Tagarchief: Johannes de doper

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (12)

.

VAN HEMELVAART TOT PINKSTEREN

Doe open nu het duivenhuis
De duifjes vliegen er vrolijk uit.
Ze vliegen uit met brede vlucht en zweven in de blauwe lucht.
Maar keren ze weer van ‘t vliegen moe,
dan sluiten we zacht het duivenhuis toe.
Roe-koe-roe-koe , roe-koe-roe-koe .

                                                                                                                                (Pinksterliedje)

Zo vanzelfsprekend als Kerstmis en Pasen een feest zijn, zo ver lijkt het feest van Pinksteren van ons weg te staan. Bij vele mensen wordt het totaal niet meer gevierd, en wordt het woordje Pinksteren alleen een synoniem voor “enkele dagen vakantie”.

Pinksteren en Hemelvaart zijn voor vele mensen ongrijpbaar. Vaag weten ze nog dat het een feest is over verrijzenis en over de opgang naar de hemel van de Jesusfiguur.    Om wat meer te weten te komen over de He­melvaart en over Pinksteren moet je beginnen te zoeken bij het begin: n.l. bij het fysieke leven en dood van de Jezusfiguur.

In het begin van de Handelingen der Apostelen wordt de Hemelvaart van Christus beschreven: Christus spreekt daar tot zijn leerlingen: “Gij kunt nog niet de tijden en beslissende ogenblikken kennen, die de Vader door zijn scheppingsmacht geordend heeft. Maar gij zult de kracht van de H. Geest ontvangen, die op u neerdaalt. En gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot aan de uiterste grenzen der aarde. En terwijl hij dit zeide, werd hij voor hun ogen opgenomen; een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen. En toen zij nog opzagen naar de hemel, terwijl hij heenging, zie, twee mannen in witte kleedren stonden bij hen en zeiden: Gij mannen uit Galilea, waarom staat gij daar en ziet op naar de hemel. Deze Jezus, die van u opgenomen is ten hemel, zal komen zoals gij hem ten hemel hebt zien varen.”

Jezus verdwijnt op een wolk voor de ogen van zijn apostelen. Dan breekt er een moment aan voor hen dat ze zich nog verslagener voelen dan voordien bij zijn dood. Zij voelen zich eenzaam en achtergelaten. Hun bewustzijn reikt niet zo hoog dat ze het wonder als bij toverslag kunnen vatten.

Tien dagen nadien, krijgen ze echter terug een ontmoeting met de Christusfiguur, en daar worden ze gedoopt. Deze keer geen fysieke doop zoals bij onze borelingen, maar een geestelijke doop. Zij krij­gen de ontvangenis van de H. Geest. Vanaf die dag kan het ‘ik’, het bewustzijn van de mensen langzaam gaan groeien. Het wonderlijke in deze gebeurtenis kan men sterk ervaren, wanneer men beseft dat die geestelijke krachten van de H.Geest niet alleen over de apostelen nederdaalde maar over de gehele mensheid, waardoor er een zeer belang­rijke mensheidsontwikkeling tot stand kwam.

Het Evangelie eindigt met de Openbaring van Johannes. Johannes, die een grote helderziende was met een verruimd bewustzijn, schouwt op het eiland Patmos de wedergeboorte van de etherische Christus. De Christus verlaat de aarde met Hemelvaart niet. Maar verbindt zich met het etherische dat in en rond de aarde leeft. Wij kunnen hem als het ware dag en nacht in-ademen. De wolk is een etherisch element bij uitstek. Het stromende water verdampt, stijgt op ten hemel en vormt een wolk. De wolk daalt als dauw en regen terug naar de aarde. De wolk is zichtbaar met onze zintuigen, doch hoe dichter men ze nadert, hoe minder men ze fysiek aanschouwt.

De planten krijgen met hun wortels dit wolkensap en geven het door aan blad en vrucht. Rivieren en stromen zwellen weer door het vallende wolkenwater. Er ontstaat een geven en een nemen, een lemniscaatbeweging, een huwelijksritueel tussen kosmos en onze levende aarde. Daar waar geen water valt, treedt de dood op.

Als we ons met Hemelvaart in de eerste plaats verbinden met dit won­der: n.l. de geboorte van de etherische Christus, dan worden we ver­vuld met dankbaarheid. Al wat op aarde tot leven verwekt wordt, wordt doorstroomd met het Christuselement. In onze natuur gaan alle bomen en bloemen zich in bruiloftskledij sieren. Bloesems springen open en de knoppen ontplooien zich en barsten open tot bloem. Vreemde vogels zingen liederen die we nooit voordien hoorden, en die we elk jaar weer vergeten waren, hoe mooi ze wel waren. De witte duif, een steeds weerkerend symbool. In liederen en gebeden werd er van hem en zijn zeven gaven gesproken.

Wijsheid was de mooiste

Ook bij de ondergang van de aarde, waarbij Noach en zijn uitverkorenen gespaard bleven, werd een witte duif eropuit gestuurd om te kijken of er reeds land in zicht was. De duif kwam weder met laurier en kondigde ‘de wedergeboorte aan. Ook onze vredesduif zou een boodschap moeten zijn voor iedereen die met Kerstmis heeft gezongen: ‘Vrede op aarde, aan alle mensen, die van goede wil zijn.

Het feest is weliswaar te abstract om aan kleine kinderen duidelijk te maken. Doch men kiest dan verhalen met zon grote beeldentaal dat er over die kinderzieltjes toch iets van Pinksteren kan nederdalen:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid. [1]
Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is. Daarmee geeft men dan aan de kinderen het waarheidsbeeld van het toekomstig geestelijke, waarvan het Evangelie spreekt, toen de Geest op de twaalfde en de in hun midden vertoevende dertiende neder­daalde – een waarheidsbeeld voor het inzicht, dat ieder mens op de Johannesfiguur kan lijken en de alomvattende zielenwijsheid van de duif kan verkrijgen, waarvan Maria het levende oerbeeld is.

Overigens, nu als volwassene, moet ik dit zeggen – is het misschien juist belangrijk, dat Pinksteren niet geheel door het kind ‘begrepen’ wordt. Als we zelf willen weten, wat er gebeurd is en dit gebeuren ons eigen maken tot een altijd durende zekerheid, dan beleeft het kind het feest door ons. Door onze houding en onze vervulling krijgt het feest gestalte voor het kind.

In de kleuterschool vieren we natuurlijk wel Pinksteren: nl. de pinksterbruid en -bruidegom :

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen.
Met zijn mooie kransen op het hoofd en met zijn rinkelende bellen.
Recht is recht,
Krom is krom.
Gelieve wat te geven aan de fiere Pinksterblom,
want de fiere Pinksterblom moet voort.

Luilak,- beddezak
staat om 9 uren op
Negen uren, half tien:
dan kan men de luilak zien.

Ons kinderfeest is het bruiloftsfeest, verwekt door onze levende natuur. Elke hereniging tussen geest en aarde leidt tot bevruchting. Elke bevruchting brengt een wedergeboorte tot stand. Elke wedergeboorte is een ontwikkeling, een stap verder naar het (hopelijk)  ‘goede’.

Kleuters van ongeveer zes en een half jaar verlaten hun kleuterwereld en worden dan pas ‘echt geboren. Ze stoten de tandjes van hun erfelijkheid uit en vormen hun eigen blijvende gebit. Ze zijn doorheen kinderziekten gekomen met een eigen identiteit. En voor ’t eerst gaan ze echt ‘denken’. Niet het herinneren, het associëren, maar het echte, abstracte wakkere denken, waardoor ze in staat zijn om leerstof te gaan opnemen.

Deze oude pinksterliederen waren oorspronkelijk vruchtbaarheidsliederen en zij steken vol symboliek:
– rinkelende bellen : daar slaap je niet van, daar word je juist door ‘gewekt’ zoals Doornroosje na haar 100-jarige slaap.
– Luilak, beddezak: ook een verwijzing naar het wakkere denken en naar het ontwaken van ons hoger ‘ik of ons hoger bewustzijn.
– de duifjes: is een vogel die ons een beeld geeft van het opstijgende, hetgeen naar de hemel gericht is.
– Het wit van de duif en het witte van de pinksterkledij: beeld van het maagdelijke, en het reine, ’t onbezoedelde. Wit is de kleur met de grootste verbondenheid met het geestelijke. Vandaar de witte rouwkledij bij sommige Oosterse volkeren.

Bronnen : – Hoe vieren we jaarfeesten met kinderen, van Friedel Lenz
Meer

.

[1] In het oorspronkelijke artikel stond dit niet, wel dit: Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is.
Maar het Russische sprookje is met deze omschrijving niet te vinden. Er bestaat een sprookje met de naam: ‘De tsaar van de zee en Wassilissa de Wijze’, maar daarin komen geen dertien duiven voor (wel twaalf zwanen). Wat het pinkstermotief zou moeten zijn, is onduidelijk

Bron: onbekend

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

161-153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (32)

.
(Martine Leicher, nadere gegevens onbekend)
.

SINT JANSFEEST VIEREN MET KINDEREN

Het Sint-Jansfeest leefde vroeger in de volksgewoonten. Daarvan getuigen de oude verhalen, gedichten en liederen: zie Guido Gezelles voorwoordje bij het Sint- Jansvier’:

“Men maakt hedendaags nog Sint-Jansvier te Kortrijk, te midzomer, op Sint-Jan-Baptistendag: men danst en zingt erbij oude volkslie­deren.” (1894)

Deze feesten zijn verdwenen. Daarom zegt het een kind niet veel, als we over het Sint-Jansfeest spreken, terwijl het bijvoorbeeld met het kerstgebeuren wél diep verbonden is. Hoe innig wordt er niet Jozef en Maria met het Kindje gespeeld in de klas. Het paasfeest is het feest met de paashaas; sommige kinderen tekenen het hele jaar door eitjes in de lucht, in een mandje of tussen het gras.

