Niet dat er daarna nooit meer over planten en dieren wordt gesproken. In tegendeel. De leerkracht zal in de natuur veel kunnen vinden ‘wat groeit en ons altijd weer boeit’.
Hoe kun je als leerkracht nu net die weetjes weten die je niet zo afstandelijk bij Wikipedia vindt, maar die in een bepaalde sfeer van betrokkenheid zijn verteld.
Vaak kom je dan uit bij o.a. columnisten in een krant of tijdschrift die kort en bondig en net minder afstandelijk vertellen over een verschijnsel in de natuur.
Een tijdlang verzamelde ik zijn artikelen die in het AD verschenen:
Op de vrijeschool krijgen de kinderen in de 4e klas een bijzondere vorm vandierkunde en in de vijfde vanplantkunde.
In deeerste klassenis het vertellen over planten en dieren anders van aard.
.
Het is maar vurenhout en toch zo mooi
DE ROOSJES VAN DE SPAR
Misschien hebt u wel net zo’n diepe minachting voor vurenhout als de degelijke vaderlandse meubelmaker die we eens in een Frans bergbos ontmoetten. Vol ontzag stond hij voor een imposante groep sparren van ruim 35 meter hoogte en met een respectabele stamomvang. Maar zijn bewondering verkeerde op slag in een soort welwillend beschouwen van iets minderwaardigs nadat ik had gezegd dat dit nu de bomen van het vurenhout waren. En het kwam niet over zijn lippen, maar zijn hele gezicht drukte het uit: vurenhout bah!
Wanneer u er precies zo over wilt denken, mij best. Dan stel ik alleen voor dat u uw minachting even naar de achtergrond schuift en dat we niet zozeer naar een stuk aanstaand vurenhout als wel naar een springlevende boom gaan kijken, naar een ook in veel Nederlandse bossen doodgewone spar, een meer of minder ver opgegroeide kerstboom.
Noorderling
Misschien goed om er even bij te vertellen dat hij van nature eigenlijk niet bij ons thuishoort. Hij is een boom van Scandinavië, van Noord-Europa en Noord-Azië, en hij beslaat ook een groot gebied boven de loofhoutgrens in de Midden-Europese gebergten. Het lijkt wel of hij iets heeft tegen het wat zachtere klimaattype van West- en Zuidwest-Europa; maar niettemin laat hij zich in onze cultuurbossen, parken en tuinen toch redelijk goed kweken (al brengt hij het hier zelden tot woudreus.
Waar alom het jonge groen naar buiten puilt, blijven de sparren niet achter. Ze zijn alleen wat minder opvallend in hun voorjaarsuitingen doordat ze toch al zomer én winter groen zijn. Kijk echter eens goed naar wat er in deze dagen (voorjaar) met hun knoppen gebeurt. Ze bestaan uit een aantal als kleine dakpannen over elkaar liggende schubben en de onderste ervan beginnen zich nu naar buiten te buigen. Maar hét letterlijke openbarsten wat je van zoveel andere knoppen ziet, dat blijft hier achterwege.
Anders
Er gebeurt iets heel anders. Een dichte bos sappig lichtgroene naalden, gegroepeerd rondom een nog onzichtbare jonge loot, schuift naar buiten. En op zijn top neemt hij het hele „roosje” van de wasachtig okerbruine schubben mee. Waarna het maar van de rust, ofwel de windstilte in het bos afhangt hoe lang dit kleine sieraad nog zal blijven zitten voordat het in zijn geheel afvalt.
Ja, en dan kan zo’n sparrenloot weer een jaar of wat voort met zijn groen. Hoevéél jaren? Dat valt van tevoren nooit precies te zeggen; zeker drie à vier, maar het komt ook voor dat sparrennaalden negen jaar oud worden, ~ dat hangt van allerlei omstandigheden af.
