VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (2)

.

HERDER, LAAT JE SCHAAPJES GAAN

Jaren geleden probeerde Melly Uyldert de kinderspelen als ‘verborgen schat’ voor de lezers van haar blad ‘De kaarsvlam” uit te leggen.

Over dit spelletje zegt ze:

Het mooiste en diepzinnigste van deze groep van kinderspelen, die de overgang der zielen van de ene bestaanstostand in de andere weergeven, is waarschijnlijk wel: „Herder, laat je schaapjes gaan!”

Tussen twee evenwijdige strepen ligt het veld, waar de schaapjes doorheen moeten trekken. Dat is ook zo bij ‘Schipper mag ik overvaren’ en bij ‘overlopertje’ dat ervan is afgeleid. Achter de ene streep staat een herder met zijn kudde, achter de andere een andere herder, die de eerste uitnodigend toeroept:  Er is ook een middenstreep, zodat er twee velden zijn waar de schapen overheen moeten, de ‘dreef’ of ‘drift’.

De ene herder:

Herder, laat je schaapjes gaan!

Waarop de herder antwoordt: Ik durf niet!

Waarom niet?

Om de boze wolf niet!

De boze wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen,
tussen zon en maan — herder, laat je schaapjes gaan!

De wolf zit inderdaad in een hok aan de zijkant van het veld. Maar als de herder in goed vertrouwen zijn schaapjes naar de overkant jaagt, springt hij te voorschijn en pakt zoveel schaapjes als hij kan, die hij in zijn hol sleept. De anderen bereiken de veiligheid achter de streep en nu begint het spel opnieuw in omgekeerde richting, net zo lang tot alle schaapjes door de wolf gepakt zijn.

Wat betekend dan toch eigenlijk dat: tussen zon en maan?

Om dat te begrijpen, moeten wij ons verplaatsen in de zielstoestand van onze voorouders, voor wie het duister dezelfde beangstigende gedaante had als nu voor onze kinderen, als zij ’s avonds — half slapend, half wakend — alleen in de donkere slaapkamer liggen. Vaak hebben zij dan angst voor een wolf, het zinnebeeld waarin zich ook in de droom allerlei angsten vertonen, in de eerste plaats de driften, die het geweten verontrusten: begerigheid, drift, onwaarachtigheid. De wolf is tegelijk symbool voor de uiterlijke en voor de innerlijke duisternis, en zo vinden wij dit beeld ook in de oude Germaanse mythen terug: de Fenriswolf, de vijand der zielen. In de Germaanse voorstelling worden zon en maan vervolgd door twee wolven uit het geslacht van Finrir: de een jaagt de zon na om deze te verslinden en de ander loopt voor de zon uit en probeert de maan te grijpen. De wolf Fenrir wordt ook wel voorgesteld is de verslinder van zon en maan zelf. De Asen namen hem gevangen en boeiden hem met de toverband Gleipnir en werd daarop tussen twee rotsen (de tangen?) vastgemaakt.
Wanneer de schemering over het land komt aansluipen als een alles verslindend dier, wordt de kinderlijke mens zich van gevaar bewust. Gelukkig als het verdwenen zonlicht spoedig door het maanlicht wordt vervangen, dan zit de duisternis gevangen tussen zon en maan! — (De voorstelling van de duisternis als wolf komt nog voor in de Franse uitdrukking voor de schemering tussen dag en nacht: entre chien et loup.)
De boze wolf loert in de ziel gedurende de overtocht van het bewustzijn van waken naar dromen. Dan zijn de gedachten en gevoelens zonder herder.

De herders zijn Anne en Holda, (de geboorte- en de doodsengel), Oerd en Skoeld, de eerste en de derde norne; de ene roept, de andere laat gaan. Het veld is het aardse leven, waar de zielen bedreigd worden door de boze wolf als het Kwaad. Eenmaal in zijn macht kunnen de zielen na hun dood niet in de hemel komen, maar moeten in het vagevuur blijven. De wolf als personificatie der duistere machten bedreigt de zielen in het niemandsland tussen hemel en aarde op hun weg heen of terug.

Het veld van gevaren is ook hier de stroom van vergetelheid, en men zou kunnen zeggen: de wolf is het vergeten, dat de ziel grijpt wanneer zij zowel bij haar neerdaling in het embryo als bij haar terugkeer uit andere werelden bij het ontwaken elke ochtend, de herinnering aan de hemelse heerlijkheid verliest. Zij zou die willen behouden, maar ze wordt haar afgegrist door de wolf, het dagverstand met zijn grote muil. Dezelfde muil verslindt alles wat de ziel zich op aarde verzameld had, bij haar overgang naar het hiernamaals.

De schapen kunnen de wolken voorstellen. De wolken staan onder Odin, de god van hemel en sterren. Odin is dan de schaapherder. Hij wordt door Fenrir belaagd en is niet veilig voor deze is geboeid. Daarom durft de herder zijn schapen niet te laten gaan vóór de wolf gevangen is. Wanneer de herder daar gerust op is, laat hij zijn schapen gaan. Maar de wolf rukt zich los en werpt zich op zijn vijanden. De dag van de wereldstrijd is aangebroken. De Asen zullen te gronde gaan.

