Tagarchief: weegschaal

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (51)

.

Diederick Sprangers, Antroposana jrg.2, nr.4, okt. 2006

.

Van heldenmoed tot hartewarmte

Bewustzijns- en hartekrachten vieren

Onze tijd stelt hoge eisen aan onze individuele ontwikkeling als mens. Beelden uit mythen en legenden kunnen ons daarbij tot hulp en inspiratie dienen. Tevens kunnen we via die beelden ontdekken dat bepaalde momenten in het jaar te verbinden zijn met stappen in onze innerlijke ontwikkeling. Die momenten kunnen we vieren. Zo kunnen we onze eigen ontwikkeling integreren in het verloop van de seizoenen. Van tijd tot tijd is het dan een feest om mens te worden.

Wie een helderder zicht op zijn leven wil krijgen, ontkomt er niet aan om naar binnen te kijken, naar zijn eigen karakter en ‘eigen-aardig-heden’. Er zijn vele aanleidingen om dit te doen: het vinden van een werkkring die bij je past, een terugkerende ruzie met een collega of gezinslid, een ernstige ziekte, enz. Maar ook de behoefte om jezelf te ontwikkelen, te ontplooien, kan aanleiding zijn tot zelfstudie: hoe zit ik in elkaar en wat zegt mij dat over wat ik het beste kan doen? De behoefte om jezelf te kennen, lijkt iets van deze tijd te zijn. We nemen er vaak geen genoegen meer mee dat bepaalde dingen ons overkomen: we willen weten waarom we ermee geconfronteerd worden en wat we ‘ermee moeten’. Geregeld loopt dat uit op de vraag waarvoor we eigenlijk leven, wat de zin van je leven is. Er zijn dan ook tegenwoordig talloze mogelijkheden om hieraan te werken: organisaties en bewegingen van allerlei aard en kleur bieden veelvormige trainingen, workshops en boeken aan waarmee je aan je persoonlijke ontwikkeling kunt werken.

Merkwaardig genoeg gaat de weg naar zelfkennis vaak gepaard met het beter leren kennen van de wereld om ons heen. Je kunt jezelf niet los zien van de buitenwereld; je hebt je omgeving nodig om ‘jezelf te worden’. Wie bijvoorbeeld tennist of een andere individuele competitiesport speelt, kan de ervaring opdoen: “Ik speel eigenlijk tegen mezelf – maar daarvoor heb ik een ander nodig”. Soms gaat het specifiek om de vraag hoe je beter met andere mensen ‘door de bocht komt’, hoe je op een menselijke manier met elkaar in contact kunt komen en blijven. We willen een ander kunnen aankijken, recht in de ogen kunnen zien, face to face. Maar ook de soms harde werkelijkheid van de wereld waarin we leven, komen we voortdurend tegen op de weg naar onszelf: want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, zoals Willem Elsschot schreef. En dan merken we dat we niet alleen over onszelf, maar ook over de buitenwereld anders moeten leren denken. Als we eenmaal door hebben waarom bepaalde dingen om ons heen gebeuren, willen we daar vaak verandering in brengen. Wie wil niet bijdragen aan een betere wereld? Maar dat vereist een nieuw bewustzijn: gewoon doen wat je geleerd is, wat je gewend bent of wat anderen doen, voldoet niet. Zelfbewustzijn en wereldbewustzijn gaan hand in hand, en voor beide moeten we innerlijk sterk in beweging komen: we moeten er vaak hard voor werken.

MICHAËL

Ook vanuit de antroposofie wordt hieraan gewerkt. (Antroposofie is eigenlijk een weg tot zelfkennis en wereldkennis.) Daarbij wordt inspiratie geput uit een beeld uit de Christelijke overlevering, namelijk de gestalte van de aartsengel Michaël. Deze laat ons verschillende eigenschappen zien die we nodig hebben op onze weg naar inzicht. Eén daarvan is moed: Michaël wordt vaak afgebeeld met een zwaard, waarmee hij de kwade geest Lucifer versloeg. (Vondel heeft dit prachtig beschreven in zijn treurspel “Lucifer” in 1654). Als je jezelf probeert te leren kennen, word je ook geconfronteerd met je onaangename eigenschappen: het kost moed om die onder ogen te zien, laat staan te bedwingen, zoals Michaël Lucifer bedwong. Lucifer wordt meestal afgebeeld als een draak of slang onder de voet van Michaël. Die draak is het beeld van onze innerlijke weerstanden, onze tekortkomingen. Ook voor het werken aan een betere wereld kunnen we inspiratie vinden bij Michaël. Hij weegt de gebeurtenissen tegen elkaar af, om de wereld te ordenen; een weegschaal is dan ook een tweede attribuut waarmee we hem wel afgebeeld zien. Zijn strijd is een geestelijke strijd, een strijd die in het innerlijk van de mens gevoerd wordt. Michaël spoort ons als het ware aan om dat wat met ons gebeurt, ook op een weegschaal te leggen en zo ons eigen evenwicht te vinden temidden van de chaos van de wereld. Daarvoor gebruiken we onze hoogste bewustzijnskrachten: we zoeken vanuit ons aardse bestaan de brug naar de geest, anders gezegd: in en achter de aardse materie zoeken we de geestelijke werkelijkheid. Michaël behoedt en verzorgt de bewustzijnskrachten waarmee we dat doen.

Michaël vormt aldus een inspiratie voor het hele tijdsgewricht waarin we leven. Maar zijn werkingssfeer is ook specifiek verbonden met een deel van het jaar: met de herfst. Voorjaar en zomer roepen op om je naar buiten te wenden, om te genieten van het leven. Maar als de natuur haar bloei achter zich heeft en in verval raakt, het weer kouder wordt en de dagen korter, kun je je vanzelf geneigd voelen om naar binnen te keren, het innerlijke vuur op te stoken. Het feest van Michaël valt dan ook op 29 september, aan het begin van de herfst. Het klinkt door in de hele herfstperiode – net zoals het nieuwe leven van Pasen het hele voorjaar inspireert en het licht van Kerstmis de donkere wintermaanden doorstraalt. Maar in tegenstelling tot de 2000 jaar oude feesten van Kerstmis en Pasen, waarmee we de blijvende werking van impulsen uit het verleden vieren, is Michaël een feest van de toekomst. Michaël vieren betekent zelf de toekomst bouwen: de impuls van Michaël moet in die zin nog werkelijkheid worden, en wij moeten dat doen. Daarom zijn er ook nog geen geijkte manieren om dit feest te vieren: Michaël kent niet zoiets populairs als een kerstboom of paaseieren. Dit feest moeten we zelf vormgeven. De beste manier is natuurlijk door daadwerkelijk aan onszelf te werken: daar draait het eigenlijk om. Maar we kunnen ook de beelden en verhalen uit vele overleveringen gebruiken om een feest vorm te geven. Die beelden kunnen ons ook inspireren bij het werk aan onszelf. Ze zijn te vinden in de talloze mythen en legenden over ‘ Michaël, maar ook in die over andere gedaanten waaronder hij bekend is of was: St.-Joris en de draak, bijvoorbeeld, is eigenlijk niemand anders dan Michaël. Ook in oudere culturen vinden we Michaël onder andere namen terug: Indra (Indisch), Mithras (Perzisch), Marduk (Babylonisch), Apollo (Grieks) en Widar (Noors). Er is een rijke schat aan verhalen, schilderijen, liederen en spelen rond het wezen van Michaël waaruit we kunnen putten.

Naast de moed is er nog een tweede belangrijke eigenschap die Michaël ons voorhoudt als broodnodige hulp bij ons zelfonderzoek: humor. “Verbeelding is de mens gegeven als compensatie voor wat hij niet is en gevoel voor humor als troost voor wat hij wel is” zei Francis Bacon. Onze taal heeft zelfs een puur ‘michaëlische’ uitdrukking voor het gebruiken van humor. Als Michaël – of St.- Joris – de draak verslaat, doodt hij hem niet; hij houdt hem in bedwang met zijn zwaard of lans. Hij steekt de draak. (In het Limburgse Beesel wordt nog elke zeven jaar het “Draaksteken” als openluchtspel opgevoerd.) De draak van je eigen tekortkomingen te leren beheersen, komt dus eigenlijk neer op ‘de draak steken met jezelf’.

