Tagarchief: Christus

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (15)

.

PINKSTEREN

In een week werd de winterse aanblik van een straat met bomen om getoverd in een teer voorjaarsbeeld. Ontelbaar vele knoppen zwellen, barsten open en de voor elke plant karakteristieke blaadjes vouwen zich naar buiten. Nog indrukwekkender zijn deze processen dan wij kunnen waarnemen: overal over een brede strook op het noordelijk halfrond van de aarde van zuid naar noord voortschuivend voltrekt zich dit smelten van de plantensappen uit een starre wintertoestand, door licht en warmte van de elke dag hoger klimmende zon. Dit is een uitbarsting van vitaliteit,  ja een demonstratie van het leven zelf, die zich ieder jaar herhaalt.

De meeste mensen zullen daarbij er niet aan denken dat over enkele weken het tere groen al weer danig kan zijn aangetast door de mede ontwakende rupsen (wel de tuinders natuurlijk), en evenmin dat in oktober en november de herfststormen deze bladeren verdord weer van de bomen zullen blazen. Toch is ook dat een jaarlijks terugkerend gebeuren en ook nu aan de gang in de gematigde streken van het zuidelijk halfrond. Overigens behoeft dat niet somber te stemmen, want zonder deze schoonmaak zou het bladerdek zich niet kunnen vernieuwen. ‘De dood is de kunstgreep van de natuur om veel leven te kunnen voortbrengen’, zegt Goethe.

In deze tijd vallen, elk jaar op een telkens verspringende datum, Pasen en Pinksteren, die geheimzinnige christelijke feesten die wel met twee zondagen elk worden geëerd, maar die ons gevoel toch veel minder aanspreken dan Kerstmis. Om leven en dood gaat het ook hier: de kruisdood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op Pasen; de eenzaamheid van de discipelen en andere volgelingen na de hemelvaart en het doorbreken van de door Christus beloofde trooster, de Heilige Geest, met Pinksteren. Hoe komt het dat deze voor het christelijk geloof toch wel zeer fundamentele gebeurtenissen nog zo weinig in onze cultuur een rol spelen?

Nu heeft met name onze tijd met zijn verstandscultuur al heel weinig begrip of zelfs gevoel voor deze diepe geheimen. Zonder meer zijn deze geheimen niet te ver­binden met onze voorstellingswereld, die sterk bepaald wordt door de inzichten die de natuurwetenschap in de ruimste zin ons heeft opgeleverd.

Voor een inzicht in de betekenis van deze gebeurtenissen in het jaar 33 voor de ontwikkeling van mensheid en aarde is een diepere blik nodig dan onze oppervlakte-waarneming van de uiterlijke wereld. Die blik had Rudolf Steiner, en in talloze voordrachten en geschriften heeft hij, wat zich hem openbaarde, trachten te ver­woorden. Iets daarvan zal ik proberen samen te vatten.

De gehele mensheid, te zien als een stroom van generaties, telkens uitbottend en weer stervend, zoals de planten ons jaarlijks laten zien, moet men zich voorstellen als geleidelijk veranderend. Heel vroeger waren de mensen minder zelfbewust en minder vertrouwd met de wereld die zich aan de zintuigen openbaarde. De mensen waren vitaler en veel meer open voor openbaringen van wezens die als goden werden vereerd en die de culturen ordenden en leidden. Dat is uit talloze geschriften te lezen, niet in de laatste plaats uit het Oude Testament. Langzamerhand echter werden deze wezens moeilijker bereikbaar, ook voor de hoogst ontwikkelde mensen die met grote kracht naar deze openbaringen streefden, de ingewijden. Dat was een gevolg van de zgn.  zondeval, waardoor de mensen steeds meer de geestelijke wereld gingen vergeten en steeds wakkerder werden voor zin­tuigopenbaringen. Daarmee trad echter een zeer schokkend en beangstigend verschijnsel op: de dood.
Ook eerder stierven de mensen, maar dat werd niet zozeer als een tragedie beleefd omdat men met het bewustzijn nog voor de geboorte en na de dood kon reiken, waardoor de stervensdrempel niet zo absoluut was.

In de Egyptische cultuur begon dit beangstigende raadsel een steeds grotere rol te spelen. De mens verloor steeds meer de geestelijke wereld, kwam in de ban van het aardse.

De mensheidsstroom verloor aan leven, maar won aan zelf­bewustzijn. Dat bewustzijn is de basis voor de menselijke vrijheid, maar wordt bekocht met een steeds absoluter schijnende dood, waarachter het ‘niets’ of hoogstens een schimmenrijk wordt vermoed, zoals bij de Grieken nog het geval was.

Op de duur zou deze ontwikkeling hebben moeten leiden tot een steeds grotere isolatie van de geestelijke wereld, een steeds grotere verzwakking van het mensenras, daar de levenbrengende voeding uit de geest steeds moeizamer werd; de mens die ook zelf steeds meer af moest wijzen vanuit zijn aardse zelfbewustzijn. Met de mens sterft geleidelijk ook de aardeplaneet, een gedachte die de natuurkundigen allang vertrouwd is.

Dan komt Christus op aarde, een kosmisch wezen volgens Rudolf Steiner, het “scheppende woord”volgens de evangelist Johannes, beschikkend over de krachten die aan de gehele aarde- en mensheidsontwikkeling ten grondslag liggen. Met de doop in de Jordaan trekt hij in het lichaam van Jezus van Nazareth, doordringt dat geleidelijk waardoor zijn openbaringsmogelijkheden steeds toenemen en een hoogtepunt vinden in de opwekking van Lazarus. Opvallend is dat hij veel spreekt over het licht en het leven dat hij de mensen brengt, ja dat hij het leven zelf is, waardoor ze nimmermeer zullen sterven. Daartoe moet hij echter eerst de dood doormaken opdat hij die kan overwinnen. Dat gebeurt tussen Goede Vrijdag en Pasen. Met de opstanding vindt eigenlijk een geboorte plaats: de krachten van Christus stromen in de aardewereld binnen. Daardoor verandert de “stervende planeet” in een “kiemende zon”, die zich pas zeer geleide­lijk zal gaan manifesteren,  zoals ook het sterven een zeer langdurig proces is geweest!

Aan deze opstanding heeft ook de mens deel, hij moet zich­zelf echter met deze kiemkrachten verbinden; opgeroepen wordt hij daartoe doordat de stervende krachten het hem steeds moeilijker zullen maken in het oude spoor verder te leven. Ook de  mens moet door de dood tot opstanding komen!

Onze cultuur vertoont maar al te duidelijk ondergangs­symptomen, ook de natuur wordt door de mens met ondergang bedreigd. Alleen de kiemende krachten van Christus, zich individueel aan elk mens openbarend als inspiratie van de Heilige Geest, kunnen hier uitkomst brengen en weer een toekomst openen. Deze krachten moeten door lijden individueel worden veroverd. Daarop slaat de mooie uitdrukking: kracht naar kruis. Met Pinksteren geschiedt dat voor de eerste keer. In onze tijd nemen de moeilijk­heden voor de mensheid snel toe en daarmee de behoefde aan steun. De geschriften van Rudolf Steiner kunnen voor vele mensen deze steun betekenen;  zijn ideeën voor landbouw, geneeskunde, onderwijs, kunst en religie zijn ook werkzaam buiten de eigenlijke kring van zijn aan­hangers. Anderen zoeken langs andere wegen.

