Tagarchief: kleuterklas

VRIJESCHOOL – Alles vrij laten stromen…..

.
Over jonge kinderen en de in hen werkende opbouwende krachten

 

ALLES VRIJ LATEN STROMEN

‘Laat alles vrij stromen, zonder de dingen geweld aan te doen’ is het sprekende motto van de Tsjechische pedagoog Jan Amos Comenius dat Cornelis Boogerd (1952) zijn boek

‘Het etherlichaam als pedagogisch in­strument’

(2009) meegaf. Onlangs verscheen

‘Visjes horen in het water’

bedoeld als aanvulling op het eerste boek. Een boek met voornamelijk (bewegings)oefeningen, bedoeld voor opvoeders van kleine kinderen.

Stroom sprak met Cornelis Boogerd over de inhoud, het ontstaan en het nut voor opvoeders, van beide boeken. 

Tsjechië en Slowakije
Al vele jaren houdt Boogerd zich bezig met de vrijeschoolpedagogie in Tsje­chië en Slowakije. Hij pendelt heen en weer tussen Nederland en Tsjechië, waar hij zijn gezin heeft en waar zijn werkterrein ligt.

Zijn allereerste kennismaking met de antroposofie was toen een mede­student op de Sociale Academie hem terloops vertelde dat zijn antroposo­fisch georiënteerde vader meende dat 13-14 jarigen baat konden hebben bij boogschieten. Dit frappeerde Boogerd omdat hijzelf op die leeftijd gefasci­neerd was geweest door het boog­schieten. Blijkbaar was er veel wijsheid in die vrijeschoolpedagogie.

In 1992 startte de eerste opleiding voor vrije kleuterleidsters in Tsjechië. Verder zette Boogerd in samenwer­king met vrijeschool Eindhoven in Pardubice een grote zomercursus op voor leraren. Beide functioneren nog steeds. In 1991 initieerde hij eveneens een grote zomercursus in Slowakije, waaruit in 1995 een opleiding voor leraren en kleuterleidsters ontstond. In 2005 kon die overgedragen worden aan de Slowaakse opleiders. Ook wer­den verschillende partnerschappen tussen Nederlandse en Tsjechische of Slowaakse scholen bemiddeld. Boog­erd werkt in deze activiteiten samen met Stichting Helias. In 1998 verbond Boogerd zich met een nascholing voor kleuterleidsters in Tsjechië, later ook in Slowakije. Cursussen in Nederland volgden. In datzelfde jaar begon hij met de opbouw van moedercentra in Tsjechië, waar moeders van kinderen tot vier jaar elkaar ontmoeten en cur­sussen volgen. Het hoofdthema in al deze cursussen is de vraag:

Welke rol speelt het etherlichaam in de opvoeding van kleine kinderen?

Door langdurig de diepte in te gaan met een groep mensen uit verschillende landen wer­den fundamentele vragen onderzocht. Daarbij werden niet alleen inzichten gevonden door het ontwikkelen van nieuwe begrippen, maar werd ook ge­zamenlijk een leerweg naar praktische vaardigheden bewandeld. Tijdens die zoektocht werden bewegingsoefenin­gen ontwikkeld, die een grote hulp ble­ken te zijn bij het toegankelijker maken van de begrippen, en bij het kunnen ervaren van de inhouden. De neerslag van deze bevindingen is gebundeld in beide boeken, die inmiddels ook in het Tsjechisch en het Engels vertaald zijn. Met een Duitse vertaling is een begin gemaakt.

In de opleidingen gaf Boogerd eerst les in menskunde, koorzang en
fenomeno­logie. Onderwerpen als het ware ‘om de pedagogie heen’. Toen hij cursus­sen en seminars ging geven in Tsjechië en Slowakije stelde hij zich voor iets aan te reiken om vervolgens weer weg te gaan. Zijn lot besliste anders. In met name Tsjechië kwamen juist meer vra­gen over de wereld van het kleine kind en speciaal over het etherlichaam. Dat maakte dat hij er na zeven jaar voor koos om zich helemaal met dit thema te verbinden.