De wolf, als men denkt aan de wolf Fenrir uit de Edda, kan ook gezien worden als de gestalte van Saturnus of Satan, die de mens zwaar op de proef stelt door hem sterk in zijn eigen ik te isoleren, gedrukt door een te zwaar verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer het volle maan is en Saturnus midden tussen Zon en Maan staat, lijkt dit op de situatie als van de twee herders tegenover elkaar met de wolf er midden tussenin. Saturnus maakt dan een vierkant (rechte hoek) zowel op de Zon als op de Maan, en wie bij zo’n constellatie geboren wordt, heeft zijn leven lang zwaar door Satumus te lijden, die voelt zich eenzaam en in zijn ik opgesloten, inderdaad in het hol van de wolf, die ook de dood voorstelt, die tussen de levengevers Zon en Maan niet veel kon uitrichten, (Goethe had een dergelijke geboorte-figuur: Zon op de midhemel, Maan op het diepste punt en Saturnus op de ascendant.) Satumus is echter tegelijk dóór zijn streng gezag ’s mensen geweten en tevens zijn i n w ij d e r, die hem door de beproevingen verder brengt. De mens moet door de onderwereld (het onderbewuste) van zijn eigen ziel gaan, zoals dat in de oudheid bij de mysteriën gebeurde en tegenwoordig bij een goede psycho-analyse, om tot de waarheid en ten slotte de geestelijke wereld der eenheid te geraken. Zo gaat men als het ware bij levenden lijve reeds door zijn vagevuur. Dat is het hol van de wolf.

Zo zien wij in dit spel niet alleen de drie gebieden als de voorgeboortelijke sfeer van Anne, de aardse sfeer en de sfeer hiernamaals van Holda, maar ook als de drie fasen van het ontwikkelingsproces der ziel: de eerste als het onbewuste leven van de naïeve ziel, omgaand met voorstellingen (beelden); de tweede als het bewuste ik-leven, te midden van abstracte gedachten (zoals Satumus de mens geeft) en de daaruit gevlochten problemen; en de derde als de fase dergenen, die Satumus wel ontmoeten, maar niet in zijn macht geraken en tijdig de synthese der tegenstellingen ontdekken, dus de eenheid bereiken, de reïntegratie.

Het ontkomen aan de wolf en zelfs het uiteindelijk overmeesteren van deze macht: duisternis, waan, begeerte, beperkt verstand, eigenwaan, onwaarachtigheid, is hèt grote motief, in het zieleleven van ieder mens, in occulte scholing, weergegeven in spel en sproke en mythe: Edda, Roodkapje, De wolf en de zeven geitjes!

Roodkapje was zeven jaar, toen haar grootmoeder ziek werd. De leeftijd waarop het kind naar school gaat en in de macht van de wolf geraakt. Met het rode kapje van begeerte had het ikje zich afgesloten voor de inspraak der natuur en betrad zelfstandig de dwaalwegen in het woud des levens. Edda betekent tegelijkertijd grootmoeder en oude wijsheid. Zij was verzwakt en werd een gemakkelijke prooi van de wolf, die zich, met grootmoeders muts op, aan het ikje voordeed als de oude wijsheid. En ook haar, Roodkapje, verslond! Maar Vidar verslaat Fenris, de jager doodt de wolf, bevrijdt het ik uit de donkere buik van de waan, en zie: daar komt de oude grootmoeder mede te voorschijn! Want het ik, dat zich bevrijdde van de dwingelandij van het lagere verstand, herkreeg het intuïtief begrip van de wijsheid der voorouders! Ook in de grote ontwikkelingsgang der mensheid komt een punt, waar de wolf verslagen wordt en een betere tijd begint.

Nemen wij een voorlopig afscheid van de drie hoedsters der zielen in het kinderrijmpje:

Daar waren eens drie eendjes in een pontje;
het ene heette Bontje,
het tweede heette Gontje,
en het derde heette Klisklasklepelklontje!
Dat vond eens een klontje, en wou het niet geven aan Bontje;
toen nam Bontje een steen,
en gooide die naar Klisklasklepelklontjes been!
Wel foei, Bontje, zei toen Gontje, neem jij een steen,
en gooi jij die naar Klisklasklepelklontjes been!?

In elk geval: Bontje, Gontje en Klisklasklepelklontje, ze zijn er nog! Met dwang en geweld kan men de voorstellingswereld van een volk veranderen, nieuwe namen gevend aan levende zielebeelden. Al werden haar afbeeldingen in steen tot een lieflijke onbekendheid, al vermomde het bakerrijmpje ze als eendjes en verbasterde men haar namen — het volksgeheugen is trouw: het beeld der drie jonkvrouwen is uit de volksziel nimmer uitgewist — het leeft nog vandaag de dag!

Melly Uyldert in diverse artikelen

 

peuters/kleuters: alle artikelen

 

1164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s