VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

.

EEN FEEST VAN EVENWICHT EN BEWEEGLIJKHEID 

De evenwichtige stand van de zon en de maan tegenover elkaar met precies daar tussenin de aarde is een gegeven voor het vaststellen van de datum waarop Pasen wordt gevierd. Deze voorwaarde betekent dat die datum voortdurend wisselt. Daarmee zijn twee essentiële kenmer­ken genoemd voor het paasgebeuren: beweeglijkheid en evenwicht als aan­wijzingen voor het innerlijk meebele­ven van het paasfeest.

In tegenstelling tot de data van het Michaelsfeest, Kerstmis en Sint-Jansdag, die alle vast­liggen, wisselt de datum van Pasen voortdu­rend. Zo beweeglijk als de constellatie van zon, maan en aarde is, zo beweeglijk is de paasdatum, die op de volgende wijze vastge­steld wordt: wanneer de aarde in haar baan het lentepunt heeft bereikt, de maan daarna vol geworden is, valt op de zondag, die daar­op volgt, Pasen.

Deze beweeglijkheid van de datum van Pasen geeft wellicht ook een aanwijzing voor de kwaliteit van dit feest: beweeglijkheid, in­nerlijke dynamiek. Behalve deze beweeglijk­heid, waar we hieronder nog op terugkomen, spreken de uiterlijk astronomische feiten nog een andere taal, namelijk die van het even­wicht, van het midden. Evenals voor het Michaelsfeest, dat kort na de herfstevening valt, dat wil zeggen wanneer dag en nacht even lang zijn, zon en maan even hoog boven de horizon komen en de plaatsen van zonsopgang en zonsondergang precies tegenover elkaar liggen, gelden deze verschijnselen van evenwicht ook voor de tijd dat de aarde het lentepunt passeert. Deze toestand van evenwicht wordt nog versterkt door de tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat het Pasen wordt, na­melijk de volle maan. De aarde staat dan – wat richting betreft – precies tussen zon en maan. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde – en daarmee de mens – in het midden. Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar de baan van de zon en die van de maan dezelf­de ‘helling’ hebben ten opzichte van de hori­zon; de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in te­genstelling tot de winter, waar de zon laag en de maan hoog aan de hemel staat; in de zo­mer is dit omgekeerd.

Het zou hier te ver voeren om ook nog de middenpositie van de zondag in de opbouw van de week na te gaan zoals dat in de Jonas van 4 april 1980 is gedaan. Samenvattend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht is bereikt (Wil­helm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’ aan hoe zestien kosmische even­wichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zon­dag na de lente-volle maan, dus met Pasen). Op deze beide elementen: beweeglijkheid en evenwicht willen we nader ingaan om daarin een aanwijzing te zoeken voor het innerlijk meebeleven, het meeverwerkelijken van het paasgebeuren.

Mercurius
Van de zeven planeten (in de klassieke zin van het woord) vertegenwoordigt Mercurius overduidelijk het element van de beweeglijk­heid. Snel en (schijnbaar) willekeurig be­schrijft hij meerdere malen per jaar een lusvormige baan, steeds een periode langzamer, dan weer sneller gaande ten opzichte van de sterrenhemel. Hij beweegt zich voor het oog voortdurend heen en weer om de zon als midden, waarbij de afstand tot dit middel­punt nooit groot wordt, aangezien Mercurius een binnenplaneet is met de kleinste en daar­mee snelstdoorlopen baan. Hierdoor komt het ook dat Mercurius zelden te zien is, om­dat hij meestal door het zonlicht wordt over­straald. Bij de beweeglijkheid zoekt Mercuri­us kennelijk ook het evenwicht, in die zin, dat hij steeds om het midden schommelt, waar hij nooit ver vandaan is!
Het is in dit verband kenmerkend hoe in de ordening van het weekritme de dag van Mercurius, de woensdag (Frans: mercredi) het midden van de week vertegenwoordigt, hetgeen in de Duitse naam voor woensdag, Mittwoch, duidelijk afleesbaar is.
Mercurius is altijd gezien als de genius, de ‘patroon’ van zowel de handel alsook van de geneeskunde, hetgeen we tot op de huidige dag nog kunnen zien aan bijvoorbeeld het vignet van het jaarbeursgebouw: de gevleu­gelde mercuriushoed, of het symbool van de geneeskunde, de mercuriusstaf met de slang (en).
Hoewel op het eerste gezicht de beroepen van handelaar en arts wel ver uit elkaar lijken te liggen, kunnen we bij nader inzien juist uitgesproken overeenkomsten vaststellen. Hoeveel uiteenlopende oorzaken verschillende ziekten ook kunnen hebben, de oorspron­kelijke oorzaak zal altijd liggen bij een niet of onvoldoende communiceren tussen orga­nen onderling of tussen een orgaan en het ge­hele organisme. Het onderlinge geven en ne­men is dan verstoord of gestagneerd, waar­door opeenhopende, woekerende tendenties of juist het tegenovergestelde het gevolg kan zijn, namelijk afstervende uitmergeling. Het gezondmaken (dus veel meer dan de symptoombestrijding) bestaat dan in een herstellen van het evenwicht, doordat geven en nemen weer in beweging komen. Wat aan stoffen of eigenschappen op de ene plaats te veel is, dient aan een andere plaats, waar te weinig aanwezig is ten goede te komen. De geneeskunde is in dit opzicht een gezondmakende ‘handel’, die opeenhoping enerzijds en ontbering anderzijds door een ‘mercuriaal’  geven en nemen weer in evenwicht brengt.