SINT-MAARTEN

Het beeld van Michaël kan ons de moed, de wil en het enthousiasme geven om aan de gang te gaan met ons werk, bij onszelf en tegelijkertijd bij de wereld om ons heen, bij andere mensen. Hoe pakken we dat aan, hoe leggen we een goede verbinding tussen onszelf en anderen? Niet door het leven van de ander te gaan regelen, maar door hem zo te helpen dat hij zijn eigen weg kan gaan in vrijheid. Als we een ander gaan vertellen hoe hij moet leven, hem de les lezen of de wet voorschrijven, komen we niet ver. We moeten leren ons in de ander te verplaatsen en zijn werkelijke behoefte te herkennen; dan kunnen we zoeken naar een manier om die behoefte te vervullen. Als inspiratie hiervoor kan een andere gestalte uit de Christelijke overlevering dienen, namelijk Sint-Maarten of de heilige Martinus van Tours. Volgens de legende was hij een Romeins soldaat, die voor de poort van Amiens een bedelaar tegenkwam die het koud had. Maarten trok zijn zwaard en sneed daarmee zijn mantel – een kostbaar bezit – in tweeën. De ene helft gaf hij aan de bedelaar. Maarten herkende dus de behoefte van de bedelaar en vervulde die. Hij zei niet: “Maak een vuur en warm je daaraan”, dus hij vertelde de man niet wat hij moest doen. Hij zei ook niet: “Zoek werk, zodat je niet hoeft te bedelen”. Hij deelde zijn warmte met een man die het koud had. Daardoor behield die man zijn vrijheid om zijn eigen weg te gaan, welke dat ook mocht zijn. Het was een gebaar van solidariteit, van broederschap: deel wat je hebt, zodat ieder genoeg heeft.

Niet toevallig valt het feest van Sint-Maarten in de Michaëlstijd, op 11 november. Michaël prikkelt ons om onze draak te bedwingen, dat wil zeggen om onze lagere driften in toom te houden; Sint-Maarten laat ons zien wat er dan tevoorschijn kan komen uit ons hart. Als we niet meer in beslag genomen worden door egoïsme, jaloezie, dogmatisme enz., staan we werkelijk open voor de nood van de ander. Dan kunnen we die waarnemen en broederlijk delen wat we hebben. Merk ook op dat beide figuren, Michaël en Maarten, een zwaard hebben; maar ze doen er verschillende dingen mee. Het zwaard staat voor je wilskracht: die heb je zowel nodig om je driften in bedwang te houden, als om te delen wat je hebt.

Ook deze impuls, die van het samen delen, kunnen we vieren, rond 11 november. Hiervoor geeft de volksoverlevering ons talrijke gewoonten, verhalen, liederen en spelen, die elk een aspect van Maartens impuls belichten.

De Zonnejaargroep geeft boekjes uit over de jaarfeesten
Martin Sandkühler: “Michaël: verhalen en legenden
Het openluchtspel “Het Draaksteken” in Beesel.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

 

Het artikel verscheen in het tijdschrift van Antroposana

.

1899

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (41)

.
J.F.Zeylmans van Emmichoven, Jonas *18-10-1974
.

strijd tussen moed en depressie in de herfsT

over de embryonale ontwikkeling van nieuwe kiemen

Tot groot verdriet van veel mensen is een paar weken geleden* de herfst weer begonnen. Om precies te zijn: op maandag 23 september jongstleden. De zon ging die dag (volgens de astronomen), in tegenstelling tot andere dagen precies in het oosten op en precies in het westen onder. Drie dagen later was de dag even lang als de nacht, elk duurde dus exact 12 uur. Met grote spoed blijven de dagen in deze tijd van het jaar korter worden — als dit nummer verschijnt duurt een dag al vijf kwartier minder dan drie-en-een-halve week geleden. Over ruim een maand is een dag nog maar 9 uur, kort voor Kerstmis nog maar 8½ uur, dat wil zeggen dat de nachten dan ruim 15 1/2 uur lang zijn. Toch is dat niet de enige reden dat de herfst elk jaar opnieuw voor veel mensen een deprimerend jaargetijde is — de moeilijkste periode om doorheen te komen.

Wie nog even volhoudt zal kort voor Sinterklaas, dus over ’n week of zes, zeven, een onschijnbare maar beslis­sende verandering kunnen zien: dan gaat de zon gedurende enkele dagen steeds op hetzelfde tijdstip onder (ca. tien over half vijf) en daarna begint het ogenblik van ondergang weer dage­lijks later te worden. Dat zet al op 14 december in. Toch blijft de duur van de dag in z’n geheel nog verder inkrimpen, tot 17 december, omdat de zon nog later opkomt. Dan blijft het gedurende negen etmalen onge­veer 8½ uur dag en ca. 15½ uur nacht. Op tweede kerstdag begint de lengte van de dag weer toe te nemen en de nachten worden korter. De meeste mensen interesseren zich niet voor dit soort verschijnselen, en dat zou weleens mede tot de oorzaken kunnen horen dat velen het zo moeilijk hebben in de herfst. Het jaarverloop zit vol met typische fenomenen waar we nooit bij stilstaan. Dat de dagen korter worden is bijvoorbeeld helemaal niet typisch voor de herfst – dat begint al op 24 juni! Goed, de dagen duren dan 16 uur en de nachten maar acht (ze zijn bovendien niet zo pikdonker als ’s winters) en daarom letten we er niet zo op. Typisch voor de herfst is veelmeer dat hij inzet met een eerlijke verdeling tussen licht en duisternis: dag en nacht zijn even lang (dag en nacht-evening’), een soort weegschaalsituatie.
De dag-en nacht-evening in de herfst heeft natuurlijk een parallel in het voorjaar, dan komt op 21 maart het ogenblik dat de dagen weer even lang zijn als de nachten (astronomisch ligt dat ogenblik iets vroeger). Winter en voorjaar is dus de tijd waarin de dagen langer worden, zomer en herfst die waarin de nachten langer worden. Globaal gezegd is de langste nacht (en tevens het keerpunt, waarop het licht weer toeneemt) met kerstmis; en de langste dag is op 24 juni, dat is de feesttijd van Sint-Jan (Johannes de doper).
Herfstpunt en lentepunt staan daar precies tussen: begin van het voorjaar tussen kerstmis en Sint-Jan, begin van het najaar tussen Sint-Jan en kerstmis.
Als je het jaar als een cirkel voorstelt, ontstaat er een kruisvorm binnen de jaarkring, waarbij tegenover Kerstmis de midzomer staat, en tegenover het lentepunt het herfstpunt. Er is al vaak op gewezen dat er nog andere  samenhangen in de perioden van de jaarkring verborgen zijn  – tegenover de langste nacht, met Kerstmis, staat de langste dag, met Sint-Jan; maar wat zijn dat voor feesten?

Er staan twee grote figuren tegenover elkaar:  Jezus en Johannes de doper. De geboortedag van de een valt op het ogenblik dat het licht be­gint toe te nemen, de feestdag van de ander als het licht gaat afnemen.

De verwekking van beiden staan ook in verband met elkaar: de ‘aankondi­ging’ van Johannes in de herfst —dat verhaal vormt zoals bekend het begin van het Lucasevangelie. En ‘zes maan­den daarna’ (dus in de lente) de ‘aan­kondiging’ van de geboorte van Jezus; die wordt direct aansluitend eveneens in het Lucasevangelie beschreven. De beide moeders kenden elkaar ook, Maria gaat bij haar nicht Elisabeth (Johannes’ moeder) op bezoek. In overeenstemming met de duur van een zwangerschap wordt het kind dat in het voorjaar is aangekondigd (als de natuur begint uit te lopen, en alles jong en nieuw is) in de midwinter ge­boren: in de langste nacht, maar ook op het keerpunt, als het licht weer gaat toenemen. De figuur van Johan­nes de doper heeft meer het karakter van het ‘oude’, afnemende, gerijpte: in de herfst wordt zijn geboorte aan­gekondigd (bij hoogbedaagde ouders), negen maanden later, op 24 juni, wordt hij geboren — de langste dag van het jaar, als het licht ‘oud’ begint te worden en gaat afnemen. Zo staan vier ogenblikken in het jaar twee-aan-twee diametraal tegenover elkaar; maar door het bovenstaande is in het zogenaamde jaarkruis nog een ander verband ontstaan: het len­tepunt blijkt met kerstmis, het herfst­punt met de midzomer (Sint-Jan) sa­men te hangen, doordat je de verwach­tingstijd van 9 maanden erbij betrekt.

