Tagarchief: zwaard

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (2)

.

DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

De gevolgen van de (verbeterde) stoommachine

De geboorte der Macht

Een vloek over alle uitvindingen opent het laatste hoofdstuk. – Met het gezang der ijzeren engelen besluit het boek, ~ Daartussendoor wordt de geschiedenis van het ijzer verteld, – James Watt verdubbelt de rijkdom der wereld en laadt zich daarvoor een miljoen schulden op de hals. ~ De geschiedenis van een eerzuchtige Schot, – Roebuck en Boulton, ~ De ijzerman uit Birmingham sluit zich aan bij James Watt en de stoommachine wordt werkelijkheid, ~ De ijzeren Murdock bokst een weg voor de machine, – Het geheim van het parallellogram. -De Lords moeten niet in de meelmolen dansen. – Boulton vertelt een monarch waar de koningen naar verlangen en wat het lot der komende eeuwen zal bepalen. – James Watt sterft, ~ De ijzeren engelen halen de Guillotine omver en de herwaardering van alle waarden begint.

«Ik vervloek alle uitvindingen die ik gedaan heb. » Dit bittere woord was vele jaren lang het avondgebed waar­mee Watt zich te ruste begaf en de spreuk waarmee hij de dag begon. Zijn uitvindingen hebben hem tenslotte toch nog tot een rijk man ge­maakt. Voordien echter brachten zij hem vaak aan de rand van de afgrond en stortten zij hem telkens weer in vertwijfeling en schulden.

Dat het leven van James Watt zo heel anders verlopen is als dat der mannen, die voor hem aan de stoommachine gewerkt hadden, dat hij ondanks alle zorgen toch nog een rijk man werd, lag aan de veran­deringen die er in de loop van de tijd plaatsvonden. De wereld en vooral Engeland bevond zich in een houtcrisis. Engeland, dat streed om zijn monopoliepositie, had ijzer nodig voor kanonnen en machines. Om ijzer te kunnen maken had men erts en kolen nodig. Het erts kon men desnoods nog wel bereiken, maar de kolen lagen onder het grondwater en het grondwater was niet meer uit de mijnen weg te krijgen. Dus nam men hout. De oude Engelse bossen werden zonder veel omslag omgehakt en tot houtskool verwerkt. Met de houtskool maakte men ijzer en met de ijzeren kanonnen streed Enge­land op zee en overzee. De feodale patriotten verlangden in het par­lement, dat er een einde zou gemaakt worden met de verwoesting van de bossen. Merry Old England vocht om zijn leven en verloor het. De oude gelukkige tijden der grondbezitters waren voorbij. Met de inheemse wol viel geen wereldpolitiek te maken. Als Engeland nog een wereldmacht worden en blijven wilde, moest het alle katoen­markten controleren, men moest meer katoen kunnen spinnen dan de anderen. Daarvoor had men machines nodig. De machines hadden ijzer nodig en ijzer was krap.

De wolwevers verbonden zich met de feodale heren, de grondbe­zitters raakten hun schapenwol niet meer tegen de goede oude prijzen kwijt en de wolwevers zagen zich bedreigd door de machines. Als men een moordenaar opknoopte, die vroeger wever geweest was, richtte hij van af de trap van de galg een toespraak tot het volk. Hij bekende zijn zonden en bezwoer, dat hij geen moordenaar geworden zou zijn, als de crisis in de wolweverij niet was gekomen. Zo was hij tot een misdadiger geworden en verdroeg de smaad, in een katoenen hemd te worden opgehangen. « Hangt met mij ook maar de katoen op », zo legden de grondbezitters en de wolwevers die laatste
woor­den van de stervende uit. Met deze pathetische wevers echter waren de oude tijden gestorven. Engeland moest door de houtcrisis heen, de strijd om de wereldmacht moest ten einde gestreden worden en daar het een strijd om ijzer en kolen was, kregen de industriëlen gelijk. Maar zij konden alleen dat gelijk houden, als het hun en de mijneigenaren gelukte meer ijzer te maken. Met de oude Newcomen-machines kon men niet zoveel water uit de mijnen halen als nodig was. En toen er een nieuwe uitvinding kwam opduiken, waarmee men beter water kon pompen, sprak het vanzelf, dat de industriëlen zich van haar moesten meester maken. Daar Watt er echter in ge­slaagd was, zijn uitvinding onder de bescherming van een patent te brengen, konden de industriëlen zijn uitvinding alleen gebruiken, als zij hem in hun winst lieten delen.

De vier gezichten van de ingenieur

Van Guericke tot Watt heeft het gezicht van de ingenieur heel wat veranderingen ondergaan, maar eerst sinds James Watt draagt het de trekken van de moderne tijd. Tot aan Otto von Guericke was de ingenieur tegelijk oorlogsgod en filosoof, een man, die wist hoe hij de wetten der mechanica moest toepassen en wapens kon maken. De burgemeester van Maagdenburg was een onafhankelijke, trotse bur­ger, die het niet nodig had, zijn ontdekkingen voor zijn boterham te exploiteren. Toen echter de macht der Hanze gebroken en de rijkdom der oude steden voorbij was, behoorde ook de trotse positie der oude oorlogsingenieurs tot het verleden.

De ingenieur werd, zoals Denis Papin, een halve hofnar, een man die merkwaardig speelgoed kon maken en springfonteinen aanleggen. Daarna, toen de vorsten zagen, dat zij van handel in mensen en van belasting op suiker alleen niet meer leven konden, werd de ingenieur bevorderd van hofnar tot minister. De vorsten stichtten academies, waarvan zij initiatieven voor de economische ontwikkeling van hun landen verwachtten en in het vrije Engeland tenslotte groeide de in­genieur op tot de middelaar tussen natuurwetenschap en economie, zoals wij hem tegenwoordig kennen en die de industriële revolutie heeft ingeleid.

James Watt is het voorbeeld van deze ontwikkeling. Gedurende de eerste helft van zijn leven is hij de geleerde dromer, die een dwaze idee najaagt, dan wordt de dromer een ontdekker en tenslotte ver­andert de ontdekker en uitvinder in een ondernemer, in een mede­bezitter van de grootste machinefabriek die er toen ter wereld be­stond.

Toen Watt zijn proefmachine klaar had, vermoedde hij al dat hem kwade tijden te wachten zouden staan en dat het er voor hem op aankwam, zo gauw mogelijk patent te nemen. Om de aanspraak op een patent te kunnen motiveren, moest hij de machine nog verder beproeven. Daartoe was vóór alles geheimhouding geboden. Zo werd de opgewekte verteller een wantrouwige zwijger. Hij vertrouwde alleen professor Black het geheim van zijn uitvinding toe. Black was een Schot zoals hij en een beproefde vriend. Hij had de mechanicus vaak kleinere en grotere sommen geld geleend en wat dat voor deze man betekende, kan men wel nagaan, als men hoort, dat hij, oud ge­worden, van zichzelf zei, dat het sparen van geld en het kapitalist worden hem veel plezier gedaan had.

james watt 9

Watt zei niet eens iets tegen zijn vriend Robison, die hem toch er toe had aangespoord zich met de stoom bezig te houden. Hij huurde in Glasgow een kelder, waarin hij zich opsloot met een oude lood­gieter en een nieuw model bouwde. De loodgieter kon hem niet veel helpen en Watt, de fijnwerker, moest ook smid en slotenmaker spelen. Met zijn zaak kon hij zich niet veel meer bemoeien en toen Craig, zijn vennoot, stierf, hief hij de werktuigkundige werkplaats op en trok zich met een assistent, John Gardiner, in een verlaten pottenbakkerij, die ver van de stad gelegen was, terug. Ingespannen werkend bouw­den zij beiden in twee maanden aan een stuk, alleen met behulp van een oude blikslager, een nieuwe, grotere machine. Maar ook deze voldeed nog niet aan de eisen van Watt. De cilinder van deze ma­chine was niet uitgeboord, maar uit plaatijzer gehamerd en gesol­deerd. Met deze cilinder moest men omgaan als met een rauw ei, terwijl gedurende het werk aan de machine de oude blikslager stierf en Watt en Gardiner in de kunst om ijzer te hameren lang niet zo bedreven waren als deze man.

james watt 10

Een ideale kapitalist gezocht

De verborgen arbeid kostte veel geld en het duurde niet lang, of Watt had een schuld van duizend pond. Black, die hem ondanks zijn spaarzaamheid graag uit de brand hielp, overlegde, dat het voordeli­ger zou zijn, als men Watt in contact bracht met een financier. Die geldschieter moest echter geen gewone kapitalist zijn, maar een gent­leman, die zijn partner zou weten te waarderen, het beste was na­tuurlijk een Schot. Professor Black had veel vrienden in de industrie. Toen hij ze allemaal had nagegaan, wist hij, dat alleen Dr. Roebuck de juiste man was. Roebuck, van huis uit een scheikundige en oprich­ter van een beroemde zwavelzuurfabriek, was niet alleen een succes­vol ondernemer, maar ook een eerzuchtig patriot. Hij dacht er over na, hoe men Schotland rijk zou kunnen maken en vond, dat het goed zou zijn, de ijzerindustrie te bevorderen.

Met het grote vermogen dat hij als zwavelzuurfabrikant en als eigenaar van een porseleinfabriek had verworven, bouwde hij aan de rivier de Carron in Schotland een hoogoven. Deze hoogoven werd de kern van een geweldige ijzersmelterij. Dr. Roebuck had uit Enge­land de beste smeden en metaalgieters bij elkaar gehaald, en de producten van zijn ijzersmelterij werden bijna zo beroemd als die van Birmingham. Voor zijn hoogovens had Roebuck kolen nodig en daarom had hij mijnen gekocht. Maar aan deze mijnen ontbrak weer een goede ontwateringsinstallatie.

Black schreef aan Roebuck. De stichter van de Carronmaatschappij zag onmiddellijk de mogelijkheden en richtte een brief aan Watt, waarin hij hem, met alle felheid waarover hij beschikte, ertoe aan­spoorde, de machine zo gauw mogelijk klaar te maken. Roebuck zag al, hoe Schotland door die machine zou groeien. Watt antwoordde, dat hij moeilijkheden had met de cilinder. Roebuck vroeg om gede­tailleerde tekeningen en toen probeerden de beste smeden en gieters van de Carronfabriek een zuiger en een cilinder precies zo te maken als Watt ze wilde hebben. De poging mislukte. Toen Watt het werk­stuk zag, vond hij zijn plaatijzeren cilinder toch nog beter.
Dr. Roe­buck was een man. die snel warm kon lopen voor een idee.
Daaren­boven beschikte hij over het zeldzame vermogen, zijn geestdrift fris te houden. Toen James Watt door de mislukte cilinder van de Car­ronfabriek teleurgesteld en terneergeslagen was, monterde Roebuck hem weer op en stelde voor, hem en zijn werk zolang te financieren totdat de machine compleet zou zijn, zoals Watt ze hebben wilde.

Roebuck’s echtgenote zei later, dat Watt wel zijn eigen uitvinding zou hebben laten schieten, als Roebuck met zijn optimisme er niet geweest was. Daar zal wel veel waars in schuilen. Watt was lang niet meer zo van zichzelf overtuigd als eerst. Hij had zijn zaak eraan gegeven en de gedachte voor een ijdele plannenmaker gehouden te worden, drukte hem toch wel heel erg.

Tenslotte nam Watt het aanbod van Roebuck aan, maar hij maakte een beperking. Roebuck zou de proeven en de kosten voor het patent betalen, zijn levensonderhoud echter wilde Watt alleen verdienen. De grootmoedige Roebuck was te fijngevoelig om verder bij Watt aan te dringen en liet de stijfkop maar lopen, nadat hij een overeenkomst met hem was aangegaan, volgens welke hij alle kosten voor de ma­chine op zich zou nemen en daarvoor voor twee-derden in de winst zou delen. Dat de machine geld zou opleveren, daar viel in de eerste tijd niet aan te denken. Roebuck was dus besloten, een zaak te financieren, die hij aanvankelijk voor een stokpaardje moest houden.

James Watt trok het land door en nam werk aan, waar hij het krijgen kon. Hij bouwde de Clydebrug bij Hamilton, bouwde kranen en haveninstallaties en verhuurde zich tenslotte als landmeter voor een jaarloon van tachtig pond. Langzaamaan verbeterden zich zijn omstandigheden. Hij slaagde erin, aandeelhouder in een kleine pot­tenbakkerij te worden en toen hij werk voor het Monklandkanaal aannam, waar hij de leiding had van honderd arbeiders, verdiende hij vierhonderd pond per jaar. Die pret duurde niet lang, want het werk aan het kanaal stokte. Watt werd ontslagen en moest tenslotte onder slechtere voorwaarden opmetingsarbeid verrichten bij de aanleg van het Kaledonische kanaal.

