Tagarchief: kerstspel Oberufer

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (2)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Na lied nr. 4 zit Maria op een krukje, Jozef staat naast haar.

Josef spreeckt:

Jozef pessimistisch, Maria optimistisch; Jozef oud, zeurderig, Maria jong, onbevangen.

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
dat allet volck te saem sal syn bescreven
end elck van stonden aen sonder respyt
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
Wyl nu voor onse nootdruft wierdt besteet
het geldt so ick terzyde legghen deet,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
alsulck ellend geclaegt sy god de heer
verslagenheid

‘k En weet oock geen middel hoe geldt becomen,
myn kragten hebben of genomen,
het hantwerck wierdtme alree te swaer –
dat wil my bedroeven voor ende naer.
Alevel willic sonder draelen
Augustus dit tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria spreeckt:

D. Maria bescheiden de handen strekkend, vriendelijk, troostend, rustgevend, hartelijk

0 Josef en laetet u niet verdrieten,
die som salmen wel veur willen schieten;
ick spreecker een vrund aen te morghen,
syt hier om sonder sorghen.

Jozef spreeckt:

Maria wie isser so wel gestelt
om ons verstrecken so veul geldt?
de schaerschte heerscht aen alle kant.
(even stil)

Wy willent legghen in gods hant.

Maria spreeckt:

D. hoofdschuddend

Als geenderlei midd’len te vinden en syn
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
en leydent nae Bethehem met spoet
alwaer Augustus ons heentyen doet,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
so macht noch goet afloopen.

Jozef spreeckt:

Eerst bijna beledigd, maar hij wordt nu steeds optimistischer.

Soome veur de beschrvvinck het osjen geven
hoe onderhouwemme verder ons leven?
daer op ick al hope ende heul had gebout
om een kleynicheyt het vercoopen soud?
Edoch, waert geldt van noode is
het minste quaat geboden is.
Maria het eselken bringt ereis aen,
ick sal mettet osjen nevens u gaen.

D. Ze lopen naar het kripje en nemen os en ezel mee en lopen daarmee over het toneel. Wanneer ze achter de boom zijn, gaat de engel staan en leidt de kompany het toneel op. Ze lopen over het toneel en zingen lied 5 twee keer.
Tijdens deze gang gaan de waarden en de engel achter het toneel, terwijl de anderen weer terug gaan naar hun plaatsen.
DH De engel en de waarden zijn al achter de coulissen gebleven. Jozef en Maria lopen naar links, terwijl de spelers de melodie van 5 (=3) neuriën.

Maria spreeckt:

Langzaam verliet Maria de moed, Jozef wordt krachtiger

Comen wy nu ter stadt so meteenen
waer brignhenme os ende eselken henen?

Jozef spreeckt:

Een man is my aldaer bekent.
Rufinus, houdt een losament;
daer sullenme ondercomen vinden;
os end’ eselke in den stalle binden.

Maria spreeckt:

So efter vreemden waren gecomen
en al de plaetse waar’ in genomen? 
wyl dat veul volos van alderhant wys,
slagh ende soort alsnu nae Betlem reyst.
Jozef vertwijfeld de handen omhoog: onzekerheid

Josef spreeckt:

Jozef tuurt met hand boven ogen

Maria ick sien de stadt op daegen,
wy willent vee een weinigh jaegen
dat niet de poorte quam te sluyten
enm’ overnagten mosten daer buyten.

Jozef is wat harder gaan lopen, Maria blijft enkele passen achter; hij drijft ook het vee naar voren; Maria blijft dan staan.

Maria spreeckt:

0 Josef en haest so ras niet voort,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
de baen is ach so gladt van ys,
ick vreze te vallen telken reis,
van coude syn my de leden bevaen
ick vreze het mogt my qualich vergaen.

Jozef houdt in; luistert, draait zich om en keert terug; legt een arm om Maria; ze lopen weer langzaam verder.

Josef spreeckt:

tavond wenme ons wit bereycken
sullenme soetjens de leden bestrycken
met doecken so heet,
(kleine Pauze) optimistisch

Maria siet aen,
alreets wy voor die herberghe staen.

Ze zijn nu op de plaats waar Rufinus achter de coulissen links staat. Jozef stampt met zijn stok op de vloer

(de waert comt)

Kijkt meer naar publiek dan naar J en M

God gheef u genavend myn goe Rufyn,
meughenme te nagt in u herberghe syn?
wy comen moey van langhe togt,
so als elck reysersman wel kennen moght.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
de snerpende windt het gesight schier ontvelt.
D ze wrijven over arm en wang

De waert spreeckt:

Maakt gebaren vanuit de ellebogen, kijkt Jozef nauwelijks aan

Vriendt, wilt u gaôdingh elder soecken, 
hier ist beset in alle hoecken
van kelder tot solder vroegh ende spâ
het is sowaer als ick hier stae
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort –

D. tijdens de laatste zinnen richt de waard zich trots op en slaat met de hand op zijn borst.
Nu lopen J en M achter de boom langs naar de overkant van het toneel.

Jozef spreeckt

Nu en ken ick lacie geen ander man
so ons behulpigh wesen can,
doch laet ons hierom niet versaghen
en voort op nieus een poginck wagen,
den gebuere bidden met heuschen groet
of hy bygeval ons beherbergen doet.

Jozef stampt weer 3x op de vloer; DH idem
(een andere waert, Servilus komt)

Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
datm’ een wyltydts gerusten connen!

De waert spreeckt:

Laatdunkend kijkend, vijandig. Als hij ze wegstuurt en zijn arm strekt, dan de rechterarm (de linker maakt a.h.w. een afsluiting naar het publiek)
Jozef wat onderdanig voor het contrast. De waard spreekt fel, consonantisch

Wat moetghe hier ghy mit u wyf
blyft bedelvolleck my vant lyf!
Van andren hebbic meer gewin,
landloopers laetmen hier niet in.
Wech van myb deyr en packt u voort
dat ghy my langer niet en stoort (af)
J en M deinzen terug; waard keert zich om en kijkt niet meer om

Maria een paar passen naar voren, naar publiek:

Maria spreeckt:

Ze heft haar handen

Erbarmen mooch hem den rycken god|
datmehenen gaenemet sulcken spot
van coude end’ anghst ‘et besterven,
geen toevlugt en meugen verwerven

Intussen is waard Titus, met lantaarntje, verschenen en komt langzaam naar Maria toe.

De waert spreeckt:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
wat sytghe alsoseer verslaegen?
ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
’t huys tot de nok vol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
gaet in den stal, daôr sit ghy goet.

Maria spreeckt:

Jozef staat links, Titus in’t midden Maria rechts

Ach baeslief, ons ist eenerley
oft beddeken hart ofte sagte sy
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.

De waert spreeckt:

Treet dan getroost in elck geval
tot myn huys leegh is, in den stal.

Titus voorop, J + M volgen naar krukjes. Waard zet lantaarntje neer; Jozef helpt Maria te gaan zitten en moet dan ook haar mantel die straks bij de geboorte omhoog moet kunnen, vrij laten hangen (zodat M er niet op gaat zitten)

Josef singht (No.6)

(sy setten haer op een krucksken)
Een verwarrend regeltje: dit ‘zsy’ kan betekenen: Jozef en de waard; maar zowel in D als DH is de waard al vertrokken; dan zou ‘sy’ meervoud kunnen zijn van ‘zich’, dat veronderstelt dat ze beiden gaan zitten, maar zowel in D als DH: Jozef blijft staan.

Maria singht (No.6)|

D. Jozef gaat zitten

Josef spreeckt:

Hij is nu veel optimistischer

Mettet kriecken van den uchtend gae
ick totten slagter in Kana;
ons osjen sallic hem offreeren,
sien wat hy hiervoor uyt wilt keeren
daermet ick meughe sonder draelen
Augustus dat tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria blijft wat aan de sombere kant

Maria spreeckt;

Bringht wel het dierken so veul op
dattet geldt ons langht?

Josef spreeckt:

Hier op betrout,
tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
(even rust)

Maria spreeckt:

Maria spreekt met groot wonder in haar stem, a.h.w. een visioen

Ach Josef ’t uur is reets op handen
dattic verlost worde van myn banden,
naby is de gheboorte tyt
daer van Gabriël my heeft aangeseyt

D. Jozef zit naast Maria. DH Het wonder is a.h.w. te groots voor Jozef, te onaards; hij maakt het niet mee; hij wendt zich af. Hij kan ook een paar passen richting coulissen gaan staan, maar dan is het wel handig dat hij al die tijd al rechts (vanuit de zaal gezien) heeft gestaan; dat is ook handiger voor de engel die nu uit het midden van de coulissen aankomt.
Op het lied ‘Een roze fris ontloken’ gaat de ster naar beneden en tegelijkertijd de armen van Maria omhoog, als een euritmische A overgaand in O, dan is het kind ontvangen. De ster gaat omhoog, de engel schrijdt achterwaarts weg en Maria kijkt liefdevol in haar armen

Maria spreeckt:

Hieromrne bid den kasteleyn
oft wy in syn losament mogten syn.
Het is alsof Jozef wakker wordt en hij kijkt alsof hij het kind nog niet heeft gezien en antwoordt eerst:

Josef spreeckt:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
Maar dan realiseert hij zich de situatie: hij ziet het kind:
D heeft dat iets anders: Jozef staat op, kijkt eerst naar het kind en spreekt:

doch wilic totten waert gaen opterstond
en sien in syne woninck rond
oft niet een hoecksken over en waere.

Jozef pakt het lantaarntje en stampt 3x met zijn stok. Titus komt

(de waert comt)

Josef spreeckt:

Baes Titus daer wierdt ons een kind geboren
D. de waard maakt duidelijk verbluft te zijn en slaat op zijn bovenbeen
DH Titus schrikt. Zegt wel dat hij het wel zou willen doen, maar…er moet dus ook wat onverschilligheid klinken.

‘tister van nagt bykans bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
in u losament binnen te gaen.

De waert spreeckt:

Waerlic vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
als niet kreck tweu dousyn gecomen en waren,
houden alle hoecken en gaeten beset,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur comt immer plaets te cort.
D. bij de laatste regels slaat de waard trots op zijn borst

Josef spreeckt:

Jozef komt terug en zet het lantaarntje alvast zo dat het het kribje niet in de weg staat

Maria ons bidden is al verloren,
we blyven in den stal gelyck te voren
maer dattet kind niet koud en hebbe
legh ’t tusschen os en eselke in de krebbe.

Jozef legt zijn stok neer, haalt de kribbe achter de krukjes en zet deze vóór Maria. Dan pakt hij zijn mantel en maakt deze breed, Maria legt het kindje in de kribbe. Jozef pakt zijn stok weer en gaat naast Maria staan.

Maria singht: (No.7)

Wanneer ze om ‘een handeken hooys’ vraagt, geeft Jozef haar dat aan en zij legt het in de kribbe.

Josef singht: (No.7)

Maria singht: (No.7)

Als ze zingt ‘wiegt er met mij’ knielt Josef en zingt zittend:
D. Josef knielt al bij “Myn hert en wil’

Josef singt (No.7)

Einde lied staat Jozef op.

Maria singht (No.7)

De engel komt met de ster en staat achter Maria met een breed gebaar van beide armen
Einde lied: engel gaat naar achter – achter de boom.
De akkoorden van lied N0.8 klinken.
De kompany gaat staan en gaat het toneel op. De volgorde is dan: stz. de 4 herders; op het toneel komt de engel achter de boom vandaan en loopt voor de stz. Ook de waarden hebben zich ‘logisch’ aangesloten achter de herders. Ze trekken langs de Heilige familie D. J en M wiegen het kind en groeten met armgebaren.
D. de engel gaat na het lied van Maria het toneel af en haalt de kompany op. Die loopt eerst door de zaal en dan het toneel op langs de kribbe. Jozef is gaan zitten. DH ook. Opvallend is dat de sterrenzanger hier de ster uitgeschaard heeft. DH niet.
Wanneer in D de kompany weer op het toneel is, blijft de engel even voor de kribbe staan en laat de ster dalen, dat doet ook de sterrenzanger met zijn ster. Dan lopen ze verder, gaan naast elkaar staan en zingen het lied uit. De ster van de sterrenzanger wordt ingeklapt. De engel leidt ieder van het toneel af. De waarden gaan op de banken zitten, de engel en de 4 herders gaan het toneel op naar achteren. Er is een kleine pauze, terwijl Jozef en Maria op het toneel zijn. Dan verschijnt op de achtergrond Gallus.
DH het 2e couplet is een ommegang door de zaal. Daar blijven de 4 herders achter. De waarden en de stz., soms ook Crispijn gaan op de banken zitten, de engel gaat het toneel op en gaat achter de coulissen midden weg. (Of ze staat achter de boom).

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ 
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

2252

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (11)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 01-01-1923  [2]
nach dem Brand des Goetheanum in der Silvesternacht 1922I23,

vor dem Dreikönig-Spiel

blz. 75

Meine lieben Freunde! Der große Schmerz versteht zu schweigen über dasjenige, was er fühlt. Und deshalb werden Sie mich auch verstehen, wenn ich ganz wenige Worte nur, bevor wir das Dreikönig-Spiel beginnen, zu Ihnen spreche.
Das Werk, welches durch die aufopfernde Liebe und Hingabe zahlreicher für unsere Bewegung begeisterter Freunde innerhalb von zehn Jahren geschaffen worden ist, ist in einer Nacht vernichtet worden. Es muß selbstverständlich gerade heute der schweigende Schmerz aber empfinden, wie unendliche Liebe und Sorgfalt unserer Freunde

Toespraak Dornach 01-01-1923 [2]
na de brand  van het Goetheanum in de oudejaarsnacht 1922/23 voor het Driekoningenspel

Beste vrienden! Het grote verdriet weet te zwijgern over wat het voelt. 
En daarom zal u mij begrijpen wanneer ik heel weinig woorden slechts, voor we met het Driekonigenspel beginnen, tot u spreek.
Het werk dat in tien jaar is verricht door de opofferende liefde en toewijding van de talloze vrienden die zoveel enthousiasme hebben voor onze beweging, is in één nacht vernietigd. Het stille verdriet moet vanzelfsprekend vandaag ervaren wat voor grenzeloze liefde en zorg onze vrienden

blz. 76

in dieses Werk hineingetan war. Und dabei möchte ich es zunächst, meine lieben Freunde, eigentlich bewenden lassen.
Ich möchte nur sagen, daß nun auch für das Werk, das allerdings eine allzu kurze Zeit noch schien, als ob es ein Werk der Rettung werden könnte, und für welches wiederum die hingebungsvollste aufopferungsvollste Arbeit, sogar zuweilen recht gefährliche Arbeit von manchem unserer Freunde geleistet worden ist, der allerinnigste Dank gebührt, der ausgesprochen werden kann aus dem Geiste unserer Bewegung.
Da wir von dem Gefühl ausgehen, daß alles dasjenige, was wir in- nerhalb unserer Bewegung tun, eine Notwendigkeit innerhalb der gegenwärtigen Menschheitszivilisation ist, so wollen wir das, was beabsichtigt ist, in dem Rahmen, der uns noch gelassen worden ist, möglichst fortführen, und deshalb auch in dieser Stunde, wo sogar noch die uns so sehr zum Schmerze steigenden Flammen draußen brennen, jenes Spiel aufführen, das im Anschluß an diesen Kurs versprochen war, und auf das unsere Kursteilnehmer rechnen.
Ebenso werde ich heute abend um acht Uhr hier in der Schreinerei den angesetzten Vortrag halten. Gerade dadurch rollen wir zum Ausdruck bringen, daß selbst das eigentlich wirklich nicht in Worten, mit Worten zu schildernde Unglück, das uns getroffen hat, uns nicht niederschmettern soll, sondern daß uns der Schmerz gerade dazu auf- fordern soll, dasjenige, was wir als unsere Pflicht ansehen, weiter, so- weit uns dazu die Kraft verliehen ist, zu vollbringen.

aan dit werk gegeven hebben. En daarbij zou ik het nu, beste vrienden, eigenlijk willen laten.
Even leek het erop dat het reddingswerk zou slagen waarvoor aan veel van onze vrienden die opnieuw zo op het werk betrokken waren, zo opofferingsgezind, zelfs af en toe echt gevaarlijk wel zeer gemeende dank verschuldigd is die uitgesproken kan worden vanuit de geest van onze beweging. 
Omdat we van het gevoel uitgaan dat alles wat we in onze beweging doen, noodzakelijk is in onze huidige mensheidscultuur, willen we wat we voor ogen hebben, binnen de mogelijkheden die we nog hebben, zo veel mogelijk doorzetten en daarom ook op dit tijdstip, zelfs nu de vlammen die ons zoveel verdriet geven buiten nog branden, dat spel opvoeren dat aansluitend aan deze conferentie beloofd was en waarop de deelnemers rekenen. 
Eveneens zal ik vanavond om acht uur in de ‘Schreinerei’ de aangekondigde voordracht houden.
Met name daardoor willen we tot uitdrukking brengen dat eigenlijk zelfs niet echt in woorden, met woorden weer te geven ongeluk dat ons heeft getroffen, ons er niet onder krijgt, maar dat het verdriet ons er juist toe oproept om dat wat we als onze plicht zien, verder, voor zover we daarvoor de kracht krijgen, te volbrengen. 

Von diesem Gesichtspunkte aus, meine lieben Freunde, nehmen Sie zu den beiden anderen Weihnachtspielen, die aus wirklichem Volkstum herausgeschöpft sind, auch dieses Dreikönig-Spiel hin, das wir aufführen, trotzdem wir natürlich heute nicht in der Lage waren, die rechten Proben zu halten. Sie werden das berücksichtigen müssen, aber ganz gewiß auch in dieser schmerzlichen Zeit zu berücksichtigen die Neigung haben.
Nur diese wenigen Worte wollte ich, bevor wir mit unserer Aufführung beginnen, zu Ihnen sprechen. Es soll ja nicht ein Schaustück sein, das wir vorführen, sondern es soll dasjenige sein, durch das nun – als in seiner Kunst – sich einstmals das Volk zu seinem Heiligsten

Vanuit dit gezichtspunt, beste vrienden, neem naast de twee andere Kerstspelen die uit het echte volkse zijn ontstaan, ook dit Driekoningenspel ter harte, dat we opvoeren, ondanks dat we vandaag niet in staat waren de juiste voorbereidingen te treffen. Daar moet u rekening mee houden, maar dat zal u in deze smartelijke tijd ook zeker doen.
Alleen deze paar woorden wilde ik, voor we met de opvoering beginnen, tot u spreken. Het wil geen toneelstuk zijn, dat we nu opvoeren, maar juist zijn als iets wat in zijn kunst het volk van toen verheven heeft tot wat het heiligst is.

erhoben hat. Und wenn man gerade das berücksichtigt, so wird es durchaus nicht unangemessen befunden werden können, gerade auch aus dem tiefsten Schmerz heraus diesen heiligen Ernst vor unsere Seelen treten zu lassen.

En als u dat voor ogen houdt, zal u het zeker niet ongepast vinden om juist vanuit het diepste verdriet deze heilige ernst met ons hart te aanschouwen.

Von der Aufführung des Dreikönig-Spieles am 6. Januar 1923 ist keine Nachschrift einer Ansprache von Rudolf Steiner vorhanden.\
Van een toespraak van Rudolf Steiner bij de opvoering van het Driekoningenspel op 6 januari 1923 zijn geen notities .

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1983

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (15)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 27-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 89

Heute werden wir uns erlauben, Ihnen das dritte der volkstümlichen Spiele vorzuführen, die um die Weihnachtszeit im älteren Volkstum in den Gegenden, von denen ich schon gesprochen habe> überall aufgeführt wurden.
Das erste Spiel war das Paradeis-Spiel, das immer begonnen wurde zu spielen am ersten Adventssonntag, dann durch die Adventszeit hin- durch gespielt worden ist. Das zweite war dann das eigentliche Weihnacht-Spiel, das ungefähr vom letzten Adventssonntag bis Ende Januar gespielt wurde. Dann um die Zeit des Heiligen Dreikönigs-Festes wurde dieses dritte Spiel aufgeführt. Über die Geschichte dieser Spiele habe ich ja schon gesprochen. Ebenso habe ich mir erlaubt, einiges anzuführen über die Art und Weise, wie gespielt wurde. Aus welchem

Toespraak Dornach 27-12-1923 [2]
tijdens de kerstconferentie

Vandaag zijn we zo vrij om voor u het derde van de volkse spelen op te voeren die rond de kersttijd in oudere volkse streken waarover ik u heb verteld, overal werden opgevoerd. 
Het eerste spel was het Paradijsspel waarmee altijd werd begonnen op de eerste adventszondag, en dat werd gedurende de adventstijd gespeeld. Het tweede was dan het eigenlijke Kerstspel dat ongeveer vanaf de laatste adventszondag tot eind januari werd gespeeld. Dan werd rond de tijd van het feest van de heilige Drie Koningen dit derde spel opgevoerd. Over de historie van deze spelen heb ik het al gehad. En evenzo heb ik de vrijheid genomen iets op te merken over hoe er werd gespeeld. Ik wil nu

blz. 90

Geiste heraus dies geschehen möchte, will ich nur in wenigen Worten noch darstellen, gerade mit Bezug auf dieses Dreikönig- oder HerodesSpiel.
Auch bei ihm wird man sehen, wie beschauliche Frömmigkeit, in diesem Falle sogar außerordentlich feierliche Frömmigkeit, vereinbar ist mit einer gewissen Derbheit. Das ist überhaupt der Grundcharakter dieser Spiele und das ist um so interessanter, als eigentlich ein radikaler Unterschied ist zwischen dem Weihnacht-Spiel, das wir vorgestern auch vorgeführt haben, und diesem Dreikönig-Spiel Es ist auf eine unbegreifliche Weise geschehen, daß mein lieber alter Freund und Lehrer,
Karl Julius Schröer> diese zwei Spiele – das Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durcheinander gedruckt hat. Ich gebe zu, daß vielleicht schon durch eine ungenaue Überlieferung manches Ineinander- schieben der beiden Stücke irgendwie sich vollzogen hat. Aber ursprünglich sind die beiden Spiele – das eigentliche Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durchaus auch ihrem Ursprunge nach ganz voneinander verschieden.

met een paar woorden schetsen uit welke stemming dit moest gebeuren, juist wat betreft dit Driekoningen- of Herodesspel.
Ook hierin zie je, hoe contemplatieve vroomheid, in dit geval zelfs buitengewoon stemmige vroomheid, samenging met een bepaalde grofheid. Dat is eigenlijk wel de grondhouding in deze spelen en dat is nog interessanter dan dat er een uitgesproken verschil is tussen het Kerstspel dat we eergisteren ook opgevoerd hebben en dit Driekoningenspel. Onbegrijpelijkerwijs heeft mijn beste vriend en leraar Karl Julius Schröer deze twee spelen – het Kerstspel en het Driekoningenspel door elkaar gedrukt. Ik voeg eraan toe dat misschien wel door een niet precieze overlevering bepaalde dingen van de twee stukken op de een of andere manier in elkaar geschoven zijn. Maar van oorsprong zijn de beide spelen – het eigenlijke Kerstspel en Driekoningenspel – heel verschillend van elkaar.

Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich selbst noch einiges, was auf die Art und Weise hinweist, wie es aufgenommen wurde da, wo es sich zeigte, gesehen. Die anderen Spiele, sie habe ich viel besprochen mit dem Auffinder derselben, mit Karl Julius Schröer, im Anfange der achtziger Jahre, und sie sind mir dadurch ganz gegenwärtig geworden. Immer mehr und mehr hat sich das dann ergeben, wie es mit diesen Spielen war. Aber von diesem Herodes-Spiel konnte man eigentlich in allen Gegenden Deutsch-Usterreichs um die Neujahrszeit bis zur Dreikönig-Zeit und darüber hinaus einfach die Leute sehen, wie sie als Drei Könige – auf die war die Sache reduziert -, Kaspar, Melchior und Balthasar, wie sie als diese Drei Könige mit dem Stern herumzogen und ganz ähnliche Lieder sangen, wie sie hier vorkommen.
Nun mache ich Sie darauf aufmerksam, daß die Struktur dieser Spiele eigentlich an allerälteste Dramatik erinnert. Wir haben überall darinnen die gemeinsamen Chöre, wie man sie im Volkstümlichen nannte: die Kumpaneigesänge, die eigentlich dasselbe darstellen – nur eben in spätvolkstümlicher Weise -, was der griechische Chor darstellt. Und dann haben wir herausgewachsen aus diesen Gesängen, die auch

Van dit Driekoningenspel heb ik zelf nog iets gezien wat teruggaat op hoe het opgevat werd toen het vertoond werd. Over de andere spelen heb ik begin van de jaren 1880 veel met Karl Julius Schröer, die ze ontdekte, gesproken en zo zijn ze voor mij heel erg gaan leven. Steeds duidelijker werd dan hoe het met deze spelen zat. Maar van dit Herodesspel kon je eigenlijk in alle Duits-Oostenrijkse streken rond de jaarwisseling tot aan de driekoningentijd en later de mensen zien die eenvoudig als de Drie Koningen – tot hen was de zaak teruggebracht – Kaspar, Melchior en Balthasar, hoe zij als deze drie koningen met de ster rondtrokken en net zulke liederen zongen die we hier hebben.
Nu wijs ik u erop dat de structuur van deze spelen eigenlijk doet denken aan de alleroudste drama’s. Overal zitten er gezamenlijke koren in, die in het volk het zingen van de kompanij genoemd werden, die eigenlijk hetzelfde betekenen – alleen op een manier die laat-volks is – als de Griekse koren. 
En uit deze gezangen die op zichzelf staand

blz. 91

für sich durchaus aufgeführt würden, das eigentlich Dramatisch-Dialogische und so weiter.
Nun, wenn ich von einem radikalen Unterschied der beiden Stücke sprach, so ist dieser nicht nur im Grundcharakter zu erkennen, sondern auch im Ursprung. Alles dasjenige, was Stil des Weihnacht-Spieles, des Christ-Geburt-Spieles ist, weist überall darauf hin, daß die eigentliche Pflege dieser Christ-Geburt-Spiele und wohl auch des Paradeis-Spieles von den Brüdergemeinden ausging und vor dem 16. Jahrhundert viel zahlreicher in Europa lebte, als man heute denkt. Überall waren solch christliche Brüdergemeinschaften, die insbesondere dasjenige auch in diesen dramatischen Darstellungen gepflegt hatten, was sich an den Grundstil des Lukas-Evangeliums anlehnt. Sie werden sozusagen den Grundton des Lukas-Evangeliums im Weihnacht-Spiel finden. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel, welche Sie heute sehen, ist von den Kirchen ausgegangen, von den Kirchenleuten, allerdings von solchen Kirchenleuten, die mit ihrer Seele ganz im Volkstum darinnensteckten. Und gerade dieses Dreikönig-Spiel ist urkatholisch, währenddem das Christ-Geburt-Spiel herrührt von, ich möchte sagen, den Vorläufern des Protestantismus.

uitgevoerd werden, ontstond dan weer de eigenlijke dramatische dialoog enz.
Nu, toen ik van een uitgesproken verschil tussen deze stukken sprak, is dit niet alleen te zien aan het grondkarakter, maar ook aan de oorsprong. Alles van de stijl van het Kerstspel, het Christusgeboortespel, wijst erop dat het eigenlijke verzorgen van deze Christusgeboortespelen en ook wel van het Paradijsspel uitging van de broedergemeenschappen en vóór de 16e eeuw veel meer voorkwam in Europa dan men tegenwoordig aanneemt.
Overal waren er van die christelijke broedergemeenschappen die met name ook deze toneelvoorstellingen verzorgden die teruggaan op het Lukasevangelie als basis. U zal, om het zo te zeggen, het grondkarakter van het Lukasevangelie in het Kerstspel terugvinden. Dit Driekoningenspel wat u vandaag gaat zien, is daarentegen uitgegaan van de kerken, van de kerkmensen, in ieder geval van hen die met hun ziel helemaal in dit volkse leefden. En met name dit Driekoningenspel is oer-katholiek, terwijl het Christusgeboortespel afkomstig is uit wat ik zou willen noemen, de voorlopers van het protestantisme.