Etherlichaam

In beide boeken blijkt dat het etherli­chaam een groot gebied is met veel aspecten, dat speciaal voor het kleine kind tot zeven jaar van bijzondere be­tekenis is. De vier wezensdelen van de mens, zoals die bekend zijn vanuit de antroposofie: het fysieke lichaam, het etherlichaam dat de levensprocessen verzorgt, de menselijke ziel en het Ik worden in de levensloop elk in een ritme van zeven jaar ‘geboren’. In de eerste zeven jaar werkt het kind vooral aan de opbouw van het eigen fysieke lichaam. Etherkrachten zijn daarbij nodig, onder meer voor de ontwikke­ling van de bij de geboorte nog niet volgroeide organen. Omdat die krach­ten bij het kind nog niet zelfstandig zijn is het in hoge mate afhankelijk van de etherische omhulling vanuit zijn om­geving. Het kind ‘steunt’ daarop. De pedagogische hoofdwet van Rudolf Steiner zegt dat het etherlichaam het pedagogische ‘instrument’ is in de op­voeding van kleine kinderen.

Boogerd:
‘Bij het lichaam kunnen we ons wat voorstellen, bij de ziel en het Ik ook nog wel, maar in het etherlichaam ‘slapen’ we. Het is niet tastbaar en tegelijk toch zo dichtbij dat je geneigd bent het over het hoofd te zien en niet te waarderen. Dat wat zo wezenlijk is voor de ontwikkeling van het kleine kind: moederlijke kwaliteiten als zorgzame aandacht, warmte, vreugde aan kleine dingen, ritme en herhaling staan in onze tijd onder druk. Zowel kinderen als op­voeders leven in een cultuur die de verbinding met de intieme, organische etherwereld heeft verloren. De moe­derlijke vaardigheden zijn intuïtief en vaak zo vanzelfsprekend dat ze niet als vaardigheden worden gezien. Moeders en begeleidsters van kleine kinderen zijn zich er vaak niet meer van bewust hoe belangrijk deze vaardigheden zijn voor de opbouw van de constitutie van het kind, zodat het weerbaarder wordt tegen belastende indrukken. Mede daardoor komen kinderen vaker met problemen op de kleuterschool en er is steeds meer inzicht nodig om met hen om te gaan. Dit zijn redenen waarom het van belang is dat er meer bewust­zijn komt van het etherlichaam. Ook door de vaardigheden die bij de ont­wikkeling ervan horen’, aldus Boogerd.

Computer en tv noemt hij voor het kleine kind ‘parasieten’. ‘De natuur­lijke drang om de eigen weg te zoeken in het etherlichaam wordt erdoor ver­lamd. In de huidige cultuur gaat rust verloren, men is minder aanwezig op de plek waar men is. Naarmate deze basis meer verdwijnt uit het onderwijs wordt houvast gezocht in statistie­ken en procedures, bijvoorbeeld om leerlingen en lesmethoden te beoor­delen. Met name leraren worden als het ware ‘uit elkaar getrokken’ door voorschriften en bureaucratische planning, en moeten hun energie verdelen. Er wordt vaak te weinig opgemerkt wat kleine kinderen werkelijk nodig hebben. Functioneren leraren van de benedenbouw meer verbaal en ‘wak­ker’, bij leidsters van jonge kinderen gaat het meer om intuïtief waarnemen en handelen.’

Nabootsing

De omhullende etherkrachten uit zijn omgeving geven het jonge kind hou­vast en oriëntatie in zijn vorming. In deze fase leert het vooral door mid­del van nabootsing .

‘Het is de vraag of de huidige kleuterschool ideaal is’, zegt Boogerd. ‘Goede rolmodellen zijn nodig. In de bestaande kleuterscholen worden vaste programma’s gevolgd die vaak onvoldoende kunnen inspe­len op de behoeftes van het individu­ele kind. Er ontstaan al gauw te vaste patronen die tot verstarring kunnen leiden. Doordat de leidsters bijna uit­­sluitend vrouwen zijn, en veel moeders ook alleen opvoeden, missen kinderen een mannelijk rolmodel. Ook zijn kin­deren in de kleuterscholen meestal omgeven door dingen die er speciaal voor hen zijn. Maar kinderen zoeken juist zinvolle voorbeelden in de wereld. Het zou goed zijn om de kinderen in contact te brengen met mensen die zinvol werk doen, zoals een bakker of een smid. Pogingen in deze richting zijn bijvoorbeeld de kleuterschool van Helle Heckman in Denemarken en de bosschooltjes in Tsjechië en Slowa­kije. Kinderen spelen er in de natuur met mensen om hen heen die aan het werk zijn en hen tot voorbeeld kunnen zijn. Ook de natuur is een belangrijke opvoeder. Kinderen vinden spelender­wijs zelf hun regels en vaardigheden. Ze zijn in een vrije ruimte waar de wil gevormd kan worden, zonder het keurslijf van een vast programma. Hun bezigheden zijn in zichzelf zinvol.’