Terwijl hij ver van zijn gezin, in regen en mist en sneeuw en storm rondtrok, werkte men aan de Carronrivier verder aan de ma­chine en telkens, als Watt maar even kon, bracht hij een vrije dag door bij Roebuck. Zij werkten samen aan de machine en dan haastte hij zich weer naar zijn waterpasinstrumenten terug en leefde een el­lendig leventje, daar hij van zichzelf moest bekennen, dat hij nog liever voor een geladen kanon ging staan, dan een rekening op te zetten of een overeenkomst te sluiten, die hem verantwoordelijk maakte.

De ware ijzerman verschijnt

Intussen was er een nieuwe man komen opduiken, die voor het leven van Watt en voor de completering van de stoommachine van de allergrootste betekenis werd. Het was Matthew Boulton, een Engelsman uit Birmingham, een ijzerman in iedere betekenis van het woord. De Boultons waren in Birmingham, het vaderland der be­roemde smeden en metaalgieters, zeer vooraanstaande mensen.

In Birmingham waren er al in de vijftiende en zestiende eeuw ver­maarde messenmakers en metaalgieters geweest en hun traditie had zich in de zonen en nazaten voortgezet tot in de jongste tijd. Nergens waren betere ijzerdeskundigen te vinden en Matthew Boulton was de beste van allemaal. Zijn vader had een fabriek van metaalwaren bezeten, waarin hij als deelgenoot werd opgenomen toen hij nog maar zeventien jaar was, daar hij zijn vader bewezen had, dat zijn nieuwe inzichten in de fabricatie van horlogekettingen beter waren dan de oude methoden. Toen zijn vader stierf erfde Boulton een groot vermogen en trouwde hij met een rijke dame. Hij had niet meer behoeven te werken, maar het ijzerduiveltje liet hem niet met rust.

Boulton breidde allereerst de fabriek van zijn vader verder uit en zag toen in dat de uitbreidingsmogelijkheden daarmee ook uitgeput waren. Hij kocht het landgoed Soho, twee mijlen van Birmingham verwijderd en richtte daar een ijzerfabriek op die haar gelijke niet had. Achthonderd arbeiders waren bij Boulton aan het werk en twee waterraderen draaiden de walsen, poleerschijven en slijpstenen. Boul­ton maakte kunstwerken en de Sohofabrieken werden door hun kwa­liteit en fraaiheid wijd en zijd beroemd. Hoe groter de fabriek echter werd, des te ontoereikender werd de waterkracht. Boulton zocht naar een stoommachine. Hij zelf had wel een idee, hoe een dergelijke ma­chine moest werken en hij schreef daar ook over naar Benjamin Franklin. Maar overigens bleef hij ijverig rondkijken en toen hij hoorde, dat Dr. Roebuck in de Carron-fabrieken aan een machine bezig was, vroeg hij schriftelijk om inlichtingen daarover en kreeg toen de naam van James Watt te horen.

Van dat ogenblik af kenden Watt en Boulton elkaar. Zij corres­pondeerden. Maar hun poging om elkaar persoonlijk te leren kennen mislukte. Watt maakte een reis naar Soho. Boulton was juist afwe­zig, maar Dr. Small, een dokter die zich in Birmingham gevestigd en grote faam verworven had, een vriend van Boulton was en later ook met Watt in hartelijke relatie stond, liet de landmeter de beroemde ijzerfabriek zien. Watt viel van de ene verrukking in de andere. Hier zag hij eindelijk de geschikte smeden, waar hij zo naar verlangde, de wonderbaarlijke boormachines en alle hulpmiddelen waar men in de Carronfabrieken niet over beschikte. Toen Watt en Boulton elkaar eindelijk leerden kennen, kregen zij van stonde af aan een diepe sym­pathie voor elkaar en bleven van dat ogenblik af hun hele leven lang in nauw contact met elkaar.

Met Roebuck liep het slecht af. Wel had hij het patent voor de stoommachine in 1769 doorgezet en de patentakte, die James Watt daarvoor had opgesteld, wordt ook thans nog door iedere ingenieur met bewondering gelezen, omdat zij alle toepassingsmogelijkheden van de stoom vooruitzag en ook de hogedrukstoommachine omvatte en de uitzettingskracht van de stoom.

Die patentakte echter, met haar rijke, financiële mogelijkheden, was voor Roebuck dood kapitaal. Dat zou zo erg nog niet geweest zijn en hij zou het werk aan de machine ook verder financieel hebben gesteund als andere ondernemingen en telkens nieuwe stichtingen hem niet zo diep in de schulden gebracht hadden, dat hij tenslotte failliet ging. De geldzorgen van Roebuck maakten de zenuwachtige Watt hoe langer hoe melancholieker. Hij probeerde zich door arbeid uit zijn neerslachtigheid te redden en vond daarbij onder meer de kopieerpers uit. Maar het werd niet beter met hem en in de herfst van 1773, toen hij drie dagen lang door de regen had rondgelopen, kreeg hij ook nog bericht dat zijn vrouw was overleden.

Watt haastte zich naar huis, begroef zijn vrouw en bracht zijn kinderen bij familie. Toen hij vierendertig jaar werd, had hij ge­schreven : « Vandaag treed ik mijn vijfendertigste jaar binnen en ben voor de wereld nog voor geen vijfendertig cent van nut ge­weest. » Dat was in 1770 geweest. In 1773 stierf zijn vrouw en Roe­buck ging failliet. Watt bleef nog een jaar bij de geruïneerde onder­nemer. Boulton had Roebuck vierentwintighonderd pond geleend. Hij gaf de uitgeschakelde man er nog tweeduizend bij en nam als tegenwaarde daarvoor de rechten van Roebuck in de patenten van Watt.

Boulton schreef aan Watt, dat hij geen overdreven verwachtingen van de machine koesterde, maar aangezien hij als oud ijzerdeskundige geoefend was in de kunst van het experiment, wilde hij haar wel op haar « goudgehalte » onderzoeken. « Zij is nu een schaduw, alleen maar een idee, en het zal tijd en geld kosten, om er iets van te ma­ken. »

Watt in het Lagerhuis

In het midden van 1774 verhuisde Watt naar Birmingham en de beide mannen, geholpen door Dr. Small die zij om raad vroegen, be­studeerden alles nog eens nauwkeurig en kwamen tot de overtuiging, dat de enige man, die de cilinder voor de machine kon gieten, John Wilkinson in Bersham was. Deze beroemde ijzergieter stond ook als constructeur van grote boormachines bekend. Het werk van Wilkin­son was echter niet goedkoop en alvorens Boulton nieuw kapitaal stak in een onderneming, die hem al meer dan vierduizend pond ge­kost had, wilde hij gedaan krijgen, dat de patenttermijn, die op veertien jaar gesteld was, verlengd zou worden. Zes van de veertien jaren waren al verlopen, en daarom reisde Watt in het voorjaar van 1775, voorzien van wijze raadgevingen van Small en met geld van Boulton, naar Londen. Watt diende een verzoekschrift in voor de verlenging van zijn patent tot 1800 en werd op 28 februari 1775 in het Lagerhuis ontboden om zijn verzoek voor de afgevaardigden te motiveren. Voor politici had hij evenveel schrik als voor kooplieden. Hij noemde hen trage geesten. Maar het lukte hem toch hen voor zich te winnen. Tegen het verzoekschrift van Watt was door de vertegen­woordigers der mijneigenaren een heftig protest ingediend. Zij ver­klaarden de verlenging van het patent voor een monopolie en ver­langden de spoedige vrijgave van de uitvinding. Watt zette in zijn antwoord de moeilijkheden uiteen, die hij moest overwinnen, en dat hij voor alle moeite, die hij tot nu toe voor het algemeen welzijn had gedaan, geen dank zou krijgen als men zijn patent niet verlengde. Het parlement stond hem daarop patentbescherming toe tot het jaar 1800. Doodgelukkig keerde Watt naar Birmingham terug en Boulton ontving hem met de treurige mededeling, dat Dr. Small gestorven was.

Wilkinson in Bersham verklaarde zich bereid, de cilinder voor de machine te gieten, als de firma Boulton en Watt de eerste machine voor hem zouden bouwen. Hij had een machine nodig voor de blaas­balgen die zijn hoogoven van lucht voorzagen. Boulton en Watt wer­den het met Wilkinson eens en de ijzergieter goot een cilinder van achttien duim, die alles overtrof wat er tot dan toe ooit aan cilinders gemaakt was. Hij boorde hem met een apart daarvoor geconstrueerde machine uit. In 1776 kwam de cilinder klaar en de eerste stoomma­chine kon gebouwd worden. Zij werkte zo wonderbaarlijk, dat de roem van de firma Boulton en Watt in midden-Engeland hecht ge­vestigd was. De machine voor Wilkinson was een zo krachtige pro­paganda, dat Boulton en Watt de bestellingen nauwelijks afkonden, die van alle kanten, van mijneigenaren en smelterijen binnenkwamen.

In Londen werd de triomftocht der machine een halt toegeroepen. Het ingenieursgenootschap in Holborn, waarvan de beroemde Smeaton de leider was, zei, dat er geen werktuigen en geen arbeiders wa­ren, die in staat zouden zijn het gecompliceerde mechanisme der machine van Watt te bouwen en te bedienen.

Boulton beantwoordde deze woorden met de daad. Hij spoorde Watt aan in een Londense jeneverstokerij een stoommachine op te stellen en die machine werkte zo goed, dat Smeaton zijn tegenstand opgaf en voor het vervolg een vriend van Watt en Boulton werd.

Dit was de stoommachine:

De machine, vergeleken met het eerste proefmodel, was al zeer volmaakt. Watt had al gauw ontdekt, dat de buitenlucht, die op de zuiger drukte, de cilinder nog altijd teveel afkoelde en was er daarom toe overgegaan, de cilinder aan de bovenkant af te sluiten. Daarvoor werd een pakkingbus gebruikt, door welker bovenste ope­ning de zuigerstang heen en weer kon bewegen. De buitenlucht kwam nu he­lemaal niet meer met de zuiger in aanraking. Niet meer de atmosfeer drukte de zuiger omlaag, maar de stoom, die Watt met een kracht van anderhalve atmosfeer van boven af in de cilinder liet stromen op het ogenblik dat zich onder de zuiger het vacuüm gevormd had. Door deze verbetering was de oude « Newcomen-vuur-en-lucht-machine » voorgoed tot een stoommachine gewor­den, want thans deed de kracht van de stoom, wat tot nu toe bij de atmosferische machine de lucht gedaan had.

james watt 11

Dit is de grote daad van dat ogenblik : de stoom werd niet alleen gebruikt om het luchtledig te vormen, maar ook voor de beweging van de zuiger. De precieze benaming van de machine luidt: « Watt’s enkelvoudig werkende stoommachine». De enkelvoudig werkende stoommachine tot een dubbele te maken vereiste slechts een stap. Er hoefde niets anders te gebeuren, dan ook de bovenste cilinderruimte op de condensator aan te sluiten, om zo afwisselend het luchtledig boven of onder de zuiger te veroorzaken. Later isoleerde Watt de cilinder niet meer tegen koude lucht met een houten mantel. Hij legde om iedere cilinder een mantel van plaatijzer. Tussen de ijzeren mantel en de cilinder bevond zich stoom.

Deze verbeteringen lijken heel eenvoudig, maar in werkelijkheid waren zij zeer moeilijk. De zuiger trok de balans omlaag. Naar boven stoten kon hij ze niet, omdat de verbinding tussen de balans en de zuigerstang een ketting was. De slappe ketting kon de stoot van de zuiger niet op de balans overdragen. De zuigerstang direct met de balans verbinden ging niet omdat de zuigerstang dan al bij de eerste stoot zou zijn gebroken. De zuigerstang gaat immers recht naar bo­ven. Ieder punt van de balans echter beschrijft een cirkelboog. Er moest dus een schakel tussen de zuigerstang en de balans gevonden worden, die de rechte stoot van de stang op de balans zou kunnen overbrengen. Watt vond die schakel later. Het was zijn parallellogram.

