lucifer, hetgeen Licht betekent, en de andere Michaël, hetgeen Kracht betekent, Zij voerden de hemelse legerscharen aan en stonden, de ene ter linker zijde, de andere ter rechter zijde van Gods troon. Zij waren zijn uitverkoren boodschappers.

Nu diende de aartsengel Michaël God met heel zijn hart en zijn engelenziel. Er was hem geen taak te groot om te volbrengen, geen dienst van duizend jaren was te lang. Maar de aartsengel Lucifer ergerde het een macht te dienen, hoger dan hij zelf. Naarmate het ene duizendtal jaren na het andere verging – en zij waren ieder als één dag ~ verbitterde hij ïn de dienst en werd afgunstig op God. De tijd brak aan, waarop God het heelal zou scheppen. Hij maakte de zon, de maan, de sterren. Hij maakte land en water en scheidde ze. Hij maakte bomen en bloemen, die groeiden, en gras. Hij maakte levende wezens, die de aarde bewandelden en zich daar voedden en Hij maakte vogels in de lucht en vissen in het water. En toen al het andere geschapen was, maakte Hij een man en noemde hem Adam en een vrouw en noemde haar Eva. Het kostte Hem zes hemelse dagen, om dit te scheppen en aan het einde was Hij moe en rustte uit. Terwijl de schepping tot stand kwam en God het allerdrukst bezig was, ging Lucifer heimelijk de hemel rond, Hij sprak met deze engel en met die, fluisterend, steeds fluisterend. Hij sprak met serafijnen en cherubijnen, met iedereen, die naar hem luisteren wilde. En wat hij fluisterde, was dit: ‘Waarom moet God oppermachtig regeren? Waarom moet Hij de enige zijn, die schept en zegt wat er geschapen zal worden? Wij zijn machtig, Wij zijn waard zelf te regeren. Wat zegt gij?’

Hij fluisterde de zes dagen van de schepping lang en toen God uitrustte, voerde Lucifer een schare opstandige engelen tegen God aan. Zij trokken hun vlammende zwaarden en belegerden Gods troon. Maar de aartsengel Michaël trok zijn vurige zwaard. Hij voerde Gods trouwe engelen aan en verdedigde de Hemel. Het leger van Lucifer werd op de vlucht gedreven en zijn veldheren werden gevangen genomen en voor Gods troon geleid. En God sprak: ‘Ik kan u het leven niet ontnemen, want gij zijt hemelse wezens, maar u zult niet langer bekend staan ais de legerscharen van het Licht, U zult de legerscharen der duisternis zijn. Gij, Lucifer, zult de naam van Satan dragen. Gij en allen, die met u in opstand zijn gekomen, moeten elders een koninkrijk zoeken. Maar dit gebied ik u: Iaat de aarde, die ik zojuist geschapen heb, met rust. Bederf niet het werk Mijner handen.’
Aldus sprak God.
Dus werd Lucifer met zijn volgelingen verbannen en voortaan stond hij bekend als Satan. Hij vestigde een koninkrijk onder de aarde en noemde het de hel. Maar omdat God hem bevolen had de aarde niet te beroeren, begeerde hij de aarde voor zichzelf. Hij zond zijn geesten uit om hen, die op aarde geboren waren, te verleiden en slecht te maken.

Zo kwam het, dat de mensen op aarde tenslotte de macht van het kwaad evengoed kenden als die van het goede. Zij voelden de greep van de duisternis zelfs, wanneer zij hun ogen opsloegen naar het licht.
En nu werden de jaren eeuwigheden. De aarde werd bevolkt, in de vier
windhoeken en God keek erop neer en had verdriet. Hij riep de aartsengel Michaël bij zich en sprak: ‘Het is zover gekomen, dat de macht van Satan over de aarde groot is. Mijn engelen kunnen niet langer heersen. Een rijk van vernieling, hebzucht, haat en valse getuigenis is opgericht onder de mensen op aarde, die Ik heb geschapen. Hun harten zijn donker van het kwaad, hun ogen zien het licht niet meer. Ik moet mijn eigen Geest naar de aarde zenden, opdat het kwaad overwonnen wordt. Deze zal door de hemel verwekt worden en op aardse wijze geboren en niemand minder zijn dan Mijn eigen geliefde Zoon.’