Eens zullen zo Pasen en Pinksteren voor iedere mens een betekenis kunnen krijgen die ver uitgaat boven de huidige betekenis van Kerstmis. Nu zijn deze feesten voor velen nog bijna zonder gevoelswaarde, dan zullen ze algemeen worden gevierd en beleefd. Dat zal niet gaan voordat zware stormen de oude, verdorde bladeren van onze cultuur hebben opgeruimd!

In deze beschouwing werd te veel misschien te kort samengevat. Dat kan bezwaren of vragen oproepen. Als ze worden geuit is het misschien mogelijk daarop in te gaan in een volgende aflevering van Vrijblijvend.

 J.  van Dam, in Vrijbklijvend, schoolblad van de Haagse vrijeschool, jaartal onbekend

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

164-156

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (20)

.

PASEN: LIEFDEVOL OMVORMEN VAN HET DODE 

Er zijn mensen die moeite hebben met de herfst, anderen daarentegen vervallen juist in het voorjaar in een zekere melancholie. De lente laat te lang op zich wachten. Weliswaar lengen de dagen opmerkelijk, bloeien de krokussen, fluiten de merels al lang, maar als regel blijft het koud en guur en vallen er — nu heel misplaatst — af en toe sneeuwbuien. De lammetjes staan onbeschut in de wei, de griep waart rond in de stad.
De wintervreug­den: de feesten en de ijspret zijn voorbij en het verlangen naar warmte, zon en onbek­ommerd buiten-zijn wordt steeds intenser. Maar misschien is het ook nog iets anders, dat deze melancholie oproept. Synchroon met het talmen van de lente loopt in onze streken de voorbereidingstijd van het paas­feest. Het is wat in het kerkelijk leven de lijdenstijd wordt genoemd.
Hoewel de over­winning van de koude, donkere wintertijd, de nieuwe opbloei van het leven zich in de natuur al aankondigt en je zelf ook weet dat het paasfeest, het grote opstandingsfeest in aantocht is, ontkom je toch niet aan een zekere neerslachtigheid. Wat is er gebeurd sinds Kerstmis waarbij de geboorte van het Christuskind werd gevierd, waar in de uiterlijke duisternis en de doods­heid van de natuur het licht aan de groene boom hoopvol werd ontstoken? Al gauw daarna verzonk deze warme, blijde stem­ming in de kilheid en rauwheid van het dagelijks gebeuren. Kindermoord te Bethlehem. Machtsstrijd. Grof egoïsme. Keihard materialisme. Afwentelen van verantwoor­delijkheid. Zwakheid, verloochening, ver­raad. Tenslotte kruisiging van datzelfde we­zen dat nog maar kort geleden zo blij ont­vangen werd. Buiten wordt het lente, neemt het licht sterk toe, innerlijk beleef je de duisternis van menselijke ontrouw en on­macht.
Anders dan de adventstijd waarin je je verheugt op de ontvangst van het kerst­kind, het mee-geboren worden, betekent het naderen van het paasfeest in eerste instantie een mee-sterven, het doorstaan van Goede Vrijdag. Het is dit besef dat ook op de natuur in al zijn prilheid: de bloemen, de vogels en de lammetjes, het weemoedige stempel van de vergankelijkheid drukt. Geboorte en sterven, het is kenmerkend voor het leven op aarde, het één is niet mogelijk zonder het andere. En in dit bewustzijn is leven ook lijden. Als je zelf al niet lijdt, lijd je mee met anderen.

De lijdenstijd valt samen met de verwachtingsvolle stemming in de natuur. Een reden om Pasen als ‘geboortefeest’te vieren.

Het is merkwaardig dat een mens zich tegen iets dat zo’n absoluut gegeven is als: leven is lijden, geboren worden betekent ook ster­ven, toch innerlijk verzet. Wat wordt er niet allemaal gedaan om het lijden op te heffen, om de dood te voorkomen of uit te stellen of op z’n minst te verzachten.
Lijden-en-ster­ven wordt eigenlijk als een onrecht beleefd, als iets wat er niet bij zou moeten horen. Individueel kun je het gevoel hebben: ieder ander kan dood gaan, ik toch zeker niet!
Ik zeg niet: de gedachte, maar het gevoel. Voor zijn gevoel is de mens onsterfelijk. Hij is altijd weer geschokt als een ernstige ziekte of een ongeval hem treft.

Het is een gegeven dat de mensheid al lang en intensief bezig houdt: in het dagelijks leven als je kijkt naar de aandacht die dit onderwerp krijgt in het nieuws bijvoorbeeld, maar ook als een steeds weerkerend thema in de kunst, in de religie en in de wetenschap. Met de daar achterliggende vraag: waarom wekt het toch verzet, waarom is er dat onre­delijke verlangen naar ‘onsterfelijkheid’? Wat is dan eigenlijk het geheim van het leven en wat is dat nog grotere mysterie: de ge­waarwording van en de reflectie op het eigen leven, het eigen ik-bewustzijn? Veel mensen zullen zich exact het moment herinneren waarop dat — je was nog een kind — als een flits ineens door je heen schoot: Ik ben een ik! Het woordje ‘ik’ — je spreekt het ontelba­re malen per dag uit, maar slechts een enkele keer voel je de duizelingwekkende draag­wijdte van zijn eigenlijke inhoud. In het dagelijks leven wordt dit onderge­sneeuwd, min of meer verdoofd en zelfs dat wat er in het alledaagse ik leeft, wordt regel­matig aan het bewustzijn onttrokken. We zijn er aan gewend en vinden het dus ge­woon dat we bijvoorbeeld ieder etmaal een aantal uren buiten bewustzijn doorbrengen, maar is ook dat niet, als je er over nadenkt, een wonderlijke zaak?
Onze cultuur heeft nog geen eensluidend antwoord op de vraag naar het geheim van het leven gevonden. Je kunt natuurlijk alle stoffen die zich op aarde bevinden en alle processen die deze met elkaar aangaan on­derzoeken en uit de resultaten daarvan een theorie opstellen zoals die van de oerknal, maar hoe kun je dit soort deeltjes of krachten een potentie tot zelfbewustzijn toeschrijven?
Ook al zou de oerknal een technisch hulp­middel geweest zijn om op den duur mense­lijk leven op aarde mogelijk te maken, dan zou dit toch nooit het héle verhaal kunnen zijn. Dan wordt het probleem verschoven door de deeltjes op zich een eigen intentie en wil toe te kennen (‘boodschappen’ over te brengen).

Dat leven iets geheimvols is, word je je pas bewust doordat er ook niet-leven, dood, be­staat evenals je je van licht pas bewust wordt doordat er ook duisternis is of van het goede door het kwaad.

Mag het leven dan al moeilijk te doorgron­den zijn, nog moeilijker is het om iets te begrijpen van het leven dat de dood over­wint, van Pasen als opstandingsgebeurtenis. Met je gewone verstand kun je daar absoluut niet bij en dat is toch hetgeen je zo graag zou willen. Want geloven zonder meer kun je als mens van deze tijd eigenlijk ook niet en evenmin kun je er omheen om toch de vraag te stellen wat je aan moet met deze meest cruciale gebeurtenis in de mensheidsge­schiedenis.