Voorlopig echter voldeed de enkelvoudig werkende stoommachine aan alle eisen. In deze eerste vorm werd zij de redster van de mijnen in Cornwall. Deze eerste machines waren het, die men de « IJzeren Engelen » noemde of de « Zwarte Duivels ». Watt verbleef jaren achtereen in het mijndistrict van Cornwall, waar hij de ene ma­chine na de andere bouwde, waar hij en zijn monteurs voortdurend tegen de vijandschap van de arbeiders hadden te vechten en waar hij gedurende de nachten dat hij niet door hoofdpijn geplaagd werd, de ene verbetering na de andere bedacht.

Toen kwam er een smid bij Boulton en Watt. Hij heette William Murdock. De firma stelde hem in dienst omdat hij « een hoed vol eigen ideeën » meebracht. Van eenvoudig arbeider werd Murdock tot eerste ingenieur en bedrijfsleider van de machinefabriek Boulton en Watt. Murdock is de man, die de eerste locomotief gebouwd heeft, die het planetenraderwerk uitvond en die ook een der eersten was die het gas voor verlichtingsdoeleinden gebruikte. Toen hij dood was werd hij naast Watt en Boulton in de kerk van Handworth bijgezet. Murdock, een reus van gestalte, was de zoon van een molenbouwer; hij had een gelijkmoedig temperament en bezat grote geestelijke gaven. Hij trad met een weekloon van vijftien shilling bij de firma in dienst, had jarenlang ondanks zijn grote prestaties slechts een week­loon van een pond en kwam toen, zodra hij bedrijfsleider van de machinefabriek werd, en zevenhonderd arbeiders onder zich had, tot een vast inkomen van duizend pond per jaar. Het is moeilijk te over­zien, hoe Boulton en Watt in het mijndistrict van Cornwall alle moeilijkheden onder de knie gekregen zouden hebben als Murdock er niet geweest was. Waar de nieuwe machine in bedrijf gesteld werd, ontstonden er opstootjes, bestormingen en vechtpartijen. De « ijzeren Murdock » joeg alle aanvallers echter op de vlucht en ten­slotte had hij een afrossysteem bedacht, dat tegelijk met de in bedrijfstelling van de machine werd toegepast.

Waar de boden van de nieuwe tijd, de machinebouwers van de firma Boulton en Watt, tegenstand ontmoetten, daar trad William Murdock naar voren en verklaarde, dat hij bereid was, met de sterk­ste onder de machinebestormers een partijtje te boksen gedurende zoveel ronden als men maar hebben wilde. Aan een dergelijk voorstel kan geen Engelsman weerstaan, ook als hij een machinebestormer is. Murdock bokste en won altijd. Meestal was één partij voldoende, maar af en toe moest hij drie- tot viermaal optreden, omdat er altijd nog waren, die de machine of Murdock te lijf wilden.

Murdock ging helemaal in de machine op. Als de andere machine­bouwers, trots op  het feit dat zij bij de beroemde firma Boulton en Watt werkten, zich in de herbergen verzamelden en in een bodem­loze roes vielen, zat Murdock peinzend voor de machine. Op zekere nacht, toen hij vroeger was gaan slapen, klonk er een hevig kabaal uit zijn kamer en toen zijn vrienden gingen kijken om te zien wat er aan de hand was, lag Murdock slapend, maar hardop pratend op de grond. Hij was uit het bed gevallen en riep : « Jongens, de machine loopt! Ze loopt -! »

De mijnwerkers waren de vijanden van de machine. De onderne­mers waren de vrienden van de ijzeren engelen, maar hun vriend­schap was zeer eenzijdig. Zij bestelden de machine in massa, maar zij betaalden ze niet graag. Watt moest alle mogelijke listen verzin­nen om aan geld te komen. De ondernemers zeiden, dat zij wegens hun schulden geen liquide middelen hadden en Watt stelde hun voor de machines met kolen te betalen. Daar verklaarden zij zich mee akkoord en Watt kwam met hen overeen, dat hij een derde van alle kolen zou krijgen, die zijn machines minder verbruikten dan de oude Newcomenmachines. Maar toen de mijneigenaren zagen, welke
ge­weldige kolenbergen zich ten gunste van Watt ophoopten kregen zij er weer genoeg van.

Hoe Watt met zijn machines de kolenproductie heeft doen toene­men, moge een getal aantonen. De machine haalde zoveel water uit de mijn, dat de schachten van de mijnen in Cornwall binnen korte tijd zes en dertig meter dieper konden aangelegd worden.

De geschiedenis van het ijzer

Wij laatgeboren kinderen van het technische tijdperk aanvaarden ijzer als iets vanzelfsprekends. Voor ons is een ijzeren brug iets heel gewoons en dat heel de aardbol met talloze ringen van spoorrails helemaal als het ware omsmeed is, lijkt ons nauwelijks het opmerken waard. De geweldige hangbruggen, die rivieren en zee-inhammen overspannen en die men vijftig (in 2014  honderd) jaar geleden nog als wereldwonderen beschouwde, zijn voor ons alledaagsheden geworden. Dat men sche­pen niet meer van hout, maar helemaal van ijzer maakt, dat de skelet­ten van onze huizen van ijzer zijn, dat men zelfs metselstenen van ijzer maakt, dat er overal ijzer is, waar wij ook kijken, vinden wij zo natuurlijk alsof het altijd zo geweest is.

Dat een Assyrische koning tweeduizendvijfhonderd jaar geleden een ijzerschat bewaarde, die hem kostbaarder voorkwam dan alle goud, lijkt ons onbegrijpelijk. Wij kunnen haast niet geloven, dat de held der Griekse sage Achilles om een klomp ijzer van veertig pond een andere held versloeg en toen juichte, omdat hij en de zijnen, herders en ploegers, nu zoveel ijzer hadden, dat zij vijf jaar lang niet meer naar de stad hoefden te gaan. Iedere ploegschaar, iedere lans­punt van ijzer was een kostbaarheid. En toen Alexander de Grote temidden van zijn met bronzen wapens uitgeruste krijgers zich opmaakte voor zijn tocht naar het Morgenland, droeg hij, de Koning, als enige een stalen helm. Alle anderen hadden slechts een helm van brons.

Wat het ijzer eens betekend heeft, kunnen wij misschien opmaken uit die regel van Homerus, waar de grijsaard zijn zoon, voordat het feestmaal der soldaten begint, het bevel geeft, de wapens van de muur te nemen : « Want ijzer trekt mannen aan ! »

Het ijzer trekt de man niet alleen aan, omdat men er de beste wapens uit maken kan, maar omdat er een geheimzinnige macht in schuilt. Al onze betekenissen voor ijzer en erts zijn terug te brengen tot het sanskriet-woord « Ayas ». Het betekent : het lichtende. Ayas heeft zich gesplitst in isen, eisarn, iron, jarn, hierro, ferrum en fer, dat zijn woorden voor ijzer, en in éren en ehern, wat hetzelfde bete­kent als eer.

De Indiërs hadden het al in de oudste tijden zo ver gebracht in de smeedkunst, dat zij in de vierde eeuw na Christus ter ere van
Tsjan-dragoepta II een smeedijzeren zuil van veertig centimeter doorsnee en zeven en een kwart meter hoogte oprichtten. Die zuil staat er nu nog en tot het begin van de negentiende eeuw beschouwden de mensen haar als de grootste merkwaardigheid. De zuil, die in Delhi staat en de Koetoebzuil genoemd wordt, weegt honderdtwintig centenaar en tot de Parijse wereldtentoonstelling van 1855 gold zij als het grootste ijzerblok ter wereld. Op de wereldtentoonstelling vertoonde de staalgieterij uit Bochum echter twee staalblokken van elk honderdvijftig centenaar en in 1861 verblufte Alfred Krupp de hele wereld door het feit, dat hij voor het smeden van zijn zware blokken gietstaal de stoomhamer « Fritz » gebruikte, die duizend centenaar woog. Vier jaren later waren er in Engeland en Amerika al stoomhamers van tweeduizend centenaar en in 1891 hadden de Bethlehemstaalwerken een smeedhamer van tweeduizendvijfhonderd centenaar. Het aam­beeld daarvoor woog bijna vijftigduizend centenaar. Dat was de grootste hamer van de wereld. Na enkele jaren werd hij buiten
ge­bruik gesteld, omdat hij op slechte fundamenten stond en men ingezien had, dat smeedpersen dezelfde dienst deden als de stoomhamers en de grote aambeelden hoofdzakelijk ontstaan waren om de mensen te bewijzen hoe rijk de negentiende eeuw aan ijzer was.

In de Zuidzee en in Afrika wordt de bereiding van ijzer tegen­woordig nog als toverij beschouwd. Op vele plaatsen moeten degenen die ijzer bereiden zich onthouden van al wat onrein is. Zij moeten heilig en in onthouding leven als priesters, en dat het in de oudheid eveneens zo geweest is bewijst Isaias 44, vers 12 : « De smid neemt zijn gereedschap en maakt het vuur gereed. Met hamers geeft hij het beeld zijn vorm en werkt eraan met krachtige arm. Maar hij lijdt honger en raakt uitgeput, en drinkt ook geen water, al versmacht hij van dorst. »

Kettingen rond de kerken

De oude opvattingen over de heiligheid van het ijzer hebben zich ook in de christelijke godsdienst tot in de achttiende eeuw gehand­haafd. De katholieke kerk heeft een heilige, aan wie ijzer geofferd werd en waar er nu in de kerken van deze ijzerheilige teveel ijzer opgehoopt werd, lieten de priesters er kettingen van maken en die grote kettingen op stenen blokken om de kerk heen trekken. Zo vin­den wij ook tegenwoordig nog veel kerken met ijzeren kettingen om­gord en weten niet meer waar dat vandaan komt. IJzer omgeeft ons in overvloed en de gedachte dat de ijzerenring om de kerken heen de Boze zou hebben kunnen afschrikken komt ons onbegrijpelijk en als uit lang vervlogen tijden voor.

De voorname Spartanen en de vrije Romeinen droegen als teken van hun onafhankelijkheid ijzeren vingerringen. De wapens waar de Romeinen de hele wereld mee onderworpen hebben, de werpspietsen met de lange ijzeren punt, hebben zij aan de Etruskers te danken. De Etruskers waren al vroeg op de hoogte van de bereiding van ijzer. Met hen oefenden de Galliërs zich in de smeedkunst. Zolang de Ro­meinen aan het ijzer hebben vastgehouden, bleven zij machtig. Maar toen zij hun ijzeren vingerringen voor gouden ringen verwisselden, begon hun val. Brennus veroverde Rome en lachend wierp hij het zware ijzeren zwaard der Galliërs in de weegschaal; zo bepaalde het ijzer de hoeveelheid goud die er moest worden opgeleverd.

De Grieken hadden in hun sagen de smid Hephaestus of Vulcanus onder de goden opgenomen. Hij was gespierd en had een geweldig behaarde borst, maar dunne benen en een hoge rug. Bij de Germanen heet Hephaestus « Wieland ». Hij is een dwerg en smeedt het zwaard Mimung. Wieland heeft met de smid Aemilias gewed, dat Mimung de ijzeren wapenrusting van Aemilias glad zal doorsnijden. Voordat dit beproefd wordt, probeert Wieland zijn zwaard nog eens. Hij wil zien of het ook wol, die op de rivier drijft, glad kan doorsnijden. Dan zet hij de vijl op het zwaard, omdat de scherpte hem niet voldoet, hij vijlt het zwaard helemaal op, kneedt de spanen met meel en melk ondereen en geeft het deeg aan de mestvogels te eten. Van de mest smeedt hij een nieuw zwaard, vijlt het nogmaals op en geeft het an­dermaal aan de vogels te eten. Dan smeedt hij Mimung voor de derde keer, gaat achter Aemilias staan, legt heel zachtjes het zwaard op diens helm en snijdt helm, man en harnas netjes in twee helften. Aemilias merkt er intussen niets van. Hij heeft alleen het gevoel alsof er koud water over zijn lijf loopt. Maar als hij zich dan even beweegt valt hij in twee stukken.

james watt 12

In zijn « Geschiedenis van het IJzer » vertelt Otto Johannsen, dat ook de Arabische zwaardensmeden uit de Middeleeuwen zulke kunst­jes kenden als Wieland en dat de smid het opgevijlde zwaard door de ganzen liet opeten, opdat het maagzuur de zachte delen van het ijzer zou vernietigen en alleen het beste staal zou overblijven.