Die ‘verwachtingstijd’ is niet alleen maar een biologisch feit — al zou de Stimezo het reuze fijn vinden wanneer iedereen dat voortaan zou denken. Het gaat om een tijdspanne van 280 dagen of 10 (maan-)maanden van 28 dagen (ofwel 7 periodes van 40 dagen).
Dat dat de ontwikkelingstermijn voor een menselijk embryo is wil niet zeg­gen dat het alleen maar daarvan de tijdmaat is. In oude geschriften en occulte literatuur staat de periode van ’40 dagen’ reeds als een heilige maat, die vanaf oertijden bekend is. De mens maakt die in Zevenvoud door om zijn aards lichaam krijgen. De geest, dus de individualiteit van een mens, gebruikt die periode om uit het voorgeboortelijke bestaan naar een aards bestaan toe te komen en bij de geboorte in ruimte en tijd te gaan leven. Zou het kunnen zijn dat de periode van 280 dagen nog op een andere manier in de jaarcyclus voorkomt? Als een tijdspanne waarin je ‘mens kunt worden’? Dat zou weleens zo kunnen zijn, maar op een subtiele wijze in het jaar verborgen, dat je er zonder meer overheen kijkt.

Als je namelijk van 29 september het bedoelde getal van 280 dagen terugtelt, kom je op 24 december. Die dag heet, naar een oeroude traditie, de dag van Adam en Eva. Zo­als bekend is dat het eerste oudste mensenpaar. Onmiddellijk op die dag volgt de kerstnacht: de geboortenacht van Jezus-Christus. Dat feest wordt elk jaar gevierd, niet alleen als herinnering aan de geboorte van Je­zus van Nazareth, maar omdat veel mensen aanvoelen dat er elk jaar in de kerstnacht een kiem gelegd wordt — of om het met de woorden van de mysticus Angelus Silezius te zeggen: ‘wordt Christus duizendmaal in
Betlehem geboren en niet in jou: dan ben je eeuwiglijk verloren.’
Vat je de impuls van Kerstmis zo op, dat er een kiem wordt gelegd voor een nieuwe mens in je oude mens dan is 29 september (veertig weken later) het geboorte-ogenblik (in mystieke, religieuze zin bedoeld) van die kiem. Dat is de naamdag van Michaël, de strijdende aartsengel uit het 12e hoofdstuk van de Apokalypse, aanvoerder van de hemelse hiërarchieën, de engel die als ‘gods aangezicht’ in het bijzonder met het mensengeslacht in verband wordt gebracht.
De oude christelijke jaarkalender kent na Sint-Jan geen grote feesten meer tot aan advent — zomer en herfst zijn daar een ‘feestloos’ halfjaar. Door het werk van Rudolf Steiner is de naamdag van Michaël echter voor veel mensen in de aandacht gekomen; Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven alles gedaan om een nieuw begrip te wekken voor Michaël, en er ook op opmerkzaam gemaakt dat deze hiërarchische macht op het ogenblik als ‘tijdgeest’ heerst (wat in de oude joodse mystiek en blijkens Agrippa von Nettesheim al in het vroegere occultisme bekend was).

Door Steiner en de antroposofie is op de vrijescholen, die volgens zijn leerplan trachten te werken, het feest van Michaël geïntroduceerd. In de beweging voor religieuze vernieuwing, de Christengemeenschap, wordt de feesttijd van Michaël — dit jaar vanaf zondag 29 september — met bijzondere hymnen ingeluid. Ook elders is in antroposofische werkgebieden de herfst de feesttijd van deze aartsengeltijdgeest. Op zijn naamdag kun je je erop bezinnen, met welke vernieuwingskiemen je sinds kerstmis ‘zwanger
bent’, in de zin van een strijd tussen licht en duister — niet zozeer in verband met het uiterlijke zonlicht, maar meer ten aanzien van het evenwicht tussen moed en vertwijfeling. Redenen om in deze periode van het jaar (en ook in de herfstsfeer van onze cultuur) te vertwijfelen, zijn er te over, maar het zijn uiterlijke redenen. Kiemen voor moed dient men zich op andere wijze te verwerven.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichael    jaartafel

.

643-591

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (32)

.

HEMEL, HEL EN MICHAËL

Wanneer je iets koopt in een winkel, vraagt de verkoopster: ‘Is het voor een cadeautje?’ Als je dan ‘ja’ zegt, wordt het verkochte in een mooi papiertje verpakt en gaat er een lintje om of komt er een bloemetje op. Zeg je: ‘Nee, het is voor mïjzelf’, dan krijg je het in een grauw papier of in een reclamezakje. Men gaat er dus altijd vanuit dat een mens zichzelf nooit iets cadeau doet, dat voor een geschenk de verpakking belangrijk is, maar dat de verpakking van iets jouzelf niets kan schelen. We leven immers in een wegwerpmaatschappij! Je krijgt soms de indruk, dat de wereld voor het allergrootste deel uit verpakkingsmateriaal bestaat. En dat niet alleen in de letterlijke zin!
Wanneer je ‘ja’ kunt zeggen tegen het leven en het als een geschenk kunt zien, dan ziet het er heel anders uit dan wanneer je denkt dat het een zware last is of dat het alleen maar een aangelegenheid is voor jezelf. En, afgezien van de inhoud, dus afgezien van het leven zelf, is het voor een mens toch wel be­langrijk in wat voor uiterlijke vorm het hem wordt aangeboden. De uiterlijke vorm is nu nog meestal reclame en grauwheid. Het is maar een geluk, dat de natuur in de schoon­heid van zon en wolkenluchten, de kleurenpracht van haar bloemen en de uitbundige glans van haar groen ons haar leven anders schenkt. Is een sieraad in een roodfluwelen doosje niet beter aanvaardbaar dan in een onooglijk zakje?

