Tagarchief: sprookjesbeeld

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (10)

 

vrijheid

Vrijheid, zoals deze tot uitdrukking komt in de naam “vrije”school die heeft niets te maken  met willekeur of flierefluiterij, zoals wel eens wordt verondersteld.
Maar wel alles met een gezonde ontwikkeling van het geestelijk-culturele leven. Vrijheid hangt samen met mens-zijn.
Het dier kent geen vrijheid – zijn doen en laten worden bepaald door instincten en driften; Mensen kunnen ook als dieren gaan leven, of als automaten – iedereen heeft daar wel neiging toe, het is gemakkelijk. Maar, het is niet “menselijk”..
Als een kind wordt geboren, neemt het een lichaam aan. Dit lichaam hangt samen met de aarde, met krachten uit het verleden. Daar ligt al veel vast, is al geworden. Het ik-wezen van het kind komt uit een ander rijk, een rijk dat niet zo verdicht en verhard is. Dit ik-wezen brengt een wilsimpuls mee, streeft naar een toekomst toe. Daar is nog vrijheid.
Zeven, veertien, eenentwintig jaren op aarde zijn nodig om het lichaam te laten groeien, zo ver te brengen dat het geestwezen zich er geheel mee kan verbinden, geheel is geïncarneerd en dit lichaam als instrument kan gebruiken. Dan pas kan er van vrijheid sprake zijn.
Vrijheid hangt samen met keuze, met het nemen van besluiten.
De prins uit het sprookje, die er op uit trekt om zich het koninkrijk waardig te tonen, komt al gauw bij een tweesprong. Er staat een handwijzer met raadselachtige opschriften. Welke kant zal hij uitgaan? Wat moet hij kiezen? Het is beslissend voor de toekomst.
Maar hij staat hier niet onvoorbereid voor. Hij is immers een koningszoon en heeft een koninklijke opvoeding gehad. Rijkdommen stonden hem ter beschikking, vele vaardigheden heeft hij geleerd. Als laatste worden nu zijn krachten in moeilijke opdrachten gestaald.
Ieder mens staat, als hij eenmaal volwassen is, telkens weer voor een keuze, vele malen per dag, bij wat hij doet of laat. Het is een geweldig appèl aan je bewustzijn, aan het kennen van de wereld en van jezelf, en aan je wil.
Zeven, veertien jaar en langer krijg je als kind de kans om je op dit leven voor te bereiden. Je ontmoet mensen, dingen, krachten, in altijd wisselende situaties en verhoudingen en in wisselwerking met jezelf. Je ontmoet jezelf in je bezig zijn; spelend, tekenend, vormend, sprekend, denkend, schrijvend. Het is een lange leertijd, onevenredig lang als je het vergelijkt met het volwassen worden van een dier. Die lange jeugd, waarin je geleid wordt, is een bijzonder voorrecht van het mens-zijn. Maar is ook nodig, want veel hangt er van af voor het latere leven en voor de wereld.
De koningen in de sprookjes leefden heel lang geleden. Daarmee zijn zij tot een beeld geworden, een ideaalbeeld, en in dit beeld ligt de waarheid van het sprookje. In onze tijd mag je in ieder mens een koningszoon vermoeden, ook in het dappere snijdertje of in de “domme” boerenjongen.
Het ideaal is ze allen een koninklijke opvoeding te geven – een opvoeding tot vrijheid.
.
(Annet Schukking, Geert Grooteschool Amsterdam, juni 1976)

.
Over vrijheid: sociale driegeleding [7-1]

opvoedingsvragen: alle artikelen

925

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-5)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES: woud en woestenij

Het woud
Wie een bos in gaat wordt onmiddellijk door een heel bijzondere sfeer geboeid. De schemerige lucht die in het groene halfdonker en donker overgaat, het zachte gefluister en geruis van de zich bewegende bomen – ademend leven is het bos, een getuige van alle leven, zelfs de afgestorven naalden en bladeren onder je voet. Maar wel geheimzinnig leven, want de bomen versperren je zoekende blik en je kunt makkelijk verdwalen.

Ook wanneer er over ’t algemeen genomen geen wilde dieren meer huizen en geen rovers meer vanuit de struiken tevoorschijn springen, dan nog blijft er een lichte vrees bij ons achter. Het is voor ons zo, dat in het bos alles mogelijk is, geheimzinnig en duister.

De naam bos – het Duits heeft hier ‘Wald’ wijst daar al op. Vroeger lag aan de andere kant van de beschermwal die de alleenstaande hofstede omgaf, de ‘wal’-ding (Wal-dung). Het was het onbeschermde land waar alles mogelijk was: het gevaar van wilde dieren en mensen, maar ook een veilige beschutting wanneer je achtervolgd werd. De wijze zieneres leefde in het woud en de kluizenaar die raad gaf. Wie het juiste pad niet kende, kon verdwalen en liep eindeloos.