Twee rijen
En let eens op in de komende maanden: ze blijven niet zo netjes naar alle kanten van hun jonge takjes uitstralen, doch buigen zich geleidelijk naar links en naar rechts. Uiteindelijk blijkt dan dat ze min of meer in twee rijen staan. Dat zal wel zijn om een zo gunstig mogelijke belichting te krijgen in het van nature niet zo lichte bos.
Wanneer u er toch bent, let dan ook even op de stand van de knoppen aan de hele boom.
Aan de recht omhoog groeiende top staan ze keurig in kransen en de jonge takken groeien dus naar alle kanten. Maar op de takken zelf staan de knoppen voornamelijk links en rechts; beter voor de belichting van de jonge loten aan dat simpele vurenhout.
Het staat weer te gebeuren en terwijl u dit leest is het grote feest mogelijk al begonnen; bet feest van de bloeiende vlieren. Letterlijk overal in den lande. In woestijnachtig droge duinen net zo goed als in bet sappigste polderland — en waar die vlieren ook staan (behalve in de zeewind die ieder jaar hun toppen weer dood waait), het worden in de loop der jaren altijd reuzen die in de voorzomer honderden platte schermen van geelachtig witte bloempjes dragen. En die dan „een uur in de wind” ruiken, maar met al hun geurigheid toch erg weinig insecten lokken.
Kortom: opvallende verschijningen, die vlieren! En het is nog niet zo lang geleden dat zelfs stadskinderen wisten hoe je uit de tweejarige loten van zo’n struik leuke fluitjes kon maken door er het merg uit te kloppen of te peuteren. Of ook diezelfde vlierloten, in mootjes gesneden, te gebruiken als pen op de rieten pijlen van je pijl-en-boog. Ik vrees dat tegenwoordig veel te weinig vaders (en grootvaders!) de lieve jeugd attent maken op dergelijke mogelijkheden en dat dit de waardering voor de vlier niet ten goede komt.
Heilige struik
De „heidense” stammen die lang geleden onze streken bewoonden, hebben de vlier wel degelijk op zijn verdiensten bekeken, natuurmensen als ze waren. Ze hebben natuurlijk opgemerkt hoe de jonge bladspruitjes gewoonlijk al in februari verschijnen, ze hebben misschien iets gevoeld aangaande de levenskracht in het sappige jonge blad en de vervaarlijk snel groeiende nieuwe loten met hun eigenaardige, weke merg. Of ze hebben geneeskracht vermoed in de sterk geurende bloesem en de bijna zwarte bessen in de herfst. Wie zal het zeggen.
Maar hoe dan ook, de vlier is destijds tot een heilige struik verklaard. Zij zou de woonplaats zijn van Vrouw Holle, de Witte Vrouw, die haar bescherming en bovennatuurlijke krachten verleende. En aangezien de vlieren hun activiteiten al in februari beginnen te ontplooien, werd er oudtijds aan het begin van die maand een groot feest gevierd ter ere van de Witte Vrouw Holle — een feest dat nog voortbestaat als Maria Lichtmis (2 februari). Zo is er bij de kerstening wel vaker met groot psychologisch inzicht aansluiting gemaakt op bestaande en diep gewortelde gebruiken.
Tegen reuma
Niet alleen van dat oude feest zijn echter nog de sporen terug te vinden, ook de naam van Vrouw Holle is verwerkt in tegenwoordige plaatselijke namen voor de vlier. Hier en daar in Zuid-Limburg wordt hij nog „holderteer” genoemd en dat is een verbastering van het oud-Duitse „Holluntar”. Daar is Holle al in te herkennen; en „tar” is niet anders dan een overoud Germaans woord voor boom, sterk veranderd terug te vinden in het Engelse tree.
Dat bepaalde delen van de vlier lang als geneeskrachtig te boek hebben gestaan (en nog wel staan), ligt wel voor de hand. Het verse jonge blad en vooral de fijngewreven schors van de jonge loten zijn eeuwenlang befaamd geweest als middelen tegen reumatiek. |
En vlierbloesemthee zal ook vandaag de dag nog wel als huismiddeltje tegen verkoudheid en griep worden gebruikt. Drogisten verkopen de gedroogde bloesem tenminste nog. Ja, en waarom ook eigenlijk niet? De werking van de thee is flink zweetdrijvend en dat is toch waarom het gaat volgens de gangbare mening!
