VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (6)

.

Pasen
Het feest van levenshernieuwing en opstanding

Elk voorjaar lopen de bomen en struiken weer uit, komen de sprieten weer uit de grond te voorschijn. In de natuur heerst een schijnbare onsterfelijkheid. Schijnbaar onverwoestbaar is de levenskracht van de natuur, vooral bij het onkruid. Wat sterft is niet be­langrijk, behalve wanneer het eens een heel kostbare zeldzaamheid betreft. Over het al­gemeen is elk levend wezen in de natuur ver­vangbaar, zelfs de lievelingshond. Bij heel primitieve mensen is het ook wel eens zo; wanneer een kind sterft, komt er in een vruchtbaar gezin wel weer een ander. Vroe­ger gold het als vrij normaal dat een deel van de kinderen in een gezin op jonge leeftijd stierf. Ze werden echter wel meegeteld als het aantal gezinsleden werd opgesomd.
Voor de mens in de moderne cultuur ligt het toch wel anders. Het verdriet om een gestor­ven kind kan heel lang duren en een ander kind kan dat speciale kind niet vervangen. Zo ook bij een volwassene; wanneer wij van iemand houden, blijft er bij de dood een ge­mis, ook als we weten van een verdere ver­binding over de dood heen en dat niet alleen weten, maar ook kunnen praktiseren. Ook het bekende woord van Goethe, dat de dood de kunstgreep van de natuur is om zoveel mogelijk leven voort te brengen, geldt niet voor de mens. Het sterven van mensen dient niet tot een verdere vruchtbaarheid van het mensengeslacht. Dit krijgt nog een sterkere betekenis als we bedenken dat geestelijk-psychisch bezien het sterven van mensen wel degelijk vruchtbaar kan worden. De oude christenen wisten reeds dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk vormde en nog steeds is het zo dat mensen hun leven kunnen geven om een zaak, die zij dienen, te bevorderen.
Dit alles kan duidelijk maken dat de mense­lijke natuur anders is geaard dan die van de planten en dieren en dat betekent ook dat de levenshernieuwing in het voorjaar in de men­selijke natuur anders werkt dan bij planten en dieren.

Mensen kennen het merkwaardige verschijn­sel van de voorjaarsmoeheid. Ook is het aan­tal sterfgevallen van oude en zwakke mensen in het voorjaar opvallend groot. We kunnen een poging doen dit verschijnsel iets meer te begrijpen.

Planten en dieren kunnen niet tegen de na­tuurwetten in leven. Als het wel gebeurt komt dat door het ingrijpen van de mens met kunstmatig licht, kunstmatige warmte of chemische beïnvloeding. Wij mensen kun­nen wel tegen de natuur in leven, althans tot aan bepaalde grenzen. Daaraan ligt het feit ten grondslag dat de geest die het natuurwe­zen regelt bij mensen dieper met de stof ver­bonden is dan bij dieren en planten. Dieren bewegen zich niet individueel maar naar groepsaard. Planten en dieren groeien niet individueel uit maar naar de omstandigheden waaronder ze leven en naar de wetten van hun soort. Bij mensen is dat gedeeltelijk ook zo, maar de vormende idee is meer aan de mens persoonlijk gegeven. Geestelijk-psy­chisch is de mens veranderbaar maar tot op zekere hoogte lichamelijk ook. We kunnen dat ook zo uitdrukken dat de dieren en de planten een groepsziel hebben en de mens een individuele ziel. Het bewustzijn van die­ren en planten ligt buiten hen, bij de mens is het ingedaald in zijn stoffelijk lichaam. Er zijn zeker individuele verschillen tussen men­sen die sterk reageren als hun familie of stam en mensen die als enkeling in hun familie uit de boot vallen. Daar zijn dan nog vele tus­senvormen mogelijk, zowel geestelijk-psy­chisch als ook lichamelijk. In een gelaat kan zich de familie uitdrukken maar juist ook de eigen individualiteit.
Terwijl de uitdrukking van een dierenkop bij het ouder worden alge­mener wordt, kan dat bij het mensengelaat juist omgekeerd zijn, het wordt individueler. Tenminste, voor zover de mens een eigen geestelijk leven ontwikkeld heeft. Men kan ook juist een meer gereformeerd of meer vrijdenkersgezicht krijgen bij het ouder wor­den wanneer men zich steeds meer gevoegd heeft in het standaard-denken van een groep. Het verschil tussen menselijke en niet-menselijke natuur, zoals het hier kort is aangeduid, heeft tot gevolg dat de regenererende kosmi­sche krachten in het voorjaar in de planten en dieren veel sterker werken dan in de mens. Mensen hebben door hun eigen wijsheid (= eigenwijsheid) meer een belemmerende zelfs vernietigende functie in dit proces. “En deze belemmerende en vernietigende functie strekt zich ook uit over de natuur voorzover die door de mens wordt gebruikt en misbruikt. De inzichten die tegenwoordig beginnen door te breken en die voor een be­langrijk gedeelte aan Rudolf Steiner zijn te danken, kunnen ons helpen om in dit opzicht verstandiger te worden en ons ingrijpen meer af te stemmen op de kosmische wetten. Ook voor ons eigen lichaam is dat mogelijk en zeer zeker juist. Maar de levenshernieuwing wordt toch elk voorjaar geringer en is nooit definitief. Wanneer men vroeger meende te kunnen voortleven in de kinderen, dan was dat mogelijk omdat men meer in het geslacht leefde dan in de enkeling. De mens met het moderne zelfbewustzijn wenst niet eens meer dat zijn voorouders in hem verder leven. Hij wil zichzelf zijn.

