Tagarchief: kerstspel

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (3)

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Deel 3 

Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)

Van de herders wordt wel gezegd dat ze ‘denken – voelen – willen vertegenwoordigen’. Je kan bij Stiechel wel iets zien van een ‘wil’, bij Witok ‘het gevoel’ en Gallus heeft regelmatig wat ‘hoofd’zaken. In het spelen kan er (iets) rekening mee worden gehouden.

Gallus begint te spreken. Hij kan van linksachter op het toneel naar voren komen, maar hij kan ook vanuit de zaal het toneel op ‘rennen’.
D. Gallus verschijnt op de achtergrond.

Gallus treet op en spreeckt:

Heyda ho hee!
lck had gedocht ick sou de leste syn
en waorlyck synder haôrluy noch naer myn.
Ooy, ooy, wat isset bitter coudj
De vorst nypt vinnigh int gelaet
dattic niet weet waor myn neus staet.
D. wrijft en blaast in zijn handen, wrijft over zijn neus, schudt.
DH. zoekt zijn neus.

Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt:!
hy borregtse als maôr, keer op keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Ick kyck ‘reis efkens rond en te omme:
daor sienck sowaor myn broeder Stiechel kommen.
D. komt van achter.
DH. uit de zaal.

Stiechel:

Heyda ho hee!
Ick had gedocht ick coom te eersten aen
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.

DH. Gallus staat links, Stiechel rechts van hem, maar niet voorbij de boom.

Gallus:

Stiechel hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender by-naest styf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Siet er eens myn bei handen aan
DH. Gallus laat zijn handen zien.

Stiechel:

Ei hebtgh’ er maor tweu kwansys?
DH. Stiechel pakt ze even beet en op dat ogenblik trekt Gallus de handschoenen van Stiechel uit en doet ze zelf aan.
alle hondert en dusent wat maecktghe me wys!

Stiechel:

Ei waor blyft broeder Witok so lanck?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme,
daor sienk sowaor myn broeder Witok kommen!

D. Witok van achter; DH. Witok komt vanuit de zaal.

Witok:

Heyda ho hee!
ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
en waorlyck synder haorluy noch voor myn!

Stiechel:

Gy komter oock alle hondert en dusentmael te spa.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
‘k de oü schoenen hadde benayt en gelapt.-
D. de andere twee draaien zich een beetje weg om hun lachen te verbergen.
DH. hij wil de zolen laten zien, maar kan zijn voet niet zo hoog krijgen; Stiechel duet het dan omhoog, waardoor Witok bijna valt en door Gallus wordt opgevangen. Dit is een van de vele ‘grappen’ die er in zo’n stuk kunnen voorkomen. Daar kun je in variëren. Als het maar niet te veel wordt en te overdreven.

Trouwen! wen de vorst niet en luwen doet
gaen wylie een coude waeke temoet.
D. de andere twee grijpen naar hun neus.

Gallus:

Stiechel ‘kmogt weten oft u ter oore quam
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
int lant een groote beschryvinck laet houden,
daor van alle man hemslefs loscoopen soude,
op straffe vant verlies al synder have en goets:
Wie can daor wesen vrooen moets?
D. draait zich een beetje weg, krabt op zijn hoofd.

Stiechel:

Ei vrund Gallus wat seghtghe daor?
Is dat gebaesel of ist waor?
Tvolc verwagt dat de qua tyen verkeeren,
en moeten de sorghen noch vermeeren?

Witok:

Och gaet de verwagtinck noyt niet ten endt?
o wee onse jammer en onse ellend!
datter de sorgh noch vermeeren most!
we comen al swaer genog an de kost.
tis ongeluck op ongeluck
daor onder yeder gaet gebuckt.

Gallus:

D. Gallus klopt Witok op de schouder.
DH. hij doet beledigd.

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ick worde geplaeght by nagt en by dagh.
Voor en naor bennic met de schaepen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.

Stiechel vooral, en Witok maken een gebaar van ‘wat duurt dat lang’.

Gister noch, toen ick was oppet veldt,
neerstlyc myn schaepkens hadde geteldt,
DH. hij doet het uitvoerig voor.

ten synder te mael niet bystern veul,
daorck u cort de oorsaeck van segghen wil.
D. Hij neemt Witok apart.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ouwe wouwelaer!

Gallus:

D. en DH. Het woord wolf was gevreesd. Gallus aarzelt even voor hij het uitspreekt.
Een goê deel heyt de… wollef levend verscheurdt.

D. De herders kijken bij ‘wolf’ elke keer geschrokken om en zakken door de knieën – hurkhouding.
DH. ze springen dan op.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd;
dan synser by ongeval dootgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?

Gallus:

Myn trou, Stiechel, houdt uwen mond,
byt niet de wolf kreck so hart als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
als hadtgh’er sellef by gestaen! –
D. ze krijgen handtastelijk ruzie. DH idem.
 
Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
In D. heeft hij een grote knapzak aan zijn arm, zwaait ermee en gaat zitten en begint hem uit te pakken. De twee andere herders gaan ieder aan een kant naast hem zitten en kijken geïnteresseerd toe.
Witok laat bezwerend tussen G en S in, langzaam zijn stok dalen waarin bovenaan een zakje hangt. G en St houden verbaasd op en kijken nieuwsgierig mee.

Die laetenm’ ons te nagt wel smaecken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?

Witok:

Drie sulcke hompen, louter vet!

D.Witok verdeelt. DH idem.

(Sy setten haer neder en eten)

DH. Als ze uitgegeten zijn gaat Witok onder het spreken langzaam staan, de anderen volgen zijn voorbeeld.

Lestent wierdtme inder brêe vertelt
twaor van God in eeuwicheyt bestelt
dat tonsent den begeerden messias sou comen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
Alsdan sullen wuylie hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden

Gallus:

D. Gallus gaat staan; Stiechel iets later. Dan komen ze in een driehoek te staan punt naar achter. 

Och waor’ den messias digt byder hant
dan soudenme setten al sorghen aen kant,
van louter iolyt soudenme springhen,
met vrolicheyt gode het gracie singhen.
(sprong)

DH. ook driehoek en
GT (sy staen op haeren herdersstaf geleunt in een driehoeck tegenover malkandren en springhen tegelycker tyt omhoogh ten teeken haerer blydschap)

In D. pakken ze dan samen de knapzak en leggen die opzij.

Stiechel:

Twelcker tyt ende plaetse moetet geschien
datme der armen solaes mogten sien?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
doch van de plaetse staet geschreven,
in Betlehem wort hy geboren
van eener maagde uytvercooren. –

D. Gallus bezinnend. DH. begint luidruchtig te gapen, de anderen even later ook.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
meughenme wel efkens d’ooghen sluyten
end’een cortewyl slaepen hierbuyten.

GT (De herders legghen haer neder en slaepen in.)

Bij het liggen moet je er rekening mee houden dat de engel nog een boog kan maken om de herders heen. Het ‘ommerollen’ moet niet zoveel aandacht krijgen dat de engel ‘weggespeeld’ wordt. DH. De engel komt midden achter uit de coulissen.
D. er staat zoiets als ze staan naast elkaar en vallen met hun hoofd in de richting van de kribbe, richting Jozef en Maria en slapen in. Kleine pauze. Op de achtergrond verschijnt de engel, op een verhoging, zo mogelijk springt hij van een nog hogere stelling op dit podium.

DH. engel staat stil staf in rechterhand.

De enghel comt en singht: (lied 9)

Gloria, gloria, in exelsis
Ick bringh uliën een maere blydt
en allen volcken op aerde wydt.
O Christen maekt
u op en waeckt;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind –
gezwind, gezwind!
Wackere hersluyd, flucx op de been
spoeter nae Betlehem alle met een;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
gins indien stalle het kindeken kleyn,
het kindekeyn, het Jesulyn!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaen,
siet, groote blydschap segh ick u aen

D. Tijdens dit lied draaien de herders zich onrustig om. DH idem.

D. Gallus spreekt in zijn droom.
DH. herders spreken in visioen, droomachtige stem.

Gallus spreeckt in den droom:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende selsaem gedruis
me dunckt, het is niet heelendal pluys,
of isset een gespoock quansuys?

Stiechel spreeckt:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt,
wat schynt gins voor een droomgesigt?

Witok spreeckt:

Een stemme hoor ick hel en klaor
het lykent wel een enghlenschaor.

D. flinke pauze.

De enghel singht: (lied 10)

DH. Vanuit de zaal gezien: hij loopt rechts om Stiechel heen naar links, langs Gallus en dan naar achteren weg.

Van hemelsrycken coom ick neer,
een hemelsbode van also veer;
veul goede maeren bringh ick u,
die segh ick en die singh ick u

D. De engel staat stil op dat podium en blijft nog even staan, dan daalt hij dat podium af en verdwijnt in een mooi boog links naar de achtergrond, terwijl hij de ster nog een keer in de richting van de herders hoog houdt.
Na een kort ogenblik gaat Gallus ‘omslachtig’ staan, slaat zijn kleren af en glijdt een beetje weg.