Kerst en Pasen (ook Sint-Nicolaas, Driekoningen enz.) leven in ons, ook al is het nog maar amper meer. Het kind erft deze verbondenheid over.

Maar hoe is het met het Sint-Jansfeest? Hier valt niets meer te erven. Het is pas als wij als volwassenen ons weer zullen verbinden met het wezen van Sint-Jan, de Doper, dat het kind door het feest zal ‘gegrepen worden.

Eigenlijk leeft een kind zich van nature uit in voorjaarsstemming. Een gezond kind is blij, vrolijk, dartel, beweeglijk in vergelijking met de nuchtere volwassene.
Wat doet de natuur ? De lente wordt zomer, zomerse volheid die zwoel wordt, het eerste onweer breekt los.

De eerste sporen van de herfst worden zichtbaar. Dit is echter niet des kinds: slechts met het wakkere waarnemen wordt de ommekeer in de natuur rond de zomerzonnewende zichtbaar. Alleen, wie met interesse de bomen en struiken gadeslaat, ontdekt de Sint-Jansloten. Zo is het ook voor het begrijpen van de figuur van Sint-Jan de Doper. Slechts wie ernstig probeert de gebeurtenissen op Golgotha rond de tijdswende in zich tot leven te brengen, ontdekt stapvoets iets van het wezen van Sint_Jan.

Eigenlijk is het verborgen. Met veel wilskracht moet men ernaar op zoek gaan.

Door het feest van jongsaf aan met de kinderen te vieren, leggen we al
een kiempje zodat ze later de aankondiger van Christus’ zouden kunnen
herkennen.

Het eerste wat het kind ervaart, is hoe wij over het feest spreken. In onze woorden hoort het onze verbondenheid en in evenredige mate ons enthousiasme voor het feest.

De voorbereidingstijd is even belangrijk als het feest zelf: vreugde­vol wordt ernaar uitgekeken. Een kind dat het feest nog niet meege­maakt heefthoort over het vuur spreken en kan zich dat niet voorstel­len. Dan komt de dag van het feest !

Wat moet het niet beduiden voor een kleuter om s middags een dutje te
moeten doen zodat hij s avonds laat op kan blijven ! Tegen de avond vertrekken met hout voor het vuur en een lekkere picknick. Dan wordt het donker op de weide of in het bos en het grote vuur wordt aangestoken. Voor kleine kinderen is dit soms té overweldigend, zodat ze hun oogjes dichtknijpen en toch even moeten wennen. Het moet zalig zijn om het donker te voelen‘ worden tussen de warme kring van vuur en mens en mens en mens en mens…Warmte en dans en zang verbinden. Dan komt de tijd om tussen vader en moeder over het smeulende vuur heen te springen. Dan stilletjes de wacht houden tot het vuur helemaal uitgaat, terwijl het gezang wat rustiger wordt en de nacht zegent. Helemaal in een deken gerold zachtjes indommelen of wakker blijven tot het gezang wordt overgenomen door de vogels die het eerste zonlicht verwelkomen.

Deze mooie ervaringen kunnen in het sluimerende kinderzieltje
samen­smelten met de naam van Sint-Jan. De eerste kiem tot het begrijpen van de opdracht van Sint-Jan de Doper is dan al in het kind gelegd. Het lang opblijven is daarmee voor één keer wel gerechtvaardigd ! Daarenboven moet het toch onvergetelijk zijn om s nachts naar de sterretjes te mogen kijken in open veld!

Aan kinderen die al wat ouder zijnkunnen we de goed zichtbare planeten en de sterrenbeelden tonen.  De grote zomersterrenbeelden zijn de zwaan, de lier en de arend die zich in de melkweg bevinden, die zachte lichte schijn in de zomerhemel die waar te nemen is met het blote oog. De kroon, de slang en nog vele andere kun je gemakkelijk ontdekken…

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

576-529

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (31)

.
J.v.d.Stok, nadere gegevens onbekend
.

ZOMERFEEST, JOHANNESFEEST

Realiseren we ons, wanneer we het zomerfeest vieren, dat het ook een Johannesfeest is?

Zomerfeest: zolang de zon op en onder gaat en mensen dit kunnen waarnemen, is op het hoogtepunt in de zomer de langste dag gevierd.
Met rituele, ceremoniële handelingen beleefde de mens vanaf de vroegste tijden de keerpunten in het jaar. Midwinterzonnewende – zomerzonnewende – en in het voor-en najaar dag- en nachtevening. Geopend voor de kosmische realiteiten, was de mens in gesprek met leidende goddelijke machten, voelde zich op aarde geleid. Hemel en aarde waren een eenheid, heelheid. Intensief werden de gangen door de seizoenen beleefd, een meeademen met de aardeziel van binnen naar buiten, van winter naar zomer, en van buiten naar binnen, van zomer naar winter.

Nog altijd kunnen wij ieder jaar dit proces mee vervolgen:

Midwinter: de aarde ligt als vaste, fysieke gestalte onder onze voeten. Moeder aarde is een bezield, levend organisme zoals wij mensen. In volle werkzaamheid heeft ze in de zomer de aardeziel totaal uitgeademd, de kosmische realiteiten in zich opgenomen, om vervolgens bij het inademproces de essentie in volle concentratie mee te voeren naar de midwintertijd in het aardelichaam. Om daar totaal ingekeerd, bij zichzelf, een nieuwe lichtgeboorte te voltrekken. Het Christuswezen, meegevoerd in deze adembeweging, impulseert mede vanuit dit ge­boortemoment al het levende en werkzame, tegen de zwaartekracht in, in een nieuwe uitademing naar buiten.

Lente: dan breekt de ijskorst, smelt de sneeuw en in de schijnbaar dode materie wordt het eerste leven zichtbaar.
Water-, sapstromen stuwen omhoog, hiërarchische machten vormen in alle groene kleuren de eerste natuur. De omgeving wordt geschonken, een leven in de etherwereld. Groei. Dan volgt de bloei: bloemen openen zich in alle bonte kleuren voor de bevruchting. Maximaal is de natuur de kosmische zonnewarmte tegemoet gegroeid. Insecten, gedragen op warme luchtstromen, voltrekken vanuit een onbewuste astraliteit de bevruchting.
En dan volgt het vurig opvlammen van het vruchtbeginsel, opdat de heelheid kan ont­staan, de eenheid. Vruchten, zaden worden gevormd, het leven gaat voort.

Zomer: de aardeziel is uitgestroomd, doordringt de macrokosmos, een met de elemen­ten. Hemel en aarde doordringen elkaar. Het macrokosmische Christuswezen omarmt het aardelichaam. Heelheid.

Wij mensen in onze tijd volgen deze gang minder of meer; eerst een raam open, dan een deur naar buiten, voor de eerste zonnestralen, het balkon, de tuin, de vakan­tieplannen, de zomervakantie.
Ook onze ziel ademt uit, we overschrijden grenzen; lichamelijk, we richten ons steeds weer naar buiten, worden zintuigmens, natuur­mens; we verlaten ons huis, overschrijden landsgrenzen, taalgrenzen, gewoonten, en gaan op in de elementen van aarde, water, lucht en vuur. Ieder zoekt, verlangt naar z’n eigen omgeving; bergen, bossen, zee, strand, lucht, wind, zon. We willen die stappen door de seizoenen doen en buiten onszelf komen, zo bewust mogelijk, om deel te worden van de macrokosmos.

Vrije vertaling van de 12e weekspreuk van Rudolf Steiner,
Sint Jansstemming:

De schoonheidsglans der wereld,
dwingt mij om uit zielendiepten
de godskrachten van het persoonlijke leven
vrij te maken voor een wereldvlucht;
Mezelf te verlaten,
slechts in vertrouwen mezelf te zoeken
in wereldlicht en wereldwarmte.

Of samengevat; jezelf verliezen, verlaten, om jezelf te vinden. Wanneer het ons lukt door de seizoenen heen de stappen van opstanding, groei, bloei, bevruchting, te maken, kunnen we opgaan in de elementen, beleven hoe het venster naar de andere wereld openstaat. We kunnen raken aan onze eigen oorspron­kelijkheid, in ons alledaagse menszijn één worden met ons hogere menszijn, dat deel is van het macrokosmische Christuswezen. Héélworden.

Maar de huidige mens is vervreemd van de gang met de natuur. We hebben zelf de leiding van aarde en mensheid in de hand genomen. Scheiding van hemel en aarde trad op, de mens kruisigde zichzelf meer en meer in de materie. We richten de blik niet meer omhoog en leven in het horizontale. Gevolg is, dat dat de gekruisigde mensheid op eigen kracht geen redding meer kan brengen. Daarom incarneerde 2000 jaar geleden een goddelijk wezen op aarde in een fysieke gestalte, om ons vóór te leven hoe we uit de materie weer op kunnen staan, en hoe de weg in een verticale beweging omhoog naar de toekomst gegaan kan worden. Momenten uit dat leven geven de stappen aan op deze weg: de christelijke feesten geven ons naast de gang door de seizoenen, een nieuwe mogelijkheid: met bewustzijn op weg te gaan, om aarde, en mensheid te redden.

Kerstmis:
De fysieke mens Jezus van Nazareth wordt zichtbaar op aarde ge­boren. Een fysieke mensengestalte.

Pasen:
Het Christuswezen overwint de materie, werkt de lichamelijkheid om tot een nieuwe, zichtbare, goddelijke lichamelijkheid.

Hemelvaart:
Het opstandingslichaam, verwijdt zich, breidt zich uit, vult de gehele etherwereld, het gebied van de tussenruimte, het levens­gebied, om daarin werkzaam te worden.

