Tagarchief: vrede

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – vrede (5-6)

 

Lex Bos, Jonas 8/9 14-12-1979

.

Vrede en onvrede rust, eerbied en dankbaarheid

Wanneer we naar de overal losbarstende oorlogshaarden kijken, lijkt vrede op aarde verder weg dan ooit. Heeft het nog zin er over te schrijven? Als ik daar niet van overtuigd was, zou dit artikel niet zijn ontstaan. Interessant detail: het ontstond door een vraag van iemand uit Groningen, die over het thema ‘vrede’ moest spreken en benieuwd was, hoe de auteur van het boekje ‘Individuele en sociale bewustwording’ over dit thema dacht. Ik realiseerde me toen dat Groningen wel een polemologisch instituut heeft (po-emos is het Griekse woord voor oorlog) maar nog geen ‘eirenologisch’ instituut (eirènè is Grieks voor vrede). Misschien is er wel zo veel onvrede omdat we nog zo weinig weten wat vrede eigenlijk is…

Vrede en onvrede zijn merkwaardig in ons innerlijk leven vermengd. Eigenlijk zitten ze op de verkeerde plek, met een verkeerde gerichtheid. Het moderne economische leven prikkelt de begeertes en roept steeds opnieuw onvrede in de ziel op. Een tweede huis, betere stereo-apparatuur, een snellere auto, nog verder weg in de vakantie en zo voort. Dat vraagt om meer inkomen, een andere baan, betere arbeidsvoorwaarden. Er is een voortdurende onrust in de westerse ziel naar anders, meer, beter, sneller, gemakkelijker. En wat de commercie aanbiedt geeft slechts tijdelijk bevredeging. Na de consumptie ontstaat weer een nieuwe leegte, een nieuwe onvrede.

Deze naar buiten gerichte begeerte is agressief van aard. De mens wil zijn begeerten bevredigen, desnoods ten koste van de ander, van het milieu, van andermans grondgebied, van de levensstandaard in ontwikkelingslanden en zo voort. Hoewel oorlogen zeker nog wel hun ideologische kanten hebben (Israël, Arabische landen, communisme) geloof ik dat in onze tijd praktisch alle politiek, economische politiek is geworden, en praktisch alle agressie tussen groepen en volkeren van uit het onvrede-begeerte gebied in de mensen gevoed wordt.
De agressiviteit van deze onvrede is ook duidelijk herkenbaar in de wetenschap. Moderne natuurwetenschappelijke laboratoria zijn pijnbanken, waarop de natuur gefolterd wordt, tot ze haar geheimen prijs geeft. Dat doet ze natuurlijk niet, zodat we nog heel weinig van de natuur afweten. Door analytische methodes hakken we de natuur in stukjes. Om allerlei invloedsfactoren onder controle te krijgen isoleren we deze op kunstmatige wijze. We creëren experimenteer-situaties waarin bijvoorbeeld met elektronisch geweld substanties getransformeerd worden. In al dat gedrag herkennen we onvrede met de natuur zoals ze zich openbaart. We willen de schepping eigenlijk overdoen en de natuur in onze logisch-abstracte modellen persen.

Wanneer we nu op zoek gaan naar vredes-fenomenen, dan is veel daarvan samen te vatten als een vrede-karikatuur. In de Amerikaanse sociale psychologie verschijnt het beeld van een mens, die voortdurend streeft naar ‘tension reduction, no frustration, no pain, no stress, no suffering enzovoorts’. De medische wetenschap en de psycho-therapie raken niet uitgeput in het bedenken van tranquillizers (‘vredestichters’), anti-stress middelen, spanning-opruimers, uitlaatklep-openers en dergelijke. Deze vrede-karikaturen verschijnen in de mens drievoudig, in zijn denken, voelen en willen.

In het denkleven verschijnt het vrede-karikatuur als de afwezigheid van vragen naar het waarom, naar het waardoor en naar de samenhang van de talloze verschijnselen, die ons omgeven. Wat de materialistische natuurwetenschap aan verklaringen geeft over leven, dood, evolutie, lot enzovoorts is mechanistisch van aard en moeten de ziel onbevredigd laten. Wat de ‘openbare mening’ ons in de massamedia toeroept als achtergrond van sociaal-economische verschijnselen, is eigenlijk grotendeels onwaar. En toch zijn er veel zielen die daar tevreden mee zijn, geen vragen meer stellen!