Het ijzer was in die oude tijden zo kostbaar, omdat het erg moeilijk was, ijzer te maken. De heiligheid ervan valt af te leiden van de meteoorstenen. De mens zag het stuk van een ster uit de hemel op de aarde vallen en als hij die groet van de goden nader ging bekijken, zag hij dat er ijzer uit de hemel was gevallen. De meteoorstenen wa­ren de enige grote stukken ijzer, die de mens kende. Zuiver ijzer vindt men zelden in de grond en waar de mens het in kleine stukken aantrof, bemerkte hij de verwantschap van het metaal met het uit de hemel gevallen erts en vereerde het als iets goddelijks. De Egyptenaren hebben in hun schilderwerken het ijzer altijd blauw voorge­steld. Blauw is de kleur van de hemel.

Als de mens ijzer wilde hebben, moest hij de ertshoudende stenen smelten. In het vuur en onder de hamer moest hij het ijzer van de slakken bevrijden. Daarom bouwde men ook hutten met ovens erin. die alleen dienden voor de ijzerbereiding. Maar welk een verschil ligt er tussen onze hoogovens en de ijzerhutten uit de oudheid, die er waarschijnlijk zo hebben uitgezien als die welke nu nog in de Zuidzee en in Afrika voorkomen.

james watt 13

Reeds vroeg zag de mens in, dat het niet goed is, steenkool en ijzererts samen te brengen of het ijzer met houtvuur te smelten. De zwavelgassen maakten het ijzer bros. Zo kwam men op de idee, het hout eerst in stapels te verkolen en dan de houtskool met het ijzererts in een oven te doen. Het houtskoolvuur moet worden aangeblazen om een hoge graad van warmte te verkrijgen. IJzer heeft een hoger smeltpunt dan koper.

De long als blaasbalg

De eerste blaasbalg was de menselijke long. De mens blies het vuur aan door een buis en later kwam men op de gedachte, dat een leren zak de lucht kan vasthouden. De leren zakken werden dan met de voeten betreden en wel afwisselend zo, dat zij eerst lucht inzogen en dan uitbliezen. Met zulke blaasbalgen hebben de Egyptenaren eeu­wenlang gewerkt.

Waar men zich met de natuurlijke trek van het vuur behelpen moet, omdat er geen blaasbalgen zijn, daar wordt het ijzer niet zo goed. Men moet het, om de weke delen van het begeerde staal te scheiden, in de grond begraven en wachten totdat al het weke er uit geroest is. Dit langdurige, maar zekere proces hebben de Japanners gevolgd. Wie gauwer aan ijzer wilde komen, moest het met hameren reinigen. Daartoe neemt men de met kolen en slakken vermengde ijzermassa uit de afgekoelde oven, verhit de massa in een smidsvuur en slaat er zo lang met de hamers op totdat het onzuivere verdreven en het brosse vast geworden is.

Van deze primitieve techniek der ijzerwinning hebben de oude volkeren een hoogstaande en geheimzinnige kunst gemaakt, en thans nog leggen de negersmeden amuletten onder het aambeeld en rond de ijzeroven. Ondanks alle moeite en alle kunst, alle bezweringen en to­verformules ten spijt, kon men toch maar weinig ijzer maken. Als de oven vierentwintig uren gebrand had, kwam er eindelijk een stuk ijzer uit, niet groter dan een suikerbiet.

Bezielde zwaarden

Doordat het ijzer zeldzaam was en moeilijk te vervaardigen, kwam het dat de mensen de smeden onder de goden plaatsten en het zwaard voor heiliger hielden dan de held. Wie ijzer bezat, kon andere men­sen onderwerpen. Hij kon hen dwingen voor hem te werken. Met het hemelse ijzer echter, met het heldere, stralende Ayas kon de mens ook Satan tegemoettreden en al die afschuwelijke hellemonsters over­winnen, die de weg van de mens met hun giftige adem versperren en verpesten. Zo gaat Siegfried, de held, naar Mime, de smid ; de smid leert hem een zwaard te maken. Doordat hij een smid wordt, beter dan alle anderen, kan Siegfried een held zijn, groter dan alle anderen. Met het zwaard Nothung in de vuist, treedt Siegfried op de draak toe en velt hem.

De Franken vochten met slagbijlen, die zij « Franziska » noemden, de Saksers met een mes, dat « de Sakser » heette. De sakser werd in de strijd geworpen en de oude liederen verhalen ervan, hoe de vlie­gende messen de held de lokken van het hoofd maaiden. Het lievelingswapen der Germanen was echter het lange zwaard, Wieland’s « Mimung », Siegmund’s « Gram », die het aambeeld van Regin deed splijten, « Nothung » waarmee Siegfried de draak versloeg,
« Nagelin » van Beowulf en « Dürnhardt» waarmee Roland de rotsen van de Pyreneeën kliefde. Deze zwaarden waren niet levenloos, maar het waren door God bezielde wezens en werkelijk konden die wa­pens voor heilig gehouden worden, daar alleen de voornamen ze bezaten en wijl alleen de vorsten lange zwaarden mochten dragen.

james watt 14

De onvrije mocht geen ijzeren wapens hebben en Karel de Grote zwaaide de machtigste klink die er ooit bestaan heeft. Het lemmet was negentig centimeter lang en een griezelige sage vertelt, dat de keizer er het lichaam van de gevangenen mee mat en iedereen liet onthoofden, die van aan de heup tot de schedel langer was dan het zwaard.

Eerst kanonnen, dan machines

Zo heersten de groten dus over de kleinen met het ijzer en hun heerschappij werd pas gebroken toen er meer ijzer kwam. De water­raderen en het kruit hebben de geschiedenis van het ijzer een nieuwe prikkel en een andere wending gegeven. Met de molens, met de kracht van het water en van de wind, konden grotere blaasbalgen bewogen worden dan met de zwakke kracht van de mens. De grotere blaasbalgen wakkerden de houtskool tot grotere gloed aan. Men kon grotere ovens bouwen, « hoogovens » noemde men ze en de grotere hitte daarin leverde beter ijzer op. Het betere ijzer werd met de ontploffingskracht van het kruit over grote afstanden weggeslingerd. « De eerste kanonnen », zegt Conrad Matschoss, « schoten het saluut in van een nieuwe tijd. » Het kanon ruimde meteen de vele kleine heren op, die het leven der mensen onderdrukten, de wolven vraten elkaar op en alleen de sterksten bleven over. Zo werden de verhou­dingen eenvoudiger. Achter de kruitdampen vernevelden de blinken­de wapenrustingen van de ridders, hun burchten stortten ineen en de zwaarden roestten in de handen der dode heersers.

james watt 15

Wat vroeger het zwaard geweest was, dat werd tot een nieuwe god omgesmeed. Het gedreun der schilden en het gerinkel der wa­pens werd overstemd door het machtiger geluid der kanonnen en wie de meeste bezat, die bezat het recht en de ware godsdienst. Zoals in Europa de macht van de ridderschap voor de macht van de kanon­nen ineenstortte, zo stortte voor de Europese kanonnen ook de heer­schappij der gekleurde volkeren over het Morgenland ineen.
De Mo­hammedanen waren uitgetrokken met de zeven zwaarden van de profeet, om Azië aan zich te onderwerpen. Met hun stalen sabels kliefden de Khans de buiken van de Boeddhabeelden open en lieten goud en edelstenen uit het lichaam der goden rollen. Hoe beter wa­penen de Mohammedanen smeedden, des te hopelozer werd de strijd der boeddhisten om hun vrijheid. De uiteindelijke overwinning der Moslems scheen reeds zeker, toen de Engelse kanonnen in Indië hun stem verhieven en alle andere strijders het zwijgen oplegden.

De Europese volkeren waren niet de enige, die grote smeltovens bouwden en in die smeltovens door blaasbalgen grote hitte konden verwekken. Ook de Chinezen bezaten hoogovens en ook het kruit hadden zij uitgevonden. Zij hadden het ijzer echter alleen nodig voor de ouderwetse, kinderlijke behoeften; zij maakten er sieraden van, zwaarden en ploegscharen en het kruit gebruikten zij om er kleurig vuurwerk van te maken.

De Europeanen echter goten kanonskogels van het ijzer dat uit hun hoogovens stroomde en gebruikten het buskruit om die kogels door de lucht te slingeren. In zijn verzameling Duitse spreekwoorden zegt Johann Agricola in 1528 : « De grote vesting diende tegen het geweld: bergkastelen, muren en stenen torens. Toen werden er buk­sen en gruwelijk geschut uitgevonden om de grote vestingen te kun­nen vernielen. Nu maakt men bolwerken en grachten, zodat de buk­sen geen schade meer kunnen doen. Maar spoedig zal er wel weer een kunst komen, waardoor men ook de bolwerken kan vernietigen, opdat het spreekwoord bewaarheid worde, dat zegt: Wat mensen­handen maken, dat kunnen mensenhanden ook weer vernietigen. »

Het ijzer scheen zijn vroegere heiligheid verloren te hebben. Met de vloek kwam echter ook nieuwe zegen. De heren van de kanonnen moesten op hun hoede zijn, dat andere heren geen betere kanonnen maakten en met die kanonnen hun heerschappij zouden stukschieten. Daarom richtten de vorsten werkplaatsen voor de kanonnenbouw op. « De eerste werkplaatsen voor geschut », zegt Matschoss, « werden scholen voor de machinebouw. Hier leerde men voor het eerst in grotere omvang metalen te bewerken. In de boormolens van de kanonnenfabrieken stonden de eerste machines voor metaalbewerking; van daar uit werd die kunst vaak op stoommachines overgebracht. »

Het was een ijzergieter, John Wilkinson, die de eerste bruikbare stoommachine-cilinder goot. Wilkinson zou hem niet hebben kunnen gieten en boren, als hij van te voren niet eerst kanonnenlopen gegoten en geboord had en zich bij het smeden van wapens niet de grote kunst eigen had gemaakt, die thans de stoommachine ten goede kwam.

De eerste stoommachine dreef het blaasbalgwerk van een hoogoven aan. Wat vroeger het waterrad gedaan had, deed thans de stoom, en de stoom deed de balgen zo machtig bewegen, hij joeg de tempera­turen zo hoog op, dat men niet alleen er toe kon overgaan, ook giet­staal naast gietijzer te bereiden, maar ook de steenkolen te verande­ren in cokes en met deze cokes de hoogovens te stoken.

De stoommachines van Watt hadden, zoals we reeds zeiden, de mo­gelijkheid geschapen, de schachten der mijnen na korte tijd zesendertig meter dieper te graven. Binnen enkele jaren dus kon Engeland zijn kolen en ertsproductie vermeerderen met alles wat vroegere tijden sinds de grauwe dagen der sage via de mijnbouw der Romeinen tot in de achttiende eeuw aan kolen en erts opgeleverd hadden. Daardoor was Engeland in een paar jaren tijds rijker aan erts en kolen als alle andere volken der aarde. Deze snel gegroeide rijkdom heeft Brittannië een overheersende positie over alle andere naties der we­reld verleend. Die overheersende positie werd het uitgangspunt van wat wij de industriële revolutie noemen en wat het aanschijn der aarde in de laatste honderdvijftig jaren zo fundamenteel heeft ver­anderd.

« Niet de ideeën der Encyclopaedisten », zo heet het in de « Ge­schiedenis van het ijzer », « hebben de Franse Revolutie veroorzaakt, want zij waren niet de oorzaak, maar werktuigen van de ineenstor­ting. De materiële zorg die op Frankrijk drukte, sinds Engeland de wereldmarkt door de uitvinding der mijntechniek en van de stoom­machine beheerste, heeft Frankrijk de revolutie ingedreven. Niets heeft meer het ontstaan van grote eenheidsstaten in de hand gewerkt als de verbetering van het verkeer door de invoering van de spoor­weg en thans is de wereldoorlog alleen maar een oorlog van de techniek geweest en gewonnen hebben de volkeren, die de rijkste technische middelen tot hun beschikking hadden. »

*

Angst voor gijzeling

De pogingen van de mijneigenaars in Cornwall om zich van het betalen der stoommachines van Watt af te maken, brachten Boulton en Watt in de grootste verlegenheid. Binnen enkele jaren drukte er op de machinefabriek een schuldenlast van bijna een miljoen, en daarbij deden zich nog andere teleurstellingen voor. Boulton twijfelde er niet aan, dat de mijneigenaren op zekere dag zouden moeten be­talen en dat men hen, als het anders niet ging, door de staat kon laten dwingen. De tijd echter, die er verstreek vooraleer men zijn geld zou krijgen, moest Watt niet ongebruikt laten verstrijken.
Boul­ton drong er bij zijn vennoot op aan, een stoommachine met een draaiende beweging te maken. De gebruiksmogelijkheden van de op trekken berekende machine waren beperkt en pas als de stoom een rad kon doen draaien, zou zij in staat zijn om de oude water- en windmolens geheel te verdringen.