Aldus sprak God.

De aarde was verdeeld in landen, sommige groot en machtig, sommige klein en zwak. En de sterke breidden hun macht steeds uit en overwonnen de zwakke met hun legers.
Een van die zwakke, overwonnen landen heette Judea. Te midden van de golvende heuvels, de olijfbossen de weidegronden, en kronkelende rivieren, hadden de mensen een stadje gebouwd, Bethlehem genaamd, de stad van koning David.
En de overwinnaars, de Romeinen, hadden bevolen, dat allen van de stam Isaï naar deze stad moesten gaan om eer te betonen aan Caesar.

Buiten de stad, op de hooggelegen weidegronden, hoedden vele schaapherders hun schapen. En nu geschiedde het, dat God Bethlehem koos als de geboorteplaats van Zijn Zoon en de tijd waarop dit gebeuren zou, zou de tijd zijn waarop de schattingen betaald moesten worden. En omdat schaapherders een eenvoudig geloof hebben en zuiver van hart zijn, waren zij de uitver­korenen, aan wie Hij de komst openbaarde.
En God zond een ster om hun de weg te wijzen en beval de engelen hun het blijde nieuws, zingend te vertellen.

Het was laat in de avond geworden. Op de hoge weidegronden hadden de herders vuren gebouwd om zich warm te houden, en verdwaalde wolven of rovers af te schrikken. Allen sliepen, behalve Esteban, de jongen. Hij alleen zag de engel en hoorde het nieuws. En dadelijk wekte hij de slapenden: ‘Hoort, er is ons juist een engel verschenen, die zong. Wordt wakker, wordt wakker gij allen! Ik geloof dat deze nacht veel voor ons zal betekenen.’
Nu stond Satan op dit ogenblik aan de ingang van de hel. Hij was de laatste tijd onrustig geweest, een gevoel van dreigend onheil beheerste hem. En toen hij naar de aarde keek, zag hij de engel verschijnen. Toen veranderde zijn onrust in angst. Hij riep zijn helse legerscharen op en beval hun zich gereed te maken: ‘Vanavond, zullen we Gods macht over het heelal weer betwisten. We zullen om de aarde vechten en die de onze maken. Ik ga er nu heen. Kom, als ik op de aarde stamp.

Even snel als zijn gedachten gingen, bereikte Satan de aarde. Hij kwam als zwerver, op zijn hoofd een breedgerande hoed, om zijn schouders een mantel, die tot op de grond hing, in zijn hand een staf. Over de aarde reisde hij zoals de bliksem de hemel doorkruist. Nu was hij hier – dan was hij al weer verder. En zo kwam hij aan de hoge weidegronden van Judea en stond aan een van de vuren, waaromheen de schaapherders de wacht hielden. Weer kwam de engel en verkondigde luid Gods nieuws: “Vrees niet, want u is heden in de stad Davids een Messias geboren!’

Satan bedekte zijn gelaat en sprak: ‘Wat betekent die boodschap?’ De schaapherders hurkten neer: ‘Wij weten het niet.’ ‘Wie is die Heiland, die Messias, van wie deze verschijning spreekt?’ ‘Wij weten het niet” Satan liet zijn mantel vallen, opdat ze het vervloekende vuur zouden zien, dat zelfs uit zijn ogen schijnt. ‘Ik gebied u, het te weten!’