Da, wo diese Spiele in Deutsch-Ungarn aufgeführt worden sind, waren Katholiken, Protestanten und alles durcheinander; da nahm man sie ganz interkonfessionell. Aber dem Ursprunge nach sind die eigentlichen Weihnachtspiele aus den Brüdergemeinschaften hervorgegangen, in denen es auch wunderschöne Bibelübersetzungen in einem ganz prachtvollen Deutsch gegeben hat. Es würde mir einmal Freude machen, sogar einige Stücke dieser älteren deutschen, wirklich wunderschönen Bibelübersetzungen vorzuführen, denn sie zeigen ganz deutlich, was es für eine Geschichtslegende ist, für eine unglaubliche Geschichtslegende, wenn überall tradiert ist, Luther habe zum ersten Mal die Bibel ins Deutsche übersetzt und die Sprache dazu erfunden, was gar nicht wahr ist, weil die älteren Übersetzungen, die man nur nicht kennt, viel schöner und viel eindringlicher sind, sogar den ursprünglichen Text viel besser treffen als die lutherische Übersetzung. Aus diesen Brüdergemeinden sind also ursprünglich auch diese Spiele hervorgegangen. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel trägt deutlich den katholischen

Waar deze spelen werden opgevoerd in Duits-Hongarije, leefden katholieken en protestanten door elkaar; heel interconfessioneel. Maar wat de oorsprong betreft zijn de eigenlijke kerstspelen uit de broedergemeenschappen voortgekomen waarin ook prachtige Bijbelvertalingen in een heel mooi Duits ontstonden. Ik zou het wel heel fijn vinden om eens een paar van deze oudere Duitse, werkelijk prachtig vertaalde Bijbelstukken op te voeren, want die laten heel duidelijk zien wat voor een geschiedenisverdichtsel het is, wat voor een ongelofelijk geschiedenisverdichtsel, wanneer overal doorverteld wordt dat Luther de eerste was die de Bijbel in het Duits heeft vertaald en de taal ervoor gevonden, wat helemaal niet klopt, omdat de oudere vertalingen die men alleen niet kent, veel mooier en veel sprekender zijn, zelfs de oorspronkelijke taal veel dichter naderen dan de vertaling van Luther. Uit deze broedergemeenschappen dus, zijn oorspronkelijk deze spelen gekomen. Dit Driekoningenspel echter heeft duidelijk een katholiek 

blz. 92

Charakter an sich, ist von Klerikern des Mittelalters herstammend, welche sich im Volkstum eingelebt hatten, und die durchaus auch das Interesse der Kirche mit fördern wollten.
Es trägt dagegen das Weihnacht-Spiel vor allem den Charakter des Anmutigen, während dieses Herodes-Spiel zum Teil den Charakter des Suggestiven trägt. Ich möchte sagen, es würde beim WeihnachtSpiel ganz entschieden stören, wenn man Weihrauch dabei hätte; das würde nicht volkstümlich sein. Dagegen würde es bei diesem Dreikönig-Spiel, das durch die Kleriker dargestellt wurde – Sie werden es verspüren -, gar nichts machen, wenn irgendwie auch Weihrauchgeruch bemerkbar würde, denn es ist außerordentlich viel Suggestives darin, das bei der Darstellung herausgeholt werden soll. Aber natürlich wußte die Kirche der früheren Zeit auch sehr, wi`e sie volkstümlich wirken kann. Daher ist auch da durchaus echtes Volkstum, schöne, wahre, volle Feierlichkeit verbunden mit volkstümlich Derbem, und vor allen Dingen etwas außerordentlich Tiefes, dem Volke zum Herzen Sprechendes.

karakter, is van de clerus van de Middeleeuwen die zich in het volksleven verdiepte en die zeer zeker ook de interesse van de kerk mede wilde doen toenemen.
Het Kerstspel daarentegen heeft veel meer het karakter van het liefelijke, terwijl dit Herodesspel voor een deel een suggestief karakter heeft. Ik zou zeggen dat het bij het Kerstspel zeer beslist storend zou zijn, wanneer men daar wierook bij zou gebruiken; dat zou niet volks zijn. Maar bij het Driekoningenspel daarentegen, dat door de geestelijken opgevoerd werd – dat zal u merken – zou het helemaal niet uitmaken wanneer je op de een of andere manier ook wierook zou ruiken, want er zit buitengewoon veel suggestie in, dat er bij een opvoering uit moet komen. Maar natuurlijk wist de kerk vroeger ook heel goed hoe ze volks zou kunnen werken. Vandaar dat beslist ook echte volksheid, mooie, echte, volle stemmigheid samengaat met volkse lompheid en bovenal met iets buitengewoon dieps wat tot het hart van het volk sprak.

Man darf daher auch dieses Dreikönig-Spiel, Herodes-Spiel schon als ein schönes Stück mittelalterlicher Geschichte ansehen, welches heraufgekommen ist bis ins 19. Jahrhundert herein am reinsten und unverfälschtesten in jenen Gegenden, wo die deutschen Kolonisten unter fremden Völkerschaften waren, wo sich nichts von der sogenannten Intelligenz und neueren Verbesserung von seiten des Klerus hineingemischt hat, so daß man also im Weihnacht-Spiel wie im Herodes-Spiel etwas hat, was im volkstümlich-künstlerischen dramatischen Stil, wie auch in dem Stil der volkstümlichen Frömmigkeit durchaus aus der vorreformatorischen Zeit stammt und die Geschichte des Christentums in Mitteleuropa, die Geschichte aus der vorreformatorischen Zeit, sehr schön vor uns wiedererstehen läßt.
Und damit das geschehen könne, was im Grunde ein Interesse vieler Menschenherzen sein muß, möchten wir diese Weihnachtspiele vor Ihnen aufführen.

Vandaar dat je ook dit Driekoningenspel, Herdesspel wel als een mooi stuk middeleeuwse geschiedenis kan beschouwen dat opbloeide tot in de 19e eeuw, op de meest pure en onvervalste manier in die streken waar de Duitse kolonisten onder vreemde volken leefden waar niets van zgn. intelligentie en modernere verbeteringen van de kant van de clerus zich mee vermengde, zodat je dus zowel in het Kerstpel als in het Herodesspel iets hebt wat in een volks-kunstzinnig dramatische stijl, als ook in de stijl van de volkse vroomheid zeker afkomstig is uit de voor-reformatorische tijd en de geschiedenis van het christendom in Midden-Europa, de geschiedenis van de voor-reformatorische tijd, heel mooi voor ons weer laat ontstaan.
En opdat het mogelijk wordt wat eigenlijk de interesse van de harten van de mensen zou moeten hebben, willen wij deze Kerstspelen graag voor u opvoeren. 

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1981

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (9)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 08-01-1922  [2]

blz. 66

Toespraak Dornach 08-01-1922 [2]

Dieses Dreikönig-Spiel* gehört in die Reihe derjenigen christlichen Festspiele, welche vor jetzt etwa siebzig Jahren mein alter Lehrer und Freund Karl Julius Schröer in der Oberuferer Gegend gefunden hat, im westlichen Ungarn, in der Nähe von Preßburg. In dieser Oberuferer Gegend befinden sich in Ungarn eingestreut deutsche Dörfer, namentlich in slawischen Gebieten; Dörfer, welche in einem ausgiebigen Maße
die deutsche Sprache noch um die Mitte des 19. Jahrhunderts hatten. Die deutschen Stämme, welche dort saßen, gehörten den sächsischen Stämmen an, den gleichen Stämmen, denen auch diejenigen Deutschen angehören, die am Südrande der Karpaten, in der Zipser Gegend wohnen, die dann auch in Siebenbürgen wohnen. Andere deutsche
*    Die einleitenden Worte zu der Aufführung des Paradeis-Spieles und des Christ-Geburt-Spieles am 4. Januar 1922 liegen nicht in einer Nachschrift vor.

Dit driekoningenspel* hoort bij de serie van die christelijke feestspelen die mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer zo ongeveer zeventig jaar geleden [vanaf 1922!] in de omgeving van Oberufer heeft gevonden, in het westelijke deel van Hongarije, in de buurt van Pressburg. In deze streek van Oberufer liggen in Hongarije vertrooid Duitse dorpen, met name in Slavisch gebied; dorpen waarin rond het midden van de 19e eeuw voornamelijk nog Duits werd gesproken.
Die Duitse stammen die daar zaten, behoorden tot de Saksische stammen, dezelfde stammen waartoe ook die Duitse stammen hoorden die aan de zuidrand van de Karpaten, in de omgeving van Zipsen wonen, ook in Siebenbürgen. Andere Duitse 

*Van de inleidende woorden bij de opvoeringen van het Paradijsspel en het Herdersspel op 4 januari 1922, bestaat geen dictaat.

blz. 67

Stämme sind die schwäbischen Stämme, die mehr im Banat wohnen. Es sind das diejenigen deutschen Stämme, welche im Verlauf des 15., 16. Jahrhunderts wahrscheinlich von westlichen Gegeiiden Mitteleuropas, sogar von Gegenden am Rhein, vom Siebengebirge noch Osten gezogen sind und sich als Kolonisten in den ungarischen Gebieten nie- dergelassen haben. Allerdings gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts wurden ja diese Gebiete sehr gewaltsam magyarisiert, und das deutsche Eletnent ging zum größten Teil verloren und damit auch solche Volkstümer, wie diese Weihnachtspiele, das DreikönigSpiel und so weiter es sind.
Diese Spiele weisen uns in diejenigen Zeiten zurück, in denen sich über das ganze West- und Süddeutschland, auch über einen großen Teil der Schweiz, christliche Festspiele ausgebreitet haben. Wir können diese Festspiele bis in das 11., sogar bis in das 10. Jahrhundert zurück verfolgen. Als älteste Formen finden wir sie in den Kirchen aufgeführt, zum Weihnachtsfeste, wo die Krippe aufgestellt worden ist, und wo die Geistlichen selbst – zuerst in lateinischer Sprache – diese Festspiele aufgeführt haben. 

stammen zijn de Zwabische die meer in de Banaat wonen. 
Het zijn de Duitse stammen die in de loop van de 15e, 16e eeuw waarschijnlijk uit westelijke streken van Midden-Europa, zelfs uit de Rijnstreken, vanuit het Zevengebergte naar het oosten zijn getrokken en zich als kolonisten in de Hongaarse streken vestigden. Met name in de tweede helft van de 19e eeuw kwamen deze gebieden met geweld onder Hongaars gezag en ging het Duitse element voor het grootste deel verloren en daarmee ook het volksbezit zoals deze kerstspelen, het driekoningenspel enz.
Deze spelen wijzen ons terug naar tijden waarin zich over heel West- en Zuid-Duitsland, ook over een groot deel van Zwitserland, christelijke feestspelen verspreidden. We kunnen deze feestspelen tot in de 11e, zelfs in de 10e eeuw terug vervolgen. Als oudste vorm vinden we ze opgevoerd in de kerken, met Kerstmis, wanneer er een kribbe neergezet werd en waarbij de geestelijken zelf – eerst in het Latijn – deze feestspelen opvoerden. 

Für die damaligen Begriffe war dieses Aufführen in lateinischer Sprache ebensowenig störend, wie ja heute noch im Katholizismus das lateinische Messelesen nicht störend ist. Später trifft man solche Festspiele an, welche die Heilige Geschichte, die Geburt Christi, das Erscheinen der Hirten, der Heiligen Drei Könige und so weiter zum Gegenstande haben, allerdings dann in der Landessprache und zwar im Dialekt, nur noch mit lateinischen Ausdrücken durchsetzt. Sie werden dann später auch von Laien aufgeführt, nicht mehr von Geistlichen, wandern aus der Kirche an andere, öffentliche Orte, namentlich in Gasthöfe, wo sie dann von Laien dargestellt werden. Solche Festspiele hatten die von Westen nach dem Osten wandernden Stämme, diese Kolonisten, mitgenommen, und sie hatten sie wirklich wie ein Heiligtum verehrt.
Wenn im Herbste die Weinlese zu Ende war, sammelte derjenige, der die Manuskripte dieser Spiele hatte – das war in der Regel der An- gehörige einer wohlangesehenen Dorffamilie -, die jungen Burschen des Ortes. Frauen durften nicht mitspielen, nicht Mitdarsteller sein. Er sammelte die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und 

Voor het toenmalige begrip was het opvoeren in het Latijn net zo min storend als nu het lezen van de mis in het Latijn in het katholicisme dat is. Later tref je die spelen aan die het heilige verhaal, de geboorte van Christus, de komst van de herders, de heilige drie koningen enz. tot onderwerp hebben, uiteraard in de landstaal en dat dan in het dialect, alleen met wat Latijnse uitdrukkingen. Later werden ze dan ook door leken opgevoerd, niet meer door geestelijken, en niet meer in de kerk, maar op publieke plaatsen zoals herbergen, daar werden ze door leken opgevoerd. 
Dergelijke spelen waren door de stammen die van het westen naar het oosten trokken, deze kolonisten, meegenomen en zij hebben ze werkelijk als een heilig iets vereerd.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, riep degene die de mansucripten van deze spelen in zijn bezit had – dat was als regel een lid van een aanzienlijke dorpsfamilie – de jonge knapen van de streek bij elkaar. Vrouwen mochten niet meespelen, er geen deel vanuit maken.
Hij riep de jongens van de streek bijeen die hij geschikt vond en studeerde

blz. 68

studierte durch Monate hindurch bis zur Weihnachtszeit hin diese Fest- spiele mit ihnen ein. Die ganze Inszenierung dieser Sache war eine außerordentlich feierliche. Es gab von dem Lehriheister verfaßte und den Burschen in die Hand gegebene strenge Vorschriftsmaßregeln, denen sich jeder zu fügen hatte. Sie mußten zum Beispiel – so wird betont in diesen Vorschriften – während der ganzen Zeit sich des Trunkes enthalten; sie mußten ein moralisches Leben führen; und ähnliche Vorschriften hatten sie zu erfüllen, die wirklich etwas Außer- ordentliches bedeuteten gerade innerhalb der Dorfgemeinde. Man sah also dem Herannahen dieser Festspiele wirklich in feierlicher Stimmung entgegen. Und wenn die Aufführungen kamen zu Weihnachten, am Dreikönigstag, da versammelte sich dann die Bewohnerschaft des Ortes in den entsprechenden Gasthöfen. Es wurden die Bänke an die Wand gestellt und in der Mitte des Saales wurde dann die Sache aufgeführt.
Wir haben versucht, soweit es bei unseren Verhältnissen geht, die Art und Weise nachzuahmen, wie die Aufführung gerade innerhalb des Volkstums stattgefunden hat. 

maanden lang tot aan Kerstmis deze spelen met hen in. Alles rondom de organisatie was iets buitengewoon feestelijks. De leermeester had strenge voorschriften opgesteld en die werden aan de jongens gegeven en zij moesten zich aan alles houden. Ze mochten bv. – dat werd in die voorschriften benadrukt – geen alcohol drinken; ze moesten een moreel leven leiden; aan dergelijke voorschriften moesten zij zich dus houden en die betekenden werkelijk iets buitengewoons binnen deze dorpsgemeenschappen. Men leefde daadwerkelijk in een feestelijke stemming naar deze feestspelen toe. En wanneer de opvoeringen met Kerstmis, op driekoningendag plaatsvonden, dan kwamen de bewoners van die streken in de herberg bij elkaar. Er werden banken tegen de muren gezet
en in het midden van de zaal werd er opgevoerd. 
Wij hebben geprobeerd, in zoverre dat onder onze omstandigheden gaat, de manier waarop de opvoeringen binnen de volksgemeenschap plaatsvonden, na te doen.

Alles läßt sich natürlich nicht nachahmen, vor allen Dingen nicht die Anordnung, wie sie im Gasthof war; wir wählen die bühnenmäßige Anordnung. Aber in allem übrigen sind wir, soweit es möglich ist auf die Überlieferung einzugehen, der Forderung nachgekommen, die Spiele so vor das Publikum der Gegenwart hinzustellen, daß man schon einmal eine Vorstellung von der Art und Weise bekommen kann, wie solche Festspiele aufgeführt worden sind.
Ein anderes, das ich besonders betonen möchte, ist dieses, daß sich in diesen Spielen beobachten läßt, wie eine wirklich fromme Stimmung, eine an die Heilige Geschichte hingegebene, feierliche Stimmung, sich überall mit Humor vereinigt, der hineinspielt. Der Teufel zum Beispiel ist überall der böse Feind der Menschen, aber zugleich eine lustige Person. Und in ähnlicher Weise spielt der gesunde Humor, ein gesunder Volkshumor in die feierliche, religiöse Stimmung hinein. Das ist dasjenige, was besonders betont werden muß aus dem Grunde, weil gerade diese Seite in der Volksfrömmigkeit in diesen Gegenden vorhanden war, und -sie sich bei den deutschen Kolonisten Ungarns bis ins 19. Jahrhundert hinein so erhalten hat, daß in dieser religiösen

Alles kan natuurlijk niet, vooral niet zoals het in de herberg toeging; wij kiezen voor een toneel. Maar bij al het andere zijn wij, voor zover dat mogelijk is, met de overlevering meegegaan, om aan de eis te voldoen de spelen voor het publiek van nu, dat dit een voorstelling kan krijgen van hoe dergelijke feestspelen opgevoerd werden.
Iets anders waar ik in het bijzonder de nadruk op wil leggen, is dat je in deze spelen kan waarnemen, hoe een echte vrome stemming, een die toegewijd was aan het heilige verhaal, een feestelijke stemming, overal samengaat met humor die er ook inzit. De duivel bv. is overal de boze vijand van de mensen, tegelijkertijd een vrolijk personage. En op eenzelfde manier speelt de gezonde humor, een gezonde volkshumor een rol in de feestelijke, religieuze stemming.
Dat moet in het bijzonder benadrukt worden omdat deze kant van de volkse vroomheid in deze streken leefde en bij de Duitse kolonisten in Hongarije tot in de 19e eeuw zo aanwezig bleef, dat in deze religieuze

blz. 69

Volksstimmung keine Sentimentalität vorhanden war, sondern eine naive Ursprünglichkeit, die selbst das Erhabenste mit dem Humor durcheinanderspielen läßt.
Wir haben in diesen Festspielen etwas, was in einer viel anschaulicheren Weise, in einer viel lebendigeren Weise als sonst irgendwie, Zeiten, die nun schon seit Jahrhunderten vergangen sind, wieder auferstehen läßt vor uns. Das 15., 16. Jahrhundert steht wieder vor uns auf. So daß wir versuchen müssen, auch den Dialekt in entsprechender Weise festzuhalten, und, so gut es geht, versuchen müssen, diese Stücke auch in demjenigen Dialekt wiederzugeben, in dem sie dann im 19. Jahrhundert in den deutschen Gegenden Ungarns gespielt worden sind. Gerade aus dem Grunde, weil da ein Stück Geistesleben aus früherer Zeit vor die gegenwärtig Lebenden wieder hintreten kann, machen wir es uns innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft zur besonderen Aufgabe, diese Spiele vor die Oöffentlichkeit zu bringen.
Es sind dann später viele solche Weihnachtspiele auch aus anderen Gegenden gesammelt worden. Man sammelte sie dann zum Beispiel in Schlesien, wo Weinhold außerordentlich viel dafür getan hat; dann aber wurden sie auch bis in die Pfälzischen Gegenden hin gesammelt. 

volksbeleving geen sentiment zat, maar een naïeve oorspronkelijkheid die zelfs het meest verhevene met humor samen liet gaan.
In deze feestspelen hebben we iets wat op een veel aanschouwelijkere manier, op een veel levendigere manier dan iets anders, wat dan ook, weer tijden voor ons doet herleven van eeuwen geleden. De 15e, 16e eeuw herleeft weer voor ons. Zodat we moeten proberen ook het dialect op de manier die erbij hoort, vast te houden en zo goed als gaat, moeten proberen deze stukken ook in dat dialect op te voeren waarin ze dan in de 19e eeuw in de Duitse streken in Hongarije werden gespeeld. Juist omdat hier een stukje geestesleven uit vroegere tijden dichterbij kan komen voor wie nu leeft, stellen wij ons binnen de Antroposofische Vereniging het bijzondere doel deze spelen in de openbaarheid te brengen.
Later zijn er nog veel van dergelijke spelen, ook uit andere streken, verzameld. In Silezië bv., waar Weinhold* buitengewoon veel in deze richting heeft gedaan; ze werden dan ook verzameld tot in de streken van de Palts.

*Weinhold: Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Weihachts-Spiele und Lieder aus Süd-deutschland und Schlesien’, mit Einleitungen und Erläuterungen. 1875, Wenen, uitgeverij Wilhelm Braumüller.

Und es war so merkwürdig, daß der Grundcharakter und Grundinhalt im wesentlichen bei allen diesen Spielen derselbe ist; sie sind nur durch den Dialekt verschieden, so daß man also sieht: das ist gemeinsames Geistesgut von der zweiten Hälfte des Mittelalters, welches in unsere heutige Zeit heraufragt. Und es darf vielleicht gerechtfertigt sein, gerade in einer solchen Weise, wie wir es tun, vor die gegenwärtige Menschheit hinzutreten, weil dieses Volksgut verschwindet. Innerhalb der Dorfgemeinde ist natürlich nicht mehr die Stimmung vorhanden, in der gleichen Weise wie früher dieses Volksgut zu pflegen. Aber der von mir genannte Karl Julius Schröer, der in den vierziger, fünfziger Jahren diese Sachen gesammelt hat, hat mir oftmals erzählt, welchen tiefgehenden Eindruck diese Auferstehung alten Volkstums, dargestellt von den Bauern, die im Besitze dieser Stücke waren, auf ihn machte. Das ist dasjenige, was mich bewog, schon vor Jahren die An- regung zu geben, diese Spiele gerade innerhalb unserer Gesellschaft für ein weiteres Publikum aufzuführen. Und aus dieser Anregung

En het was zo opvallend dat het basale karakter en de basale inhoud in wezen bij al deze spelen dezelfde is; ze verschillen alleen door het dialect, zodat je dus ziet: het is een gemeenschappelijk geestesgoed uit de tweede helft van de Middeleeuwen, dat in onze tijd zichtbaar wordt. En het kan misschien gerechtvaardigd zijn, juist op de manier waarop wij het doen, voor de mens van nu op te treden, omdat dit volksgoed verdwijnt. Binnen de dorpsgemeenschap bestaat die stemming natuurlijk niet meer om dit volksgoed net zo te behandelen als vroeger.
Maar Karl Julius Schröer, die ik net noemde, die ze in de jaren veertig en vijftig [19e eeuw] verzamelde, vertelde mij vaak, wat een diepe indruk dit herleven van het oude volkse, vertoond door de boeren die in het bezit waren van deze stukken, op hem maakte. 
Dat bewoog mij ertoe, al jaren geleden, de stimulans te geven om deze spelen juist binnen onze vereniging voor een groter publiek op te voeren. En uit deze stimulans

blz,.70

heraus haben wir in den verflossenen Tagen das Weihnacht-Spiel und das Paradeis-Spiel aufgeführt, und werden uns erlauben, heute das Dreikönig-Spiel oder Herodes-Spiel so, wie es in den fünfziger Jahren in den Gegenden von Preßburg bei den deutschen Kolonisten aufgeführt worden ist, vor Sie hinzustellen.

hebben wij de afgelopen dagen het Kerstspel en het Paradijsspel opgevoerd en nu nemen we de vrijheid om het Driekoningenspel of Herodesspel voor u op te voeren, zoals het in de jaren vijftig in de streken rond Pressburg bij de Duitse kolonisten opgevoerd werd. 

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1979

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspel

.

Pieter HA Witvliet

KERSTSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Kerstspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Kerstspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

KERSTSPEL

Lied bij binnenkomst:

Seegnen wilt ons binnengaen,
Wil ons zegenen als we naar binnen gaan,
onsen uytganck, heer, daerneven.
maar ook, Heer, als we weer naar buiten gaan.
Seegnen wilt ons gaen ende staen,
wil ons doen en laten zegenen,
’t daeglycx broot end’ allet leven.
het dagelijks brood en heel het leven.
Seeghent ons mit salig sterven,
Zegen ons met een zalig sterven,
laet uw hemel ons beërven.
laat ons in de hemel komen.

Sterrenzanger:

Goe sangersluyden mijn versaemelt man aen man
Mijn goede zangers verzamel man aan man
kreck als de spieringh in de pan.
net zoals spiering in de pan.
Goe sangersluyden mijn posteert u in den kringhe,
Mijn goede zangers ga eens in een kring staan,
Wy willen ons de wyle corten mit singhen.
Wij willen de tijd bekorten met zingen.
Goe sangersluyden mijn, laet u oock dapper horen,
Mijn goede zangers, laat u ook dapper horen,
bringhenm’ efter ons comp(e)lement van te voren.
Laten we eerst onze groet brengen.
Groetenme God vader in sijnen troon
Laten we Godvader groeten op zijn troon
en groetenme synen eenighsten soon.
en laten we zijn enige zoon groeten.
Groetenme den eenighen geest mit naôme
En laten we vooral de enige geest groeten
en groetenmens al gedrie te saômen.
En laten we ze alle drie samen groeten.
Groetenme Josef en Maria reyn
Laten we Jozef en de reine Maria groeten
en groetenme dat klene kindekyn.
en laten we dat kleine kindje groeten.
Groetenme oock os end’ eselken
laten we ook de os en het ezeltje groeten
die daor staene by het krebbeken.
die daar bij het kribje staan.
Groetenmens deur son- ende maneschyn
Laten we ze d.m.v. de zonne- en de maneschijn groeten
dwelc lighten al over see en over den Rijn.
waarvan het licht helemaal over de zee en de Rijn schijnt.
Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
Laten we ze d.m.v de kruiden en het blad groeten,
d’heylighe regen maakt so u als myn algaôre nat.
de heilige regen maakt zowel u als mij heel graag nat.
Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
Laten we de keizer groeten die over velen regeert,
groetenme de meester diet klaôr can speulen.
laten we de meester groeten die het zuiver kan spelen.
Groetenme onse geestelicke heeren
Laten we onze geestelijken groeten
wyl datme ’tspul mit haor permissie dorften leeren.
omdat we het met hun toestemming mochten instuderen.
Groetenme de schepenen mitten schout,
Laten we de schepenen groeten met de schout,
want yederse in eere houdt.
want die moet ieder wel in ere houden.
En groetenme de gantsche agtbaôr gemeent
En laten we alle mensen groeten
so mit mekanderen hier syn vereent.
die hier zo bij elkaar zijn gekomen.
Groetenme de vroetschap, agtbaôre en geëert,
Laten we de gemeenteraad groeten, achtbaar en geëerd
daor toe God se heyt verordineert.
dat heeft God hun bevolen.
Groetenmens deur d’wortelkens so in der eerde staon
Laten we ze d.m.v. de worteltjes groeten die daar in de grond staan
sonder één wortelken over te slaôn.
zonder één worteltje over te slaan.
Goe sanghersluyden myn, laewet anders beginnen:
Mijn beste zangers, laten we wat anders gaan doen:
de star willenme toe gaôn singen.
we gaan de ster bezingen.
Groetenme de star heur stange
Laten we de staf van de ster groeten
daor onse starre an doet hanghen.
waar onze ster aanhangt.
Groetenme de star heur scheer
Laten we de schaar van de ster groeten
daor de starre an reysen doet op ende neer.
daarmee gaat de ster op en neer.
Groetenm’ oock de houtjens één voor één
Laten we ook een voor een de houtjes groeten
die houwen onse starre byeen.
die houden onze ster bij elkaar.
Goe sangersluyden mijn hebt heuren connen
Mijn goede zangers, jullie hebben kunnen horen
datme de star hebben ânegesonghen.
dat we we de ster hebben toegezongen.
Groetenme onsen meester sangher goet
Laten we onze goede meesterzanger groeten
en groetenme den meestersangher syn hoet.
en laten we de meesterzanger zijn hoed groeten.
Groetenme eveleens onsen meester weert
Laten we eveneens onze waardevolle meester groeten
naedien hy mit Gods hulpe ons‘t heyt geleert.
want hij heeft het ons met Gods hulp geleerd.
Goe sangersluyden myn hebt heuren connen
Mijn goede zangers je hebt kunnen horen
hoe datme dit als hebben ânegesongen.
hoe we dit allemaal hebben bezongen.