GT (Gallus ryst en spreeckt tot Witok):

Past erop, so gladt als een spieghel.

Witok:

D. Witok gaat ook staan, langzaam, glijdt ook weg.

Als ’t is: en deuvenkatersgladt;
theyt mot gereghent:
gants vol ysel is myn baerdt!
D. hij slaat de druppels van zijn armen, voelt in zijn gezicht.
Gallus kijkt ernaar en richt zich dan tot de slapende Stiechel.


Gallus:

Stiechel, staet op, de hemel kraekt alree!

Stiechel:

D. Stiechel heel slaperig. DH idem.

Ei laotmaor kraecken, hy is waorlyc oud genog daorveur.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veughelkens tuytren al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaeck.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs de weghen.

Stiechel:

Ei laotmaor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.

Gallus:

Ei ghe mot doch op staen!

D. tijdens deze dialoog zijn Gallus en Witok steeds dichter naar Stiechel toegekomen. Ze stoten hem met hun stok aan en Stiechel staat langzaam en omslachtig op. De anderen kijken gespannen afwachtend naar hem en als hij staat, glijdt hij ook uit en valt pardoes plat op zijn buik. De anderen lachen achter hun hand.
DH. Bij ‘ghe mot toch opstaen’ pakken ze hem onder de armen en trekken hem overeind; ze laten hem los en Stiechel valt op zijn buik. Dan zeg Gallus schijnheilig:

Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.

Stiechel:

D. Hij gaat met moeite staan.

Ei alle hondert en dusent!
Costgh’ oock niet waerschouwen
voor dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten?
DH. Nadruk op ‘voor’

D. Hij klopt zich nog wat af.

GT (tot Gallus):

DH. Het ligt voor de hand de klemtoon hier op gedroomd te leggen.

Ha myn Gallus! wat hebt ghy wel gedroomt,
Wat hebt ghy wel gedroomt?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe?
dat can ick u vry segghen.

GT (Alle drie keeren in eenen driehoeck staende malkaer de rugghe toe en leunen op haeren herdersstaf)

D. De herders staan in een driehoek met het gezicht naar elkaar toe, leunen op hun stok en springen daar omheen. zodat ze nu met hun rug naar elkaar staan.
DH. Idem. Ze wiegen bij het zingen langzaam heen en weer. Te vlug maakt een te wakkere indruk!.

Gallus singht: (lied 11)

Ick docht in eenen stal te gaen,
Sach daer een os end’ esel staen
die uyt een krebken vraten;
beneven haer een joncvrou teer,
een edel grysbaert saten.

Nu is de slaepenstyt voorby!
quam elcke naght dien droom tot my
ksou gheern tot zeuvenen slaepen. –

GT (sy keeren haer weder naer malkaer toe)

D. Ze draaien zich weer met een sprong naar elkaar toe.
DH. Idem.

DH. De situatie was zo:

De herders schuiven op, zodat Witok achter staat.

Stiechel:

D. Nu de nadruk op ‘ghy’ en ‘myn’.
DH. Idem.

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat ghy neffens myn so ornmerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe?
Dat can ick u vry segghen

D. Met de ‘stoksprong’ keren ze elkaar weer de rug toe. DH. idem en wiegen.

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)

Witok singht: (lied 12)

In stille kersnagt opten lant
deur diepe slaep wierck overmant,
myn hert deet overvloeyen
van soete vreucht en honigh goet
en rosen deden bloeyen.

GT (sy keeren haer malkaer weer toe)
Met de ‘stoksprong’. DH. Ze schuiven op.

Gallus spreeckt:

D. De klemtoon op ‘ghy’ en ‘myn’. DH. idem.

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)
D. DH. Met de stoksprong.

Stiechel singht: (lied 13)

Ick droomd’ als dat een enghel quam
en ons nae Betlem met hem nam
in varre joodsche oorden:
een wonderdinck was daer geschiet,
twas wonder watme hoorden.

D. De herders maken een sprong naar elkaar toe, staan rechtop, slaan hun kleren af, pakken hun muts en zingen in een kring achter elkaar aan.

GT (De herders singhen, in eenen kringhe agter malkaer gaende: (lied l4)

Hoewel ook hier wordt aangegeven in een kring te lopen, was er in DH. toch meer sprake van de driehoek, juist om te benadrukken, dat wanneer Crispijn straks meedanst, het vierkant de vorm is. Op elk couplet werd weer van richting veranderd. 

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
die singhen alse niet en slaepen:
heisa ho hee! laet lustigh ons singhen,
welgemeyt int ronde springhen.
David een kloecken herder was,
droegh oock een staf ende herderstasch.
2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
bly singhen wy, God heere ter eere,
wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?
Ddaer isser geen soot euvel diet,
deet te mael David het selver niet?
3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
wierdt hy coninck al syne daghen,
cieraet der joden, schepter in handen,
potentaet vans heeren landen.
Alleman mach op David sien:
synder die herders geen wackre liên?

.

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

 

2254

 

 

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (1)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

De spelersgroep:

Engel met staf, Maria, Jozef, sterrenzanger met de ster ( hij houdt de ster boven het hoofd van Maria. Sterrenzanger loopt steeds één pas voor op de anderen, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard.

DH. Engel, Jozef, Maria, sterrenzanger, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard. De sterrenzanger heeft de ster niet boven Maria, pas na de verkondiging!)

In het boek staat dan, wanneer de kompanij gaat zingen: de sterrenzanger voor het eerst voorop, gevolgd door engel, Maria, Jozef, de 3 waarden, de 4 herders.
Dat veronderstelt dat de kompanij niet zingend binnenkomt.

DH begint met – de spelers zijn nog niet in de zaal, maar staan voor de deur – driemaal hard op de deur te slaan. De muziek begint te spelen en de spelers gaan zingen:

De kompany singht by het binnengaen

Lied 1

Seegnen wilt ons binnengaen,
onsen uytganck, heer, daerneven –
Seegnen wilt ons gaen ende staen
’t daeglycx broot end’ allet leven.
Seeghent ons mit salich sterven
laet u hemel ons beërven.

(Let op: 2x seegnen, de 3e keer seeghent)

Al naar gelang van de grootte van de zaal, is de kompanij vóór het toneel aangekomen. Dornach oppert om in bepaalde gevallen het eerste couplet 2x te zingen om uit te komen.
Het kan zijn dat er geen of nauwelijks ruimte vóór het toneel is, in dit geval gaan de spelers allemaal het toneel op, waarbij ze de volgorde ‘verliezen en zomaar ergens staan’.
Is er wél ruimte, dan staan de spelers nog in volgorde en springt de sterrenzanger het toneel op.
In Dornach draaien de spelers hun gezicht naar de sterrenzanger op het toneel – dus met de rug naar het publiek. Hier begeleidt de engel Jozef en maria het toneel op en deze gaan op hun krukjes zitten.

DH doet dit niet en laat alle spelers het toneel opgaan, nog in de volgorde waarin ze staan, maar op het toneel verliezen ze dus die volgorde. En op de woorden van de sterrenzanger: ‘kreck als de spieringh in de pan’ gaan ze heel dicht bij elkaar staan.
Bij ‘posteert u in den kringhe’ gaan de spelers in een halve boog achter hem staan, verdeeld over het hele toneel van links naar rechts. Maria gaat op het krukje zitten.

Dan is de situatie zo:

image-4

 

Het Sterregesanck:

Goe sanghersluyden myn
versaemelt man aen man
kreck als de spieringh in de pan.

D. Gaan dicht bij elkaar staan; DH idem.
Goe sangersluyden myn posteert u in den kringhe,
Dan: zie situatietek. hierboven.

Wij willen ons de wyle corten mit singhen.
Goe sanghersluyden myn laet u oock dapper horen,
bringhenm’ efter ons complement van te voren.
Groetenme god vader in synen troon

Groeten van vader, zoon en Heilige Geest:
D. telkens 3x t.w. midden, rechts, links; DH vader: 3x recht naar voren; zoon: 3x links, H.G. 3x rechts; alle 3 samen: 1x naar voren, 1x links, 1x rechts.

en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naome
en groetenmens al gedrie te saomen,

In D vindt dit alles vóór het toneel plaats en nu brengt de engel J en M op het toneel, waar deze gaan zitten.

Groetenme Josef en Maria reyn
D. 3x als boven; DH de verschillende spelers maken verschillende groetgebaren.

en groetenme dat clene kindekeyn.
D.3x als boven; DH groetgebaren naar ‘ergens achter J en M.

Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
D. 3x als boven; DH groetgebaren en de bekende dierengeluiden, meestal door de herders

Groetenmens deur son- ende maoneschyn
Dit ‘mens’ betekent: groeten me se: laten we hun = vooral de drievuldigheid, hierbij kan ook de heilige familie worden gerekend, (ook) groeten door de zon enz. te begroeten.
D. 3x als boven; DH groot hemels gebaar

dwelc lighten al over see en over den Rvn.
D. 3x als boven; DH als boven

Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
d’heylighe regen maekt so u als myn algaôre nat.
U = in D het publiek; DH de spelers maken wat afwerende gebaren naar de regen of slaan druppels van hun kleding;

Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
D. 3x in dezelfde richting; DH idem, streng

groetenme de meester diet klaôr can speulen.
D. 3x in dezelfde richting; DH zwaait wat uitbundig naar de pianist

Groetenme onse geestelicke heeren
wyl datme ‘tspul mit haor permissie dorften leeren.
D. 3x hand op de borst; DH groet, ook bij wat nu volgt overeenkomstig de waardigheid

Groetenme de schepenen mitten schout
want yederse in eere houdt.
D. 3x. DH en elders: een van de herders verschuilt zich een beetje achter de anderen, die hem naar voren duwen bij ‘yederse in ere houdt.

En groetenme de gantsche agtbaor gemeent
D. beide handen op de borst
so mit malkanderen hier syn vereent.
D. 3x midden, rechts, links. DH. lopen, m.n. de herders naar voren en groeten her en der.

Groetenme de vroetschap agtbaôre en geêert

daor toe god se heyt verordineert.

Groetenmens deur wortelkens so inder eerde staon
DH: het groeten is wat mat en onverschillig, vandaar:
sonder één wortelken over te slaon.
D.’slimme inval’. Ze  groeten alle worteltjes, 3x. Dansen vrolijk. Muts ophouden.  Het wordt een beetje rommelig vandaar:

Goe sanghersluyden myn laewet anders beginnen,
de star willenme toe gaôn singhen.
D. ‘feestelijk’. DH. een soort verrassingselement, de aandacht wordt getrokken naar de ster van de engel.

Groetenme de star heur stanghe
D. op de ster wijzen, 3x, de zinsbouw is hier anders, vandaar DH. pas groeten na ‘hanghen’
daor onse starre an doet hanghen.

Groetenme de star heur scheer
D laat naar rechts en links de ster van de sterrenzanger zien. DH de schaar is nog niet ‘open’.
daor de starre an reysen doet op ende neer.
DH bij ‘op’ gaat deze uit, tot ieders gespeelde verrassing; ook D: een paar keer op en neer

Groetenm’ oock de houtjens een voor een
die houwen onse starre byeen.-
D. 3x. Opgewekt springend. Ster weer in. DH ieder wil de houtjes van dichtbij begroeten, bij het dichtklappen wordt vaak gesuggereerd dat er een vinger van iemand – meestal een herder (Stiechel) bijna tussen komt.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
datme de star hebben anegesonghen.
D. hij spreekt wat langzamer. DH haalt doek tevoorschijn en wist zich het voorhoofd

Groetenme onsen meester sangher goet
D. wijst hier naar de pianist en naar zijn hoed die op de piano staat. 3x
DH. ziet de sterrenzanger als meesterzanger en deze vraagt dus om begroet te worden, wat niet gebeurt, ieder draait zich een beetje weg.
en groetenme den meester sangher syn hoet.
DH Sterrenzanger neemt hoed van hoofd en houdt die hoog; een van de herders pikt die met zijn stok weg en de hoed wordt daarvan weer gepakt en gaat even van deze naar gene; de sterrenzanger kan hem dan weer pakken en zet hem op.
Groetenme eveleens onse meester weert
naedien hy mit gods hulpe ons heyt geleert.
D. er wordt 3x gegroet, maar naar wie? DH ‘de meester’ wordt hier gezien als de regisseur. In Steiners toespraken is degene die de rollen in zijn bezit heeft, ook degene die de spelers kiest en met hen repeteert.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
hoe datme dit als hebben ânegesonghen
D. buigen en meteen naar de bank. DH. hier kan weer of voor de eerste keer de doek gepakt worden om het voorhoofd te wissen.

In Dornach wordt dit allemaal vóór het toneel gedaan. De spelers gaan dus (aan weerszijden) op de bank zitten en nu gaat de engel het toneel op.

Het boek met de liederen heeft aanwijzingen voor de pianist wanneer na welke woorden, het volgende lied komt. Op de laatste woorden van de sterrenzanger, (onder lied 1) volgt hier lied 2.
Dat werd ook zo uitgevoerd in Den Haag. Er bestaat wel verschil van mening over. Zie het artikel  verkondiging.

Dus D laat de engel nu spreken, DH zingt lied 2.

(niet te veel op de maat ‘stampen‘)

De kompany houdt haeren ommeganck en singht: No.2)

Toen het woort wierdt vervult
so god verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van name Gabrlël
tot Nazaret die Stadt
int land Galileea;
teener maecht, Maria
god hem henen sendt,
Was met Josef ondertroud,
geen man en heeft bekend.

Zie tussen de markering    0-0-0   hoe het hier in Dornach verdergaat

DH zingend dit lied lopen over het toneel om zo uit te komen dat op het laatst ieder vóór het toneel op de banken zijwaarts komt te zitten, De engel gaat achter de coulissen. Maria blijft achter op het toneel, Maria iets naar voren.

(De kompany treckt af, Maria blijft alleen.)

De Engel komt midden uit de coulissen, schuin links achter Maria. Inspirerend, verkondigend. Van ver sprekend, licht, gedragen, niet menselijk.

De Engel Gabriël treet tot de joncfrou en spreeckt:

Maria maakt kleine, innige gebaren

Weest gegroet ghy begenadigde!
God den heer is met u!
ghy syt geseghend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
en eenen soon baeren
en sult synen naem heeten Jesus!
en hy sal over syn volck coninck syn in der eeuwicheyt.

Maria spreeckt

In A-stemming, wat angstig, verwonderend, ingehouden, heeft eigenlijk meditatieve ervaring

Hoe sal dat wesen 
dewyl ick geenen man en bekenne? 

De Engel Gabriël spreeckt:

Siet ick ben den enghel Gabriël Soot u verkondight:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen,
daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wort          Maria neigt het hoofd
sal gods sone genaemt worden.                                
En siet, Elisabet uwe nigte                                                  Kijkt weer iets op
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
en dese maend is haer,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
Want geen dingh en sal by god onmoogelyck syn,

Maria spreeckt:

(Wat angstig, maar vol vertrouwen)

Siet de dienstmaecht des heeren
my geschiede nae u woort.                         E-gebaar voor de borst

De Engel af. De kompany houdt haeren ommeganck.

kerstspel 2

DH: Kompaniy gaat staan en begint zingend te lopen, lied 3. Het toneel op, de engel komt weer tevoorschijn en loopt naar zijn plaats rechts voor, terwijl de spelers a.h.w. Maria opnemen in de rij, de engel loopt voorop. Gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger, die de ster boven Maria’s hoofd houdt.
Omdat de schaar meestal lang is, komt in deze volgorde de ster boven Jozef, of de sterrenzanger moet ruimte laten tussen zichzelf en Maria. Mooier is toch dat Maria (in haar positie!) dichter bij de engel is, Jozef daarachter, dan de sterrenzanger met geschaarde ster die nu prachtig boven Maria blijft in een aaneengesloten kompany.

Maria sluyt haerselven aen. Allen singhen. (No.3)

Als Maria joncfrou reyn
swanger wierdt bevonden
nae het woort der profecy’n
dwelc god deet vermonden,
liet Augustus naerstelyc
tvolc bescryven in syn ryck.
Geen en dorft bestryen.
Daer gonck yeder nae de stadt
alwaer hy oorspronck hadt
moestet willigh lyen .

Ze gaan het toneel op en er weer af. Ze gaan zitten, de engel bleef even staan en gaat het toneel weer op. Ster in rechterhand. Oppassen voor te zalvend spreken.

Het groeten van de engel: 3x (of 1x voor de kinderen) recht vooruit of (af)wisselend links/rechts.

De kompany treckt af. De Engel Gabriël comt weerom.

De Engel spreeckt

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
goên avend saamen gheve u god, een goên avend ende geseghende tyt mooch ons van daerboven syn toegeseyt.
Agtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
D. 3x m r l

oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere;
D. 3x m r l

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden.
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
is niet versintsel van onsliën,
noch oock van heidens uytgedocht,
maer deur de heylige scrift gebrogt:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
twelc grote quaaden van ons nam.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
swyght stil en opent wydt u ooren.
D. rechtervinger hoog (dat betekent dat de engel de ster links vast heeft)
D. 3x m r l

D. de engel gaat naar de kompanij; DH idem, de volgorde ontstaat en er wordt een ommegang gemaakt.

De kompany singht (no.4)

Keyser Augustus teersten liet
beschryven elck in syn gebied,
dies Josef, synd uyt Davids stam,
is opgegaen nae Judeam.

Maria joncfrou toogh mit hem
tot syne stadt, hiet Betlehem
en als sy quamen tsaem daer by
Maria’s soon dien baerde sy.

(allen af buyten Maria en Jozef)

De waarden zijn tijdens de ommegang over het toneel achter de coulissen op hun plaats gaan staan.