Antwoorden
In een vooralsnog denkmatige beschouwing van deze mensheidsgeschiedenis zie je het probleem van de dood duidelijk optreden bij de Egyptenaren. Hun antwoord was: het balsemen van het fysieke lichaam waardoor dit niet kon vergaan. Zodoende werd ook de ziel, die met dit lichaam verbonden was geweest, behouden, naar men dacht.
Het boeddhisme heeft een heel ander ant­woord gegeven: de ziel moet zich juist wel los maken van het fysieke lichaam. Het leven op aarde is een oefenweg die met lijden en dood gepaard gaat en die tot vervolmaking van de ziel moet leiden. Het uiteindelijke doel is een leven in de hoogste hemelen, ver weg van het aardse tranendal. Zolang een mens nog niet de opperste graad van vervolmaking bereikt heeft, zal hij na zijn dood steeds weer op­nieuw moeten incarneren om verder te oefe­nen. Het is een absoluut innerlijke weg die via het perfectioneren van de eigen ziel tot zelfverlossing leidt, dat wil zeggen het over­bodig worden van incarnaties. Typerend is het beeld van de Boeddha: absolute rust en ingekeerdheid, de ogen bijna gesloten, de benen horizontaal, inactief, armen en han­den in een verstild meditatief gebaar, de gelaatstrekken vol wijsheid en harmonie met een uiterst geconcentreerde, soms wat pijn­lijke uitdrukking. Voor de Boeddhist is het aardeleven een soort straf waartoe hij steeds weer veroordeeld wordt zolang hij faalt in zijn eigen vervolmaking en hiermee is voor hem de enige waarde en functie van onze planeet gegeven.
De Griek had weer een heel andere verhou­ding tot de aarde. Voor hem was juist het aardeleven het belangrijkste. ‘Liever een be­delaar op aarde dan een koning in het schimmenrijk.’ Een enorme levensvreugde straalt ons uit de Griekse cultuur tegemoet. Het gebruik van de ledematen werd gesti­muleerd, geoefend en verfijnd tot volmaakt vakmanschap en ten dienste gesteld aan schoonheid en behendigheid als grote nastrevenswaardige idealen. Kunsten en sporten beleefden een weergaloze zomerse bloeitijd. Zelfs de goden waren levenslustige en  zeer menselijke wezens. 
Bij al deze ‘antwoorden’ ging het natuurlijk geenszins om uitgedachte theorieën of leren. Ze berustten op een ingeworteld beleven van de wereld, waaraan door de wijsheid van de in de mysteriën ingewijde grote volksleiders voor het dagelijks leven richting gegeven werd.

Keerpunt
Met het christendom komt er iets totaal nieuws: een hoog goddelijk wezen — Gods zoon! — incarneert zelf op aarde en leeft in een menselijk fysiek lichaam. Gods zoon wordt mensenzoon. Daarmee wordt de mens herinnerd aan zijn oorspronkelijke goddelijke afkomst. Daarmee wordt aan de andere kant de mens door de goddelijke wereld serieus genomen. Zijn leven, maar ook zijn lijden en sterven. Want tot in de dood toe verbindt deze god-mens zich met de aarde-mens.

Christus wordt aan het kruis geslagen, sterft de kruisdood. Het dode lichaam wordt in het graf gelegd. Maar dan gebeurt er iets totaal onverwachts, onbegrijpelijks: deze dood wordt overwonnen! Na drie dagen, op paasmorgen, verschijnt Christus aan de vrouwen bij het graf in een nieuwe gestalte. Wat zij zien is een totaal nieuw verschijnsel: de mens in een opstandingslichaam, een transparant lichaam dat zich aan de wetten van de mate­rie onttrekt.

Dit is een absoluut keerpunt in de mens­heidsgeschiedenis. De treurnis verkeert in blijdschap. De dood heeft dus toch niet het laatste woord. Het lijden aan de materie is weliswaar voor de mens onontkoombaar, maar er kan iets mee gedaan worden. Hij kan die materie omvormen, verlossen uit zijn zwaarte en verstarring. Het blijkt een proces te zijn dat aangegrepen kan worden en dat dan tot de geboorte van een nieuw mensenwezen kan voeren, zo niet direct dan toch in een verre toekomst. Denk niet dat dit zo gemakkelijk even opge­schreven kan worden of nagepraat. Om de waarheid er van te ervaren moet je innerlijk mee door zo’n proces heen. Je ziet dit op kleine schaal wel al gebeuren, bij mensen die een ernstige ziekte of een zware crisis achter de rug hebben. Ze zijn andere mensen ge­worden. Tot in het fysieke toe is er iets veranderd. Ze zijn transparanter, mooier geworden. Het hoeft niet altijd eigen ellende te zijn die zoiets bewerkstelligt. Een mens heeft het vermogen om ook met anderen mee te lijden, met andere mensen of met de natuur. Dit kan zo intensief zijn dat het een soort sterven wordt. Ook hieruit kan iets nieuws geboren worden, een impuls die heel krachtig en levensvatbaar blijkt te zijn. Ster­ke genezende bewegingen zijn op die manier op gang gekomen.

De kern van het menselijk lijden is het ge­richt zijn op de dood in de materie, de misgedachte dat alles terug te voeren is op dode materie, dat zelfs het menselijk leven daaruit geëvolueerd is en daartoe onherroe­pelijk weer terug zal keren. Dat maakt dat de aandacht uitsluitend gericht is op het hier en nu want ‘de toekomst is toch uitzichtloos.’
Pasen geeft een nieuwe dimensie. Er is een daad gesteld die toekomstperspectief heeft. De kracht die deze daad mogelijk gemaakt heeft, is de kracht van een werkelijk leven­wekkende liefde.

Liefde voor de aarde. Voor mij is geen krach­tiger beeld daarvan denkbaar dan het naakte lichaam, met uitgespreide armen op het dode hout genageld, dat zijn hele substantie: bloed en lichaam daadwerkelijk wegschenkt aan de aarde. Alleen een immense liefde voor de aarde, voor de daarop levende we­zens, voor de mensen, kan immers een moti­vatie zijn voor een god-mens om de goddelijke wereld te verlaten en ‘in te ruilen’ voor het leven en sterven in een materie-wereld?
Niet anders dan door dit offer was het mogelijk het ware, hogere wezen van de mens te openbaren, de ware mens als overwinnaar van de dood. Dat het zicht hierop gegeven is, dat daarmee zin, richting en toekomst aan het aardebestaan en aan de aarde zelf ge­schonken is, door de erkenning hiervan wordt de voorjaarsmelancholie omgevormd in een gevoel van lichtende wijdheid en war­me vreugde.