Pinksteren:
Het bewustzijn voor deze werkzaamheid van de heilige (helende) geest is als het waaien van een machtige wind rondom. Dit bewust­zijn van de geestwind deed de harten opvlammen en gaf de mogelijk­heid om vanuit het wezen ervan de waarheid te spreken.

Zomerfeest:
Bevrucht worden door deze werkzaamheid.

Johannesfeest:
In al het levende en werkende rondom is dit de helende kracht die hemel en aarde weer wil verbinden, die de mens tot mensheid wil maken, en de dagelijkse mens zn hogere menszijn wil laten vinden.

Daarmee komen we bij het Johannesfeest.

1. Wie was Johannes de Doper?
2. Wat was zijn boodschap?
3. Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

1.
Johannes 1:6 “Er is een mens geworden van God gezonden, zijn naam is Johannes.”

De taal die Johannes de Evangelist gebruikt wordt door Rudolf Steiner ook wel mys­terietaal genoemd. De naam Johannes, die ‘Ik-drager’ betekent, is dan een soort­naam voor allen die tot nieuw leven gewekt kunnen worden.

Johannes was in de voorchristelijke tijd de laatste profeet die voorbereidend heeft gewerkt voor de komst van Christus.

Mattheus 11:14′ “Want alle profeten en de wet hebben voorbereidend gewerkt tot aan Johannes toe en indien gij het wilt aannemen: hij is Elia, wiens komst men verwacht.”

Elias was de vorige incarnatie van Johannes. Hij was het omvattende, doordringende geestelijke Vaderwezen van Israël, de groepsziel boven het volk. In Johannes de Doper treedt deze grote, sferische geest in een afzonderlijke mens binnen. Johannes was een eerste Ik-mens, Ik-drager. Hij had nog wel de mogelijkheid om met zijn volk de goddelijks stem in de elementen te horen, maar ook in zichzelf. Zo begon de gewetensstem te spreken.

2.
Wat was zijn boodschap?

Johannes had als opdracht om als de laatste profeet de nieuwe weg te betreden, om als beeltenis van God te getuigen van het licht dat in de wereld wilde komen. (1:7)
Hij moest de Ik-geest die nog boven het volk zweefde in de mensen laten afdalen en bewust maken. Hiermee moest hij vanuit het oude wereldprincipe de overgang naar een nieuwe mensheidsgeschiedenis zichtbaar maken. Dat deed hij door middel van de doop. Hierbij werden de mensen zolang ondergedom­peld, dat zij aan de grens van de dood kwamen. Daardoor was een terugblik op het leven mogelijk. Vanuit deze terugblik werkte Johannes aan een nieuwe toekomst.
Markus 1:7   “Na mij komt die machtiger is dan ik. Ik heb u gedoopt met water. Hij zal u dopen met Heilige Geest.”

3.
Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

In het leven van Johannes is het motief: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.”(3:30) Hij, Johannes, die door de tijden heen tot grote hoogte is meegegroeid, moet af­nemen, opdat Hij, die klein geboren is, naar de toekomst tot grote hoogte groeien kan. Johannes was de grootste, oudste mens; groot heeft de schilder, met helder­ziende blik, hem afgebeeld.

Mattheus 11:12. “Onder allen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opge­staan dan Johannes de Doper, en de kleinste in het rijk der he­melen is groter dan hij.”

Zijn naamdag is 24 juni. Dan is de aarde op z’n grootst, de aardeziel is helemaal uitgeademd. Wij mensen zijn meegegroeid naar deze hoogzomertijd en vieren, opgaand in de elementen, ons zomerfeest. Daarin wakker te blijven, bewust de momenten te beleven, waarin we raken aan ons zeIf, dat is wat Johannes van ons vraagt. Beseffen dat de tijd keert en we met alles wat we in de zomertijd aan ervaringen opdedenons moeten richten op een inkeer naar de midwintertijd, waarin alle zomerse erva­ringen in volste concentratie in onszelf een nieuwe lichtgeboorte tot stand kunnen brengen.

Hij die klein geboren is, moet naar de winter toenaar de toekomst toe, in de mens, in de mensheid, tot grote hoogte groeien.

“Verander uw zinnen, want het hemelrijk is nabij. “

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten
Rudolf SteinerVoordrachten over het Johannes evangelie
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Johannes Hemleben: Evangelist Johannes
Johanson: Johannes, Stufen christlicher Entwicklung
Serge Prokofieff: Ewige Indidividualität
Greiner: Christus-Künden
.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

575-528

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (30)

.

Nadere gegevens onbekend
.

JOHANNES DE DOPER

“Hij moet groeien, ik’ moet afnemen”

Dit was de lijfspreuk van Johannes de Doper, wiens feest we vieren als de zon haar hoogste punt voorbijgegaan is. 24 juni is de geboortedag van Johannes.

20 juni:  het hoogtepunt van de natuur (in de tijd van Johannes viel de zomerzonnewende nog op zijn geboortedag).

De natuur treedt buiten zichzelf. Alles lijkt zo vol. Als mens heb je het gevoel opgenomen te worden in de warmtegloed, waaraan ook de natuur
beant­woordt. Het prille lentegroen is uitgegroeid tot volle blader- en
bloemen­pracht. De vruchten zijn klaar om te rijpen. Ook de mens wil naar buiten. In de Germaanse tijd leefde de mens nog helemaal mee met het ritme van de kosmos. Als dan in de zomer de natuur naar buiten trad, ging de mens met haar mee. De mens raakte ‘buiten zichzelf. In deze tijd kregen de druïden hun goede ingevingen.

Later, en nu nog, werden er grote vuren ontstoken waar de mensen omheen dansten, waar ze doorheen sprongen en waar ze hun vee doorheen joegen. Ze deden dit om bevrijd te zijn van demonen en beschermd te zijn tegen onheil.

Het oerbeeld van de belichaming van de mens die nog helemaal in harmonie leeft met de grote kosmos is wel Johannes de Doper. Zijn geboortedag viel in de tijd van de zomerzonnewende.

Hij maakte zijn groei naar de geboorte door terwijl de zon haar opwaartse cyclus doorliep en terwijl de aarde ook haar groei doormaakte. In de geschiedenis van de mensheid tekenen zich personen af, aan wie wij een overeenkomst met die zomerse extase van de aarde kunnen aflezen: mensen die boven de zuiver menselijke afmetingen uitgroeien tot een boven­menselijke dimensie, zoals de aarde in de zomer boven haar aardse afme­tingen. De laatste van deze mensen was Johannes de Doper.
Veel eerder was er ook al een persoon geweest die dezelfde krachten met zich meedroeg als Johannes. Dat was de profeet Elias. Hun levens vertonen bijzonder veel overeenkomsten.
Wanneer we Johannes op afbeeldingen zien, wordt hij vaak groter afgebeeld dan de normale‘ menselijke gestalte.

Tegenover dit alles staat de koude wintertijd. De natuur heeft zich hele­maal teruggetrokken.
In deze tijd, de tijd van de winterzonnewende, wordt Christus geboren.
Hij maakt zijn groei door terwijl de zon haar neerwaartse cyclus doorloopt.
Christus en Johannes ontmoeten elkaar al zeer vroeg. Beiden zijn nog in de moederschoot. De Bijbel vertelt dat wanneer Maria en Elisabeth elkaar
ontmoeten, het kind opspringt in de schoot van Elisabeth.
Enige tijd later wordt Johannes geboren. Over de jaren daarna wordt niet
meer gesproken.
Als de tijd rijp is, vindt de volgende ontmoeting plaats tussen Johannes en Jezus. Het is dan dertig jaar later.

Johannes die de zomergave bezat, hield deze niet voor zichzelf maar wist deze door de doop over te geven aan de ander. Toch wees hij de mensen steeds op degene die nog moet komen, (ik doop u met water, maar Hij zal u dopen met de heilige geest. Ik ben het niet waard zijn sandalen los te maken).

Johannes bezat de gave van de oude mens, die door de extase buiten zichzelf kon raken.
Tot het moment van de doop in de Jordaan waarop hij het oude offert en het nieuwe laat groeien.
‘Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en zag hij de Geest Gods neerdalen in de gedaante een duif en over zich komen.’ (Mattheüs 3, 13-16).
Jezus van Nazareth die niet meer de godenwereld buiten zich zoekt, maar in zich laat opleven.
Daarom zegt Johannes: ‘Ik (hij die het groeien van nature in zich draagt) moet afnemen opdat hij (die dat principe van natuurlijk groeien niet in zich draagt, het geestelijke groeien wel – Christus Jezus) kan groeien.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

574-527

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (29)

.

Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, *datum onbekend
.

HET VIEREN VAN DE JAARFEESTEN
.

Groen, groen en nog eens groen in al zijn kleurschakeringen: de zomer komt er aan. Ook al is het statistisch gezien de koudste juni-maand* van deze eeuw, toch is de natuur op zijn hoogtepunt, alles staat in bloei en het groen van het blad gaat overheersen. Regen of geen regen, eenmaal buiten dwingt de aarde tot het plukken van grote bossen bloemen voor op de jaartafel. Het rijpingsproces van de zaden en vruchten wacht op de warmte van de zomer­tijd. In de zomerzonnewendetijd staat de zon op zijn hoogste punt en met zijn warmte rijpen de vruchten, zij bevatten dan de kiem van het nieuwe le­ven van plant of boom. In de zaden of vruchten is deze kiem niet aantoonbaar of aanwijsbaar aanwezig, maar ieder mens weet van het mysterie van bv. de graankorrel, waar in het volgend jaar weer opnieuw dezelfde plantenvorm uit tevoorschijn ‘groeit’.