Visjes horen in het water

Boogerd beschrijft hoe door een vrijekleu­ter- of peuterklas een onzichtbare levende stroom van gewoontes en intieme afstem­mingen gaat waar de kinderen de weg in weten. De leidster is het scheppende en ‘wevende’ middelpunt en heeft met alle kinderen onzichtbare ‘draadjes’. Zij is zich bewust van de groep en geeft richting aan de stroom van activiteiten. Dit proces vraagt van de opvoeder zowel bewuste aanwezigheid als – vanuit een intuïtiever weten – ook deelgenoot kunnen zijn van het ‘slapende’ etherische organisme van de groep. ‘Het ontwikkelen van deze kwa­liteiten, bijvoorbeeld in een opleiding, ge­schiedt op tweeërlei manier. Enerzijds zijn er de begrippen, de boeken die opvoeders of studenten kunnen lezen. Anderzijds is het nodig om de weg terug te vinden van het bewuste begrip naar het slapende etherlichaam, en intuïtieve vaardigheden te ontwikkelen die in de relatie met het kind direct ter beschikking staan.

De in het boek beschreven bewegingsoefe­ningen helpen om je te oriënteren in de in­tuïtieve werkelijkheid van de levensstroom. Door te oefenen en te herhalen ontstaat een handelingsvorm die opgeroepen kan worden en waar mee gewerkt kan worden.’

Boogerd beschrijft in zijn nieuwe boek dat leerproces in een beeld: ‘Het onbewuste etherlichaam kun je zien als een vijver. Je kunt in een opleiding iets daaruit ‘opvis­sen’ om het bewust te leren kennen, zoals een visje aan een hengel dat je van alle kanten kunt bekijken en een naam geven. Maar vaak wordt vergeten dat het visje ook weer terug moet in de vijver, anders gaat het dood! Je had er dan beter af kunnen blij­ven. Vandaar de titel van het boek.

Hoe ziet die terugweg eruit in een opleiding?
Het gaat dan om: handelen, herhalen, invoelen, verwerken, loslaten en vergeten.’ Boogerd wijst erop, dat wanneer je een handeling in­tuïtief beschikbaar wilt maken, je hem eerst moet kunnen vergeten. De bewegingsoefe­ningen kunnen helpen op deze terugweg.

In ‘Visjes horen in het water’ worden vijfen­twintig bewegingsoefeningen beschreven waarmee verschillende aspecten van het etherlichaam kunnen worden ervaren. Al meebewegend in de oefeningen openen zich andere waarnemingsgebieden. Je kunt voorwaarden scheppen waarmee de ‘etherwezens’ zich verbinden. Door een goede voorbereiding op het werk, door voor het slapen de dag bewust na te gaan en mee de nacht in te nemen en ook door meditatie. Door een innerlijke manier van aanwezig en alert zijn, open te staan en niet alleen vanuit het hoofd willen sturen kan ruimte ontstaan voor de etherkrachten. ‘Je kunt hen niets afdwingen’, voegt Boogerd nog toe. ‘Ze hebben een eigen dynamiek. Richtingen als Tai Chi en Zenboeddhisme en natuurlijk de euritmie bewegen in de etherstromen, elk op een eigen manier.

De scholingsweg voor de opvoeder is geen therapie’, benadrukt Boogerd. ‘Maar blok­kades kent iedereen. Door de bewegingsoe­feningen komt de opvoeder op een vrien­delijke manier in aanraking met de eigen eenzijdigheden en kunnen deze misschien worden overwonnen en opgelost. Dan ont­staat de ruimte om actief in de stroom mee te bewegen en kan het etherlichaam dienstbaar worden in de opvoeding. Onderzoek naar het etherlichaam is nog braakliggned terrein. Er is nog veel te ontdekken.

’Boogerd is – gelukkig – nog lang niet klaar met zijn zoektocht.

Mieke Linders, Stroom herfst 2013
.

Het etherlichaam als pedagogisch instrument

Visjes horen in het water

STROOM is een uitgave van

kind en etherlijf: alle artikelen

peuters en kleuters: alle artikelen

.

1504

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – impressie (4)

.

In iedere kleuterklas van de vrijeschool is een ‘blauw en een rood’ huis.