Met Kerstmis wordt de kerstboom, de groe­ne levensboom opgericht en mensenhanden ontsteken tere lichten in de uiterlijke duis­ternis. Op Goede Vrijdag is er hout gekapt, tot grove balken gezaagd, kruiselings aaneengespijkerd — de boom des doods opge­richt. Ook dit gebeurde door mensenhan­den. Innerlijke duisternis valt in. Buiten, in de nawinter, staan de bomen er nog kaal en doods bij. Maar hoe lankmoedig is de natuur! De knoppen zijn gezwollen en ze zullen in de Paastijd openspringen; aan het dode hout ontbloeien de tere bloesems, licht door de zon zelf ontstoken. Hoe aan­dachtiger je er naar kijkt, hoe meer je je gaat verbazen over wat daar gebeurt en dat het nog altijd weer opnieuw gebeurt, ondanks alles. Mensenhanden kunnen zoiets niet be­werkstelligen. Nog geen grassprietje kunnen ze maken. Levenscheppende liefdekrachten zijn daarvoor nodig.

Misschien vindt het onsterfelijkheidsgevoel dat je als mens kunt hebben, zijn oorsprong in het verlangen ook zo levenscheppend be­zig te kunnen zijn, in het besef eigenlijk nog niet écht geleefd te hebben zolang je dat nog niet bereikt hebt, in het omfloerste weten dat leven in zijn wezenlijke betekenis te maken heeft met het liefdevol omvormen van het dode, het gestorvene, de materie. En in het bespeuren van een kruimpje potentie daar­toe, van een heel klein kiempje onder veel stof en gruis, dat verder ontwikkeld wil wor­den en dat dus absoluut niet sterven mág.

Annet Schukking ‘Jonas’ 17, 17 april 1987

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

131-126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (10)

.

WAAROM VALT PASEN NOOIT OP DEZELFDE DAG

Een vraag in ons vorige nummer, waarop ik zou willen ingaan, ofschoon in zon kort bestek, uiteraard aanduidend.

Pasen wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Men gaat uit van het lentepunt, als de zon op het snijpunt is van de ecliptica met de hemelequator.  (De ecliptica is de baan, die de zon in een jaar aflegt door de dierenriem. De hemelequator : van de aarde af gezien, draait de sterrenhemel om de PoolsterSterren dichtbij de Poolster zijn de hele nacht zichtbaar. Sterren, die verder van de poolster af staan, zijn maar een gedeelte van de nacht zichtbaar. Ze komen op en gaan onder. De sterren, die op- en ondergaan op precies tegenoverliggende punten   – oost en west    –   beschrijven de baan die hemelequator wordt genoemd. Deze twee banen vallen niet samen, maar maken een hoek.)

Wij zeggen dus kort in verband met het begin van de lente: 21 maart. Daarna is het wachten tot de maan vol is. Pasen valt dan op de eerste zondag daaropvolgend.

Het kan dus best gebeuren,  dat, na doorschrijding van het lentepunt door de zon, de maan lang op zich laat wachten tot hij vol is. Maar ook omgekeerd. Komt de volle maan snel na het lentepunt, dan is het vroeg Pasen.

Het betekent, dat de buitenaardse, kosmische invloeden in verband gebracht worden met de Christus en het gebeuren op Golgotha.

Doordat het materialisme de geest in de kosmos ontkende    – er zelfs een dieptepunt was, waarin de mens de eigen geest ontkende – is het logisch dat de beweeglijkheid van de paasdatum (nog vanuit een oud weten van voor het materialisme) niet als iets zinvols gezien wordt.

Met het paasfeest wordt het lijden en de opstanding van de Christus herdacht. De samenhang met de kosmos is men kwijt. Ook Paulus kende Jezus. Bij Damascus werd hem echter duidelijk, dat in de mens Jezus de kosmische Christus had gewoond, die reeds zo lang door de profeten was aangekondigd. Vanuit oud mysterieweten wist Paulus, dat de oude Indiërs die kosmische geest van voorbij de zon zagen komen en de Perzen hem zagen als de zon zelve en dat de Joden hem beleefden vanuit de maan werkend in de natuurkrachten, als Jehova. (Zon en maan worden dus nog steeds vanuit deze achtergronden erbij betrokken om Pasen vast te stellen.)

Dan beleeft Paulus, dat die krachten, die ten tijde van het begin van onze tijdrekening de Christus worden genoemd, de aardse wereld binnengetrokken zijn. Hij ziet de Christus, die de materie overwonnen heeft.

Het positieve van het materialisme is, dat het de aanleiding kan zijn ons denken weer actief te maken, zoals bv. nu, met de dreigende vastzetting van Pasen.

Het aannemen van oude overleveringen zijn we echter ontgroeid. Willen we niet verstarren in de eenzijdigheden van verworven kennis, maar in het beweeglijke paasfeest de diepere zin gaan beleven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan laat zich bevroeden, dat, wat amper 2000 jaar geleden plaatsvond,  een verjonging en vernieuwing kan gaan betekenen –  krachten, die als zuurdesem werkend aarde, mens en kosmos doordringen.

Zo beschrijft Rudolf Steiner: Van het moment, dat het van kosmische krachten doortrokken bloed van dit hoge Christuswezen op aarde viel, is voor degene, die geestelijk zien kan, de aarde aan het veranderen. Deze wordt doortrokken met krachten, die (zoals zuurdesem in brood) het leven hergeven aan de reeds verstarrende mensheid.

Christus’ woorden werkten bij zijn leven voor Golgotha al omvormend, genezend, opwekkend. Deze krachten verbinden zich met aarde en mens. En hij sprak : ‘Ik zal bij u zijn tot aan het einde der tijden.’

In dit bewustzijnsproces kan die goddelijke kiemkracht in iedere mens tot ontwikkeling komen. Het spirituele leven zal dan geen ‘hinder’ betekenen in de menselijke samenleving. Het zal niet los van het sociale en economische leven staan, maar een integrerend deel ervan uitmaken.

Amy de Rhoter. Nadere gegevens onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

112-109

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (9)

.

PASEN

Pasen is voor ons een bekend, vooral traditioneel jaarfeest.
Vooral traditioneel, omdat tegenwoordig in het algemeen het paasfeest zo weinig inhoudsvolle betekenis voor de mensen heeft.
Als je zo links en rechts vraagt wat er nu eigenlijk gebeurd is met Pasendan weet een enkeling te vertellen dat het het verraad en de kruisiging van Christus betreft.
Bij het kerstfeest kunnen vele mensen zich nog wat voorstellen, het is hen veel duidelijker en tastbaarder wat daar gebeurde in vroeger tijden

Voor ons mensen van deze tijd kost het enorme moeite een voorstelling te hebben van de betekenis van het paasfeest.
Het  “hebben” van een voorstelling kan vaak nog een activiteit van buitenaf zijn, een bijna abstracte bezigheid die tot stand komt vanuit onze zintuiglijke werkelijkheid.

Willen we proberen wat meer van de gebeurtenissen rond Pasen te begrijpen, dan zullen we moeten streven naar een doordrenking van onze zintuiglijke werkelijkheid met bewustzijn van de geestelijke wereld,  zoals men dat in vroeger tijden nog bezat.

Vooral de opstanding is door ons ontwikkeld natuur-wetenschappelijk denken naar het rijk der fabelen verwezen. Hiermee volgen wij eigenlijk het besluit, op het concilie in 869 na Chr. genomen, dat de mens voortaan alleen nog maar bestaat uit een lichaam en een ziel. De geest werd in de ban gedaan, hierdoor kon de ruimte ontstaan voor de grote ontwikkeling van de natuurwetenschap, maar de werkelijke beleving van het paasfeest ging teloor.