Lied:

Toen het woort wierdt vervult
Toen het woord in vervulling ging
so God verkondight hadt,
dat God had verkondigd,
quam daer een enghel snel,
kwam er meteen een engel
van naôme Gabriël,
die Gabriël heette,
tot Nazareth, die Stadt
tot de stad Nazareth
Int land Galileea;
in het land Galilea;
teener maecht, Maria,
tot een maagd, Maria,
God hem henen sendt.
zond God hem.
Was met Josef ondertroud,
ze was met Jozef in ondertrouw
geen man en heeft bekend.
ze had nog nooit een man gehad.

Engel:

Weest gegroet ghy begenadigde!
Wees gegroet, begenadigde!
God den heer is met u!
God de heer is met je!
Ghy syt geseghend onder de vrouwen!
Je bent gezegend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
want je zal bevrucht worden
en eenen soon baeren
en een zoon baren
en sult synen naem heeten Jesus!
en je moet hem Jezus noemen!
En hy sal over syn volck conick syn in der eeuwicheyt.
en hij zal tot in de eeuwigheid koning over zijn volk zijn.

Maria:

Hoe sal dat wesen,
Hoe kan dat,
dewijl ick geenen man en bekenne?
als ik geen man heb gehad?

Engel:

Siet, ick ben den enghel Gabriël
Kijk, ik ben de engel Gabriël
Soot u verkondigt:
die je dit aankondigt:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen.
de kracht van de allerhoogste zal over je komen.
Daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wordt
daarom ook is het heilig wat uit jou geboren wordt
sal Gods sone genaemt worden.
en zal Gods zoon worden genoemd.
En siet, Elisabeth uwe nighte
En kijk, Elisabeth, je nicht
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
is zelf ook bevrucht en krijgt in haar ouderdom een zoon
en dese maend is haer,
en zij is deze maand al zes maanden zwanger,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
terwijl men zei dat ze onvruchtbaar was.
Want geen dingh en sal bij God onmoogelyck sijn.
Want bij God is niets onmogelijk.

Maria:

Siet de dienstmaecht des heeren,
Zie de dienstmaagd van de heer,
my geschiede nae uw woort.
laat gebeuren wat u zegt.

Lied:

Als Maria joncfrou reyn,
Toen Maria, de reine maagd,
swanger wierdt bevonden
zwanger bleek te zijn
nae het woort der profecy’n
volgens het woord van de voorspelling
dwelc God deet vermonden,
dat door God gesproken was,
liet Augustus naerstelyc
hield Augustus met grote voortvarendheid
tvolk bescryven in syn ryck.
een volkstelling in zijn rijk,
Geen en dorft bestryen.
Daar mocht geen mens zich tegen verzetten.
Daer gongck yeder nae de stadt
Toen ging iedereen naar de stad
alwaer hij oorspronck hadt,
waar hij vandaan kwam,
moestet willigh lyen. 
moest het maar gewillig ondergaan.

Engel:

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en het is ook niet door ongelovigen bedacht
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
over hoe Jezus Christus ter wereld kwam,
twelk grote quaden van ons nam.
wat veel kwaad van ons wegnam.
So gy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren,
swiyght stil en opent wijdt u ooren.
wees fan stil en luister
goed.

Lied:

Keyser Augustus teersten liet
Keizer Augustus liet als eerste
bescryven elck in syn gebied.
ieder zich in zijn eigen streek inschrijven.
dies Josef, synd uyt Davids stam,
vandaar dat Jozef uit de stam van David,
is opgegaen nae Judeam.
naar Judea is gegaan.

Maria jonckfrou toogh mit hem
De maagd Maria ging met hem mee
tot syne stadt, hiet Bethlehem.
naar zijn stad Bethlehem.
en als sy quamen tsaem daerbij,
en toen ze daar samen aankwamen,
Maria’s soon dien baerde sij.
Baarde Maria haar zoon.

 Jozef:

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
Keizer Augustus heeft bevolen
dat allet volck tesaem sal syn bescreven
dat heel het volk geteld moet worden
end elck van stonden aen sonder respyt
en iedereen van nu af zonder uitstel
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
zelf belasting moet gaan betalen.
Wyl nu voor onse nootdruft wierd besteet
Omdat nu het geld dat ik opzij gelegd had,
het geldt so ick terzyde legghen deed,
opgemaakt wordt aan wat we nu nodig hebben,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
hebben we bijna geen rooie cent meer,
alsulck ellend geclaegt sy God de heer.
God nog an toe, wat een ellende.
k En weet oock geen middel hoe geldt te bekomen,
En ik weet ook niet hoe ik aan geld moet komen,
myn kragten hebben of genomen,
ik heb ook niet zoveel kracht meer,
het hantwerck wierd me alree te swaer:
het handwerk werd me ook al te zwaar:
dat wil my bedroeven voor ende naer.
daar heb ik echt steeds veel verdriet van.
Alevel willic sonder draelen
En toch wil ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus deze belasting betalen
na skeysers wille en gebod
zoals de keizer dat wil.

Maria:

O Josef en laetet u niet verdrieten,
Ach Jozef, wees er nou niet verdrietig onder,
die som salmen wel veur willen schieten;
dat bedrag zullen ze wel voor willen schieten;
ik spreecker een vrund aan te morghen,
ik zal morgens eens een vriend vragen,
syt hierom sonder sorghen.
zit er nou maar niet overin.

Jozef:

Maria, wie isser so wel gestelt
Maria, wie is er zo welgesteld
om ons verstrecken so veul geldt?
om ons zoveel geld te kunnen geven?
de schaerschte heerscht aan alle kant.
er is overal tekort.
Wy willent legghen in Gods hant.
We laten het maar aan God over.

Maria:

Als geenderlei midd’len te vinden syn,
Als er helemaal geen oplossing komt,
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
dan moeten we het osje maar aanlijnen
en leydent nae Bethlehem met spoet
en dan brengen we het maar vlug naar Bethlehem
alwaer Augustus ons heentyen doet,
waar we van Augustus naartoe moeten,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
dan verkopen we daar voor niet al teveel
so macht noch goet afloopen.
dan komt het misschien toch goed.

Jozef:

Soome veur de beschryvinck het osjen geven,
Als voor het inschrijven het osje eraan geven,
hoe onderhouwenme verder ons leven?
hoe blijven we dan verder in leven?
Daer op ick al hope ende heul had gebout
waar ik nou zoveel van verwachtte
om een kleynicheyt het vercoopen soud’?
om dat nou voor een kleinigheid te verkopen?
Edoch, waert geldt van noode is
Maar ja, als er geld nodig is
het minste quat geboden is.
moeten we maar het minst slechte kiezen.
Maria het ezslken bringt ereis aen,
Maria, haal het ezeltje maar,
ick sal mettet osjen nevens u gaen. 
dan loop ik naast je met het osje.

Maria:

Comen wy nu ter stadt so meteenen,
Als we nu straks in de stad aankomen,
waer bringhenme os ende ezelken henen?
waar brengen we dan de os en het ezeltje naartoe?

Jozef:

Een man is my aldaer bekent,
Ik ken daar iemand,
Rufinus, houdt een losament;
Rufines die heeft daar een herberg;
daer sullenme ondercoomen vinden,
daar vinden we wel onderdak,
os end’ eselken in den stalle binden. 
de os en de ezel binden we vast in de stal.

Maria:

So efter vreemden waren gecomen
Maar als er nou eens vreemdelingen aangekomen zijn
en al de plaetse waer’ in genomen?
en alle plaatsen bezet zijn?
Wyl dat veul volcs van alderhant wys,
omdat er allerlei mensen
slagh ende soort alsnu nae Bethlem reyst.
nu op reis zijn naar Bethlehem.

Jozef:

Maria, ick sien de stadt op daegen,
Maria, ik zie de stad opdoemen,
wy willen‘t vee een weinigh jaegen,
we zullen het vee wat opdrijven,
dat niet de poorte quam te sluyten
dat de stadspoort niet gaat sluiten
enm’ overnachten mosten daar buyten. 
en we erbuiten moeten overnachten.

Maria:

O Josef en haest so ras niet voort,
Ach Jozef, loop niet zo hard,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
het lopen gaat steeds moeilijker worden,
de baen is ach so gladt van ys:
de weg is zo glad door het ijs;
ik vreze te vallen telken reis.
ik ben iedere keer bang dat ik val.
Van coude syn my de leden bevaên,
Mijn armen en benen zijn heel koud geworden,
ick vreze het mogt my qualyk vergaen.
ik ben bang dat het slecht met me afloopt.

Jozef:

Tavond wenme ons wit bereycken
Wanneer we er vanavond zijn
Sullenme soetjens de leden bestrycken
zullen we met warme doeken je armen en benen wrijven.
met doecken so heet. Maria, siet aen,
Maria, kijk eens,
alreets wy voor die herberghe staen.
we staan al voor de herberg.
God gheef u genavend myn goe Rufyn,
God geef’ u een goede avond, beste Rufijn,
meugenme te naght in u herberghe syn?
mogen we vannacht in je herberg zijn?
Wy coomen moey van langhe toght,
We hebben een vermoeiende tocht achter de rug,
so als elck reysersman wel kennen moght.
dat weet iedere reiziger wel.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
We hebben veel last gehad van de bittere kou,
de snerpende windt het gesicht schier ontvelt.
door de snijdende wind hebben we bijna geen vel meer op ons gezicht.

Rufinus:

Vriendt, wilt uw gaodingh elder soeken,
Vriend, zoek je heil maar ergens anders,
hier is t beset in allen hoecken
hier is elk hoekje bezet
van kelder tot solder, vroegh ende spâ:
van kelder tot zolder, vroeg en laat
het is so waôr als ick hier stae.
zo waar als ik hier sta.
Myn losament omt seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort. 
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Nu en ken ik lacie geen ander man
Nu ken ik helaas niemand anders
so ons behulpigh wesen can.
die ons kan helpen.
Doch laet ons hierom niet versaghen
maar laten we hierdoor niet de moed verliezen
en voort op nieus een poginck wagen,
en het nog een keer proberen,
den gebuere bidden met heuschen groet
de buurman eens beleefd groetend vragen
of hy bygeval ons beherbergen doet. 
of hij ons misschien onder kan brengen.
Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
Mijn vriend wil ons onderdak geven
datm’ een wyltyds gerusten connen.
dat we een poosje kunnen uitrusten.

Servilus:

Wat moetghe hier, ghy mit u wyf?
Wat moet jij hier met die vrouw?
Blyft bedelvolleck my vant lyf!
Ik moet geen bedelvolk aan mijn lijf!
Van andren hebbic meer gewin,
Aan anderen verdien ik meer,
landloopers laetmen hier niet in.
landlopers worden hier niet binnengelaten.
Wech van myn deur en packt u voort
Weg! Opgehoepeld
dat ghy my langer niet en stoort.
dat jullie me hier niet langer storen.

Maria:

Erbarmen mooch hem den rycken God
Dat de machtige God medelijden met hem heeft
datme henen gaene met sulcken spot,
dat we met zo’n spot moeten vertrekken,
van coude end’ angst ‘et besterven,
het besterven van kou en angst
geen toevlugt en meugen verwerven.
en geen onderkomen kunnen vinden.

Titus:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
Beste vrouw, waarom klaag je zo?
wat sytghe al sozeer verslaegen?
waarom ben je zo terneergeslagen?
Ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
Je ziet dat daarbinnen geen plaats is,
‘t huys tot de nok vol vreemdelingen.
het huis zit tjokvol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
Maar ik kom je graag tegemoet:
gaet in den stal, daôr sit gy goet.
ga maar in de stal, daar zit je goed.

Maria:

Ach baeslief, ons ist eenerley
Ach beste man, het is ons om het even
oft beddeken hart ofte sagte sy
of het bed nu hard is of zacht
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
zolang ons de sneeuwjacht maar bespaard blijft,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.
en niet de moordende wind door onze ledematen gaat.

Titus:

Treet dan getroost in elck geval
Kom dan een beetje opgefleurd in ieder geval
tot myn huys leegh is, in den stal.
tot mijn huis leeg is, in de stal,

Lied Jozef:

O jonckvrou reyn, 
O reine jonkvrouw,
in ginsche krebbe also kleyn
in die kleine kribbe daar
mit God wy moeten slaopen,
we moeten slapen met God,
want hy heeft ons geschaepen.
want hij heeft ons geschapen.
O jonckvrou reyn, o jonckvrou reyn.
O reine jonkvrouw.

Maria zingt:

Ach Josef myn,
Ach mijn Jozef,
ghy moet veur myn den trooster syn:
jij moet me troosten:
myn smerten syn toe genomen,
de pijn is erger geworden,
de uure is dra gecoomen,
het uur is weldra aangebroken
het kindekyn, o Jesulyn.
het kindje, o kleine Jezus.

Jozef:

Mettet kriecken van de uchtend gae
Morgen als het dag wordt
ick totten slagter in Kana:
ga ik naar de slager;
ons osjen sallick hem offreeren,
ik zal hem ons osje aanbieden,
sien wat hy hier voor uyt wilt keeren
kijken wat hij ervoor geven wil
daermet ick meughe sonder draelen
zodat ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus die belasting kan betalen
na ‘s keysers wille en gebod.
volgens wil en wet van de keizer.

Maria:
Bringht wel het dierken so veul op
Brengt het diertje wel zoveel op
dattet geld tons langht?
dat het geld genoeg is?

Jozef:

Hierop betrouwt:
Daar moeten we maar op vertrouwen:
‘tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
’t kan zijn dat ik wat overhoud.

Maria:

Ach Jozef, ’t uur is reets op handen
Ach Jozef, nu is her uur aangebroken
dattick verlost worde van myn banden,
dat de bevalling gaat beginnen,
naby is de gheboorte tyt
de tijd van de geboorte is dichtbij
daer van Gabriël my heeft aangeseyd.
die Gabriël aan mij heeft gezegd.

Hieromme bid den kasteleyn
Vraag de kastelein hierom
oft wyi n syn losament mogten syn.
of we in zijn herberg mogen.

Jozef:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
Maria, hoe zou hij ons dat gunnen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
als we meteen teveel vragen?
Doch willick totten waed gaen opterstond
Maar ik ga meteen naar de herbergier
en sien in syne woninck rond
en eens in zijn huis kijken
oft niet een hoecksken over en waere. 
of er niet een plekje over is.

Baes Titus daer wierd ons een kind geboren;
Baas Titus, er is een kind bij ons geboren
‘tister van nagt bykans bevroren,
’t is vannacht bijna bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
daarom vraag ik u of het goed is
in u losament binnen te gaen.
dat we in de herberg komen.

Titus:

Waerlyk vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
Ect vriend, dat gunde ik je graag
als niet kreck tweu dousyn gecoomen en waren.
als er niet net twee dozijn bij waren gekomen.
Houden alle hoecken en gaeten beset,
Die zitten in elk hoekje en gaatje,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
kijk zelf maar hoe je je met dat kind redt.
Myn losament om t seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek
een waert van myn postuur comt immer plaets te dort.
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Maria ons bidden is al verloren,
Maria het vragen heeft geen zin,
we blyven in den stal gelyk tevoren.
we blijven gewoon in de stal.
maer dattet kind niet koud en hebbe
maar omdat het kind het niet koud moet krijgen
legh’t tussechn os en eselke in de krebbe.
leggen we het tussen de os en ezel in de kribbe.

Maria zingt:

Ach Josef myn, 
Ach Jozef, 
hoe ontrou can de waerelt syn!
hoe ontrouw kan de wereld zijn!
met schande boven maten
het is een grote schande

ons inden stalle te laeten.
om ons in de stal te laten.
O Josef myn;
Ach Jozef;
o Josef myn!
ach Jozef!
Een handeken hooys reick, Josef, my,
Geef mij eens een handje hooi, Jozef,
dattick het kind een beddeken sprey.
dat ik voor het kind een bedje kan maken.

Jozef zingt:

Myn hert en wil, myn gantsch gemoet
Mijn hart en wil, mijn hele ziel,
staen al nae u myn sone goet.
richt ik op jou, mijn goede zoon.

Maria zingt;

O Josef myn,
Ach Jozef,
wiegter met myn het kindelyn:
wieg met mij het kindje:
God sal temet vergelder syn.
God zal je er weldra voor belonen.
O Josef myn, o Josef myn.
Ach Jozef, Jozef

Jozef zingt:

So geern, so geern, goe Mario,
Heel graag, heel graag, Maria
staen ick u by, het sij also,
help ik je, zo is het,
ick wil wel wiegen dat kinde dyn,
ik wil dat kindje wel wiegen,
God sal temet vergelder syn,
God zal het weldra belonen
Mario, Mario!
Maria, Maria!

Maria zingt:

O Josef, Maria’s enghelyn
Ach Jozef, Maria’s engel
nu is aldra, singt gloria,
inu is weldra, zingt het gloria,
de minne daer binnen getoghen
de liefde hier binnengekomen
wyl wy gewinnen moghen
omdat wij het kindje krijgen
het kindekyn,
het kindje,
o Jesulyn.
ach kleine Jezus.

Lied:
1.
Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelks ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2
Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
Dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang

Gallus:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ick sou de leste syn
Ik dacht dat ik de laatste zou zijn
en waôrlyk synder haôrluy noch naer myn.
en nou komen zij dus nog na mij.
Ooy, ooy wat isset bitter coud!
Tjonge, jonge, wat is het bitter koud!
De vorst nypt vinnigh in ‘t gelaet
De vorst grijpt je fel in je gezicht
dattic niet weet waôr myn neus staet.
dat ik niet weer waar mijn neus staat.
Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregd!
Mijn wollen wanten heeft Stiechel geleend!
Hy borregtse als maôr, keer op keer.
Hij leent ze almaar, iedere keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Waar blijft nou mijn broeder Stiechel weer?
Ick kyk ‘reis efkens rond en te omme:
Ik kijk eens even om me heen:
daor sienc  sowaor myn broeder Stiechel kommen.
daar zie ik zo waar mijn broeder Stiechel aankomen.

Stiechel:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ik coom te eersten aen
Ik had gedacht dat ik er het eerst zou zijn
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.
en daar zie ik zowaar broeder Gallus al staan.

Gallus:

Stiechel, hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?
Stiechel, hoe staat het met de kudden schapen?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender bij-naest styf bevroren.
Oei, Gallus, ik ben bijna stijf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Oei, Stiechel ben jij bijna stijf bevroren?
Sietereis myn beye handen!
Kijk eens naar mijn twee handen!

Stiechel:

Ei, hebtgh‘ er maor tweu kwansys?
Oei, heb jij er echt maar twee?
alle hondert en dusent, wat maeckt ge me wys!
wel verdorie, wat maak je nou wijs!
Ei, waor blyft broeder Witok so lanck?
Oei, waar blijft broeder Witok zo lang?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme
Ik kijk eens even om me heen
daor sienck dowaor myn broeder Witok kommen!
daar zie ik zowaar mijn broeder Witok aankomen!

Witok:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
Ik dacht als eerste bij de schapen te zijn
en waorlyk synder haorluy noch voor myn!
en nou zijn jullie er warempel nog vóór mij!

Stiechel:

Ghy komter oovk alle hondert en dusendmael te spa.
Jij komt ook verdorie altijd te laat.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
Mijn vrouw liet me niet gaan voordat
‘k de oû schoenen hadde benayd en gelapt.
ik de oude schoenen genaaid en verzoold had.
Trouwen! Wen de vorst niet en luwen doet
Trouwens, wanneer de vorst niet minder wordt
gaen wylie een coude waeke temoet.
gaan wij een koude wacht tegemoet.

Gallus:

Stiechel, ‘k mogt weten oft u ter oqre quam
Stiechel ik zou wel weten of jij gehoord hebt
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
dat de stadhouder van de keizer, die Cyrenius heet, 
in t lant een groote beschryvick laet houden,
in ’t land een grote volkstelling laat houden,
daor van alle man hemselfs loscoopen soude,
en dat moet iedereen zelf betalen
op straffe vant verlies al synder have en goets!
op straffe dat je alles kwijt bent!
Wie can daor wesen vrooën moets?
Hoe kan je dan blij zijn?

Stiechel:

Ei vrund Gallus, wat seghtghe daor?
Oei, vriend Gallus, wat zeg je daar?
Is dat gebaesel of ist waor?
Is het geklets of is het waar?
tvolck verwagt dat de qua tyen verkeeren,
’t volk verwacht dat de slechte tijden over zijn,
en moeten de sorghen noch vermeeren?
en moeten de zorgen nog groter worden?

Witok:

Och gaet de verwaghtinck noyt niet ten endt?
Och, komt er nu nooit eens een eind aan dat verwachten?
O wee onse jammer en onse ellend!
Och, och, ons geklaag en onze ellende!
Datter de sorgh noch vermeeren most!
Dat de zorgen nu nog groter moeten worden!
We comen al swaor genog an de kost.
We komen al moeilijk genoeg aan de kost,
tis ongeluck op ongeluck
t is de ene tegenslag na de andere
daor onder yeder gaet gebuckt.

waar iedereen onder gebukt gaat.

Gallus:

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Ga weg Witok, jij hebt toch niets te klagen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Vraag liever naar mijn armoede.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ik arme sloeber, ik heb nooit rust!
Ick worde geplaegt by nagt en by dagh.
Ik word dag en nacht geplaagd.
Voor en naor bennick mit de schaepen,
Altijd ben ik bij de schapen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.
nooit van mijn leven tijd om te slapen.
Gister noch, toen ick was oppet veldt,
Gisteren nog toen ik op het veld was,
neerstlyk myn schaepkens hadde geteldt,
zo goed mogelijk mijn schapen had geteld,
ten synder temael niet bystern veul,
het zijn er nu eenmaal niet veel,
daorck u cort de oorsaek van segghen wil.
waar ik je kort de oorzaak van wil zeggen.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ode wouwelaer!
Zeg het dan, oude kletskous!

Gallus:

Een goê deel heyt de wollef levend verscheurdt.
Een goed deel heeft de wolf levend verscheurd.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd:
’t Kan net zo goed door de slagershond zijn gebeurd:
dan synser by ongeval dootgebeten;
dan zijn ze per ongeluk doodgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?
moet het meteen ook maar een wolf zijn?

Gallus:

Myn trou Stiechel, houdt uwen mond,
Beste Stiechel, hou je mond,
byt niet de wolf kreck zo hart als de hond?
bijt de wolf niet net zo hard als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.
Ja, nog veel harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
Zeg mij dan maar hoe het gegaan is
als hadtgh’er sellef by gestaen.
alsof je er zelf bij had gestaan.

Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
Mijn vrouw heeft grutten voor ons gebakken!
Die laetenm’ ons te nagt wel smaeken.
Die laten we ons vannacht wel smaken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?
Zit er misschien ook spek bij?

Witok:

Drie sulcke hompen louter vet!
Drie van zulke hompen puur vet!
Lestent wierdtme inder bree vertelt
Laatst werd me uitvoerig verteld
‘twaor van God in eeuwicheyd bestelt
dat was God al eeuwen van plan
dat tonsent den begeerden messias sou comen
dat de zo gewenste messias naar ons zou komen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
tot verlichting en verlossing van alle vrome mensen.
Alsdan sullen wylie hier beneden
Dan zullen wij hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden.
bevrijd zijn van druk en zorgen.

Gallus:

Och. Waor den messias digt byder hant
Och. Was de messias maar dichtbij
dan soudenme setten al sorghen aan kant,
dan zouden we alle zorgen opzij zetten.
van louter jolyt soudenme springhen,
van puur plezier zouden we springen,
met vrolicheid gode het Gracie singhen.
vrolijk voor God een danklied zingen.

Stiechel:

Twelcker tyd ende plaetse moetet geschien?
Op welke tijd en welke plaats moet het gebeuren?
datme der armen solaes mocgten sien?
dat we de helper van de armen mogen zien ?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
De tijd is niet aangegeven,
doch van de plaetse staet geschreven:
maar over de plaats staat geschreven:
in Bethlehem wort hy geboren
dat hij in Bethlehem wordt geboren
van eener maegde uiyvercoren.
bij een uitverkoren maagd.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn:
Luister eens beste broeders:
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
nu we met z’n drieën bij elkaar zijn
meughenme wel efkens d’ ooghen sluyten
kunnen we wel eventjes de ogen sluiten
end’ een cortewyl slaepen hierbuyten.
en eventjes hierbuiten slapen.

Engel zingt:

Gloria, gloria, in excelcis.
ick bringh uliên een maere blydt
ik breng jullie een blijde boodschap
en allen volken op aerde wijdt.
en aan alle volken op de wijde wereld.
O christen maekt
O christen maakt 
u op en waekt;
maak u gereed en wordt wakker;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind,
met spoed naar de kribbe, met spoed naar het kind,
gezwind, gezwind!
met spoed, met spoed!
Wackere herdersluyd, flucx op de been,
Wakkere herders, ga vlug staan,
spoeter nae Bethlehem alle met een;
haast je meteen naar Bethlehem;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
groet er met fluiten en herdersfluiten
gins in den stalle het kindeken kleyn,
ginds in de stal het kleine kind,
het kindekyn, het Jesulyn!
het kind, de kleine Jezus!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaên:
Herders, herders, wees niet bang:
siet, groote blydschap segh ick u aen.
zie, ik verkondig u grote blijdschap.

Gallus:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende seldsaem gedruis?
Stiechel, wat moet dat gejubel en zeldzaam lawaai?
Me dunckt, het is niet heelend’al pluys,
ik denk dat het niet helemaal pluis is
of isset een gespoock quansuys?
of is het echt een spook?