Leuk is het om te zien, dat er in het rode huis vaak zeer rustig gespeeld wordt, bv. poppenziekenhuis, terwijl het in het blauwe huis meestal drukker is. Er ligt binnen vaak een onoverzichtelijke stapel planken en doeken. Geluiden, die uit het blauwe huis komen zijn ook opmerkelijk luider.

Wanneer we de wanden van een kleuterklas bekijken, dan zijn die roze.

Roze noemen we ook wel de kleuterkleur. Het is een warme, omhullende kleur, die de kleuter nog omringt.

De materialen zijn natuurlijke materialen. Ze moeten het kind de mogelijkheid geven door z’n fantasie telkens opnieuw innerlijk actief te worden. In deze materialen leeft nog een natuurgebeuren. Het zijn de warme, nog van leven doortrokken substanties. Het brengt een persoonlijke verbinding tussen kind en materiaal tot stand. De ziel van het kleine kind laat zich daar graag in opnemen, omdat het daardoor een stukje wereld leert kennen.

Het kleine kind, dat een en al zintuig is, moet datgene ontmoeten, aanraken, wat waar is, wat écht is.

Het is voor het kind, wiens zinnen de eerste zeven jaren nog in ontwikkeling zijn, van belang, dat naar die natuurlijke stoffen gezocht wordt en dat die hem worden aangeboden, opdat het later wezenlijk mens kan zijn.

We moeten ze laten beleven hoe bv. de wind door het hoge gras waait; hoe de hommel in een bloem kruipt. Zeg niet tegen zijn oogjes : “Kijk eens, zó haalt de hommel de honing uit de bloem”, maar geniet zelf en het kind geniet onbewust mee. Geniet zelf van de klas als volwassene en het kind geniet mee.

Laat hem rustig in een boom klimmen; hij houdt zich wel vast. De ruwe stam aan z’n knuistjes, die koele bladeren tegen zijn wang – het is allemaal voedsel voor zijn zintuigen.

Zingen met de kinderen en de heerlijke ritmische spelletjes van vroeger: ze groeien er aan; het geeft hun zekerheid, veiligheid en geborgenheid.

In zo’n klas voelt het kind zich – met al z’n andere vriendjes en vriendinnetjes – op zijn gemak} Heerlijk toch.!

Elly, nadere gegevens ontbreken

.

Kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuterklas

.

1079

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklasimpressie (3)

.

DE KLEUTERKLAS

Al kunnen we de laatste tijd*. niet spreken van mooi lenteweer, toch begon het allemaal zo zonnig.
Op 1 februari hebben we in de kleuterklas voor de laatste keer het Drie Koningenspel gespeeld. (Ontroerend was het iedere dag weer te zien hoe ieder kind zijn rol vervulde, of het nu een van de koningen of het osje moest zijn; het was de koning of het was het osje).
Op 2 februari met het feest van Maria Lichtmis hebben we al onze kaarsenstompjes verzameld op een grote tafel in de kring met in het midden een glazen schaal met water en daarin drijfkaarsjes. Toen alles was aangestoken hebben we, terwijl we keken naar al die lichtjes, nog éénmaal de liedjes van advent, kerst en driekoningen gezongen. Daarmee was de kersttijd afgesloten, hoewel ik tijdens het vrije spel ook daarna nog vele koningen heb gezien.

We konden in februari al het prille begin van de lente waarnemen. Tijdens onze wandelingen door het vogelpark zagen we de knoppen aan de bomen; het kleinhoefblad langs de waterkant en groot was de vreugde toen we van de tuinmannen uit een grote hoop pas gesnoeide forsythiatakken mochten rapen. Ieder kind droeg trots een paar takken voor zich uit; onze eerste lenteoptocht. Nu was de lente ook in de klas gekomen. Moeder aarde mocht nu haar wortelkindertjes wakker maken. De kleine popjes die tussen stronken, takjes en schorsjes lagen te slapen, kwamen één voor één tevoorschijn. De kinderen mochten ze in het gras (een lapje flanel) zetten. Weldra werden de eerste sneeuwklokjes, madeliefjes en bloesemtakjes mee naar school gebracht en tussen de wortelkindertjes geplaatst.

Iedere morgen na de spreuk maakten we ons heel klein op de grond – dicht bij de aarde – en waren we zelf ook wortelkindertjes.

We zongen:
‘Tussen de wortels aan de bomen liggen kinderen stil te dromen-Moeder aarde houdt de wacht in de donk’re winternacht.
Ontwaak, ontwaak!
Aan het werk nu lieve kind’ren klein,
want spoedig zal het lente zijn.’