In deze tijd moeten we proberen de opstandingsgedachte weer tot leven te wekken, als een realiteit te accepteren. Dat dit niet zomaar gaat, zal eenieder wel kunnen aanvoelen.
Wat wordt ons duidelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha?

Toen de Christus op Goede Vrijdag voor de Romein Pilatus gebracht werd, bespot en geslagen, zei Pilatus: ‘Zie hier, de mens!’
Hoe waar zijn deze woorden, al waren ze neerbuigend bedoeld.
De ontwikkelingsweg van de mens treedt voor het voetlicht en in de
gebeurtenissen en verhalen van Pasen hebben wij vóór ons wat de
bestemming van ieder mens is. De vervolmaking van de mens, de vervolmaking van het Ik, de intocht van het Christuswezen in de mens, in ieder mens.
In de biografie van ieder mens is het groeiproces aanwezig – het groeiproces met als doel een werkelijk geestmens te worden.

Wij proberen ons ik-bewustzijn in onze levensloop te bevrijden van zijn sterke binding met ons denken, voelen en willen. Deze binding laat zich het sterkst zien in ons oordelen, daar komt het ik naar binnen in het oordeel, zolang ik mijn denken, voelen en willen samen met mijn ik gebruik bij de waarnemingen die ik doe.
Dat is baatzuchtig.

Lukt het ons bewustzijn vrij te zijn van het oordelende ik, dan kan de wereld zelf binnen ons oordelen. Dat is onbaatzuchtig. Je merkt dan dat je bij de essentie van je ik komt, nooit meteen iets bepaalds al wil, maar meegaat zodra je iets als juist hebt onderkend  (wat een levensopgave is.)

De wereld oordeelt in mij, het ik sluit zich vrijwillig aan bij het handelen dat voortkomt uit dit oordeel.
Deze kracht, deze mogelijkheid die ons gegeven isvieren wij met Pasen.

Aan  “Zie hier, de mens”, kan men dan toevoegen: “De Christus in mij” (de woorden van Paulus: “niet ik, maar Christus in mij”, die hij sprak na de opstanding).

Wij vieren,  behalve het lijden, de graflegging en de opstanding, ook de
palmzondag een week voor de paaszondag.

Een uitbundig feest, vooral op de onderbouw van de vrijescholen, met het kruis, het brood, de takjes en de slingers. Wij vieren de binnenkomst van de Christus in Jeruzalem. Vele juichende mensen met palmbladeren in hun handen, koelte toewuivend, begroeten hem bij zijn intocht op de ezel. De mensen zien met hun eigen ogen hoe Hij straalt, zij nemen deel aan dit stralen en voelen zich zielsenthousiast.

Dit juichen wordt gedeeld met het juichen in de natuur, de aankomende lente, de aarde ademt uit. Juist in deze tijd vindt even later de kruisiging, de dood, plaats.
Hoe tegengesteld aan het juichende, het levende. Welk offer wordt hier gebracht? Wat wordt ons hier getoond?

De dichter Martinus Nijhoff drukte dat o.a.  zo uit:

                                    De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis.
Zijn vingers grepen wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: “Heb mij lief”
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had Hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
“Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen”

Niet alleen een spijker door de hand van de soldaat, maar een spijker door de hand van de mens.

Het lichaam van één mens is het toneel geworden, waarop zich een groot herscheppingsdrama afspeelt. Het lijden aan het kruis is het lijden van de mens op zijn weg.

De opstanding laat ons eigenlijk de vervulling van het wezen van de mens zien. De eerste volkomen mens. Opstanding uit de dood, het overwinnen van de dood, is uiterst noodzakelijk voor ons geweest om ’t groot geheim voorgoed te begrijpen. Was dit niet gebeurd, dan kun je je voorstellen dat wij immer een verlangen, een heimwee naar vervolmaking in ons zouden dragen waarmee wij geen kant op zouden kunnen.
De opstanding laat zien dat de geestmens niet weg is, maar juist onder ons, beter gezegd, in ons leeft.
Niet als een vanzelfsprekend iets, niet passief, maar meer actief: je moet  a.h.w. zelf door de dood en de opstanding, sterven en opstaan, gaan.

Vele vragen blijven onbeantwoord, vele dingen nog onduidelijk, maar ik geloof dat we al een eindje op weg zijn als een ieder probeert tot zijn/haar eigen paasbelevenis te komen.

Opstanding van de wereld begint in de mens!

Robin Jansen, vrijeschool Nijmegen, datum onbekend.

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

111-108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (6)

.

Pasen
Het feest van levenshernieuwing en opstanding

Elk voorjaar lopen de bomen en struiken weer uit, komen de sprieten weer uit de grond te voorschijn. In de natuur heerst een schijnbare onsterfelijkheid. Schijnbaar onverwoestbaar is de levenskracht van de natuur, vooral bij het onkruid. Wat sterft is niet be­langrijk, behalve wanneer het eens een heel kostbare zeldzaamheid betreft. Over het al­gemeen is elk levend wezen in de natuur ver­vangbaar, zelfs de lievelingshond. Bij heel primitieve mensen is het ook wel eens zo; wanneer een kind sterft, komt er in een vruchtbaar gezin wel weer een ander. Vroe­ger gold het als vrij normaal dat een deel van de kinderen in een gezin op jonge leeftijd stierf. Ze werden echter wel meegeteld als het aantal gezinsleden werd opgesomd.
Voor de mens in de moderne cultuur ligt het toch wel anders. Het verdriet om een gestor­ven kind kan heel lang duren en een ander kind kan dat speciale kind niet vervangen. Zo ook bij een volwassene; wanneer wij van iemand houden, blijft er bij de dood een ge­mis, ook als we weten van een verdere ver­binding over de dood heen en dat niet alleen weten, maar ook kunnen praktiseren. Ook het bekende woord van Goethe, dat de dood de kunstgreep van de natuur is om zoveel mogelijk leven voort te brengen, geldt niet voor de mens. Het sterven van mensen dient niet tot een verdere vruchtbaarheid van het mensengeslacht. Dit krijgt nog een sterkere betekenis als we bedenken dat geestelijk-psychisch bezien het sterven van mensen wel degelijk vruchtbaar kan worden. De oude christenen wisten reeds dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk vormde en nog steeds is het zo dat mensen hun leven kunnen geven om een zaak, die zij dienen, te bevorderen.
Dit alles kan duidelijk maken dat de mense­lijke natuur anders is geaard dan die van de planten en dieren en dat betekent ook dat de levenshernieuwing in het voorjaar in de men­selijke natuur anders werkt dan bij planten en dieren.

Mensen kennen het merkwaardige verschijn­sel van de voorjaarsmoeheid. Ook is het aan­tal sterfgevallen van oude en zwakke mensen in het voorjaar opvallend groot. We kunnen een poging doen dit verschijnsel iets meer te begrijpen.