Watt was liever nog bij de pompmachines gebleven. Hij voorzag de talrijke moeilijkheden, die hij zou moeten overwinnen, om de op- en neergaande beweging van de balans in een draaiende bewe­ging om te zetten. Hij was er zo terneergeslagen van, dat de firma telkens maar weer nieuwe schulden moest maken, dat hij het liefst helemaal niets meer gedaan had. Op het toppunt van zijn mismoedig­heid schreef hij aan Boulton, dat hij weigerde nog nieuwe machines te ontwerpen, als Boulton het niet klaarspeelde, baar geld van de mijneigenaren te krijgen. « U moet het mij ten goede houden, als ik U zeg, dat ik geen pen meer op papier zal zetten om de nodige teke­ningen voor nieuwe inrichtingen te maken, alvorens dat geschied is. Laat de gebruiksvoorwaarden matig zijn, zo mogelijk van te voren in geld uitgedrukt, dan zullen we tenminste genoeg ontvangen, om ons voor gijzeling te behoeden, want daar ben ik voortdurend als de dood voor. »

Boulton reisde naar Cornwall, nam eerst van een bankier nieuw geld op en kon vervolgens werkelijk een paar mijneigenaars tot ge­regelde betalingen bewegen. Zo werd er bij een machine in Chacewater een kolenbesparing van achtenveertigduizend gulden per jaar erkend en de firma een jaarlijkse betaling van veertienhonderd pond opgelegd. Twee andere machines brachten per jaar achthonderd pond op.

Die resultaten monterden Watt weer op en hij maakte zich op om aan de bewonderenswaardige arbeid te beginnen, waardoor de op- en neergaande beweging van de zuigerstang in een draaiende bewe­ging zou worden omgezet. Hij verbond de zuigerstang door een parallellogram met de balans, en aan de andere kant van de balans bracht hij een drijfstang aan, die een krukas deed ronddraaien. De krukas droeg die omdraaiingen over op een wiel. Wij mensen van tegenwoordig bekijken de eerbiedwaardige machines van James Watt met verbazing en verwondering. Wij zien niet in, waarom Watt het zich zo moeilijk gemaakt heeft. Hij had immers de omweg over de balans helemaal niet nodig. Hij zou, menen wij, de balans hebben kunnen weglaten en de zuigerstang direct aan de drijfstang met een krukas hebben kunnen koppelen, zoals wij aan de moderne stoommachines plegen te zien.

Helaas bestonden die mogelijkheden voor Watt niet. Het weglaten is de allergrootste kunst en zelfs als Watt het van zichzelf had kun­nen verkrijgen, de balans van zijn machine weg te denken, bleven er nog genoeg bezwaren over. Deze bezwaren waren onoverwinnelijk.

Als de zuigerstang het wiel direct, en alleen door een krukas daar­mee verbonden, moest bewegen, zou Watt het wiel of de cilinder in de lucht hebben moeten ophangen. Dat durfde hij echter niet. De cilinder boven de krukas aan te brengen, zoals wij vanzelfsprekend zouden vinden, zou immers betekend hebben, dat men hem van zijn gemetseld voetstuk, uit zijn hechte verankering zou moeten losmaken. Daar durfde toen niemand aan denken. De cilinder, in welks inwen­dige zich de geheimzinnige processen voltrokken, kwam iedereen zo gevaarlijk, zo onberekenbaar en geheimzinnig voor, dat men hem in alle geval stevig wilde vastzetten. De machinebouwers zijn er daarom ook later nog liever toe over gegaan het vliegwiel in de hoogte te monteren, dan dat zij de cilinder van zijn veilige plaats verwij­derden. De cilinder was nu eenmaal een griezelig voorwerp, waar­voor men in voortdurende angst leefde. De cilinder plat te leggen en de zuigerstang horizontaal of schuin naar de krukas te leiden, was toen eveneens ondenkbaar. Men wist niet, hoe men de eenzijdige wrijving van de zuiger in de cilinder zou moeten voorkomen.

Het parallellogram

Nu begrijpen wij waarom de balans gehandhaafd bleef en dat Watt liever het reusachtige werk ondernam de verticale beweging van de zuigerstang met behulp der wiskunde op de balans over te brengen. Zo vond hij het parallelogram.

Over het parallellogram van Watt is veel geschreven, maar weinig gezegd. De geschiedschrijvers der techniek stellen er zich mee tevre­den ons te verzekeren, dat het een krankzinnige geschiedenis is. Maar wat die krankzinnige geschiedenis inhoudt vertellen zij niet. Wie voor wiskunde geestdriftig kan worden, verdiepe zich in de volgende alinea.

james watt 17

Voor de constructie van het parallellogram ging Watt uit van het feit, dat elk der beide eindpunten van de balans een boog beschrijft. Als men die boogvormige beweging wil omzetten in een rechtlijnige, dan kan men een tweede hefboom met één arm in het verlengde van de eerste leggen, maar moet hem een beetje lager aanbrengen. Ver­bindt men nu de eindpunten der beide hefbomen door een stang, dan is er op de stang een punt te vinden, dat een bijna rechte beweging maakt. Op dat punt moet men de zuigerstang vastmaken. Men mag noch naar links noch naar rechts gaan, omdat alle andere punten meer of minder aan de cirkelbeweging van de beide hefbomen onderwor­pen zijn. De plaats van het punt hangt af van de lengteverhouding van de balansbalk en van de daaronder aangebrachte hefboom. Zijn de balk van de balans en de hefboom even lang, dan moet het punt in het midden liggen. In het parallelogram van Watt ligt het niet in het midden, omdat Watt de hef­boom van één arm korter ge­maakt had. Die nam minder plaats in.

Van deze omzetting in een rechte beweging kwam James Watt eindelijk tot zijn parallellogram. Het volgende had hij te overleggen :

Met de rechte beweging spaar­de hij — door het wegvallen van de cirkelboog bij de balans — wel aan hoogte uit in het machinehuis. Maar wat hij in de hoog­te uitspaarde, moest hij aan de zijkant weer toevoegen, omdat de ene hefboom te veel plaats nodig had. Dit bezwaar probeerde hij eerst op te vangen door deze hefboom korter te maken dan de balans. Helemaal tevreden was hij daarmee niet. Een tweede opgave die hij zich stelde, bracht hem tot het parallellogram. Hij wilde ook de aandrijving voor de condensator via een rechte beweging bewerkstelligen en kwam op de idee die rechte beweging met behulp van de pantograaf of tekenaap te verkrijgen. Dit is het vergrotingsinstrument voor de tekenaar, dat men gebruikt voor alles wat met parallellopende lijnen te maken heeft en dat James Watt welbekend was, daar hij zelf eens een vergrotingsapparaat had gemaakt. Zo vond hij door middel van de tekenaap het parallellogram en zag thans de mogelijkheid, om de ene hefboom veel dichter bij het middelpunt van de balans te kunnen brengen. Die hefboom hoefde alleen het binnenste, onderste draaipunt van het parallellogram te grijpen en kon zo de zuigerstoot op de balans overbrengen.

In het jaar 1808 schreef James Watt aan zijn zoon :

« De idee van het parallellogram ontstond op de volgende manier: Daar ik de dubbele kettingen of de getande stangen en getande bogen zeer ongeschikt vond, om de beweging van de zuigerstang op de hoekbeweging van de balans over te dragen, ging ik proberen of ik geen middelen en wegen kon vinden hetzelfde te verkrijgen door bewegingen rond assen. Na enige tijd viel mij te binnen dat, als AB en CD twee gelijke cirkelstralen zijn, die zich rond de middelpunten B en C draaien en door een stang AD met elkaar verbonden zijn, bij de beweging langs de curven van een zekere lengteer dezelfde en tegengestelde afwijkingen van de rechte lijn zouden zijn en dathet punt E een bijna rechte lijn zou beschrijven, evenals, wanneer de straal CD vanwege de  doelmatigheid slechts halt zo groot zou zijn als AB, hetzelfde zou gebeuren, wanneer men het punt E dichter naar D toebrengt en hieruit werd de constructie, die men later de parallelbeweging genoemd heeft, afgeleid. »

james watt18

Zo werkte het parallellogram aan de ene, de krukas aan de andere kant van de balans. James Watt beschouwde de krukas niet geschikt om gepatenteerd te worden en schrok er aanvankelijk voor terug ze te gebruiken. Hij wilde aan zijn machines zo mogelijk alleen maar onderdelen gebruiken die voor patent in aanmerking kwam. De krukasbeweging in de stoommachine toe te passen, zo zei hij op hoge leeftijd, vereiste niet meer uitvindersgeest dan er nodig is voor de gedachte om een broodmes te gebruiken bij het kaassnijden. « De ware uitvinder van dat mechanisme was de man, die het eerst een draaibank maakte om te trappen. Helaas is die man niet heilig ver­klaard. »

Zijn aarzeling is hem slecht bekomen. Een knopenfabrikant, James Pickard uit Birmingham, had er de lucht van gekregen, dat James Watt misschien een stoommachine met een krukas wilde maken. Pickard was niet zo fijngevoelig als Watt. Hij ging en probeerde patent te krijgen op de krukas, die reeds in de grijze Oudheid was uitgevonden. Het zal eeuwig een wonderlijk iets blijven, dat hij de krukas werkelijk gepatenteerd kreeg. In de machinefabriek van Soho stond men als van de bliksem getroffen, toen men van dat grappige patent van de knopenfabrikant hoorde en het duurde in alle geval twee jaren voordat de firma Boulton en Watt zich van haar verba­zing hersteld had en in het begin van 1782 patent op vijf verschillen­de mechanismen aanvroeg, die alle geëigend waren om de krukas te vervangen en die eigenlijk niets anders bedoelden als het krukaspatent te omzeilen. In februari werd op de vijf mechanismen patent verleend. Waarschijnlijk deed men het alleen om zich voor het pu­bliek door de eigenlijk noodzakelijke opheffing van het krukaspatent niet belachelijk te maken.

De regulator

Van de vijf mechanismen kozen Boulton en Watt het planetenraderwerk uit. Het is een heel schrandere en elegante manier om de as van een wiel door een tandradstel te bewegen. Het was geen vondst van Watt maar van William Murdock. Deze vond ook de eerste bakschuif uit voor de verdeling van de stoom, die later in de verbetering van Murray in alle machines van Watt werd ingebouwd. De bakschuif stond met de bekende regulateur in verbinding. Alleen de toepassing van deze regulateur, niet het van ouds bekende mecha­nisme zelf, is een inval van James Watt, James Watt kon pas op het idee komen de regulateur toe te passen, nadat hij de draaiende
bewe­ging bij de stoommachine tevoorschijn had geroepen.

De regulateur heeft een as, die men loodrecht zo met de krukas in verbinding stelt, dat de beweging van deze laatste zich aan de as van de regulateur meedeelt. Haar toerental is afhankelijk van dat van het vliegwiel en even snel cirkelen twee kogels rond de as van de regulateur. Hoe sneller de machine loopt, des te verder worden die kogels uit elkaar geslingerd en openen tenslotte een ventiel die de stoom afknijpt. Smoorklep noemde James Watt die ventiel.