Geen honing
Ondanks de sterke geur van de (levende) bloesem lokt hij weinig insecten, zoals gezegd. Dat zal wel komen door het ontbreken van honing. Maar insectenbezoek of niet, de zomerse bloemtrosssen worden altijd bessentrossen tegen de herfst.
De pal naast elkaar zittende bloempjes zullen elkaar wel bestuiven met hun ver naar buiten gebogen meeldraden. Wel en als het op deze manier „goedkoop” zonder honing kan, waarom dan de overbodige productie van dit kostbare goed, ben je als mens geneigd te zeggen.
Wat zou het eigenlijk kunnen zijn dat ons bepaalde schepselen in de levende natuur een extra warm hart doet toedragen? Ik weet het nog altijd niet, maar het is me in de loop van de tijd wél duidelijk geworden dat bijna geen natuurliefhebber eraan is ontkomen. Of het nu gaat om wilde vaderlandse orchideetjes, om gezellig ’pratend’ overvliegende ganzen of doodgewone kruisspinnen of wat ook, je komt mensen tegen die er hun hart aan hebben verpand. Voor mezelf zou ik zover niet willen gaan, want er zijn te veel dieren en planten die een grote plaats in mijn hart hebben — maar toch, zo’n doodgewone, ordinaire vlier, ergens moeizaam voor zijn bestaan vechtend in het duin of overdadig van weelde bij een Zuid-Hollandse boenstoep, die is het voor mij wel heel erg. En ik hoop dat u dit een beetje met me kunt meevoelen.
VLIER HEEFT NATUURGETROUWE OORTJES
Het begint al met de bij winterkou verschijnende paarsbruine spruiten, dan in mei de glorieuze bloesem (maar die vind ik niet lekker ruiken en ik hou niet van vlierbloesemthee), vervolgens in de nazomer de glimmend zwarte bessen (voor de vogels, niet voor mij). Tenslotte, laat in de herfst de wonderlijke groeisels aan stammen en takken: de judasoren.
Deze eigenaardige namaakoren, van buiten fluwelig donkerbruin en aan de binnenkant glad violet-grauw, precies aanvoelend als een echt (en altijd koud) oor met twee ten opzichte van elkaar beweegbare huidjes, deze soms prachtige oorimitaties hebben de vlier – en dan vooral die van het duin – alleen maar nodig om erop te groeien.
Paddenstoelen eten we al sedert jaar en dag, maar onze 16de eeuwse voorvaderen, waaronder een beroemd kruidkundige als Dodonaeus, hielden het op gom van de vlier zelf. Leest u maar na in Dodonaeus’ Cruydtboeck: „De Gomme die wt de struycken van Vlier somtijts vloeydt / is meestendeel. Auris Sambuci dat is Vlier oore geheeten: van ander Iudae auricula, dat is Judas oor.”
En daar hebben we dan weer het aloude en eigenlijk nog steeds bestaande verschijnsel van de onbegrepenheid die met een ongunstig klinkende naam wordt opgescheept.
Geswollen huyge
Overigens zou Dodonaeus geen goed kruidendokter zijn geweest als hij niet ook had vermeld tegen welke ongemakken zijn ’vlier-gom’ wel was te bezigen. ”De Gomme van Vlier / dat is Judasoor heeft oock een tsamen-treckende ende droochmakende cracht. Twater daer zij sommige uren in geweyckt is geweest / in den mont genomen / en daer mede gespoelt / verdrijft de beginnende ontstekingen ende verhittingen van den mont en amandelen: ende maect de geswollen huyge smal en cleyn”.