Stiechel:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
Zowaar, ’t is wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
zo gauw ik onder mijn hoed
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt.
vandaan kijk, zie ik zo’n fel licht,
Wat schynt gins voor een droomgesigt?
Wat schijnt daar voor droomgezicht?

Witok:

Een stemme hoor ick hel en klaor,
Ik hoor zo’n heldere stem,
het lykent wel een enghlenschaor.
het lijkt wel een engelenschaar.

Engel zingt:

Van hemelsrycken coom ick neer,
Ik kom neergedaald uit hemelrijken,
een hemelsbode van also veer;
een hemelbode van zo ver;
veul goede maeren bringh ick u,
ik breng u een heel blijde boodschap,
die seg ick en die singh ick u.
die zeg ik en die zing ik jullie.

Gallus:

Past erop, so gladt als een spieghel.
Kijk uit, het is spiegelglad.

Witok:

Als ’t is! En deuvenkatersgladt;
Dat is het zeker! Duivels glad;
theyt mot gereghent:
het heeft gemotregend:
gants vol ysel is myn baardt!
m’n hele baard zit vol ijs!

Gallus:

Stiechel, staet op, den hemel kraeckt alree!
Stiechel, sta op, het wordt al dag!
[dit ‘kraken’ heeft ook iets van ‘krakkemikkig’, vandaar de opmerking over ‘oud’]

Stiechel:

Ei laotmaor kraecken, hy’s waorlyk oudt genog daor veur.
Ei, laat maar [kraken] aanbreken, hij is er oud genoeg voor.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veugelkens tuytren al!
Stiechel, sta op, de vogeltjes zingen al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
Ei, laat maar zingen!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaek.
In hun kleine kopjes zit niet zoveel slaap.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs den weghen.
Stiechel, sta op, de voerlui rijden al hard over de weg.

Stiechel:

Ei laot maor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.
Joh, laat maar hard rijden, ze hebben nog een gezegend stuk te te gaan.

Gallus:

Ei ghe mot doch opstaen!
Joh, je moet toch opstaan!
Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.
Past erop Stiechel, zo glad als een spiegel.

Stiechel:

Ei alle hondert en dusend!
Oei, verdorie nog aan toe!
Costgh’ oock niet waorschouwen
Kon je dan niet waarschuwen
voor dat ‘k myn pens hebben bont ende blau gestooten?
voordat ik mijn buik bont en blauw gestoten heb?
Ha myn Gallus! Wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Gallus, wat je wel gedroomd,
datgh’ u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb je dan gedroomd?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
Dat kan ik vrijuit zeggen.

Gallus zingt:

Ick docht in eenen stal te gaen,
Ik dacht in een stal te gaan,
sach daer een os end’ esel staen
zag daar een os en ezel staan
die uyt een krebken vraten;
die uit een kribbe vraten;
beneven haer een jonckfrou teer,
naast hen zat een tere jonkvrouw,
een edel grysbaert saten.
en een edele man met een grijze baard.
Nu is de slaepenstyt voorby!
Nu is de tijd van slapen voorbij!
quam elke naght dien droom tot my,
als ik iedere nacht zo droomde
‘ksou gheern tot zeuvenen slaepen.
zou ik wel graag tot zeven uur slapen.

Stiechel:

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Witok, wat heb jij wel gedroomd,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb jij dan gedroomd?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
kan ik jullie vrijuit zeggen.

Witok zingt:

In stille kerstnagt opten lant
In de stille kerstnacht op het land
deur diepe slaep wierck overmant.
werd ik door een diepe slaap overmand,
Myn hert deet overvloeyen
Mijn hart liep over 
van soete vreucht en honigh goet
van heerlijke vreugde en goede honing
en rosen deden bloeyen.
en er bloeiden rozen.

Gallus:

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
Ha Stiechel, wat heb jij wel gedroomd
dat g’u neffens mijn zo ommerollen en ommetollen deed?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt? 
Wat heb jij dan gedroomd?

Stiechel zingt:

Ick droomd’ als dat een inghel quam 
Ik droomde dat er een engel kwam
en ons nae Bethlem met hem nam
die ons meenam naar Bethlehem
in varre joodsche oorden:
in verre joodse streken:
Een wonderdick was daer geschiet,
Daar was een wonder gebeurd,
twas wonder watme hoorden.
het was een wonder wat we hoorden.

Lied:

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
Vrolijke herders, olijke knapen
die singhen alsse niet en slaepen:
die zingen als ze niet slapen:
heisa ho ee! laet lustig ons singen,
heisa ho he! laat ons maar lustig zingen,
welgemeyt in ‘t ronde springhen.
vrolijk in ’t rond springen.
David een kloecken herder was,
David was een dappere herder,
droegh oock een staf ende herderstasch.
droeg ook een staf en een herderstas.

2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
Een lied fluitend en genoeg van het slapen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
zo hoeden wij onze kudde schapen,
bly singhen wy God heere ter eere,
blij zingen wij God ter ere,
wie sal ‘t weren, d’ruggh’ ertoe keeren?
wie zal dat afwijzen, het de rug toekeren?
daer isser geen soot euvel diedt,
niemand neemt ons dit kwalijk,
deet te mael David het selver niet?
deed David immers niet hetzelfde?

3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
Toen hij de vijand had verslagen
wierdt hy coninck al syne daghen,
werd hij voor de rest van zijn leven koning,
cieraet der joden, schepter in handen,
sieraad van de joden, scepter in zijn hand,
potentaet vans heeren landen.
heerser van de landen van de Heer.
Alleman mach op David sien:
Iedereen mag wel opkijken tegen David:
synder die herders geen wack’re liên?
zijn de herders geen wakkere lui?

Gallus:

Wel an, laet ons tot Bethlem gaen
Kom op, laten we naar Betlehem gaan
twonder sien dwelck ons is kondt gedaen.
het wonder zien waarvan ons is verteld.
Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat gaan we geven?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?
Met wat voor geschenk het kind vereren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
’t Krijgt van mij een kruikje zoete melk
dat syne moeder hem rycklyck gevoedt.
dat zijn moeder hem rijkelijk kan voeden.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
Daar is bij mijn kudde een mooi jong lam,
het kind is wel weert dattick’t tot hem nam;
het is het wel waard om het voor het kind mee te nemen;
salt schielycken mit myn staf omvaên
ik zal het snel met mijn staf vangen
en over myn bey schouders laên.
en over mijn schouders leggen.

Gallus:

Ick neem een plucksken wol voort kinde, me dogt
Ik neem een plukje wol voor het kind, ik dacht
dat syne moeder het warrem dao inlegghen mogt.
dat zijn moeder hem daar warm in kan leggen.

Stiechel:

tis hardstickedonker, ik tast nae den wegh,
’t Is hartstikke donker, ik tast naar de weg,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
ik weet zowaar geen heg of steg.
Gaewe qualyk of regt nae stadt by abuys?
Gaan bij vergissing verkeerd of goed naar de stad?

Gallus:

Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
Stiechel, ik zie al een huis met strodak,
we willen naet godskind vragen een reize
we zullen eens naar het godskind vragen
en ofse daorgunter ons mogten wysen
en of ze ons daarginder zouden kunnen wijzen
hoe datme moeten gaen
hoe dat we moeten gaan
om dra comen by dat kinde an.
om gauw bij dat kind te komen.
Heida! Heida! En isser agter geen
He, hallo! En is er achter niet iemand
die cost ons seggen alwaor heen?
die ons kan zeggen waar we heen moeten?

Jozef:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Vriend, wie zoek je op deze plek?
yemant so u den wegh wysen dee?
heeft iemand u de weg gewezen?
Wilt my seggen waor na u de sinnen staen,
Zeg eens wat u wil,
waer g’u beneerstigt henen gaan?
waar u zo graag naar toe wil?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
Beste man, wij zooeken het godskindje
soude ons alhier geboren syn,
dat zou hier voor ons geboren zijn,
wy mogtent weten ende des syns gewis
wij zouden het zeker willen weten
nadient ons dus verkondight is.
nadat het ons dus verteld is.

Jozef:

Soo ghe dit wensch syt ghy te regt.
Als je dit wil ben je aan het goede adres.
Hier leytet kind daer van ghy segt.
Hier ligt het kindje waarover je spreekt.

Lied:

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
Wees aandachtig, mijn hart en kijk naar het kindje
so gunder in de krebbe light;
dat daar in de kribbe ligt;
dat isset kindjen wel gemint,
dat is het kindje waar men veel van houdt
het overschone Jesuskind.
het wonderschone Jezuskind.

Gallus:

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Wees gegroet kindeke teer!
Hoe leyt ge daor so ermelijk neer.
Wat lig je daar nu armzalig.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
Een strobed, geen zachte veertjes,
alleenlich wat stoppelen hooys zo hardt.
alleen wat harde stoppels hooi.
Niet op somersdach geboren en syt,
Niet op een zomerdag geboren,
maor inder bitt’ren winterstyd.
maar in de bittere wintertijd.
Voort lelyenblanc ende rosenroodt
In plaats van witte lelies en rode rozen
kiestghe snippende vorst en coude groot.
kies je bijtende vorst en erge kou.
U bleke koontjens, u neuzeken fyn
Uw bleke wangetjes en fijn neusje
hoe datse schier vervrosen syn,
hoe die bijna bevroren zijn.
en u schone guld’ oochjens synder vol
en uw mooie gouden oogjes staan vol
van bittere traenen. Siet hier een plucksken wol,
met bittere tranen. Kijk eens hier, een plukje wol,
die hebbic u Jesuken metgebrocht
dat heb ik, kleine Jezus, voor u meegebracht
dat uw moeder u warrem daor inlegghen mogt.
dat uw moeder u daar warm in kan leggen.
Oock hebbic noch een hantvol meel,
Ook heb ik nog een hand vol meel,
dat uw moeder een papjen kookt. Tisser er niet veul,
dat uw moeder een papje kan koken. Het is niet zoveel,
maor soot u ghelieft, ick coom ereis weer,
maar als u het wil, kom ik nog een keer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.
dan breng ik voor u Jezus, veel meer mee.

Stiechel:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
Wees gegroet, kindje teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
wat lig je daar nu helemaal verkleumd van de kou!
Gins hebtghe u hemelsaele groot
Ginder hebt u uw grote hemelzaal
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
en komt op aarde naakt, arm en bloot;
een kruyksken mellek mogtick u schenken,
ik wil u een kruikje melk geven,
nu biddic u, wilt myns gedencken.
nu vraag ik u, wil mij gedenken.

Witok:

God gheef u goên dach lief kindeken,
God geve u een goede dag lief kindje,
syt er gegroet lief Jesuken!
wees gegroet lieve Jezus!
Ghy die syt coninck boven al,
U die boven allen koning is,
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
geboren, gevoed in een armzalige stal;
ick bringh u, coninck, een wolligh lam,
ik breng u, koning, een wollig lam,
verschoont dattic niet met meerders en quam.
vergeef me dat ik niet meer bij me heb.

Jozef:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.

Maria:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.
God wil u neerinck doen gedy’n
God geve uw werk voorspoed
en laete u schaepkens tierigh syn.
en dat het goed gaat met de schapen.

Lied:

Buyght by het krebbeken neder,
Kniel bij het kribje neer,
wieght twichtjen heen ende weder,
wieg het kindje heen en weer,
dat wilder ons al genesen,
dat ons allemaal wil genezen,
dat kindeken sy gepresen.
dat kindje zij geprezen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!
O lieve Jezus, o lieve Jezus!

Gallus:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
’t Is een wonder hoe je het wendt of keert
dat hy geboren is so onbekend,
dat hij zo onbekend is geboren,
gebrek en coude deerlyk lydt
danig gebrek lijdt en kou
en toch regeert de waerelt wydt.
en toch de wijde wereld regeert.

Witok:

Hy quam hier opter aerden erm
Hij kwam hier arm op aarde
op dat hy onser hem ontferm
opdat hij zich over ons kan ontfermen
en maek’ ons in synen hemel ryk
en in zijn hemelrijk
even selfs d’engelen gelyk.
ons zelfs gelijk maakt aan de engelen.
Sulcx doet hy dat den mensch mogt leeren
Dat doet hij opdat de mens zal leren
van hoverdy hem of te keeren,
zich af te keren van hoogmoedigheid,
dat hy niet leve in stacie ende pragt,
dat hij niet leeft in pracht en praal,
maor regt deemoedicheyt betracht.
maar echt deemoedig probeert te zijn.

Stiechel:

Tcan ons getroosten in onsen moet
Het kan een troost zijn voor onze moed
deur dien wy syn van coninclyc bloet.
dat wij van koninklijk bloed zijn.
Coningh David was oock een herdersman
Koning David was ook een herder
ent is mirackel wat hy heeft gedaen:
en ’t is een wonder wat hij heeft gedaan:
het staet te lesen inder scrift als dat
het staat in de Bijbel te lezen dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.
hij de machtige Goliath doodde.

Gallus:

Als we efter totten ghesellen gewagen
Als we straks aan de andere herders zeggen
van ‘tgeenme alhier mit ooghen zagen,
wat we hier met eigen ogen hebben gezien,
veur den sot sullens’ ons houwen, ’t noyt niet gelooven,
zullen ze ons voor gek verklaren, het nooit geloven,
want deuse saek gaetet verstant te boven.
want dit gaat je verstand te boven.

Witok:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
Het moet mij van het hart of ik het wil of niet,
voort segh ik den lantheer wat hier is geschied
ik ga het aan de landheer zeggen wat hier is gebeurd
en sal morgen den dach nae Hierusalem gaen
en morgen ga ik naar Jeruzalem
en segghen het oock den stadthouwer an.
en het ook tegen de stadhouder zeggen.

Stiechel:

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
Kijk, daar komt Crispijn naar ons toe, die heeft niet gedacht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesocht.
ons hier aan te treffen, heeft vast en zeker op de hei gezocht.
God moet u groeten, myn goê Crispijn!
God moet u groeten, mijn beste Crispijn!

Crispijn:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.
God moet u belonen, mijn oude Stiechel.

Gallus:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?
Hoe staat het met onze kudden?

Crispijn:

Werentig de schaepkens weyden alle te gaor,
Zeker, de schapen zijn met z’n allen aan ’t grazen,
groot’ ende clene, so d’ eene als d’ aor.
de grote en de kleine, zowel het ene als het andere.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
Hebben jullie toevallig ook gehoord
wat of die geruchten int volc beduyden?
wat die geruchten onder de mensen betekenen?

Gallus:

Werentig! In Bethlem leytet kindeken
Zeker! In Bethlehem ligt het kindje
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken.
in een kribje tussen een os en een ezeltje.
Schout ghe selver geerne twonder aen,
Als je zelf graag het wonder wil zien,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
moet je morgen vroeg opstaan
en mit onslie nae Bethlem gaen.
en met ons mee naar Bethlehem gaan.

Crispijn:

Hoe veer ist wel?
Hoe ver is dat wel niet?

Gallus:

Tot gh’ er bent!
Tot je er bent!

Crispijn:

Jao, jao, ick salereis bedenken
Ja, ja, ik zal eens bedenken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
en het kind een slip van mijn pelsvacht schenken.

Lied:

Herdersluyden vro en bly
Herderslieden vrolijk en blij
waren by den schaepen,
waren bij de schapen,
opten velde waekten sy
op het veld hielden zij de wacht
en leyden haar slapen.
en legden zich te slapen.
Toen voer een enghel tot haer neer
Toen kwam er een engel naar hen afgedaald
vol heerlykheyt, sodatse seer
in volle heerlijkheid, zodat ze zeer
in schrik en vreesen waren.
schrokken en bang waren.
De enghel sprack: vreest niet met al,
De engel sprak: je hoeft helemaal niet bang te zijn,
veel vreuchd den volke wesen zal,
voor het volk zal er veel vreugde zijn,
‘kbring u blye maeren.
ik breng een blijde boodschap.

Lied:

1.
Juyght nu, juyght soo arm als ryck!
Juigt nu, juigt of je arm bent of rijk!
Ons is op deusen dach
Voor ons is op deze dag
een kind geboren heuchelyk
verheugend, een kind geboren
dwelc alle dinc vermagh,
dat alles kan,
oock heylig is daerby,
daarbij is het ook heilig,
tis Jesus Christus, hy
het is Jezus Christus hij
die quam om ‘smensen sond voorwaar
die werkelijk kwam voor de zonde van mens
uit synen hemel klaer.
uit zijn reine hemel.

2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
Denk er eens aan hoe hij afgedaald is
in noot en nederheyd,
in nood en nederigheid,
in Bethlem so de scrift verhaelt,
in Bethlehem zoals in de Bijbel staat,
al in een schuere leyt.
in een schuur ligt.
Een krib syn woninck is
Een krib is zijn woning
die toch een coninck is,
terwijl hij toch koning is,
den hoochsten koninck wyd ende zyd
wijd en zijd de hoogste koning
op d’ aert in eeuwicheyt.
op aarde tot in eeuwigheid.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
Dat iedereen hiermee het allerbeste doet,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
wensen wij u van de almachtige God een goede nacht.
.

Kerstspelalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspelen alle beelden

Kerstmis: alle artikelen

.

1978

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen (5)

.

ONZE KERSTSPELEN

In zijn boek “The bridge of San Luis Rey” vertelt Thornton Wilder van het instorten van een brug in Peru, 250 jaar geleden, waarbij vijf mensen, die zich juist op dat moment op die brug bevonden, omkwamen. Hij stelde zich de vraag, of men door een zich verdiepen in de levensloop van die verschillende mensen misschien zou kunnen gaan vermoeden of het slechts een toeval is, dat juist deze vijf mensen tezamen dit lot moesten treffen, of dat er een “bedoeling” te vinden zou zijn.

Zo kan het ook voorkomen dat bepaalde mensen op het laatste moment ervoor behoed worden, dat zij door de poort van de dood zouden gaan. Mensen, die oog in oog met de dood door een ongeval gestaan hebben, b.v. door verdrinking, of op een bergtocht en toch nog net door een “toeval” het leven behielden.

Of ook mensen die door een “toeval” zich net niet aan boord van een vliegtuig of in een bepaalde trein bevonden, hoewel zij dat wel van plan geweest waren en die daardoor aan een ramp ontkomen zijn.

Richtte Wilder zijn aandacht op het verleden van de betrokken mensen, zo is men in die andere gevallen geneigd zich juist in hun verdere toekomst te verdiepen. Wat speelt zich in het leven van die mensen verder af, waardoor men zou kunnen gaan vermoeden, wat de “bedoeling” van hun “toevallige” redding geweest zou kunnen zijn. Zij hebben, zou men kunnen zeggen, een nieuw leven gekregen en wat hebben zij ermee kunnen doen?

Zulke vragen kan men niet alleen stellen ten aanzien van het leven van mensen. Iets dergelijks heeft zich afgespeeld met de middeleeuwse kerstspelen uit Oberufer. Een taalgeleerde, Karl Julius Schröer, besteedde vrijwel zijn gehele leven aan de studie van het leven en de werken van Goethe. Maar gedurende een vrij korte tijd in zijn jonge jaren, toen hij leraar was aan een gymnasium in Presburg (Bratislava) had hij “toevallig” een grote belangstelling voor dialecten en in samenhang daarmee voor oude overgeleverde volkskunst. Hierdoor kwam hij in aanraking met oude kerstspelen, die al sinds eeuwen leefden op een eiland in de Donau in Hongarije, in het dorp Oberufer, waar de afstammelingen van eenvoudige Duitse boeren- landverhuizers sinds  ± 1600 leefden. Hij woonde in 1853 een opvoering bij en sprak na afloop lang met David Malatitsch. de ”leermeester goed” die het beheer had over alles, wat met de spelen te maken had.

Schröer had intuïtief een vermoeden, dat er ergens in het paradijsspel een lacune moest zijn ontstaan en bracht dit ter sprake. Aanvankelijk ontkende Malatitsch dit verontwaardigd, aangetast als hij zich voelde in zijn autoriteit en zijn deskundigheid door die geleerde stadsmensen.

Maar Schröer houdt vol en mopperend en tegenstribbelend begint Malatitsch toch in zijn geheugen te graven, en met horten en stoten, maar dan steeds vlotter, komen er tot zijn eigen stomme verbazing, regels omhoog, die hij sinds zijn jeugd, toen hij, nog bijna een kind, onder leiding van zijn vader de rol van Engel Gabriël gespeeld had, totaal vergeten was. Ze worden, dank zij Schröer, ongeveer dertig regels uit het tweegesprek tussen Godvader en Adam, vóór de schepping van Eva, aan de vergetelheid ontrukt, wellicht zou er op den duur nog meer verloren gegaan zijn. Maar nu worden de spelen als een drenkeling op het laatste ogenblik nog bij de haren van de verdrinkingsdood gered. En met welke bedoeling”?

In deze adventstijd van 1974 worden zij vele honderden malen opgevoerd in de meest uiteenlopende plaatsen over de hele aardbol verspreid. Zo is het al vele tientallen jaren en voor talloze duizenden mensen vormen zij een allerkostbaarst en onvervangbaar levensbezit.

Zo ging het echter niet ineens. Het ging als met de Steen van Rosetta, die eeuwenlang in totale vergetelheid ergens in Egypte gelegen had. Die toen door een toeval, tijdens een expeditie van Napoleon bij het slopen van een vesting tussen het puin gevonden werd. Daardoor kon, overigens nog na jaren van gissen en studie, het Egyptische hiëroglyfenschrift ontcijferd worden, en konden de mensen een nieuwe toegang vinden tot een rijkdom aan Egyptische cultuur, waarvan de kennis en het beleven zich over de gehele aardbol verspreidden.

Zo lag het boekje, dat Schröer over de kerstspelen gepubliceerd had, jarenlang vrijwel onopgemerkt op de stoffige planken van vele wetenschappelijke bibliotheken in Europa. Hij had dit met toestemming van David Malatitsch mogen uitgeven, ‘op voorwaarde dat de tekst van de spelen in Gotische letters gedrukt zou worden, en dat het recht van opvoering uitdrukkelijk aan de toestemming van hem, Malatitsch en zijn erfgenamen, gebonden zou zijn.’ Behalve de tekst bevat het een schat van bijzonderheden en aanwijzingen over spel, regie en spelers en o.a. ook interessante en uitgebreide vergelijkingen met andere min of meer bekende spelen. In Oberufer werden de spelen intussen af en toe, met tussenpozen van vier tot twaalf jaar, opgevoerd, maar niemand toonde er verder belangstelling voor en het was volmaakt stil om de spelen.

Eenmaal na 20 jaar, vond er in deze stilte een gebeurtenis plaats, die van belang was.
In de kersttijd van 1882 had Schröer, sinds lang professor, een gesprek met de student Rudolf Steiner. Tussen hen was een intieme band ontstaan van waardering en vererende bewondering. Met opvlammend enthousiasme vertelt Schröer van wat hij in Oberufer gehoord, gezien en beleefd had, en met het kostbare boekje geeft hij ook zijn liefdevolle bewondering voor de spelen aan Rudolf Steiner door. De stilte blijft echter onverbroken, tot dat, weer 28 jaar later, in 1910 onder regie van Rudolf Steiner in München een eerste opvoering plaats vond, op een zeer markant moment van zijn leven en werken.

En dan plaatst hij het geschenk van Schröer met zoveel zorg, liefde en kracht in de wereld, dat de oude spelen in een nieuwe stroom komen, die zich al spoedig steeds weer ging vertakken naar talloos vele plaatsen op de aardbol. En bij het tot standkomen van deze verbreiding hebben de “Vrije Scholen” een belangrijke rol gespeeld, omdat vooral voor kinderen het aanschouwen en het meebeleven van deze spelen van onschatbare betekenis kan zijn.

Wij leven in een tijdperk waarin de mensheid in overgrote meerderheid vergeten is, of nu meer kan beleven, dat de wereld, zoals wij die om ons heen waarnemen, de uitdrukking en tegelijk de openbaring is van een bovenzinnelijke wereld, en dat elk mens die onze aarde betreedt, afkomstig is uit een goddelijk-geestelijke wereld, die zijn ware vaderland is. Vooral kleine kinderen weten dit nog heel goed. Een zekere tijd lang hebben zij nog een herinnering aan de wereld, waaruit zij stammen, en kunnen zij veel daarvan als realiteiten beleven en ervaren, wat voor anderen niet meer zonder meer mogelijk is.

Het ‘orgaan’ dat zij daarvoor hebben, moet echter gevoed worden, wil het niet verschrompelen en verdorren en voorgoed verloren gaan. Dat voedsel kan niet daaruit bestaan, dat men er met de kinderen over zou spreken.

Maar beelden, die een uitdrukking en een openbaring zijn van de werkelijkheden, waar het hier om gaat, die zijn het waarachtige voedsel, dat de kinderen nodig hebben en met vreugdevolle herkenning in zich opnemen.

Die beelden zijn op talloze plaatsen te vinden o.m. in de sprookjes, de oude mythologieën, in het Oude en het Nieuwe Testament. En de eenvoudige, maar veelomvattende als gedegen goud zo zuivere, eerbiedwaardige beelden, waarin de kerstspelen tot ons spreken van de meest centrale gebeurtenissen uit de mensheidsgeschiedenis, nemen daarbij een eminente plaats in. Zij behoren tot het kostbaarste voedsel, dat men kinderen geven kan.

Een opvoering van de kerstspelen is meer dan alleen maar een vertoning, die men eens gezien moet hebben; meer ook dan een middel tot voorbereiding en verrijking van de kersttijd. En de ritmische herhaling van het aanschouwen en meebeleven van jaar tot jaar speelt hierbij een belangrijke rol. Een opmerking als: “waarom spelen jullie toch elk jaar dezelfde spelen, wij kennen ze toch immers al én zou het dan niet goed zijn eens iets anders te kiezen?” wordt af en toe gemaakt, maar is bepaald niet terecht.

Wij weten om te beginnen allen, dat we bepaalde boeken graag herlezen, bepaalde werken van beeldende kunst telkens weer willen zien, geliefde muziek graag opnieuw willen horen. Maar hier gaat het toch nog om meer.

De herhaling, en vooral de ritmische herhaling, heeft een onvervangbare waarde in zichzelf, los van het al of niet beter leren kennen. Kinderen weten dat wanneer zij het allang door en door bekende sprookje toch telkens opnieuw willen horen, liefst in dezelfde bewoordingen. Vele kinderliedjes en spelletjes ontlenen juist aan die ritmische herhaling hun waarde en daarom zijn zij altijd weer opnieuw zo geliefd.

Ook op het terrein van het religieus beleven kan men de waarde hiervan ervaren. Althans wanneer de religieuze praktijk niet op sleur of traditie, maar op een
innerlijk beleefde behoefte, een uit eerbied geboren overgave en een op den duur ontstane geloofservaring berust. Veel mensen kennen dit b.v. uit het meeleven met de eredienst door het jaar heen. En leest u eens een gedeelte uit de redevoeringen van Boeddha in onverkorte weergave, hardop en in alle rust.
Daar kan men de werking van de ritmische herhaling heel sterk beleven. Zo ook bij het lezen van het 6e hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes met de ritmisch herhaalde aankondiging van het mysterie van de opstanding.