Van ons innerlijke leven, het hele jaar door, zijn de jaarfeesten de uiterlijke verpakking. Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen verpakking en inhoud. De ver­pakking moet verwachting wekken en de in­houd aantrekkelijker maken. Je zou deze vergelijking kunnen doortrekken tot in de fysica toe: Men ziet de ‘snelheid’ als een functie van ‘weg’ en ‘tijd’. De auto heeft bijvoorbeeld een snelheid van 120 km per uur. We schrijven: V(elocitas) (= snelheid)
120 : 60 = 2 : 1, dat is dus: 2 km per minuut. Maar dat teken, dat ‘is’, is in wezen
hele­maal niet juist. De snelheid is geen resultaat van de weg en de tijd. De snelheid is er. Wij gaan dat met ons verstand ontleden abstraheren uit wat er in werkelijkheid gebeurt: de ruimte en de tijd. Zonder het rijden van de auto waren tijd en ruimte op dat moment van geen belang. Maar dan was er ook geen snelheid. Snelheden (beter gezegd: de ver­schillen in snelheid) zijn iets reëels in de we­reld. Op zichzelf zijn ruimte en tijd dat niet. Het komt op de beweging aan en juist daar­door kan ik de snelheid zelf niet meten. De ruimte meet ik door landmeting of met een duimstok en de tijd met een horloge. Dank­zij die gegevens kan ik de snelheid bepalen en in cijfers uitdrukken. Als de auto zich niet voortbewoog had ik niets aan de kilome­terpaaltjes en mijn chronometer. Je zou dus kunnen zeggen dat de voortbeweging in een bepaalde snelheid de inhoud is, het cadeau, en dat ruimte en tijd de verpakking zijn. Even nauw als de af te leggen weg en de daar­voor benodigde tijd samenhangen met de snelheid van mijn auto, hangen de uiterlijke vieringen van de jaarfeesten samen met mijn innerlijke belevenis.
Nu is er wat betreft de jaarfeesten, waarvan Kerstmis en Sint – Jan, Pasen en het Michaëlsfeest de voornaamste zijn, evenzeer aan de buitenkant als aan de binnenkant, evenzeer in de uiterlijke viering als in de innerlijke belevenis ervan, een enor­me vervlakking opgetreden. Wat is de oorzaak? Men is niet meer in staat om dat wat geestelijk is, wat buiten het be­reik van de zintuigen ligt, als iets concreets te zien. Men houdt het goddelijke in de we­reld voor een abstractie en wat men met de hersenen uit de realiteit abstraheert houdt men voor iets concreets. Er is geen verband meer tussen binnen- en buitenkant.
De vruch­ten en de noten en de bonte herfstbladeren hebben bij de meeste mensen weinig te ma­ken met hun belevenis van de stervende natuur. Doordat de relatie tussen binnen- en buitenkant ontbreekt, kan men aan beide kanten nog maar heel weinig beleven, want de ene kant is vrijwel zinloos zonder de an­dere. En men zal nooit tot die belevenis kun­nen komen, als men niet ziet wat in de we­reld om ons heen werkelijk concreet is. Het komt er in wezen op aan, dat men bij­voorbeeld van Amsterdam in Utrecht komt, niet dat men 30 km in een kwartier aflegt. Wat heeft de mens eraan, dat hij alles afweet van pentatoniek en kwintenstemming, maar niet in staat is met kleuters één liedje te zin­gen? Zolang men het verband ziet tussen bin­nen en buiten, zal men het feit dat kleuters zingen en dat iemand van Amsterdam in Ut­recht komt, als een zuiver persoonlijke aan­gelegenheid beschouwen. Ook kan, zolang men dat verband niet beleeft, de tragiek, dat de aarde onder onze voeten wegsterft, nooit in samenhang worden gebracht met het feit, dat men haar alleen maar ziet als een bolletje materie, dat rondtolt in de ruimte.
En nu komt Michaël met de vraag: wie is eigenlijk die men die dat verband moet leg­gen en die altruïstisch van Amsterdam naar Utrecht moet komen en kleuters moet laten zingen en die het reële van het irreële moet leren scheiden? Michaël zegt: ‘Het is fijn dat het cadeau zo mooi verpakt is, maar voor wie is het eigenlijk bestemd?’ ‘Het gaat om de mens, die zich bewust moet worden, dat hij een bovenzinnelijk wezen is!’

Als in de natuur het leven zich begint te­rug te trekken, als het herfst is
gewor­den, dan ga je jezelf afvragen: ‘Wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik heen?’ Als antwoord houden de kerken ons voor, dat we op aarde zijn om God te dienen en daar­door in de hemel komen. Of, dat we moeten kiezen tussen God en de duivel, tussen hemel en hel, tussen leven en dood. Dan wordt ons geleerd, dat de ziel gered moet worden, als het lichaam sterft. Maar welk geloof kan ons leren, hoe de ziel met het lichaam samen­hangt en hoe zij daarin werkt? En welke we­tenschap laat ons, door de materie heen, het bovenzinnelijke zien? Wie is het die de strijd moet voeren tussen weten en geloof, tussen egoïsme en altruïsme, tussen goed en kwaad? Het is niet waar, dat de mens moet kiezen tussen goed of kwaad, hemel of hel, geloven of weten. Hij moet wetend geloven en gelovig weten. Hij moet leven tussen hemel en hel. Wie kan er voor 100 procent iets goed doen? Wie is ervoor 100 procent fout? Het gaat om de middenweg. Een weg midden-tussen-door kun je alleen maar zelf gaan. Want vroeger werd van buitenaf, door de kerken, door morele wetten, door tradities enzo­voort, aan de mens aangegeven wat goed en wat verkeerd was. Nu is de mens helemaal op zichzelf aangewezen. Het is een moeilijke weg. Maar doordat de mens nu in staat wordt gesteld zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, komt hij tot zelfbewustzijn. Zowel de wanorde als de orde, zowel de onregelmatig­heden als de regelmaat komen op hem af. Wie stelt orde op eigen zaken? Wie brengt regelmaat in eigen leven? Orde en regelmaat bestaan hierin, dat het werkelijke ik van de mens, dat een geestelijk wezen is, zich ont­wikkelt in harmonie met de geestelijke we­reld, dit is de wereld die buiten het bereik van de zintuigen ligt.

Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Het ant­woord op deze vraag kan alleen de mens ge­ven: ‘Dat ben ik!’ Michaël wijst ons op wat de mens in wezen is. Niet zijn lichaam – dat hééft hij. Niet zijn ‘persona’ – dat is zijn ‘masker’. Niet z’n manieren en vele menin­gen – die zijn hem door opvoeding en milieu bijgebracht. Niet zijn ‘ikke, ikke’ – dat is z’n schaduw. Wat brengt de mens tot dat zelfbe­wustzijn? Dat wat ik alleen maar tegen mij­zelf zeggen kan: ‘ik!’

In deze tijd beleven wij duidelijk twee polen, twee extremen:
1: weg met de materie! Vlucht weg van de aarde! Die biedt alleen maar angst en ellende. Een hel. En hoeveel middelen zijn er tegenwoordig niet om die te ontvluchten? Maar die vlucht is ook een vlucht uit zijn eigen zélf, omdat dan iets anders de mens meevoert.
2: Geen hemel! Een geestelijke wereld bestaat niet of zal voor de mens nooit kenbaar worden! Zelf­zucht, geldzucht, machtstrijd enzovoort, zijn het gevolg. Ook in dat geval is de mens zijn werkelijke zélf vergeten. De evolutie van de mensheid is nu zo ver, dat het werkelijke wezen van de mens ontwaakt. Daarom is het Michaëlsfeest een nieuw feest, een feest voor deze tijd. Een herfstfeest. Wij zien dat milieu en maatschappij neigen naar een herfstige ondergang. Hoe stellen wij ons daar tegenover op? Met Michaëls zwaard.

Het zwaard helpt en beschut. Het kan echter ook verwonden en doden. Maar in de hand van een eerlijk strijder is het in alle sprookjes en in alle mythologieën: de geweldige kracht van zélf te zijn!

Michaël houdt ons de weegschaal voor. Op de ene schaal ons denken, ons hoofd en op de andere ons gevoel, ons hart. Wij moeten nu voor ons zelf gaan afwegen en leren den­ken met ons hart en leren voelen met ons hoofd. Wij moeten trachten evenwicht te brengen tussen ‘koppie, koppie’ en ‘ik voel het zo, dus het is goed’. Wij moeten leren doen, zélf doen! Maar gebeurt het dat de weegschaal zelf wordt weggehaald en de twee schalen naast elkaar gezet. Dan valt er niets meer te wegen. Men kijkt naar de bin­nenkant en de buitenkant, maar vergeet dat, waar het de buiten- en binnenkant van is. Op het gebied van de materie kiest de ene mens voor dit, de andere voor dat: zeer per­soonlijk. Zoveel harten, zoveel zinnen. Op het gebied van het hoofd heerst de abstractie, van de wiskunde. Op dat gebied zijn we het allen samen eens. Zeer onpersoonlijk. De weg die daar tussenin ligt is de weg die Mi­chaël ons wijst en die ons steeds dichter brengt bij de werkelijkheid van ons zelf. En evenals alle andere feesten is ook het Michaëlsfeest een Christusfeest. Want Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij moe­ten proberen waar te zijn tegenover anderen maar ook tegenover ons zelf. Dat is een le­vensweg voor ieder persoonlijk, die ieder gaat op zijn eigen, nieuwe wijze en die toch alle mensen verbindt in één groot streven. Het lichaam beweegt zich langs een weg in de ruimte. De ziel leeft en baant zich een weg in de tijd. De geest van de mens gaat met Christus voort in zijn eigen tempo: de snelheid der eeuwigheid. Dat steeds meer te gaan beseffen is het feestcadeau van Michaël.