Pasen is voor de natuur een feest van levensvernieuwing. Voor de mens is dat maar zeer beperkt waar. Wat is het dan wel? Voor de mens gaat het om het mysterie van de op­standing. Wat houdt dat in? Het moderne bewustzijn heeft moeite met een lichamelijke opstanding. De voorstelling dat een menselijk stoffelijk lichaam werke­lijk dood is en na drie dagen weer tot leven komt is voor het natuurwetenschappelijk denken onmogelijk. Men vindt daarvoor twee verschillende uitwegen. De ene zou men een spiritualistische opvat­ting kunnen noemen. Men neemt daarbij aan dat de herrezen Christus als een soort geest­verschijning aan de leerlingen verscheen en dat zij meenden een lichamelijke verschijning te aanschouwen. Te goeder trouw hebben ze dit bericht verder gegeven en wij later gebo­renen kunnen ons daarmee verbinden door de Christus als een zuiver geestelijk wezen te vereren. Daarmee is echter aan de fysieke werkelijkheid niets gedaan. Die blijft onver­anderlijk onderworpen aan de dood. Opstan­ding van het lichaam is dat dus ook niet. Ook zijn er die menen dat Christus helemaal niet aan het kruis gestorven is maar slechts schijndood was. Hij kon daardoor nog een korte tijd na Golgotha leven. Dit is de bood­schap van het doek van Turijn bijvoorbeeld.

Maar ook dan gebeurt er met de stoffelijk­heid van het mensenlichaam niets. Het is geen opstanding.

Daarnaast is er de grof-stoffelijke opvatting wanneer men aanneemt dat door een wonder de materie van het lichaam van Jezus weer tot leven is gewekt. Men meent dan de natuurwetenschap voor onbevoegd te kunnen verklaren in geloofszaken een uitspraak te doen. De twee werkelijkheden van natuur­wetten en geloof staan dan gewoon naast el­kaar. Alleen hebben ze wel betrekking op hetzelfde object, het menselijk lichaam en dat maakt het voor het denken toch wel moeilijk. Voor velen ligt hierin toch iets on­waarachtigs.

Een geheel andere weg gaat men wanneer men ernst maakt met de evolutiegedachte. Deze evolutiegedachte is reeds tamelijk gang­baar in de natuurwetenschap, maar op gees­teswetenschappelijk gebied nog nauwelijks opgenomen. (Geesteswetenschap is hier be­doeld in de universitaire zin, filosofie, lette­ren, psychologie, enzovoort, niet als antropo­sofie). Hoewel een scherpe onderscheiding van geest en stof zeker noodzakelijk is, is het toch mogelijk in te zien dat geest de stof kan voortbrengen met behulp van andere stof. Onze geesteshouding vormt tot op zekere hoogte ons lichaam. De handen van een mu­sicus vormen zich anders dan die van een timmerman. Ook kunnen oude mensen soms zeer doorzichtig worden in stoffelijke zin, waarbij ze dan tevens duidelijk spiritueler worden. Dat ook het omgekeerde kan plaats vinden en mensen steeds grover kunnen wor­den, berust op hetzelfde feit. Rudolf Steiner wees erop hoe in het lichaam van Jezus een zo sterke geest woonde, de Christus, dat dit lichaam daardoor vergeestelijkt werd. Tij­dens de tijd tussen de doop in de Jordaan en Golgotha werd dit niet of nauwelijks zichtbaar. Maar na de opstanding werd door hen, die daarop voorbereid waren, een lichaam waargenomen dat niet stoffelijk was.

De verhalen in de evangeliën vertonen wat betreft de tijd na de opstanding een merk­waardig verschil met datgene wat voor die tijd wordt vermeld. Na de opstanding ver­schijnt Jezus plotseling en verdwijnt ook weer. De leerlingen hebben moeite hem te herkennen. Kennelijk is hij anders van gestal­te dan vroeger. Dit krijgt nog meer nadruk als we bij Paulus lezen hoe deze zijn eigen waarneming van de Christus Jezus bij Damascus op één lijn stelt met de ervaring der ove­rige apostelen (1 Kor. 15). En deze waarne­ming wordt in de Handelingen der Apostelen beschreven als een lichtgestalte. (Hand. 9 en 26).