Wanneer de mens zich uit het rijk van het bekende in het onbekende moet begeven, wanneer hij zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet, nieuwe wegen moet vinden, misschien op weg naar een nog onbekend doel, komt makkelijk in dat zielengebied, dat zielenlandschap dat in het sprookje ‘woud’ heet. Het is de wereld van het onbestemde in hem waar hij moedig door heen moet. Hij vindt misschien lange tijd geen ‘uitweg’ en moet aan allerlei gevaar het hoofd bieden. Want in deze toestand doen zich graag bepaalde driften gelden. De mens moet de natuurlijke wijsheid ervan leren begrijpen, zoals domme Hans de bonte kat in het het bos begrijpt. Maar hij moet ook opletten, dat wilde driften hem niet gaan beheersen, dat hij, net zoals in het mooie sprookje van de twee broers tot jager wordt en tot heer over de dieren.

Maar ook de vegetatieve krachten van het lichaam kunnen beeld zijn van het woud.
Wanneer kinderen bv. geplaagd worden door dromen over een bos, waar ze steeds verkeerd lopen (natuurlijk kan er ook een uiterlijke oorzaak zijn, dat moet je onderzoeken) dan dringt zich de groei- en levenskracht te sterk op aan het bewustzijn. Zo’n kind moet bepaalde opdrachten krijgen, het moet leren te durven en in zijn innerlijke houding sterker worden, het heeft de weg en het doel nodig.
Hieruit kunnen we begrijpen wat het betekent wanneer de arme houthakker onder invloed van de boze stiefmoeder zijn kinderen het bos in stuurt. ‘De arme houthakker’  is het beeld van die mens die iets levends omhakt en het laat sterven.

Goethe zegt: ‘Grauw, goede vriend, is alle theorie, maar groen de gouden boom van het leven.’

Wie niet meer met het uitbundig groeiende leven, vol wijsheid te maken heeft, maar met te veel grauwe theorie, diens denken verschrompelt. Wat hij produceert is dor. Theoretici analyseren graag, ze ‘kloven’ en maken kleiner. De taal zegt: ‘Ze maken er hakhout/splinters van’. Weliswaar moet dit ook geleerd worden en is op vele levensgebieden nodig, daarom schetsen de sprookjes het houthakken ook van een positieve kant. Maar wanneer de mens enkel en alleen houthakker is – een arme houthakker zoals in Hans en Grietje -, dan levert hij de jeugdkrachten van zijn wezen, het actieve mannelijke willen – Hans genaamd – en het meevoelende van de vrouwelijke ziel – Grietje genaamd – uit aan het woud. En ze komen dan pas weer uit het woud terug, als ze hebben leren kennen dat het zoete brood van de heks niet het echte brood van het leven is en na dat het boze vernietigd is. Maar ook hier moet lering uit worden getrokken. Wie de situaties die in een woud zich voordoen uit verschillende sprookjes bekijkt, kan meteen dit beeld begrijpen. Dan ziet hij ook in dat de graalsburcht in onze grote sagen door een woud omringd is en dat ook Dante in zijn goddelijke komedie de overgang naar de andere wereld in het beeld van het woud schetst.

De woestenij in het sprookje.
Het Duits heeft ‘Wüste’dat ook woestijn betekent.

‘Hij heeft zijn leven verwoest’, hij is een ‘woesteling’ geworden, en in mij is alles ‘woest en leeg’. Iedereen kent deze uitdrukkingen en weet wat daarmee bedoeld wordt. Wanneer al het leven in ons gestorven is, wanneer verlatenheid en eenzaamheid overheersen en elke scheppende kracht uitgeput is, dan bevinden we ons in de ‘woestenij. In deze woestenij moeten leven, kan door schuld zijn, maar ook door het lot.

In het Russische sprookje ‘Het water des levens’ trekken de drie zonen van de koning weg, om het levenswater voor hun zieke vader te zoeken. De oudste wil ‘de mensen zien en zelf gezien worden’. Ook trekt hij eropuit met vele soldaten. Het duurt niet lang of hij bevindt zich in ‘eenzame streken’ waar niets te zien is, behalve de hemel en de aarde. Wie het water des levens – de scheppende kracht van de ziel, de scheppende wijsheid – wil verkrijgen, mag geen ijdelheid in zijn hart meedragen en niet naar eer en roem verlangen. Boven alles moet hij een onzelfzuchtig Ik ontwikkelen, actief en strevend. Hij mag ook niet vertrouwen op strijdkracht en geweld gebruiken. Wie in het teken van de strijdt leeft, roept vijandige krachten in het leven en deze vijandigheid maakt ons bestaan leeg en ons tot eenzame mensen.

In het Russische sprookje ‘Johannes uit de erwt’ ligt het rijk van de gruwelijke draak tussen ‘bergen en zandsteppen’. Maar is de draak niet het beeld van die luciferische kracht die de mens weliswaar tot zelfstandigheid brengt, maar hem ook tot egoïsme en hoogmoed aanzet? Dit zijn echter de krachten die een liefdevolle verbinding van de mens met zijn medemens in de weg staan en de bodem van de ziel dor en onvruchtbaar maken. De koningszoon Johannes trekt door deze zandige steppen en bevrijdt zijn door de draak gevangen zuster. Hij neemt in zekere zin de woestenij op zich om daar het boze te overwinnen en de ziel te redden.

(Friedel Lenz, Der Elternbrief, nr.8, 1965)

.

Sprookjes: alle artikelen

.

Vertelstof: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeldsprookjes

.

258-243

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.