0-0-0

 

Na lied nr. 3 gaat de kompany af, alleen Maria blijft achter.
Tijdens de ommegang heeft de engel op de achtergrond het toneel verlaten. Maria blijft bij de boom staan. De anderen gaan van het toneel en gaan op de banken zitten. De sterrenzanger achter Jozef, met de ster ingeklapt.
Maria met de handen voor de borst gekruist.

De engel komt van achteruit en gaat voor Maria staan en spreekt:
Zie tekst hierboven.
Na ‘geen man en bekenne’, neemt Maria deze houding aan:

Bij: zie de dienstmaecht:

Nu zingt de kompany: ‘Als Maria joncfrou reyn’.
Na een paar overgangsakkoorden begint lied nr. 4:
Er is een ommegang over het toneel waar Jozef en Maria achterblijven; de andere spelers gaan naar de banken.

0-0-0

.

Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ .
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2251

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (4)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

 

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 33

Dornach, 30. Dezember 1917 anläßlich der Aufführung von alten deutschen Weihnachtspielen vor in der Schweiz internierten deutschen Kriegsgefangenen

Im Namen aller Freunde unserer anthroposophischen Bewegung und namentlich derjenigen, die hier an diesem Bau vereinigt sind, habe ich Sie mit tiefster Befriedigung heute auf das allerherzlichste zu begrüßen. Sie werden an die aufrichtige Herzlichkeit dieses unseres Grußes glauben. Sind ja doch die Empfindungen, die wir Ihnen entgegenbringen,

Dornach, 30 december 1917 naar aanleiding van de opvoering van oude Duitse kerstspelen voor in Zwitserland geïnterneerde Duitse krijgsgevangenen

Uit naam van alle vrienden van onze antroposofische beweging en met name van degenen die hier samen aan de bouw[het Goetheanum] werken, wil ik u vandaag met een diep tevreden gevoel allerhartelijkst begroeten. U moet de oprechte hartelijkheid van deze groet ter harte nemen. De gevoelens die wij u tegemoet dragen,

blz.34

durchtränkt von all dem, was wir miterleben als Folgen jener schmerzlichen Ereignisse der Gegenwart, die so tief eingreifen nicht nur in das allgemeine Weltenschicksal, sondern auch in das Schicksal jedes einzelnen Menschen, insbesondere derjenigen, deren Besuch uns heute hier zugedacht ist.
Das, was wir Ihnen bieten möchten, sind Weihnachtspiele. Anspruchslos sollen diese Darbietungen genommen werden; das bitten wir Sie zu bedenken. Denn sie sollen der Versuch sein, alte Erinnerungen der europäischen Kultur aufzufrischen. Und vielleicht kann ich am leichtesten sagen, wie es sich mit diesen Spielen verhält, wenn ich mir erlaube, darauf aufmerksam zu machen, wie ich selbst zunächst mit diesen Spielen bekanntgeworden bin.
Das, was diese Spiele darbieten sollen, steht zunächst in einem loseren Zusammenhang mit unserer anthroposophischen Bewegung, aber dies ist nur scheinbar. 

zijn vol van alles wat wij beleven als gevolg van die zo smartelijke gebeurtenissen in deze tijd die zo ingrijpend zijn, niet alleen in het algemene wereldlot, maar ook in het lot van ieder mens, in het bijzonder van degenen die ons vandaag hier met een bezoek vereren. Wat wij u hier zouden willen schenken, zijn kerstspelen. U moet onze opvoeringen als bescheiden zien; wij vragen u dat te bedenken. Want ze willen een poging zijn oude herinneringen van de Europese cultuur op te frissen. En misschien kan ik het gemakkelijkst zeggen wat er met deze spelen is, wanneer ik de vrijheid neem om te vertellen hoe ik zelf deze spelen heb leren kennen.
Wat deze spelen willen tonen, staat in eerste instantie wat losser van onze antroposofische beweging, maar dat lijkt maar zo.

Nur derjenige, welcher diese anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft verkennt, kann des Glaubens sein, daß solche Aufgaben, wie die mit diesen Weihnachtspielen verbundenen, nicht in ihrer Richtung liegen. Muß doch in ihrer Richtung das Interesse für alles dasjenige liegen, was das geistige Leben und die Entwickelung der Menschheit betrifft.
Ich selbst wurde bekannt vor Jahrzehnten mit diesen Spielen, und zwar gerade mit den Spielen, von denen heute hier eine Probe entwickelt werden soll, durch meinen alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer. Karl Julius Schröer entdeckte gerade diese Spiele, die alt sind, die irgendwo, da oder dort, in früheren Zeiten aufgeführt worden sind und die jetzt wiederum erneuert werden. Man kann viele solche Spiele allenthalben sehen. Allein gerade die beiden Spiele, um die es sich heute hier handeln wird, und einige andere unterscheiden sich doch von anderen Weihnachtspielen in ganz beträchtlicher Art. Karl Julius Schröer fand sie in den vierziger und fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts auf der Insel Oberufer. Das ist eine Vorinsel der Insel Schütt, welche durch die Donau unterhalb Preßburg, da wo Ungarn an Österreich angrenzt, gebildet wird. Da haben sich seit dem 16. oder mindestens seit dem Beginne des 17. Jahrhunderts unter den deutschen Bauern, den sogenannten Haidbauern, diese Weihnachtspiele erhalten, 

Alleen degene die deze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap ontkent, kan van mening zijn dat opgaven zoals die met deze kerstspelen verbonden zijn, voor hem of haar niets zijn. Want je moet wel geïnteresseerd zijn in alles wat het geestelijke leven en de ontwikkeling van de mensheid betreft.
Ik zelf leerde deze spelen tientallen jaren geleden kennen en wel deze spelen die we hier willen proberen te ontwikkelen, door mijn oude vriend en leraar, Karl Julius Schröer.
Hij ontdekte juist deze spelen die oud zijn, die ergens daar en daar, vroeger, opgevoerd zijn en die nu weer vernieuwd worden. Je kan dergelijke spelen overal zien. Maar met name de twee spelen waarom het hier gaat en nog een paar, zijn toch in een heel belangrijke mate anders dan andere kerstspelen. Karl Julius Schröer vond ze in de  jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw op het eilandje Oberufer. Dat is een vooreilandje van het eiland Schütt dat door de Donau onder Pressburg, daar waar Hongarije aan Oostenrijk grenst, werd gevormd. Daar zijn sinds de 16e eeuw of tenminste sinds het begin van de 17e deze kerstspelen onder de Duitse boeren, de zgn. haidboeren, bewaard gebleven,

blz. 35

alle in persönlicher Überlieferung. Von Generation zu Generation sind sie gegangen. Der Haidbauer, von dem sie Karl Julius Schröer übernommen hat, hatte eigentlich nur noch die einzelnen Rollen abgeschrieben. Ein ganzes Manuskript von diesen Dingen fand sich kaum. Sie sind jedes Jahr, wenn man das konnte, wenn unter den Bauern Oberungarns die Leute dazu da waren, bei diesen Oberuferer Bauern aufgeführt worden.
Werfen wir zunächst einen flüchtigen Blick auf die Art, wie das zuging. Ich möchte das in der folgenden Weise schildern. Wenn die herbstlichen Arbeiten, die Erntearbeiten verrichtet waren, dann sammelte einer der angesehensten Bauern des Ortes, der von seinen Vorfahren diese Spiele ererbt hatte und das Recht ererbt hatte, sie aufzuführen, sich eine Reihe von Burschen zusammen und übte mit denen durch die Monate Oktober, November bis Dezember, bis in den Advent hinein die Aufführungen ein. Die Gesinnung, welche mit der Aufführung dieser Spiele verbunden war, ist eigentlich dasjenige, was das Ergreifendste an der Sache ist. Es war wirklich, indem man an die Aufführung dieser die biblischen Geheimnisse enthüllenden Schauspiele ging, das ganze mit einem tiefen moralischen Bewußtsein verbunden.

doordat ze persoonlijk werden overgedragen. Ze zijn meegegaan van generatie op generatie. De haidboer van wie Karl Julius Schröer ze meekreeg, had alleen nog wat losse rollen overgeschreven. Er was nauwelijks meer een volledig manuscript te vinden. Ze zijn elk jaar wanneer het kon, wanneer onder de boeren van ‘Opper-Hongarije’ (Oberungarns) mensen dat wilden, bij deze boeren uit Oberufer opgevoerd. Laten we eens in grote lijnen kijken naar de manier waarop dat toeging. Dat zou ik zo willen schetsen. Wanneer het werk in de herfst, het oogstwerk, achter de rug was, dan riep een van de boeren van het dorp die heel veel aanzien had en die van zijn voorouders deze spelen geërfd had en ook het recht ze op te voeren, een groep jongens bij elkaar en oefende gedurende de maanden oktober, november tot december, tot in de advent de toneelstukken in. De stemming die met het opvoeren van deze spelen was verbonden, is eigenlijk heel aangrijpend. Als men aan de opvoering van deze toneelstukken, die bijbelse geheimen onthullen, begon, was alles met een diep moreel bewustzijn verbonden.

