Tagarchief: paasdatum

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (34)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

DISCUSSIE OVER EEN VASTE PAASDATUM

In de jaren ’70 van de vorige eeuw was er een discussie over het vastzetten van de paasdatum.
Er was veel verzet tegen. De gezichtspunten die ten grondslag lagen aan dit verzet zijn nog steeds ‘van vandaag’.

KIEZEN VOOR RITME OF DOOD

In 1954 werd door India bij de Verenigde Naties een officieel verzoek ingediend om de bestaande (gregoriaanse) kalender te verbete­ren. De gregoriaanse kalender dateert van 1582. Verwarring en onzekerheid bij indus­trie zouden daardoor worden weggenomen.

In het bestaande systeem (daarnaast bestaan in India nog ongeveer 20 andere tijdrekenin­gen!) zijn de vier kwartalen 90 (in een schrikkeljaar 91), 91, 92 en 92 dagen lang. Samen 365 (366). Wanneer men elke 1e
ja­nuari op een zondag zou laten beginnen en elk kwartaal twee maanden van 30 dagen en één maand van 31 dagen zou geven, zou elk kwartaal 91 dagen lang zijn en precies der­tien weken. Dat is in één jaar 364 dagen. Dat is dus één dag te weinig en deze dag zou een wereldfeestdag worden zonder naam en zon­der datum. In een schrikkeljaar zijn er dan twee zulke dagen.

Bovendien zou het paasfeest moeten worden vastgelegd op de eerste of tweede zondag in april, dus op 1 of 8 april. Een gunstig jaar voor het invoeren zou een jaar zijn dat volgens de bestaande tijdreke­ning op een zondag begint. Zo’n jaar was 1956 of 1961.

De poging mislukte. Er kwam veel verzet. Een nieuwe situatie ontstond in 1963. Het tweede Vaticaans Concilie stemde toe in het vastleggen van de paasdatum binnen de gre­goriaanse kalender ‘wanneer allen, die het aangaat, toestemmen, in het bijzonder de broeders, die van de gemeenschap met de apostolische stoel gescheiden zijn’. Boven­dien was het concilie niet tegen een eeuwig­durende kalender (elk jaar met zondag 1 ja­nuari beginnend), mits het ritme van de week niet werd aangetast.

De eerste toestemming werd waardeloos doordat zowel orthodoxe kerken (Russische en Griekse) tegen waren alsook de joodse gemeenschap. Het tweede ‘niet tegen’ is in zichzelf waardeloos omdat zo’n kalender alleen tot stand kan komen met invoeging van jaarlijks één dag tussen de weken, zodat ieder jaar het begin van de week één dag la­ter komt en de eerstvolgende zondag niet 8, maar 9 (in een schrikkeljaar 10) dagen na de vorige zondag valt, Daardoor wordt het rit­me van de week aangetast, hetgeen overeen­komt daarmee dat het hart na elke 52 slagen er één zou overslaan. Hieraan is niet te ont­komen omdat we veel kunnen veranderen maar niet het feit dat één rondgang van de aarde om de zon 365, 2422 dag duurt.

Wie denkt dat hiermee de zaak dus is beslist, heeft het mis. 1967 was opnieuw een jaar dat met een zondag begon. Het verzet was nog zeer actief en er gebeurde niets. Het eerstvolgende jaar dat in aanmerking komt is 1978 en inderdaad is de strijd weer opge­leefd. Van het Vaticaan ging in mei 1975 het plan uit om vanaf 1977 Pasen steeds op de zondag na de tweede zaterdag in april te laten vallen. De Nederlandse bisschoppenconferentie vroeg het oordeel van de Raad van Kerken en de Assemblee van de Wereld­raad zette het in Nairobi op de agenda. Daar is het vrijwel geruisloos behandeld. Men was er niet voor maar maakte er ook niet veel drukte over.

Wat steekt er achter dit voorstel? Merkwaar­dig is het jaar van invoering. Niet 1978, als het jaar met een zondag begint, maar een jaar eerder. Is dit een drukfout in het kran­tenbericht? of moet de wind uit de zeilen ge­nomen worden van die hervormers, die tege­lijk met de paasdatum ook het
eeuwigdu­rende gelijke begin van het jaar willen vast­leggen?

In oktober 1975 verscheen in het dagblad Trouw een fel en emotioneel artikel van Dr. W. Barnard over het vastleggen van de paas­datum: ‘als ze het echt zouden invoeren, houdt het voor mij op met de kerk’. Door dit artikel zijn grote tegenstellingen en be­roeringen in de kerkelijke kringen ontstaan. Wat is hier aan de hand? Is dit een aangele­genheid van een steeds afnemend aantal ‘kerkmensen’? Of is het een mensheidsaange­legenheid?

Barnard ziet drie facetten aan de vaste paas­datum. Twee ervan hebben betrekking op het Oude Testament en het Jodendom, het derde op de concessie aan hen, ‘die techniek, industrie, mechanisch denken belangrijker vinden dan de levende aarde en het beteke­nisvolle bestaan van seizoenen, getijden, na­tuurlijke gegevens, tekenen van schepping, mits we ze verstaan in het licht van de Schrift’.

Het gaat om twee vragen: 1e de paasdatum en 2e de week die met de zondag begint. De paasdatum hangt inderdaad met de jood­se traditie samen evenals de week van zeven dagen.

Het joodse paasfeest was een bevrijdings­feest: herinnering aan de uittocht uit Egypte. Deze uittocht was bewerkt door de god Jahveh. Jahveh was een maangod. Zijn feest was dus een maanfeest. Het paasfeest werd ge­vierd bij de eerste volle maan in de lente. Dat was altijd dezelfde datum, de 14e Nisan, omdat de joodse tijdrekening zich richtte naar de maan. Bij elke nieuwe maan begon een nieuwe maand.

Wat nu echter door de meeste theologen, die zich hiermee bezig houden, voortdurend over het hoofd gezien wordt, is dat het chris­telijke paasfeest zijn oorsprong heeft in de opstanding. Het historische paasfeest bij de kruisiging begon op een vrijdagavond, de 14e Nisan, en duurde tot zaterdagavond (en nog een week daarna maar niet meer zo inten­sief). Op de eerste dag na de sabbat (de jood­se dagen werden geteld als eerste, tweede, enz. dag na de sabbat) vond de opstanding plaats, dit is op onze zondag.

Daar zit nu juist het wezenlijke punt. De wekelijkse feestdag was niet meer de sabbat, maar de zondag. Oorspronkelijk werden door de joodse Christenen beide dagen waar­schijnlijk gevierd. Ongeveer 150 na Chr. schrijft Justinus Martyr aan de keizer: wij vieren als de dag van de Heer (dies domini) de dag die u zondag (dies solis) noemt. Daarmee staat de christelijke week anders in de wereld dan de joodse week. De heilige dag is niet meer het einde maar het begin, de eer­ste dag van de week, niet de dag van Saturnus, de doodsgod, maar de dag van het we­reldlicht, de zon.