Planten en dieren kunnen niet tegen de na­tuurwetten in leven. Als het wel gebeurt komt dat door het ingrijpen van de mens met kunstmatig licht, kunstmatige warmte of chemische beïnvloeding. Wij mensen kun­nen wel tegen de natuur in leven, althans tot aan bepaalde grenzen. Daaraan ligt het feit ten grondslag dat de geest die het natuurwe­zen regelt bij mensen dieper met de stof ver­bonden is dan bij dieren en planten. Dieren bewegen zich niet individueel maar naar groepsaard. Planten en dieren groeien niet individueel uit maar naar de omstandigheden waaronder ze leven en naar de wetten van hun soort. Bij mensen is dat gedeeltelijk ook zo, maar de vormende idee is meer aan de mens persoonlijk gegeven. Geestelijk-psy­chisch is de mens veranderbaar maar tot op zekere hoogte lichamelijk ook. We kunnen dat ook zo uitdrukken dat de dieren en de planten een groepsziel hebben en de mens een individuele ziel. Het bewustzijn van die­ren en planten ligt buiten hen, bij de mens is het ingedaald in zijn stoffelijk lichaam. Er zijn zeker individuele verschillen tussen men­sen die sterk reageren als hun familie of stam en mensen die als enkeling in hun familie uit de boot vallen. Daar zijn dan nog vele tus­senvormen mogelijk, zowel geestelijk-psy­chisch als ook lichamelijk. In een gelaat kan zich de familie uitdrukken maar juist ook de eigen individualiteit.
Terwijl de uitdrukking van een dierenkop bij het ouder worden alge­mener wordt, kan dat bij het mensengelaat juist omgekeerd zijn, het wordt individueler. Tenminste, voor zover de mens een eigen geestelijk leven ontwikkeld heeft. Men kan ook juist een meer gereformeerd of meer vrijdenkersgezicht krijgen bij het ouder wor­den wanneer men zich steeds meer gevoegd heeft in het standaard-denken van een groep. Het verschil tussen menselijke en niet-menselijke natuur, zoals het hier kort is aangeduid, heeft tot gevolg dat de regenererende kosmi­sche krachten in het voorjaar in de planten en dieren veel sterker werken dan in de mens. Mensen hebben door hun eigen wijsheid (= eigenwijsheid) meer een belemmerende zelfs vernietigende functie in dit proces. “En deze belemmerende en vernietigende functie strekt zich ook uit over de natuur voorzover die door de mens wordt gebruikt en misbruikt. De inzichten die tegenwoordig beginnen door te breken en die voor een be­langrijk gedeelte aan Rudolf Steiner zijn te danken, kunnen ons helpen om in dit opzicht verstandiger te worden en ons ingrijpen meer af te stemmen op de kosmische wetten. Ook voor ons eigen lichaam is dat mogelijk en zeer zeker juist. Maar de levenshernieuwing wordt toch elk voorjaar geringer en is nooit definitief. Wanneer men vroeger meende te kunnen voortleven in de kinderen, dan was dat mogelijk omdat men meer in het geslacht leefde dan in de enkeling. De mens met het moderne zelfbewustzijn wenst niet eens meer dat zijn voorouders in hem verder leven. Hij wil zichzelf zijn.

Pasen is voor de natuur een feest van levensvernieuwing. Voor de mens is dat maar zeer beperkt waar. Wat is het dan wel? Voor de mens gaat het om het mysterie van de op­standing. Wat houdt dat in? Het moderne bewustzijn heeft moeite met een lichamelijke opstanding. De voorstelling dat een menselijk stoffelijk lichaam werke­lijk dood is en na drie dagen weer tot leven komt is voor het natuurwetenschappelijk denken onmogelijk. Men vindt daarvoor twee verschillende uitwegen. De ene zou men een spiritualistische opvat­ting kunnen noemen. Men neemt daarbij aan dat de herrezen Christus als een soort geest­verschijning aan de leerlingen verscheen en dat zij meenden een lichamelijke verschijning te aanschouwen. Te goeder trouw hebben ze dit bericht verder gegeven en wij later gebo­renen kunnen ons daarmee verbinden door de Christus als een zuiver geestelijk wezen te vereren. Daarmee is echter aan de fysieke werkelijkheid niets gedaan. Die blijft onver­anderlijk onderworpen aan de dood. Opstan­ding van het lichaam is dat dus ook niet. Ook zijn er die menen dat Christus helemaal niet aan het kruis gestorven is maar slechts schijndood was. Hij kon daardoor nog een korte tijd na Golgotha leven. Dit is de bood­schap van het doek van Turijn bijvoorbeeld.

Maar ook dan gebeurt er met de stoffelijk­heid van het mensenlichaam niets. Het is geen opstanding.

Daarnaast is er de grof-stoffelijke opvatting wanneer men aanneemt dat door een wonder de materie van het lichaam van Jezus weer tot leven is gewekt. Men meent dan de natuurwetenschap voor onbevoegd te kunnen verklaren in geloofszaken een uitspraak te doen. De twee werkelijkheden van natuur­wetten en geloof staan dan gewoon naast el­kaar. Alleen hebben ze wel betrekking op hetzelfde object, het menselijk lichaam en dat maakt het voor het denken toch wel moeilijk. Voor velen ligt hierin toch iets on­waarachtigs.

Een geheel andere weg gaat men wanneer men ernst maakt met de evolutiegedachte. Deze evolutiegedachte is reeds tamelijk gang­baar in de natuurwetenschap, maar op gees­teswetenschappelijk gebied nog nauwelijks opgenomen. (Geesteswetenschap is hier be­doeld in de universitaire zin, filosofie, lette­ren, psychologie, enzovoort, niet als antropo­sofie). Hoewel een scherpe onderscheiding van geest en stof zeker noodzakelijk is, is het toch mogelijk in te zien dat geest de stof kan voortbrengen met behulp van andere stof. Onze geesteshouding vormt tot op zekere hoogte ons lichaam. De handen van een mu­sicus vormen zich anders dan die van een timmerman. Ook kunnen oude mensen soms zeer doorzichtig worden in stoffelijke zin, waarbij ze dan tevens duidelijk spiritueler worden. Dat ook het omgekeerde kan plaats vinden en mensen steeds grover kunnen wor­den, berust op hetzelfde feit. Rudolf Steiner wees erop hoe in het lichaam van Jezus een zo sterke geest woonde, de Christus, dat dit lichaam daardoor vergeestelijkt werd. Tij­dens de tijd tussen de doop in de Jordaan en Golgotha werd dit niet of nauwelijks zichtbaar. Maar na de opstanding werd door hen, die daarop voorbereid waren, een lichaam waargenomen dat niet stoffelijk was.

De verhalen in de evangeliën vertonen wat betreft de tijd na de opstanding een merk­waardig verschil met datgene wat voor die tijd wordt vermeld. Na de opstanding ver­schijnt Jezus plotseling en verdwijnt ook weer. De leerlingen hebben moeite hem te herkennen. Kennelijk is hij anders van gestal­te dan vroeger. Dit krijgt nog meer nadruk als we bij Paulus lezen hoe deze zijn eigen waarneming van de Christus Jezus bij Damascus op één lijn stelt met de ervaring der ove­rige apostelen (1 Kor. 15). En deze waarne­ming wordt in de Handelingen der Apostelen beschreven als een lichtgestalte. (Hand. 9 en 26).