Jaïrus
Onder andere in het Marcusevangelie wordt een gebeurtenis beschreven, die het mercuriale, gezondmakende ‘handelen’ van Christus beschrijft. Het is de genezing, respectievelijk de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5). Nadat Jezus door de overste van de synagoge geroepen is om te komen en zijn dochtertje dat op sterven ligt te genezen, gaat Jezus inderdaad met hem mee: Onder­weg wordt hij opgehouden door een menig­te, die zich tegen hem opdringt. Daaronder bevindt zich een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen geleden heeft; zij raakt van achteren het gewaad van Jezus aan. Het vertrouwen dat dit haar zal helpen blijkt ge­rechtvaardigd, want ‘zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was’. Jezus bemerkt op datzelfde ogenblik dat een kracht van hem was uitgegaan, keert zich om en vraagt, wie hem heeft aangeraakt. Hij wil aan het schroomvallig van achteren benade­ren een bewuste ontmoeting toevoegen, oog in oog, hetgeen dan ook gebeurt.
Vervolgens blijkt dat deze genezing en ont­moeting veel meer met het lot van het doch­tertje van Jaïrus samenhangen dan alleen door het feit dat deze gebeurtenis plaats­vindt op weg naar het huis van Jaïrus. ‘Ter­wijl hij nog sprak (namelijk tot de vrouw) kwam men uit het huis van de overste der sy­nagoge hem zeggen: uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?’ Jezus echter stoort zich daar niet aan, vervolgt zijn weg en gaat het huis binnen. In tegenstelling tot het rumoer van de dringende menigte buiten, schept Jezus nu de stilte van een klei­ne intieme kring binnen. Deze polariteit en de schijnbaar onbelangrijke mededeling van de evangelist dat de vrouw twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen had geleden en dat het meisje dat wordt opgewekt (‘maagd, ik zeg u, sta op!’) twaalf jaar oud is, wijzen op een verband tussen beide genezingen. Hetgeen bij de vrouw te veel is, wil bij het meisje niet doorbreken, en Jezus beweegt zich daartus­sen als de mercuriale ‘bemiddelaar’. We krij­gen de indruk dat de opwekking van het dochtertje van Jaïrus niet ondanks het op­onthoud onderweg, maar wellicht mede dankzij deze ‘toevallige’ ontmoeting moge­lijk is geworden.

Hierin ligt – dunkt me – een belangrijk appèl besloten om in ons eigen leven mercuriaal en daarmee genezend te werken; om niet ‘toe­vallige’ situaties of ontmoetingen snel voor­bij te gaan omdat we menen dat deze sto­rend en tijdrovend in de weg staan en slechts afleiden van de veel belangrijkere dingen die we denken te moeten doen, maar dat we – in­tegendeel – dergelijke ‘toevalligheden’ vaak mogen zien als gebeurtenissen die ons inder­daad ‘toevallen’ en bij nader inzien elementen in zich dragen waarvan wij juist dankbaar ge­bruik kunnen maken.

Wanneer we er voldoende wakker voor zijn, kunnen wij ‘onderweg’ veel meer geven en nemen, dan we aanvankelijk vermoeden. Te­meer waar het ons meestal om het doel gaat dat we voor ogen hebben en we de weg er naartoe als een noodzakelijk kwaad beschou­wen, dat we zo snel mogelijk achter ons moeten laten. Voor ontmoetingen met men­sen of gebeurtenissen onderweg menen wij geen tijd te hebben, terwijl daar in nu juist zo’n rijkdom aan ‘toevalligheden’ die juist vaak met ons doel te maken hebben, beslo­ten ligt. Dit doel kan daardoor vaak veel dichter bij ons komen dan dat we het ge­haast en met oogkleppen op hadden kunnen bereiken.