De eerste machines met draaiende beweging stelden Boulton en Watt op voor een Londense brouwerij, voor een meelmolen en toen voor een zagerij. Spoedig volgden er bestellingen voor suikerfabrie­ken in Westindië en zaagmolens in Amerika en zo verbreidde zich de roem van de machine met draaibeweging door de hele wereld. Alleen in Londen bleef men conservatief en weer was het Smeaton, die er openlijk twijfel over uitsprak, dat men de draaibeweging van het waterrad ooit door stoommachines zou kunnen vervangen. Boul­ton wilde die mening door een daad ontzenuwen en ontwierp het plan in Londen een grote stoommolen te bouwen. Hij wilde een naam­loze vennootschap voor die onderneming oprichten, die hij groots wilde opzetten. Maar de molenaars, die met wind en water werkten dwarsboomden het plan. Zij wisten van het parlement gedaan te krijgen, dat de toestemming voor de vennootschap niet verleend werd. Maar Boulton liet de zaak niet los. Hij bepraatte zijn vriend en mede­vennoot Watt zo lang, totdat deze alle bezwaren opzij zette en Boulton zesduizend pond gaf. Boulton legde er uit zijn eigen kas nog twaalfdui­zend bij, ook een paar andere finan­ciers namen deel en zo kon de molen zo groots opgezet worden als Boul­ton zich had voorgesteld. De beroem­de Engelse architect Wyart ont­wierp de bouwplannen. Watt bouw­de de stoommachine en de maalderij­machines werden vervaardigd door de geniale Schotse molenbouwer John Rennie. Voor Boulton kan alles niet goed genoeg zijn en toen in het voorjaar van 1786 de ma­chines voor het eerst begonnen te lopen, werkten zij niet naar zijn zin. Watt bevond zich op dat ogenblik in Soho. Boulton raasde tegen de monteurs en schreef aan Watt, dat hij zo gauw mogelijk zou overkomen. Watt kwam niet, maar vermaande zijn partner schrifte­lijk, koelbloedig te zijn. « Alvorens men begint te mopperen, moet men eerst bedenken, dat bij nieuwe, gecompliceerde en moeilijke dingen het vooruitziend vermogen van de mens ontoereikend is. Tijd en geld moeten besteed worden om iets te vervolmaken en de fouten ervan te vinden. » Zo retourneerde Watt zijn vriend de woorden, waarmee Boulton vroeger de machine begroet had : « Het zal tijd en geld kosten er iets van te maken. »

james watt 19

Boulton liet zich overtuigen, kalmeerde en kreeg pas weer ruzie met Watt toen de molen met grote praal zou worden geopend. Boul­ton had het voornemen gemaakt de besten uit de Londense society eens te laten zien, dat een stoommolen iets heel anders is dan de stof­fige, met witte korsten overdekte watermolen. Bij hem blonk alles van zindelijkheid en de machines van Watt liepen volkomen geruis­loos. Deze nieuwe feiten meende Boulton de society het beste te kunnen aantonen, door een gemaskerd bal in de molen te houden. De dames zouden dansen, terwijl de molen maalde en zo wilde
Boul­ton op een symbolische manier tot uitdrukking brengen, dat tegenwoordig de machine werkte en niet meer de mens. Watt kwam heftig tegen dat feest op : « Wat moeten gemaskerde hertogen, lords en ladies nu in een meelmolen doen ? We worden toch al van alle kan­ten met afgunst gadegeslagen en daarom kunnen we beter alles ver­mijden wat opzien baart en ons beperken tot de zaak zelf. »

De massa zong koralen

Toen de molen eindelijk in bedrijf gesteld werd, dwong zij ieders bewondering af. Smeaton, de oude molenbouwer, gaf zijn verzet tegen de machine van Watt voorgoed op en in Soho moesten er al gauw meer machines met draaibewegingen gemaakt worden dan andere. De Londense stoommolen liep vijf jaren. Op 3 Maart 1791 werd zij door onbekende machinebestormers in brand gestoken. Zij brandde tot de grond toe af. Het vuur lokte een geweldige mensen­menigte. Toen de muren van de gehate molen donderend omvervielen. begon de menigte koralen te zingen. Watt en Boulton hadden hun geld verloren.

Ondanks al die tegenslagen kwam er toch eindelijk ook financieel succes. Boulton had de weerbarstige mijneigenaren van Cornwall aangeklaagd en het gerecht dwong hen, als eerste aanbetaling aan Boulton en Watt zeshonderdduizend gulden te betalen. Van zijn deel kocht Watt zich een landgoed in Wales. Hij had ook een huis ge­bouwd bij Birmingham, het terrein eromheen gekocht en een mooi park daarvan laten maken. Bij het huis bouwde hij een kleine smidse en op de zolder richtte hij een laboratorium in. Hij was hertrouwd. Zijn tweede huwelijk was evenzeer met kinderen gezegend als het eerste. De zonen werden flinke mannen. Een van hen ging een over­eenkomst aan met de zoon van Boulton. Beiden tezamen hebben het werk van hun vaders hoe langer hoe meer uitgebreid. De roem van de machinefabriek Boulton en Watt werd zelfs nog groter, toen in 1800 het hoofdpatent afliep. Tot dan toe was er in de machinefabriek namelijk al de tweede generatie van machineconstructeurs opgegroeid, die machines wisten te maken als niemand anders ter wereld.

Watt had een rustige levensavond. Maar de driftige Boulton rustte nog lang niet. Terwijl Watt zich aan de wetenschap wijdde en in de stilte van zijn studeerkamer de geschriften samenstelde, waardoor hij tot een der medegrondleggers van de nieuwe scheikunde werd en waarin hij de veronderstelling neerlegde en bewees, dat water geen ondeelbaar element is, wat voordien nog altijd een twistpunt geweest was, wierp Boulton zich telkens op nieuwe ondernemingen. Zijn stokpaardje was het muntwezen. De valsmunterij stond in die tijd in hoge bloei en Boulton stelde de regering voor, de muntstempels met stoom­kracht te bedienen en door de geweldige kracht van de stoom de munten beter te stempelen om het de valsmunters op die manier minder gemakkelijk te maken. De regering ging slechts aarzelend op zijn plannen in en Boulton stortte zich in de Franse revolutie. Van de revolutionaire regering in Parijs kreeg hij opdracht voor nieuwe muntstempels en hij leverde ook koperen munten naar Rusland, Span­je. Denemarken en Calcutta. Zo bleef de rusteloze man voortdurend verstrikt in de gebeurtenissen van zijn tijd, bracht zichzelf door zijn waaghalzerij meermalen tot aan de rand van de afgrond, sprak de spaarcenten van zijn kinderen aan om nieuwe machines te maken en wist tenslotte uit al zijn ondernemingen toch nog een vermogen te putten. Boulton was in zijn oprechtheid, door zijn vaderlijke hou­ding tegenover zijn arbeiders, door zijn stoutmoedigheid en in zijn mannelijke daadkracht een van de eerste moderne ondernemers. Zijn voorbeeld is helaas in de tijd der industriële revolutie slechts door weinigen geëvenaard.

Boulton was een trotse en indrukwekkende man. Toen hij voorge­steld werd aan de koning van Engeland, was het alsof Boulton ook een koning was.

« Wat maakt u eigenlijk ? » vroeg George III hem. Boulton: « Ik maak wat de Koningen zo graag wensen. » De koning : « En wat is dat dan ? » Boulton: « Macht, majesteit! »

In het Engels betekent « power » zowel macht als kracht. Toen hij bij een andere gelegenheid over de kracht van de stoommachine kwam te spreken, zei Boulton: « Ik heb in mijn machinefabriek niet alleen dat, wat heel de wereld zich wenst, maar ik heb ook in de stoommachine datgene, wat de werklieden van de wereld zal bevrij­den. Met de kracht van de stoom zal er voor de beschaving meer gedaan worden, dan alle tijden tot nu toe hebben kunnen doen en de stoommachine zal meer dan iets anders beslissend zijn voor de ko­mende tweehonderd jaren. »

De gezondheid van Watt was merkwaardigerwijze op zijn oude dag aanzienlijk beter geworden. Hij las veel, was onvermoeibaar be­zig, al was het maar voor zijn plezier en hij overleefde zijn vriend Boulton, die in 1809 op eenentachtigjarige leeftijd was gestorven, nog tien jaren. Hoe Watt in zijn laatste jaren was, daarvan heeft de grote Walter Scott ons een getuigenis nagelaten. In het voorwoord tot zijn « Klooster » schrijft hij :

« Watt was niet alleen de diepzinnigste geleerde en degene, die met het gelukkigste resultaat uit zekere combinaties van getallen en krachten bruikbare conclusies had getrokken, hij nam niet alleen een der eerste plaatsen in onder degenen die zich onderscheidden door de algemeenheid van hun ontwikkeling: hij was ook de beste, de beminnelijkste mens. De enige keer, dat ik hem ontmoet heb, was hij door een klein gezelschap geleerden uit het noorden omringd… Daar zag en hoorde ik, wat ik nooit meer zou zien en horen. De montere, beminnelijke, welwillende grijsaard van eenentachtig jaar nam in alle vraagstukken op een levendige wijze deel; zijn kennis stond ter beschikking van iedereen, die er een beroep op deed. Hij stelde ieder voorwerp in het licht van zijn talenten en verbeeldingskracht. Onder de heren bevond zich ook een geleerde taalkundige; Watt onder­hield zich met hem over de oorsprong van het alfabet, alsof hij de tijdgenoot van Kadmos geweest was. Toen een beroemde kunstken­ner zich bij hen voegde, zou men gezegd hebben, dat de grijsaard zijn hele leven lang de studie der schone wetenschappen of de staathuis­houdkunde beoefend had. Het zou overbodig zijn, te spreken over de exacte wetenschappen; die vormden een schitterende en speciale levenstaak; toen hij intussen met onze landgenoot Jedediah Cleisbotham sprak, zou men gezworen hebben, dat hij de tijdgenoot van Claverhouse en Burley, de vervolger der vervolgden was; dat hij werkelijk nauwkeurig het aantal geweerschoten geteld had, die de dragonders op de voortvluchtige Eedgenoten afgevuurd hadden. Wij kwamen tenslotte tot de ontdekking, dat geen roman van maar enige betekenis hem ontgaan was en dat de geestdrift van de beroem­de geleerde voor deze soort geschriften aan levendigheid gelijkstond met het enthousiasme waarmee een modiste van achttien jaren van zulke romans kennisneemt. »

Een stoomschip kiest zee

In de zomer van 1819 werd Watt door zijn laatste ziekte over­vallen. Hij stierf glimlachend en met een dankwoord tot God. In hetzelfde jaar waarin hij stierf, slaagde een stoomschip er voor het eerst in de oceaan over te steken.

In zijn laatste jaren had Watt, die zijn begaafdste zoon in de ver­warring der Franse revolutie had verstrikt zien raken, zich niet meer om het gedoe van de wereld bekommerd. Hij zag niet, wat er uit zijn machine werd. Hij wist alleen, als hij het leven der ingenieurs van Otto von Guericke af tot in zijn eigen dagen overschouwde, iets anders en meer dan de meeste mensen. Hij zag, dat de mens, toen hij om God begon te strijden, de machines had uitgevonden. Hoe groter de wereld geworden was, des te hoger had God zich in zijn hemel teruggetrokken en hoe vertwijfelder de strijd der mensen om God werd, des te groter werden de machines. God had de mensen niet alleen gelaten in hun zorg. Hij had hun het geheim der ijzeren enge­len geopenbaard.

Terwijl Watt de ijzeren engelen vervolmaakte, terwijl de mijnen van Cornwall door de machtige adem der nieuwe reuzen gered werden, overhandigde de Franse dokter Dr. Guillotin aan de Na­tionale Vergadering in Parijs een rapport over de uitvinding van een vallende bijl, waarmee men de mensen het hoofd kon afslaan. Toen Wieland zijn zwaard Mimung zachtjes door het corpus van Aemilias deed glijden, had deze het gevoel alsof er koud water over zijn lichaam stroomde. « De valbijl», zo zei Dr. Guillotin, « doet de delin­quent geen pijn. Het verschaft hem alleen het gevoel van een lichte verfrissing rond de nek. »

IJzer trekt mannen aan, omdat zijn kracht van God komt. Was God in de guillotine ? Hij was in de ijzeren engelen !

Terwijl de mannen in Parijs er ruzie om zaten te maken, hoe men de deugd en de rede het beste kon dienen, en terwijl de tegenstan­ders elkaar over en weer onder de valbijl legden, terwijl het fluiten, sissen en neerslaan van deze bijl de afschuwelijke muziek werd van het Europese vasteland, stak van het eiland Engeland de werkelijke revolutie haar hoofd op. Zij kondigde haar komst aan in het gedreun der machines, in het snuiven van de stoom, in het stampen der ba­lansen, met het geritsel der spinmachines en met het kraken van de weefgestoelten. De nieuwe revolutie rukte de guillotine omver en wierp de reusachtige Napoleon ter aarde. Zij was geroepen om het leven der mensen meer te veranderen dan alles wat tot dan toe de wereld had bewogen. Zij en niets anders heeft de herwaardering van alle waarden volbracht. Zij heeft vroegere ellende opgeruimd, nieu­we ellende verwekt en enkele mogelijkheden voorbereid voor het geluk, kansen die tot mijn, tot uw en tot ons aller geluk kunnen strek­ken, als wij de betekenis der ijzeren engelen juist weten te beoor­delen.
.

(Walther Kiaulehn, IJzeren engelen)
.

Geschiedenis 8e klas: alle artikelen
.