Hoe kunnen we dat een beetje leren denken? Het paradijsverhaal in Genesis maakt duide­lijk dat de mens voor de zondeval geen stof­felijk lichaam had. Immers hij kon niet ster­ven. En sterven betekent het wegvallen van het stoffelijke lichaam. De dood is inherent aan de materie. Deze onstoffelijke mens had wel een vorm, al is dat zeker niet de vorm van ons tegenwoordige lichaam geweest. Na de zondeval verbindt zich dan de mens met de stof. Paulus noemt dit lichaam een soma psychicon, een bezield lichaam. Het lichaam van de herrezen Jezus, de tweede Adam, noemt hij dan een soma pneumaticon, een geestelijk lichaam, een lichaam dat vorm heeft maar geen stof en daardoor onsterfelijk is. Dat wil zeggen dat dit lichaam geen dood meer kent. Dit geestelijk lichaam ontwikkelt zich uit het bezielde lichaam. Eerst was er, zo zegt Paulus (1 Kor. 15) een bezield li­chaam en daarna een geestelijk lichaam. Het bezielde lichaam wordt gezaaid en sterft. Daaruit komt dan het geestelijk lichaam te voorschijn. Maar dat kan het stoffelijke li­chaam niet uit zich zelf. Daarvoor was de daad van de Christus nodig. De Christus was zo sterk dat hij de vormkrachten van het li­chaam van Jezus kon bewaren door de dood heen. Normaal vervalt de vorm van het li­chaam met de dood van de stof. Bij Jezus bleef deze vorm bewaard en deze vorm werd na de opstanding zichtbaar als een lichtgestal­te, zoals ook de eerste mens een lichtgestalte was. Rudolf Steiner noemt dit het fantoom. Paulus noemt het een mysterie. Het is een mysterie omdat het alleen begrepen kan wor­den door wie heeft leren denken in de moge­lijkheid van evolutie, dat uit het stoffelijk li­chaam een doorgeestelijkt lichaam kan ont­staan.

Is dit alleen van theologisch belang voor wie de Christus Jezus willen begrijpen? Voor wie die drang heeft, is het kunnen denken van dit mysterie noodzakelijk. Maar van meer belang is het dat ieder mens ermee te maken heeft voor zijn eigen toekomst. Levenshernieuwing is altijd slechts tijdelijk en voorlopig voor de mens. Ze geeft hem echter de gelegenheid de opstandingskrachten te ontwikkelen door de verbinding met Christus. Deze verbinding met Christus wordt geloof genoemd. Ze kan zuiver gevoelsmatig zijn, ze kan zich uiten in het sacrament, ze kan zich vormen aan het sacrament, maar ze vormt zich ook door het denken over de Christus.
Wanneer dit den­ken intensief genoeg wordt, wordt het tot ge­loof. Geloof is vertrouwen in de kracht van Christus die in ons dit opstandingslichaam langzaam aan bewerkt door vele levens heen. De levenshernieuwing maakt het mogelijk dat aan de stoffelijkheid vanuit de geest ge­werkt kan worden. Wanneer de levensher­nieuwing niet elk voorjaar zou plaats vinden, zouden we te zeer aan de verharding van de materie vervallen en zou de geest daaraan niet meer kunnen werken. Van hieruit doet zich een merkwaardig ge­zichtspunt voor met betrekking tot de zon en de maan met Pasen.
De maankrachten hangen samen met de geboorte, ook met het telkens vernieuwen van het leven. De zonne­krachten hebben te maken met onze toe­komst. Na het begin van de lente moet er eerst volle maan geweest zijn. De afnemende maan geeft sterkere kiemkracht. In die tijd van de afnemende maan valt Pasen op een zondag.

Het fantoom is een lichtverschijning. De Christus sprak eens het woord: Ik ben het licht der wereld. Het licht der wereld is de zon. Christus identificeert zich met de zon, hij is de geest van de zon zoals wij mensen de geest van ons lichaam zijn. Als zonnewezen komt de Christus op de aarde en doortrekt de stoffelijke aarde met licht. Dat gebeurt eerst in zijn eigen lichaam, dat van Jezus, maar dat deelt zich dan mee aan de gehele aarde. Aarde en daarmee de aardemens wor­den langzaam aan steeds meer doortrokken met deze lichtkrachten, dat wil zeggen op­standingskrachten. Daardoor kan de duister­nis van de materie overwonnen worden.

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

108-105

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (5)

.

De paashaas

Een jonge vrouw zegt: ‘Ik ben ’t haasje.‘  Zij vertelt, dat haar man is weggelopen, dat zij getrouwd was met een stier en dat ze van hem twee kinderen heeft. Meteen daarna ver­trouwt ze ons toe: ‘Ik ben ‘n maagd.‘ –

Een mens moet wakker zijn om de raadsels van het leven te kunnen oplossen. Astrologie is erg in. Maar waarom krijgt de zon de schuld van allerlei menselijke misluk­kingen, alsof het een noodlot is, waaraan niet valt te ontkomen? Hebben wij niet alle licht, alle warmte en alle leven te danken aan de zon?
Wanneer mensen elkaar niet meer begrijpen, is dat dan niet hun eigen verant­woording?
De mogelijkheden die ik op aarde heb, hangen zeer zeker samen met de kos­mos. Doch dat ik af en toe voor deze of gene ‘onmogelijk’ ben, dat ligt aan mij, – of aan hem -. Of aan allebei? Onbegrip, twist, kort­om alle relatiestoornissen willen zeggen, dat wij nog niet, of niet meer in staat zijn om ons zó vrij te maken, dat wij in de ander zijn ware, werkelijke wezen, zijn ‘zonnewezen’ kunnen ontdekken.

Alles is vergankelijk, behalve de werkelijk­heid, waar al het aards-zintuigelijke een weerschijn, een spiegeling van is. Die werke­lijkheid is bewegelijk, groeiend, maar vergaat niet. Men kan in het bovenzinnelijke, het geestelijke, nooit voortbouwen op iets wat af is. Iedere verworvenheid moet er ieder ogenblik weer worden veroverd. Alles is er in voortdurende ontwikkeling. Dat geldt ook voor de liefde. Wie beweert, dat ware, eeuwige liefde niet bestaat, ontkent het bestaan van een geestelijke wereld. ‘Love is eternal’, schreef Chesterton, ‘even if it is only eternal for a month.’ – ‘Liefde is eeuwig, zelfs al is het slechts eeuwig voor ’n maand.’ (Appreciations and critcismes).