Dan waren we allemaal wakker, we stonden op de aarde en strekten ons uit naar de zon. Maar we moesten aan het werk om voor ons zelf nieuwe kleurige lentekleedjes te maken.
We gingen zitten in kleermakerszit en knip, knip, knip, daar gingen de schaartjes(handjes) al
‘knippe knip, stikke-stik, prikke-prik,
zo naai ik, zo naaien wij, vrolijk en blij.

Zo naaide elk kind zijn kleedje en maakte zich klaar voor de lente, die toch niet zo gauw wilde komen als het eerst leek. Het werd een strijd tussen Koning Winter en Prinses Lente en daarom wisselen de liedjes over lenteklokjes en sneeuwvlokjes, regen en wind, en lammetjes en kuikentjes elkaar af in de kleuterklas.

Half maart begonnen we met de voorbereiding van het palmpaasfeest, maar het feest was daar, zodra we de stokken met groen gingen versieren. Iedere dag kwam er wat bij, eerst de gekleurde slingers. De dagen daarna werden er met veel inspanning kettingen geregen van rozijnen en abrikoosjes, er werden muizentrapjes gemaakt en eieren geplakt en gekleurd en kuikentjes gemaakt van gele wol.

De klas werd steeds mooier.

Woensdag voor het grote feest mochten de kinderen zelf haantjes kneden: één grote voor op de stok en één kleine voor in de hand om zo op te eten. Wat een drukte en een plezier en wat hebben ze hun best gedaan. Gelukkig werd het harde werken afgewisseld met liedjes, spelletjes en verhalen over palmpasen en de paashaas.

Toen we op een dag aan het zingen waren van

Palm, palm,pasen,
Hei koer ei,
Over enen zondag,
Krijgen wij een ei.
Eén ei is geen ei Twee ei is een half ei.
Drie ei is een paasei,

vroeg Angelique één van de groten (4- of 5-jarigen zullen niet gauw naar de betekenis van iets vragen):

” Waarom is drie ei pas een paasei?” Waarop Jurriaan (de oudste jongen in de klas) antwoordt: ” Nou met Pasen heb je een gekookt ei, een gebakken ei en een gewoon ei en dat is pas een paasei.”

Vrijdag 1 april was het dan zover. De kinderen zaten trots rond de paastafel en mochten nu de laatste en mooiste versiering op hun stok aanbrengen: de haan en de eieren. De kinderen waren uitgelaten, het was ook een prachtig gezicht.

Vóór de ouders zouden komen om met ons mee te lopen in de optocht, was er nog tijd voor een mooi paasverhaal. Na het verhaal was het dan echt tijd om de jassen aan te trekken, de ouders stonden al te wachten, een beetje sip in de regen. Het was ook wel erg jammer dat het regende,want de zon maakt zo’n optocht extra feestelijk. Maar ondanks dat het nog veel harder is gaan regenen, heeft het de pret van de kinderen niet kunnen drukken en daar gaat het om. Ze hebben naar hartelust gezongen en eenmaal terug in de klas waren we in een wip weer warm van de hazespelletjes en anders wel van het eieren zoeken; de paashaas was zo verstandig geweest om ze maar binnen te verstoppen, want ze waren van chocola.
Weer aan de paastafel (na de limonade en paaskrans) eindigde ons palmpaasfeest, maar niet vóór we de paashaas voor dit alles bedankt hadden met een lied.

 

M. van Veen, *tijdstip en nadere gegevens onbekend

.

Kleuter(klas): alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

1036

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

 

ADVENT EN KERSTMIS 

 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

 

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

906

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – nabootsing

 

De nabootsing bij het kind

Dat kinderen alles nadoen wat er om hen heen gebeurt, is bekend. Iedereen heeft wel eens meegemaakt hoe kleine kinderen naast volwassenen gaan staan en hun gebaren nadoen; zij bewegen hun benen, hun handen en schrapen hun keel heel precies zo.
Wie dan ook de gelegenheid heeft, gade te slaan wat jonge kinderen spontaan spelen, zal kunnen constateren dat het zgn. arbeidsspel daarbij een grote plaats inneemt. En geen wonder, want wat is beter in staat het
kinderideaal: volwassen te zijn, te verwezenlijken dan juist de mensenarbeid?
De dartele fantasie waarmee de meest onwaarschijnlijke dingen tot zeer bruikbare attributen van die mensenarbeid worden omgetoverd, wordt met de grootste ernst gehanteerd!