Het was Benito, de oudste herder, die vroeg: ‘In de naam van God, wie bent u?’ En Satan antwoordde: ‘In mijn eigen naam, ik ben een zwerver. Eens werd mij een machtig rijk ontnomen. Ik ben hier om dat terug te winnen.’
Zou dit de Heiland zijn, van wie de engelen zongen? De herders kropen dichter en dichter bij elkaar. Zij keken. En zij werden overvallen door angst. Voorwaar, hier was duisternis, geen licht; hier was nameloos kwaad, geen goed. Hier was iemand, die de naam van God had geloochend. En samen riepen zij: ‘Weg van hier, Satan!’ En zij namen brandende takken en legden ze over elkaar, zodat ze kruisen van vuur tussen zichzelf en Satan hadden. Terwijl ze aan het praten waren geweest, was Esteban, de jongen, ver weggegaan om afgedwaalde lammeren te zoeken. Nu ging Satan hem achterna. ‘Jij hoorde de engel zingen. Waar is deze stad Davids?’ ‘Ik weet het niet’. ‘Wie is de Messias?’ ‘Spreekt u over Matthias?’ De jongen was wezenloos van angst. ‘Bedoelt u mijn moeders broeder? Hij is een wijs en trouw herder. Maar hij is ziek. Ik zorg voor zijn schapen.’
‘Idioot! Sukkelt Dwaas!’ De stem van Satan verhief zich als een wervelwind. ‘Door je grote domheid zondig je tégen mij, en dat is verschrikkelijker dan zondigen jegens God. Hiervoor zul je sterven!’
De jongen trachtte zijn mond te openen om genade af te smeken. Maar voordat de woorden konden komen, voordat Satans hand hem kon treffen, werd het onmetelijke hemelruim doorkliefd door een vlammend zwaard, dat tussen de jongen en de duivel gehouden werd en een stem klonk door het grote hemelruim: ‘Gij zult de onnozelen met rust laten!’                                                               [.

Het was de stem van de aartsengel MichaëL Hij stond nu geheel in glanzende wapenrusting naast Esteban en zijn zwaard beschermde hem. En opnieuw sprak hij: ‘Hoe durft gij Gods gebod te overtreden!’

‘Ik durf nog meer te doen dan dat’, sprak Satan spottend. ‘Gods aarde is niet langer van hem, maar van mij. Mijn volgelingen regeren er. Maar vannacht zal ik met u erom vechten. Ik zal hem u ontnemen door het recht van het zwaard en mijn sterkere legerscharen.’

Hij stampte op de grond. Die spleet vaneen en uit het diepste binnenste der aarde kwamen duivels, het ene legioen na het andere, zwaaiend met hun dubbelzijdige zwaarden, gesmeed in de vuren van de hel zelve. Toen stak Michaël zijn zwaard op en zie, een machtige trap, zoals de ladder van Jacob, werd gebouwd tussen hemel en aarde. En langs deze glanzende weg kwamen scharen en nog eens scharen van hemelse legers. En door de hemel weerklonk de kreet: ‘Valt aan!’

Toen werd een slag geleverd tussen de legers der duisternis en van het licht, zoals er sinds het begin aller dingen niet geweest was. En Michaëls zwaard nagelde Satan aan de grond, zodat hij niet op kon staan en Michaëls legerscharen joegen die van Satan op de vlucht, totdat de aardkorst open brak en ze in laaiende vlammen opgeslokt werden.

En toen de aarde van hen bevrijd was, sprak Michaël tot Satan: ‘Gij hebt aan velen vanavond gevraagd, wie de Heiland is, de Messias, Ik zal u antwoorden, verslagene. Hij is de Zoon van God en van de Mens. Hij is de vrede. Hij is de liefde. Hij is iemand, tegen wie uw kwaad geen stand kan houden. Want op God na is hij oppermachtig’.

Het gelaat van de aartsengel Michaël, louter goedheid, louter kracht, straalde van het licht van de alles overwinnende hemel en Satan, die overeind krabbelde, keek er naar op en haatte het. ‘Nu ben ik overwonnen, maar wacht nog duizend jaar, twee duizend!’

Intussen sloeg Esteban, de jongen, alles gade. En toen Satan terugkroop naar de hel, beval Michaël Esteban om de herders naar Bethlehem te leiden, opdat ze hun Heiland zouden kunnen aanschouwen en hem aanbidden.
En toen de jongen zich bij de herders rond het vuur voegde, verscheen de engel weer, ten derde male, en bij hem was een schare van het hemelse heirleger, prijzende God en zingende Halleluja!

En boven hen allen scheen een ster, zo groot als zij nooit tevoren aan de hemel gezien hadden.