Het hele paasfeest staat in het teken van de zon. Ten eerste moet de voorjaarsevening gepasseerd zijn, dit wil zeggen de dag moet langer zijn dan de nacht; ten tweede moet de volle maan voorbij zijn, dit wil zeggen het gespiegelde zonnelicht neemt als licht van de nacht af. Omdat de eerste zondag na volle maan paasdag is, kan die dag nooit later val­len dan het laatste kwartier, dus nooit op volle maan of nieuwe maan of wassende maan. Er kan dus ook nooit een zonsverduistering plaatsvinden op Pasen want daarvoor is een nieuwe maan nodig. Het maankarakter treedt door deze bepaling op de achtergrond en de zon meer op de voorgrond. Ten derde wordt het paasfeest op een zondag gevierd. Een kalenderwijziging die de eerste januari op een zondag vastlegt en de paasdatum op de eerste of tweede zondag in april – of ook alleen de laatste wijziging — zou kunnen be­werken dat Pasen samenviel met volle maan of een zonsverduistering!

Waarom moet het maankarakter naar de ach­tergrond verdwijnen? Alle voorchristelijke religiositeit ging uit van het nachtelijk bele­ven. Dan was er nog een verbinding met ho­gere werelden mogelijk. Dus bij gedempt bewustzijn, dromend of slapend. Het christendom doet een beroep op het volle dag-bewustzijn. In het volle actieve aardeleven willen de Christuskrachten ingrijpen. De uit­beelding hiervan (als werkelijkheid en niet als symbool) is het zonnekarakter van het paasfeest. Dat kan alleen bewaard blijven bij een bewegelijke paasdatum. Daarbij komt nog het volgende: in het ene jaar is de tijd tussen Kerstmis en Pasen langer of korter dan het andere jaar en de tijd van Pinksteren tot aan midzomer (St. -Jan)
dien­overeenkomstig korter of langer. Deze varia­tie kan ongeveer 5 weken bedragen! Men kan trachten zich in te leven in dit pro­ces. In het voorjaar langer of korter wachten op de kracht die de dood overwint en die ons geschonken wordt door de opstanding.

En dan in de zomer sneller of minder snel toeleven naar het punt waar het geschenk van het licht reeds gaat afnemen en een be­roep wordt gedaan op wat wij er nu zelf mee gaan doen om herfst en winter te gaan door­dringen met de lichtkrachten, die ons zijn toevertrouwd.

Dit is een levensproces dat men niet abstract beredeneren kan maar dat nagevoeld wil worden. De onregelmatigheid van het ritme is kenmerk van het leven. Vasthouden aan dit ritme is niet vasthouden aan een traditie, maar kiezen voor het leven tegenover de dood, voor de dag tegenover de nacht.

(J. Knijpenga Jonas 16, 09-04-1976)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

516-477

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (33)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

OVER DE VIERLEDIGHEID VAN DE PAASBEREKENING

Hoe wordt de paasdatum berekend.

Stoffelijk

Om een antwoord te vinden dat ook een modern gewoon verstand kan
be­vredigen, moet je de paasregel in zijn vierledigheid zien. Er is bij de berekening van de paasdatum namelijk sprake van vier feiten, die met elkaar samenhangen.
In de eerste plaats wordt Pasen altijd in het voorjaar ge­vierd (dus 1 maal per jaar). Dat is na­dat de zon het zogenaamde lente­punt doorschreden heeft, ofwel pre­cies in het oosten is opgegaan. Je moet je hiertoe even realiseren dat de zon normalerwijze niet in het oosten opgaat, maar elke dag op een andere plaats aan de horizon. ’s Zomers meer naar het noorden toe, ’s winters meer naar het zuiden. Slechts op twee ogen­blikken per jaar komt de zon werke­lijk precies in het oosten op, dat is (doorgaans) op 21 maart en omstreeks 21 of 22 september. Voor de aarde be­gint er op 21 maart een “nieuwjaar”, in die zin dat de dagen na dat ogen­blik langer worden dan de nachten. De mensen tellen hun leeftijd naar dit soort ritme, namelijk naar jaren. (Alleen van zuigelingen zeg je, hoeveel weken of maanden zij oud zijn.) Als je zegt hoeveel jaar oud je bent, bedoel je de leeftijd van je stoffelijke lichaam. Het is dan ook schokkend als je van iemand die vijftig jaar oud is zegt, dat hij eigenlijk nog in de pu­berteit zit — je bedoelt daarmee dat hij innerlijk nog geen vijftig is. Verder is het in onze cultuur een heel opval­lend feit dat we de historie rekenen naar het aantal jaren dat verlopen is sinds de geboorte van Christus. Of, om het preciezer uit te drukken: sinds de geboorte van Jezus van Nazareth, dus de geboorte van zijn stoffelijk lich­aam. (De “Christus” werd volgens de oudste manuscripten van het Lukasevangelie pas bij de doop in de Jordaan geboren, dus toen Jezus bijna 30 jaar oud was).

Hier vindt men de eerste schakel van de berekening van Pasen: het fysieke feit dat er in het jaar op een bepaald ogenblik is te beginnen, namelijk 21 maart, de doorgang van de zon door het lentepunt, een kwestie die zich afspeelt tussen zon en aarde. Ik zou dit even een fysiek feit willen noemen, je kunt het tellen naar het rit­me van ons stoffelijk lichaam. Later blijkt waarom.

Biologisch

De volgende schakel voor de bereke­ning van de paasdatum is de stand van de maan. Deze heeft een heel ei­gen cyclus, die niet naar zonjaren wordt gerekend, maar naar volle ma­nen. Een maancyclus duurt ruim 28 dagen. In de volksmond, in de huise­lijke praktijk van ons leven, bij geeste­lijk gestoorden en in vele andere ge­bieden van ons bestaan, is dit ritme bekend. Slaapwandelaars worden “maanziek” genoemd; gedurende een bepaalde periode van haar leven is de als vrouw geïncarneerde mens met betrekking tot haar vruchtbaarheid aan dit ritme onderhevig. Het ritme van de maan regeert eb en vloed, beïnvloedt de landbouw (doordat de kwaliteit wordt bepaald door de stand van de maan ten tijde van het zaaien). Kort­om: de maan is regent in de levens­sfeer, heeft een diepe invloed op ons biologisch bestaan. Ik zou de maancyclus een biologisch ritme wil­len noemen, omdat er in de fysieke mens een soort biologische mens schuilgaat, een heel samenhangend complex van levensprocessen, die hele­maal niet in een
jaarritme verlopen, maar in een maan(d)ritme. Het ritme van ons zogenaamde levens- of “etherlich­aam” is 28 dagen.

Psychisch

Voor de derde schakel in de paasberekening moet je naar de week kijken. Het is immers de regel, dat de week waarin de paas-volle-maan valt, eerst voorbij moet zijn. Valt volle maan in het voorjaar bijvoorbeeld op een zon­dag of maandag, dan moeten eerst nog alle volgende dagen van de week voor­bijgaan, voordat het Pasen kan worden. Het geldt ook hier, net als bij de twee voorgaande ritmen — jaar en maan(d) – dat zij eerst vervuld of “vol” moeten zijn: het nieuwe voorjaar moet zijn aangebroken, de maan moet vol zijn geweest, de week moet met al zijn zeven dagen voorbij zijn. Is “week” ook een objectief ritme?
Ons gehele openbare en persoonlijke leven verloopt in grote trekken in het week-ritme. Bij een dieper onderzoek blijkt, dat dit met de ziel van de mens samen­hangt. Er zijn ook in het occultisme gegevens te vinden die de samenhang vertonen tussen de menselijke ziele-organen (lotos-bloemen) en de zeven planeten; gerekend van de onderste dezer zeven centra hebben zij de volg­orde maan-mercurius-venus, zon (hart) mars-jupiter-saturnus. Het zielenleven van ons mensen zou naar alle waarschijnlijkheid in een
ver­schrikkelijke chaos raken, als we het zevendaagse leefritme zouden doorbreken. Bij de paasberekening is ook dit ritme betrokken, als het ritme van de zeven-dagen-week van de psyche.