Voedsel moet op de juiste wijze toebereid zijn om in het organisme met vrucht opgenomen te kunnen worden. De ritmische herhaling is een vorm van “toebereiden”, was door het eerder genoemde ‘’orgaan” zijn voedsel op een harmonische en wehkzame wijze kan opnemen, zodat het behouden kan blijven. Dan zal het op een zekere leeftijd toch wel gaan zwijgen, maar het leeft, het is rijk aan inhoud en het betekent voor de mens een verborgen schat, die op de allerbelangrijkste levensmomenten aan het licht kan komen of gebracht worden om hem kracht, uitkomst of redding te brengen.

Want wij leven ook in een tijdperk waarin de mensheid geteisterd werd, wordt en zal worden door de zwaarste beproevingen, die ooit in de geschiedenis voorgekomen zijn. Hiermee kan men slechts vergelijken een tijd als die van omstreeks de zevende tot de derde eeuw voor Christus, toen stormen over de wereld raasden en de mensheid door groei en ondergang van het ene wereldrijk na het andere van catastrofe tot catastrofe geslingerd werd. Ook toen reeds betekende het lot van de mensheid tevens onmetelijk lijden voor talloze individuele mensen, al waren het niet zo vele millioenen als in onze tijd die bij wereldrampen betrokken zijn. En waar zal de mens dan de kracht vinden om stand te houden?

Wellicht dat dan dat “orgaan” weer gaat spreken, dat dan die verborgen schat aan het licht komt, dat mede dank zij de beelden, die al in Oberufer met zoveel liefdevolle zorg en eerbied voorbereid en tenslotte voor de mensen geplaatst werden, die mens de hulp kan vinden die hem werkelijk redden kan. Het beleven van zijn oorsprong uit en zijn verbonden zijn met een goddelijk-geestelijk vaderland en met de hoge machten die de mens willen helpen, maar die het alleen kunnen wanneer de mens de toegang tot hen zelf wil zoeken.

Zo kunnen deze spelen in de eerste plaats voor kinderen, maar toch ook niet minder voor volwassenen, tot een heel kostbaar geschenk worden. Een geschenk, dat als een gouden sleutel in een geheime bergplaats van de ziel verborgen blijft tot het ogenblik dat men zich voor een gesloten deur geplaatst ziet, waardoor men onverbiddelijk verhinderd wordt zijn weg te vervolgen. Tenzij men hem met die sleutel weet te openen.
.

C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, dec. 1974.
Dit artikel is een gedeeltelijk vernieuwde bewerking van een artikel, dat in december 1966 verscheen in no» 26 van het blad ,De Vrije School”, voorganger van “Vrijblijvend.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

.

1680

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (4)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 33

Dornach, 30. Dezember 1917 anläßlich der Aufführung von alten deutschen Weihnachtspielen vor in der Schweiz internierten deutschen Kriegsgefangenen

Im Namen aller Freunde unserer anthroposophischen Bewegung und namentlich derjenigen, die hier an diesem Bau vereinigt sind, habe ich Sie mit tiefster Befriedigung heute auf das allerherzlichste zu begrüßen. Sie werden an die aufrichtige Herzlichkeit dieses unseres Grußes glauben. Sind ja doch die Empfindungen, die wir Ihnen entgegenbringen,

Dornach, 30 december 1917 naar aanleiding van de opvoering van oude Duitse kerstspelen voor in Zwitserland geïnterneerde Duitse krijgsgevangenen

Uit naam van alle vrienden van onze antroposofische beweging en met name van degenen die hier samen aan de bouw[het Goetheanum] werken, wil ik u vandaag met een diep tevreden gevoel allerhartelijkst begroeten. U moet de oprechte hartelijkheid van deze groet ter harte nemen. De gevoelens die wij u tegemoet dragen,

blz.34

durchtränkt von all dem, was wir miterleben als Folgen jener schmerzlichen Ereignisse der Gegenwart, die so tief eingreifen nicht nur in das allgemeine Weltenschicksal, sondern auch in das Schicksal jedes einzelnen Menschen, insbesondere derjenigen, deren Besuch uns heute hier zugedacht ist.
Das, was wir Ihnen bieten möchten, sind Weihnachtspiele. Anspruchslos sollen diese Darbietungen genommen werden; das bitten wir Sie zu bedenken. Denn sie sollen der Versuch sein, alte Erinnerungen der europäischen Kultur aufzufrischen. Und vielleicht kann ich am leichtesten sagen, wie es sich mit diesen Spielen verhält, wenn ich mir erlaube, darauf aufmerksam zu machen, wie ich selbst zunächst mit diesen Spielen bekanntgeworden bin.
Das, was diese Spiele darbieten sollen, steht zunächst in einem loseren Zusammenhang mit unserer anthroposophischen Bewegung, aber dies ist nur scheinbar. 

zijn vol van alles wat wij beleven als gevolg van die zo smartelijke gebeurtenissen in deze tijd die zo ingrijpend zijn, niet alleen in het algemene wereldlot, maar ook in het lot van ieder mens, in het bijzonder van degenen die ons vandaag hier met een bezoek vereren. Wat wij u hier zouden willen schenken, zijn kerstspelen. U moet onze opvoeringen als bescheiden zien; wij vragen u dat te bedenken. Want ze willen een poging zijn oude herinneringen van de Europese cultuur op te frissen. En misschien kan ik het gemakkelijkst zeggen wat er met deze spelen is, wanneer ik de vrijheid neem om te vertellen hoe ik zelf deze spelen heb leren kennen.
Wat deze spelen willen tonen, staat in eerste instantie wat losser van onze antroposofische beweging, maar dat lijkt maar zo.

Nur derjenige, welcher diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft verkennt, kann des Glaubens sein, daß solche Aufgaben, wie die mit diesen Weihnachtspielen verbundenen, nicht in ihrer Richtung liegen. Muß doch in ihrer Richtung das Interesse für alles dasjenige liegen, was das geistige Leben und die Entwickelung der Menschheit betrifft.
Ich selbst wurde bekannt vor Jahrzehnten mit diesen Spielen, und zwar gerade mit den Spielen, von denen heute hier eine Probe entwickelt werden soll, durch meinen alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer entdeckte gerade diese Spiele, die alt sind, die irgendwo, da oder dort, in früheren Zeiten aufgeführt worden sind und die jetzt wiederum erneuert werden. Man kann viele solche Spiele allenthalben sehen. Allein gerade die beiden Spiele, um die es sich heute hier handeln wird, und einige andere unterscheiden sich doch von anderen Weihnachtspielen in ganz beträchtlicher Art. Karl Julius Schröer fand sie in den vierziger und fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts auf der Insel Oberufer. Das ist eine Vorinsel der Insel Schütt, welche durch die Donau unterhalb Preßburg, da wo Ungarn an Österreich angrenzt, gebildet wird. Da haben sich seit dem 16. oder mindestens seit dem Beginne des 17. Jahrhunderts unter den deutschen Bauern, den sogenannten Haidbauern, diese Weihnachtspiele erhalten, 

Alleen degene die deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap ontkent, kan van mening zijn dat opgaven zoals die met deze kerstspelen verbonden zijn, voor hem of haar niets zijn. Want je moet wel geïnteresseerd zijn in alles wat het geestelijke leven en de ontwikkeling van de mensheid betreft.
Ik zelf leerde deze spelen tientallen jaren geleden kennen en wel deze spelen die we hier willen proberen te ontwikkelen, door mijn oude vriend en leraar, Karl Julius Schröer.
Hij ontdekte juist deze spelen die oud zijn, die ergens daar en daar, vroeger, opgevoerd zijn en die nu weer vernieuwd worden. Je kan dergelijke spelen overal zien. Maar met name de twee spelen waarom het hier gaat en nog een paar, zijn toch in een heel belangrijke mate anders dan andere kerstspelen. Karl Julius Schröer vond ze in de  jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw op het eilandje Oberufer. Dat is een vooreilandje van het eiland Schütt dat door de Donau onder Pressburg, daar waar Hongarije aan Oostenrijk grenst, werd gevormd. Daar zijn sinds de 16e eeuw of tenminste sinds het begin van de 17e deze kerstspelen onder de Duitse boeren, de zgn. haidboeren, bewaard gebleven,

blz. 35

alle in persönlicher Überlieferung. Von Generation zu Generation sind sie gegangen. Der Haidbauer, von dem sie Karl Julius Schröer übernommen hat, hatte eigentlich nur noch die einzelnen Rollen abgeschrieben. Ein ganzes Manuskript von diesen Dingen fand sich kaum. Sie sind jedes Jahr, wenn man das konnte, wenn unter den Bauern Oberungarns die Leute dazu da waren, bei diesen Oberuferer Bauern aufgeführt worden.
Werfen wir zunächst einen flüchtigen Blick auf die Art, wie das zuging. Ich möchte das in der folgenden Weise schildern. Wenn die herbstlichen Arbeiten, die Erntearbeiten verrichtet waren, dann sammelte einer der angesehensten Bauern des Ortes, der von seinen Vorfahren diese Spiele ererbt hatte und das Recht ererbt hatte, sie aufzuführen, sich eine Reihe von Burschen zusammen und übte mit denen durch die Monate Oktober, November bis Dezember, bis in den Advent hinein die Aufführungen ein. Die Gesinnung, welche mit der Aufführung dieser Spiele verbunden war, ist eigentlich dasjenige, was das Ergreifendste an der Sache ist. Es war wirklich, indem man an die Aufführung dieser die biblischen Geheimnisse enthüllenden Schauspiele ging, das ganze mit einem tiefen moralischen Bewußtsein verbunden.

doordat ze persoonlijk werden overgedragen. Ze zijn meegegaan van generatie op generatie. De haidboer van wie Karl Julius Schröer ze meekreeg, had alleen nog wat losse rollen overgeschreven. Er was nauwelijks meer een volledig manuscript te vinden. Ze zijn elk jaar wanneer het kon, wanneer onder de boeren van ‘Opper-Hongarije’ (Oberungarns) mensen dat wilden, bij deze boeren uit Oberufer opgevoerd. Laten we eens in grote lijnen kijken naar de manier waarop dat toeging. Dat zou ik zo willen schetsen. Wanneer het werk in de herfst, het oogstwerk, achter de rug was, dan riep een van de boeren van het dorp die heel veel aanzien had en die van zijn voorouders deze spelen geërfd had en ook het recht ze op te voeren, een groep jongens bij elkaar en oefende gedurende de maanden oktober, november tot december, tot in de advent de toneelstukken in. De stemming die met het opvoeren van deze spelen was verbonden, is eigenlijk heel aangrijpend. Als men aan de opvoering van deze toneelstukken, die bijbelse geheimen onthullen, begon, was alles met een diep moreel bewustzijn verbonden.

Das geht schon aus den Bedingungen hervor, die man denen auferlegt, welche mitspielen wollten. Der Bauer, der damals, in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, diese Spiele in Verwaltung hatte, teilte diese Bedingungen in folgender Art Karl Julius Schröer mit. Er sagte: Diejenigen Burschen, die aufführen durften, die also irgend etwas in diesen Spielen darstellen sollten, mußten für die ganze Zeit der Übungen bis zum Fest folgende Bedingungen erfüllen: erstens durften sie in dieser Zeit zu keinem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen und drittens mußten sie ein ehrsames Leben führen die ganzen Wochen hindurch, was für manchen eine sehr schwierige Tatsache offenbar war; viertens mußten sie in allen Dingen, die sich auf die Vorbereitungen der Spiele bezogen, rückhaltlos dem Meister folgen, der sie mit ihnen einstudierte. Das war eben irgendeiner der angesehensten Bauern.
Diese Spiele wurden aufgeführt vor Katholiken und vor Protestanten durcheinander, und auch die Aufführenden selber waren das. Die 

Dat zie je al aan de voorwaarden die golden voor degenen die wilden meespelen. De boer die toen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, deze spelen onder zijn beheer had, deelde deze voorwaarden op de volgende manier aan Karl Julius Schröer mee. Hij zei: de jongens die aan de opvoering mochten meedoen, die dus een rol in deze spelen hadden, moesten de hele oefentijd tot aan het feest aan de volgende voorwaarden voldoen: ten eerste mochten ze in deze tijd naar geen enkel meisje gaan; ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes [2] zingen en ten derde moesten ze al die weken een eerzaam leven leiden wat voor velen best een moeilijke opdracht was; ten vierde moesten ze bij alles wat met de voorbereidingen van de spelen te maken had, zonder meer doen wat de meester zei die het met hen instudeerde. Dat was dus een van de meest vooraanstaande boeren.
Deze spelen werden opgevoerd voor katholieken en protestanten door elkaar en ook de spelers waren dat. De spelen

blz. 36

Spiele hatten zwar einen religiösen, doch nicht den geringsten Konfessionscharakter. Und feindliche Gesinnung von irgendeiner Seite gegenüber dem, was in diesen Spielen dargeboten werden sollte, war eigentlich nur von seiten der «Intelligenz» in Oberufer. Dazumal schon war die Intelligenz abgeneigt solchen volkstümlichen Weihnachtspielen, solchen von jener Gesinnung getragenen Aufführungen. Nur, zum guten Glück, bestand die Intelligenz dazumal aus einem einzigen Schulmeister, der zugleich Bürgermeister und Notar war. Eine einzige Persönlichkeit, aber sie war spinnefeind den Spielen. Und die Bauern mußten sie gegen diese Obrigkeit des Ortes durchführen. Teilnehmen durften an den Aufführungen als Mitspielende nur Burschen. Von dieser Gepflogenheit müssen wir aus leicht begreiflichen Gründen absehen; wie überhaupt manche Finessen, die mit jenen Aufführungen verbunden waren, wir natürlich nicht nachmachen können, obwohl wir uns bemühen, durch unsere eigenen Aufführungen eine Vorstellung von dem hervorzurufen, was dazumal durch die Bauern geboten werden konnte.
Die Burschen hatten auch die Frauenrollen darzustellen. Eva, Maria und so weiter wurden durchaus von Burschen dargestellt. 

hadden weliswaar een religieus karakter, maar in het geheel geen godsdienstige inslag. En een vijandige stemming uit een of andere hoek naar wat in deze spelen getoond werd, kwam eigenlijk alleen van de kant van de ‘intellentsia’in Oberufer. Toen al moest de intelligentsia niet veel van deze volkse kerstspelen hebben, van deze opvoeringen die door deze stemming werden gedragen. Maar, gelukkig bestond de intelligentsia toen maar uit een enkel persoon, de schoolmeester, die tegelijkertijd burgemeester en notaris was. Slechts één persoon, maar die had dan ook een bloedhekel aan de spelen. En de boeren moesten tegen deze plaatselijke overheid in, volhouden. Aan de opvoeringen mochten alleen jongens meedoen.[3] Van deze gewoonte moeten wij om begrijpelijke redenen afzien; zoals van meer bijzonderheden die met de opvoeringen samenhingen; die kunnen we natuurlijk niet overnemen, hoewel we ons best doen door onze eigen opvoeringen, een voorstelling op te roepen van wat toentertijd door de boeren gegeven kon worden.
De jongens moesten ook de vrouwenrollen spelen. Eva, Maria enz. werden uiteraard door jongens gespeeld.

Nachdem sie wochenlang geübt hatten, setzte sich der ganze Zug der Spieler in Bewegung. Vorne ging einer, der einen sogenannten Kranawittbaum als Paradiesesbaum oder Weihnachtsbaum trug. Das ist ein Wacholderbaum. Dahinter kam dann der Sternträger, der auf einer Stange oder auch auf einer sogenannten «Scher» den Stern trug. Sie werden es nachher sehen: die Schere ist so eingerichtet, daß der Stern durch Aufrollen der Sternschere nah oder fern gemacht werden kann. So bewegte sich der Zug dem Wirtshaus zu, in dem die Aufführung stattfinden sollte. Die Bekleidung derjenigen Personen, die mitspielten, außer dem Teufel und außer dem Engel, wurde erst im Wirtshaus selbst bewerkstelligt. Während sich die Personen ankleideten, lief im ganzen Ort der Teufel, den Sie auch kennenlernen werden, herum, machte überall Unfug mit einem Kuhhorn, machte aufmerksam, sprach auf die Leute ein, kurz, er bewirkte, daß möglichst viele Leute im Wirtshaus erschienen, wo dann die Aufführung stattfinden sollte. Die Aufführung selbst war dann so, daß die Zuschauer in einer Art von Hufeisenform saßen, und 

Nadat ze wekenlang geoefend hadden, kwam de hele troep spelers in beweging. Voorop liep iemand die een zgn. jeneverbesboompje als paradijsboom of kerstboom droeg. Daarachter liep dan de sterrendrager die op een stang of ook wel op een zgn. ‘schaar’ de ster droeg. U zal het straks zien: de schaar is zo gemaakt dat de ster door openknijpen van de schaar de ster dichtbij of verderaf gehouden kan worden. Zo zette de troep zich in beweging naar de herberg waarin de opvoering zou plaatsvinden. Het verkleden van de spelers, behalve de duivel en de engel, gebeurde in de herberg. Terwijl de personen zich verkleedden, liep de duivel, die u ook zal leren kennen, door het dorp, maakte overal herrie met een koehoorn, maakte de mensen er attent op, sprak op ze in, kortom, hij probeerde voor elkaar te krijgen dat zoveel mogelijk mensen naar de herberg zouden gaan, waar de opvoering dan zou plaatsvinden. Die ging dan zo, dat de toeschouwers in een soort hoefijzervorm zaten en

blz. 37

daß die Bühne in der Mitte dieses Hufeisens war, was wir natürlich wiederum auch nicht nachmachen können.
Sie werden sehen, daß es im wesentlichen biblische Erinnerungen sind, die aufgeführt wurden. Als erstes – die Aufführungen wurden bewerkstelligt zwischen drei und fünf Uhr – wurde in der Regel aufgeführt das Hirten-Weihnachtspiel, das wir hier als zweites darstellen. Es stellte dar die Verkündung des Christus Jesus durch den Engel, die Geburt des Christus Jesus, also alles dasjenige, was unser zweites Spiel, das Hirtenspiel, darbieten wird. Dann folgte das Paradeis-Spiel, welches darstellt den Sündenfall im Paradies – unser heute aufzuführendes erstes Stück -, dann folgte in der Regel noch ein Fastnacht-Spiel. So wie in der alten griechischen Tragödie dem Schauspiel immer ein Satyrspiel folgte, so hier ein Fastnacht-Spiel, ein komisches Nachspiel. Bemerkenswert ist, daß die Personen, welche heilige Individualitäten darstellten – Maria, Joseph und so weiter, die in den ersten Spielen auftraten – nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften; so sehr verband man einen gewissen religiösen Gefühlsinhalt mit diesen Spielen.

dat het toneel in het midden van het hoefijzer lag, wat wij natuurlijk ook niet zo kunnen doen.
U zal zien dat het hoofdzakelijk bijbelse herinneringen zijn die worden opgevoerd. Als eerste – de opvoeringen werden uitgevoerd tussen drie en vijf uur – werd als regel het herderspel opgevoerd, dat wij als tweede zullen laten zien. Het stelde de verkondiging voor van Christus Jezus door de engel, Zijn geboorte, dus alles wat ons tweede spel, het herderspel, zal laten zien. Dan volgde het paradijsspel dat de zondenval in het paradijs laat zien – dat wij nu als eerste vertonen -, dan volgde in de regel nog een vastenavondspel. Net zoals in de oude Griekse tragedie op het toneelstuk altijd een saterspel volgde, dus hier een vastenavondspel, een komisch naspel. Opvallend is dat de mensen die heilige persoonlijkheden speelden – Maria, Jozef enz. die in het eerste spel zaten – niet met het vastenavondspel mochten meespelen; zo zeer verbond men met de spelen een zekere religieuze gevoelsinhoud.

Einzelne Dinge sind darinnen sehr interessant zu verfolgen. Wenn Sie heute das Hirtenspiel – das zweite aufzuführende – sehen werden, werden Sie drei Wirte erblicken, bei denen der wandernde Joseph, der als alter Mann in allen diesen Spielen dargestellt wird, als alter, gebrechlicher, schwacher Mann Herberge sucht für sich und Maria. Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt. Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprünglich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirz weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist, bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, so daß wir jetzt drei Wirte haben. Aber wie gesagt, das ist beim alten Oberuferer Spiel durchaus schon nicht so zu nehmen wie bei den anderen Weihnachtspielen. Die Weihnachtspiele, Osterspiele, Passionspiele und so weiter führen zurück auf uralte Aufführungen, die alle eigentlich hervorgegangen sind aus den 

Het is interessant om een paar dingen na te lopen. Wanneer u vandaag het herderspel zal zien – het tweede dat wij opvoeren, zal u drie waarden zien, bij wie de rondreizende Jozef die in al deze spelen als oude man verschijnt, een oude, gebrekkige, zwakke man, onderdak zoekt voor zichzelf en Maria. Ze worden door de eerste twee weggestuurd, door de derde in de stal gebracht. Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer nog zo gedaan: oorpronkelijk was er een waard, een waardin en een dienstmaagd. En daarmee was het idee verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, ook de waardin, alleen de dienstmaagd biedt onderdak in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om jonge mensen te vinden om een waardin en een dienstmaagd te spelen, werden toen de rollen aan twee andere waarden gegeven, zodat we nu drie waarden hebben. Maar zoals gezegd, dat moet je bij het spel uit Oberufer niet zo nemen als bij de andere kerstspelen. De kerstspelen, de paasspelen, passiespelen enz. gaan terug op oeroude uitvoeringen die eigenlijk allemaal ontstaan zijn uit

blz. 38

Kirchenfeiern. In den Kirchen hat man ursprünglich anschließend an die Weihnachtsfeier, Osterfeier und so weiter, durch die Geistlichen dargestellt, allerlei Dinge aufgeführt, die sich bezogen auf die Heilige Geschichte. Dann – namentlich dadurch, daß die Zuhörerschar immer vermehrt wurde und daß die Dinge aus der lateinischen Sprache in die Landessprache übertragen worden sind – ist es gekommen, daß die Spiele allmählich von dem Kirchlichen mehr ins Weltliche übersetzt wurden und daß sie außerhalb der Kirche durch Bauern eben dargestellt worden sind. Und so haben wir Ihnen diese Spiele hier vorzuführen. So haben sie sich erhalten in der ursprünglichen Gestalt, die sie wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, hatten. Und zwar haben sie sich aus dem Grunde erhalten, weil sie höchstwahrscheinlich aus alten Zeiten der deutschen Entwickelung in Süddeutschland stammen, namentlich aus der Bodenseegegend. Als die verschiedenen Stämme, die ursprünglich in der Bodenseegegend von Süddeutschland waren, in früheren Jahrhunderten nach Usterreich und nach Ungarn eingewandert sind, haben sie diese Spiele mitgenommen. Diese Spiele waren auch in der Heimat da, aber in der Heimat veränderten sie sich fortwährend. 

kerkelijke feesten. In de kerken hebben oorspronkelijk aansluitend aan de kerstviering, paasviering e.d. de geestelijken allerlei opgevoerd dat betrekking had op de heilige geschiedenis. Daarna – namelijk door het feit dat het aantal kerkgangers steeds groter werd en dat de teksten van het Latijn in de volkstaal vertaald werden – is het zo gegaan dat de spelen geleidelijk door de kerk meer naar het wereldse vertaald werden en dat ze buiten de kerk door boeren opgevoerd werden. En zo moeten we de spelen hier voor u opvoeren. En zo zijn ze in de oorspronkelijke vorm bewaard gebleven, die ze waarschijnlijk in de 16e eeuw al hadden. En wel daarom, omdat ze hoogstwaarschijnlijk uit een ver verleden van de Duitse ontwikkeling in Zuid-Duitsland stammen, met name uit het gebied rond het Bodenmeer. Toen de verschillende volken die oorspronkelijk rond het Bodenmeer in Zuid-Duitsland woonden, in vroegere eeuwen naar Oostenrijk en naar Hongarije zijn ge-emigreerd, hebben ze deze spelen meegenomen. Deze spelen waren er ook in het thuisland, maar daar veranderden ze voortdurend.

Da hatten zahlreiche Leute, Geistliche, Gelehrte, Einfluß auf diese Dinge, und die Dinge wurden verdorben. Unverdorben wurden sie erhalten unter der Pflege derjenigen, die inmitten der slawischen, magyarischen Bevölkerung auf sich angewiesen waren, und die durch die Jahrhunderte die Dinge in der ursprünglichen Gestalt erhalten haben. Deshalb war es für Schröer ein wirklicher Fund, als er in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts unter den Deutschen Oberungarns diese Spiele entdeckte. Sie sind für eine feinere Empfindung durchaus nicht das, was die heute so vielfach aufgeführten Weihnachtspiele sind, die sich in den späteren Jahrhunderten verändert haben, sondern es ist wirklich etwas, was uns in einen Teil der europäischen Vergangenheit früherer Jahrhunderte zurückversetzt. Karl Julius Schröer war besonders geeignet, so etwas zu erhalten. Er war wirklich ein mustergültiger Mann, ein merkwürdiger Mann, und sein Andenken muß mit solchen Dingen mit erhalten bleiben; er war tief durchdrungen von dem Gedanken, wie durch solche und ähnliche Dinge eigentlich der Kitt geschaffen

Daar hadden talloze mensen, geestelijken, geleerden, invloed op de dingen en ze werden negatief beïnvloed. Maar ze bleven onaangetast onder de zorg van degenen die midden in de Slavische, Hongaarse bevolking op zichzelf aangewezen waren en die ze door de eeuwen heen in de oorspronkelijke vorm gelaten hebben. Daarom was het voor Karl Julius Schröer een echte vondst, toen hij in de jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw onder de Duitse bevolking van Opper-Hongarije [4] deze spelen ontdekte. Voor wie er een specifieker gevoel voor heeft, zijn ze beslist niet zo als de tegenwoordig dikwijls opgevoerde kerstspelen die in de latere eeuwen veranderden, maar ze zijn werkelijk iets dat ons terugbrengt naar een deel van het Europese verleden in vorige eeuwen. Karl Julius Schröer was er bijzonder de man naar zoiets te bewaren. Hij was echt een voorbeeldig mens, een merkwaardig iemand en de herinnering aan hem moet hiermee bewaard* blijven; hij was diep doordrongen van de gedachte hoe deze en soortgelijke dingen eigenlijk het bindmiddel

*zij herinnering moet bewaard blijven: In de ‘Bijdragen aan Rudolf Steiners GesdamtAusgabe’ nr.47/48, Michaël 1947, werd een artikel over toneelkunst van Karl Julius Schröer opnieuw gepubliceerd om op het veelzijdige werk van de belangrijke goetheanist te wijzen.

blz. 39

worden ist, der dieses Staatengebilde Österreich kulturell zusammengehalten hat auf dem Grund und Boden, der geschaffen worden ist von jenen Kolonisten, die vom Rhein, von Süddeutschland, von Mitteldeutschland her hinüber gewandert sind nach Oberungarn, gewandert sind vom Westen nach Osten; auch nach der Steiermark, nach den südlicheren Gegenden Ungarns gewandert sind als Zipser Sachsen nach Siebenbürgen, gewandert sind als Schwaben nach dem Banat, was, ich möchte sagen, wie in einer tragischen Weise den Grund und Boden abgab, auf dem sich gerade diese Kultur entwickelt hat. Nun, von diesem Kulturgedanken war Schröer ganz durchdrungen, als er die alten Erinnerungen, die in den Weihnachtspielen enthalten sind, aufgefrischt hat. Er hat manches andere auch getan. Und wenn man sich mit ihm in sein Kulturstudium versenkte, das so ohne alle Färbung des Chauvinismus war, das aber tief von der Kulturmission durchdrungen war, die damit verbunden ist,  so erkannte man erst den vollen Wert der Lebensarbeit dieses Mannes, der alles das gesammelt hat, was gerade von der Mitte des 19. Jahrhunderts ab in diesen Gegenden bereits mehr oder weniger durch die sich ausbreitenden Kulturströmungen, die heute diesen Boden beherrschen, zum Verschwinden gebracht worden ist.

is geworden dat de staatsvorm Oostenrijk bij elkaar heeft gehouden op het land dat gecultiveerd werd door kolonisten die over de Rijn, vanuit Zuid-Duitsland, van Midden-Duitsland weggetrokken zijn naar Opper-Hongarije, weggetrokken van het westen naar het oosten; ook naar Stiermarken, naar de zuidelijker gelegen gebieden van Hongarije als Zipser Saksen naar Siebenburgen. weggetrokken als Schwaben naar Banaat [5], wat ik zou willen noemen, een tragische manier van het verlaten van huis en haard, waar nu juist die cultuur zich ontwikkeld had. Schröer was geheel doordrongen van deze cultuurgedachte, toen hij de oude herinneringen die in de kerstpelen bewaard gebleven zijn, opgefrist had. Hij heeft ook veel andere dingen gedaan en wanneer je je met hem verdiepte in zijn studie van deze cultuur die helemaal niet gekleurd werd door chauvinisme, maar die diep overtuigd was van de culturele missie die ermee verbonden is, dan erken je pas de volle waarde van het levenswerk van deze man die alles verzameld heeft wat m.n. vanaf het midden van de 19e eeuw in deze streken al meer of minder door de zich uitbreidende cultuurstromen die tegenwoordig dit land beheersen, begonnen is te verdwijnen.