Precies een half jaar na de kerstnacht (24 december), vieren wij op 24 juni het Sint-Jansfeest. In ons huidige midzomerfeest, dat genoemd is naar Johannes de Doper, vinden we vele gebruiken en betekenissen terug van de zomer­feesten uit diverse culturen.

In oude tijden vierde men dit feest met dans, zang en het voordragen van een­voudige verzen. Dansend en zingend maakte men zich los van het dagelijks leven, van de verbondenheid met de aarde. Met dit ‘vieren’ onder de warme zon stelden de mensen zich open voor de kosmos en wat zich daar allemaal in af­speelde. Men stelde daarmee vragen aan de goddelijk-geestelijke wereld. Wie vraagt moet ook kunnen luisteren en ‘luisterend’ ontving men dan antwoord uit de hemel, een kiem waarmee men de kracht kreeg innerlijk zichzelf te voelen. Gesterkt kon men dan de winter tegemoet gaan, de tijd waarin de mens zich met moed weer een weg door het leven op aarde moet banen. Ook herkennen we gebruiken uit de oude Germaanse zomerfeesten. Op de avond van de langste dag, als daarna de zon weer iedere dag korter en lager aan de hemel zal staan, worden grote Sint-Jansvuren aangestoken. Dansend en springend over het vuur ontving men vroeger kracht voor de donkere tijden en de midzomernacht had een soort toverkracht, de dromen in die nacht brach­ten beelden van bijzondere betekenis, die een ommekeer veroorzaakten in het leven daarna.

Op 24 juni valt de geboortedag van Johannes de Doper, naar wie het zomer­feest, dat wij op school vieren, genoemd is. Zijn leven, een half jaar eerder begonnen dan dat van Jezus van Nazareth, stond in het teken van dienstbaar­heid en het veroorzaken van omwentelingen in het leven van anderen. Met de doop in de Jordaan bevrijdde hij, door onderdompeling in het stromende water, de mens van zijn zonden. Daarna was men vrij voor het ontvangen van een nieuwe impuls in zijn leven. Johannes wees ieder daarbij de weg naar een onzelfzuchtig handelen in alles wat zij tegenkwamen.
Ook Jezus wordt gedoopt door Johannes, als zij beiden dertig jaar oud zijn. Jezus ontvangt dan het wezenlijke zijn van de Christus. Hij leeft dan nog drie jaar, voordat hij sterft aan het kruis. Johannes zelf werd meteen na deze doop in de Jordaan opgepakt en door handlangers van Herodes gedood. De uit­spraak van Johannes: “Hij moet groeien, ik moet afnemen, zoals wij die in het evangelieverhaal terugvinden, is nu bijna letterlijk uitgevoerd. Dit jaar* was ik in de gelegenheid het Isenheimeraltaar te bezichtigen in een museumklooster in Colmar. Indrukwekkend was daar de afbeelding van Johan­nes de Doper, een zeer rijzige gestalte, wijzend naar de gekruisigde Christus. Historisch gezien kon hij daar niet staan, hij leefde immers al drie jaar niet meer. Verwijst hij met zijn krachtige wijzen naar de ommekeer in ieder mens die open staat voor het ontvangen van een geestelijke impuls? Lijkt loskomen van het aardse bestaan om de werkelijk vernieuwende impuls te kunnen ontvangen, de boodschap te zijn van het Johannesfeest, het midzo­merfeest?

Op school vieren we dit feest al jaren met alle kinderen, leraren en ouders samen op de hei. Zingend, met gevlochten bloemenkransen op het hoofd, dansen wij om en over het Sint-Jansvuur en er wordt geluisterd naar een verhaal. Het is niet altijd makkelijk even los te komen van jezelf, even ‘buiten je­zelf’ te zijn, om daarna met een nieuw verworven visie het jaar binnen te gaan.

Voor de kinderen wordt het nu weldra grote vakantie! Zij gaan de zomer in. De Sint-Janstijd is vrij om op reis te gaan, er eens uit te zijn, iets heel anders mee te maken. En als we straks allemaal uitgerust en opgewekt weer terug komen, begint er een nieuw schooljaar. Michael bewaakt alle opgedane krachten en geeft de kinderen de moed ze te verwezenlijken in het werk dat voor hen ligt……….

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

572-525

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)


JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint- Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sin- Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint- Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de mid-zomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de
in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elven, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkst levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer

hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer
 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (25)

.


SINT-JAN

Een feest in het teken van het offervuur

Het Sint-Jansfeest – de naamdag van Johannes de Doper – staat in het teken van warmte, van vuur. Op vele plaat­sen in Nederland werd en wordt nog steeds op 24 juni een Sint-Jansvuur ontstoken.

In dit artikel wordt een verbinding ge­legd tussen dit vuurelement en de vie­ring van het geboortefeest van Johan­nes de Doper.

Het christelijke jaar is in twee grote helften verdeeld. Het eerste deel, van december tot mei of juni, omvat de drie ‘winterfeesten’ (advent, Kerstmis en Driekoningen) en de vier ‘lentefeesten’ (lijdenstijd, Pasen, Hemel­vaart en Pinksteren). Het tweede deel is in traditionele zin de ‘feestloze’ helft van het jaar, waar de zondagen na Pinksteren slechts geteld worden tot de volgende advent, zon­der dat ze een speciaal eigen feestkarakter hebben.

Door moderne geesteswetenschappelijke in­zichten, die in de antroposofie bestudeerd kunnen worden, als ook door de christelijke eredienst, zoals deze in vernieuwde vorm in de gemeenten van de Christengemeenschap gevierd wordt, is in deze eeuw een indruk­wekkende dimensie aan deze tweede helft van het christelijke jaar toegevoegd. De ‘hei­ligendagen’ 24 juni en 29 september zijn na­melijk van gedenkdagen van Johannes de Do­per respectievelijk de aartsengel Michaël uit­gegroeid tot ‘volwaardige’ feestgetijden, die in gewicht naast of tegenover de van oudsher ‘bekende’ feesten staan. Vanuit de genoemde tweedeling ontstaat dan ook een viervoudige opbouw van het christe­lijke jaar, dat – overeenkomstig de natuurlij­ke vierheid van de seizoenen – als een groot kruisteken winter en zomer, herfst en lente met elkaar verbindt (zie de eerste aflevering van deze serie van jaarfeestenbijlagen, Jonas 2,jrg. 14). De polariteit van zomer-en win­terfeest is zelfs opvallend nauwkeurig aflees­baar aan de datum: tegenover de kerstnacht van 24 op 25 december staat de dag van Sint-Jan op 24 juni: de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en Johannes komt in hun beider geboortedagen tot uitdrukking. Hiermee staat in natuurlijke samenhang, hoe de aan­kondigingen van beide geboorten eveneens tegenover elkaar staan: aan de aanstaande va­der van Johannes (Zacharias) in de herfst; aan de aanstaande moeder van Jezus in de lente.

St.Jan kruis seizoenen

De verbondenheid tussen Johannes en Jezus wordt overigens op intieme wijze in het Lukasevangelie beschreven, wanneer Maria -kort na de aankondiging van de geboorte van Jezus Elizabet opzoekt, die dan dus in de zesde maand is. ‘En toen Elizabet de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot. Een heilige geest vervulde Elizabet, zij hief aan met machtige stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Gezegend de vrucht van uw schoot! Hoe word ik zo geëerd, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen mijn oor het geluid van uw groet ver­nam, sprong het kind in mijn schoot van blijdschap op…’

Zo staan de beide verwekkingen tegenover elkaar, Pasen met de Michaëlstijd verbin­dend; en de beide geboortes, Kerstmis en de tijd van Sint-Jan met elkaar verbindend. Een groot kruis verdeelt de ‘ring van het jaar’ in vier gedeeltes. Zoals deze vierheid – althans in de gematigde zones van de aarde – onder andere in de afwisseling van de seizoenen zijn natuurlijke uitdrukking vindt, zo wordt deze vierheid volgens christelijke traditie, die door geesteswetenschappelijke onderzoeking wordt bevestigd, eveneens vanuit de boven­zintuiglijke wereld gemarkeerd. Vier aarts­engelen verbinden zich achtereenvolgens met deze feestgetijden, ieder zijn eigen kenmer­kende gaven en krachten schenkend.

Uriël
In een vorig artikel (Jonas 17, jrg. 14) werd beschreven, hoe de aartsengel Rafaël met zijn genezende krachten (wat zijn naam al zegt) zich met de Paastijd verbindt. De aartsengel Uriël komt vervolgens in de tijd van onze zomer ‘op de voorgrond’ en geldt als genius van het feest van Johannes de Doper. Het Hebreeuwse woord ‘ur’ of ‘or’ (hetgeen ‘licht’ betekent) geeft een wezenlijk kenmerk van deze tijd. Het is een licht van goddelijke oorsprong (Uriël wil zeggen God is licht, of het licht van God), dat uit schep­pende offerkracht voortgekomen is, respec­tievelijk voortkomt en dus ook warm is. Dit licht heeft deze eigenschap (namelijk dat het warm is) met het zonlicht gemeen, aangezien het voortkomt uit een vuur, een onvoorstel­baar machtige offervlam.
De Sint -Janstijd staat in het teken van het vuur, en daarmee in het teken van-warmte, licht en offer. Vanuit die achtergrond is het begrijpelijk, waarom het gebruik zich heeft ontwikkeld in deze tijd van het jaar vuren aan te leggen en te ontsteken. De natuur geeft al veel licht en warmte, vooral in zeer noordelijk gelegen landen. De weinige duis­ternis en de koelte van de korte nachten wor­den dan ook nog verdreven door het oplaai­ende vuur. Een gebruik overigens, dat door menigeen als (te) extatisch wordt beleefd en voor traditioneel-christelijk ingestelde men­sen ook wel zeer ‘heidens’ aandoet.