Das geht schon aus den Bedingungen hervor, die man denen auferlegt, welche mitspielen wollten. Der Bauer, der damals, in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, diese Spiele in Verwaltung hatte, teilte diese Bedingungen in folgender Art Karl Julius Schröer mit. Er sagte: Diejenigen Burschen, die aufführen durften, die also irgend etwas in diesen Spielen darstellen sollten, mußten für die ganze Zeit der Übungen bis zum Fest folgende Bedingungen erfüllen: erstens durften sie in dieser Zeit zu keinem Dirndl gehen; zweitens durften sie keine Schelmenlieder singen und drittens mußten sie ein ehrsames Leben führen die ganzen Wochen hindurch, was für manchen eine sehr schwierige Tatsache offenbar war; viertens mußten sie in allen Dingen, die sich auf die Vorbereitungen der Spiele bezogen, rückhaltlos dem Meister folgen, der sie mit ihnen einstudierte. Das war eben irgendeiner der angesehensten Bauern.
Diese Spiele wurden aufgeführt vor Katholiken und vor Protestanten durcheinander, und auch die Aufführenden selber waren das. Die 

Dat zie je al aan de voorwaarden die golden voor degenen die wilden meespelen. De boer die toen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, deze spelen onder zijn beheer had, deelde deze voorwaarden op de volgende manier aan Karl Julius Schröer mee. Hij zei: de jongens die aan de opvoering mochten meedoen, die dus een rol in deze spelen hadden, moesten de hele oefentijd tot aan het feest aan de volgende voorwaarden voldoen: ten eerste mochten ze in deze tijd naar geen enkel meisje gaan; ten tweede mochten ze geen schunnige liedjes [2] zingen en ten derde moesten ze al die weken een eerzaam leven leiden wat voor velen best een moeilijke opdracht was; ten vierde moesten ze bij alles wat met de voorbereidingen van de spelen te maken had, zonder meer doen wat de meester zei die het met hen instudeerde. Dat was dus een van de meest vooraanstaande boeren.
Deze spelen werden opgevoerd voor katholieken en protestanten door elkaar en ook de spelers waren dat. De spelen

blz. 36

Spiele hatten zwar einen religiösen, doch nicht den geringsten Konfessionscharakter. Und feindliche Gesinnung von irgendeiner Seite gegenüber dem, was in diesen Spielen dargeboten werden sollte, war eigentlich nur von seiten der «Intelligenz» in Oberufer. Dazumal schon war die Intelligenz abgeneigt solchen volkstümlichen Weihnachtspielen, solchen von jener Gesinnung getragenen Aufführungen. Nur, zum guten Glück, bestand die Intelligenz dazumal aus einem einzigen Schulmeister, der zugleich Bürgermeister und Notar war. Eine einzige Persönlichkeit, aber sie war spinnefeind den Spielen. Und die Bauern mußten sie gegen diese Obrigkeit des Ortes durchführen. Teilnehmen durften an den Aufführungen als Mitspielende nur Burschen. Von dieser Gepflogenheit müssen wir aus leicht begreiflichen Gründen absehen; wie überhaupt manche Finessen, die mit jenen Aufführungen verbunden waren, wir natürlich nicht nachmachen können, obwohl wir uns bemühen, durch unsere eigenen Aufführungen eine Vorstellung von dem hervorzurufen, was dazumal durch die Bauern geboten werden konnte.
Die Burschen hatten auch die Frauenrollen darzustellen. Eva, Maria und so weiter wurden durchaus von Burschen dargestellt. 

hadden weliswaar een religieus karakter, maar in het geheel geen godsdienstige inslag. En een vijandige stemming uit een of andere hoek naar wat in deze spelen getoond werd, kwam eigenlijk alleen van de kant van de ‘intellentsia’in Oberufer. Toen al moest de intelligentsia niet veel van deze volkse kerstspelen hebben, van deze opvoeringen die door deze stemming werden gedragen. Maar, gelukkig bestond de intelligentsia toen maar uit een enkel persoon, de schoolmeester, die tegelijkertijd burgemeester en notaris was. Slechts één persoon, maar die had dan ook een bloedhekel aan de spelen. En de boeren moesten tegen deze plaatselijke overheid in, volhouden. Aan de opvoeringen mochten alleen jongens meedoen.[3] Van deze gewoonte moeten wij om begrijpelijke redenen afzien; zoals van meer bijzonderheden die met de opvoeringen samenhingen; die kunnen we natuurlijk niet overnemen, hoewel we ons best doen door onze eigen opvoeringen, een voorstelling op te roepen van wat toentertijd door de boeren gegeven kon worden.
De jongens moesten ook de vrouwenrollen spelen. Eva, Maria enz. werden uiteraard door jongens gespeeld.

Nachdem sie wochenlang geübt hatten, setzte sich der ganze Zug der Spieler in Bewegung. Vorne ging einer, der einen sogenannten Kranawittbaum als Paradiesesbaum oder Weihnachtsbaum trug. Das ist ein Wacholderbaum. Dahinter kam dann der Sternträger, der auf einer Stange oder auch auf einer sogenannten «Scher» den Stern trug. Sie werden es nachher sehen: die Schere ist so eingerichtet, daß der Stern durch Aufrollen der Sternschere nah oder fern gemacht werden kann. So bewegte sich der Zug dem Wirtshaus zu, in dem die Aufführung stattfinden sollte. Die Bekleidung derjenigen Personen, die mitspielten, außer dem Teufel und außer dem Engel, wurde erst im Wirtshaus selbst bewerkstelligt. Während sich die Personen ankleideten, lief im ganzen Ort der Teufel, den Sie auch kennenlernen werden, herum, machte überall Unfug mit einem Kuhhorn, machte aufmerksam, sprach auf die Leute ein, kurz, er bewirkte, daß möglichst viele Leute im Wirtshaus erschienen, wo dann die Aufführung stattfinden sollte. Die Aufführung selbst war dann so, daß die Zuschauer in einer Art von Hufeisenform saßen, und 

Nadat ze wekenlang geoefend hadden, kwam de hele troep spelers in beweging. Voorop liep iemand die een zgn. jeneverbesboompje als paradijsboom of kerstboom droeg. Daarachter liep dan de sterrendrager die op een stang of ook wel op een zgn. ‘schaar’ de ster droeg. U zal het straks zien: de schaar is zo gemaakt dat de ster door openknijpen van de schaar de ster dichtbij of verderaf gehouden kan worden. Zo zette de troep zich in beweging naar de herberg waarin de opvoering zou plaatsvinden. Het verkleden van de spelers, behalve de duivel en de engel, gebeurde in de herberg. Terwijl de personen zich verkleedden, liep de duivel, die u ook zal leren kennen, door het dorp, maakte overal herrie met een koehoorn, maakte de mensen er attent op, sprak op ze in, kortom, hij probeerde voor elkaar te krijgen dat zoveel mogelijk mensen naar de herberg zouden gaan, waar de opvoering dan zou plaatsvinden. Die ging dan zo, dat de toeschouwers in een soort hoefijzervorm zaten en

blz. 37

daß die Bühne in der Mitte dieses Hufeisens war, was wir natürlich wiederum auch nicht nachmachen können.
Sie werden sehen, daß es im wesentlichen biblische Erinnerungen sind, die aufgeführt wurden. Als erstes – die Aufführungen wurden bewerkstelligt zwischen drei und fünf Uhr – wurde in der Regel aufgeführt das Hirten-Weihnachtspiel, das wir hier als zweites darstellen. Es stellte dar die Verkündung des Christus Jesus durch den Engel, die Geburt des Christus Jesus, also alles dasjenige, was unser zweites Spiel, das Hirtenspiel, darbieten wird. Dann folgte das Paradeis-Spiel, welches darstellt den Sündenfall im Paradies – unser heute aufzuführendes erstes Stück -, dann folgte in der Regel noch ein Fastnacht-Spiel. So wie in der alten griechischen Tragödie dem Schauspiel immer ein Satyrspiel folgte, so hier ein Fastnacht-Spiel, ein komisches Nachspiel. Bemerkenswert ist, daß die Personen, welche heilige Individualitäten darstellten – Maria, Joseph und so weiter, die in den ersten Spielen auftraten – nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften; so sehr verband man einen gewissen religiösen Gefühlsinhalt mit diesen Spielen.

dat het toneel in het midden van het hoefijzer lag, wat wij natuurlijk ook niet zo kunnen doen.
U zal zien dat het hoofdzakelijk bijbelse herinneringen zijn die worden opgevoerd. Als eerste – de opvoeringen werden uitgevoerd tussen drie en vijf uur – werd als regel het herderspel opgevoerd, dat wij als tweede zullen laten zien. Het stelde de verkondiging voor van Christus Jezus door de engel, Zijn geboorte, dus alles wat ons tweede spel, het herderspel, zal laten zien. Dan volgde het paradijsspel dat de zondenval in het paradijs laat zien – dat wij nu als eerste vertonen -, dan volgde in de regel nog een vastenavondspel. Net zoals in de oude Griekse tragedie op het toneelstuk altijd een saterspel volgde, dus hier een vastenavondspel, een komisch naspel. Opvallend is dat de mensen die heilige persoonlijkheden speelden – Maria, Jozef enz. die in het eerste spel zaten – niet met het vastenavondspel mochten meespelen; zo zeer verbond men met de spelen een zekere religieuze gevoelsinhoud.

