Tagarchief: Sint Joris

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – nabootsing

 

De nabootsing bij het kind

Dat kinderen alles nadoen wat er om hen heen gebeurt, is bekend. Iedereen heeft wel eens meegemaakt hoe kleine kinderen naast volwassenen gaan staan en hun gebaren nadoen; zij bewegen hun benen, hun handen en schrapen hun keel heel precies zo.
Wie dan ook de gelegenheid heeft, gade te slaan wat jonge kinderen spontaan spelen, zal kunnen constateren dat het zgn. arbeidsspel daarbij een grote plaats inneemt. En geen wonder, want wat is beter in staat het
kinderideaal: volwassen te zijn, te verwezenlijken dan juist de mensenarbeid?
De dartele fantasie waarmee de meest onwaarschijnlijke dingen tot zeer bruikbare attributen van die mensenarbeid worden omgetoverd, wordt met de grootste ernst gehanteerd!

Een enkel voorbeeld van een “arbeidsspel” spontaan door kinderen gespeeld:

Een kind loopt rond met een bakkersmuts op en een kist met blokken, pittenzakken in zijn. handen. Hij roept: “Lekkere broodjes, taartjes te koop”. Hij straalt als ik met een mand in mijn hand het een en ander kom kopen. Daarna gaat hij met nog meer overtuiging ‘verkopen’.

Het is is waarschijnlijk voor de meeste volwassenen wel duidelijk, dat dit  alles gezond en goed spel is. Maar……het is niet altijd zo. Het kan ook gebeuren, dat men onze kinderen aantreft terwijl ze in soort bezetenheid een auto of een straaljager besturen….. en alleen maar dit. Ze zijn de machine zélf en produceren daarbij geluiden die niets menselijks meer hebben. Hun ogen staan wild en er is geen verband meer tussen hen en de omringende mensenwereld.

Hier ligt een verantwoordelijke taak voor ons volwassenen.

Want al kunnen wij niet veel van de invloed, die dit veroorzaakt, weren, we kunnen wel onze kleuters zoveel mogelijk ertegen beschermen, en ze, liever dan b.v. naar Schiphol, meenemen de natuur in. Waar alles nog organisch verband heeft, waar nog stilte te beluisteren valt, waar bet groeizaam is voor hun ontwikkeling en ze niet aangerand worden door de vele heftige indrukken, die de voortbrengselen der techniek teweegbrengen (natuurlijk is het niet altijd te vermijden dat kinderen blootgesteld zijn aan schadelijke invloeden, maar in dat geval is het goed dat men het zich terdege bewust is en voor tegenwicht kan zorgen).

En ook in het zo-even aangeduide spel kunnen, ja moeten we ingrijpen, om ze tot iets positiefs om te vormen. We kunnen de kinderen van deze bezetenheid verlossen door een menselijk doel aan hun gerace te geven. Niet waar: er kunnen toch mensen in dat vliegtuig zijn, die naar vreemde landen reizen en daar uitstappen en van alles beleven! Of brieven en pakken die bezorgd moeten worden. En die auto kan de auto van de groenteboer zijn, die rondrijdt om groente te verkopen.

En nu komen we vanzelf op de arbeidsspelen die wij bewust met de kinderen doen. Extra opbouwende kracht is het, als kleine kinderen kunnen meemaken (niet: uitgelegd krijgen) hoe een ding ontstaat door verschillende ambachten heen, als zij mogen beleven wat er allemaal aan mensenwerk gedaan moet worden voordat het zijn boterhammetje met jam op zijn bordje heeft, die in de eerste oorsprong altijd geschenken van zon en aarde zijn. Dankbaarheid groeit daar op natuurlijke wijze.
Hier volgt een voorbeeld van een arbeidsspel aangepast aan het jaargetijde en het komende jaarfeest:

Dwergenspel;

Zeg heb je ’t al vernomen
De herfst is weer gekomen
Het herfstvrouwtje tovert in het woud
Alles geel en goud.

Hoor de wilde wind eens waaien
hoor hem woelen door het bos
alle takken twijgen zwaaien
en de bladeren breken los.