Goddelijke vonk
Geheel los van de vraag of we in deze uiter­lijke vorm dit gebruik al of niet kunnen of willen volgen, lijkt het in ieder geval zinvol om nader op het element van het vuur in te gaan.

Wanneer we de mens viervoudig opgebouwd denken, herkennen we daarin zonder veel moeite of dwang de vierheid van de ‘klassie­ke’ elementen aarde, water, lucht en vuur. Het stoffelijke en daarmee ook sterfelijke li­chaam is het aarde-element aan de mens, ter­wijl het hele organisme dat tegen deze doodskrachten in leven aan het lichaam geeft wordt gekenmerkt door stromende beweging als van water. Het vloeibare element en in het bijzonder het water, is voorwaarde voor leven. Het leven, dat als zodanig een stro­mend, pulserend karakter heeft, verbindt zich met dat element, dat diezelfde eigen­schappen bezit.

Naast dit levensorganisme, dat in de antropo­sofische geesteswetenschap het etherlichaam wordt genoemd, heeft de mens ook het zoge­naamde astraallichaam, waar ‘bewegingen van de ziel’ zoals sympathie en antipathie, angst en hartstocht zich afspelen. Bewegingen, waarbij de ‘adem plotseling kan stokken’, of waar het ‘stormachtig’ toegaat vertonen overeenkomst met het element van de lucht. Tenslotte draagt de mens het vierde element, namelijk dat van de warmte in zich, waarin bij uitstek datgene thuishoort, wat de mens is (in tegenstelling tot wat hij heeft), name­lijk zijn individualiteit, ook wel zijn ‘godde­lijke vonk’ genoemd, hetgeen ook op het ele­ment van het vuur duidt! In het verband van ons onderwerp is het ove­rigens boeiend te ontdekken, hoe wij deze vier elementen ook weer terug vinden in het kararakter van de seizoenen: hoe in de winter door de koude het verstarrende element van de aarde de overhand heeft; hoe met het op gang komen van alle sapstromen in de lente het levenselement van het water de hoofdrol speelt; in de herfst voert in wind en storm het element van de lucht duidelijk de boven­toon, terwijl tenslotte in de zomer bij uitstek de warmte om zo te zeggen dominant is. Om nu terug te komen op het onderwerp van het vuur, zijnde het element, waarin het eigenlijke wezen van de mens, zijn ik, thuis­hoort, wil ik een paar dichters aan het woord laten, die dat tot uitdrukking brengen.
C.F. Meyer heeft zich in het gedicht ‘Das heilige Feuer’ laten inspireren in die zin, dat hij de consequentie beschrijft, die het onbe­waakt laten uitgaan van het heilige vuur in de mens met zich meebrengt, namelijk het ‘levend begraven te worden’, met andere woorden een – in letterlijke zin – ‘ondergang’ van zijn existentie. In dit gedicht büjkt ook, dat deze vlam voortdurend bewaakt en ver­zorgd moet worden, zodat er een bestendige warmte ontstaat, en niet een onrustig flakke­rende fakkel die het ene ogenblik dreigt uit te gaan en het volgende moment hoog en heet oplaait.

In uiterlijke zin komt dit zelfs ook in onze lichaamstemperatuur tot uitdrukking. Pas in een uiterst evenwichtige en bestendige warmte kan het mensenwezen leven en wer­ken. Ik verlies mezelf wanneer ik hetzij koelbloedig of, omgekeerd, heethoofdig ben. Zowel wanneer iets mij totaal ‘Siberisch koud’ laat, als ook integendeel, wanneer ik heetgebakerd van woede kook, ‘ben ik mij­zelf niet meer’, ben ik niet helemaal aanwe­zig.

Offervuur
In het onderstaande gedicht van Marsman komt het element van het offer tot uitdruk­king, zoals we dat kennen uit het mythologi­sche beeld van de vogel Phoenix. Vanuit het verterende vuur, waar oude waarden en veel­al dierbare schatten in worden opgeofferd, ontstaan nieuwe mogelijkheden, nieuwe
di­mensies. Vaak moet het oude door een doodsproces om geheel nieuw, gereinigd en gemetamorfoseerd daaruit op te staan. Zo is dit mythologische beeld ook in zekere zin een profetie, een ‘voor-beeld’ van de alles-vernieuwende daad van Christus, het sterven, de dood en de overwinning van de dood, de verrijzenis. Hijzelf drukt het uit in de woor­den tot zijn discipelen: ‘Vuur ben ik komen werpen op de aarde en wat wil ik anders dan dat het reeds ontbrandt! Ik onderga een doop, waarmee ik gedoopt wordt; en hoe wordt mijn wezen geperst, tot het volbracht is! -‘ (Lucas 12)

PHOENIX

Vlam in mij, laai weer op;
hart in mij, heb geduld,
verdubbel het vertrouwen –
vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen
de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;
o, wiek nu op uit de verbrande takken
en laat den moed en uwe vaart niet zakken;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

H. Marsman

Hiermee komen wij weer te spreken over die­gene, wiens naam met het zomerfeest ver­bonden is, Johannes de Doper. Diegene na­melijk die deze doop, waarvan Jezus spreekt, voorbereidt, inleidt en voltrekt. Het optre­den van Johannes de Doper staat in het te­ken van een offervuur. Religieuze waarden, spirituele rijkdommen van het Oude Ver­bond, waarvan Johannes in vele opzichten een vertegenwoordiger is, moeten worden opgegeven respectievelijk moeten worden ge­metamorfoseerd om voor de nieuwe impuls plaats te maken. De allesbeheersende oude waarden worden tot bescheiden, dragende en voorbereidende elementen voor het ‘nieuwe verbond’. ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’, zijn dan ook de karakteristieke woor­den van de grote, tot ver over de grenzen be­kende en vereerde leider, die zich in alle be­scheidenheid terugtrekt nadat hij op de on­bekende Jezus heeft gewezen, die ‘niet met water zal dopen, maar met heilige geest en met vuur’.

Hoe groot de persoonlijkheid van Johannes is, en daarmee evenredig het offer dat hij brengt, blijkt onder andere uit de wijze, waarop Jezus over hem spreekt: ‘…een die meer dan een profeet is!’

Hij is het van wie de Schrift zegt: ‘Zie ik zend mijn engel voor uw aangezicht uit, hij zal de weg voor u banen. Ja zo is het, ik zeg u: onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Do­per; en de kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij. Van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Rijk der hemelen bestormd en bestormers nemen het in bezit. Want alle profeten en de wet heb­ben voorbereidend gewerkt tot Johannes toe. En – indien gij het wilt aannemen – hij is Elia wiens komst men verwacht.’
Johannes wordt beschreven als staande tus­sen twee werelden, namelijk die van de men­sen en die van de engelen. Dat maakt het ook begrijpelijk waarom juist hij de wegbe­reider is van diegene, die door zijn offerdaad op Golgotha hemel en aarde met elkaar ver­bindt.

Johanneïsch gebaar
Ook in ander opzicht staat Johannes tussen twee werelden in, hij is namelijk degene, die in het Oude Testament – weliswaar daar na­tuurlijk met de naam Elia – als laatste ge­noemd wordt, namelijk aan het einde van het laatste hoofdstuk van het laatste boek (Maleachi). Hij wordt daar als de toekom­stige wegbereider van de Messias beschreven. Vervolgens speelt hij aan het begin van het Nieuwe Testament (met name in het eerste boek – Mattheus) een belangrijke rol, waar bovengenoemde profetie in vervulling gaat. De individualiteit van Elia-Johannes ver­bindt dus de beide werelden van Oude en Nieuwe Testament met elkaar. Dit brengt ons van een andere kant op de­zelfde eigenschap van Johannes de Doper, die we al noemden, namelijk dat zijn groot­heid juist ligt in zijn bereidheid deze groot­heid op te offeren. Wegbereiden, plaats ma­kend, ruimte scheppend voor andere, nieuwe waarden, die door de meeste van zijn tijdge­noten niet als zodanig kunnen worden on­derkend. Het is een eigenschap, die – in ons eigen leven vertaald – uiterst moeilijk ontwik­keld kan worden en nog veel moeilijker in praktijk te brengen is. Het wijzen op de an­der (het bij uitstek ‘Johanneïsche gebaar’) valt me gemakkelijk wanneer ik mezelf daar­bij buiten schot kan houden, een schuld kan ontduiken, of een gevaar kan ontwijken. Het wijzen op de ander, zodat daardoor naar de betreffende meer waardering en eerbied wordt aangedragen, of dat daardoor meer aandacht wordt besteed aan hetgeen hij of zij te zeggen of te brengen heeft, valt over het algemeen een stuk zwaarder!
‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’ is een houding die niet alleen weinig in praktijk wordt gebracht, naar zelfs veelal wordt gezien als zwakte, als slapheid.

Maar, aanknopend aan een uitspraak van Friedrich Rittelmeyer: ‘Selbstlos ist nicht ichlos’ (onzelfzuchtigheid is niet gelijk te stellen met ik-zwakte), kunnen we wellicht zelfs zeggen: onzelfzuchtigheid is een wezen­lijk kenmerk van ik-kracht.

Maarten  Udo de Haes,’Jonas’ 22,22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

201-191

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (13)

.