Het Ik

Nu is er nog een vierde element voor Pasen nodig. Het feest wordt name­lijk uitsluitend op zondag gevierd. Wat is dat voor een ritme? Bij enig nadenken ligt dat eigenlijk nog het meest voor de hand: elke dag begint niet alleen met een zonsopgang, maar ook met ons ontwaken. Welk deel van ons mensenwezen heeft de dag als rit­me? Het ik, de onverwisselbare per­soonlijkheid, die een eigen naam draagt en zichzelf met “ik” aanduidt. Het prototype van een echte “dag” is niet zomaar een dag, maar is de zon­dag. Niet opgevat als een gezellige luier-dag of een uitrust-dag, of zelfs als “het eind van de week”.
De opgave van dat “ik” is tweeërlei — aan de ene kant is het nodig om de zielenkrachten ermee te beheersen (of als een kleine koning in dat
konink­rijkje van de ziel te regeren), aan de andere kant de krachten die dat “ik” heeft, niet alleen aan de eigen levens­onderneming (het ego) te wijden, maar er ook zelfoverwinningen mee te behalen en ze van tijd tot tijd aan een goed werelddoel weg te schen­ken. Het beste wordt een “ik” als het zich helemaal aan iets anders wijdt dan zichzelf (bijvoorbeeld mensen uit een brandend huis redden, of je voor een ideaal inzetten).
Het voorbeeld van deze hogere ik-kracht is Christus. Hij wordt het Ik van de gehele mens­heid genoemd, en in het Johannesevangelie is in de hoofstukken 14 tot en met 17 na te lezen waarom dat zo is.

Nu hebben we echter een achtergrond voor de berekening van Pasen
gevon­den, in overeenstemming met vier verschillende ritmen waaraan wij men­sen aandeel hebben: in fysiek opzicht met het jaar – dat moet in het voorjaar nieuw begonnen zijn; in biologisch (of “etherisch”) opzicht met de maan(d) — er moet een volle maan verschenen zijn; in psychisch (of “astraal”) opzicht met de week – er moet een oude week voleindigd zijn; in inividueel opzicht moet er een zondag zijn aangebroken, als im­puls voor ons “ik”.
Dat is de paasregel, die het feest van de opstanding bepaalt.
Opstanding waarvan? Van de mens, en wel van de gehele, vierle­dige mens naar lichaam, leven, ziel en geest.

Is dat alles? Het is heel veel, maar het is niet alles. Want de opstanding geldt ook voor de natuur, de levens-hernieu­wing is ook werkzaam in planten- en dierenrijk, en in de aarde.
Opstanding geldt voor de hele aarde, en ook over de hele aarde; voor de elementen die onze planeet stof, leven, ademen warm­te geven; voor alle landen, gebergten, oceanen.
Als je Pasen viert, kun je niet alleen aan je eigen provincie den­ken – Pasen geldt de hele aarde.

Op zondag 7 april 1974 was het echter nog niet overal op aarde bij het aanbreken van de nieuwe dag “volle maan” geweest. Op ongeveer de helft van de aarde, naar het oosten toe, kwam de volle maan op terwijl het daar al zondag was geworden: Daarom is het in kosmopolitisch op­zicht een goede regel, die Pasen dat jaar op 14 april stelde. En daarmee ook de datum voor Hemelvaart èn voor Pink­steren in een groot verband plaatste, in een ritmisch, micro- én macrokosmisch verband, dat de hele mensheid en de hele aarde omvat.
.

(aantekeningen op basis van een artikel van J.E.Zeylmans van Emmichoven in Jonas 19 april 1974)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

515-476

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (22)

.

EEN FEEST VAN EVENWICHT EN BEWEEGLIJKHEID 

De evenwichtige stand van de zon en de maan tegenover elkaar met precies daar tussenin de aarde is een gegeven voor het vaststellen van de datum waarop Pasen wordt gevierd. Deze voorwaarde betekent dat die datum voortdurend wisselt. Daarmee zijn twee essentiële kenmer­ken genoemd voor het paasgebeuren: beweeglijkheid en evenwicht als aan­wijzingen voor het innerlijk meebele­ven van het paasfeest.

In tegenstelling tot de data van het Michaelsfeest, Kerstmis en Sint-Jansdag, die alle vast­liggen, wisselt de datum van Pasen voortdu­rend. Zo beweeglijk als de constellatie van zon, maan en aarde is, zo beweeglijk is de paasdatum, die op de volgende wijze vastge­steld wordt: wanneer de aarde in haar baan het lentepunt heeft bereikt, de maan daarna vol geworden is, valt op de zondag, die daar­op volgt, Pasen.

Deze beweeglijkheid van de datum van Pasen geeft wellicht ook een aanwijzing voor de kwaliteit van dit feest: beweeglijkheid, in­nerlijke dynamiek. Behalve deze beweeglijk­heid, waar we hieronder nog op terugkomen, spreken de uiterlijk astronomische feiten nog een andere taal, namelijk die van het even­wicht, van het midden. Evenals voor het Michaelsfeest, dat kort na de herfstevening valt, dat wil zeggen wanneer dag en nacht even lang zijn, zon en maan even hoog boven de horizon komen en de plaatsen van zonsopgang en zonsondergang precies tegenover elkaar liggen, gelden deze verschijnselen van evenwicht ook voor de tijd dat de aarde het lentepunt passeert. Deze toestand van evenwicht wordt nog versterkt door de tweede voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat het Pasen wordt, na­melijk de volle maan. De aarde staat dan – wat richting betreft – precies tussen zon en maan. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde – en daarmee de mens – in het midden. Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar de baan van de zon en die van de maan dezelf­de ‘helling’ hebben ten opzichte van de hori­zon; de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in te­genstelling tot de winter, waar de zon laag en de maan hoog aan de hemel staat; in de zo­mer is dit omgekeerd.

Het zou hier te ver voeren om ook nog de middenpositie van de zondag in de opbouw van de week na te gaan zoals dat in de Jonas van 4 april 1980 is gedaan. Samenvattend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht is bereikt (Wil­helm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’ aan hoe zestien kosmische even­wichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zon­dag na de lente-volle maan, dus met Pasen). Op deze beide elementen: beweeglijkheid en evenwicht willen we nader ingaan om daarin een aanwijzing te zoeken voor het innerlijk meebeleven, het meeverwerkelijken van het paasgebeuren.