(Henk Sweers, Jonas, nr.3, 28-09-1984)
 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

280-265

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (30)

.

MICHAËL

Als de zomer op z’n einde loopt en de planten zich terugtrekken op vruchten en zaden, dan worden wij mensen actief: kinderen gaan weer naar school. Het programma van de volksuniversiteit valt in de bus. Allerlei cursussen
be­ginnen en hebben aan belangstelling geen gebrek.
Als in de zomer de bijen af en aan vliegen in de hete zon, bak­ken wij bruin of zitten rustig in de schaduw. We nemen de zomer in ons op. In de herfst lijkt het of we de zomer mee naar binnen genomen hebben en haar energie omzetten in daden.
Niet alle mensen houden de zomer zo vast. Er zijn er ook die wat met de bladeren mee sterven. Ze worden triest als het weer buiten en werklust is hun vreemd. Maar ook mensen die de zomerkrachten wel in zich voelen, merken dat bij de verwezenlijking van hun initia­tieven ook hun beperkingen zich doen gelden. Beginnen is niet zo moeilijk, volhouden wel. Als iets dan even niet wil is de verleiding groot je aan te sluiten bij het moedeloze weer buiten.

In deze tijd vieren we op de vrijescholen het feest van de aartsengel Michaël. Michaël verslaat de draak, zo staat in Openbaringen. De attributen van Michaël zijn het zwaard en de weegschaal. Ogenschijnlijk twee tegengestelde werktuigen. Een zwaard hanteer je anders dan een weegschaal.
Het zwaard als een wapen tegen bedreigingen die van buiten komen. Het vereist een slagvaardige hand. Een weegschaal moet in rust gehanteerd worden. Het zwaard staat voor strijd. De weegschaal staat voor evenwichtig­heid. Pas als de schalen in evenwicht zijn, vervalt de weegschaal zijn functie.

Als we nu eens het zwaard hanteren om onszelf te overwinnen, bereiken we dan geen prachtig evenwicht? Let wel dat is een zware strijd. We zijn helemaal vrij om hem niet aan te gaan. Het Michaëlsfeest is het feest van de moed. Moed hebben we nodig om de zomer in ons vast te houden. Moed om tegen de draken van onze innerlijke belemmeringen te vechten. Michaël werkt mee als we die strijd aangaan.

Jaarfeesten hebben oeroude wortels, zo ook het Michaëlsfeest op 29
september. Sommige van die wortels komen nog aan het daglicht. Het was vroeger een oogstfeest. Kermis is ook afkom­stig van oogstfeesten. Op kermisdag in Aalst werd een stropop, die Machielken heette op een baar gelegd en op de markt begraven. Machielken is een volksnaam voor St.-Michaël. Het gebruik voert terug op oude in­wijdingsriten bij de Germanen. Inwijding in het mysterie van Wodan, die zowel de god van de dood als de vruchtbaarheid was. De Germanen ge­loofden dat de vruchtbaarheid uit de dood voortkwam.

Michaël betekent: Wie is als God? De naam als een vraag. Het boek Genesis verhaalt dat God de mens schiep naar zijn beeld. Christus zei tegen zijn discipelen: “Gij zijt Goden”.

Er zijn echter draken die ons dwars zitten.

Laten we ze moedig bestrijden.

.

(Ad Tiemens, Tobiasschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

278-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (28)

.

WAT IS EEN MICHAËLSFEEST?

Is dat een vreemde vraag? Neen, zeker niet. Sommigen blijven het antwoord schuldig, anderen weten het heel zeker. Toch kan men zich afvragen of de vraag goed gesteld is. Een Michaëlsfeest ‘is’ niet, hoogstens ‘wordt’ het. Ieder jaar is het anders, wordt het anders. Het Michaëlsfeest kan men in Nederland ongebruikelijk noemen. Een feest van de toekomst is het wel, het heeft nog alle mogelijkheden. Ieder jaar moet men zich inspannen om er vorm aan te geven.

Het jaarverloop speelt zich af in drie grote feesten. Stelt men het jaar als een kring voor, dan liggen het Sint-Jansvuur en de Kerstster recht tegenover elkaar, is Sint-Jan boven-midden, dan is Kerstmis onder-midden. Er is een tweede hoofdlijn, die staat dan niet vertikaal maar horizontaal. Rechts ligt Pasen in het midden van de boog. Daar tegenover ligt de herfsttijd. En daar behoort het vierde feest, het herfstfeest. Dat is tevens het Michaëlsfeest.

Waarom is Michaël in de herfst van de jaarkring? Sint-Michaël? Nu, eigenlijk is Michaël helemaal geen gewone heilige. Hij is een aartsengel. Een boeren-aartsengel, want hij bevordert de goede oogst en hij is verbonden met het werk dat tot een oogst leidt. Op allerlei gebied. Bij voorbeeld op het gebied van de moraliteit. Michaël wordt vaak met een weegschaal voorgesteld, waarin de mensenzielen worden gewogen. En tegen de tijd, dat men alle gestorvenen op Allerzielen gedenken gaat, is ook het beeld van de aartsengel met de weegschaal present. Zo blijkt dit alles uit de rijke Middeleeuwse traditie. In Zuid-Europa komt Michaël als het ware uit de lucht vallen. Legenden spreken over zijn verschijnen op de Monte Gargano aan de Adriatische zee.
Plotseling komt er een sprong van de Michaëlverering naar Normandië, waar een onbekend rotseiland in weinige jaren tot een befaamd centrum van zo’n verering wordt. De Mont Saint-Michel is nog steeds een grote bezienswaardigheid en zo een trekpleister voor toeristen, helaas ook wel een beetje vercommercialiseerd en verloederd. Minder bekend is de Michaëlsberg aan de overkant van het Kanaal in Engeland, waar men zo waar een “Michelmas”feest kent en wel op 29 september, de aan Michaël ook in West-Europa gewijde dag. De Michaëlsdag valt in de tijd waarin dag- en-nacht­evening juist heeft plaatsgevonden, een weegschaalevenement. Overigens is de Mont Saint-Michel met zijn prachtige gotiek een indrukwekkend monument in de woeste ritmiek van eb en vloed aan de Normandische kust. Soms is het weegschaalmoment daar ook sterk beleefbaar. Men moet er wel rustig de tijd voor nemen. Bij bestudering van de wezenlijke trekken van Michaël blijkt uit vele legenden, dat deze aartsengel wiens naam “aangezicht van God” betekent,  ook een speciale opdracht in de wereld heeft met betrekking tot de bestrijding van het kwaad. Wel, het kwaad is overal, dat weten we, maar het is ook een zeer vaag en ab­stract begrip. Is het kwaad absoluut kwaad? Men is sterk geneigd om het “kwaad”- voor de een als een “goed” voor de ander voor te stellen. Daardoor kan het kwaad ook zo enorm gedijen in een onverschillige of sceptische omgeving.

In de Middeleeuwse legenden bestrijdt Michaël met een lichtend zwaard de boze krachten van duisternis, valsheid, oneerlijkheid en geweld. De strijd wordt geleverd tegen een wezen, dat wel het Boze in absolute zin representeert: een monsterlijke Draak of een Duvel.
Die Duvel kan twee aspecten vertonen, de verleidende, hoog­moedige kracht van de Duvel uit het Paradijsverhaal of het ijs­koude, leugenachtige van de Vorst der Duisternis uit de Perzische mythologie.