Wanneer deze wetmatigheid niet alleen voor de enkeling, maar juist ook voor het hele weefsel van onderlinge lotsverbondenheden van vele mensen geldt, dan kunnen we ver­moeden, hoeveel mogelijkheden ons zijn ge­geven om de eenzijdigheden van onszelf en/ of van anderen aan te passen en aan te vul­len, zodat het grotere organisme evenwichti­ger en daarmee gezonder wordt. Aangezien wij – meestal onbewust – nogal ge­neigd zijn onze eigen eenzijdigheden en eigen-aardigheden te koesteren, betekent een correctie, aanvulling of aanpassing vaak een onaangename inbreuk en storing in onze le­venswandel. Deze levenswandel kan dan zelfs tot een lijdensweg worden, wanneer we ge­confronteerd worden met die eenzijdigheden of eigenaardigheden. En hoe minder wij ons daarvan bewust zijn, des te smartelijker is die confrontatie. Het is te vergelijken met een diagnose die gesteld wordt; sterker nog: het is een diagnose, hetgeen tenslotte letterlijk ‘door-kenning’ betekent.

Rafaël
Zoals een doelgerichte therapie ondenkbaar is zonder een gestelde diagnose, zo is Pasen ondenkbaar zonder voorafgaande lijdenstijd, zo is de opstanding pas mogelijk door de voorafgaande dood. ‘Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen met zichzelf; indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’, zijn de woorden van Jezus, die hij vlak voor zijn eigen dood uitspreekt (Johannes 12).

Uitgaande van de mercuriale genezende ele­menten van beweeglijkheid en evenwicht, ontdekken we nog andere kenmerken van het paasfeest, die ook met geneeskunde of heelkunde te maken hebben, respectievelijk daarmee vergelijkbaar zijn: de beide grond­pijlers diagnose en therapie. Wij mogen kennelijk de machtige, allesvernieuwende daad van de dood en opstanding zien als genezing voor de mensheid, waarbij wij diegene, die deze daad als eerste volbracht Christus, in dit verband als de wereld-arts mogen beschouwen.

Van de vier aartsengelen die de loop van het christelijke jaar begeleiden, is Rafaël de geni­us van de ‘lentefeesten’, hetgeen in het licht van het bovenstaande kenmerkend is, aange­zien deze naam – uit het Hebreeuws vertaald – betekent: ‘God geneest’ of de ‘genezende kracht van God’.

Met Pasen werkt bij uitstek de genezende kracht van God, doordat een hereniging, een ‘communie’ plaatsvindt tussen geest en stof, tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Deze hereniging heeft indertijd plaatsgevon­den, doordat de goddelijke geest van Chris­tus het menselijk lichaam van Jezus zo ge­heel doordrong, dat alles wat aan ziekte en dood in dit sterfelijke lichaam heerste in het licht van de genezings- en opstandingskracht werd overwonnen, waardoor aan dit lichaam onsterfelijk leven werd verleend.

Opstanding uit de dood wordt nu en in de toekomst daar verwerkelijkt, waar de Chris­tusgeest de sterfelijke, aardse stof doordringt om daaraan eeuwigheidswaarde te verlenen. Een gebeuren dat te vergelijken is met het proces dat de inhoud van een gedicht door­maakt. Oorspronkelijk ontstaat deze als le­vende inspiratie in de ziel van de kunstenaar om zich vervolgens door een meestal moei­zaam proces los te maken en vorm te vinden in het gesproken of geschreven woord. De idee of de inspiratie moet zich letterlijk en figuurlijk ‘verdichten’ totdat het uiteindelijk sterft in drukinkt en papier. Pas wanneer een menselijke geest zich invoelend met het ge­dicht verbindt, wordt de eigenlijke inhoud uit de verdichting bevrijd en staat daaruit op. Hoeveel is er in en door de mens verdicht en heeft daar een graf gevonden? Hoeveel kan er niet door invoelende mensengeesten in het licht van de opgestane Christus daaruit wor­den bevrijd?

Hoeveel meer Pasen kan het worden, naar­mate wij ons op innerlijk beweeglijke, mer­curiale wijze in dienst stellen van de Midde­laar tussen geest en stof, tussen hemel en aar­de, tussen God en mens; ïn dienst van de wereld-arts.

Maarten Udo de Haes ‘Jonas’17,  13 april 1984

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

133-128

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

3 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (25) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s