Mercurius
Van de zeven planeten (in de klassieke zin van het woord) vertegenwoordigt Mercurius overduidelijk het element van de beweeglijk­heid. Snel en (schijnbaar) willekeurig be­schrijft hij meerdere malen per jaar een lusvormige baan, steeds een periode langzamer, dan weer sneller gaande ten opzichte van de sterrenhemel. Hij beweegt zich voor het oog voortdurend heen en weer om de zon als midden, waarbij de afstand tot dit middel­punt nooit groot wordt, aangezien Mercurius een binnenplaneet is met de kleinste en daar­mee snelstdoorlopen baan. Hierdoor komt het ook dat Mercurius zelden te zien is, om­dat hij meestal door het zonlicht wordt over­straald. Bij de beweeglijkheid zoekt Mercuri­us kennelijk ook het evenwicht, in die zin, dat hij steeds om het midden schommelt, waar hij nooit ver vandaan is!
Het is in dit verband kenmerkend hoe in de ordening van het weekritme de dag van Mercurius, de woensdag (Frans: mercredi) het midden van de week vertegenwoordigt, hetgeen in de Duitse naam voor woensdag, Mittwoch, duidelijk afleesbaar is.
Mercurius is altijd gezien als de genius, de ‘patroon’ van zowel de handel alsook van de geneeskunde, hetgeen we tot op de huidige dag nog kunnen zien aan bijvoorbeeld het vignet van het jaarbeursgebouw: de gevleu­gelde mercuriushoed, of het symbool van de geneeskunde, de mercuriusstaf met de slang (en).
Hoewel op het eerste gezicht de beroepen van handelaar en arts wel ver uit elkaar lijken te liggen, kunnen we bij nader inzien juist uitgesproken overeenkomsten vaststellen. Hoeveel uiteenlopende oorzaken verschillende ziekten ook kunnen hebben, de oorspron­kelijke oorzaak zal altijd liggen bij een niet of onvoldoende communiceren tussen orga­nen onderling of tussen een orgaan en het ge­hele organisme. Het onderlinge geven en ne­men is dan verstoord of gestagneerd, waar­door opeenhopende, woekerende tendenties of juist het tegenovergestelde het gevolg kan zijn, namelijk afstervende uitmergeling. Het gezondmaken (dus veel meer dan de symptoombestrijding) bestaat dan in een herstellen van het evenwicht, doordat geven en nemen weer in beweging komen. Wat aan stoffen of eigenschappen op de ene plaats te veel is, dient aan een andere plaats, waar te weinig aanwezig is ten goede te komen. De geneeskunde is in dit opzicht een gezondmakende ‘handel’, die opeenhoping enerzijds en ontbering anderzijds door een ‘mercuriaal’  geven en nemen weer in evenwicht brengt.

Jaïrus
Onder andere in het Marcusevangelie wordt een gebeurtenis beschreven, die het mercuriale, gezondmakende ‘handelen’ van Christus beschrijft. Het is de genezing, respectievelijk de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marcus 5). Nadat Jezus door de overste van de synagoge geroepen is om te komen en zijn dochtertje dat op sterven ligt te genezen, gaat Jezus inderdaad met hem mee: Onder­weg wordt hij opgehouden door een menig­te, die zich tegen hem opdringt. Daaronder bevindt zich een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen geleden heeft; zij raakt van achteren het gewaad van Jezus aan. Het vertrouwen dat dit haar zal helpen blijkt ge­rechtvaardigd, want ‘zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was’. Jezus bemerkt op datzelfde ogenblik dat een kracht van hem was uitgegaan, keert zich om en vraagt, wie hem heeft aangeraakt. Hij wil aan het schroomvallig van achteren benade­ren een bewuste ontmoeting toevoegen, oog in oog, hetgeen dan ook gebeurt.
Vervolgens blijkt dat deze genezing en ont­moeting veel meer met het lot van het doch­tertje van Jaïrus samenhangen dan alleen door het feit dat deze gebeurtenis plaats­vindt op weg naar het huis van Jaïrus. ‘Ter­wijl hij nog sprak (namelijk tot de vrouw) kwam men uit het huis van de overste der sy­nagoge hem zeggen: uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig?’ Jezus echter stoort zich daar niet aan, vervolgt zijn weg en gaat het huis binnen. In tegenstelling tot het rumoer van de dringende menigte buiten, schept Jezus nu de stilte van een klei­ne intieme kring binnen. Deze polariteit en de schijnbaar onbelangrijke mededeling van de evangelist dat de vrouw twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen had geleden en dat het meisje dat wordt opgewekt (‘maagd, ik zeg u, sta op!’) twaalf jaar oud is, wijzen op een verband tussen beide genezingen. Hetgeen bij de vrouw te veel is, wil bij het meisje niet doorbreken, en Jezus beweegt zich daartus­sen als de mercuriale ‘bemiddelaar’. We krij­gen de indruk dat de opwekking van het dochtertje van Jaïrus niet ondanks het op­onthoud onderweg, maar wellicht mede dankzij deze ‘toevallige’ ontmoeting moge­lijk is geworden.

Hierin ligt – dunkt me – een belangrijk appèl besloten om in ons eigen leven mercuriaal en daarmee genezend te werken; om niet ‘toe­vallige’ situaties of ontmoetingen snel voor­bij te gaan omdat we menen dat deze sto­rend en tijdrovend in de weg staan en slechts afleiden van de veel belangrijkere dingen die we denken te moeten doen, maar dat we – in­tegendeel – dergelijke ‘toevalligheden’ vaak mogen zien als gebeurtenissen die ons inder­daad ‘toevallen’ en bij nader inzien elementen in zich dragen waarvan wij juist dankbaar ge­bruik kunnen maken.

Wanneer we er voldoende wakker voor zijn, kunnen wij ‘onderweg’ veel meer geven en nemen, dan we aanvankelijk vermoeden. Te­meer waar het ons meestal om het doel gaat dat we voor ogen hebben en we de weg er naartoe als een noodzakelijk kwaad beschou­wen, dat we zo snel mogelijk achter ons moeten laten. Voor ontmoetingen met men­sen of gebeurtenissen onderweg menen wij geen tijd te hebben, terwijl daar in nu juist zo’n rijkdom aan ‘toevalligheden’ die juist vaak met ons doel te maken hebben, beslo­ten ligt. Dit doel kan daardoor vaak veel dichter bij ons komen dan dat we het ge­haast en met oogkleppen op hadden kunnen bereiken.

Wanneer deze wetmatigheid niet alleen voor de enkeling, maar juist ook voor het hele weefsel van onderlinge lotsverbondenheden van vele mensen geldt, dan kunnen we ver­moeden, hoeveel mogelijkheden ons zijn ge­geven om de eenzijdigheden van onszelf en/ of van anderen aan te passen en aan te vul­len, zodat het grotere organisme evenwichti­ger en daarmee gezonder wordt. Aangezien wij – meestal onbewust – nogal ge­neigd zijn onze eigen eenzijdigheden en eigen-aardigheden te koesteren, betekent een correctie, aanvulling of aanpassing vaak een onaangename inbreuk en storing in onze le­venswandel. Deze levenswandel kan dan zelfs tot een lijdensweg worden, wanneer we ge­confronteerd worden met die eenzijdigheden of eigenaardigheden. En hoe minder wij ons daarvan bewust zijn, des te smartelijker is die confrontatie. Het is te vergelijken met een diagnose die gesteld wordt; sterker nog: het is een diagnose, hetgeen tenslotte letterlijk ‘door-kenning’ betekent.

Rafaël
Zoals een doelgerichte therapie ondenkbaar is zonder een gestelde diagnose, zo is Pasen ondenkbaar zonder voorafgaande lijdenstijd, zo is de opstanding pas mogelijk door de voorafgaande dood. ‘Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen met zichzelf; indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort’, zijn de woorden van Jezus, die hij vlak voor zijn eigen dood uitspreekt (Johannes 12).

Uitgaande van de mercuriale genezende ele­menten van beweeglijkheid en evenwicht, ontdekken we nog andere kenmerken van het paasfeest, die ook met geneeskunde of heelkunde te maken hebben, respectievelijk daarmee vergelijkbaar zijn: de beide grond­pijlers diagnose en therapie. Wij mogen kennelijk de machtige, allesvernieuwende daad van de dood en opstanding zien als genezing voor de mensheid, waarbij wij diegene, die deze daad als eerste volbracht Christus, in dit verband als de wereld-arts mogen beschouwen.