Die Grammatik, die Wörterbücher der deutschen Dialekte in Ungarn, in den Zipser Gegenden, hat er uns in sorgfältigster Bearbeitung hinterlassen, die Heanzen-, die Gottscheer Mundart, nach der Grammatik behandelt. Es hat eigentlich so sein Lebenswerk, das er der Literaturgeschichte und Goethe gewidmet hat, eine wunderbare Schilderung hinterlassen über alles dasjenige, was zusammenführt mit dem gesamten deutschen Elemente, das in allen Kulturgebieten dieses mitteleuropäischen Staates Österreich als der eigentliche Kulturkitt zugrunde liegt. Und das ist es, was als eine besondere Idee die Forschungen Karl Julius Schröers durchlebt. So daß wir nicht bloß das Produkt philologischer oder linguistischer Gelehrsamkeit vor uns haben, sondern etwas, was gesammelt worden ist mit Herz und Sinn für dasjenige, was als Geist in diesen Sachen lebt. Und deshalb ist es so befriedigend, diese Dinge ein wenig auffrischen zu können.
Unser Freund, Leopold van der Pals, hat versucht, das musikalische

In hoogst zorgvuldige bewerkingen heeft hij ons de grammatica, de woordenboeken van de Duitse dialecten in Hongarije nagelaten, van de streken rond Zips [6], het dialect van Gottscheer, grammaticaal behandeld. Zijn levenswerk dat hij aan de literatuurgeschiedenis en aan Goethe wijdde, is een prachtig beschreven nalatenschap van alles wat samenkomt in het gezamenlijke Duitse element dat aan alle cultuurgebieden van deze Midden-Europese staat Oostenrijk als het eigenlijke culturle bindmiddel ten grondslag ligt. En dat leeft als een bijzonder idee in het onderzoekswerk van Schröer voort. Zodat we niet alleen het product van filologische of linguïstische geleerdheid voor ons hebben, maar iets wat met hart en ziel verzameld is voor de geest die erin leeft. En daarom is het zo bevredigend deze dingen wat te kunnen opfrissen.
Onze vriend Leopold van der Pals [7] heeft geprobeerd het muzikale

blz. 40

Element dieser Dinge etwas aufzufrischen, und mit seiner Musik werden Sie die Darbietungen hier sehen. So daß man sagen kann, dasjenige, was wir Ihnen hier bieten, ist das Produkt von den wirklichen Mysterienspielen, den verschiedenen Weihnachtspielen, wie sie überhaupt über Europa hin verbreitet waren in früheren Jahrhunderten. Aber man sollte sie nicht in der Gestalt haben, wie zum Beispiel in jener Karikierung, in der dann die Welt die sogenannten Oberammergauer Passionsspiele bewundert hat. Da hat man nichts mehr von dem, was eigentlich in jenen alten Zeiten gewollt war.
Allerdings, manches ist nicht wieder aufzufrischen. So zum Beispiel ist nicht aufzufrischen eine besondere Art des Vortrages, die noch ganz nach alter Sitte, auch in den fünfziger Jahren noch, unter den Bauern gepflogen war. Mit Ausnahme der besonders feierlichen Momente, wo Gottvater spricht und dergleichen, wurde alles, was vorgebracht wurde, von den Mitspielenden so vorgebracht, daß der Spielende im Geiste seines Verses sprach. Der Vers hatte vier Hebungen, er trat auf, der Ton bewegte sich bei der vierten Hebung um eine Tonstufe, Tonfolge. 

element ervan te vernieuwen en met zijn muziek zal u de opvoeringen zien. Zodat je kan zeggen: wat we u hier aanbieden is het resultaat van echte mysteriespelen, van verschillende kerstspelen zoals die dan in vroegere eeuwen over Europa verspreid waren. Maar we moeten ze niet in de vorm hebben, zoals bijv. in de karikatuur die de wereld bewonderd heeft in het zgn. Oberammergauer passiespel. Daar zit niets meer in van wat men ermee in oude tijden wilde. Natuurlijk, veel kan niet meer vernieuwd worden. Zo laat zich bijv. niet vernieuwen een bijzondere manier van voordragen die nog helemaal volgens de oude gewoonte, ook in de jaren vijftig nog, onder de boeren bewaard werd. Met uitzondering van het bijzonder plechtige ogenblik waarop godvader spreekt enzo, werd alles wat voorgedragen werd, door de spelers zo gedaan dat hij in de geest van de verzen sprak. Het vers had vier heffingen, hij speelde, de toon ging bij de vierde heffing één toon omhoog.

Eine bestimmte Person, sagen wir: Joseph, den Sie nachher finden werden, der Mann der Maria, hat zum Beispiel die erste Hebung in der Tonhöhe c vorgebracht, dann e, dann f, dann wurde also wiederum zurückgegangen bei der vierten Hebung. Die anderen Personen sprachen so, daß sie mit einem c begannen, und dann dreimal die Tonhöhe e e e hatten, dann wiederum zum c zurückgingen. Mit großer Kunst, aber mit einer einfachen, zurückhaltenden Kunst wurden diese Dinge vorgebracht und man merkte daran wirklich die Weihnachts-, die österliche Stimmung mit Übergängen ins Weltliche, ohne Sentimentalität, ohne alles Gefühlselement. So ist in diesen Dingen dasjenige enthalten, was die Leute als ihr geistiges Leben, wenn sie aus der Kirche in die Welt heraustraten, fühlten und empfanden.
Es sollen noch einige Stellen erläutert werden, welche vielleicht schwerer verständlich sein könnten. Das Ganze ist selbstverständlich in der Mundart vorgebracht worden, und da kommt manches darinnen vor, was nicht gleich verständlich sein könnte. Da ist zum Beispiel im Paradeis-Spiel der Gottvater.
Wenn gesagt wird: Eva ist gemacht aus einer Rieben, Sie müssen

Een bepaald persoon, laten we zeggen: Jozef die u straks zal zien, de man van Maria, heeft bijv. de eerste heffing op de toonhoogte c gezegd, dan op e, dan op f, dan bij de vierde heffing weer terug. De andere personen spraken zo dat zij met een c begonnen en dan drie keer de toonhoogte e, e, e hadden, dan weer terug naar c. Met grote kunst, maar met een eenvoudige, teruggehouden kunst werden deze dingen naar voren gebracht en men merkte daaraan daadwerkekijk die kerst- die paasstemming, met overgangen naar het wereldse, zonder sentimentaliteit, zonder dat alles gevoel was. Zo is er in deze dingen bewaard gebleven wat de mensen als hun geestelijk leven, wanneer ze uit de kerk in de wereld kwamen, voelden en beleefden.
Er moeten nog een paar stukjes uitgelegd worden die wellicht wat moeilijker te begrijpen zijn. Alles is vanzelfsprekend in het dialect gesproken en daar zit natuurlijk veel in wat je niet meteen begrijpt. Neem bijv. in het paradijsspel godvader. Wanneer er gezegd wordt: Eva is uit een rip [in het stuk staat ‘Riebe’] gemaakt, moet u

nicht denken, daß es eine falsche Aussprache hier ist, wenn es heißt, daß Eva erschaffen wird von Gottvater aus einer Rieben des Adam. Der Bauer sagt wirklich nicht Rippe, sondern Riebe. Der Teufel meldet dann im Laufe des Herodes-Spieles einmal, er habe a paar ratzen. Ratzen ist eine Entstellung von Ratten. Dann ist vielleicht auch nicht allgemein bekannt das Wort «Kletzen».
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n, ’s wär ihna tausendmal nützer gwes`n. Nun, Kletzen ist etwas, was in jener Gegend, wo die Spiele aufgeführt wurden, zu Weihnachten immer gegessen worden ist: das sind nämlich gedörrte Pflaumen und Birnen. Das wird gesagt, damit die Leute an etwas anzuknüpfen haben, was sie schon kennen. Dann das Wort frozzeln, welches der Teufel gebraucht. Frozzelei, necken, sich lustig machen. Es gibt in beiden Spielen so einige Ausdrücke, die vielleicht nicht sogleich verständlich sein werden.
So werden Sie sehen, daß von den Wirten namentlich eine Redensart gebraucht wird:
I als a wirt von meiner gsta0lt
Hab in mein haus und logament gwalt.

niet denken dat dit een verkeerde uitspraak is hier, wanneer klinkt dat Eva geschapen wordt door godvader uit een [Rieben] van Adam. De boer zegt inderdaad niet rip [Rippe], maar Riebe. De duivel meldt in de loop van het Herodesspel een keer, dat hij een paar ‘ratzen’ heeft. Ratzen is een verbastering van ratten. Dan is misschien ook het woord ‘Kletzen’ niet algemeen bekend. ‘Hadden Adem en Eva ‘Kletzen’ genomen, het was hen duizendmaal beter bekomen. Wel, Kletzen is iets wat in de streek waar de spelen werden opgevoerd, altijd met kerst wordt gegeten: het zijn namelijhk gedroogde pruimen en peren. [in de Nederlandse vertaling staat er ‘pruimedanten’. En het woord ‘frozzeln’ dat de duivel gebruikt. ‘Frozzelei, pesten, zich vrolijk maken’. Zo zitten er in beide spelen een paar uitdrukkiingen die misschien niet meteen duidelijk zullen zijn.
U zal nog zien dat door de waarden vooral een bepaalde manier van uitdrukken gebruikt wordt: vertaald met: ‘een waard van mijn postuur, komt immer plaats tekort.’

Da könnte man meinen, daß der Wirt denkt, er sei ein Wirt von einer besonderen Statur, Gestalt und hätte in seinem Haus Gewalt. Es bedeutet dies aber Rang. Ich als ein Wirt von meinem Rang, von meinem Gestelltsein. Der so gut gestellt ist, solches Ansehen hat, der hat in seinem Haus Gewalt, nämlich Anziehungskraft für sein Wirtshaus. Also: ein Wirt, der weiß, seinem Haus solchen Ruf zu geben wie ich, der hat die Macht, sein Haus in solches Ansehen zu bringen, daß es viele Leute zu Gästen hat. Das ist mit diesem Ausdruck gemeint. Geschrei bedeutet: Gerücht; das Wort braucht der Bauer für ein Gerücht, das sich verbreitet. Der Engel sagt: Elisabeth stehe in dem Geschrei, daß sie unfruchtbar sei. – Also ist damit gemeint: es gehe das Gerücht, daß sie unfruchtbar sei. Aber der Bauer sagt: Geschrei, er sagt nicht: das Gerücht. Dann werden Sie von einem der Hirten das Wort hören: um und um. Das kommt öfter vor, es ist so üblich.
I hob`s ihm glichen um-und-um.

Je zou kunnen denken dat de waard denkt, dat hij als waard  een bijzondere gestalte heeft, en dat hij in zijn huis de baas is. Maar het betekent status. Ik als waard met mijn status, welgesteld. Die zo welgesteld is, zo’n aanzien heeft, die heeft in huis autoriteit, zodang dat men naar zijn herberg toekomt. Dus een waard die zijn herberg zo’n naam weet te geven als ik, die heeft het vermogen zijn huis zo’n aanzien te geven dat er veel mensen als gast verblijven. Dat is met deze uitdrukking bedoeld. ‘Geschrei’ betekent: gerucht; dat woord gebruikt de boer voor een gerucht dat zich verspreidt. De engel zegt: Elizabeth staat in het ‘Geschrei’, dat ze onvruchtbaar is. Maar de boer zegt: ‘Geschrei’, niet gerucht. Van een herder zal u nog het woord horen: ‘um und um’. Dat komt vaker voor, het is heel gewoon.

blz. 42

Also: ich habe ihm meine Handschuhe geliehen, wie schon öfter. Dann finden Sie unter den Hirtenreden öfters das Wort bekern. Das ist in der Gegend, wo die Spiele gespielt wurden, gebräuchlich für etwas, was sich zugetragen hat; also eine Geschichte, die sich erzeugt, die sich zugetragen hat. Als sie sich sehen, sagen sie: es hat sie gefrört, gefroren; oder der Ausdruck: spiegelkartenhal is. Der Boden ist so glatt wie ein Spiegel. Ein besonders hübsches Wort ist die Art, wie der eine Hirte aufmerksam gemacht wird, daß es schon spät ist, daß die Vögel schon zwitschern – das ist in der Bauernsprache piewen.
Stichl, steh auf, die waldvegala piewa scho! In der zweiten Zeile sagt der Gallus:
Stichl, steh auf, dö fuhrleut kleschn scho auf der stroßn.

Dus: ik heb hem mijn wanten geleend, zoals al eerder. Dan tref je onder de woorden van de herders vaker het woord ‘bekern’ aan. Dat is in de streek waar de spelen gespeeld werden gebruikelijk voor iets wat zich voorgedaan heeft; dus een gebeurtenis, wat heeft plaatsgevonden. Wanneer ze elkaar ontmoeten zeggen ze:
‘gegrört’, gevroren; of de uitdrukking ‘spiegelkartenhal’. De grond is zo glad als een spiegel. Een bijzonder aardig woord is de manier waarop de ene herder gezegd wordt, dat het al laat is, dat de vogeltjes al kwetteren – dat is in de boerentaal ‘pieuwen’.
‘Stiechel, sta op, de veugelkens tuteren al.’ In de tweede strofe zegt Gallus:
‘Stiechel, sta op, de voerlui zwiepen al langs de wegen.’

Kleschen, das ist mit der Peitsche knallen. Die Fuhrleute knallen schon mit der Peitsche auf der Straße.
Das sind so einige Ausführungen, die ich unserer Aufführung noch voranstellen wollte. Im ganzen können die Spiele durchaus für sich selber sprechen. Sie sind der schönste Abglanz von allem, was in früheren Jahrhunderten durch ganz Mitteleuropa ging, in solchen festlichen Spielen ablief. Es gibt zum Beispiel noch die St. Galler IIandschrift, die aus 340 Versen besteht. Es gibt Spiele, die bis ins 11. Jahrhundert zurückgehen. Aber alles dasjenige, was sonst in dieser

‘Kleschen’, dat is met de zweep knallen. De voerlui knallen al met de zweep op straat.
Dat is nog een beetje uitleg dat ik aan de opvoering nog vooraf wilde laten gaan. Over het algemeen kunnen de spelen zeker voor zichzelf spreken. Zij zijn het mooiste beeld van alles wat in vorige eeuwen door heel Midden-Europa ging, wat in zulke feestelijke spelen verliep. Je hebt bijv. nog het St.Galler Handschrift dat uit 340 verzen bestaat. Er zijn spelen die tot op de 11e eeuw teruggaan. Maar alles wat in deze richting bestaat,

Beziehung existiert, glaube ich, kann nicht ganz heranreichen an die Innigkeit, die gerade in den Oberuferer Spielen liegt, die bis in die fünfziger Jahre des 19. Jahrhunderts sich in der Preßburger Gegend erhalten haben.
Man darf schon sagen: Diese Spiele gehören zu jenen Dingen, die sich leider verloren haben, die verschwunden sind und die man so gern, so gern wiederum auffrischen möchte. Denn sie sind wirklich so, als ob man durch sie sich erinnerte an das, was mit dem Werden unseres geistigen Lebens so innig zusammenhängt.
Das ist es, was vor der Aufführung Ihnen zu sagen ich mir gestatten wollte.

komt geloof ik, niet in de buurt van de innigheid die vooral in de spelen uit Oberufer zit, die tot in de jaren vijftig van de 19e eeuw in de omgeving van Pressburg bewaard zijn gebleven. Je mag wel zeggen: deze spelen behoren tot de dingen die helaas verloren zijn gegaan, de verdwenen zijn en die men zo graag, zo graag zou willen vernieuwen. Want ze zijn echt zo alsof men door hen zich weer herinnert van wat met de ontwikkeling van ons geestelijk leven zo innig samenhangt.
Ik wilde graag de vrijheid nemen om dit vóór de opvoeringtegen tegen u te zeggen.

.
[1] GA 274
[2] Hier wordt het woord ‘Schelmenlieder’ gebruikt; ondeugende liedjes, je hebt ook schelmenstreken, schelmenroman; er is ook een schilderij ‘Schelmenlieder
[3] hier (blz. 15 onder) heeft Steiner het over jongens en meisjes
[4] de vertaling van Oberungarn is nu; Opper-Hongarije
[5] Banaat
[6] Zips
[7] Leopold van der Pals

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1675

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (1)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 14

Dornach, 26. Dezember 1915
nach einer Aufführung zweier Weihnachtspiele, eines pfälzischen
Hirtenspieles und eines Dreikönigspieles aus Oberufer bei Preßburg

Wir haben in dieser Woche zwei Weihnachtspiele an unserer Seele vorüberziehen lassen. Wir dürfen vielleicht den Gedanken aufwerfen: Ist das eine Weihnachtspiel und das andere Weihnachtspiel in demselben Sinne der großen Menschheitsangelegenheit gewidmet, die uns in diesen Tagen so lebendig vor der Seele steht? – Grundverschieden, ganz verschieden sind die beiden Spiele voneinander. Man kann sich kaum etwas Verschiedeneres denken, das dem gleichen Gegenstande gewidmet ist, als die beiden Spiele.
Wenn wir das erste Spiel betrachten: es atmet in allen seinen Teilen wunderbarste Einfachheit, kindliche Einfachheit. Seelentiefe ist darinnen, aber überall durchatmet, durchlebt von kindlichster Einfachheit. 

Dornach, 26 december 1915
na een opvoering van twee kerstspelen, een herderspel uit de Pfalz* en een driekoningenspel uit Oberufer bij Pressburg

We hebben deze week twee kerstspelen aan ons gevoel voorbij laten komen. We mogen misschien de gedachte opwerpen: is het ene kerstspel en het andere op dezelfde manier gewijd aan de grote gebeurtenis in de mensheid die ons deze dagen zo levend voor de geest staat?  Deze beide spelen zijn totaal verschillend. Je kan nauwelijks iets bedenken wat meer van elkaar verschilt en aan hetzelfde gewijd is dan deze twee spelen.

Wanneer we naar het eerste spel kijken: het ademt in alle delen de sfeer van de wonderbaarlijkste eenvoud, kinderlijke eenvoud. Er zit gevoelsdiepte in, maar overal doorademd, doorleefd van kinderlijke eenvoud.

Das zweite Spiel bewegt sich auf den Höhen des äußeren physischen Daseins. Gleich wird daran gedacht, daß der Christus Jesus als ein König in die Welt eintritt. Gegenübergestellt wird er dem anderen König, dem Herodes. Dann wird gezeigt, daß zwei Welten sich vor uns auftun: diejenige, die im guten Sinne die Menschheit weiterentwickelt, die Welt, welcher der Christus Jesus dient, und die andere Welt, welcher Ahriman und Luzifer dienen, und die repräsentiert ist durch das teuflische Element. Ein kosmisches, ein kosmisch-geistiges Bild im höchsten Sinne des Wortes. Der Zusammenhang der Menschheitsentwickelung mit der Sternenschrift tritt uns gleich vor die Augen. Nicht das einfache, primitive Hirtenhellsehen, das einen Himmelsschein findet, das man in den einfachsten Verhältnissen finden kann, sondern jene Entzifferung der Sternenschrift, zu der alle Weisheit der vergangenen Jahrhunderte notwendig ist, und aus der man enträtselt, was da kommen soll. Hereinleuchtet in unsere Welt dasjenige, was aus anderen Welten kommt. In den Traum- und Schlafzuständen wird dasjenige, was geschehen soll, gelenkt und geleitet.

Het tweede spel beweegt zich op het niveau van het uiterlijke fysieke bestaan. Van begin af aan wordt gememoreerd dat Christus Jezus de wereld als koning  zijn intrede in de wereld doet. Hij wordt tegenover de andere koning, Herodes, gesteld. Dan wordt getoond dat er voor ons twee werelden zijn: een die in goede gezindheid de mensheid verder tot ontwikkeling brengt, de wereld aan wie Christus Jezus dienstbaar is en de andere wereld aan wie Ahriman en Lucifer dienstbaar zijn en die vertegenwoordigd is door het duivelse element. Een kosmischc, een kosmisch-geestelijk beeld in de diepste zin van het woord. De samenhang van de mensheidsontwikkeling met het sterrenschrift wordt ons meteen getoond. Niet de eenvoudige, primitieve helderziendheid van de herders die het hemelschijnsel vinden, dat je in de meest eenvoudige toestanden kan vinden, maar het ontsluieren van het sterrenschrift waarvoor alle wijsheid uit de vorige eeuwen nodig is en vanwaaruit men de raadsels oplost van wat komen moet. In onze wereld valt het licht dat uit andere werelden komt. In droom- en slaaptoestanden wordt wat moet gebeuren gestuurd en geleid.

*Een herderspel uit de Pfalz: dit spel komt uit de verzameling ‘Volkstoneelstukken’, verzameld in Beiern en Oostenrijk-Hongarije door August Hartmann. De samensteller, Dr.phil. was archivares aan de Koninklijke Hof- en Staatsbibliotheek in München; hij leefde van 1846 tot 1917. De verzameling verscheen in 1880 in Leipzig bij uitgeverij Breitkopf en Härtel. Er mag worden aangenomen dat de opgevoerde dialectuitvoering van Rudolf Steiner is, omdat het stuk bij Hartmann geschreven Duits is. Het werd opgevoerd als ‘kerstspel ujit de Oberpfalz’. 

blz. 15

Kurz, überall Okkultisrnus und Magie das ganze Spiel durch- dringend.
Grundverschieden sind die beiden Spiele. Das erste tritt uns entgegen, man darf wirklich sagen in kindlicher Einfachheit und Einfalt. Doch wie unendlich mahnend ist es, wie unendlich fühlsam. Aber fassen wir zunächst einmal bloß den Hauptgedanken ins Auge. Diejenige menschliche Wesenheit, die das Gefäß vorbereiten soll für den Christus, tritt in die Welt herein. Ihr Eintritt in die Welt soll vorgeführt werden, vorgeführt werden dasjenige, was der Jesus ist für die Menschen, in deren Daseinskreis er eintritt. Ja, so ohne weiteres hat diese Idee, diese Vorstellung keineswegs diejenigen Kreise erobert, innerhalb welcher dann mit Inbrunst, mit Hingebung solche Spiele angehört worden sind wie dieses. Derjenige, von dem ich öfter gesprochen habe, Karl Julius Schröer> gehörte im 19. Jahrhundert zu den ersten Sammlern von Weihnachtspielen. Er hat die Weihnachtspiele in Westungarn gesammelt, die Oberuferer Spiele, von Preßburg nach ostwärts gelegen, und er hat die Art und Weise studieren können, wie diese Spiele im Volke dort lebten und webten.

Kortom, overal verborgen wijsheid en magie, het hele spel doordringend.

De spelen zijn totaal verschillend. Het eerste vertoont zich, je mag echt zeggen, in kinderlijke eenvoud en reinheid. Maar wat neemt het je mee, hoe oneindig invoelbaar. Maar laten we eens naar het hoofdmotief kijken. Het menselijk wezen dat het omhulsel voorbereiden moet voor het christuswezen, komt ter wereld. Getoond moet worden, opgevoerd moet worden het verschijnen in de wereld, wat Jezus is voor de mensen in wier bestaan hij intreedt. Ja, zo zonder meer zou deze gedachte, deze voorstelling niet opgenomen zijn in die groepen die dan met innig gevoel, met overgave dergelijke spelen aangehoord hebben zoals deze.
Degene over wie ik vaker heb gesproken, Karl Julius Schröer, behoorde in de 19e eeuw tot de verzamelaars van kerstspelen. Hij verzamelde de kerstspelen uit het westen van Hongarije, de spelen uit Oberufer, oostelijk bij Pressburg gelegen en hij kon de gewoonten bestuderen van hoe deze spelen daar in het volk leefden.

Es ist sehr, sehr bezeichnend, wenn man so sieht, wie von Generation zu Generation diese Spiele sich handschriftlich vererbten, und wie sich nicht etwa, wenn Weihnachten nahe war, sondern wenn Weihnachten von fern in der Zeit heranrückte, diejenigen, die im Dorf hierfür geeignet gefunden wurden, vorbereiteten, um diese Spiele darzustellen. Wenn man das sieht, so sieht man, wie innig verbunden mit dem Inhalt dieser Spiele das ganze Jahreskreislaufleben derjenigen Leute war, in deren Dorfkreisen solche Spiele aufgeführt wurden. Die Zeit, in der zum Beispiel Schröer in der Mitte des 19. Jahrhunderts diese Spiele dort gesammelt hat, war schon die Zeit, in der sie anfingen in der Art auszusterben, wie sie bis dahin gepflogen worden sind. Ja, schon viele Wochen, bevor Weihnachten heranrückte, mußten im Dorfe diejenigen Buben und Mädchen zusammengesucht werden, welche geeignet waren, solche Spiele darzustellen. Und sie mußten sich vorbereiten. Die Vorbereitung bestand aber nicht etwa bloß im Auswendiglernen und im Einüben desjenigen, was das Spiel enthält, um es darzustellen, sondern die Vorbereitung bestand zum Beispiel darinnen, 

Het is heel veelbetekenend , wanneer je zo ziet hoe deze handgeschreven spelen van generatie op generatie overgingen en hoe ze niet alleen tegen Kerst, maar al ver vóór Kerstmis door de degenen in het dorp die daarvoor in aanmerking kwamen, werden voorbereid om ze te kunnen opvoeren. Wanneer je dat ziet, zie je hoe diep verbonden de mensen die in hun dorp die spelen mochten opvoeren het hele jaar met de inhoud ervan waren verbonden. De tijd waarin bijv. Schröer in het midden van de 19e eeuw de spelen daar verzamelde, was al de tijd waarin ze begonnen te verdwijnen, zoals ze waren, zoals ze tot dan toe bewaard werden.