Liedjes:

Blaadjes val maar neer (2x)
het is geen zomer meer (2x)
blaadjes maar neer

en:

Alle blaadjes klein en groot
worden geel en worden rood
dansen dan wel duizend keer
dwarrelen op da aarde neer
op de aarde neergevlijd
vormen zij een mooi tapijt
lopen wij nu stil en zacht
op die mooie bonte vacht.

Waaiewind waait in de bomen
Maar wij laten ons niet storen
Houden onze mutsen vast
Aan de punt en aan de kwast
Stevig stappen wij zo voort
Zingen blij zoals het hoort.

Hé kijk eens wat hier staat
Rozebottels, rozebottels
rode kralen ia de haag
nu de bloemen weg zijn
kunnen we met jou heel blij zijn
met je rode ronde buikje
en je grappige groene pruikje

En de dwergen plukken hun mondjes vol
zodat ze in hun huisje straks heerlijke jam kunnen maken

Plukken plukken
zonder te rukken

Zeg kabouters kijkt eens aan
zien jullie ook de paddenstoelen staan
Bruine, witte, gele
en ook rode. op lange stelen
Bolletjes, tolletjes, parasolletjes

Kom we gaan nog even bij de smidkabouter langs
(ijzer: Michael)

De hamer slaat de hamer slaat
Op het aambeeld van vroeg tot laat
Het vuurtje vlamt nu rood en fel
De slagen klinken hard en hel
Hij smeedt ’t ijzer voor het zwaard
Hij maakt !t heet en slaat met vaart
Zijn hamer zwaait hij flink en sterk
O hei,  de smidkabouter is aan het werk.

Ben ik dan niet een flinke smid
die met vlijt zijn kost moet winnen.
Dat gaat altijd altijd voort                       ,
Alle dagen zoals het hoort
Van je rikker, de tikker de rikker de tik (2x)

Nadat de dwergen goed meegeholpen hebben, gaan ze naar huis want het wordt al donker.

We zingen:

Michael, Michael hoort ons aan
en laat ons met uw mede gaan.
Door ’t donkere bos en ’t wijde veld
Michael, Michael sterke held.

We komen bij ons huisje, vegen onze voetjes
deurtje open, deurtje toe
O, wat zijn. de dwergjes moe
Maken we een gezellig vuurtje
dan spelen we eerst een uurtje
voordat we jam gaan maken.

Als de kleuters gaan spelen, zie je vaak zo’n spel terug komen. Kinderen die in hun huisje al ’n potje jam gaan maken, of een kind dat de smidkabouter naspeelt. Op deze manier “roest” een .spel niet vast omdat je telkens het kind nieuwe elementen aanbiedt, wat het in zijn spel kan verwerken.

Een ander kringspel i.p.v. ’t arbeidsspel rond dit jaargetijde is het spel van Sint Joris:

Een kind speelt St. Joris. Een paar kinderen achter elkaar met een laken over zich heen zijn de draak en een koningsdochter die in nood is.

De rest van de kleuters zingt het lied terwijl ze in een kring zitten, zij zijn in het paleis.

Komt heffen wij allen een feestlied aan,
kyrieleison
Van ridder Joris, de heilige man
kyrieleison
De koningsdochter is in nood
kyrieleison-
Het lot veroordeelt haar ter dood
kyrieleison

(hierbij moet de koningsdochter treurig kijken)

Maar daar komt ridder Joris aan
(op een stokpaard, in zijn hand een zwaard)

Hij zingt: “Ach jonkvrouw wat is u misdaan”,

De jonkvrouw zingt: “Geofferd word ik ’t wilde dier
dat komt mij nu verslinden hier”

Sint Joris zingt: “Dan zal ik voor u komen staan
en met Gods hulp de draak verslaan.”

Dan komen de kinderen onder de doek eraan, de draak; en Sint Joris verslaat de draak met zijn zwaard.
Het is een zeer geliefd spel bij de kleuters. Vooral de draak en Sint Joris te mogen zijn.
In het vrije spel zie je het dan ook telkens de kinderen uitspelen.

(nadere gegevens onbekend)
Nabootsing
Nabootsing

 

862

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.