Van de vier aartsengelen die de loop van het christelijke jaar begeleiden, is Rafaël de geni­us van de ‘lentefeesten’, hetgeen in het licht van het bovenstaande kenmerkend is, aange­zien deze naam – uit het Hebreeuws vertaald – betekent: ‘God geneest’ of de ‘genezende kracht van God’.

Met Pasen werkt bij uitstek de genezende kracht van God, doordat een hereniging, een ‘communie’ plaatsvindt tussen geest en stof, tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Deze hereniging heeft indertijd plaatsgevon­den, doordat de goddelijke geest van Chris­tus het menselijk lichaam van Jezus zo ge­heel doordrong, dat alles wat aan ziekte en dood in dit sterfelijke lichaam heerste in het licht van de genezings- en opstandingskracht werd overwonnen, waardoor aan dit lichaam onsterfelijk leven werd verleend.

Opstanding uit de dood wordt nu en in de toekomst daar verwerkelijkt, waar de Chris­tusgeest de sterfelijke, aardse stof doordringt om daaraan eeuwigheidswaarde te verlenen. Een gebeuren dat te vergelijken is met het proces dat de inhoud van een gedicht door­maakt. Oorspronkelijk ontstaat deze als le­vende inspiratie in de ziel van de kunstenaar om zich vervolgens door een meestal moei­zaam proces los te maken en vorm te vinden in het gesproken of geschreven woord. De idee of de inspiratie moet zich letterlijk en figuurlijk ‘verdichten’ totdat het uiteindelijk sterft in drukinkt en papier. Pas wanneer een menselijke geest zich invoelend met het ge­dicht verbindt, wordt de eigenlijke inhoud uit de verdichting bevrijd en staat daaruit op. Hoeveel is er in en door de mens verdicht en heeft daar een graf gevonden? Hoeveel kan er niet door invoelende mensengeesten in het licht van de opgestane Christus daaruit wor­den bevrijd?

Hoeveel meer Pasen kan het worden, naar­mate wij ons op innerlijk beweeglijke, mer­curiale wijze in dienst stellen van de Midde­laar tussen geest en stof, tussen hemel en aar­de, tussen God en mens; ïn dienst van de wereld-arts.

Maarten Udo de Haes ‘Jonas’17,  13 april 1984

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

133-128

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (18)

.

PASEN LOOPT NAAR DE MAAN

Door eeuwenlang geharrewar met kalenders bleef de paasdatum zweven

Terwijl Kerstmis al eeu­wenlang een vaste plaats heeft op de kalender, stelt Pa­sen ons elk jaar weer voor een verrassing. In totaal zijn er 35 data waarop Pasen kan vallen, en dit jaar* vindt Pasen op een van de vroegst moge­lijke dagen plaats.
Het ontbreken van een vaste datum voor het paasfeest heeft in de loop der tijden voor de no­dige hoofdbrekens en conflicten gezorgd. Maar eerst iets over het ontstaan van onze huidige kalender.

De basis hiervoor is gelegd door Julius Caesar, in de eerste eeuw voor Christus. Voordat Caesar zijn Juliaanse kalender invoerde, was de Romeinse ka­lender een behoorlijk rom­meltje. Het jaar telde 355 dagen, die waren verdeeld over twaalf maanden. Om in overeenstem­ming te blijven met de seizoenen werd elke twee jaar een extra maand van 22 of 23 dagen inge­voegd.

Omdat het aldus gevormde jaar nog steeds niet synchroon liep met het zonnejaar (de tijd waarin de aarde een volledige baan rond de zon beschrijft), ging deze kalender steeds meer uit de pas lopen met de jaarge­tijden.
Speciale functionarissen, de pontifices, hadden tot taak deze afwijkingen te corrigeren. Maar dit gebeurde met zoveel willekeur, dat er op den duur voor niemand meer een touw aan vast te knopen was.

Een verblijf in Egypte bracht Caesar op het juiste spoor. Hij raakte hier niet alleen onder be­koring van Cleopatra, maar ook van het kalendersysteem van de Egyptenaren, die een zuivere zonnekalender hanteerden. Cleo­patra schonk hij een kind en het kalendersysteem nam hij mee naar Rome.

Het jaar kreeg 365 dagen, ver­deeld over de twaalf maanden, op een wijze die we nu nog steeds kennen. Ook bepaalde Caesar dat eens per vier jaar een schrikkeldag moest worden ingevoerd om te corrigeren voor het feit dat een volledig zonne­jaar eigenlijk een kwart dag lan­ger duurt dan 365 dagen.
Er gingen enige decennia overheen voor het nieuwe kalen­dersysteem goed doorgedrongen was, maar omstreeks het begin van onze jaartelling waren de meeste plooien gladgestreken.

Joods feest
Terug naar de paasdatum nu. Pasen is van oorsprong het feest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte herdenken. Hun paas­feest (Pesach) duurt een week en begint van oudsher op de veer­tiende van de maand nisan, de lentemaand.
Voor de Joden heeft Pesach dus een vaste plaats op de kalen­der. Maar vanuit onze kalender bekeken valt de veertiende nisan elk jaar op een andere datum. Dit komt doordat de Joden een maankalender hanteren; voor het begin van hun maanden gaan ze uit van de stand van de maan.

Met de komst van het chris­tendom kreeg het paasfeest een nieuwe inhoud. Voor de christe­nen werd het de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Al snel ontstond er me­ningsverschil over de vraag wanneer dit christelijke Pasen gevierd moest worden.

Voor de Joodse christenen was de keus niet zo moeilijk. Zij hielden veelal de veertiende ni­san aan, de dag van Jezus’ kruis­dood. De niet-Joodse christenen voelden er echter weinig voor om de datum van hun belang­rijkste feestdag te laten bepalen door de Joodse tijdrekening. Maar wanneer dan?

Nicea
Na een lange periode van he­vige conflicten over deze kwes­tie werd uiteindelijk in 325 na Chr. op het concilie van Nicea de strijdbijl begraven. De kerkva­ders besloten dat Pasen zou val­len op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Meestal betekent dit de eerste zondag na het joodse paasfeest; dit jaar* vindt het joodse paas­feest echter in april plaats.

Ook onze paasdatum is dus afhankelijk van de maanstand en dit veroorzaakt de grilligheid van de paasdatum. Op zijn vroegst valt Pasen op 22 maart, wat in 1919 voor het laatst is voorgekomen en pas in 2285 weer zal gebeuren. De uiterste datum is 25 april; dit was in 1943 het geval.

Maar nog waren alle proble­men niet opgelost. Dat zat hem in een subtiel foutje van de Ju­liaanse kalender. Volgens deze kalender duurt een jaar 365 en een kwart dag. Maar in werke­lijkheid is dit elf minuten korter. Dit had tot gevolg dat na verloop van tijd de Juliaanse kalender achterliep bij het ‘echte’ jaar. Elke vier eeuwen leverde een achterstand van drie dagen op.

Afwijking
Een dergelijke afwijking had natuurlijk ook consequenties voor de paasdatum. Doordat het begin van de lente op de Ju­liaanse kalender te laat kwam, zou Pasen op het verkeerde mo­ment kunnen vallen. Vele kerk­geleerden hebben hun tanden in dit probleem gezet, maar pas in de zestiende eeuw werd een op­lossing gevonden, die de reli­gieuze gevoeligheden voldoende tegemoetkwam.