In het gevoelsleven verschijnt het vrede-karikatuur als burgerlijke gezapigheid: 1 vrouw, 2 kinderen, 3-kamerwoning, auto met 4 wielen, om 5 uur de buis aan enzovoort. Het niveau van die gezapigheid moet wel steeds omhoog, maar ook dat proces is in wezen gezapig gedacht.

In het wilsleven verschijnt het vrede-karikatuur via de oosterse-scholings-wegen. Ik bedoel niet de onschuldige export-yoga die de mensen helpt zich te ontspannen. Ik bedoel de oosterse scholingswegen, die de mens er toe brengt niets meer te willen, op te gaan in dé al-vrede van het nirwana – en daarmee in wezen zijn persoonlijkheid prijs geeft.

Wanneer ik in het voorgaande heb gesproken over een vrede – en onvrede karikatuur in de mens, dan duidt dat op de aanwezigheid van een écht beeld, van een oerbeeld van de vrede. Waar kunnen we dat vinden? Elk jaar met Kerstmis wordt het in de ziel wakker geroepen.

Als Jezus van Nazareth in Bethlehem geboren wordt, zijn de herders op het veld. In de droom verschijnt hun de christusgeest en zij horen klinken:

geopenbaard zij God in den Hoge
en vrede op aarde
in de mensen die van goeden wille zijn.

Wat hebben deze woorden ons te vertellen?

Er is blijkbaar sprake van twee nieuwe perspectieven, die de mens onder bepaalde voorwaarden worden geboden.

De mens wordt opgeroepen op zoek te gaan naar de bron van het goede, hij wordt gewezen op de mogelijkheid zijn wil vanuit morele krachten te laten richten. Voor de mensen die in die zin op weg gaan, worden twee perspectieven geboden: enerzijds een verruiming van het bewustzijn, een doorbreken van het aan de zintuigen gebonden weten, een kennend binnentreden in de bovenzinnelijke wereld, waarbij hogere wezens dan de mens (‘God in den Hoge’) zich weer aan de mens willen openbaren; anderzijds een perspectief naar een sociaal handelen en een ordening van menselijke relaties die vrede op aarde mogelijk maken.

De vraag die natuurlijk nog levensgroot openstaat, is die naar de bron van moraliteit in onszelf. Dat er geen instanties, normen of wetten buiten ons zijn die ons kunnen vertellen wat goed en kwaad is, wordt steeds duidelijker. Maar kunnen we in onszelf zo’n instantie vinden?

Het was de lichtende Christusgeest die de woorden tot de herders sprak. Hij heeft zich bij de Doop in de Jordaan met Jezus verbonden en is door dood en opstanding heen gegaan. Vanaf dat moment kan ieder mens Hem als kracht in zichzelf opzoeken.

Het opzoeken van die bron heeft alles te maken met het thema vrede, en met het vinden van het vredes-oerbeeld, waarmee de beschreven karikaturen kunnen worden genezen.

De weg die ik wil beschrijven loopt door de gebieden van innerlijke rust, eerbied en dankbaarheid naar de kwaliteit vrede, dit is eigenlijk een hogere vorm innerlijke rust.

Die weg begint met het bij jezelf oproepen van innerlijke rust in de ziel. Op het moment dat je daarvoor gaat zitten, merk je wat een innerlijke onrust je in je hebt. Onrust in je lichaam, allerlei opkomende impulsen, rondflitsende associaties en dergelijke. Een hulp bij het streven naar innerlijke rust kan het oproepen van een beeld zijn. Het langzaam uitspreken van bijvoorbeeld het bekende gedicht van Goethe, kan dit beeld een zekere kracht en duur geven:

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.

Boven elke bergtop
heerst rust,
in elke boomkruin
bespeur
je amper nog een zucht;
de vogels zwijgen in het loof.
Wacht maar, spoedig
rust jij ook.

Het is de grootheid van Goethe dat hij niet alleen in het beeld en in de klinkers (oe en au) een grote serene rust oproept, maar dat hij je ook een weg laat gaan door de natuurrijken heen: de ‘Gipfeln’ – toppen van bergen – zijn het minerale rijk, de ‘Wipfeln’ – kruinen van bomen – zijn het plantenrijk, de ‘Vögelein’ het dierenrijk en ‘du’ is de mens. Voorts voert het gedicht je van oneindige verten, tot dicht bij jezelf.