Men moet wel wakker blijven, om haar steeds opnieuw te kunnen scheppen, haar steeds opnieuw te veroveren. Dit hoeft ons niet te verontrusten, want je krijgt toch steeds meer vaardigheid in dat scheppen! Liefhebben is evenzeer een kunst als het hele leven. Wezenlijk leven is eeuwig, wezenlijke liefde ook. Leven en lieven, geen van beiden kunnen op aarde altijd lukken. Geen van bei­den zijn een veroverde toestand. Het zijn onophoudelijke bezigheden. Wat af is staat stil en is dood. Wat óp komt beweegt en leeft. Het blijvende leven is niet te vinden in de aardse materie. De wezenlijke liefde vindt men niet in het zintuigelijk lichaam, maar in dat, waar dit lichaam de schaduw van is. Hoe kan men iets werkelijk kennen, als men al­leen kijkt naar de schaduw ervan? Het blijvende wezen nemen wij wel degelijk waar in de ander. Het is echter moeilijk om ons dat bewust te maken. De aardse materie schuift zich ervoor. Nu en dan ziet men het, herkent men het, maar zeer snel is het weer voor onze waarneming verdwenen. Is men er op bedacht, dan duikt het steeds weer op, kijkend en vooral… luisterend. In onszelf is het ons ‘geweten’ en stelt het ons in staat om moreel te hande­len. Het is dat wat ons bewust doet zijn. Naarmate het in ons wakker is, zijn wij ver­antwoordelijk voor onze daden. Deze wezenskern van iedere mens streeft naar éénheid met de ander zonder daarbij zijn individualiteit te verliezen. Wie over één­heid spreekt veronderstelt reeds een twéé- of meer-dan-tweeheid. Voor liefde is nodig het beminnende en het beminde. Als één van deze twee zijn individualiteit opgeeft, houdt de liefde op te bestaan.
Meer dan ooit wordt in het tijdperk waarin wij leven de persoonlijkheidskern belaagd. Er wordt meedogenloos jacht gemaakt op ieders eigen aard, op het creatieve beginsel, het ware Ik, het Zelf van ieder mens. Dit wezen komt uit de geestelijke wereld, waar het een unieke totaliteit is, een groeiende kosmos op zich en waar het als groeiende eenheid-in -zich deel heeft aan de goddelijk-geestelijke werkelijkheid. In die wereld streven wij allen naar een-heid.

Bij onze geboorte op aarde maakt ons gees­telijk wezen, juist doordat het zelf-bewust-zijn veroorzaakt, ons tot enkelingen. Een al­tijd groeiend wezen komt in een toestand, waar alles naar voltooidheid verlangt, waar alles af is. Het schept in het bewegende aardeleven een tijdelijk verblijf en in de levende ziel een steeds veranderende leger­stee. Maar materieel gezien is de enige werke­lijke zekerheid op aarde: de dood. Zou er geen geestelijke wereld bestaan, zou er geen geestelijk wezen zijn, dan hadden aarde en leven en psyche en bewustzijn geen zin. Het ontkennen van die wereld, het twij­felen eraan en zelfs de opvatting dat zij wel bestaat, maar dat de mens er geen kennis van kan nemen, veroorzaakt genadeloze ‘afzon­dering’, levenslange celstraf. Afzondering zonder uitzicht op vereniging ontneemt aan de mens zijn bestaansgrond en is de oorzaak van alle angst. De enige redding is het streven naar wezenlijke liefde. Wezenlijke liefde be­staat uit bewuste, moreel verantwoorde da­den, waarmee mijn Ik ‘antwoord’ geeft op de daden van anderen.

Wie onbevangen om zich heen kijkt, ziet hoe er gejaagd wordt op dat Ik. Men twijfelt er­aan of noemt het onzin, waardoor alleen de zucht van het aardse ik, de zelfzucht, grenzenloos de kans krijgt. Men streeft naar ge­lijkheid, niet naar eenheid. Bijgevolg raakt men op elkaar uitgekeken, want men ziet toch steeds hetzelfde. De oor­zaak van mislukkingen, bijvoorbeeld van een kapot huwelijk, wordt gezocht in zon- en sterrenstand. De eigen, vrije verantwoorde­lijkheid wordt uitgeschakeld en er gebeuren rampen door… ‘een fout van de computer!’

In de lente staat de natuur weer op uit de dood. Met Pasen verrijst Christus uit het graf van de aarde. Wij vieren het feest van de ver­rijzenis op de eerste zondag na de eerste volle maan na het lentepunt, wanneer de zon precies in het Oosten oprijst en dag en nacht gelijk zijn, maar de levensdag de doodsnacht overwint. Pasen is het feest van de liefde­daad. Wat voor voorstelling wij ons ook ma­ken van God, hoe wij ook het wezen noe­men, dat alles in stand houdt, alles leidt en alles liefheeft, het goddelijk woord, het god­delijk antwoord op de jacht, waarbij ons geestelijk Ik door de binding aan de materie verloren dreigt te gaan, was de menswording van Christus. Hij onderging de dood van de materie, maar behield het leven in al het bovenzinnelijke. Hij verbindt Zijn leven met dat van de aarde. Door Hem, met Hem en in Hem kan het wezenlijke Ik van de mens be­houden blijven. Daardoor kan op aarde de liefde gaan ontstaan.

Vanuit vóórhistorische tijden tot nu toe, maakt men om de geestelijke wereld beter te leren kennen, gebruik van beeldentaal. In sprookjes en kinderspelen, in en op kathe­dralen, in beelden en op schilderijen, in oude tradities en gebruiken, zelfs nog in onze da­gelijkse omgangstaal vindt u beelden, herkenningstekens van het bovenzinnelijke. Als de aardse tegenslagen en aanvallen door onbegrip zó ondragelijk worden, dat het we­zenlijke Ik weer moet wegspringen om zijn identiteit en zijn integere liefde niet in ge­vaar te brengen, dan zegt men: ‘Ik ben ’t haasje’.

Omstreeks 4500 vóór Christus, toen het be­wustzijn van dat hogere wezen in de mens begon te ontwaken, stond de zon in haar lentepunt tussen het sterrenbeeld van de Stier en de Tweelingen. De stier is de imaginatie voor de geweldige aandriften, de bewegende krachten in de stofwisseling en in de libido van de mens. De tweeling is een beeld van de menselijke liefdekracht, het streven naar een­heid, vol vertrouwen en openheid. Tussen die beiden staat Orion, de geweldige knappe jager, gekeerd naar de Stier. De jager is het zinnebeeld van de waakzame, doelgerich­te kracht in de mens, die de driften opspoort, doodt of temt, om ze niet de overhand te la­ten krijgen en om het Ik-wezen voor onder­gang te behoeden. Onder de voeten van Orion staat, – slechts op winteravonden in ons land nog net zichtbaar boven de zuidelij­ke horizon – het sterrenbeeld van de Haas. De haas is het herkenningsteken der werking van het geestelijke Ik. ‘Je kunt nooit weten, hoe een koe (stier) een haas vangt.’ De Christus-haas is de Zonnehaas, de Paas­haas. Hij brengt ons de geestelijke levenskie­men als fraai gekleurde eieren, die binnen hun kalkschaal zon(dooier) en maan(wit) dragen. Als Hij in ons is, en wij allen in Hem, kunnen wij elkaar vinden. Dan hoeven we geen jacht te maken op de karikatuurhazen, die omstreeks Pasen overal opduiken en die onze echte haas en de haas in zijn allerhoog­ste vorm, de Liefde van Christus, proberen te ontluisteren tot een wezenloze grap of een afgezaagde verkoopstunt. Laten we met Pasen innerlijk trachten, bij elkaar ‘Haasje over’ te springen, zoals het middeleeuwse minnelied zingt:

‘Willen wij, willen wij, ‘
’t haasje jagen door de hei,
Ja, het haasje, gij en ikke
Door de dunne, door de dikke,
’t Haasje willen wij jagen gaan, ‘
t Haasje willen wij jagen gaan!
Hup haasje, lieflijk haasje,
Hup haasje door de hei.´                                                       (muziek)

Dat ‘Paashaasje’ willen wij jagen gaan, niet om het te doden, maar om het in de anderen en in onszelf te ontdekken en te laten leven op de aardse hei.

Henk Sweers, ‘Jonas´ 6 april 1979

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

107-104

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.