Maar van de velen, die die nacht hun kudden hoedden, waren er slechts weinigen, die er acht op sloegen. Dezen hulden zich in hun mantels en volgden Esteban, de jongen. Onder het lopen wees hij hun op de rijen engelen, die in stralende wapenrusting de kanten van de weg bewaakten. Maar niemand dan de jongen zag ze. Toch steeg in ieders hart een grote vreugde op, zodat alle herders zich wel in een lied moesten uitspreken; Benito, de oudste, gaf hun de woorden voor het begin:

Gindse ster
Aan de hemel
Wijst de kribbe
Waar Hij ligt.

Toen nam Andres de wijs over en schonk hun het tweede vers om te zingen:

Vreugde en gelach
Zang en vrolijkheid
Luiden de geboorte
Van onze Heiland in.

Miguel verhief zijn stem, die sterk aanzwol van dankbaarheid:

Nu, is er goede wil
Onder de mensen,
Roept het uit, broeders,
Roept het uit.

Carlos nam het lied van hem over en gaf het vol vreugde aan de anderen door:

Vrede zij er dan
Onder ons allen,
Onder de grote volken
En onder de kleine.

Esteban gaf hun de woorden voor het laatste vers, en hij zong het tot het einde van de weg, en leidde hen naar de stal:

Laat iedere herder
Zijn stem verheffen,
Tot de hele wereld zich verheugt.
Tot allen eenstemmig
Zullen zingen,
Ere zij onze Heiland
En koning!

De ster boven hun hoofd verlichtte de weg, die naar de stal voerde. Binnen vonden zij een zeer schone, jonge vrouw en op het stro naast haar een pasgeboren kind.
Benito uitte de vraag, die op aller lippen lag: ‘Wat is uw naam, o vrouw?’
‘Men noemt mij Maria.’                                                              ‘
‘En die van het Kind?’ ‘Hij heet Jezus.’
Benito knielde. ‘Nene Jesus, kleine Jezus, de engelen hebben ons gezonden om u te aanbidden. Wij brengen u onze schamele gaven. Hier is een jong haantje voor u.’
Benito legde het op het stro naast het kind, stond toen op en riep: ‘Andres, het is uw beurt.’
Andres knielde: ‘Ik breng u een mandje vijgen, klein kind. Carlos, uw beurt’.
Carlos knielde, en hield het Kind een herdersfluit voor. ‘Ik heb hem zelf gemaakt. U zult er op spelen, als u groter bent. Juan, wat heb jij?’
Juan knielde. ‘Hier is wat kaas, goede geitenkaas.’

Om de beurt knielden zij, alle herders, totdat allen, behalve Esteban, de jongen hun gaven gegeven hadden.

‘Helaas, kleine Jezus, ik heb weinig voor U. Maar hier zijn de linten van mijn muts. Vindt U ze mooi? Ja? En nu bid ik: Zegen alle herders. Geef ons de gave anderen de liefde bij te brengen voor alles wat zacht en teer is in ons hart. Geef ons, dat wij altijd Uw ster zien in deze nacht, de nacht van Uw geboorte. En houd onze ogen altijd opgeslagen naar de.verre heuvels.’
En toen ze hun gebed uitgesproken hadden en allen hun gaven gegeven hadden, verdwenen de herders zingend in de nacht.

(Ruth Sawyer, nadere gegevens onbekend)
.

3) De heilige nacht

Het gebeurde eens, lang geleden, dat door een grote stad een vrouw liep. Je kon zien aan haar gang dat ze zó moe was; zij sleepte zich voort, klopte aan iedere deur aan en klaagde:
‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan,
Heeft geen plaats voor een beddeke staan.

Maar de deuren bleven gesloten.
Toen verzuchtte de vrouw: “De mensen horen mij niet, misschien verstaan de dieren mij wel”.

En zo verliet zij de stad. ’t Werd donker en een voor een pinkten de sterren tevoorschijn. ’t Was koud, ijs en sneeuw lagen over de velden. De vrouw wandelde vermoeid voort tot zij kwam bij een stal, die een­zaam en verlaten stond, geen boerderij was in de omtrek te bekennen.
En toch was er leven in die stal; een os en een ezel woonden daar samen en leefden tevreden met elkaar.
Ook daar klopte de vrouw aan en begon weer:

‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan.
Heeft geen plaats voor een beddeke staan’.