KEERPUNT IN HET JAAR

Het feest van Johannes

Op 24 juni wordt de naamdag van Johannes de Doper gevierd, maar eigenlijk is de hele maand juli aan hem gewijd, ja, je zou zelfs kunnen zeggen dat zijn machtige invloed zich uitstrekt over de hele zometijd. En wat gebeurt er eigenlijk in die zomertijd? De scholen zijn gesloten, het is vakantie, een woord dat afgeleid is van ‘vacuüm’, dat is ‘een lege ruimte’. In die ruimte trekt ieder­een erop uit om ‘van lucht te veranderen’, en een tijdlang te vergeten wat je opgenomen hebt in het jaar dat nu achter je ligt.
In het klein is dat de rustdag aan het eind van iedere week. De beslommeringen van het dagelijks bestaan, de problemen die zich vaak tegen de zomer ophopen en groter lijken te worden, moeilijkheden met anderen die in de hitte van het seizoen tot een uitbarsting dreigen te komen – al deze dingen moet je tijdelijk los­laten, zodat ze kunnen bezinken. Met het hoger komen van de zon word je uit jezelf getrokken, niet alleen door de natuur, maar ook door de dingen die er om je heen en met jou gebeuren. Wat je in de zomertijd doet, is afstand nemen, je op jezelf terug­trekken, proberen weer tot jezelf te komen. Het herinnert aan de roep van Johannes de Doper in de woestijn: ‘Komt tot inkeer!’

Een nieuwe orde
Het tweede gedeelte van deze toep luidt: ‘Het Rijk der hemelen is nabij gekomen!’
In een tijd dat hemel en aarde elkaar dicht genaderd zijn, klinkt daar voor ieder die het horen wil: ‘Er is een rijk op aarde gekomen dat niet van deze aarde is’. Het wordt gezegd door een man die dat zelf niet meer meemaakt. Hij is voorloper, hij kondigt aan en bereidt de weg voor Hem die komt, door het geestelijk kli­maat ontvankelijk te maken. Hij is de wachter op de drempel naar een nieuwe tijd. Zijn roep wordt gehoord, er komen velen die zijn leerlingen willen zijn.

Johannes de Doper wordt de laatste profeet van Israël genoemd, maar zijn wijze van wer­ken was anders. De profeten uit vroeger eeuwen waren boetepredikers, zij waren het geweten van het Joodse volk dat bij monde van één mens van tijd tot tijd wakker ge­schud werd, als de Israëlieten dreigden in te dommelen en het niet meer zo nauw namen met de wetten van Mozes. De wetten waren richtinggevend, ook voor de profeten. Bij de komst van Johannes werd dat anders. De mensen werden opgeroepen om al het oude los te laten, daar afstand van te nemen zodat het opnieuw met ‘frisse ogen’ bekeken kon worden. Johannes riep op tot een nieuwe orde, een opnieuw ordenen van de geestelijke inventaris. Tot in het fysieke bood hij de mensen daarbij hulp: de doop in het water van de Jordaan, de algehele onder­dompeling in het stromende, beweeglijke ele­ment bewerkte dat de mensen korte tijd ‘buiten zichzelf’ raakten van het wordende, het voortdurend veranderende. Johannes maakte de mensen vertrouwd met wat de grondeigenschap zou zijn van de nieuwe or­dening, van het Rijk dat komende was. Het moet een indrukwekkende ervaring zijn ge­weest voor de groep mensen om Johannes heen, mensen die voorbereid werden om later leerlingen te zijn van Hem die door Jo­hannes als zijn Meester werd gekarakteriseerd met de woorden: ‘Ik ben niet waard te buk­ken om zijn schroenriem los te maken’. Alles werd op losse schroeven gezet, opdat alles in een nieuw licht gezien kon worden. Dat was de opdracht van Johannes de Do­per. Bij zijn geboorte kreeg hij niet de naam van zijn vader, die hem zou verbinden met de familie, met de bloedverwanten. Vanuit de geestelijke wereld kreeg hij uitdrukkelijk een nieuwe naam, die hem tot verbazing en ergernis van Zacharias’ familie uittilde boven de familieband. Zijn levenstaak gold het hele volk.

Een andere ‘Johannes’
Aan het begin van het Nieuwe Testament staat Johannes de Doper als wegbereider: de akker wordt geploegd en gereed gemaakt. Zijn leven is een offer: ‘Ik moet afnemen, Hij moet groeien’. Aan het einde van de Bij­bel staat het toekomstvisioen, de Openbaring van de andere Johannes. De wijze waarop bijvoorbeeld in de Russische sprookjes deze naam Johannes wordt gehanteerd, doet vermoeden dat het hier gaat om een bovenper­soonlijke naam. Hij geeft aan waar de mens die deze naam draagt, in spiritueel opzicht staat.

In de Handelingen en Brieven der apostelen vinden we nog een derde ‘Johannes’, al wordt hij niet met die naam aangeduid. Zijn leven staat in het teken van Johannes, als ik dat zo noemen mag: de ommekeer. Bij de steniging van de eerste martelaar voor het ge­loof, Stefanus, stond iemand die niet daad­werkelijk met de steniging meedeed, maar ‘de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd’ (Hand. 7). Deze Saulus wordt na deze ge­beurtenis de meest fanatieke vervolger van de jonge Christengemeenten, zo fanatiek dat de vraag kan ontstaan: heeft hij iets waar­genomen bij de ten dode gedoemde Stefa­nus, dat hij liever wil trachten te vergeten? Heeft hij de weerschijn van de hemelse heer­lijkheid gezien op het stervende gelaat van de martelaar?

Hoe het ook zij: voor Damascus wordt Sau­lus zo getroffen door het visioen van de Herrezene, dat hij ‘buiten zichzelf’ raakt en drie dagen blind is voor de uiterlijke wereld, ter­wijl hij niet eet of drinkt. Het oude wordt losgelaten en opnieuw geordend in het licht van Christus. Daarna is deze man een ander mens met een andere naam: Paulus, en onder deze nieuwe naam zal hij eens schrijven: ‘Ik leef, echter niet ik, maar Christus in mij’, woorden die evenals de ‘lijfspreuk’ van Jo­hannes de Doper een offer betekenen. Hij stelt zijn leven in dienst van Christus.

Het jaar rond
Tussen de Doop in de Jordaan en de licht­glans voor Damascus, tussen Johannes de Doper en Paulus voltrekt zich het evangelie: ‘Het Woord is vlees geworden’. De ene helft van het jaar met de stijgende zon mee, van Advent-Kerstmis tot op de 50ste dag na Pa­sen, het pinksterfeest, kunnen we de mens­wording van Christus meebeleven, geholpen door het vieren van de jaarfeesten. De tweede helft van het jaar, als de nachten langer worden, staat Paulus naast Johannes de Doper, en beiden richten onze aandacht op het christen worden van de mens.
In de zomer bezinkt wat we hebben gehoord en beleefd, maar in het begin van de herfst is er steeds weer die ervaring van een nieuwe inzet als vrucht van de bezinning. De aarts­engel Michael waakt over deze steeds ver­nieuwende wilsimpuls van ons mensen, en hij helpt ons het juiste midden te vinden.
Aan de zuidgevel van de kathedraal van Chartres staat op de pilaar voor het midden­portaal de uit steen gehouwen gestalte van Jezus met aan weerszijden de Apostelen. Di­rect rechts naast het midden is Petrus afge­beeld met een grote sleutel, en direct links naast de Christus, aan de kant van het hart, staat Paulus met naast hem de drager van de Johannesnaam, die tot de apostelen behoor­de.

Paulus behoort niet tot de oorspronkelijke leerlingen van Jezus; hij heeft de Meester immers niet in levenden lijve gekend. Maar na het visioen voor Damascus sluit hij zich aan bij de apostelen en dient even vurig de jonge christengemeenten als hij ze daarvoor vervolgde. Die grote ommekeer laat ons voor altijd zien hoe het is, als een mens op een bepaald moment in zijn leven erkent: Christus is de grond van mijn bestaan.

Marieke Anschütz,’Jonas’ 21 van 13 juni 1980

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
189-179

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (9)

.

HET FEEST VAN SINT-JAN

‘Kom tot inkeer, want het Rijk der hemelen is nabij. . .’ (Matt. 3:2)

Het is hoogzomer. De aarde heeft uitge­ademd. Kosmos en aarde zijn één. De aarde is zonneland, ‘Oostland’, geworden.
‘Bekeert U, komt tot inkeer, verander uw gezindheid’, zei Johannes de Doper, ‘want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
Dit is de tijd waarin men tot inkeer, tot nieuwe gedachten, tot nieuwe ideeën komen kan.

Wanneer men in Colmar naar het Isenheimer altaar gaat in het museum Unter den Linden, dan vindt men daar de bekende tekst van Sint-Jan de Doper uitgebeeld: ‘Hij moet groeien. Ik moet afnemen.’
Daarin ligt de diepste gedachte van het Sint-Jansfeest opgesloten. Augustinus (354 – 430) zei in een preek op een 21ste juni: ‘Opdat de mens mocht vernederd worden, is heden Johannes geboren, nu de dagen beginnen af te nemen. Opdat God verheven worde’ is Christus geboren op die dag, waarop de da­gen beginnen te groeien’ (Homil. 289)
In de vóór-christelijke tijd was de 24ste juni de grootste dag van de midzomerfeesten en daarom speelde hij in ’t Germaanse volksle­ven met zijn offervuren en offermaaltijden een voorname rol. Zoals het met vele hei­dense feesten ging, werd ook dit feest gekerstend. Het zomer-zonnestilstand-feest werd de tegenpool van het Kerstfeest. Dit in overeenstemming met het Lukasevangelie, dat ons verhaalt, dat de moeder van Sint-Jan, Elisabeth, de nicht van Maria, reeds 6 maan­den zwanger was, toen Maria Jezus in haar schoot ontving. Tegelijk met de feesten wer­den ook de heidense gebruiken op christelij­ke wijze verklaard. Het baden in stromend water, oorspronkelijk een vruchtbaarheidsritus, deed men nu ter ere van ’s Heren doopsel in de Jordaan.
Dezelfde betekenis kreeg ook het dauwtrappen tijdens de hoog-zomerdagen. Planten op Sint-Jansdag ge­plukt, bezitten grote magische, genezende kracht. Bomen en struiken ziet men opnieuw uitschieten, alsof het lente is: de zogenaam­de sint-jans-loten. Het sint-janskruid, ook wel ‘jaag-de-duivel’ genoemd, heeft het ver­mogen, boze geesten te verdrijven. De Sint-Jansnacht is een van de geheimzinnigste tovernachten. Dan moet de wichelroede gesne­den worden. Dan plukt men het sint – jans­kruid. Dan durft de schipper niet uit te va­ren. . .