Michaël is echter veel ouder dan de Middeleeuwen. De bekende plaats in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, is opgeschreven door een man die de Christus nog in zijn jeugd had gekend. En duikt men verder in de Oudheid dan blijkt, dat het thema van het Boze overal in de grote cul­turen van de mensheid te vinden is. Alleen draagt de grote bestrijder van het Boze niet altijd de naam Michaël, die typisch voor het Hebreeuws-Joods-Christelijk taalgebied is. Men komt in de oude Hindoe-overleveringen een machtige Indra tegen, die gezeten op zijn Wolkenolifant de vurige Wadjra (een soort bliksemknots) naar de vreselijke Draak van van de Droogte slingert en zo de mensheid redt.
In de Perzische cultuur is Angramanyoes, de “Erge Boze” die geheel de schepping van de Lichtgoden trachtte te bederven door de aarde woest, de planten giftig, de dieren woest en giftig te maken en de mensenziel te verpesten met bedrog, heerszucht en gewelddadigheid. De schone en heilige Mithra neemt de strijd ter hand.
Overigens riep ook de Lichtgod Ahoera Mazdao de mens door middel van zijn profeet Zarathustra op om medestrijder tegen het Boze te worden, de aarde te beploegen, wilde dieren te temmen, planten te kweken en de ziel te zuiveren door korte, maar vaak herhaalde gebeden.
De keuze is groot! Van de boosaardige krachten die door een licht en de engelfiguur worden bestreden, is ook iets te vinden in Babylonië. Ja, daar is een mythologie van goddelijke en hiërar­chisch geordende wezens. Deze wezens staan voor de taak om een nieuwe wereld te scheppen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de monsterlijke kracht van Tiamât, een soort oermoeder der Duis­ternis, die oorspronkelijk een goede en heilzame moeder was, maar geleidelijk een monster werd, die iedere vernieuwer opat of vervolgde met een duistere stoet van demonen. Geen van de goden, ook niet de “beroemde Drie”, Anoe (hemel­vader), Enlil (de luchtgod) en Ea (watergod). Geen van de oudere goden kan Tiamât bestrijden. De slimme Ea echter tracteert de goden op een maaltijd met goede spijs en drank – met rietjes -. Hij schuift zijn zoon Mardoek naar voren, tussen de vrolijke en elkaar kussende goden. Mardoek durft wel. Hij wenst dan verder de leiding van de goden op zich te nemen. De goden stemmen toe. In het Babylonische scheppingsepos “Enoema Elish” wordt dit alles beschreven.

Mardoek, de Babylonische Michaël, trekt tegen Tiamât op met knots, bliksemschichten, pijl en boog en een “net” vol winden.

De woedende wind, die hem volgde,
liet hij los in haar gezicht,
toen Tiamât haar reuzenmuil
open deed om hem te verzwelgen!
Hij dreef de woedende wind naar binnen;
zij kon haar muil niet meer sluiten
en de woeste wind beukte haar buik.
Haar lijf werd verlamd en haar muil hing open.
Hij schoot een pijl, die haar openscheurde,
snijdend door het ingewand, splijtend haar hart.
Zo bedwong hij Tiamât, bluste uit haar leven.
Staande op haar lijf verpletterde hij de schedel.
Toen spleet hij haar als een oester in tweeën.
Eén helft maakte hij boven tot de Hemel,
en van de andere maakte hij de Aarde .. .”

De Babyloniërs zijn niet zachtzinnig in hun poëzie, maar het gebeuren is duidelijk “Michaëlisch”: een lichtende macht van boven doodt een duister geheel beneden en geeft de stoot tot verdere ontwikkeling.

Ingevoegd uit ander artikel van P.C.Veltman

Mardoek, de Babylonische Michaël, in de strijd met Tiamât) naar een Babylonisch reliëf)

uit het Enuma Elish (de schepping van de wereld)

Toen Tiamât haar muil opensperde
om de god te verzwelgen, dreef hij de woedende wind die hem volgde
en liet hem los midden in haar gezicht,
dreef de woeste wind naar binnen.
Zij kan haar muil niet meer sluiten!’…..

Michael bordtek 6Interessant is het gegeven, ook bekend uit andere mythologieën, dat het Boze oorspronkelijk iets goeds is, dat “zijn tijd gehad heeft” en dan later tot iets kwaads wordt.

Was Lucifer ook geen machtige engel voordat hij neerstortte?

Ook in de geschiedenis zijn gebeurtenissen bekend, die een sterk Michaëlisch karakter dragen. Het zijn gebeurtenissen die, verstandelijk bekeken, tot de onmogelijkheden behoor­den en dus “ongeschied” hadden moeten zijn. Eén zo’n ge­beurtenis – het is vandaag* 20 september en het is ruim 2466 jaren geleden – was de overwinning van een klein Grieks volk op een Perzisch miljoenenleger, dat Europa was binnen­gevallen. De slag ter zee bij Salamis dwong de machtige koning Xerxes tot de aftocht.

Er is een geval van een Frans boerenmeisje, dat een leger aanvoerde, een Engels leger uit Frankrijk verdreef en een kroonprins tot koning liet kronen. Dit geval is ruim vijf en een halve eeuw geleden. Er is er nog een, dicht bij huis, uit 1574 in Leiden. Wie de feiten rustig bestudeert, kan verbaasd zijn over een Michaëlisch gebeuren in eigen huis. Genoeg hierover.

Het spreekt vanzelf, dat de strijd tegen de draak voor de moderne mens een verinnerlijkt, dus ander karakter dient te dragen.

Daarover zou veel te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner, dat hij voor de moderne mens het wezenlijke van het Michaëlgebeuren weer toegankelijk heeft gemaakt. Het opnieuw vorm geven aan een Michaëlfeest zou een belangrijke nieuwe cultuurimpuls kunnen zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens ontbreken)

,

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

276-261

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (8)

.

LOSMAKINGSPROCES

‘Zal ik er maar twee kilo van maken?’, vraagt de groenteboer, peren afwegend, waar je drie pond van hebt gevraagd. Nou, dat hangt ervan af: voor hoeveel personen koop je, zijn ze erg duur, erg rijp – je kunt zelf nog allerlei factoren verzinnen die je ‘ja’ of ‘nee’ zullen bepalen. Geen mens zal slapeloze nachten hebben over de uiteindelijke beslissing: wordt deze ‘ja’ dan bestaat bijvoorbeeld de kans dat je een te rijpe peer moet weg gooien, je beurs gauwer leeg wordt dan je dacht, of dat je een peer moet delen met een ander als je besluit ‘nee’ wordt en alle denkbare varia­ties op dit geval.

We zijn als moeder toch steeds bezig met het afwegen van voor- en nadelen gedurende de opvoeding van onze kinderen. ‘Zou je je trui niet meenemen? Vanavond zal het koud worden’, vraag je aan je twaalfja­rige zoon of dochter die een hele dag gaat fietsen, “t Is om te stikken, je denkt toch niet dat ik dat ding de hele dag ga meesle­pen?’, zal het antwoord wel luiden. Blijkt je kind de volgende dag kou te hebben gevat, dan was je raad zinvol geweest; voelt het zich lekker fit dan onderschatte je zijn eigen warmte.

‘Kunnen we haar zo maar laten gaan? We kennen die jongen nauwelijks’, verzucht je tegen je man als je zeventienjarige dochter te kennen heeft gegeven een paar dagen met een vriend op stap te gaan.
‘Zou de baby het niet te warm of te koud hebben’, vraagt de bezorgde grootmoeder zich af, die een kleinkind te logeren heeft.
Wat wegen we allemaal af en hoelang moeten en willen we ons eigen oordeel als doorslag­gevend zien? Hoe zijn we in die weegschaal-rol gegroeid?

Het wegen begint al bij de zwangerschap: de aanstaande moeder wordt op haar gewicht gecontroleerd: bij te veel of te weinig zwaar­te moet haar dieet tijdelijk gewijzigd worden. Na de geboorte van het kind wordt het ge­wicht dadelijk genoteerd en de uitslag bepaalt meteen het voorlopige leefpatroon van
moe­der en kind. De schrale vijfponder zal zeven voedingen nodig hebben, ja, ook maar ’s nachts een voeding; terwijl de zeven-en-een-half-ponder best aan z’n trekken komt met zes voedingen. Wat kun je je als moeder ver­slagen voelen als de wekelijkse weegceremo­nie aangeeft: een paar gram afgevallen of je uiterst voldaan voelen als een half pond zwaarte aan ’t gewicht blijkt toegevoegd te zijn! Lengtegroei speelt bij mijn weten geen rol. Die periode van wegen gaat al snel voorbij – heel andere kwaliteiten moeten af­gewogen worden.