Maar het was of de wind haar woorden meenam. Toch hoorden de dieren haar en de deur werd voor haar geopend, en zij lieten haar binnen en verwarmden haar verstijfde leden met hun warme adem.

Het was in diezelfde tijd dat een broertje en een zusje in een klein kamertje bijeen zaten en wachtten op hun moeder die maar niet thuis kwam. Ze was die morgen al vroeg weggegaan naar haar werk.

’t Werd al donkerder en donkerder en het meisje begon te huilen.
‘Wees nu maar stil,’ troostte het broertje,  ‘als moeder komt zal zij de
kerstkaarsen aansteken’.                                       .

En zo spraken zij erover hoe dat zou zijn als een voor een de lichtjes aan gloeiden en alles in de kamer anders zou worden. Eindelijk kwam de moeder thuis, maar zij stak alleen de lamp aan en deed alsof het een gewone avond was.
Toen vroeg het meisje: “Moeder, steek je de kaarsen niet aan ?” en het jongetje drong aan: “Het is toch kerstnacht”.

Boze, harde woorden kwamen uit de mond van de moeder: “Heilige Nacht ? Dat was eens, lang geleden, als er ooit een heilige nacht geweest is! Er is geen liefde meer op aarde, wij hebben geen geld om kerstfeest te vieren”.

En met deze woorden zette ze het karig maal op tafel. Daarna zijn ze alle drie stilletjes naar bed gegaan.

De moeder sliep al gauw in, maar de twee kinderen bleven wakker. ‘t Was of ze op iets lagen te wachten, zou er dan toch nog iets gebeuren? Luister, daar werd op het raam getikt en toen ze samen naar buiten keken, zagen ze de os en de ezel staan en hoorden hen roepen;
“Er is iets in de stal geschied,
Komt, komt en ziet.”

Toen ze dat hoorden glipten ze stilletjes hun bed uit. In hun haast vergaten zij zich aan te kleden en op hun tenen om hun moeder niet te wekken, slopen ze in hun hemdje de straat op. Os en ezel namen hen op hun warme rug en liepen de slapende stad uit tot ze bij het bos kwamen. Nogmaals riepen os en ezel:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.”

Daar kwamen uit alle hoeken en gaten alle dieren tevoorschijn, wilde en tamme tezamen.

Wat liep, kroop en vloog kwamen achter os en ezel aan die met de kin­deren op de rug de weg wezen.

Eindelijk na een lange tocht door het bos en over het veld stonden ze stil bij de stal waar os en ezel hun woning hadden.

Toen riepen ze voor de laatste maal:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.’

De sterren glansden nog helderder alsof de hemel zijn ogen opsloeg. Allen verdrongen zich in de stal om te zien wat daar wel gebeurd was. Zij zagen een vrouw met een kindje dat deze nacht geboren was. Lieflijk lag het daar in het hooi,  maar het had niets aan, de moeder had geen doeken om het in te winden.

Het broertje en zusje zagen dat en trokken hun hemdjes uit en gaven het aan de moeder voor haar kind.

Zij merkten niet dat zij nu net zo bloot waren als het kindje; ze keken toe hoe licht het werd in de stal en hoe hoog.
Zij zagen engelen afdalen, deze zongen en wiegden het kind. De vrouw zag er in de glans van het licht als een koningin uit. Liefderijk boog zij zich over de kinderen,  streelde de dieren en ver­gat er geen een!

Toen brachten os en ezel het broertje en zusje weer naar huis.
Hoe verbaast was de moeder toen zij haar slapende kinderen de
volgende morgen zag.                                                                                  !,

Ze hadden beiden een nieuw hemdje aan van zijde die je nergens op
aarde zult vinden.

(Naar een Duits verhaal van Christel Sprengel)
.

4) Hoe het sneeuwklokje zijn naam kreeg*

Het was zomer toen God de vader de aarde schiep en alle kleuren verdeelde. Alleen de sneeuw werd vergeten. De engelen hielpen mee. Het gras werd groen, de rozen rood en de hemel blauw. En zo kreeg alles zijn kleur. Maar toen de sneeuw naar beneden dwarrelde, had ze geen kleur en ze stapte naar God en sprak: ‘Moet ik zo door de wereld gaan?’