Einzelne Dinge sind darinnen sehr interessant zu verfolgen. Wenn Sie heute das Hirtenspiel – das zweite aufzuführende – sehen werden, werden Sie drei Wirte erblicken, bei denen der wandernde Joseph, der als alter Mann in allen diesen Spielen dargestellt wird, als alter, gebrechlicher, schwacher Mann Herberge sucht für sich und Maria. Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt. Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprünglich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirz weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist, bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, so daß wir jetzt drei Wirte haben. Aber wie gesagt, das ist beim alten Oberuferer Spiel durchaus schon nicht so zu nehmen wie bei den anderen Weihnachtspielen. Die Weihnachtspiele, Osterspiele, Passionspiele und so weiter führen zurück auf uralte Aufführungen, die alle eigentlich hervorgegangen sind aus den 

Het is interessant om een paar dingen na te lopen. Wanneer u vandaag het herderspel zal zien – het tweede dat wij opvoeren, zal u drie waarden zien, bij wie de rondreizende Jozef die in al deze spelen als oude man verschijnt, een oude, gebrekkige, zwakke man, onderdak zoekt voor zichzelf en Maria. Ze worden door de eerste twee weggestuurd, door de derde in de stal gebracht. Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer nog zo gedaan: oorpronkelijk was er een waard, een waardin en een dienstmaagd. En daarmee was het idee verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, ook de waardin, alleen de dienstmaagd biedt onderdak in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om jonge mensen te vinden om een waardin en een dienstmaagd te spelen, werden toen de rollen aan twee andere waarden gegeven, zodat we nu drie waarden hebben. Maar zoals gezegd, dat moet je bij het spel uit Oberufer niet zo nemen als bij de andere kerstspelen. De kerstspelen, de paasspelen, passiespelen enz. gaan terug op oeroude uitvoeringen die eigenlijk allemaal ontstaan zijn uit

blz. 38

Kirchenfeiern. In den Kirchen hat man ursprünglich anschließend an die Weihnachtsfeier, Osterfeier und so weiter, durch die Geistlichen dargestellt, allerlei Dinge aufgeführt, die sich bezogen auf die Heilige Geschichte. Dann – namentlich dadurch, daß die Zuhörerschar immer vermehrt wurde und daß die Dinge aus der lateinischen Sprache in die Landessprache übertragen worden sind – ist es gekommen, daß die Spiele allmählich von dem Kirchlichen mehr ins Weltliche übersetzt wurden und daß sie außerhalb der Kirche durch Bauern eben dargestellt worden sind. Und so haben wir Ihnen diese Spiele hier vorzuführen. So haben sie sich erhalten in der ursprünglichen Gestalt, die sie wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, hatten. Und zwar haben sie sich aus dem Grunde erhalten, weil sie höchstwahrscheinlich aus alten Zeiten der deutschen Entwickelung in Süddeutschland stammen, namentlich aus der Bodenseegegend. Als die verschiedenen Stämme, die ursprünglich in der Bodenseegegend von Süddeutschland waren, in früheren Jahrhunderten nach Usterreich und nach Ungarn eingewandert sind, haben sie diese Spiele mitgenommen. Diese Spiele waren auch in der Heimat da, aber in der Heimat veränderten sie sich fortwährend. 

kerkelijke feesten. In de kerken hebben oorspronkelijk aansluitend aan de kerstviering, paasviering e.d. de geestelijken allerlei opgevoerd dat betrekking had op de heilige geschiedenis. Daarna – namelijk door het feit dat het aantal kerkgangers steeds groter werd en dat de teksten van het Latijn in de volkstaal vertaald werden – is het zo gegaan dat de spelen geleidelijk door de kerk meer naar het wereldse vertaald werden en dat ze buiten de kerk door boeren opgevoerd werden. En zo moeten we de spelen hier voor u opvoeren. En zo zijn ze in de oorspronkelijke vorm bewaard gebleven, die ze waarschijnlijk in de 16e eeuw al hadden. En wel daarom, omdat ze hoogstwaarschijnlijk uit een ver verleden van de Duitse ontwikkeling in Zuid-Duitsland stammen, met name uit het gebied rond het Bodenmeer. Toen de verschillende volken die oorspronkelijk rond het Bodenmeer in Zuid-Duitsland woonden, in vroegere eeuwen naar Oostenrijk en naar Hongarije zijn ge-emigreerd, hebben ze deze spelen meegenomen. Deze spelen waren er ook in het thuisland, maar daar veranderden ze voortdurend.

Da hatten zahlreiche Leute, Geistliche, Gelehrte, Einfluß auf diese Dinge, und die Dinge wurden verdorben. Unverdorben wurden sie erhalten unter der Pflege derjenigen, die inmitten der slawischen, magyarischen Bevölkerung auf sich angewiesen waren, und die durch die Jahrhunderte die Dinge in der ursprünglichen Gestalt erhalten haben. Deshalb war es für Schröer ein wirklicher Fund, als er in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts unter den Deutschen Oberungarns diese Spiele entdeckte. Sie sind für eine feinere Empfindung durchaus nicht das, was die heute so vielfach aufgeführten Weihnachtspiele sind, die sich in den späteren Jahrhunderten verändert haben, sondern es ist wirklich etwas, was uns in einen Teil der europäischen Vergangenheit früherer Jahrhunderte zurückversetzt. Karl Julius Schröer war besonders geeignet, so etwas zu erhalten. Er war wirklich ein mustergültiger Mann, ein merkwürdiger Mann, und sein Andenken muß mit solchen Dingen mit erhalten bleiben; er war tief durchdrungen von dem Gedanken, wie durch solche und ähnliche Dinge eigentlich der Kitt geschaffen

Daar hadden talloze mensen, geestelijken, geleerden, invloed op de dingen en ze werden negatief beïnvloed. Maar ze bleven onaangetast onder de zorg van degenen die midden in de Slavische, Hongaarse bevolking op zichzelf aangewezen waren en die ze door de eeuwen heen in de oorspronkelijke vorm gelaten hebben. Daarom was het voor Karl Julius Schröer een echte vondst, toen hij in de jaren veertig, vijftig van de 19e eeuw onder de Duitse bevolking van Opper-Hongarije [4] deze spelen ontdekte. Voor wie er een specifieker gevoel voor heeft, zijn ze beslist niet zo als de tegenwoordig dikwijls opgevoerde kerstspelen die in de latere eeuwen veranderden, maar ze zijn werkelijk iets dat ons terugbrengt naar een deel van het Europese verleden in vorige eeuwen. Karl Julius Schröer was er bijzonder de man naar zoiets te bewaren. Hij was echt een voorbeeldig mens, een merkwaardig iemand en de herinnering aan hem moet hiermee bewaard* blijven; hij was diep doordrongen van de gedachte hoe deze en soortgelijke dingen eigenlijk het bindmiddel

*zij herinnering moet bewaard blijven: In de ‘Bijdragen aan Rudolf Steiners GesdamtAusgabe’ nr.47/48, Michaël 1947, werd een artikel over toneelkunst van Karl Julius Schröer opnieuw gepubliceerd om op het veelzijdige werk van de belangrijke goetheanist te wijzen.

blz. 39

worden ist, der dieses Staatengebilde Österreich kulturell zusammengehalten hat auf dem Grund und Boden, der geschaffen worden ist von jenen Kolonisten, die vom Rhein, von Süddeutschland, von Mitteldeutschland her hinüber gewandert sind nach Oberungarn, gewandert sind vom Westen nach Osten; auch nach der Steiermark, nach den südlicheren Gegenden Ungarns gewandert sind als Zipser Sachsen nach Siebenbürgen, gewandert sind als Schwaben nach dem Banat, was, ich möchte sagen, wie in einer tragischen Weise den Grund und Boden abgab, auf dem sich gerade diese Kultur entwickelt hat. Nun, von diesem Kulturgedanken war Schröer ganz durchdrungen, als er die alten Erinnerungen, die in den Weihnachtspielen enthalten sind, aufgefrischt hat. Er hat manches andere auch getan. Und wenn man sich mit ihm in sein Kulturstudium versenkte, das so ohne alle Färbung des Chauvinismus war, das aber tief von der Kulturmission durchdrungen war, die damit verbunden ist,  so erkannte man erst den vollen Wert der Lebensarbeit dieses Mannes, der alles das gesammelt hat, was gerade von der Mitte des 19. Jahrhunderts ab in diesen Gegenden bereits mehr oder weniger durch die sich ausbreitenden Kulturströmungen, die heute diesen Boden beherrschen, zum Verschwinden gebracht worden ist.