Verder zag deze medicus er blijkbaar niet veel in, want na te hebben vermeld dat judasoren tot harde korsten kunnen verdrogen, waarna ze door water (regen) .. weer in hun oorspronkelijke weke toestand terugkeren, zegt hij alleen maar „van smaeck zijnse heel laf / ende ghelijck een ghesoden vel oft leer”.
Dat is weinig aantrekkelijk zo op het eerste gezicht. Maar ik vraag me altijd af of deze smaakloosheid niet met geëigende middelen zou zijn op te peppen. Dit omdat een neef van onze judasoren, en dan een die er bedrieglijk veel op lijkt, in China nog altijd veel wordt gekweekt voor de consumptie. Op gekapte stammen van ik weet helaas niet welke boom. Maar wat ik wel weet, is dat ze in het vroegere Indië op de pasar te koop lagen als ‘koeping tikoes” ofwel muizenoren – niet zo verwonderlijk als u weet dat in Azië voedingsmiddelen van een gelatineuze consistentie bijzonder geliefd zijn.
Schilderachtig
Wat tenslotte de (wetenschappelijke) naam van de Judasoren betreft, die sloot tot voor kort keurig aan bij het Latijn van Dodonaeus: Himeola auricula-Judae. Hierin is himeola een verkleining van het Latijnse himea, dat is schenkkan(netje) en auricula de verkleining van auris – oor. Het geheel zat dus wel schilderachtig in elkaar – maar helaas, het is nu verouderd en volgens de in de biologie geldende wetten op de nomenclatuur moet het zijn Auricularia auricula, het op een oortje lijkende oortje. Oorvervelend als u het mij vraagt
Een najaarsstorm, een paar stevige rukwinden en de laatste dorre bladeren warrelen van de bomen als een opgejaagde bende spreeuwen uit de kersenboomgaard. Alles wat tot de bladverliezende bomen en struiken behoort, is binnen een week of wat kaal.
Eiken schijnen het het langst vol te houden. Bi.i ons in de tuin staat er zo eentje. Zolang als ik hem ken, houdt ie de hele winter een gedeelte van zijn blad vast. Na een fikse februa-risstorm in de vorige winter had ie nog steeds één blad en dat hield de weerbarstige nog vast toen de knoppen al aan het uitlopen waren.
En ik in mijn onschuld maar menen dat het een wintereik was. De naam zegt het immers al: wintereik, ook in de winter rijk. Maar vandaag heb ik hem met het bomenboekje in de hand eens goed bekeken. Laat het nou een zomereik zijn. Voor de zifters: een zomereik hééft extra korte bladsteeltjes, de bladen zijn boven het midden op hun breedst en hebben links en rechts vijf onregelmatig gevormde bladlobben. Het kunnen er ook vier zijn, want geen blad is helemaal precies gelijk.
Bomenboekje
Rare boom, zo’n zomereik. Kan wel duizend jaar oud worden, zegt men. Toen de Spaanse Armada zo jammerlijk op de Ierse oceaankust te pletter liep, was het met Spanje als zeevarende natie gedaan.
Smeekschriften
Was dat niet het jaar 1588? Die hele vloot was van eikenhout gebouwd en in het moederland was geen eikenboom meer te vinden.
Opdracht van de ’onoverwinnelijken’ was trouwens Engeland als zeevarende natie uit te schakelen door alle eikenbossen te verbranden. Dat is niet gebeurd, maar bepaald roerend zijn de smeekschriften van de beroemde admiraal Nelson aan zijn koning om vooral maar eikenbossen aan te planten.
Nelson wist het al. Eiken zijn trage groeiers. Die in mijn tuin heeft ondanks zijn tien jaren nog te weinig hout geproduceerd om er een roeispaan van te bouwen.