Ja, al weken voor het Kerst werd, moest er gezocht worden naar jongens en meisjes die ervoor in aanmerking kwamen dergelijke spelen op te voeren. En zij moesten zich voorbereiden. Dat bestond er niet alleen maar uit dat je ze uit het hoofd moest leren en instuderen wat bij het spel hoort om het te kunnen opvoeren, maar het voorbereiden betekende ook bijv. 

blz. 16

daß diese Buben und Mädel die ganze Lebensweise, die äußere Lebensweise änderten.
Von der Zeit an, wo sie sich vorbereiteten, durften sie nicht mehr Wein trinken, nicht mehr Alkohol zu sich nehmen; sie durften nicht mehr, wie es ja sonst auf dem Dorfe üblich ist, am Sonntag raufen. Sie mußten sich ganz sittsam betragen; sie mußten sanft und mild werden, durften sich nicht mehr blutig schlagen, und durften mancherlei anderes nicht, was sonst in Dörfern besonders in jenen Zeiten ganz gang und gäbe war. Da bereiteten sie sich auch moralisch durch die innere Stimmung der Seele vor. Und dann war es wirklich, wie wenn sie etwas Heiliges herumtrügen im Dorfe, wenn sie ihre Spiele aufführten.
Aber nur langsam und allmählich kam das so. Gewiß, in vielen Dörfern Mitteleuropas im 19. Jahrhundert war solche Stimmung, war die Stimmung, daß man etwas Heiliges zu Weihnachten mit diesen Spielen entgegennahm. Aber man kann nur noch vielleicht ins 18. Jahrhundert zurückgehen und noch ein bißchen weiter, und diese Stimmung wird immer unheiliger und unheiliger. Diese Stimmung war nicht etwa von Anfang an da, als diese Spiele in das Dorf kamen, durchaus nicht von Anfang an, sondern sie stellte sich erst im Laufe der Zeit heraus und ein. 

dat deze jongens en meisjes hun leven van alle dag gingen veranderen.
Vanaf die voorbereidingstijd mochten ze geen wijn meer drinken, geen alcohol gebruiken; ze mochten niet meer, wat anders in het dorp gewoonte was, ’s zondags uitgaan. Ze moesten zich heel netjes gedragen; rustig en aardig zijn; geen knokpartijen en ze mochten nog veel meer niet wat anders in de dorpen in de tijd volkomen normaal was. Ze bereidden zich ook in moreel opzicht voor door een innerlijke zielenstemming. En dan was het echt zo dat ze in het dorp met iets heiligs rondliepen als ze de spelen opvoerden.
Maar dat kwam pas langzamerhand. Zeker, in vele dorpen van Midden-Europa in de 19e eeuw heerste er zo’n stemming, de stemming dat je met iets heiligs kwam tegen de Kerst. Maar je kan maar, misschien tot in de 18e eeuw teruggaan, nog een beetje eerder en deze stemming wordt steeds minder gewijd. Die stemming was er niet meteen aan het begin toen de spelen in het dorp kwamen, zeker niet vanaf het begin, maar die ontstond in de loop van de tijd.

Es gab schon Zeiten, und man braucht nicht einmal gar so weit zurückzugehen, da konnte man noch anderes finden. Da konnte man finden, wie sich da oder dort in Mitteleuropa das ganze Dorf versammelte, und wie eine Wiege hereingebracht wurde, in der das Kind lag, und dazu allerdings das schönste Mädchen des Dorfes – schön mußte Maria sein! -, aber ein häßlicher Joseph, ein urhäßlich aussehen- der Joseph. Dann wurde eine ähnliche Szene aufgeführt, wie Sie sie heute auch haben sehen können. Aber vor allen Dingen: da verkündet wurde, daß der Christus kommt, kam die ganze Gemeinde vor, und ein jeder trat auf die Wiege. Vor allen Dingen wollte ein jeder auf die Wiege etwas getreten und das Christkind auch geschaukelt haben. Darum handelte es sich allen. Und sie machten einen ungeheuren Krakeel, der ausdrücken sollte, daß der Christ in die Welt gekommen ist. In manche ältere von solchen Spielen ist eine fürchterliche Verspottung des Joseph eingestreut, der immer als ein tättelicher Greis in diesen Zeiten dargestellt worden ist, den man auslachte.

Er waren tijden en daarvoor hoef je niet eens zo lang terug te gaan, waarin je nog andere dingen kan vinden. In Midden- Europa verzamelde zich hier en daar een heel dorp en dan werd er een wieg meegebracht waarin het kind lag en dat was natuurlijk het mooiste meisje van het dorp – Maria moest ook mooi zijn – maar een lelijke Jozef, een Jozef die er oerlelijk uitzag. Dan werd er net zoiets opgevoerd zoals u vandaag ook heb kunnen zien. Maar vooral: omdat er aangekondigd werd dat Christus komt, kwam de hele gemeente, iedereen ging naar de wieg. Iedereen wilde naar de wieg en het christuskindje gewiegd hebben. Daar ging het iedereen om. En ze maakten een verschrikkelijke herrie om te laten weten dat Christus ter wereld was gekomen. In sommige oudere spelen vind je ook vreselijk gespot met Jozef die steeds in deze tijd als een [tättelich] seniele? grijsaard neergezet werd die men uitlachte.

blz. 17

Wie sind denn Spiele solcher Art eigentlich in das Volk gekommen? Nun, wir müssen natürlich uns erinnern, daß die erste Form der größten, gewaltigen Erdenidee, des Erscheinens des Christus Jesus auf der Erde, die war des durch den Tod gegangenen Heilands, desjenigen, der durch den Tod das für die Erde gewonnen hat, was wir den Sinn der Erde nennen. Das Leiden des Christus war es zunächst, das im ersten Christentum in die Welt gekommen ist. Und dem leidenden Christus wurden in verschiedenen Handlungen die Opfer dargebracht, die im Kreislauf des Jahres sich vollzogen. Aber nur ganz langsam und all- mählich eroberte sich das Kind die Welt. Der sterbende Heiland eroberte sich zuerst die Welt; langsam und allmählich erst das Kind. Wir dürfen nicht vergessen, daß die Liturgie lateinisch war, daß die Leute nichts verstanden. Vom Messeopfer, das Weihnachten festgesetzt war, fing man allmählich an, den Leuten außer dem Meßopfer, das zu Weihnachten dreimal gehalten wird, noch etwas anderes zu zeigen. Vielleicht doch nicht so ganz mit Unrecht – wenn auch nicht auf ihn selbst, so auf Anhänger von ihm – wird die Idee, in der Weihnachtsnacht das Jesus-Geheimnis den Gläubigen zu zeigen, auf Franz von Assisi zurückgeführt, der aus einer gewissen Opposition heraus gegen die alten Kirchenformen und den alten Kirchengeist überhaupt seine ganze Lehre und sein ganzes Wesen gehalten hat.

Hoe zijn dergelijke spelen nu in het volk gekomen? Nu, we moeten er natuurlijk wel aan denken dat de eerste vorm van de grootste, geweldige gedachte op aarde, die van het verschijnen van Christus Jezus op aarde, van de Heiland die door de dood was gegaan, degene die door de dood voor de aarde bracht, wat wij de zin van de aarde noemen. Het lijden van Christus kwam aanvankelijk in het eerste christendom in de wereld. En aan de lijdende Christus werden in verschillende diensten offers gebracht die plaatsvonden in de kringloop van het jaar. Maar slechts langzaam en geleidelijk veroverde het Kind de wereld. De stervende Heiland veroverde de wereld eerst; geleidelijk pas het Kind. We mogen niet vergeten dat de liturgie in het Latijn gegeven werd, dat de mensen er niets van verstonden. De heilige mis die met Kerstmis vastgelegd was, begon langzamerhand aan de mensen naast de heilige mis die met Kerst driemaal gehouden werd, nog iets anders te vertonen. En helemaal onterecht was niet – al was het dan ook niet op hem, maar toch wel op zijn aanhangers – het idee, in de kerstnacht het geheim van Jezus aan de gelovigen te tonen, dat tot op Franciscus van Assisi* terugging die  vanuit een bepaalde weerstand tegen de oude kerkinstellingen en de oude geest van de kerk zich met zijn hele leer en heel zijn wezen verzette.

*Franciscus van Assisi, 1182-1226. Zie o.a. Rudolf Steiner ‘GA 109/111; GA 130; GA 155

Da sehen wir allmählich, langsam, wie der gläubigen Gemeinde zu Weihnachten etwas geboten werden sollte, was mit dem großen Mysterium der Menschheit, mit dem Herabkommen de`s Christus Jesus auf die Erde zusammen- hing.
Zuerst stellte man eine Krippe auf und machte bloß Figuren. Nicht durch Menschen stellte man es dar, sondern man machte Figuren: das Kindlein und Joseph und Maria, aber plastisch. Allmählich ersetzte man das durch Priester, die sich verkleideten, und die in der einfachsten Weise das darstellten. Und erst vom 13., 14. Jahrhundert ab be
gann innerhalb der Gemeinden äußerlich diejenige Stimmung, die man etwa dadurch bezeichnen könnte, daß die Leute sich sagten: Wir wollen auch etwas verstehen von dem, was wir da sehen, wir wollen eindringen in die Sache. – Und da fingen die Leute an, zunächst einzelne Teile mitspielen zu dürfen in dem, was zuerst nur von der Geistlichkeit

Nu zien wij geleidelijk, langzaam hoe de gelovige gemeente met Kerstmis iets geschonken moest worden, wat met het grote mysterie van de mensheid, met de komst van Christus op aarde, samenhing.
Eerst zette men een kribbe neer en maakte alleen figuren. Niet door mensen beeldde men het uit, maar men maakte figuren: het kindje en Jozef en Maria, maar als beelden. Langzamerhand kwamen er priesters voor in de plaats, die zich verkleedden en die het op de meest eenvoudige manier uitbeeldden. En pas vanaf de 13e, 14e  eeuw ontstond er binnen de gemeente die stemming die je ongeveer zo kan benoemen dat de mensen tegen elkaar zeiden: we willen ook iets begrijpen van wat we daar zien, we willen hier ook meer van weten. En toen mochten de mensen dan beginnen met een paar stukken mee te spelen die eerst door de geestelijkheid gespeeld waren.

blz. 18

gespielt war. Nun muß man natürlich das Leben in der Mitte des Mittelalters kennen, um zu begreifen, wie dasjenige, was mit dem Heiligsten zusammenhing, zugleich in einer solchen Weise genommen wird, wie ich es angedeutet habe. Das war damals durchaus möglich aus einem Entgegenkommen der Stimmung, daß die Gemeinde des Dorfes, die ganze Gemeinde sagen konnte: Ich habe auch mit dem Fuß an der Wiege, wo der Christus geboren worden ist, ein wenig geschaukelt. – Es ließe sich in diesem und in vielem anderen ausdrücken, zum Beispiel in dem Singen dabei, das sich zum Teil bis zum Jodeln steigerte, in alldem, das sich begeben hatte. Aber dasjenige, was in der Seele lebte, das hatte in sich selber die Stärke, man möchte fast sagen, aus einem Profanen, aus einem Profanieren des Weihnachtsged~ankens zum Heiligsten selber sich umzubilden. Und die Idee des in der Welt erscheinenden Kindes eroberte sich das Allerheiligste in den Herzen der einfachsten Menschen.
Das ist das Wunderbare gerade` bei diesen Spielen, von deren Art das erste eines war, daß sie nicht einfach so da waren, wie sie jetzt uns erscheinen, sondern so geworden sind: Frommheit in der Stimmung erst entfaltend aus Unfrommheit heraus, durch die Gewalt desjenigen, was sie darstellen! – 

Je moet natuurlijk wel wat van het leven in de middeleeuwen weten om te begrijpen hoe hetgeen wat met het allerheiligste samenhing, tegelijkertijd zo opgevat werd, zoals ik het aangeduid heb. Dat was toen wel degelijk mogelijk vanuit de stemmige houding waaruit de dorpsgemeenschap, heel de gemeenschap, kon zeggen: ik heb ook een beetje met mijn voet de wieg laten schommelen waarin Christus is geboren. Het kwam hierin – en in nog veel meer  – tot uiting, bijv. in het zingen dat voor een deel zelfs in jodelen overging, in alles wat er gebeurd is. Maar alles wat in het gemoed leefde was van zichzelf sterk, je zou bijna willen zeggen, om vanuit iets werelds, uit een wereldser worden van de kerstgedachte, die zelf in het meest heilige te veranderen. En de idee van het Kind dat op aarde geboren wordt, werd als het allerheiligste in de harten van de eenvoudigste mensen opgenomen.
Het wonderbaarlijke bij juist deze spelen is, dat ze niet waren 
zoals we ze nu zien, maar zo zijn ze geworden: de ernst van de stemming is ontstaan van een niet-ernstige, door de kracht van degenen die ze opvoeren! – Eerst moest het Kind de harten veroveren, het moest in de harten worden toegelaten. En door wat in het Kind zelf heilig was, heiligde Het de harten die hem aanvankelijk ontmoetten in een sfeer van grofheid en wildheid. Dat is het wonderbaarlijke in de ontwikkelingsgeschiedenis van deze spelen, dat in ieder spel het christusgeheim de harten en de zielen nog moest veroveren. En iets van dat ieder spel dat nog moest veroveren, zullen we dan morgen gaan beleven. Vandaag wil ik nog zeggen: niet voor niets merkte ik hoe nadrukkelijk ook het meest simpele in het eerste spel aanwezig is.

Zoals gezegd: langzaamaan kwam wat met het christusgeheim op de wereld verscheen, in de harten en de zielen van de mens. En het is eigenlijk zo dat hoe verder je teruggaat in de overlevering van de verschillende christusgeheimen, je des te meer ziet dat de uitdrukkingsvorm verheven is, geestelijk verheven: je komt in een kosmisch uitspreken,

blz. 19

kommt man hinein, je weiter man zurückkommt. – Wir haben davon schon einiges in unsere Betrachtungen einfließen lassen, und auch im vorigen Weihnachtsvortrage habe ich gezeigt, wie die gnostischen Ideen verwendet worden sind, um das tiefe Christus-Geheimnis zu verstehen. Aber selbst wenn wir noch in den späteren Zeiten des Mittelalters dieses oder jenes verfolgen, finden wir, wie da noch – in der Mitte des Mittelalters -, ich möchte sagen, gerade in den damaligen Weihnachtsdichtungen etwas von dem vorhanden war, was später weg- geblieben ist: eine Betonung des urchristlichen Gedankens, daß der Christus aus Weltenweiten hinuntersteigt, aus Geisteshöhen. Wir finden es im 11., 12. Jahrhunderte, wenn wir zum Beispiel ein solches Weihnachtslied vor unsere Seele führen:

hoe verder je teruggaat. We hebben hiervan al een paar dingen in onze beschouwingen opgenomen en ook in de vorige kerstvoordracht heb ik laten zien hoe de gnostische ideeën gebruikt zijn het diepe Christusgeheim te doorgronden. Zelfs als we een en ander in de latere middeleeuwen volgen, vinden we , hoe daarin – in het midden van de Middeleeuwen – in de kerstgedichten* nog iets aanwezig was van wat later verdwenen is: een accent op de oerchristelijke gedachte dat de Christus uit hemelverten uit geesteshoogten afdaalt.
We vinden het in de 11e, 12e eeuw, wanneer we bijv. dit kerstlied met ons gevoel benaderen:

*in de kerstgedichten: ‘Jezus in het oordeel van de eeuwen. De belangrijkste opvattingen over Jezus in theologie, filosofie, literatuur en kunst tot heden’, door Gustav Pfannmüller, Leipzig en Berlijn, B.G.Teubner-Verlag

Des menschgewordnen Gottessohnes Ehre
Verkünden fröhlich jauchzend Himmelsheere,
Und laut erschallet aus des Hirten Munde
Die frohe Kunde.

«Preis in der Höhe! und den Menschen Friede!»
So tönet es in feierlichem Liede;
Mit Staunen wird von Menschen heut` gesehen,
Was nie geschehen.

Der Himmel hell erglänzt im neuen Sterne;
Von ihm geleitet, kommen aus der Ferne
Die Weisen, und begrüßen mit Entzücken,
Den sie erblicken.

Mit ihm ist neu die Wahrheit nun geboren;
Ersetzt ist, was durch Sünde war verloren;
Es blühen herrlicher im Gnadenlichte
Des Segens Früchte.

Der Vorzeit Ahndung hat sich nun erschlossen,
Seitdem der Erde diese Frucht entsprossen,
Die Leben und Erquickung uns gewähret,
Und ewig iiähret.

blz. 20

Gekommen ist, in unser Fleisch gekleidet,
Der gute Hirt, der alle Völker weidet;
Gewohnt hat er, wie wir, in Pilgerhütten,
Für uns gelitten.

Heil nun der Erde, die sein Licht erblicket!
Durch ihn für Zeit und Ewigkeit beglücket,
Weih` jeder ihm, dem Retter, Dank und Liebe
Mit reinem Triebe.

Hilf, Christus, selbst uns dein Gesetz vollbringen,
Laß gute Taten uns durch dich gelingen,
Daß einst bei dir des ewg’en Lebens Krone
Auch uns belohne!

So war der Ton, der herunterklang von denjenigen, die noch etwas verstanden hatten von der ganzen kosmischen Bedeutung des ChristGeheimnisses.
Oder ein anderes Weihnachtsgedicht auf das Weihnachtsfest gab
es aus der Mitte des Mittelalters, etwas später als die Karolingerzeit:

Zo was de toon die tot ons klonk door hen die nog iets begrepen hadden van de grote kosmische betekenis van het christusgeheim.
Of een ander kerstgedicht op Kerstmis uit het midden van de Middeleeuwen, iets later dan de Karolingische tijd:

Der Gottessohn, von Ewigkeit erzeugt, der unsichtbar und ohne Ende;
Durch den des Himmels und der Erde Bau, und alles, was da wohnt, erschaffen,
Durch den der Tage und der Stunden Lauf vorübergeht und wiederkehrt;
Den stets die Engel in der Himmelsburg in vollharmonischem Gesange preisen,
Hat sich, von aller Erbschuld frei, mit schwachem Leib bekleidet,
Den aus Maria Er, der Jungfrau, nahm, die Schuld des ersten Vaters Adam,
Sowie die Lüsternheit der Mutter Eva zu vernichten.
Der heutige glorreiche Tag erhab`nen Glanzes zeugt, daß nun der Sohn,

blz. 21

Die wahre Sonne, durch des Lichtes Strahl die alte Finsternis der Welt zerstreute.
Nun wird die Nacht erhellt vom Lichte jenes neuen Sternes,
Der einst den himmelskund`gen Blick der Magier in Staunen setzte,
Und sieh` den Hirten leuchtet jener Schein, die da geblendet wurden
Vom hehren Glanz der himmlischen Bewohner.
O Gottesmutter, freue dich, die du bei der Geburt von einer Engelschar,
Die Gottes Lob besingt, bedienet wirst.
O Christus, du des Vaters einz`ger Sohn, der unsertwegen die Natur
Der Menschen angenommen, so erquicke du die Deinen, die hier flehen.
O    Jesus, höre mild die Bitten jener, deren du Dich anzunehmen dich gewürdigt hast, Um sie, o Gottessohn, teilhaft zu machen deiner Gottheit.]

Das ist der Ton, der, ich möchte sagen, von den Höhen der mehr theologisch gefärbten Gelehrsamkeit hinuntertönte ins Volk.
Nun hören wir auch ein wenig den Ton, der zur Weihnacht aus dem Volk selbst erklang, wenn eine Seele sich fand, die des Volkes Empfinden wiedergab:

Dat is de toon die vanaf het niveau van de meer theologisch getinte geleerdheid tot het volk klinkt.
Nu horen we ook de toon die met Kerstmis vanuit het volk zelf kwam, wanneer er een ziel was die de stemming van het volk weer kon geven:

Er ist gewaltic unde starc,
der ze winnaht geborn wart:
Daz ist der heilige Krist. jä lobt in allez daz dir ist
Niewan der tiefel eine:
dur sinen grözen ubermuot
s6 wart ime diu helle ze teile.
In der helle ist michel unrät: s
wer dä heimuote hät, 

blz. 22

DiuA sUnne schAinet nie so
lieht, der mane hilfet in niht,
Noh der liechte sterne,
jaA müet in allez daz er siht,
jaA waer er daA ze himel als6 gerne.

In himelflAch ein hüs sta»t,
ein gUl~Ain wec dar iAn gät,
Die siule die sint mermel?n, d
ie zieret unser trehtiAn
Mit edelem gesteine:
daA enkumt nieman ?n,
er ensAi vor allen sünden als6 reine.

Swer gerne zuo der kilchen gaAt
und aAne nAit daA staAt,
Der mac wol vr6liAchen leben,
den wirt ze jungest gegeben
Der Engel gemeine.
wol im daz er ie wart:
ze himel ist daz Leben alsö reine.

Ich haAn gedienet lange
leider einem manne,
Der in der helle umbe gät,
der brüevet m?ne missetat,
S?n l6n der ist boese.
Hilf mich heiliger geist,
daz ich mich von sAiner vancnisse loese.

Das ist das Gebet, das der einfache Mensch sagte und verstand. Wir haben den Herabklang gelesen, haben jetzt den Hinaufklang.
Ich will versuchen, dieses Weihnachtslied aus dem 12. Jahrhundert etwas wiederzugeben, damit wir sehen, wie auch der einfache Mensch die ganze Größe des Christus faßte und in Zusammenhang brachte mit dem ganzen kosmischen Leben.
Er ist gewaltig und stark, der zu Weihnacht geboren ward. Das ist der Heilige Christ. Es lobt ihn alles, was da ist, nur nicht ganz allei

Dat is het gebed dat de eenvoudige mens zei en begreep. We weten nu hoe het klinkt.
Ik wil proberen dit kerstlied uit de 12e eeuw zo weer te geven dat we kunnen zien hoe ook de eenvoudige mens de grootheid van Christus begreep en in samenhang bracht met het hele kosmische leven.
Hij die met Kerstmis geboren is, is machtig en sterk. Dat is de heilige Christus. Alles wat is, looft hem, maar de

blz. 23

der Teufel, der durch seinen großen Übermut so war, daß ihm die Hölle zuteil ward. In der Höhe ist mikel Unrat (mikel – das ist das alte Wort für groß, mächtig). In der Hölle ist großer Unrat. Wer da seine Heimat hat, wer also in der Hölle zu Hause ist, muß wahrnehmen: die Sonne scheint da niemals nicht, der Mond hilft, hellet niemanden, noch die lichten Sterne. Da muß jeder, der etwas sieht, sich sagen, wie schön es wäre, wenn er in den Himmel gehen könne. Er wäre ganz gern in dem Himmel. Im Himmelreich steht ein Haus. Ein goldner Weg dazu geht. Die Säulen sind Mermel, (also von Marmor), geziert mit Edelgestein. Da aber kommt niemand hinein, als der von Sünden ganz rein ist. Wer zu der Kirche geht und da ohne Neid steht, der mag wohl höheres Leben haben, denn es wird immer junges gegeben, das heißt, wenn er zuletzt sein Leben geendet hat – erinnern Sie sich, ich habe hier einmal das Wort «jüngern» vom Ätherleib eingeführt; hier haben Sie das in der Volkssprache sogar! – also wenn er «jung» ist gegeben der Engelsgemeinde, wohl ihm, daß er darauf warten kann, denn im Himmel ist das Leben rein. – Und nun sagt der, der also dieses Weihnachtslied betet: Ich habe gefangen gedient leider einem Mann, der in der Hölle umgeht, der entwickelt hat meine Missetat. Hilf mir, heiliger Christ, daß ich von seinem Gefangse, (Gefängnisse), gelöst werde, das heißt: aus dem Gefängnis des Bösen gelöst werde.

de duivel niet helemaal, die door zijn grote overmoedigheid zo was dat de hel zijn deel werd. In de hel is ‘mikel’ – dat is het oude woord voor groot, machtig – uitschot.  Er zit veel uitschot in de hel. Wie daar zijn thuis heeft, wie daar thuis is, moet merken: daar schijnt de zon echt nooit, de maan helpt, verlicht niemand, ook niet de heldere sterren. Daar moet iedereen die iets ziet, zeggen hoe mooi het zou zijn als hij naar de hemel zou kunnen gaan. Hij zou graag in de hemel willen zijn. In het hemelrijk staat een huis. Er leidt een gouden weg heen. De zuilen zijn ‘Mermel’, (dus van marmer), gesierd met edelsteen. Maar daar komt niemand binnen, wanneer hij niet gereinigd is van de zonde. Wie naar de kerk gaat en daar zonder afgunst staat, die mag wel een hoger leven hebben, want altijd zal er iets zijn wat jong is, d.w.z. wanneer uiteindelijk zijn leven is geëindigd – weet u het nog, ik heb hier eens het woord ‘jüngern’ – jonger worden – van het etherlijf gebruikt; hier komt het zowaar in de volkstaal voor! dus wanneer hij ‘jong’ aan de gemeenschap van de engelen is overgegeven, gelukkig hij die daarop kan wachten, want in de hemel is het leven rein.
En nu zegt degene die dit lied bidt: ik heb als gevangene helaas een man gediend die in de hel rondwaart, die heeft mijn zonden groot gemaakt. Help mij, heilige Christus, dat ik verlost wordt uit zijn gevangenis (Gefangse), verlost wordt, dat betekent: vrij kom uit de gevangenis van het kwaad.

Also das ist in der Sprache des Volkes:

Dat klinkt dus in de taal van volk zo:

Er ist gewaltig und stark,
Der zur Winacht geboren ward.

[1] GA 274

Aan de voorstellingen in Dornach ging een voordracht in Berlijn vooraf op 19 december 1915 met de titel: ‘Der Weihnachtsgedanke und das Geheimnis des Ich. Der Baum des Kreuzes und die Goldene Legende. Entstehung der Krippen- und Hirtenspiele’. De voordracht werd gepubliceerd in GA 165 ‘Die geistige Vereinigung der Menschheit durch den Christus-Impuls’.
In dezelfde uitgave is  ook de hier bovenstaande inleiding opgenomen, waarbij nog 2 voordrachten aansluiten die op 27 en 28 december 1915 in Dornach werden gehouden. Op 28 december 1915 houdt Rudolf Steiner ook nog een toespraak in Basel en knoopt daarbij aan de drie voordrachten in Dornach aan. Ook deze zijn in de genoemde band opgenomen.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1670

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (2)

.