Voor het beeld van de bergtoppen met de eeuwige sneeuw, moet je werkelijk een hoog omvattend punt beklimmen. Om daarna over de kruinen van de bomen te kijken, moet je op z’n minst tot de boomgrens afdalen. Daarna begeef je je in de bossen, om te horen dat de vogels zwijgen en tenslotte eindig je bij jezelf, mét de drievoudige rust van de natuurrijken, die je innerlijk als beeld hebt opgeroepen.

Dat beeld roept na enige tijd, mét de rust een andere kwaliteit in de ziel op. Die van de eerbied voor de ons omringende natuur. Het is ook goed deze stemming, dit gevoel rustig een tijdje in de ziel te laten staan. Het biedt een brug naar een nog dieper gevoel: dat van dankbaarheid. Het besef kan ontstaan, dat al die natuurrijken leven op aarde mogelijk maken. Wanneer je beseft wat steen, plant en dier voor de mens betekenen, kan er een intens gevoel van dankbaarheid in de ziel groeien. Dat moet Christiaan Morgenstern beleefd hebben toen hij dichtte:

Die Fusswaschung

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein –
und aller Gottheit vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein.

De voetwassing

Ik dank u, gij stille steen,
en buig mij tot u neder:
door u ben ik verbonden met het plantenzijn.

Ik dank u, gij aarde en plantenwereld,
en buig mij tot u neder:
gij hielp mij tot het creatuurlijk zijn.

Ik dank u, steen, plant en dier,
en buig mij tot u neder:
aan u gedrieën heb ik mijn bestaan te danken.

Wij danken u, oh mensenkind,
en knielen nederig voor u:
slechts door uw aanwezigheid kunnen
wij bestaan.

Dank stroomt uit goddelijke eenheid
en veelvoudigheid.
In dank is alle bestaan verenigd.

De gevoelens van dank voor de natuurrijken kunnen zich verwijden tot gevoelens van dank, voor alle medemensen die je het leven mogelijk hebben gemaakt. Een terugblik in de biografie kan zichtbaar maken, hoe veel mensen hun goede zorgen aan je besteed hebben: ouders, leraren, vrienden. Zonder hen zou je niets zijn geweest. In dat beeld kunnen ook geleidelijk al diegenen verschijnen, die niet weten dat ze je gediend hebben, maar dat wel gedaan hebben. Ze hebben het brood voor je gebakken, anderen zorgden voor vervoer naar vakantieplaatsen en weer anderen drukten boeken die je hebt kunnen lezen.

Mét het groeien van deze dankbaarheid kan het gebeuren, dat je met een zekere vanzelfsprekendheid ook dankbaar bent naar mensen, naar wie dat niet zo vanzelfsprekend is. Je kunt zelfs gaan ontdekken, dat je aan de mensen die je het leven moeilijk hebben gemaakt, – je leed hebben veroorzaakt, je dingen hebben onthouden, – positieve krachten kunt ontwikkelen. Door zulke inzichten kunnen de dankbaarheidsgevoelens zich verhogen tot dankbaarheid tegenover de geestelijke leiding, die blijkbaar in het kunstwerk van de eigen biografie werkzaam is. Die gevoelens monden tenslotte uit in de kwaliteit VREDE; vrede met het eigen lot, vrede met de ontwikkelingsstroom waarin je geplaatst bént. Zelfs kan je je er langzamerhand van bewust worden, dat je jezélf in een ontwikkelingsstroom geplaatst hebt.

Het is deze vrede waar christenen altijd om gebeden hebben, met hun ‘Dona nobis pacem’ – geef ons vrede -en die zij met de communie ontvingen als de priester de zegen uitsprak: ‘Pax vobiscum’ – de vrede zij met u -. Dat deze vrede een vrede in Christus is, kon een onmiddellijk beleven zijn. Je realiseert je, in de sfeer van de vrede met het lot aangeland zijnde, dat Christus de stuurder van het lot is en dat alleen Hij deze vredeskracht in de ziel kan oproepen. Het is inderdaad een vredeskracht, een actieve vrede, een bron van moraliteit, van goede wil.

Wanneer wij deze vredeskracht in onszelf gevonden hebben en de weg erheen blijven verzorgen, dan kunnen we de karikaturen van vrede en onvrede in de eigen ziel genezen. Ik heb deze karikaturen naar twee kanten beschreven:

– naar de kant van het sociale handelen: agressieve begeerte, onvrede, gezapige vrede.