Een enkel voorbeeld van een “arbeidsspel” spontaan door kinderen gespeeld:

Een kind loopt rond met een bakkersmuts op en een kist met blokken, pittenzakken in zijn. handen. Hij roept: “Lekkere broodjes, taartjes te koop”. Hij straalt als ik met een mand in mijn hand het een en ander kom kopen. Daarna gaat hij met nog meer overtuiging ‘verkopen’.

Het is is waarschijnlijk voor de meeste volwassenen wel duidelijk, dat dit  alles gezond en goed spel is. Maar……het is niet altijd zo. Het kan ook gebeuren, dat men onze kinderen aantreft terwijl ze in soort bezetenheid een auto of een straaljager besturen….. en alleen maar dit. Ze zijn de machine zélf en produceren daarbij geluiden die niets menselijks meer hebben. Hun ogen staan wild en er is geen verband meer tussen hen en de omringende mensenwereld.

Hier ligt een verantwoordelijke taak voor ons volwassenen.

Want al kunnen wij niet veel van de invloed, die dit veroorzaakt, weren, we kunnen wel onze kleuters zoveel mogelijk ertegen beschermen, en ze, liever dan b.v. naar Schiphol, meenemen de natuur in. Waar alles nog organisch verband heeft, waar nog stilte te beluisteren valt, waar bet groeizaam is voor hun ontwikkeling en ze niet aangerand worden door de vele heftige indrukken, die de voortbrengselen der techniek teweegbrengen (natuurlijk is het niet altijd te vermijden dat kinderen blootgesteld zijn aan schadelijke invloeden, maar in dat geval is het goed dat men het zich terdege bewust is en voor tegenwicht kan zorgen).

En ook in het zo-even aangeduide spel kunnen, ja moeten we ingrijpen, om ze tot iets positiefs om te vormen. We kunnen de kinderen van deze bezetenheid verlossen door een menselijk doel aan hun gerace te geven. Niet waar: er kunnen toch mensen in dat vliegtuig zijn, die naar vreemde landen reizen en daar uitstappen en van alles beleven! Of brieven en pakken die bezorgd moeten worden. En die auto kan de auto van de groenteboer zijn, die rondrijdt om groente te verkopen.

En nu komen we vanzelf op de arbeidsspelen die wij bewust met de kinderen doen. Extra opbouwende kracht is het, als kleine kinderen kunnen meemaken (niet: uitgelegd krijgen) hoe een ding ontstaat door verschillende ambachten heen, als zij mogen beleven wat er allemaal aan mensenwerk gedaan moet worden voordat het zijn boterhammetje met jam op zijn bordje heeft, die in de eerste oorsprong altijd geschenken van zon en aarde zijn. Dankbaarheid groeit daar op natuurlijke wijze.
Hier volgt een voorbeeld van een arbeidsspel aangepast aan het jaargetijde en het komende jaarfeest:

Dwergenspel;

Zeg heb je ’t al vernomen
De herfst is weer gekomen
Het herfstvrouwtje tovert in het woud
Alles geel en goud.

Hoor de wilde wind eens waaien
hoor hem woelen door het bos
alle takken twijgen zwaaien
en de bladeren breken los.

Liedjes:

Blaadjes val maar neer (2x)
het is geen zomer meer (2x)
blaadjes maar neer

en:

Alle blaadjes klein en groot
worden geel en worden rood
dansen dan wel duizend keer
dwarrelen op da aarde neer
op de aarde neergevlijd
vormen zij een mooi tapijt
lopen wij nu stil en zacht
op die mooie bonte vacht.

Waaiewind waait in de bomen
Maar wij laten ons niet storen
Houden onze mutsen vast
Aan de punt en aan de kwast
Stevig stappen wij zo voort
Zingen blij zoals het hoort.

Hé kijk eens wat hier staat
Rozebottels, rozebottels
rode kralen ia de haag
nu de bloemen weg zijn
kunnen we met jou heel blij zijn
met je rode ronde buikje
en je grappige groene pruikje

En de dwergen plukken hun mondjes vol
zodat ze in hun huisje straks heerlijke jam kunnen maken

Plukken plukken
zonder te rukken

Zeg kabouters kijkt eens aan
zien jullie ook de paddenstoelen staan
Bruine, witte, gele
en ook rode. op lange stelen
Bolletjes, tolletjes, parasolletjes

Kom we gaan nog even bij de smidkabouter langs
(ijzer: Michael)

De hamer slaat de hamer slaat
Op het aambeeld van vroeg tot laat
Het vuurtje vlamt nu rood en fel
De slagen klinken hard en hel
Hij smeedt ’t ijzer voor het zwaard
Hij maakt !t heet en slaat met vaart
Zijn hamer zwaait hij flink en sterk
O hei,  de smidkabouter is aan het werk.