In de voordrachtenreeks zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 24

Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum Dornach, 3. Januar 1917 anläßlich einer Aufführung des Paradeis-Spiels und des Christ-Geburt-Spielsvor deutschen Internierten aus Basel und Bern

Gestatten Sie, daß ich Sie vor allen Dingen aufs herzlichste begrüße und unsere Befriedigung zum Ausdruck bringe, daß wir Sie heute in unserer Mitte sehen können! Ich bitte Sie, dasjenige, was wir Ihnen werden bieten können, als etwas recht Bescheidenes hinzunehmen. Es soll nicht eine Probe einer vorzüglichen Aufführung oder einer besonderen künstlerischen Leistung sein, sondern, ich möchte sagen, mehr eine historische Darstellung. Und damit die Erwartungen nicht zu hoch gespannt werden, möchte ich nur mit ein paar Worten andeuten, wie es dazu gekommen ist, daß wir gerade diese zwei und einige andere solche Weihnachtspiele, Paradeis-Spiele und dergleichen, in einer etwas indirekten Beziehung mit unserer Sache seit Jahren in einfacher, primitiver Weise zur Aufführung bringen.
Es handelt sich dabei nicht eigentlich um solche Weihnachtspiele und Neujahrspiele, wie man sie sonst auch sehen kann, obwohl selbstverständlich eine Ähnlichkeit vorhanden ist.

TOESPRAAK VAN RUDOLF STEINER N.A.V. EEN OPVOERING VAN HET PARADIJSSPEL EN HET GEBOORTESPEL VOOR DUITSE GEVANGENEN UIT BASEL EN BERN, 3 JANUARI 1917

Sta mij toe dat ik u in de allereerste plaats van harte welkom heet en tot uitdrukking breng hoe fijn we het vinden om u vandaag te midden van ons te kunnen ontmoeten!
Ik vraag u om wat u zullen kunnen aanbieden als iets heel bescheidens op te vatten. Het is geen proeve van een voortreffelijke uitvoering of een bijzonder kunstzinnige prestatie, maar, laat ik zeggen, meer een historische voorstelling. En om de verwachtingen niet al te hoog te spannen, zou ik graag met een paar woorden aangeven hoe het gekomen is dat we nu juist deze twee en een paar andere van deze kerstspelen, paradijsspelen en zo, die op een bepaalde indirecte manier met onze zaak samenhangen, sinds een paar jaar op een eenvoudige, primitieve manier opvoeren.
Het gaat hierbij eigenlijk niet om die kerst- en nieuwjaarsspelen zoals je die ook wel kan zien, hoewel er natuurlijk overeenkomsten zijn.

Ich selbst bin gerade auf diese Weihnachtspiele dadurch verfallen, daß, als ich im Jahre 1879 an die Wiener Technische Hochschule kam, ich dort einen Professor traf, der dann mir sehr intim befreundet wurde: Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer halte ich selbst – er ist längst tot – für einen der bedeutendsten germanistischen Forscher der neueren Zeit, obwohl er, wie es so manchen bedeutenden Menschen geht, gar wenig Anerkennung gefunden hat. Er war zuerst Professor an der Universität in Budapest, dann war er lange an dem deutschen Lyzeum in Preßburg, also einer Stadt auf dem Weg von Wien nach Budapest. Und nachdem zuerst der germanistische Forscher Weinhold begonnen hatte, die vorhandenen Reste alter Weihnacht- und Neujahrspiele aufzuzeichnen, wurde Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts von 

Ik zelf werd juist door deze kerstspelen geraakt, toen ik in 1879 op de Technische Hogeschool in Wenen kwam en daar een professor ontmoette met wie ik heel goed bevriend raakte: Karl Julius Schröer.*
Ik vind Karl Julius Schröer – hij is al lang dood – een van de belangrijkste onderzoekers van de Germaanse talen van de laatste tijd, hoewel hij, zoals het zo vaak met belangrijke personen gaat, weinig erkenning heeft gekregen. Hij was eerst professor aan de universiteit van Boedapest, daarna was hij lang verbonden aan het Duitse Lyceum in Pressburg, dus een stad aan de weg van Wenen naar Boedapest. En nadat eerst de Germaanste talenonderzoeker Weinhold** was begonnen om de nog overgebleven resten van de oude kerst- en nieuwjaarsspelen op te schrijven, ontdekte Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw

*Karl Julius Schröer, 1825-1890, germanist. Professor aan de Technische Hogeschool in Wenen en uitgever van de ‘Chronik des Wiener Goethe-Vereins’. Van zijn werk over Goethe moet de uitgave van ‘Faust 1 en 2’ ijn Kürshners Deutscher National-Literatur met inleidingen en verklaringen worden genoemd.
**Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Kerstpelen en – liederen uit Zuid-Duitsland en Silezië’, met inleidngen en verklaringen. 

blz. 25

Preßburg aus aufmerksam auf besondere Darstellungen von Weihnacht- und Neujahrspielen, Paradeis-Spielen, welche in der Nähe von Preßburg unter den dortigen Bauern stattfanden.
Diese Weihnachtspiele hängen natürlich zusammen mit den sonst gesammelten Weihnachtspielen und Neujahrspielen in deutschen Gegenden. Sie sind aber, ich möchte sagen, um einen Grad echter, gerade die von Schröer gesammelten aus der Oberuferer Gegend – von Preßburg zu Fuß in einer halben Stunde zu erreichen, wo eine deutsche Enklave ist -, so daß man ein historisches Dokument an ihnen hat. Sie sind echter als diejenigen in den anderen Gegenden. Erhalten haben sie sich in der Weise, daß einfach die Bauern, die man für geeignet befunden hat, von einem ihrer Ältesten im Herbst, wenn nicht mehr Feldarbeiten zu verrichten waren, zusammenberufen wurden. Und nun wurden diese Weihnachtspiele, die traditionell aufbewahrt worden sind, einstudiert. Sie wurden, ich möchte sagen, in einer wirklich schönen, feierlichen Weise einstudiert, nicht so als irgend etwas bloß Künstlerisches, das man leisten wollte, sondern das hing zusammen mit der ganzen herzlichen Entfaltung der Leute. Man sieht dies schon daraus, daß diejenigen Bauern, die an dem Spiel teilnehmen durften, also die mitspielen sollten, in den Wochen, in denen die Proben statt- fanden und in denen sie auswendig lernen sollten, sich wirklich auch moralisch dazu vorbereiteten. Sie sollten moralisch würdig sein, aufzutreten in diesen Stücken.

vanuit Pressburg bijzondere opvoeringen van kerst- en nieuwjaarsspelen, paradijsspelen in de buurt van Pressburg bij de daar wonende boeren.
Deze kerstspelen hebben natuurlijk te maken met den al eerder verzamelde kerst- en nieuwjaarsspelen in de Duitse streken. Maar ze zijn, laat ik zeggen, net een graadje echter, met name die Schröer verzameld heeft uit de streek van Oberufer – vanuit Pressburg in een half uurtje lopen te bereiken, waar een Duitse enclave ligt – zodat je daarmee een historisch document hebt.
Ze zijn origineler dan die uit andere streken. Ze zijn bewaard gebleven alleen maar doordat boeren die daarvoor geschikt werden geacht, door een van de oudsten onder hen in de herfst, als er geen landwerk meer verricht hoefde te worden, bij elkaar werden geroepen. En dan werden deze kerstspelen, in hun traditionele vorm bewaard, ingestudeerd. Ze werden, zeg ik, op een echte zuivere, waardige manier ingestudeerd, niet dat men er een of ander kunstzinnig iets van wilde maken, maar dat hing samen met hun zo hartelijke gemoedsgesteldheid. Je ziet dat al aan die boeren die aan het spel mochten meedoen, dat ze in de weken waarin de repetities plaatsvonden en waarin ze uit het hoofd moesten leren, zich er ook moreel op voorbereidden. Ze moesten in moreel opzicht het ook waard zijn om in deze spelen op te treden.

Es sind vier Bedingungen gewesen, die der Älteste, welcher jene Manuskripte hatte, die von Generation zu Generation fortgepflanzt wurden, mitteilte. Diejenigen also, die diese Dinge lernen durften, mußten vier Bedingungen erfüllen. Die erste war: sie durften in der Zeit, in der sie lernen und sich auf die Aufführungen vorbereiten sollten, nicht zu einem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen, das ist ausdrücklich als eine Art Katechismus ihnen dargelegt worden; drittens durften sie sich nicht berauschen, überhaupt keine Ausgelassenheiten begehen, wie sie selbstverständlich sonst in diesen Gegenden gang und gäbe waren an den Sonntagen; und viertens mußten sie brav gehorchen dem, der der Älteste war und der sie diese Sachen lehrte, der sie mit ihnen einstudierte und so weiter. Wenn sie 

Er waren vier voorwaarden die de oudste, die de rollen had, die van generatie op generatie doorgegeven werden, afkondigde. Degenen dus die deze dingen mochten leren, moesten aan vier voorwaarden voldoen.
De eerste was: ze mochten in de tijd waarin ze aan het leren waren en zich voorbereidden op de opvoeringen niet naar de meisjes gaan;
ten tweede: ze mochten geen ondeugende liedjes zingen, dat werd hun als een soort catechismus opgelegd;
ten derde: ze mochten zich niet bedrinken, en zeker geen dwaze dingen doen zoals vanzelfsprekend anders in deze streken op zondagen wel schering en inslag was  en
ten vierde: ze moesten echt luisteren naar de oudste die hun deze dingen leerde, enz.
Als ze dan

blz. 26

nun als würdig befunden waren, wurde ihnen eine Abschrift gereicht, und diese durften sie dann behalten. Im nächsten Jahre mußten diejenigen, welche weiter dazu bestimmt waren, diese Sachen abschreiben lassen. So ist es gar nicht so leicht für Schröer gewesen, als er erfahren hatte, daß da draußen auf dem Lande solche Sachen aufgeführt werden, sie richtig zu erhalten. Denn die Dinge waren von Jahr zu Jahr abgeschrieben worden. Ein Weihnachtspiel war im Jahre 1809 bei einer Überschwemmung sogar sehr korrumpiert worden; und es war außerdem sehr schwer, sie zu lesen, es fehlten in verschiedenen Manuskripten verschiedene Stelle. Aber sie lebten so in diesem Volke darinnen, daß zum Beispiel Schröer, als er diese Aufstellungen machte, aus gewissen Zusammenhängen merkte: Da muß etwas fehlen. – Da ließ er solch einen Mann kommen, der den Unterricht gegeben hatte und sagte: Denken Sie einmal nach, ob da etwas fehlt. – Ja, ja, sagte der, und konnte dann manchmal seitenlang ganze Strophen wiederum rezitieren, die ausgefallen waren, seit Jahren vergessen worden waren.

waardig genoeg bevonden werden, kregen ze een geschreven kopie van het spel en die mochten ze dan houden. Het volgende jaar moesten degenen die dan weer mochten meedoen, deze rollen laten overschrijven.
En voor Schröer is het lang niet zo makkelijk geweest, toen hij vernomen had dat daar op het platteland dergelijke opvoeringen waren, ze ook echt in handen te krijgen. Want er werd ieder jaar overgeschreven. Een kerstspel raakte in 1809 bij een overstroming zelfs erg beschadigd; en het was bovendien erg moeilijk om ze te lezen, want in verschillende manuscripten ontbraken verschillende stukken.
Maar onder de bevolking leefde het zo, dat bijv. Schröer, toen hij deze dingen opschreef, vanuit de samenhang merkte: hier ontbreekt iets. Dan vroeg hij een man te laten komen die de regie had gehad en zei: ‘Denk u er eens over na of er nog iets aan ontbreekt.’ ‘Ja, ja,’ zei die dan en kon dan vaak bladzij voor bladzij weer lange stukken  opzeggen die weggevallen waren, ook sinds jaar en dag waren vergeten.

So, nicht wahr, wurden diese Dinge einstudiert. Und wie gesagt, in den vier Wochen vor Weihnachten bis zum Dreikönigstag wurden sie unter den Bauern aufgeführt. Und wir möchten Ihnen eine Art historische Erinnerung`damit geben. Während die Weihnachtspiel-Aufführungen etwa bis ins 11. Jahrhundert zurück nachweisbar sind, sind sie doch eben in der Gestalt vorhanden geblieben, in der sie gelebt hatten im 16., 17. Jahrhundert. Und konservativ ist man geblieben. Von Jahr zu Jahr wurde in der selben Gestalt aufgeführt. Es wurde dann so aufgeführt, daß die Bauern in den verschiedenen Ortschaften herumgingen; keine andere Musik durfte gehört werden. Einmal hat es Schröer selber gesehen, daß die Bauern in einem Dorfe, wo sie hingingen und die Spiele vorführen wollten, mit Musik empfangen wurden. Da waren sie sehr beleidigt, denn sie sagten, sie seien doch keine Komödianten. Sie führten das wirklich auf, ich möchte sagen, wie eine Art Gottesdienst.
In dieser einfachen, primitiven Weise, wie es bei den Bauern gemacht wurde, wollten wir es eigentlich aufführen. Aber Verschiedenes können wir nicht machen. Die Bauern gingen im Dorfe herum; es wurden die Sachen einfach in einem gewöhnlichen Wirtshaus aufgeführt.

Zo werd dat dus ingestudeerd.
En zoals gezegd, in de vier weken voor Kerstmis tot op driekoningendag werden ze onder de boerenbevolking opgevoerd.
En wij zouden u hiermee graag een soort historische herinnering meegeven.
Terwijl je voor de kerstspelopvoeringen al tot in de 11e eeuw terug kan gaan, zijn ze toch in de vorm bewaard gebleven waarin ze in de 16e, 17e eeuw voor handen waren. En men is behoudend gebleven. Ze werden ieder jaar precies zo opgevoerd. De boeren gingen ze in verschillende plaatsen in de buurt opvoeren; er mocht geen andere muziek klinken. Op een keer heeft Schröer zelf gezien dat de boeren in een dorp waar ze naartoe gingen en de spelen wilden opvoeren, met muziek werden ontvangen. Toen waren ze diep beledigd en zeiden dat ze toch zeker geen komedianten waren. Hun opvoeringen waren echt, laat ik zeggen, een soort godsdienstbijeenkomst.
Op deze eenvoudige, primitieve manier zoals dat bij de boeren ging, zo zouden we ze eigenlijk ook willen opvoeren. Maar verschillende dingen kunnen we niet. De boeren liepen door het dorp; de opvoeringen vonden plaats in een gewone kroeg.

blz. 27

Und noch manches was so drum und dran hängt, können wir nicht in der gleichen Weise tun. Der Teufel zum Beispiel zog sich immer viel früher an, zog mit einem Kuhhorn durchs Dorf, pustete in die Fenster hinein und erklärte den Leuten, sie müßten nun kommen. Wenn er irgendeinen Wagen fand, sprang er hinauf, zog die Leute herunter und nahm sie mit zur Aufführung. Und so zogen die Leute von Dorf zu Dorf und führten im Dialekte diese Dinge auf, in einem österreichischen Dialekt, ziemlich ähnlich dem bayrischen, also einem süddeutschen Dialekt, der in jenen Gegenden bei Preßburg heimisch ist.
Von diesem Gesichtspunkte aus bitte ich Sie, diese aus früheren Jahrhunderten bewahrten Dinge aufzunehmen, so anspruchslos, wie sie eben gemeint sind.

En nog veel meer wat er zo omheen speelt, kunnen we niet op dezelfde manier doen. De duivel bijv., kleedde zich altijd veel eerder aan, trok met een koeienhoorn door het dorp, blies door de ramen naar binnen en gag de mensen te kennen dat ze nu moesten komen.
Wanneer hij ergens een kar zag rijden, sprong hij erbovenop, trol de mensen eraf en nam ze mee naar de opvoering.
En op deze manier trokken de mensen van dorp naar dorp en voerden deze dingen in hun dialect op, dat nogal wat op het Beiers lijkt, dus een Zuidduits dialect dat in die streken bij Pressburg gesproken wordt>
Vanuit deze gezichtspunten zou ik u willen vragen naar deze dingen die uit vroegere eeuwen bewaard gebleven zijn, te kijken, net zo in alle eenvoud als ze bedoeld zijn.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1656

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Ervaringen met het Oberuferer kerstpel

.

hoe ver is het wel…. ?

TOT je er bent

Ervaringen met het Oberufer kerstspel

In de plenaire strafinrichting voor vrouwen in Utrecht werd door een groep het kerstspel opgevoerd. Voor de bewoners van de inrichting een doorbreking van de dagelijkse gang van zaken, waarbij zij uit hun cel en bij elkaar waren. Het was niet eenvoudig om door het geroep en de rook heen met het spel te beginnen. En er was bijna geen moment stilte, behalve toen Jozef en Maria op weg waren naar Bethlehem.

Uit de opmerkingen bleek hoe goed er geluisterd werd naar wat er op het toneel gezegd werd. Tijdens de geboorte maakte één van de aanwezigen het gebaar van Maria mee. Een ander zong alle liederen mee, hoewel zij die nog niet gehoord had.

Toen de spelers zingend de zaal verlieten, riepen de aanwezigen: “Jozef, Jozef, kanjer, kanjer …!!”

Een twaalfde klas speelde het kerst­spel op de psychiatrische afdeling van de Willem Arntzhoeve. De engel werd gespeeld en gezongen door een zeer lange jongeman; de engel en jurk was hem veel te kort. De herders de­den niet altijd verantwoord, zeker niet bij de repetities, die ’s mid­dags om vijf uur begonnen, dus na een lange lesdag. Er ontbrak nooit iemand op de repetities. Er was geen toneel, en geen echte zaal. Het was steeds rumoerig. Toch voltrok zich het spel op een intense en intieme wijze. De leerlingen waren onder de indruk van wat hen van uit de zaal tegemoet kwam.

Een groep volwassenen speelde voor de bewoners van de Rijksinrichting voor jongens, een observatie-inrichting voor jeugdige delinquenten. Na afloop zaten de spelers, nog in toneelkle­ding met de aanwezigen aan de koffie; er werd over van alles gepraat, ook over het spel.
Een van de Marokkaanse jongens vroeg: “Is er voor mij ook verlossing?”

In een grote zaal, mooi vormgegeven en mooi van kleur zitten veel kinde­ren bijeen, in leeftijd variërend van zeven tot achttien jaar.
Het zaal­licht gaat uit en zingend komen de spelers binnen. Er is gepraat,
ge­lach, geroep van namen.
Het doek gaat open en een groot diep toneel wordt zichtbaar. Terwijl het spel zich vol­trekt, blijft het rumoerig in de zaal. Als de spelers na afloop van het spel in de kleedkamer zijn, verzuchten zij: “Het was geen moment stil, zelfs niet bij de geboorte. Zo gaat het niet langer…!” Het volgend jaar gaat het weer zo, totdat …….

Door al mijn ervaringen met het kerstspel ben ik er van overtuigd, dat het kerstspel ijzersterk en on­verwoestbaar is; dat het overal, on­der de meest moeilijke omstandigheden gespeeld kan worden door ouders, le­raren en bovenbouwers. Waarom dan toch die verzuchtingen? Hierover een paar opmerkingen.

In de eerste plaats is het goed vast te stellen, dat het kerstspel een toneelstuk is; dientengevolge is het onderhevig aan de wetten die de toneeldiscipline stelt. Toneel is drama, is handeling, is uiteenzetting van individuen met elkaar. Overal waar die uiteenzetting zichtbaar wordt in het gebaar en voelbaar wordt door het woord, zal ieder publiek geboeid raken. Wat het woord betreft moet het uiteraard verstaanbaar en begrijpelijk zijn. Nu is de kerstspeltekst vaak volstrekt onbegrijpe­lijk, ook voor volwassenen.

Ik heb “der armen soelaas” al menig maal moeten uitleggen. Voor kinderen geldt toch ook, dat wat er op het toneel gesproken wordt, begrepen moet kunnen worden. Dat kinderen het allemaal niet in één keer begrijpen, is geen reden om het maar onbegrijpelijk te laten.

Toneel is ook beweging, zielenbeweging en fysieke beweging; die bewegingen moeten beleefbaar zijn, in al hun intensiteit. Gebeurt dit niet, dan zal het publiek zeker zelf beweging gaan maken, en daar zijn de leerlin­gen heel bedreven in (bewegingsonder­wijs!) Ingehouden spelen voor de kleintjes betekent dat er te weinig overblijft voor de groten. Drama is nu eenmaal geen vorm die past bij de geestesgesteldheid van het kleine kind. Daar zijn andere vormen voor. Ten overvloede zij vermeld, dat ook het z.g. “kleine kerstspelletje” to­neel en dus drama is.

Het kerstspel spreekt niet (meer) voor zichzelf. Mensen moeten het la­ten spreken. Dat kan als ieder op zijn eigen manier een verbinding met de rol krijgt, zodat hij die zo sterk mogelijk op het toneel kan zetten. Het kerstspel is natuurlijk ook een mogelijkheid voor de volwassene om zich te ontwikkelen, maar dat moet hij dan wel thuis doen, of met de collega’s tijdens de repetities; op het toneel moet het zo zeker zijn als iemand maar zijn kan. Bij de rolver­deling gaat het er niet om of Maria eersteklas-juf is, maar of zij kan zingen, dan wel er zo aan wil oefe­nen, dat het goed gaat. Uiteraard geldt dit voor alle zangrollen.

Het kerstspel heeft evenals de twee andere spelen, een geschiedenis. In de loop van die geschiedenis hebben velen bijgedragen tot inzichten om­trent regie, kleding en belichting. Daarin zit heel veel wat waar is. Maar wat tien jaar geleden waar was, hoeft dat nu niet meer te zijn, en als het nog wel waar is, wat ten aan­zien van de kerstspelen heel goed mogelijk is, ziet die waarheid er nu anders uit. Iedere groep, die aan het kerstspel begint zal zijn eigen waar­heid moeten ontdekken. Dat is ook de enige manier, waarop dit spel zo le­vend blijft, dat de inhoud ieder jaar opnieuw beleefbaar wordt. En laat iedereen uit de rijke kerstspeltraditie gebruiken wat nodig is.

Soms wordt het meedoen aan een kerst­spel gezien als een verzwaring van de toch al niet geringe taak. Als een college het instuderen en opvoeren van het kerstspel nu eens niet aan kan, is het dan zo erg ouders, of een groep leerkrachten van elders dat te laten doen? Maar de kinderen moeten hun leraren in het spel zien, is dan het vaak gehoorde antwoord. Maar gaat het daar dan om? Uiteraard niet. Het drama moet zich voltrekken op de bes­te wijze die leken uit hun volle ver­antwoordelijkheid voor de inhoud van het kerstspel kunnen opbrengen. Dan zal ieder publiek, rumoerig of niet, dankbaar zijn.

(Peter van der Bijl, Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

402-379

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (3)

.

DE KERSTSPELEN

In de komende weken zullen vele kerstspelen worden opgevoerd, zowel oude als moderne. Eén ding hebben zij gemeen: door leken, ondeskundigcn dus, worden zij gespeeld.
Het gaat de spelers niet zozeer om fraai toneelspel. Het gaat meer om het opbouwen van een sfeer, waarin men de blijde geboorte van het Jesuskind niet alleen gezamenlijk kan herdenken, maar ook beleven.

Het kerstspel heeft een interes­sante geschiedenis. Pas in de 4e eeuw na Christus geboorte is men deze geboorte gaan vieren. De oudste viering bestond uit een Hoogmis in de nacht van 24 op 25 december. Vrijwel geen enkele kerkganger was in staat deze mis te volgen. Men verstond immers geen Latijn!
Al spoedig kwamen er kerststal­len in zwang: in een nis van de kerk waren poppen opgesteld, Maria, Jozef en het heilige Kind in een kribje. De kerkgangers mochten meespelen en het kindje wiegen. Dit “kindjewiegen” werd het belangrijkste moment van de viering. Het ging er vrolijk toe: het Kind werd uitbundig toegejuicht en ….. men bespot­te de oude Jozef!
Later in de middeleeuwen gingen geestelijken zelf eenvoudige spelen schrijven, die door hen in de kerk werden opgevoerd. Het succes was groot. Tenslotte wer­den de  spelen ook buiten de kerk gespeeld. Zij kwamen in de han­den van leken, die met heilige ernst het hunne tot de kerststem­ming wilden bijdragen. Vele re­ligieuze lekenspelen ontstonden zo in West- en Midden-Europa, waarvan de meeste verloren zijn gegaan.

Een stel kerstspelen uit het mid­deleeuwse cultuurgoed is echter op merkwaardige wijze bewaard gebleven en tot ons gekomen. Dit zijn de kerstspelen uit Oberufer, een “paradijsspel”,  een “geboortespel” en een “driekoningenspel”.  Zij behoren bij elkaar en vormen een “drieluik” van grote zuiver­heid en schoonheid.
Oberufer is een klein boerendorp, gelegen op een eilandje in de Donau, niet ver van Presburg. De Duitse boeren, die er woon­den, waren als kolonisten in het Hongaarse land gekomen. Door hun isolement konden zij hun taal en tradities trouw bewaren. De leidende boerenfamilie in het dorp had de kerstspelen in handen, die als een kostbaar bezit van vader op zoon mondeling werden overgeleverd. De oudste boer studeerde de spelen in met een aantal boerenjongens (vrouwen mochten niet toneelspelen!). Ge­durende de kersttijd reisde men de dorpen in de buurt af en voerde de spelen op. Zo ging het vele eeuwen lang tot diep in de vorige eeuw. Juist in de tijd dat de jeugd de ware be­langstelling ervoor begon te verliezen, hoorde een fijnzinnig Duits taalgeleerde, Carl Julius Schröer, ervan. Hij begreep da­delijk welk een kostbare cul­tuurschat verloren dreigde te gaan. Hij tekende de spelen op en bracht zijn grote enthousiasme ervoor over op een van zijn leer­lingen, de toenmalige student Rudolf Steiner.

De laatstgenoemde bracht de spe­len over naar Domach, waar hij hen liet opvoeren. Al spoedig gingen de leraren van de steinerscholen hen spelen voor de kinde­ren, bij wijze van kerstgeschenk.

Het “Paradijsspel” gaat vooraf.
Een kort, fel drama tussen de vijf hoofdpersonen: Adam en Eva, hun Schepper, Engel en Duivel.

Het “Geboortespel” sluit daarbij aan.
Het Jezuskind is immers de “Nieuwe Adam”, die goed komt maken wat de “Oude Adam” misdeed! Wij zien in het “Geboortespel” de ver­kondiging, de tocht naar Bethlehem, de blijde Geboorte en de aan­bidding door de herders.

Het der­de spel laat de aanbidding der Drie Koningen zien, alsmede Herodes‘ boze dagen. Vanwege de hevige dramatiek wordt dit spel niet voor de jonge kinderen op­gevoerd.

In deze spelen zijn oerwaarheden van het Christendom op even eenvoudige als treffende wijze in beeld gebracht. Juist door dit sterke beeldkarakter kunnen zij een weg tot het kerstgebeuren wijzen, die juist voor de moderne mens belangrijk is.

Wij leven in een tijd, waarin alles “beeld” wil worden. In de tekst, die sober en boers is, vindt men een afwisseling van innige vroomheid en warme humor. Deze humor doet geen afbreuk aan de verhevenheid van het onderwerp, maar verhoogt deze.
De begroe­ting door de “Sterrezanger” is een studie in eerbied, maar plotseling ontdekt men, dat hij niet wil ophouden met groeten, want ..   .    dan is zijn rol uit; zo barsten de herders na de blijde Boodschap los in een grappig danslied; de sinistere Duivel blijkt óók toneelknecht te zijn en zo is er meer. De belangstelling voor de kerst­spelen uit Oberufer is in onze tijd groeiende. Dit is verheu­gend. Zij verdienen het ten volle. Oordeelt u zelf!

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldkerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

395-373

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.