508-470

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (32)

.

HEMEL, HEL EN MICHAËL

Wanneer je iets koopt in een winkel, vraagt de verkoopster: ‘Is het voor een cadeautje?’ Als je dan ‘ja’ zegt, wordt het verkochte in een mooi papiertje verpakt en gaat er een lintje om of komt er een bloemetje op. Zeg je: ‘Nee, het is voor mïjzelf’, dan krijg je het in een grauw papier of in een reclamezakje. Men gaat er dus altijd vanuit dat een mens zichzelf nooit iets cadeau doet, dat voor een geschenk de verpakking belangrijk is, maar dat de verpakking van iets jouzelf niets kan schelen. We leven immers in een wegwerpmaatschappij! Je krijgt soms de indruk, dat de wereld voor het allergrootste deel uit verpakkingsmateriaal bestaat. En dat niet alleen in de letterlijke zin!
Wanneer je ‘ja’ kunt zeggen tegen het leven en het als een geschenk kunt zien, dan ziet het er heel anders uit dan wanneer je denkt dat het een zware last is of dat het alleen maar een aangelegenheid is voor jezelf. En, afgezien van de inhoud, dus afgezien van het leven zelf, is het voor een mens toch wel be­langrijk in wat voor uiterlijke vorm het hem wordt aangeboden. De uiterlijke vorm is nu nog meestal reclame en grauwheid. Het is maar een geluk, dat de natuur in de schoon­heid van zon en wolkenluchten, de kleurenpracht van haar bloemen en de uitbundige glans van haar groen ons haar leven anders schenkt. Is een sieraad in een roodfluwelen doosje niet beter aanvaardbaar dan in een onooglijk zakje?

Van ons innerlijke leven, het hele jaar door, zijn de jaarfeesten de uiterlijke verpakking. Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen verpakking en inhoud. De ver­pakking moet verwachting wekken en de in­houd aantrekkelijker maken. Je zou deze vergelijking kunnen doortrekken tot in de fysica toe: Men ziet de ‘snelheid’ als een functie van ‘weg’ en ‘tijd’. De auto heeft bijvoorbeeld een snelheid van 120 km per uur. We schrijven: V(elocitas) (= snelheid)
120 : 60 = 2 : 1, dat is dus: 2 km per minuut. Maar dat teken, dat ‘is’, is in wezen
hele­maal niet juist. De snelheid is geen resultaat van de weg en de tijd. De snelheid is er. Wij gaan dat met ons verstand ontleden abstraheren uit wat er in werkelijkheid gebeurt: de ruimte en de tijd. Zonder het rijden van de auto waren tijd en ruimte op dat moment van geen belang. Maar dan was er ook geen snelheid. Snelheden (beter gezegd: de ver­schillen in snelheid) zijn iets reëels in de we­reld. Op zichzelf zijn ruimte en tijd dat niet. Het komt op de beweging aan en juist daar­door kan ik de snelheid zelf niet meten. De ruimte meet ik door landmeting of met een duimstok en de tijd met een horloge. Dank­zij die gegevens kan ik de snelheid bepalen en in cijfers uitdrukken. Als de auto zich niet voortbewoog had ik niets aan de kilome­terpaaltjes en mijn chronometer. Je zou dus kunnen zeggen dat de voortbeweging in een bepaalde snelheid de inhoud is, het cadeau, en dat ruimte en tijd de verpakking zijn. Even nauw als de af te leggen weg en de daar­voor benodigde tijd samenhangen met de snelheid van mijn auto, hangen de uiterlijke vieringen van de jaarfeesten samen met mijn innerlijke belevenis.
Nu is er wat betreft de jaarfeesten, waarvan Kerstmis en Sint – Jan, Pasen en het Michaëlsfeest de voornaamste zijn, evenzeer aan de buitenkant als aan de binnenkant, evenzeer in de uiterlijke viering als in de innerlijke belevenis ervan, een enor­me vervlakking opgetreden. Wat is de oorzaak? Men is niet meer in staat om dat wat geestelijk is, wat buiten het be­reik van de zintuigen ligt, als iets concreets te zien. Men houdt het goddelijke in de we­reld voor een abstractie en wat men met de hersenen uit de realiteit abstraheert houdt men voor iets concreets. Er is geen verband meer tussen binnen- en buitenkant.
De vruch­ten en de noten en de bonte herfstbladeren hebben bij de meeste mensen weinig te ma­ken met hun belevenis van de stervende natuur. Doordat de relatie tussen binnen- en buitenkant ontbreekt, kan men aan beide kanten nog maar heel weinig beleven, want de ene kant is vrijwel zinloos zonder de an­dere. En men zal nooit tot die belevenis kun­nen komen, als men niet ziet wat in de we­reld om ons heen werkelijk concreet is. Het komt er in wezen op aan, dat men bij­voorbeeld van Amsterdam in Utrecht komt, niet dat men 30 km in een kwartier aflegt. Wat heeft de mens eraan, dat hij alles afweet van pentatoniek en kwintenstemming, maar niet in staat is met kleuters één liedje te zin­gen? Zolang men het verband ziet tussen bin­nen en buiten, zal men het feit dat kleuters zingen en dat iemand van Amsterdam in Ut­recht komt, als een zuiver persoonlijke aan­gelegenheid beschouwen. Ook kan, zolang men dat verband niet beleeft, de tragiek, dat de aarde onder onze voeten wegsterft, nooit in samenhang worden gebracht met het feit, dat men haar alleen maar ziet als een bolletje materie, dat rondtolt in de ruimte.
En nu komt Michaël met de vraag: wie is eigenlijk die men die dat verband moet leg­gen en die altruïstisch van Amsterdam naar Utrecht moet komen en kleuters moet laten zingen en die het reële van het irreële moet leren scheiden? Michaël zegt: ‘Het is fijn dat het cadeau zo mooi verpakt is, maar voor wie is het eigenlijk bestemd?’ ‘Het gaat om de mens, die zich bewust moet worden, dat hij een bovenzinnelijk wezen is!’

Als in de natuur het leven zich begint te­rug te trekken, als het herfst is
gewor­den, dan ga je jezelf afvragen: ‘Wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik heen?’ Als antwoord houden de kerken ons voor, dat we op aarde zijn om God te dienen en daar­door in de hemel komen. Of, dat we moeten kiezen tussen God en de duivel, tussen hemel en hel, tussen leven en dood. Dan wordt ons geleerd, dat de ziel gered moet worden, als het lichaam sterft. Maar welk geloof kan ons leren, hoe de ziel met het lichaam samen­hangt en hoe zij daarin werkt? En welke we­tenschap laat ons, door de materie heen, het bovenzinnelijke zien? Wie is het die de strijd moet voeren tussen weten en geloof, tussen egoïsme en altruïsme, tussen goed en kwaad? Het is niet waar, dat de mens moet kiezen tussen goed of kwaad, hemel of hel, geloven of weten. Hij moet wetend geloven en gelovig weten. Hij moet leven tussen hemel en hel. Wie kan er voor 100 procent iets goed doen? Wie is ervoor 100 procent fout? Het gaat om de middenweg. Een weg midden-tussen-door kun je alleen maar zelf gaan. Want vroeger werd van buitenaf, door de kerken, door morele wetten, door tradities enzo­voort, aan de mens aangegeven wat goed en wat verkeerd was. Nu is de mens helemaal op zichzelf aangewezen. Het is een moeilijke weg. Maar doordat de mens nu in staat wordt gesteld zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, komt hij tot zelfbewustzijn. Zowel de wanorde als de orde, zowel de onregelmatig­heden als de regelmaat komen op hem af. Wie stelt orde op eigen zaken? Wie brengt regelmaat in eigen leven? Orde en regelmaat bestaan hierin, dat het werkelijke ik van de mens, dat een geestelijk wezen is, zich ont­wikkelt in harmonie met de geestelijke we­reld, dit is de wereld die buiten het bereik van de zintuigen ligt.

Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Het ant­woord op deze vraag kan alleen de mens ge­ven: ‘Dat ben ik!’ Michaël wijst ons op wat de mens in wezen is. Niet zijn lichaam – dat hééft hij. Niet zijn ‘persona’ – dat is zijn ‘masker’. Niet z’n manieren en vele menin­gen – die zijn hem door opvoeding en milieu bijgebracht. Niet zijn ‘ikke, ikke’ – dat is z’n schaduw. Wat brengt de mens tot dat zelfbe­wustzijn? Dat wat ik alleen maar tegen mij­zelf zeggen kan: ‘ik!’

In deze tijd beleven wij duidelijk twee polen, twee extremen:
1: weg met de materie! Vlucht weg van de aarde! Die biedt alleen maar angst en ellende. Een hel. En hoeveel middelen zijn er tegenwoordig niet om die te ontvluchten? Maar die vlucht is ook een vlucht uit zijn eigen zélf, omdat dan iets anders de mens meevoert.
2: Geen hemel! Een geestelijke wereld bestaat niet of zal voor de mens nooit kenbaar worden! Zelf­zucht, geldzucht, machtstrijd enzovoort, zijn het gevolg. Ook in dat geval is de mens zijn werkelijke zélf vergeten. De evolutie van de mensheid is nu zo ver, dat het werkelijke wezen van de mens ontwaakt. Daarom is het Michaëlsfeest een nieuw feest, een feest voor deze tijd. Een herfstfeest. Wij zien dat milieu en maatschappij neigen naar een herfstige ondergang. Hoe stellen wij ons daar tegenover op? Met Michaëls zwaard.

Het zwaard helpt en beschut. Het kan echter ook verwonden en doden. Maar in de hand van een eerlijk strijder is het in alle sprookjes en in alle mythologieën: de geweldige kracht van zélf te zijn!

Michaël houdt ons de weegschaal voor. Op de ene schaal ons denken, ons hoofd en op de andere ons gevoel, ons hart. Wij moeten nu voor ons zelf gaan afwegen en leren den­ken met ons hart en leren voelen met ons hoofd. Wij moeten trachten evenwicht te brengen tussen ‘koppie, koppie’ en ‘ik voel het zo, dus het is goed’. Wij moeten leren doen, zélf doen! Maar gebeurt het dat de weegschaal zelf wordt weggehaald en de twee schalen naast elkaar gezet. Dan valt er niets meer te wegen. Men kijkt naar de bin­nenkant en de buitenkant, maar vergeet dat, waar het de buiten- en binnenkant van is. Op het gebied van de materie kiest de ene mens voor dit, de andere voor dat: zeer per­soonlijk. Zoveel harten, zoveel zinnen. Op het gebied van het hoofd heerst de abstractie, van de wiskunde. Op dat gebied zijn we het allen samen eens. Zeer onpersoonlijk. De weg die daar tussenin ligt is de weg die Mi­chaël ons wijst en die ons steeds dichter brengt bij de werkelijkheid van ons zelf. En evenals alle andere feesten is ook het Michaëlsfeest een Christusfeest. Want Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij moe­ten proberen waar te zijn tegenover anderen maar ook tegenover ons zelf. Dat is een le­vensweg voor ieder persoonlijk, die ieder gaat op zijn eigen, nieuwe wijze en die toch alle mensen verbindt in één groot streven. Het lichaam beweegt zich langs een weg in de ruimte. De ziel leeft en baant zich een weg in de tijd. De geest van de mens gaat met Christus voort in zijn eigen tempo: de snelheid der eeuwigheid. Dat steeds meer te gaan beseffen is het feestcadeau van Michaël.

(Henk Sweers, Jonas, nr.3, 28-09-1984)
 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

280-265

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (30)

.

MICHAËL

Als de zomer op z’n einde loopt en de planten zich terugtrekken op vruchten en zaden, dan worden wij mensen actief: kinderen gaan weer naar school. Het programma van de volksuniversiteit valt in de bus. Allerlei cursussen
be­ginnen en hebben aan belangstelling geen gebrek.
Als in de zomer de bijen af en aan vliegen in de hete zon, bak­ken wij bruin of zitten rustig in de schaduw. We nemen de zomer in ons op. In de herfst lijkt het of we de zomer mee naar binnen genomen hebben en haar energie omzetten in daden.
Niet alle mensen houden de zomer zo vast. Er zijn er ook die wat met de bladeren mee sterven. Ze worden triest als het weer buiten en werklust is hun vreemd. Maar ook mensen die de zomerkrachten wel in zich voelen, merken dat bij de verwezenlijking van hun initia­tieven ook hun beperkingen zich doen gelden. Beginnen is niet zo moeilijk, volhouden wel. Als iets dan even niet wil is de verleiding groot je aan te sluiten bij het moedeloze weer buiten.