Nee, dat was niet de bedoeling, maar helaas waren de kleuren op en zat er voor de sneeuw niets anders op dan door de wereld te trekken en iemand bereid te vinden zijn kleur met de sneeuw te delen.

Eerst kwam de sneeuw bij de roos. Maar die wilde niet delen. Ze riep: ‘Koude sneeuw, ga weg of ik prik je met mijn doorns, want jij bijt mijn bladeren en knoppen af!’
Ook bij de gele dotters ving de sneeuw bot. ‘Wij hebben geen geel over’, spraken ze, “wees liever blij dat niemand je koude vlokken kan zien!’
Toen de sneeuw verder trok en bij de blauwe klokjes kwam, verborgen deze zich angstig in het gras. Voort ging de sneeuw van bloem tot bloem, naar de stenen en het gras, naar de bomen en de zee, zelfs naar de mensen en de dieren, maar niemand wilde zijn kleur delen.

Ten slotte bleef er nog een klein wit bloempje over. ‘Jij bent de laatste aan wie ik het kan vragen’, sprak de sneeuw verdrietig, “maar je zult ook wel niet willen delen’.
Het bloempje evenwel sprak: ‘Als je werkelijk wit wilt worden, dan weet ik wel raad. Want het zou erg gesteld zijn met Gods schepping, wanneer niemand wat hartenwarmte heeft om zijn kleur met je te delen’.
En het bloempje schraapte iets van zijn witte kelkje en gaf dit aan de sneeuw. En zo kreeg de sneeuw de helderste en reinste kleur van alle schepselen.
En tot het bloempje sprak de sneeuw: ‘Jij zult in de lente de eerste zijn. En zelfs als je door mijn kleed heen groeit zal ik je nog geen pijn doen’.

En dit bloempje was natuurlijk het sneeuwklokje en als je goed kijkt zie je dat het kleine groene puntjes heeft op de plek waar het iets van zijn witte pracht heeft afgeschraapt om met de sneeuw te delen.

*deze titel gaf ik er aan – er stond slechts: een Noors volksverhaal. Bron onbekend)

5) De belofte van de harpspeler

Er was eens een harpspeler, die zó mooi kon spelen en zulke prachtige liederen kon zingen, dat hij over het gehele land beroemd was.
Eindelijk hoorde ook de koning zulke wonderen vertellen van zijn kunst, dat hij dadelijk een paar boden uitzond om hem te vragen, of hij mee wou gaan naar het paleis, om voor de koning te spelen en te zingen. De koning was zo verlangend hem te horen, dat hij aan zijn afgezanten deze boodschap meegaf: “Ik zal niet eten en niet slapen, voor ik uw aangezicht gezien en de tonen van uw harp gehoord heb”.
Ze moesten deze woorden net zo lang voor de koning opzeggen, totdat ze ze wel konden dromen; toen eerst gingen zij op weg.

Bij het huisje van de harpspeler aangekomen, riepen ze: “Heil U, o harpspeler ! Kom buiten en luister naar ons, want we hebben U iets te vertellen, dat U zal verheugen !”

Maar toen de harpspeler de boodschap van de koning vernam, werd hij bedroefd, want hij had een vrouw en een kind en een klein, bruin hondje! Hij zag er tegen op hen tegen Kerstmis te verlaten. En zij zagen er tegenop hem te moeten missen.

“Blijf toch bij ons”, smeekten ze; maar de harpspeler antwoordde:
“Ik moet gaan – het zou heel onbeleefd zijn om de koning teleur te stellen; maar zo zeker als de hulstbessen rood zijn en de dennenbomen groen, even zeker zal ik met Kerstmis thuis zijn om mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard”.

En nadat hij deze belofte had uitgesproken, hing hij zijn harp op zijn rug en volgde de boden van de koning naar het paleis.
Hij werd met veel eerbewijzen ontvangen. De koning deed alles wat hij kon, om hem plezier te doen. Hij sliep op een bed van het zachtste dons en at van een gouden bord aan de koninklijke tafel; en als hij zong en speelde, luisterden alle mensen en alle dieren, vanaf de koning tot aan de muizen in de provisiekamer, met ingehouden adem naar de muziek.
Maar bij alles wat hij deed: feestvieren, rusten, spelen, zingen of luisteren naar de lof, die iedereen hem toezwaaide, vergat hij geen ogenblik de belofte die hij gegeven had aan zijn vrouw, zijn kind en zijn klein bruin hondje.