is geworden dat de staatsvorm Oostenrijk bij elkaar heeft gehouden op het land dat gecultiveerd werd door kolonisten die over de Rijn, vanuit Zuid-Duitsland, van Midden-Duitsland weggetrokken zijn naar Opper-Hongarije, weggetrokken van het westen naar het oosten; ook naar Stiermarken, naar de zuidelijker gelegen gebieden van Hongarije als Zipser Saksen naar Siebenburgen. weggetrokken als Schwaben naar Banaat [5], wat ik zou willen noemen, een tragische manier van het verlaten van huis en haard, waar nu juist die cultuur zich ontwikkeld had. Schröer was geheel doordrongen van deze cultuurgedachte, toen hij de oude herinneringen die in de kerstpelen bewaard gebleven zijn, opgefrist had. Hij heeft ook veel andere dingen gedaan en wanneer je je met hem verdiepte in zijn studie van deze cultuur die helemaal niet gekleurd werd door chauvinisme, maar die diep overtuigd was van de culturele missie die ermee verbonden is, dan erken je pas de volle waarde van het levenswerk van deze man die alles verzameld heeft wat m.n. vanaf het midden van de 19e eeuw in deze streken al meer of minder door de zich uitbreidende cultuurstromen die tegenwoordig dit land beheersen, begonnen is te verdwijnen.

Die Grammatik, die Wörterbücher der deutschen Dialekte in Ungarn, in den Zipser Gegenden, hat er uns in sorgfältigster Bearbeitung hinterlassen, die Heanzen-, die Gottscheer Mundart, nach der Grammatik behandelt. Es hat eigentlich so sein Lebenswerk, das er der Literaturgeschichte und Goethe gewidmet hat, eine wunderbare Schilderung hinterlassen über alles dasjenige, was zusammenführt mit dem gesamten deutschen Elemente, das in allen Kulturgebieten dieses mitteleuropäischen Staates Österreich als der eigentliche Kulturkitt zugrunde liegt. Und das ist es, was als eine besondere Idee die Forschungen Karl Julius Schröers durchlebt. So daß wir nicht bloß das Produkt philologischer oder linguistischer Gelehrsamkeit vor uns haben, sondern etwas, was gesammelt worden ist mit Herz und Sinn für dasjenige, was als Geist in diesen Sachen lebt. Und deshalb ist es so befriedigend, diese Dinge ein wenig auffrischen zu können.
Unser Freund, Leopold van der Pals, hat versucht, das musikalische

In hoogst zorgvuldige bewerkingen heeft hij ons de grammatica, de woordenboeken van de Duitse dialecten in Hongarije nagelaten, van de streken rond Zips [6], het dialect van Gottscheer, grammaticaal behandeld. Zijn levenswerk dat hij aan de literatuurgeschiedenis en aan Goethe wijdde, is een prachtig beschreven nalatenschap van alles wat samenkomt in het gezamenlijke Duitse element dat aan alle cultuurgebieden van deze Midden-Europese staat Oostenrijk als het eigenlijke culturle bindmiddel ten grondslag ligt. En dat leeft als een bijzonder idee in het onderzoekswerk van Schröer voort. Zodat we niet alleen het product van filologische of linguïstische geleerdheid voor ons hebben, maar iets wat met hart en ziel verzameld is voor de geest die erin leeft. En daarom is het zo bevredigend deze dingen wat te kunnen opfrissen.
Onze vriend Leopold van der Pals [7] heeft geprobeerd het muzikale

blz. 40

Element dieser Dinge etwas aufzufrischen, und mit seiner Musik werden Sie die Darbietungen hier sehen. So daß man sagen kann, dasjenige, was wir Ihnen hier bieten, ist das Produkt von den wirklichen Mysterienspielen, den verschiedenen Weihnachtspielen, wie sie überhaupt über Europa hin verbreitet waren in früheren Jahrhunderten. Aber man sollte sie nicht in der Gestalt haben, wie zum Beispiel in jener Karikierung, in der dann die Welt die sogenannten Oberammergauer Passionsspiele bewundert hat. Da hat man nichts mehr von dem, was eigentlich in jenen alten Zeiten gewollt war.
Allerdings, manches ist nicht wieder aufzufrischen. So zum Beispiel ist nicht aufzufrischen eine besondere Art des Vortrages, die noch ganz nach alter Sitte, auch in den fünfziger Jahren noch, unter den Bauern gepflogen war. Mit Ausnahme der besonders feierlichen Momente, wo Gottvater spricht und dergleichen, wurde alles, was vorgebracht wurde, von den Mitspielenden so vorgebracht, daß der Spielende im Geiste seines Verses sprach. Der Vers hatte vier Hebungen, er trat auf, der Ton bewegte sich bei der vierten Hebung um eine Tonstufe, Tonfolge. 

element ervan te vernieuwen en met zijn muziek zal u de opvoeringen zien. Zodat je kan zeggen: wat we u hier aanbieden is het resultaat van echte mysteriespelen, van verschillende kerstspelen zoals die dan in vroegere eeuwen over Europa verspreid waren. Maar we moeten ze niet in de vorm hebben, zoals bijv. in de karikatuur die de wereld bewonderd heeft in het zgn. Oberammergauer passiespel. Daar zit niets meer in van wat men ermee in oude tijden wilde. Natuurlijk, veel kan niet meer vernieuwd worden. Zo laat zich bijv. niet vernieuwen een bijzondere manier van voordragen die nog helemaal volgens de oude gewoonte, ook in de jaren vijftig nog, onder de boeren bewaard werd. Met uitzondering van het bijzonder plechtige ogenblik waarop godvader spreekt enzo, werd alles wat voorgedragen werd, door de spelers zo gedaan dat hij in de geest van de verzen sprak. Het vers had vier heffingen, hij speelde, de toon ging bij de vierde heffing één toon omhoog.

Eine bestimmte Person, sagen wir: Joseph, den Sie nachher finden werden, der Mann der Maria, hat zum Beispiel die erste Hebung in der Tonhöhe c vorgebracht, dann e, dann f, dann wurde also wiederum zurückgegangen bei der vierten Hebung. Die anderen Personen sprachen so, daß sie mit einem c begannen, und dann dreimal die Tonhöhe e e e hatten, dann wiederum zum c zurückgingen. Mit großer Kunst, aber mit einer einfachen, zurückhaltenden Kunst wurden diese Dinge vorgebracht und man merkte daran wirklich die Weihnachts-, die österliche Stimmung mit Übergängen ins Weltliche, ohne Sentimentalität, ohne alles Gefühlselement. So ist in diesen Dingen dasjenige enthalten, was die Leute als ihr geistiges Leben, wenn sie aus der Kirche in die Welt heraustraten, fühlten und empfanden.
Es sollen noch einige Stellen erläutert werden, welche vielleicht schwerer verständlich sein könnten. Das Ganze ist selbstverständlich in der Mundart vorgebracht worden, und da kommt manches darinnen vor, was nicht gleich verständlich sein könnte. Da ist zum Beispiel im Paradeis-Spiel der Gottvater.
Wenn gesagt wird: Eva ist gemacht aus einer Rieben, Sie müssen

Een bepaald persoon, laten we zeggen: Jozef die u straks zal zien, de man van Maria, heeft bijv. de eerste heffing op de toonhoogte c gezegd, dan op e, dan op f, dan bij de vierde heffing weer terug. De andere personen spraken zo dat zij met een c begonnen en dan drie keer de toonhoogte e, e, e hadden, dan weer terug naar c. Met grote kunst, maar met een eenvoudige, teruggehouden kunst werden deze dingen naar voren gebracht en men merkte daaraan daadwerkekijk die kerst- die paasstemming, met overgangen naar het wereldse, zonder sentimentaliteit, zonder dat alles gevoel was. Zo is er in deze dingen bewaard gebleven wat de mensen als hun geestelijk leven, wanneer ze uit de kerk in de wereld kwamen, voelden en beleefden.
Er moeten nog een paar stukjes uitgelegd worden die wellicht wat moeilijker te begrijpen zijn. Alles is vanzelfsprekend in het dialect gesproken en daar zit natuurlijk veel in wat je niet meteen begrijpt. Neem bijv. in het paradijsspel godvader. Wanneer er gezegd wordt: Eva is uit een rip [in het stuk staat ‘Riebe’] gemaakt, moet u

nicht denken, daß es eine falsche Aussprache hier ist, wenn es heißt, daß Eva erschaffen wird von Gottvater aus einer Rieben des Adam. Der Bauer sagt wirklich nicht Rippe, sondern Riebe. Der Teufel meldet dann im Laufe des Herodes-Spieles einmal, er habe a paar ratzen. Ratzen ist eine Entstellung von Ratten. Dann ist vielleicht auch nicht allgemein bekannt das Wort «Kletzen».
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n, ’s wär ihna tausendmal nützer gwes`n. Nun, Kletzen ist etwas, was in jener Gegend, wo die Spiele aufgeführt wurden, zu Weihnachten immer gegessen worden ist: das sind nämlich gedörrte Pflaumen und Birnen. Das wird gesagt, damit die Leute an etwas anzuknüpfen haben, was sie schon kennen. Dann das Wort frozzeln, welches der Teufel gebraucht. Frozzelei, necken, sich lustig machen. Es gibt in beiden Spielen so einige Ausdrücke, die vielleicht nicht sogleich verständlich sein werden.
So werden Sie sehen, daß von den Wirten namentlich eine Redensart gebraucht wird:
I als a wirt von meiner gsta0lt
Hab in mein haus und logament gwalt.