Door de loop van de jaren heen – van liever­lee – moet je het gewicht van je eigen beslis­singen in de gaten houden, namelijk het over­wicht van jezelf bij zoveel kleine beslissingen tegenover de gewichtige argumenten van je kind. Hoe ga je zelf om met al die soorten gewichten? Verbindt zich met dat woord ook het begrip ‘binding’ en ‘invloed’ ja zelfs ‘pressie’ en hoort er dan bij dat je moet leren die begrippen steeds wat losser, ruimer en lichter te maken en hoe voelt dat dan voor je zelf?

Misschien is de grootste uitdaging van het moeder-zijn wel de noodzaak om te leren de situatie steeds te her-waarderen. Wat eerst goed en nodig is voor een kind is later slecht en overbodig, ook omgekeerd. Nog een paar voorbeelden. Een kind van an­derhalf jaar wil zelf eten: ’t wordt natuurlijk een hele toestand. De maaltijd eindigt met een volgemorst kind, kinderstoel en vloer. Je zult tot een compromis moeten komen: ’t kind kan wel al zelf stukjes brood of vrucht eten – verder moet je ’t handje toch wat bijsturen. Wil een kind van drie jaar plotseling niet meer zelf eten dan grijp je misschien te gauw in en voert het. Kijk je niet uit, dan voer je zo’n kind nog op z’n vijfde jaar, als de bedtijd nadert en ’t bordje nog halfvol is. Je voelt je handen jeuken, als je peuter zich zelf tracht aan te kleden: hoeveel sneller en handiger kun je het zelf even aankleden. In hoeveel gevallen moet je jezelf niet toeroe­pen: geduld, handen thuis, afblijven, mond houden, wil je het zelfstandig worden van je kind de volle kans geven. In de lange periode van baby tot volwassene blijft de vraag gelden: helpende hand bieden of zelf laten tobben, maar ook van geven of nemen, winnen of onderspit delven. Dat een vierjarig kind onmogelijk alleen de rijweg kan oversteken, is voor iedereen dui­delijk. Maar alleen een hoge trap of ladder opklauteren? Daar sta je dan met kloppend moederhart, terwijl je oogappel halsbreken­de toeren uithaalt. Heb je genoeg vertrouwen in de klimkunst van je kind, sta je dicht ge­noeg in de buurt om hem bij misstap op te vangen? Kan je meegenieten van de overwinningsblik in z’n ogen als de expeditie is ge­slaagd of kun je het niet aanzien en begeleid je hem van sport naar sport? Een stukje ver­antwoordelijkheid overdragen – een beetje loslaten – dat is toch best moeilijk. Heel helder komt in mijn herinnering boven het eerste blokje-om lopen van het kind, helemaal alleen: denk er aan, op de stoep blijven hoor! ’t Lijkt een eeuwigheid voor je je kleuter weer ziet aan komen stappen. ‘Wat een agitatie om niets’, denk je later, over dit tafereel, als je je tienerkind vraagt of het heus z’n pas en het adres van de familie, die het in het buitenland gaat bezoeken, wel bij zich heeft.

Waar klamp je je als moeder aan vast als je je kind niet meer aan de hand, soms niet meer in de hand kunt houden?

Een sprong terug nu naar het eerste begin – het weten, dat je een kind verwacht. In mijn herinnering was dat een beseffen dat iets heel groots over je kwam, iets dat jouzelf van de kaart veegde. Dan, bij ’t zien van je pas geboren kind de vraag; wie ben je toch, hoe leer ik je kennen? Die indrukken verva­gen later – toch zou je ze steeds in je herinne­ring terug moeten roepen. Dat je de begeleid­ster mag en moet zijn, dat de band moeder­-kind geleidelijk aan anders moet worden, dat ‘wie ben je toch’ zichzelf kenbaar gaat ma­ken en dat je dat wezen moet respecteren in de verschillende vormen waarin het zich openbaart – dat is, in één zin geperst, wellicht de essentie van de moedertaak. Meende ik iets te vermoeden van een groot wezen dat naar mij toekwam, in de hier bo­ven beschreven situatie, kan ik dan ook zeg­gen: ik werd iets gewaar van het engelwezen van het kind; zijn beschermengel? Voor mij­zelf luidt het antwoord: ja. Kan ik mij dan tot dat engelwezen richten en het vragen, te waken over het lot van mijn kind, wélke leef­tijd het ook heeft, wáár op de wereld het ook mag zijn? Natuurlijk zijn daarmee niet alle twijfels, angsten, het verlangen naar be­richt verdwenen – maar soms lukt het om de telefoon te laten liggen en niet te informeren of hij, zij al aan is gekomen op de plaats van bestemming. ’t Is net als bij biljartspelen: je probeert de bal te raken via de band van de biljarttafel – naar gelang je dit spel beheerst, zal je contact lukken. De gedachtesprong naar het beeld van de aartsengel Michaël, die de draak overwint, of Michaël die de weegschaal draagt lijkt me nu niet meer zo groot. Op oude iconen valt op, dat Michaëls zwaard veelal lang, dun en heel spits toelopend wordt afgebeeld, het raakt het monster kennelijk op z’n zwakke plek. Geen bloederige taferelen krijgen we te zien met afgehouwen drakenlijfstukken. Geen woest rondmaaien met het zwaard, maar het feilloos richten van de zwaardpunt op de vitale plek van de vijand. Wordt hiermee aangeduid dat het gevecht Michaël-Draak zich in ons denken afspeelt, dat onze wakkerheid de plek herkent, waar de draak geraakt moet worden en dat ons ge­richte denken de overwinning in zich draagt? Michaël met de weegschaal, een andere ma­nier om uitdrukking te geven aan de grens tussen goed en kwaad. Deze beelden kunnen ons een hulp zijn bij het zoeken van een weg, die je als moeder met je kind schoorvoetend gaat.

(Wendela van Mansvelt, Jonas, 19-09-1980)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

254-239

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (3)

.

TUSSEN ZWAARD EN WEEGSCHAAL

Op een ochtend hing er mist tussen de bomen. Alle scherpe vormen waren verzacht. De lucht was zuiver en tinte­lend fris. Straks zou de zon komen en de mist verjagen. Hoog boven de bo­men zou de hemel zijn, blauw en hel­der, en later zouden er grote witte wolkenmassa’s langs drijven. Wattige luchtkastelen, steeds wisselend van vorm, voortdurend veranderend, ter­wijl ze statig voorbij zeilen.

Eind augustus, de tijd van de prachtige wolkenluchten en ook van het
plotse­ling opkomende onweer. Dan flitst de bliksem omlaag, een daverende klap, en de donder rommelt over de weilan­den.

Buiten in het veld, in het vlakke wijde land van Holland kan je die hemel­hoog opgestapelde wolkentorens op je af zien komen, donkergrijs of krijtwit van de hagel. Heel klein voel je je dan, een nietig mens tegenover dat enorme brok samengebalde kracht. Dan besef je pas in hoe hoge mate wij onze zekerheid ontlenen aan het feit, dat we stenen omhullingen hebben ge­bouwd met een dak erop. We schuilen weg in onze huizen, en voelen ons vei­lig voor de elementen. Maar zijn we werkelijk innerlijk bestand tegen zulke elementaire krachten? Kunnen we rustig blijven bij het felle licht van de bliksem, bij een knetterende donder­slag?

Vaak zijn de dreigende lucht en de on­heilspellende stilte van te voren
angst­aanjagender dan het onweer zelf. De eigenlijke bevrijding van al deze
ele­mentaire spanningen komt met de neerstromende regen. Iedereen ademt verlicht op en na een uur breekt de zon weer door. De wolken drijven ver­der, de lucht is hoog en blauw. Al gauw zie je tussen de struiken en plan­ten geheimzinnige dampsliertjes om­hoog kringelen: kleine vreugdevuren worden ontstoken, elven dansen in een ringelrei over het gras. En wij, wij doen de deuren van onze huizen open en laten de zon binnen!