In deze tijd vieren we op de vrijescholen het feest van de aartsengel Michaël. Michaël verslaat de draak, zo staat in Openbaringen. De attributen van Michaël zijn het zwaard en de weegschaal. Ogenschijnlijk twee tegengestelde werktuigen. Een zwaard hanteer je anders dan een weegschaal.
Het zwaard als een wapen tegen bedreigingen die van buiten komen. Het vereist een slagvaardige hand. Een weegschaal moet in rust gehanteerd worden. Het zwaard staat voor strijd. De weegschaal staat voor evenwichtig­heid. Pas als de schalen in evenwicht zijn, vervalt de weegschaal zijn functie.

Als we nu eens het zwaard hanteren om onszelf te overwinnen, bereiken we dan geen prachtig evenwicht? Let wel dat is een zware strijd. We zijn helemaal vrij om hem niet aan te gaan. Het Michaëlsfeest is het feest van de moed. Moed hebben we nodig om de zomer in ons vast te houden. Moed om tegen de draken van onze innerlijke belemmeringen te vechten. Michaël werkt mee als we die strijd aangaan.

Jaarfeesten hebben oeroude wortels, zo ook het Michaëlsfeest op 29
september. Sommige van die wortels komen nog aan het daglicht. Het was vroeger een oogstfeest. Kermis is ook afkom­stig van oogstfeesten. Op kermisdag in Aalst werd een stropop, die Machielken heette op een baar gelegd en op de markt begraven. Machielken is een volksnaam voor St.-Michaël. Het gebruik voert terug op oude in­wijdingsriten bij de Germanen. Inwijding in het mysterie van Wodan, die zowel de god van de dood als de vruchtbaarheid was. De Germanen ge­loofden dat de vruchtbaarheid uit de dood voortkwam.

Michaël betekent: Wie is als God? De naam als een vraag. Het boek Genesis verhaalt dat God de mens schiep naar zijn beeld. Christus zei tegen zijn discipelen: “Gij zijt Goden”.

Er zijn echter draken die ons dwars zitten.

Laten we ze moedig bestrijden.

.

(Ad Tiemens, Tobiasschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

278-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (3)

.

TUSSEN ZWAARD EN WEEGSCHAAL

Op een ochtend hing er mist tussen de bomen. Alle scherpe vormen waren verzacht. De lucht was zuiver en tinte­lend fris. Straks zou de zon komen en de mist verjagen. Hoog boven de bo­men zou de hemel zijn, blauw en hel­der, en later zouden er grote witte wolkenmassa’s langs drijven. Wattige luchtkastelen, steeds wisselend van vorm, voortdurend veranderend, ter­wijl ze statig voorbij zeilen.

Eind augustus, de tijd van de prachtige wolkenluchten en ook van het
plotse­ling opkomende onweer. Dan flitst de bliksem omlaag, een daverende klap, en de donder rommelt over de weilan­den.

Buiten in het veld, in het vlakke wijde land van Holland kan je die hemel­hoog opgestapelde wolkentorens op je af zien komen, donkergrijs of krijtwit van de hagel. Heel klein voel je je dan, een nietig mens tegenover dat enorme brok samengebalde kracht. Dan besef je pas in hoe hoge mate wij onze zekerheid ontlenen aan het feit, dat we stenen omhullingen hebben ge­bouwd met een dak erop. We schuilen weg in onze huizen, en voelen ons vei­lig voor de elementen. Maar zijn we werkelijk innerlijk bestand tegen zulke elementaire krachten? Kunnen we rustig blijven bij het felle licht van de bliksem, bij een knetterende donder­slag?

Vaak zijn de dreigende lucht en de on­heilspellende stilte van te voren
angst­aanjagender dan het onweer zelf. De eigenlijke bevrijding van al deze
ele­mentaire spanningen komt met de neerstromende regen. Iedereen ademt verlicht op en na een uur breekt de zon weer door. De wolken drijven ver­der, de lucht is hoog en blauw. Al gauw zie je tussen de struiken en plan­ten geheimzinnige dampsliertjes om­hoog kringelen: kleine vreugdevuren worden ontstoken, elven dansen in een ringelrei over het gras. En wij, wij doen de deuren van onze huizen open en laten de zon binnen!

Voorboden van de Michaëlstijd, weerspiegeld in de natuur, en ook tussen de mensen onderling.
Na zeven lange weken gaat de school weer be­ginnen. Niet alleen een leerschool voor de kinderen, maar ook voor de ouders, of ze nu willen of niet. Aan de ene kant vinden de kinderen het heerlijk weer hun klasgenootjes te zien; aan de andere kant worden ze in het begin doodmoe van die hernieuwde confrontatie met de klas. Er zijn nogal eens ruzies en vechtpartijen, vriend­schappen verschuiven, de kibbelarijen zijn niet van de lucht. Maar na enige weken wordt dat langzamerhand weer een geheel, een eenheid, een klas. Dan heeft ieder zich min of meer gevoegd. Iedereen is weer gewend aan elkaars hebbelijk- en vooral onhebbelijkheden. En de moeders? Zij moeten zich weer instellen op de ijzeren regelmaat van de klok. Bovendien zijn er altijd wel kinderen die de eerste weken over de schooldrempel geholpen moeten wor­den. En we zien weer zo haarscherp wat ons niet bevalt in de meesters en juffies. Zijn ze wel lief genoeg voor onze kinderen? En die andere ouders – alla, moedig de schouders er onder. We moeten toch weer een jaar met el­kaar optrekken. Laat ik maar even een praatje gaan maken. En bij nader in­zien valt het allemaal best mee. Het is even wennen, maar na enige tijd weet ik weer waarom ik juist die moeder zo waardeerde, en ik zie weer hoe gezel­lig juist die ene vader met zijn kind omspringt.
Woorden gaan over en weer, zoekend en tastend naar die ander. Wie ben jij? Wat zoek je, wat wil je? Hoe was je ook weer? Soms ontdekken we na de vakantieweken ineens bepaalde kwali­teiten in een ander, die je meende goed te kennen. Soms ook vervelende eigenschappen, die je tevoren niet had opgemerkt, en die je nu gaan hinderen. Hoe ga ik daarmee om? Blijkbaar vindt er toch een verschuiving plaats in de samenwerking tussen mensen, als het nieuwe schoolseizoen inzet. Dat gaat overigens niet altijd onge­merkt. Er worden soms harde noten gekraakt, we zeggen elkaar flink de waarheid, we vegen elkaar de mantel uit, en allerlei opgekropte emoties en spanningen botsen op elkaar. Zo moet het misschien ook gaan, overal waar mensen proberen samen te werken, en misschien juist in deze tijd, dat ieder­een weer bij elkaar komt, en alles weer begint en vorm krijgt.

Aan het eind van deze eerste moeilijke maand wordt op de Vrije Scholen het Michaëlsfeest gevierd. Met heilige ernst zingen de kinderen hun liederen ter ere van de strijdende aartsengel. Zij zien het spel van Sint-Joris, de rid­der met de rode mantel op zijn glan­zend witte paard. Met kracht stoot hij zijn lans in de muil van het ondier, dat zich kronkelt aan zijn voeten. Het beest ligt gekromd in een ontzaglijke schaduw, maar achter de gestalte van de ridder straalt een bovenaards licht. Het is vooral dat aspect van het zwaard, waar we veel over horen in de Michaëlstijd. Het is voor de kinderen ook zeer sprekend; de strijd tegen de draak. Het wordt gespeeld en gete­kend en geschilderd. En de moed van dat zwaard te hanteren zullen we ook nodig hebben in allerlei situaties. Maar mij ligt toch meer dat andere werktuig waarmee de aartsengel Michaël vaak staat afgebeeld: de weegschaal. Het af­wegen van de verschillende dingen die op je weg komen, het voortdurend zoeken van het juiste midden: het zijn toch handelingen die voor ons als moeder, als kleuterleidster, voor ieder die in een verzorgend beroep staat, herkenbaar zijn.

Het steeds weer moeten zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor allen, dat is: de schalen van de weeg­schaal in evenwicht houden. En die schalen zijn meestal van koper, het metaal dat van oudsher te maken heeft met de hartewarmte, met de liefde tot de medemens. Van koper worden je handen warm als je erover wrijft, en het glanst als goud als je het oppoetst.

Het ijzer heeft andere kwaliteiten. Het heeft meer met kracht te maken. De ridder op zijn paard baant zich een weg door de wereld met zijn ijzeren zwaard. Hij verovert zich daarmee een ruimte waarin hij zich bewegen kan. Ik meen, dat je als moeder en als ieder die op een plaats staat die lijkt op die van de moeder, ook voortdurend bezig bent ruimte te scheppen, maar dan op een manier, die in de eerste plaats op anderen is gericht. Je schept ruimte, zodat anderen kunnen gedijen. Dat hoort vanzelf bij de beweging van de weegschaal: hier een beetje bij, daar een beetje af. Iedereen komt aan de beurt, niemand hoeft zich te kort ge­daan te voelen. Zo blijkt het moeder­zijn een Michaëlische taak bij uitstek te zijn!

De dag is voorbij – lange schaduwen vallen over het gras. De hoge zonnebloemplant vangt met zijn dikke knop de laatste stralen van de ondergaande zon. Een warm oranje licht schijnt tus­sen de bomen door. Daarboven merk­waardig klaar en helder de bijna door­schijnend blauwe lucht. De schemer zet in, dat geheimzinnige halfduister waarin zoveel gebeuren kan. Het roezige van de dag ebt weg. Het is een uur van bezinning en over­peinzing. Wat is de oogst van deze dag? Pijnlijk scherp komen altijd het eerst de dingen naar voren, die niet zijn ge­lukt. We moeten toch meestal een in­nerlijke verlegenheid overwinnen om ook te kijken naar de dingen die goed waren, waar je vrede mee hebt. Ook dat hoort bij het Michaëlsfeest. Daar put je moed uit om te blijven staan op de plaats die je toegemeten is.

(Marieke Anschütz Jonas nr.2, 22-09-1978)

517px-Van_der_weyden_michael

Rogier v.d. Weyden: Michaël

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

249-234

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (1)

.

ZWAARD EN WEEGSCHAAL
.

Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd

Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperking­en en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar even­wicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.

De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daar­in de seizoenen lente, zomer, herfst en win­ter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet ver­wonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggen­de tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten ge­ordend zijn.

Hoewel wij ons (zeker in de westerse bescha­ving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en her­nieuwd weer toegang toe te vinden. De fees­ten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – in­gegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de chris­telijke jaarfeesten niet slechts een ‘verleng­de’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreug­devoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oe­fenend in en mee leven, zoals dit bijvoor­beeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.

Evenwicht in uitersten

Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare ge­deelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide in­nemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds ouds­her als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘sei­zoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de moge­lijkheden. We staan in het spanningsveld tus­sen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand ge­nomen te hebben – weer helderder en duide­lijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weer­standen, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand pro­beren in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijk­heden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attri­buut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uit­gebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.

Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvanke­lijk verwondering wekt omdat het tegelijker­tijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te ma­ken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strij­den.

Vechten op twee fronten

Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toene­mende geweld te verzetten of om er de waar­de van de vrede of van de geweldloosheid te­genover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbe­grijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de disci­pelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?

Wanneer ik geconfronteerd word met ander­mans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.

Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegen­gestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewon­nen geeft is de strijd ten einde, er wordt vre­de gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt ver­meden, zodat die situatie een ‘vredige’ ge­noemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de be­schreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredi­gend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoe­den of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ont­dekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fron­ten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, te­gen de neiging de ander te negeren en zo bui­ten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, het­geen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.

En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een ande­re mening of reageert hij anders in een be­paalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder ab­soluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan be­reid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.

De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapen­stilstand of schijnvrede te leiden. Het strijd­toneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruim­te is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.

Actief antwoorden
De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij de­ze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruim­te en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei bo­ven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kun­nen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spre­ken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uit­spraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoog­moed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze godde­lijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.

De genius, de engel van de herfsttijd, herin­nert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwe­zens is hij de enige wiens naam een vraag in­houdt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergele­ken te worden!

Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwich­tig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is ge­worden, daarmede de mogelijkheid schep­pend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwach­ting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voor­bereidend karakter voor de advent- en kerst­tijd: de geboorte van God in de mens.

Michaël 1

Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.

(Maarten Udo de Haes in  Jonas, nr.2, 16-09-*1983)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

247-233

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.