Op last van paus Gregorius XIII werden in 1582 tien dagen weggestreept om zodoende de opgelopen achterstand in één keer goed te maken. Na 4 okto­ber 1582 volgde onmiddellijk 15 oktober. Door deze ingreep viel 21 maart 1583 weer op de juiste plek, waarmee ook het paasfeest weer op de goede datum terecht kwam.
Bovendien besloot Gregorius om per vier eeuwen drie schrikkeldagen af te schaffen. In de Gregoriaanse kalender zijn de eeuwjaren alleen schrikkeljaar als ze deelbaar zijn door vier­honderd, bijvoorbeeld 1600 of 2000. De andere eeuwjaren (1800, 1900,2100) zijn gewone jaren.
De geringe populariteit van het pausendom stond een vlotte invoering van deze hervormin­gen echter in de weg. Of zoals Kepler het uitdrukte: men was het liever oneens met de zon dan eens met de paus.

Oktoberrevolutie
In Nederland was pas in 1701 de Gregoriaanse kalender volle­dig ingevoerd. Rusland en Griekenland gingen pas in het begin van deze eeuw overstag. Om deze reden viel de oktoberrevo­lutie van 1917 volgens onze ka­lender op 7 november, terwijl het volgens de Juliaanse 25 okto­ber was.

De orthodoxe christenen in Rusland hanteren nog steeds de Juliaanse kalender. Zij vieren om deze reden Pasen dertien da­gen later dan de christenen in het westen.

Gezien het geharrewar rond de jaarlijkse paasdatum, is re­gelmatig geopperd om het voor­beeld van Kerstmis te volgen en ook voor Pasen een vaste datum af te spreken. Deze eeuw is dit punt meerdere malen aan de orde geweest, samen met de mo­gelijkheid om tot een nieuwe ka­lender te komen. Want ook tegen de Gregoriaanse kalender zijn nogal wat bezwaren in te bren­gen, met name economische.

De stap naar een andere ka­lender is tot nu toe steeds gestuit op verzet vanuit Rome die geen inbreuk willen op de zeven­daagse week. De aanvankelijk weerstand tegen een vaste paas­datum is in de loop van deze eeuw echter weggeëbd. Op het concilie van 1963 verklaarde de paus hiertegen geen bezwaar te hebben.
Omdat de kalenderhervor­ming in het slop is geraakt, is ook aan het paasfront weinig be­weging meer geweest. Voorlopig blijft Pasen dus naar de maan lopen.

pasen 20

De twintig vierkantjes bevatten de paasdagen voor de jaren 1175-1176. Onderin staan twee regels uit de kalender, met het begin van de maanden januari en februari. De paasdata zijn aangegeven door vertikale strepen, de feestdagen door een of twee dwarsstreepjes. Onder 1 jauari staat de letter a. De Romeinse cijfers duiden op zogeheten ‘gulden getallen’. De kalender stamt uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.

.

Paul van Laare, ‘De Gelderlander’van 25 maart  *1989

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

128-123

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (10)

.

WAAROM VALT PASEN NOOIT OP DEZELFDE DAG

Een vraag in ons vorige nummer, waarop ik zou willen ingaan, ofschoon in zon kort bestek, uiteraard aanduidend.

Pasen wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Men gaat uit van het lentepunt, als de zon op het snijpunt is van de ecliptica met de hemelequator.  (De ecliptica is de baan, die de zon in een jaar aflegt door de dierenriem. De hemelequator : van de aarde af gezien, draait de sterrenhemel om de PoolsterSterren dichtbij de Poolster zijn de hele nacht zichtbaar. Sterren, die verder van de poolster af staan, zijn maar een gedeelte van de nacht zichtbaar. Ze komen op en gaan onder. De sterren, die op- en ondergaan op precies tegenoverliggende punten   – oost en west    –   beschrijven de baan die hemelequator wordt genoemd. Deze twee banen vallen niet samen, maar maken een hoek.)

Wij zeggen dus kort in verband met het begin van de lente: 21 maart. Daarna is het wachten tot de maan vol is. Pasen valt dan op de eerste zondag daaropvolgend.

Het kan dus best gebeuren,  dat, na doorschrijding van het lentepunt door de zon, de maan lang op zich laat wachten tot hij vol is. Maar ook omgekeerd. Komt de volle maan snel na het lentepunt, dan is het vroeg Pasen.

Het betekent, dat de buitenaardse, kosmische invloeden in verband gebracht worden met de Christus en het gebeuren op Golgotha.

Doordat het materialisme de geest in de kosmos ontkende    – er zelfs een dieptepunt was, waarin de mens de eigen geest ontkende – is het logisch dat de beweeglijkheid van de paasdatum (nog vanuit een oud weten van voor het materialisme) niet als iets zinvols gezien wordt.

Met het paasfeest wordt het lijden en de opstanding van de Christus herdacht. De samenhang met de kosmos is men kwijt. Ook Paulus kende Jezus. Bij Damascus werd hem echter duidelijk, dat in de mens Jezus de kosmische Christus had gewoond, die reeds zo lang door de profeten was aangekondigd. Vanuit oud mysterieweten wist Paulus, dat de oude Indiërs die kosmische geest van voorbij de zon zagen komen en de Perzen hem zagen als de zon zelve en dat de Joden hem beleefden vanuit de maan werkend in de natuurkrachten, als Jehova. (Zon en maan worden dus nog steeds vanuit deze achtergronden erbij betrokken om Pasen vast te stellen.)

Dan beleeft Paulus, dat die krachten, die ten tijde van het begin van onze tijdrekening de Christus worden genoemd, de aardse wereld binnengetrokken zijn. Hij ziet de Christus, die de materie overwonnen heeft.

Het positieve van het materialisme is, dat het de aanleiding kan zijn ons denken weer actief te maken, zoals bv. nu, met de dreigende vastzetting van Pasen.

Het aannemen van oude overleveringen zijn we echter ontgroeid. Willen we niet verstarren in de eenzijdigheden van verworven kennis, maar in het beweeglijke paasfeest de diepere zin gaan beleven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan laat zich bevroeden, dat, wat amper 2000 jaar geleden plaatsvond,  een verjonging en vernieuwing kan gaan betekenen –  krachten, die als zuurdesem werkend aarde, mens en kosmos doordringen.

Zo beschrijft Rudolf Steiner: Van het moment, dat het van kosmische krachten doortrokken bloed van dit hoge Christuswezen op aarde viel, is voor degene, die geestelijk zien kan, de aarde aan het veranderen. Deze wordt doortrokken met krachten, die (zoals zuurdesem in brood) het leven hergeven aan de reeds verstarrende mensheid.

Christus’ woorden werkten bij zijn leven voor Golgotha al omvormend, genezend, opwekkend. Deze krachten verbinden zich met aarde en mens. En hij sprak : ‘Ik zal bij u zijn tot aan het einde der tijden.’

In dit bewustzijnsproces kan die goddelijke kiemkracht in iedere mens tot ontwikkeling komen. Het spirituele leven zal dan geen ‘hinder’ betekenen in de menselijke samenleving. Het zal niet los van het sociale en economische leven staan, maar een integrerend deel ervan uitmaken.

Amy de Rhoter. Nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

112-109

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (4)

.

ZON, MAAN, ZON

Het kosmische beeld van pasen

In de voorafgaande artikelen (IN JONAS) over de jaar­feesten St. Michael en Kerst — is steeds ge­probeerd deze feesten vanuit kosmische ge­zichtspunten te benaderen. Voor het paas­feest ligt dit uitgangspunt wel bijzonder voor de hand omdat de paasdatum elk jaar weer door de onderlinge verhouding van zon, maan en aarde bepaald wordt.