Ben ik dan niet een flinke smid
die met vlijt zijn kost moet winnen.
Dat gaat altijd altijd voort                       ,
Alle dagen zoals het hoort
Van je rikker, de tikker de rikker de tik (2x)

Nadat de dwergen goed meegeholpen hebben, gaan ze naar huis want het wordt al donker.

We zingen:

Michael, Michael hoort ons aan
en laat ons met uw mede gaan.
Door ’t donkere bos en ’t wijde veld
Michael, Michael sterke held.

We komen bij ons huisje, vegen onze voetjes
deurtje open, deurtje toe
O, wat zijn. de dwergjes moe
Maken we een gezellig vuurtje
dan spelen we eerst een uurtje
voordat we jam gaan maken.

Als de kleuters gaan spelen, zie je vaak zo’n spel terug komen. Kinderen die in hun huisje al ’n potje jam gaan maken, of een kind dat de smidkabouter naspeelt. Op deze manier “roest” een .spel niet vast omdat je telkens het kind nieuwe elementen aanbiedt, wat het in zijn spel kan verwerken.

Een ander kringspel i.p.v. ’t arbeidsspel rond dit jaargetijde is het spel van Sint Joris:

Een kind speelt St. Joris. Een paar kinderen achter elkaar met een laken over zich heen zijn de draak en een koningsdochter die in nood is.

De rest van de kleuters zingt het lied terwijl ze in een kring zitten, zij zijn in het paleis.

Komt heffen wij allen een feestlied aan,
kyrieleison
Van ridder Joris, de heilige man
kyrieleison
De koningsdochter is in nood
kyrieleison-
Het lot veroordeelt haar ter dood
kyrieleison

(hierbij moet de koningsdochter treurig kijken)

Maar daar komt ridder Joris aan
(op een stokpaard, in zijn hand een zwaard)

Hij zingt: “Ach jonkvrouw wat is u misdaan”,

De jonkvrouw zingt: “Geofferd word ik ’t wilde dier
dat komt mij nu verslinden hier”

Sint Joris zingt: “Dan zal ik voor u komen staan
en met Gods hulp de draak verslaan.”

Dan komen de kinderen onder de doek eraan, de draak; en Sint Joris verslaat de draak met zijn zwaard.
Het is een zeer geliefd spel bij de kleuters. Vooral de draak en Sint Joris te mogen zijn.
In het vrije spel zie je het dan ook telkens de kinderen uitspelen.

(nadere gegevens onbekend)
Nabootsing
Nabootsing

 

862

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklasimpressie (2)

het vervolg van Pinksteren in de kleuterklas

Na de pinkstervakantie waren er bijtjes op de tafel gekomen.

“Oh kijk eens, allemaal hommels”. De bijen werden geteld en ze ontdekten ook een vijver met jonge eendjes. 1s Morgens, voordat we naar het speelland gaan, spelen we met el­kaar een ochtendspelletje. Iedere dag weer een beetje anders, aan­sluitend bij het seizoen en de jaarfeesten.

Dit spel spelen ze vanuit da nabootsing. Ik zing en beweeg en de kinderen doen mee.

Ik begin het spelletje in de kring en zing:

Ontwaak, ontwaak,
de roep van de haan
een stralende zon,
langs gouden baan

(iets afwijkende tekst)

daarna het opzegversje:

Kukeleku zo kraait de haan
Zie hem daar parmantig staan
Kippen roept hij tok,tok,tok
Fladder alle van je stok
Want de zon komt daar al op
Kukeleku zo kraait hij luid
Mensen ook je bedden uit.