En toen nu de dag voor Kerstmis was aangebroken, nam hij zijn harp in de hand en ging naar de koning om afscheid te nemen. Maar de koning wou hem niet missen. Hij zei: ‘Ik zal u een paard geven, zo wit als melk, zo glanzend als satijn en zo vlug als een hert, als ge hier wilt blijven en op kerstdag spelen en zingen aan de voet van mijn troon’. Maar de harpspeler antwoordde: “Ik kan niet langer blijven, want ik heb een vrouw en een kind en een klein bruin hondje en ik heb hen beloofd, dat ik met Kerstmis thuis zou zijn, om mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard’. Toen zei de koning: “Als ge hier wilt blijven en op kerstdag spelen en zingen aan de voet van mijn troon, zal ik U een wonderboom geven, die zomer noch winter zijn bladeren verliest en elke keer, wanneer ge dit boompje schudt, zal er een regen van goud en zilver voor uw voeten vallen”.

Maar de harpspeler antwoordde: “Ik mag niet langer blijven, want mijn vrouw en mijn kind en mijn klein bruin hondje wachten op me en ik heb hun mijn woord gegeven, dat ik met Kerstmis thuis zou komen om mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard”.

Maar de koning liet zich niet afschrikken.

“Als ge op de kerstdag een wijsje voor me speelt en een lied voor me zingt, zal ik U een fluwelen kleed geven en ge moogt naast mij zitten op de troon, met een ring aan uw vinger en een kroon op uw hoofd”.

Maar de harpspeler antwoordde: “Ik wil niet langer blijven, want mijn vrouw en mijn kind en mijn klein bruin hondje kijken al naar mij uit; en ik heb vast beloofd, dat ik op Kerstmis thuis zou zijn, om mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard”.
En hij wikkelde zich in zijn oude mantel, hing zijn harp op de rug en verliet het paleis zonder verder een woord te spreken.

Hij had nog niet ver gelopen, toen veel kleine, witte sneeuwvlokjes uit de lucht naar beneden kwamen fladderen. ’t Was of ze fluisterden: “Bedenk wat je doet. Bedenk je goed. Je gaat een moeilijke reis tegemoet”. Maar de harpspeler zei: “Ja, ja, ik weet wel, dat de lucht donker is en er zeker veel sneeuw zal vallen, maar ik heb een vrouw en een kind en een klein, bruin hondje en ik heb hen vast beloofd, dat ik met Kerstmis thuis zou zijn om mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard”.

Maar het begon al harder en harder te sneeuwen en weldra waren alle heu­vels en dalen, heggen en sloten bedekt met een dik wit tapijt. Van alle paden en wegen was niets meer te zien en de wind joeg de sneeuw op hoge wallen, midden over de grote weg.

De harpspeler struikelde, de harpspeler viel, maar hij dacht er niet aan, terug te keren!

Terwijl hij verder reisde, ontmoette hij de wind. En de wind zei: “Harpspeler, harpspeler, wees toch wijs! Keer terug naar het paleis”. Maar de harpspeler luisterde niet naar die raad. Hij zei: “De sneeuw moge vallen en de storm moge loeien, ik moet doorlopen! Want ik heb een vrouw en een kind en een klein bruin hondje en ik heb hen vast beloofd, dat ik met Kerstmis thuis zou zijn om mee te eten van de kerst­pudding en kerstliederen te zingen aan mijn eigen haard”.
Toen begon de wind ijzig koud te blazen! De sneeuw bevroor in de lucht en aan de rotsen langs de weg hingen ijspegels, zo lang als het zwaard van de koning.

De bomen van het woud kraakten, terwijl zij bogen voor de felle wind en het was nét of ze hem allemaal toeriepen:

“t Woud is duister; de nacht breekt aan
Waag het niet daar binnen te gaan !”
Maar de harpspeler liet zich door niets terughouden. Hij zei: “De
sneeuw moge vallen, de storm loeien en de nacht moge mij overvallen
in het donkere woud, maar ik heb beloofd met Kerstmis thuis te zijn om
mee te eten van de kerstpudding en kerstliederen te zingen aan mijn
eigen haard”.