Voorboden van de Michaëlstijd, weerspiegeld in de natuur, en ook tussen de mensen onderling.
Na zeven lange weken gaat de school weer be­ginnen. Niet alleen een leerschool voor de kinderen, maar ook voor de ouders, of ze nu willen of niet. Aan de ene kant vinden de kinderen het heerlijk weer hun klasgenootjes te zien; aan de andere kant worden ze in het begin doodmoe van die hernieuwde confrontatie met de klas. Er zijn nogal eens ruzies en vechtpartijen, vriend­schappen verschuiven, de kibbelarijen zijn niet van de lucht. Maar na enige weken wordt dat langzamerhand weer een geheel, een eenheid, een klas. Dan heeft ieder zich min of meer gevoegd. Iedereen is weer gewend aan elkaars hebbelijk- en vooral onhebbelijkheden. En de moeders? Zij moeten zich weer instellen op de ijzeren regelmaat van de klok. Bovendien zijn er altijd wel kinderen die de eerste weken over de schooldrempel geholpen moeten wor­den. En we zien weer zo haarscherp wat ons niet bevalt in de meesters en juffies. Zijn ze wel lief genoeg voor onze kinderen? En die andere ouders – alla, moedig de schouders er onder. We moeten toch weer een jaar met el­kaar optrekken. Laat ik maar even een praatje gaan maken. En bij nader in­zien valt het allemaal best mee. Het is even wennen, maar na enige tijd weet ik weer waarom ik juist die moeder zo waardeerde, en ik zie weer hoe gezel­lig juist die ene vader met zijn kind omspringt.
Woorden gaan over en weer, zoekend en tastend naar die ander. Wie ben jij? Wat zoek je, wat wil je? Hoe was je ook weer? Soms ontdekken we na de vakantieweken ineens bepaalde kwali­teiten in een ander, die je meende goed te kennen. Soms ook vervelende eigenschappen, die je tevoren niet had opgemerkt, en die je nu gaan hinderen. Hoe ga ik daarmee om? Blijkbaar vindt er toch een verschuiving plaats in de samenwerking tussen mensen, als het nieuwe schoolseizoen inzet. Dat gaat overigens niet altijd onge­merkt. Er worden soms harde noten gekraakt, we zeggen elkaar flink de waarheid, we vegen elkaar de mantel uit, en allerlei opgekropte emoties en spanningen botsen op elkaar. Zo moet het misschien ook gaan, overal waar mensen proberen samen te werken, en misschien juist in deze tijd, dat ieder­een weer bij elkaar komt, en alles weer begint en vorm krijgt.

Aan het eind van deze eerste moeilijke maand wordt op de Vrije Scholen het Michaëlsfeest gevierd. Met heilige ernst zingen de kinderen hun liederen ter ere van de strijdende aartsengel. Zij zien het spel van Sint-Joris, de rid­der met de rode mantel op zijn glan­zend witte paard. Met kracht stoot hij zijn lans in de muil van het ondier, dat zich kronkelt aan zijn voeten. Het beest ligt gekromd in een ontzaglijke schaduw, maar achter de gestalte van de ridder straalt een bovenaards licht. Het is vooral dat aspect van het zwaard, waar we veel over horen in de Michaëlstijd. Het is voor de kinderen ook zeer sprekend; de strijd tegen de draak. Het wordt gespeeld en gete­kend en geschilderd. En de moed van dat zwaard te hanteren zullen we ook nodig hebben in allerlei situaties. Maar mij ligt toch meer dat andere werktuig waarmee de aartsengel Michaël vaak staat afgebeeld: de weegschaal. Het af­wegen van de verschillende dingen die op je weg komen, het voortdurend zoeken van het juiste midden: het zijn toch handelingen die voor ons als moeder, als kleuterleidster, voor ieder die in een verzorgend beroep staat, herkenbaar zijn.

Het steeds weer moeten zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor allen, dat is: de schalen van de weeg­schaal in evenwicht houden. En die schalen zijn meestal van koper, het metaal dat van oudsher te maken heeft met de hartewarmte, met de liefde tot de medemens. Van koper worden je handen warm als je erover wrijft, en het glanst als goud als je het oppoetst.

Het ijzer heeft andere kwaliteiten. Het heeft meer met kracht te maken. De ridder op zijn paard baant zich een weg door de wereld met zijn ijzeren zwaard. Hij verovert zich daarmee een ruimte waarin hij zich bewegen kan. Ik meen, dat je als moeder en als ieder die op een plaats staat die lijkt op die van de moeder, ook voortdurend bezig bent ruimte te scheppen, maar dan op een manier, die in de eerste plaats op anderen is gericht. Je schept ruimte, zodat anderen kunnen gedijen. Dat hoort vanzelf bij de beweging van de weegschaal: hier een beetje bij, daar een beetje af. Iedereen komt aan de beurt, niemand hoeft zich te kort ge­daan te voelen. Zo blijkt het moeder­zijn een Michaëlische taak bij uitstek te zijn!

De dag is voorbij – lange schaduwen vallen over het gras. De hoge zonnebloemplant vangt met zijn dikke knop de laatste stralen van de ondergaande zon. Een warm oranje licht schijnt tus­sen de bomen door. Daarboven merk­waardig klaar en helder de bijna door­schijnend blauwe lucht. De schemer zet in, dat geheimzinnige halfduister waarin zoveel gebeuren kan. Het roezige van de dag ebt weg. Het is een uur van bezinning en over­peinzing. Wat is de oogst van deze dag? Pijnlijk scherp komen altijd het eerst de dingen naar voren, die niet zijn ge­lukt. We moeten toch meestal een in­nerlijke verlegenheid overwinnen om ook te kijken naar de dingen die goed waren, waar je vrede mee hebt. Ook dat hoort bij het Michaëlsfeest. Daar put je moed uit om te blijven staan op de plaats die je toegemeten is.

(Marieke Anschütz Jonas nr.2, 22-09-1978)

517px-Van_der_weyden_michael

Rogier v.d. Weyden: Michaël

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

249-234

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (1)

.

ZWAARD EN WEEGSCHAAL
.

Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd

Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperking­en en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar even­wicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.

De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daar­in de seizoenen lente, zomer, herfst en win­ter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet ver­wonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggen­de tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten ge­ordend zijn.

Hoewel wij ons (zeker in de westerse bescha­ving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en her­nieuwd weer toegang toe te vinden. De fees­ten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – in­gegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de chris­telijke jaarfeesten niet slechts een ‘verleng­de’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreug­devoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oe­fenend in en mee leven, zoals dit bijvoor­beeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.

Evenwicht in uitersten

Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare ge­deelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide in­nemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds ouds­her als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘sei­zoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de moge­lijkheden. We staan in het spanningsveld tus­sen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand ge­nomen te hebben – weer helderder en duide­lijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weer­standen, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand pro­beren in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijk­heden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attri­buut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uit­gebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.

Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvanke­lijk verwondering wekt omdat het tegelijker­tijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te ma­ken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strij­den.

Vechten op twee fronten

Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toene­mende geweld te verzetten of om er de waar­de van de vrede of van de geweldloosheid te­genover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbe­grijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de disci­pelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?

Wanneer ik geconfronteerd word met ander­mans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.

Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegen­gestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewon­nen geeft is de strijd ten einde, er wordt vre­de gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt ver­meden, zodat die situatie een ‘vredige’ ge­noemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de be­schreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredi­gend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoe­den of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ont­dekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fron­ten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, te­gen de neiging de ander te negeren en zo bui­ten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, het­geen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.

En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een ande­re mening of reageert hij anders in een be­paalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder ab­soluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan be­reid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.

De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapen­stilstand of schijnvrede te leiden. Het strijd­toneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruim­te is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.

Actief antwoorden
De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij de­ze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruim­te en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei bo­ven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kun­nen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spre­ken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uit­spraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoog­moed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze godde­lijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.

De genius, de engel van de herfsttijd, herin­nert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwe­zens is hij de enige wiens naam een vraag in­houdt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergele­ken te worden!

Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwich­tig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is ge­worden, daarmede de mogelijkheid schep­pend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwach­ting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voor­bereidend karakter voor de advent- en kerst­tijd: de geboorte van God in de mens.

Michaël 1

Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.

(Maarten Udo de Haes in  Jonas, nr.2, 16-09-*1983)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

247-233

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.