In zijn vereenvoudigde vorm luidt de paasregel:
‘Paaszondag is de eerste zondag die volgt op de eerste volle maan nadat de zon het lentepunt overschreden heeft.’
Een prozaïsch aandoende regel, zo op het eerste gezicht, die we eerst wat nader moeten bekijken.
De zon doorschrijdt in de loop van het jaar een gordel van twaalf sterrenbeelden: de beel­den van de dierenriem. Op een sterrenkaart kan men de weg tekenen die het middelpunt van de zonneschijf aflegt in een jaar. Deze lijn, een soort hartlijn van de dierenriem, heet de ecliptica. Behalve de zon houden zich ook de maan en de planeten altijd in de dierenriem op.

Een andere belangrijke cirkel aan de sterren­hemel is de hemelequator. Deze cirkel ver­deelt de hemelbol in een noordelijk en een zuidelijk halfrond.
( Zoals ieder mens het middelpunt is van zijn persoonlijke horizon, zo staan alle men­sen in het middelpunt van deze grote cirkel aan de hemel, die we daarom ook wel mens­heidshorizon mogen noemen.)

Het vlak waarin de ecliptica ligt en het vlak waarin de hemelequator ligt snijden elkaar onder een hoek van 23,5 graden. De helft van de zonneweg ligt dus ‘boven’ de hemelequator, op de noordelijke helft van de sterrenhemel, de andere helft op het zuidelijk hemelhalfrond: ‘onder’ de hemelequator. Als de zon zich in het noordelijk deel van de dierenriem be­vindt, zijn op het noordelijk aardehalfrond de dagen langer dan de nachten; doorloopt zij de zuidelijke dierenriembeelden dan win­nen bij ons de nachten het in lengte van de dagen.

pasen 2

Lentepunt
Tweemaal per jaar overschrijdt de zon de hemelequator: op de twee snijpunten met de ecliptica. Deze gebeurtenissen vinden plaats in de herfst en de lente: als de zon af­dalend naar het zuidelijk hemelhalfrond de hemelequator passeert, begint astronomisch de herfst, opstijgend naar het noordelijk halfrond geeft de zon het begin van de lente aan: in 1976 op 20 maart om 12.50 uur.
Tot zover is de zon de grote bepalende factor.
Nu komt de maan in het spel en wel in zijn relatie tot de zon. Het gaat hierbij om het moment waarop de maan als een grote kosmische spiegel het zonlicht naar de aarde terugkaatst: de volle maan die zich dan in de dierenriem precies tegenover de zon bevindt. Aangezien de zon niet lang daarvoor van het zuidelijk hemelhalfrond naar het noordelijke gedeelte van de dierenriem gewandeld is, is voor de maan precies het tegenovergestelde het geval. Na dit kosmische moment is het wachten op de eerstvolgende zondag: paas­zondag en daarmee richt onze aandacht zich weer geheel op de zon.

                                                              zon –   maan  -zon

Na deze opsomming van astronomische fei­ten moeten we proberen of het ons mogelijk is door de fenomenen heen een beeld te zien van een andere werkelijkheid. Daartoe willen we eerst naar de zon kijken, de zon die net de mensheidshorizon heeft overschreden en begonnen is aan een grote nieuwe dag die zal duren tot de grote zonsondergang: bij het weer terugkeren naar de zuidelijke hemelhelft in de herfst. Wat we waarnemen met onze zintuigen is het fysische ontwaken van de natuur: planten en dieren komen weer tot leven.

Waken en slapen
In de winter heeft de aarde het diepst inge­ademd en het moment van grootste innerlij­ke activiteit en wakkerheid beleefd. Nu moeten we hier zien dat de aarde in de lente buiten zichzelf gaat treden, zichzelf lang­zaam in de kosmos uitademt. De aarde valt in slaap. Het levendige beeld van de aardenatuur is het beeld van de slapende aarde. Er is een tegenstelling tussen wat de uiterlij­ke natuur ons zegt en de geestelijke werke­lijkheid. Waken voor de fysische wereld is slapen voor de geestelijke wereld. Dan valt het paasfeest wel op een heel merk­waardig moment: de opstanding is geen op­standing in de fysische wereld dit wil zeggen in een fysisch lichaam. We zouden daarom, kijkend naar de aardenatuur, moeten ver­wachten dat het feest van de opstanding zou worden gevierd in een tijd dat de stoffelijke natuur afsterft om het geestelijk deel van de aarde te laten herleven.
In het voordrachtswerk van Rudolf Steiner is te vinden, dat er dan ook opstandingsmyste­riën hebben plaatsgevonden in de herfsttijd, omstreeks de tijd waarin wij nu het St.-Michaëlsfeest vieren. Daar beleefde men nog de samenhang tussen geestwereld en natuurwereld. Andere mysteriestromingen daarente­gen beleefden de ontmoeting met de geest in het voorjaar. Hier knoopt onze paasregel bij aan: deze mysteriën richtten zich in het bij­zonder op de maan, in haar functie van spie­gel van de zonnekwaliteiten.
Denkend over Pasen stuiten we op de grote polariteiten van leven en dood, stof en geest, werken en slapen, zon en maan, beeld en werkelijkheid.

Zoekend naar een verbinding met de werke­lijkheid van het paasgebeuren vinden we mis­schien de brug die ons deze tegenstellingen als de elkaar aanvullende aspecten van de­zelfde werkelijkheid doet kennen.

Rinke Visser, ‘Jonas’ 9 april 1976.

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

103-100

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (3)

.

Pasen: kosmisch en innerlijk evenwicht

Voor de vaststelling van de paasdatum geldt de volgende regel:
Pasen valt op de eerste zondag na de lente-volle-maan.
Dit betekent dat aan drie achtereenvolgende voor­waarden moet zijn voldaan:

1.   de aarde moet in haar baan het lentepunt hebben be­reikt;
2.   de maan moet daaropvolgend vol zijn;
3.   de zondag die daarop volgt is Pasen.

1. Bij het lentepunt is een opvallende toestand van even­wicht bereikt; (zoals dit overigens bij het herfstpunt ook het geval is):
– de plaatsen van zonsopgang en -ondergang liggen exact diametraal tegenover elkaar, namelijk oost-west (in de winter zijn namelijk beide plaatsen naar het zuiden, in de zomer meer naar het noorden verplaatst),
–  het zichtbare gedeelte van de zonnebaan (boven de ho­rizon) is even lang als het gedeelte dat onder de hori­zon is gelegen, terwijl het hoogste punt van de zonnebaan precies even hoog bóven de horizon ligt overdag, als het laagste punt er ónder ligt des nachts; hierdoor zijn ook dag en nacht even lang.

2. De toestand van kosmisch evenwicht wordt nog ver­sterkt wanneer aan de tweede voorwaarde is voldaan, namelijk wanneer de maan vol is. De aarde, en daarmee dus ook de mens, staat dan tussen zon en maan in. Als twee wachters staan zon en maan tegenover elkaar met de aarde in het midden.
Daarbij komt ook nog het fenomeen dat in deze tijd van het jaar zonnebaan en maanbaan dezelfde ‘helling’ hebben ten opzichte van de horizon, met andere woor­den, de zon komt overdag precies even hoog boven de horizon als de maan ’s nachts, in tegenstelling tot de winter, waar de zon laag, de maan echter hoog aan de hemel staat en ’s zomers omgekeerd.