niet denken dat dit een verkeerde uitspraak is hier, wanneer klinkt dat Eva geschapen wordt door godvader uit een [Rieben] van Adam. De boer zegt inderdaad niet rip [Rippe], maar Riebe. De duivel meldt in de loop van het Herodesspel een keer, dat hij een paar ‘ratzen’ heeft. Ratzen is een verbastering van ratten. Dan is misschien ook het woord ‘Kletzen’ niet algemeen bekend. ‘Hadden Adem en Eva ‘Kletzen’ genomen, het was hen duizendmaal beter bekomen. Wel, Kletzen is iets wat in de streek waar de spelen werden opgevoerd, altijd met kerst wordt gegeten: het zijn namelijhk gedroogde pruimen en peren. [in de Nederlandse vertaling staat er ‘pruimedanten’. En het woord ‘frozzeln’ dat de duivel gebruikt. ‘Frozzelei, pesten, zich vrolijk maken’. Zo zitten er in beide spelen een paar uitdrukkiingen die misschien niet meteen duidelijk zullen zijn.
U zal nog zien dat door de waarden vooral een bepaalde manier van uitdrukken gebruikt wordt: vertaald met: ‘een waard van mijn postuur, komt immer plaats tekort.’

Da könnte man meinen, daß der Wirt denkt, er sei ein Wirt von einer besonderen Statur, Gestalt und hätte in seinem Haus Gewalt. Es bedeutet dies aber Rang. Ich als ein Wirt von meinem Rang, von meinem Gestelltsein. Der so gut gestellt ist, solches Ansehen hat, der hat in seinem Haus Gewalt, nämlich Anziehungskraft für sein Wirtshaus. Also: ein Wirt, der weiß, seinem Haus solchen Ruf zu geben wie ich, der hat die Macht, sein Haus in solches Ansehen zu bringen, daß es viele Leute zu Gästen hat. Das ist mit diesem Ausdruck gemeint. Geschrei bedeutet: Gerücht; das Wort braucht der Bauer für ein Gerücht, das sich verbreitet. Der Engel sagt: Elisabeth stehe in dem Geschrei, daß sie unfruchtbar sei. – Also ist damit gemeint: es gehe das Gerücht, daß sie unfruchtbar sei. Aber der Bauer sagt: Geschrei, er sagt nicht: das Gerücht. Dann werden Sie von einem der Hirten das Wort hören: um und um. Das kommt öfter vor, es ist so üblich.
I hob`s ihm glichen um-und-um.

Je zou kunnen denken dat de waard denkt, dat hij als waard  een bijzondere gestalte heeft, en dat hij in zijn huis de baas is. Maar het betekent status. Ik als waard met mijn status, welgesteld. Die zo welgesteld is, zo’n aanzien heeft, die heeft in huis autoriteit, zodang dat men naar zijn herberg toekomt. Dus een waard die zijn herberg zo’n naam weet te geven als ik, die heeft het vermogen zijn huis zo’n aanzien te geven dat er veel mensen als gast verblijven. Dat is met deze uitdrukking bedoeld. ‘Geschrei’ betekent: gerucht; dat woord gebruikt de boer voor een gerucht dat zich verspreidt. De engel zegt: Elizabeth staat in het ‘Geschrei’, dat ze onvruchtbaar is. Maar de boer zegt: ‘Geschrei’, niet gerucht. Van een herder zal u nog het woord horen: ‘um und um’. Dat komt vaker voor, het is heel gewoon.

blz. 42

Also: ich habe ihm meine Handschuhe geliehen, wie schon öfter. Dann finden Sie unter den Hirtenreden öfters das Wort bekern. Das ist in der Gegend, wo die Spiele gespielt wurden, gebräuchlich für etwas, was sich zugetragen hat; also eine Geschichte, die sich erzeugt, die sich zugetragen hat. Als sie sich sehen, sagen sie: es hat sie gefrört, gefroren; oder der Ausdruck: spiegelkartenhal is. Der Boden ist so glatt wie ein Spiegel. Ein besonders hübsches Wort ist die Art, wie der eine Hirte aufmerksam gemacht wird, daß es schon spät ist, daß die Vögel schon zwitschern – das ist in der Bauernsprache piewen.
Stichl, steh auf, die waldvegala piewa scho! In der zweiten Zeile sagt der Gallus:
Stichl, steh auf, dö fuhrleut kleschn scho auf der stroßn.

Dus: ik heb hem mijn wanten geleend, zoals al eerder. Dan tref je onder de woorden van de herders vaker het woord ‘bekern’ aan. Dat is in de streek waar de spelen gespeeld werden gebruikelijk voor iets wat zich voorgedaan heeft; dus een gebeurtenis, wat heeft plaatsgevonden. Wanneer ze elkaar ontmoeten zeggen ze:
‘gegrört’, gevroren; of de uitdrukking ‘spiegelkartenhal’. De grond is zo glad als een spiegel. Een bijzonder aardig woord is de manier waarop de ene herder gezegd wordt, dat het al laat is, dat de vogeltjes al kwetteren – dat is in de boerentaal ‘pieuwen’.
‘Stiechel, sta op, de veugelkens tuteren al.’ In de tweede strofe zegt Gallus:
‘Stiechel, sta op, de voerlui zwiepen al langs de wegen.’

Kleschen, das ist mit der Peitsche knallen. Die Fuhrleute knallen schon mit der Peitsche auf der Straße.
Das sind so einige Ausführungen, die ich unserer Aufführung noch voranstellen wollte. Im ganzen können die Spiele durchaus für sich selber sprechen. Sie sind der schönste Abglanz von allem, was in früheren Jahrhunderten durch ganz Mitteleuropa ging, in solchen festlichen Spielen ablief. Es gibt zum Beispiel noch die St. Galler IIandschrift, die aus 340 Versen besteht. Es gibt Spiele, die bis ins 11. Jahrhundert zurückgehen. Aber alles dasjenige, was sonst in dieser

‘Kleschen’, dat is met de zweep knallen. De voerlui knallen al met de zweep op straat.
Dat is nog een beetje uitleg dat ik aan de opvoering nog vooraf wilde laten gaan. Over het algemeen kunnen de spelen zeker voor zichzelf spreken. Zij zijn het mooiste beeld van alles wat in vorige eeuwen door heel Midden-Europa ging, wat in zulke feestelijke spelen verliep. Je hebt bijv. nog het St.Galler Handschrift dat uit 340 verzen bestaat. Er zijn spelen die tot op de 11e eeuw teruggaan. Maar alles wat in deze richting bestaat,

Beziehung existiert, glaube ich, kann nicht ganz heranreichen an die Innigkeit, die gerade in den Oberuferer Spielen liegt, die bis in die fünfziger Jahre des 19. Jahrhunderts sich in der Preßburger Gegend erhalten haben.
Man darf schon sagen: Diese Spiele gehören zu jenen Dingen, die sich leider verloren haben, die verschwunden sind und die man so gern, so gern wiederum auffrischen möchte. Denn sie sind wirklich so, als ob man durch sie sich erinnerte an das, was mit dem Werden unseres geistigen Lebens so innig zusammenhängt.
Das ist es, was vor der Aufführung Ihnen zu sagen ich mir gestatten wollte.

komt geloof ik, niet in de buurt van de innigheid die vooral in de spelen uit Oberufer zit, die tot in de jaren vijftig van de 19e eeuw in de omgeving van Pressburg bewaard zijn gebleven. Je mag wel zeggen: deze spelen behoren tot de dingen die helaas verloren zijn gegaan, de verdwenen zijn en die men zo graag, zo graag zou willen vernieuwen. Want ze zijn echt zo alsof men door hen zich weer herinnert van wat met de ontwikkeling van ons geestelijk leven zo innig samenhangt.
Ik wilde graag de vrijheid nemen om dit vóór de opvoeringtegen tegen u te zeggen.

.
[1] GA 274
[2] Hier wordt het woord ‘Schelmenlieder’ gebruikt; ondeugende liedjes, je hebt ook schelmenstreken, schelmenroman; er is ook een schilderij ‘Schelmenlieder
[3] hier (blz. 15 onder) heeft Steiner het over jongens en meisjes
[4] de vertaling van Oberungarn is nu; Opper-Hongarije
[5] Banaat
[6] Zips
[7] Leopold van der Pals

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1675

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.