En voort zwoegde hij, totdat het laatste glimpje van het daglicht
verdween en de duisternis zwaar tussen de bomen hing. Maar de harpspeler
was niet bang in het donker! “Al kan ik ook niet zien”, zei hij, “dan
kan ik tenminste nog zingen!”

En jubelend klonk een vroom kerstlied door het bos. Een lied van Jezus’ geboorte, van de engelen, die zongen en van de ster, die straalde boven de stal van Bethlehem.

Toen hield het op met sneeuwen, de wind ging liggen, de bomen van het woud bogen zich om te luisteren en – o – wonder! terwijl hij zong, ver­anderde de duisternis rondom in een stralend licht en toen het lied uit was en de harpspeler opkeek, stond hij vlak voor de open deur van zijn. eigen huis.

Zijn vrouw en zijn kind en zijn klein bruin hondje hadden al lang naar hem staan uitkijken en ze verwelkomden de harpspeler met luid gejubel!

De hulstbessen blonken helder rood in de kerstkransen, de kerstboom was
een frisgroen jong sparretje; de kerstpudding was zwart van pruimen en 
de harpspeler voelde zich gelukkiger dan een koning toen hij aan zijn
eigen haard al de oude kerstliederen zong voor zijn vrouw, zijn kind
en zijn klein bruin hondje.

schoolkrant onbekend, met onderschrift: schrijver onbekend, uit ‘Lichten van de kersttijd’ Hermien IJzerman

6) de kerstroos

“Die bloem van wond’ren luister
waarvan Jesaja sprak,
Bloeid’ op, toen door het duister
het licht der wereld brak’,

luidt een oud kerstlied. Die bloem is de kerstroos, aan de grond ontsproten door de vurige wens van het dochtertje van een der herders, de kleine Jezus een geschenk te geven.
Het kleine meisje was echter zo arm dat ze niets bezat om weg te geven. Ze probeerde een bloempje te vinden op de velden van Efrata, maar vergeefs, elk sprietje groen was bedekt door een dik pak sneeuw.
Een engel die medelijden had met het kind, daalde uit de hemel en beroerde met zijn vleugels de sneeuw. Overal sprongen toen de kerstrozen uit de aarde, waarvan het meisje een grote bos plukte en naar de kleine Jezus bracht.

(bron onbekend)

7) vogelmelk

Nadat de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten de weg naar het kind Jezus had gewezen, spatte zij in duizen­den stukjes uiteen. Elk zo’n stukje werd een helder wit bloempje dat de hele nacht na Christus geboorte schitterend bloeide.
Sindsdien draagt de Vogelmelk ieder jaar een overvloedige hoeveelheid witte kelkjes, en eigenlijk is deze plant dus de ware Ster van Bethlehem.

(bron onbekend)

8) lavendel

Enkele dagen na de geboorte van Jezus, ging Maria in een beekje de kleren van haar kind wassen. Toen zij ze op de oever te drogen wilde leggen, zag ze daar een onooglijk gewas staan. Om de andere bloemen en planten te sparen, besloot zij de kleertjes op deze plant te leggen. Toen zij na enige tijd terugkwam, merkte ze tot haar verwondering dat het gehele veld vervuld was van een heerlijke geur.
Niet wetend waar dit verrukkelijk aroma vandaan kwam, ging zij op zoek naar de plek waar zij haar wasgoed had achtergelaten. Nergens was het onaanzienlijke plantje meer te ontdekken. Plotseling stond de engel Gabriël voor haar en sprak: “Gezegend zij deze plant boven alle andere. Hij werd verkozen de kleren van het Kind te drogen en daarom zal hij vanaf heden bloemen dragen die de geur van het Paradijs verspreiden”.
Maria zag nu dat de plant prachtige, blauwe bloemen had gekregen en zij plukte een takje af en stak het tussen haar kleed, opdat de geur van het Paradijs haar altijd zou vergezellen.
.

(bron onbekend)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

386-364

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 
Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14/1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Kerstmis – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.