3. Kijken we naar de derde ‘voorwaarde’, namelijk dat Pa­sen steeds op een zondag valt (en niet zoals Kerstmis op een vaste datum en dus ieder jaar op een andere weekdag), dan kunnen we vaststellen, dat ook dit feit een taal van evenwicht spreekt. Zoals namelijk de zon in het midden van ons zonnestelsel staat, zo kunnen wij ook in de weekdag, die naar de zon genoemd is, een evenwichtig midden herkennen dat kwalitatieve uiter­sten met elkaar verbindt: De zondag valt namelijk tussen de dagen die met de maan respectievelijk met saturnus (Engels: saturday) in verbinding worden gebracht, met andere woorden twee planeten (in de ptolemeïsche zin van het woord) die elkaars tegenbeelden zijn: de snelste en meest nabije tegenover de langzaamste en verst verwijderde; de maan die haar invloed uitoefent op alles wat met voortplanting en geboorte te maken heeft tegenover saturnus, die gezien wordt als de pla­neet van sterven en dood, waarbij we ook kunnen den­ken aan de christelijke traditie de dienst voor een ge­storvene te voltrekken op zaterdag.

pasen 1
Ook het volgende dagenpaar, vrijdag en dinsdag, waar­tussen de zondag in het midden staat, vertegenwoor­digt een polariteit, namelijk tussen Venus en Mars, schoonheid en kracht, vrouwelijk en manlijk (waarbij de symbolen  ♀  en   ♂  tot in de biologie gebruikt wor­den om de genoemde polariteit tot uitdrukking te bren­gen!).                                                             
Ten slotte staat de woensdag als dag van de bewegelijke en snelle Mercurius (Frans: mercredi) even ver van de zondag als de donderdag, die met de langzaam gaande Jupiter (de planeet van de wijsheid) correspondeert.
In al deze opzichten spreekt de plaats van de zondag de taal van een evenwichtig midden tussen uitersten, tussen polen.

Concluderend kunnen we zeggen dat met Pasen een opti­male toestand van evenwicht bereikt is (Wilhelm Hoerner toont in zijn boek ‘Zeit und Rhythmus’, Uitg. Urachhaus, aan hoe 16 kosmische evenwichtstoestanden hun grootst mogelijke wederzijdse versterking bereiken op de zondag na de lente-volle-maan, dus met Pasen) in die zin, dat het niet een statisch, vastliggend, maar een momentaan even­wicht is, dat in zijn bewegelijkheid overhelt naar de ‘zonnekant’: de dagen worden namelijk langer, de zonnebaan wordt hoger, die van de maan lager; de maan die net vol is geweest, neemt dus af, en tenslotte legt de dag van de week waarop Pasen valt ook de nadruk op de zon.
Dit samenspel van evenwichten en het vinden van het be­wegelijke midden is kennelijk de ritmische tijdsachtergrond voor het gebeuren van Dood en Opstanding op Golgotha.
Op vele oude afbeeldingen van dit gebeuren kun­nen we zien, hoe het kruis in het midden staat met links en rechts daarvan zon en maan.
De evangelist Johannes be­schrijft overigens ook dat er nog twee andere gekruisigden waren, links en rechts van Hem, en voegt er dan schijn­baar overbodig aan toe: ‘… en Jezus in het midden.’

Maar ook bij het Laatste Avondmaal, dat op de avond vóór de dag van de kruisiging viel, bevindt Jezus zich te­midden van zijn discipelen.
Leonardo da Vinci heeft bij de uitbeelding van dit gebeuren (tegen de traditionele op­vatting van tafelschikking in) Jezus niet aan het ‘hoofd’ van de tafel geplaatst, maar in het midden, zodat rechts en links van Hem zes discipelen zitten. Een studie over dit fresco van Hans Feddersen laat zien hoe zelfs spiegelbeel­dig ten opzichte van dit Midden de personen paarsgewijze polariteiten tot uitdrukking brengen. Dit verder aan te to­nen ligt buiten het bestek van dit artikel.

De mens wordt wel eens burger van twee werelden ge­noemd, namelijk van de stoffelijke, zintuigelijke wereld, maar tevens ook van de geestelijke wereld. Hij staat daar tussenin, hij kan als ideaal voor ogen hebben het midden te vinden tussen deze beide uitersten; tussen wereldvlucht en wereldzucht. Maar niet alleen in de dimensie boven-onder staat de mens in het midden. Ook in ‘horizontale’ zin staat hij tussen rechts en links, die de uitdrukking zijn van de twee uitersten geven en nemen. De rechterzijde van de mens is de kant van de daad, van de activiteit, van het (aan)geven; (dat linkshandigheid een uitzondering is, be­vestigt dit feit). De ‘hartekant’ van de mens is die van de ontvankelijkheid, van het ontvangen, van het (luisterend) openstaan voor de ander. Er zijn boeiende studies over de rechter en linker gezichtshelft van de mens, waarbij boven­staande wetmatigheid ook naar voren komt en fenomeno­logisch waarneembaar is.

Ook hier is het gevaar dat we in de eenzijdigheid vervallen van het alleen maar te willen opnemen, de beruchte consumptiehouding; of in het andere uiterste van het alleen maar willen geven, het voortdurend klaarstaan voor ande­ren en dan absoluut ‘uitgeput’ raken, wanneer wij niet voor onszelf uit een krachtbron kunnen putten en daaruit mogen ontvangen.

Maar ook in de ‘derde dimensie’ moet de mens een even­wichtig midden vinden, namelijk tussen voor en achter, tussen datgene wat op ons toekomt en wat achter ons ligt, tussen toekomst en verleden. Het alleen maar omkijken, herinneringen ophalen en geen stap voorwaarts durven zet­ten is al even onvruchtbaar als het andere uiterste, om zonder enige ervaring of waarschuwing te laten gelden blindelings vooruit te rennen en je hoofd te stoten.

Gedurende een godsdienstles, waar we over het zout spraken, dat als één van de substanties bij de doop wordt ge­bruikt, heb ik samen met de kinderen het volgende ‘gedicht’ gemaakt, dat de taal van het kubusvormige zoutkristal tot uitdrukking brengt:

Ik sta op de aarde, stevig en vast
Kijk ook op naar de hemel, vrij van aardelast;
Mijn rechterhand krachtig tot handelen bereid
Mijn linkerhand dankend tot ontvangen geneigd
Met de schat van ervaring die achter mij ligt
Zijn mijn schreden moedig op de toekomst gericht.
Zo staat de mens in het heelal
Zegt mij de eenvoudige vorm van het zoutkristal.

Wij kunnen in de uitspraak van Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde’ een groot ideaal beluisteren van de mens, staande in een harmo­nisch evenwicht tussen uitersten. In dit verband is het uiterst boeiend te zien, hoe Leonardo da Vinci in één van zijn voorstudies voor het reeds eer­der genoemde Avondmaal, Judas het zoutvat laat omgooien! Het zoeken van ons evenwicht wordt steeds be­dreigd doordat dit evenwicht geen sta­biele, statische, onwrikbare toestand is, maar integendeel een uiterst dynami­sche en bewegelijke.
De bewegelijke paasdatum en het daar­bij behorende kosmische midden zijn daarvan een exacte uitdrukking. Om­gekeerd kan deze kosmische constellatie ons wellicht helpen ons eigen be­wegelijke midden te vinden.

Maarten Udo de Haes,  ‘Jonas’4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

102-99

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.