– naar de kant van het onderzoekend kennen: tevredenheid die geen vragen meer stelt, agressief analytisch onderzoek.

We kunnen naar de kant van het sociale handelen alles samenvatten onder het woord kunst. Daarmee bedoel ik het vorm-veranderend, substantie-om-vormend ingrijpen van de mens in de wereld om hem heen. We kunnen naar de kant van het onderzoekend kennen alles samenvatten onder het woord wetenschap. Laten we ons eens voorstellen dat alles wat we zowel naar de ene kant (het onderzoekend kennen) als naar de andere kant (het sociale handelen) doen, gedragen wordt door de morele kwaliteiten, die we op onze weg naar de innerlijke vrede verworven hebben. Wanneer de Christus-vrede-geest werkzaam wordt in kunst en wetenschap, wat voor perspectief doemt dan op? Ik denk dat wetenschap dan leiden zal naar een ‘openbaring van god in den hoge’ en dat kunst voeren zal naar een ‘vrede op aarde’.

Bij de geboorte van het Christuskindf werd de mens opgeroepen, om de krachten die zich hier op aarde met een mens verbonden, in de eigen ziel op te zoeken. Ze zijn de bron van alles wat op aarde als goede wil werkzaam is. De mens kan van uit deze bron de weg naar binnen gaan en waarheid zoeken. De mens kan van uit deze bron ook de weg naar buiten gaan en het goede sociale handelen verwerkelijken.

De geboorte van zijn hoger wezen, zijn menswordingsweg gaat tussen twee zuilen door: op de ene staat wetenschap, met daarachter ‘Geopenbaard zij God in den Hoge’ en op de andere staat kunst, met daarachter ‘vrede op aarde’.

Als hij ze beide in zijn bewustzijn heeft, zal zijn weg de juiste zijn, in de richting van de mensheidsgeest, die zich in de oer-kerstnacht openbaarde.

 

Vertaling ‘Die Fusswaschung’ Erna Landweer.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

2272

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (1)

.

ZWAARD EN WEEGSCHAAL
.

Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd

Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperking­en en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar even­wicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.

De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daar­in de seizoenen lente, zomer, herfst en win­ter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet ver­wonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggen­de tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten ge­ordend zijn.

Hoewel wij ons (zeker in de westerse bescha­ving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en her­nieuwd weer toegang toe te vinden. De fees­ten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – in­gegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de chris­telijke jaarfeesten niet slechts een ‘verleng­de’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreug­devoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oe­fenend in en mee leven, zoals dit bijvoor­beeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.

Evenwicht in uitersten

Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare ge­deelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide in­nemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds ouds­her als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘sei­zoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de moge­lijkheden. We staan in het spanningsveld tus­sen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand ge­nomen te hebben – weer helderder en duide­lijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weer­standen, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand pro­beren in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijk­heden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attri­buut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uit­gebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.

Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvanke­lijk verwondering wekt omdat het tegelijker­tijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te ma­ken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strij­den.

Vechten op twee fronten

Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toene­mende geweld te verzetten of om er de waar­de van de vrede of van de geweldloosheid te­genover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbe­grijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de disci­pelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?

Wanneer ik geconfronteerd word met ander­mans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.

Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegen­gestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewon­nen geeft is de strijd ten einde, er wordt vre­de gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt ver­meden, zodat die situatie een ‘vredige’ ge­noemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de be­schreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredi­gend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoe­den of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ont­dekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fron­ten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, te­gen de neiging de ander te negeren en zo bui­ten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, het­geen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.

En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een ande­re mening of reageert hij anders in een be­paalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder ab­soluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan be­reid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.

De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapen­stilstand of schijnvrede te leiden. Het strijd­toneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruim­te is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.

Actief antwoorden
De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij de­ze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruim­te en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei bo­ven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kun­nen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spre­ken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uit­spraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoog­moed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze godde­lijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.

De genius, de engel van de herfsttijd, herin­nert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwe­zens is hij de enige wiens naam een vraag in­houdt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergele­ken te worden!

Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwich­tig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is ge­worden, daarmede de mogelijkheid schep­pend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwach­ting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voor­bereidend karakter voor de advent- en kerst­tijd: de geboorte van God in de mens.

Michaël 1

Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.

(Maarten Udo de Haes in  Jonas, nr.2, 16-09-*1983)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

247-233

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.