Op Terschelling kende men tot voor kort nog het ‘oppe-rid‘. Oorspronkelijk een rij­dende processie van met bloemen versierde wagens ter ere van Sint-Jan naar de op het oostelijk deel van het eiland gelegen Sint-Janshoek. Het werd later gedaan op de tweede zondag na Sint-Jan. Heel vroeger werd in de achterste huifkar een houten beeld van de Doper meegevoerd. Het moet een prachtig gezicht geweest zijn: De wagens waren groen geschilderd, de wielen rood. De huif was helder wit. De meisjes ook in ’t wit. De jongens in ’t nieuw, maar meer stemmig gekleed. De wagens waren rijk versierd met alle bloemen van het eiland. De gebruiken, de heilige ritus der liederen, ‘Naar het Ro­zenland zo zijne wij gevaren’, de speelman, de liefde. . .

Het oudste Sint-Janslied dat we kennen, luidt:

Naar Oostland willen wij rijden,
Naar Oostland willen wij mee.
Al over die groene heide.
Daar is er een betere stee.

Als wij binnen Oostland komen,
Al onder dat hoge huis fijn,
Daar worden wij binnen gelaten,
Zij heten ons wellekom zijn.

Ja, wellekom willen wij wezen,
Ja, wellekom willen wij zijn,
Daar zullen wij t’ avond en morgen
Nog drinken den koelen wijn.

Wij drinken de wijn er uit schalen
En ’t bier ook zoveel ’t ons belieft.
Daar is ’t ons vrolijk te wezen,
Daar woont er mijn zoete lief!

Een passender lied is in de hoogzomerdagen nauwelijks denkbaar, ‘oostland’ is het Wal­halla der Germanen, het Zonneland, de He­mel, het geestesland. Het ‘hoge huis’ van de kosmos neemt ons op. Daar drinken wij ‘de koele wijn’. Wijn heeft te maken met ons Zelf, ons ‘Ik’. Het is een symbool voor ons lichaamsbloed, waarin ons Ik huist. Daarom werd het ook in de christelijke kerk het symbool voor het bloed van Christus. ‘Bier’ is de gevulgariseerde ‘mede’, de wijs­heidsdrank der goden uit de Germaanse my­thologie.

De heerser van dit feest, die woont in het sterrrenbeeld van de Tweelingen, was bij on­ze voorvaderen de god Vro (oud-noors Freyr). Daarom is het er ‘vro-lijk’ voor ons, want van hem stamt onze blijdschap. En wie is mijn ‘Lief? Niet ‘ons’ lief, maar ‘mijn eigenste Lief? — ‘Lief hangt samen met ‘leven’. Leest u er vele sprookjes maar op na: Het lief, de liefste is altijd het beeld voor het meest eigene van de mens: Zijn ‘ziel’, zijn hogere wezen, zijn ‘Ik’. Dat woont in ‘zonneland’.

Als overblijfsels van de grote zomeroffers treft men op vele plaatsen nog de Sint – Jans­vuren aan. Zij werden ontstoken met ‘zuiver vuur’, dat wil zeggen vuur, dat door wrijven van hout was gemaakt. De mensen namen van dit vuur mee naar huis, om er hun haardvuur (fornuis) mee te ontsteken.
In Neder­land zijn de meeste Sint-Jansvuren overge­gaan naar Petrus en Paulusdag, vijf dagen na Sint-Jan. Petrus is de wachter aan de hemel­poort.
Om het vuur werd gedanst. In Oost-Vlaanderen en West-Brabant kent men nog het gebruik van de Rozenhoed. Deze hangt aan een koord, dat over de straat gespannen is. Daaronder wordt ook gedanst en gezongen:

‘Sinte Pieter, der is goed
Al voor onze Rozenhoed…’

Het was eertijds gewoonte om bloemenkran­sen, kruiden en notenbladeren (een oud-keltisch gebruik) in het offervuur te werpen en er dan overheen te springen.

Merkwaardig is het, dat de grote oorlogen, de wereldbranden, omstreeks deze midzomertijd uitbraken. Dat kan men ook waarne­men bij het weer. Hoe komt het dat, terwijl de hele zomer rustig en zonnig is, vaak juist met midzomer een hagelcatastrofe de rijpen­de vrucht op het veld en in de boomgaard verwoest? – Ongebonden, kosmische krach­ten breken los. De natuur alléén kan de mens niet meer voorwaarts helpen. De oude mys­teriën hebben geen kracht meer in de tegen­woordige tijd. Wil de mens nog aan het oude vasthouden, wil hij met aardse middelen de hemel vinden, dan trekt hij het onheil over zich heen. De extase bij de zomervuren ruk­te de mensen van de aarde los en de hemel antwoordde in openbaringen. Zo ontvingen de druïden in heel noordwest Europa in die tijd hun inspiraties. De zomer-zonnewende was het uur, waarop men door extase de gaven der goden kon ontvangen. Heden kan dat niet meer. Wij kunnen ons niet meer losmaken van de aarde. Wij moe­ten op de aarde de hemel der geestelijke wer­kelijkheid vinden.

Shakespeare schilderde nog de natuurwezens, de geesten, die hun spel drijven met de mens in deze zomernacht. Als de mens niet voldoende leeft in de vrijheid van zijn geest, in zonnig bewustzijn, dan zal hij in een doffe slaperigheid verzinken. Dan worden de krachten, die hem zouden kunnen helpen en leiden, de krachten van zijn ondergang.
De maatgevende mensen in de verschillende landen waren bij het uitbreken van de we­reldoorlogen, wel beschouwd, niet goed bij hun bewustzijn! Nog hoort men overal de kreet: ‘Ik moet groeien’.
Men streeft naar macht, terwijl het juist daarom gaat, dat de mens zijn wezen vrij maakt voor het Christus­wezen. Volgens het woord van Johannes:’ Ik moet afnemen, hij moet groeien’. De zon heeft haar hoogste stand bereikt. Zij begeeft zich op de terugweg. De dagen wor­den korter, de nachten lengen, ik moet af­nemen…’.

Omkranst met de gaven van Moeder Natuur, talloze geplukte bloemen, rozen en duizend­schoon, allemaal ten dode opgeschreven kin­deren der aarde, viert de mens het feest van de eeuwige levens-zon: ‘Hij moet groeien!’

( Henk Sweers, ‘Jonas” nr.21, 18 juni 1976)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

184-174

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (8)

.

SINT-JAN

Bij de Germaanse en Noorse volken werd het midzomerfeest gevierd ter ere van Balder, de stralende Zonnegod.
Op de langste dag van het jaar – de zomerzonnewende – ontstak men het vreugdevuur en danste men er rondom.
De midzomernacht was de kortste nacht van het jaar: in de hoge Noorse streken was de zon in het middernachtelijk uur nog niet ten onder. De korte zomernachten omstreeks deze tijd waren licht-doorweven. De mensen zagen elfen en feeën dansen.
Na de 
kerstening werd het midzomerfeest verbonden met  Sint- Jan: dat is Johannes de Doper, een gestalte uit de Evangeliën. In Lucas wordt beschreven, hoe Johannes zes maanden eerder geboren werd dan Jezus: de “naamdag van Sint – Jan”,  zoals de kinderen zingen, valt precies een half jaar na de kerstnacht,  (24 december –24 juni) dat is enkele dagen na de zomerzonnewende.

Wat is zijn boodschap; wat spreekt hij tot ons in de taal van het zomerfeest?

Waar gaan we doorheen, als we de zomerzonnewende op ons in laten werken?

Het is inderdaad een wende, een ommekeer. De zonnebaan is niet meer stijgend, de dagen worden langzaam korter. De bloesems vallen uit, on-ooglijk, in het verborgene rijpt de vrucht. Schoon was de schijn!

Johannes zegt van zichzelf: “Ik moet afnemen”,  degene voor wie hij de wegbereider is, moet groeien. “Keert u om, ver­andert uw gezindheid”,  roept de Stem-in-de-Woestijn.
Nu neemt hij ons mee in de stijgende vlammen van het vuur naar omhoog naar de  sterren, als het even kan, in onze streken! Naar de hoogten van de Kosmos, waar de bronnen zijn van het leven.
Uitbundig dansen we om het vuur; warmte doorzindert ons; als we thuiskomen is de geur van het vuur nog in onze kleren!
Even waren we uitgetild boven de aardsheid, de zwaarte, de koude van ons bestaan.

We kunnen ons verliezen in deze verrukkelijke extase om daarna weer uitgeput terug te vallen in onze oude alledaagsheid, in het horizontale  vlak.

We kunnen ook iets meenemen vanuit de grote hoogten, waarheen wij stegen, uit dat rijk van licht en warmte.

Terwijl de natuur in ons afneemt, onze levensbloesem verdort, kan er binnen in ons iets gaan gloeien. De natuur overrompelt ons korte tijd met de volheid van het leven,   overstroomt ons met scheppende krachten.

Dan onttrekt het leven zich weer aan ons oog, en worden wij naar binnen geleid, tot inkeer gebracht om het leven nu in het verborgene te zoeken.
Vuurwerk in de nacht versproeit zich, de leegte sluit zich weer aaneen.