Hoe kunnen we dat een beetje leren denken? Het paradijsverhaal in Genesis maakt duide­lijk dat de mens voor de zondeval geen stof­felijk lichaam had. Immers hij kon niet ster­ven. En sterven betekent het wegvallen van het stoffelijke lichaam. De dood is inherent aan de materie. Deze onstoffelijke mens had wel een vorm, al is dat zeker niet de vorm van ons tegenwoordige lichaam geweest. Na de zondeval verbindt zich dan de mens met de stof. Paulus noemt dit lichaam een soma psychicon, een bezield lichaam. Het lichaam van de herrezen Jezus, de tweede Adam, noemt hij dan een soma pneumaticon, een geestelijk lichaam, een lichaam dat vorm heeft maar geen stof en daardoor onsterfelijk is. Dat wil zeggen dat dit lichaam geen dood meer kent. Dit geestelijk lichaam ontwikkelt zich uit het bezielde lichaam. Eerst was er, zo zegt Paulus (1 Kor. 15) een bezield li­chaam en daarna een geestelijk lichaam. Het bezielde lichaam wordt gezaaid en sterft. Daaruit komt dan het geestelijk lichaam te voorschijn. Maar dat kan het stoffelijke li­chaam niet uit zich zelf. Daarvoor was de daad van de Christus nodig. De Christus was zo sterk dat hij de vormkrachten van het li­chaam van Jezus kon bewaren door de dood heen. Normaal vervalt de vorm van het li­chaam met de dood van de stof. Bij Jezus bleef deze vorm bewaard en deze vorm werd na de opstanding zichtbaar als een lichtgestal­te, zoals ook de eerste mens een lichtgestalte was. Rudolf Steiner noemt dit het fantoom. Paulus noemt het een mysterie. Het is een mysterie omdat het alleen begrepen kan wor­den door wie heeft leren denken in de moge­lijkheid van evolutie, dat uit het stoffelijk li­chaam een doorgeestelijkt lichaam kan ont­staan.

Is dit alleen van theologisch belang voor wie de Christus Jezus willen begrijpen? Voor wie die drang heeft, is het kunnen denken van dit mysterie noodzakelijk. Maar van meer belang is het dat ieder mens ermee te maken heeft voor zijn eigen toekomst. Levenshernieuwing is altijd slechts tijdelijk en voorlopig voor de mens. Ze geeft hem echter de gelegenheid de opstandingskrachten te ontwikkelen door de verbinding met Christus. Deze verbinding met Christus wordt geloof genoemd. Ze kan zuiver gevoelsmatig zijn, ze kan zich uiten in het sacrament, ze kan zich vormen aan het sacrament, maar ze vormt zich ook door het denken over de Christus.
Wanneer dit den­ken intensief genoeg wordt, wordt het tot ge­loof. Geloof is vertrouwen in de kracht van Christus die in ons dit opstandingslichaam langzaam aan bewerkt door vele levens heen. De levenshernieuwing maakt het mogelijk dat aan de stoffelijkheid vanuit de geest ge­werkt kan worden. Wanneer de levensher­nieuwing niet elk voorjaar zou plaats vinden, zouden we te zeer aan de verharding van de materie vervallen en zou de geest daaraan niet meer kunnen werken. Van hieruit doet zich een merkwaardig ge­zichtspunt voor met betrekking tot de zon en de maan met Pasen.
De maankrachten hangen samen met de geboorte, ook met het telkens vernieuwen van het leven. De zonne­krachten hebben te maken met onze toe­komst. Na het begin van de lente moet er eerst volle maan geweest zijn. De afnemende maan geeft sterkere kiemkracht. In die tijd van de afnemende maan valt Pasen op een zondag.

Het fantoom is een lichtverschijning. De Christus sprak eens het woord: Ik ben het licht der wereld. Het licht der wereld is de zon. Christus identificeert zich met de zon, hij is de geest van de zon zoals wij mensen de geest van ons lichaam zijn. Als zonnewezen komt de Christus op de aarde en doortrekt de stoffelijke aarde met licht. Dat gebeurt eerst in zijn eigen lichaam, dat van Jezus, maar dat deelt zich dan mee aan de gehele aarde. Aarde en daarmee de aardemens wor­den langzaam aan steeds meer doortrokken met deze lichtkrachten, dat wil zeggen op­standingskrachten. Daardoor kan de duister­nis van de materie overwonnen worden.

bron onbekend

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

108-105

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (6)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Palmpasen/Pasen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.