En dan gaat het spel verder, de vogeltjes zijn uit de eitjes ge­komen, en vader en moeder vogel hebben het zo druk. En als ze even uitrusten, wat zien ze dan beneden in het diepe bos:

Diep in ’t bos in zonnestralen
in het heim’lijk stille dal
Zag ik kleine elfen dwalen
hielden daar hun vrolijk bal

En de blauwe klokkebloemen
Klonken daar met heldre toon
en in hoge lindebomen
zoemden bijtjes wonderschoon

Kwam de wind en blies de wolken
Voor de warme zonneglans
Stil werd nu het bijenvolkje
en voorbij de elfendans

We zagen de vlindertjes in het bos en de bijtjes die van bloem naar bloem vlogen, we gingen met ze mee en zagen dat de bij de honing naar de bijenkorf bracht, en dat ze zomaar niet naar binnen mocht maar eerst driemaal zoemde voordat de wachter het deurtje opendeed. Een paar liedjes die we tijdens dit spelletje nog zongen:

Zoem zoem zoem
bijtje op een bloem,
van de zoete honing snoept het
als ’t genoeg heeft wel dan roept het
zoem zoem zoem
dank je lieve bloem.

(afwijkende tekst)

Vlug, vlug, vlindertje
waar vlieg je heen
ik vlieg naar de zon
en ik groet je meteen

Van zijde-vloei hebben we allemaal twee vlindertjes geplakt. De vlindertjes vlogen donderdag en vrijdag door de hele klas en we zongen er dit liedje bij:

Twee vlindertjes kwamen gevlogen
zij daalden op’t bloemetje neer
de wind had ze meegenomen
nu zijn er geen vlindertjes meer
0 nee ?, 0 nee ?, één ! twee !

(melodie niet gevonden)

Joke Kuyt-Boersema, vrijeschool Emmen?,nadere gegevens ontbreken

peuters en kleuters: alle artikelen

826

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – vingerspelletjes (1-1)

.

VINGERSPELLETJES

Ze zijn van oudsher dè spelletjes om een klein kind zinvolle bewegingen te laten maken bij een tekst. Deze kennen de kinderen in zeer korte tijd uit het hoofd en op deze manier wordt hun woordenschat sterk uitgebreid.

Uit steeds meer onderzoeken blijkt er een wezenlijke samenhang te bestaan tussen de bewegingen die met name door de handen worden gemaakt en de ontwikkeling van bepaalde hersengedeelten.

Rudolf Steiner maakte er in een aantal pedagogische voordrachten al melding van dat handen(arbeid) de hersenen positief vormt.

Daarover meer in het artikel ‘handen en intelligentie’.

Ook in de 1e klas vinden kinderen vingerspelletjes nog leuk om te doen. Natuurlijk niet meer, die ze in de kleuterklas deden: ze zijn nu 1e-klasser!

Voor de peuters en kleuters:

Spinnetje
Een spinnetje, een spinnetje
die zoekt een klein vriendinnetje
het kriebelt hier, het kriebelt daar
ach, had ik mijn klein vriendinnetje maar…

dan de andere hand die rondkriebelt en precies hetzelfde zegt – dan vinden ze elkaar en zeggen:

twee spinnetjes, twee spinnetjes
zijn samen vriendinnetjes
ze kriebelen hier – ze kriebelen daar
en ze zijn altijd bij elkaar

Sijmen Smid

voetenspelletje – met zware stem:

Sijmen Smid hoor mij aan (aai onder rechter voet)
kun jij mij mijn paard beslaan? (aai onder linkervoet)
Wèl, wèl baas, op mijn gemak (met een andere stem)
‘k Ben een goed smid van ’t vak.

Hier zijn ’t ijzer, hamer, spijkers
klop, klop, klop – zie je goed (nu steeds om beurten op de voeten                                                                   kloppen)
hoe Sijmen Smid dat smeden doet?  (bij het laatste woord worden de                                                                         voetjes tegen elkaar gelegd)

Geen vingerspel, maar een bewegingspel met het hele lijf:

Het spel van de 4 winden:

We beginnen:

In een grot hier ver vandaan,
daar wonen de vier winden
ze wonen in een diepe grot,
die niemand weet te vinden

Een kleuter ‘waait’ tussen de kleuters door en zegt:
‘Ik ben de oostenwind
Ik vlieg over velden en huizen’.

Een ander kind:
‘Ik ben de westenwind
ik zwiep de golven op en laat ze stromend briesen’.

Weer een ander kind ‘waait’ en zegt:
‘Ik ben de zuidenwind
die van een briesje houdt’.

Het laatste kind:
‘Ik ben de noordenwind
en blaas zo guur en hard.’

Dan samen:
‘Zo waaien de winden de wereld om
De winden, de 4 grote winden’.
.

bron onbekend
..

vingerspelletjes (1-2)

peuter en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

 

817

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.