De vlammen van Sint -Jan voeren ons naar een rijk van vol­heid, waar de  Levenszon ons doorgloeit.

Het is alles een beeld, dat verwijst naar een Werkelijkheid, waarin wij nog niet staan,   wellicht.

Deze pijn voel ik, wanneer ik terugzie op de mooie woorden die ik schreef.

Maar laten wij met onze kinderen onbekommerd dansen om het vuur.
.

(Map de Voogd, nadere gegevens ontbreken)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

183-173

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (4)

.

Het feest van Sint-Jan

 

‘DE BIJL IS AAN DE WORTEL DER BOMEN GELEGD’

De christelijke feesten hebben alle iets te maken met de beleving van de natuur in de tijd waarin ze vallen. Dat wordt vaak verklaard als een slimme aanpassing van de christenen aan de heidense gebruiken. Het is de vraag of die verklaring juist is. In onderstaand artikel onderzoekt Jacobus Knijpenga in hoeverre er een wezenlijke verwantschap is tussen de jaarfeesten in christelijke zin en de
hoofd­momenten van het natuurlijke leven.

Opvallend is dat de data van de christelijke gedenkdagen steeds later vallen dan de hoog­tepunten in de natuur en wel enkele dagen. Zo valt midwinter op 21 of 22 december, Kerstmis op 24 december; Pasen op een zon­dag na de voorjaarsevening; dit kan zelfs wel eens vijf weken later zijn, maar ook twee da­gen. Het feest van Johannes de Doper (Sint- Jan) valt, evenals het Kerstfeest, twee à drie dagen na de zonnewende, terwijl tenslotte het feest van de aartsengel Michaël op 29 september ongeveer een week later valt dan de herfstevening. Daaruit kan reeds duidelijk blijken dat deze feesten niet bedoeld zijn als vervanging van de natuurfeesten. Ze zijn er als het ware aan toegevoegd zoals de doop aan de natuurlijke geboorte. In deze kenschetsing wordt ervan uitgegaan dat Hemelvaart en Pinksteren bij het paas­feest behoren. Ze hebben als het ware het­zelfde thema. Zo behoren ook de advents­tijd en de tijd van driekoningen bij het kerstfeest en ontstaat dus een groot kruis door het jaar: Kerstmis in de winter, het feest van Johannes in de zomer er precies tegenover en aan de andere arm van het kruis Pasen in het voorjaar en er tegenover in de herfst het feest van Michaël. Het is deze kruisvorm in het jaar, die in belangrijke mate het
gezichts­punt vormt waaruit gezocht kan worden naar de samenhang van de feesten met de natuur.

Zo is duidelijk dat het kerstfeest gevierd wordt als het licht weer toeneemt en het Sint-Jansfeest als de dagen korter worden. In de loop van het natuurlijke jaar zijn deze feesten elkaars tegenpolen. Het zijn beide lichtfeesten; als de zon nog zwak is vieren we het feest van het innerlijke licht, als de zon haar hoogtepunt zojuist gepasseerd is vieren we het feest van Johannes als van een groot kosmisch wezen. Johannes was veel meer dan een mens, ja zelfs meer dan een profeet naar de woorden die Christus over hem spreekt. Op Russische iconen wordt hij bij de doop in de Jordaan vaak bovenmenselijk groot geschilderd, waarbij Jezus normaal ge­schilderd wordt. Men kan hier denken aan de woorden van Johannes: hij moet toene­men, ik moet afnemen.

Het uiterlijke licht neemt af na de zomerzonnewende, we gaan de tijd tegemoet waarin het weer meer op verinnerlijking aankomt, al is dat in het begin nog niet goed merkbaar. Maar juist omdat het in ons natuurbeleven nog niet merkbaar is, roept het Johannesfeest ons tot bewustzijn. Vergelijkenderwijs is hetzelfde het geval wanneer men het mid­den van het leven gepasseerd is: het eigen­lijke beleven van het midden moet dan nog komen, maar zowel fysiek als psychisch be­ginnen de doodskrachten het te winnen van de geboortekrachten en men kan de tijd na 35 jaar beter vormen als men zich dat be­wust is. Dat kan bijvoorbeeld behoeden voor een ‘tweede jeugd’, die altijd toch ook een beetje ridicuul aandoet. Hierbij sluit een ander element van Johannes aan: hij is een boeteprediker. Dat wil zeg­gen dat hij de mensen steeds wijst op hun ei­gen innerlijke houding als voorbereiding op de ontmoeting met de Messias. Bij de Jor­daan woonde hij in de woestijn en zijn voed­sel bestond uit de eenvoudigste voortbreng­selen van de natuur. Dit leven in de woestijn was een ‘teken’. Een teken maakt een inner­lijke situatie doorzichtig. De bloeitijd van het jodendom was voorbij, het geestesleven van het joodse volk was een woestijn gewor­den, dor en droog terwijl het geestelijk voed­sel dat de leiders te bieden hadden hard was. Wie toch nog iets daarin vond moest de geva­ren van wilde bijen trotseren om nog enige zoetigheid te verwerven. Johannes sprak het zo uit: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. De boom is altijd een beeld van de verbinding van hemel en aarde. Alle religies kennen hun heilige bo­men. De boom strekt zijn kruin uit naar de hemel en ontvangt uit de hogere sferen het licht waardoor hij leven kan. Maar tegelijker­tijd wortelt hij in de aarde en haalt van daar­uit zijn voedsel. Beide elementen zijn nodig voor de geestelijke groei van de mens. Wan­neer de bijl aan de wortel van de bomen wordt gelegd, wordt deze geestelijke groei onmogelijk. Meestal is de boom dan ook al dood. Dat is de verkondiging van Johannes: de oude tijden zijn voorbij. In deze oude tij­den vond men de mogelijkheid tot geestelij­ke ontplooiing vanuit een bepaalde natuurlij­ke samenhang waartoe men behoorde.

Deze soort religie neemt nu met Johannes de Doper een einde. Een uiting van Jezus: ‘Jo­hannes is de grootste van degenen, die uit vrouwen geboren zijn maar de geringste in het rijk der hemelen is meer dan hij’ duidt aan dat de tijd waarin de geboorte in een be­paald volk of in een bepaalde familie beslis­send was voor het geestelijk leven van een mens, voorbij was. Men kan ook denken aan woorden als: ‘God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’. De afstamming geldt niet meer. Vanaf Jo­hannes de Doper geldt iets anders en Johan­nes maakt daarmee een begin: de individuele mens moet zelf zijn weg vinden. Bij Johan­nes betekende dit: eerst inzicht krijgen in de eigen ontoereikendheid. De doop bewerkte inzicht in de eigen zonden, de tekortkomin­gen. Deze zelfkennis is de eerste stap op de weg naar een eigen ontwikkeling wanneer ze niet verlammend werkt, maar wanneer er te­vens gewezen wordt op toekomstige moge­lijkheden. Johannes deed dat door de norma­le beroepsgewoonten van de mensen, die bij hem kwamen, te doorbreken. Soldaat zijn betekende: leven van plundering. Wie dat niet deed werd nooit rijk. Voor de belasting­ambtenaren gold iets dergelijks. Men pachtte het recht om belastingen (tol) te innen. Deze tollenaars moesten weer aan hun trekken ko­men door te overvragen. Dat was het norma­le beroepspatroon. Daarin een rechtvaardige houding te vinden, vereiste iedere keer weer een individuele beslissing. Men kon nooit meer handelen vanuit het groepsmotief.

Wanneer we nu terugkeren tot het feest van Johannes, dan zien we dat dit gevierd wordt na de zomerzonnewende. Historisch is dit ge­fundeerd in het feit dat Johannes een half jaar eerder werd geboren dan Jezus, volgens het evangelie van Lukas. Maar dat is niet be­slissend. Beslissend is het innerlijke karakter van Johannes: de tijd van de bloei van de na­tuur is voorbij en het zal er na de zomerzon­newende steeds meer op aankomen dat we gaan leven uit de krachten die we zelf ont­wikkelen. Deze krachten zijn als die van een boom. Ze moeten enerzijds van boven ko­men, anderzijds uit de aarde. Niemand van ons ontwikkelt zich los van het verleden. We brengen uit eigen incarnaties iets mee en we brengen iets mee door onze geboorte in een bepaald volk of een bepaalde familie. We kunnen dankbaar zijn voor wat we uit het verleden ontvangen, zoals we dankbaar kun­nen zijn voor wat de zomer ons brengt. Maar ook dat is niet alleen natuurlijk. In het voor­jaar waren het Pasen, Hemelvaart en Pinkste­ren, allemaal feesten die ons iets gegeven hebben van wat uit hogere werelden komt.
Dankbaar heffen we onze kruin omhoog, zoals we ook dankbaar kunnen zijn voor alles wat anderen voor ons doen, waardoor wij weer verder kunnen. In de natuur uit zich dat in de st.- jansloot, nog een laatste keer wordt ons iets geschonken, als het ware een wenk dat de schenkende machten ons niet in de steek laten. In de geestelijke ontwikkeling gaat het evenzo: wat wij eventueel aan vruchten voortbrengen, is nooit denkbaar zonder dat wat ons geschonken werd.

Zo wordt het feest van Johannes de Doper een dankfeest, maar met een zeer ernstige ondertoon  mens doe er wat mee. De wereld moet verder. En dat wordt gewild door geestelijke machten, maar ze hebben het aan ons toevertrouwd. Zo is het in de loop van de natuur: de vruchten komen straks door wat hemel en aarde ons schenken, maar wij moeten ze zelf oogsten en verwerken. Dat is de verantwoording waartoe Johannes oproept en die straks door Michaël zal worden opgenomen.
.

( Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’ nr.21, 12 juni 1981)
.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

180-170

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.