Morsdood
Na de droogte van afgelopen zomer, heeft ie trouwens nog voor een verrassing gezorgd door het aanmaken van nieuw blad. Dat late blad ziet er nu nog tamelijk fris uit, maar het voorjaarsblad is morsdood: helemaal bruin en uitgedroogd zit het aan de twijgen. Door sommige bladeren kun je de hemel zien. Het bladgroen is verdwenen, aldus een charmant skeletje achterlatend. Toch kost het nog een flinke ruk zo’n blad te verwijderen. Als ik verder inzoom op het eikje zie ik dat heel wat van die met was bedekte gladde twijgjes met ‘armbandjes’ zijn versierd. Het zijn de eieren van de ringelrupsvlinder.
In gave spiraaltjes zijn ze op de takjes afgezet. Per spiraal zo’n tweehonderd en meer eieren, vastgekleefd met een teerachtige stof die wel model gestaan lijkt te hebben voor twee-componentenlijm. Zo vast zitten die pieren.
Ik vind het maar een erg goede manier van de ringelrupsvlinders – onopvallende kleine nachtvlinders, verre familie van de zijderups – om te zorgen dat hun soort de winter doorkomt. Eitjes leggen, sterven en als de dagen lengen verschijnen de weesjes, onbezorde harige vreters die zich aan het eind van de zomer gezellig in groepsverband inspinnen. Dan krijg je die bekende rupsennesten, die je overigens niet alleen op eiken vindt, maar ook op meidoorns, appels en andere struiken en bomen.
Wie ze vindt, moet die eitjes eens met een goede loep bekijken. Elk eitje apart is een zeer gaaf kunstwerkje.
Deze tijd van het jaar (winter) is zeer geschikt om eens beter te kijken naar de naaldbomen. Zo rond deze tijd heeft bijna iedereen wel wat takken in huis van de den of de spar. De naaldbomen behoren tot de oudste boomsoorten. Men heeft al in het carboongesteente afdrukken gevonden. Hun ouderdom lijken ze wel in zich te dragen, want als je een dennenbos ingaat, proef je iets van een oeroude sfeer. Er heerst ook altijd een ingetogen stilte, waarbij je het gevoel krijgt, dat je die niet verstoren mag. Ook een zekere duisternis en plechtigheid vind je er, waardoor zo’n bos een heel eigen karakter heeft. In een dennenbos komen haast geen andere planten voor. De vogels zoeken juist loofbos op om te nestelen, in de naaldbossen kunnen ze niet genoeg schuilplaatsen vinden. Naaldbomen worden alleen niet in de poolgebieden en in de woestijnen gevonden. Kou kunnen ze echter wel veel beter verdragen dan de loofbomen. Als we langer naar de naaldbomen kijken, kunnen we ons voorstellen dat juist een plaats hoog in de bergen en vlak onder de hemel uitgesproken past bij deze soort bomen. De stam groeit vanuit de aarde recht naar boven, terwijl de takken in kransen naar beneden neigen. Als we op een kleine boom neerkijken, zien we een cirkelvorm, omdat alle buitenste takken ongeveer even lang zijn. Van boven af lijkt één krans van takken haast wel een ster.
De naalden rond de takjes lijken ook vaak op sterretjes. Zelfs in de omgeving van de naaldbomen vinden we vaak sterretjes terug, namelijk in de sneeuwkristallen. Zou deze geaardheid naar de hemel en de sterren, misschien de ingetogen en rustige stemming teweeg brengen? De zon met haar uitbundige lichtstralen, waardoor bloemen en kleuren ontstaan, heeft niet zoveel invloed op deze bomen. Het zijn meer de saturnuskrachten die werken in de naaldbomen. De naalden zijn een duidelijke uiting van het naar binnen gekeerde, dat we veelal vinden bij planten, die onder invloed staan van saturnus.
De naalden hebben hun bladmoes opgerold en samengetrokken. Alleen de hoofdnerf is nog over. Doordat de zonnekrachten niet zo’n invloed hebben, vallen de naalden ook niet ieder jaar af (behalve bij de larix), maar kunnen ze ongeveer 3 jaar oud worden. Het lijken haast wel stengeltjes geworden te zijn. Ook de bloeiwijze verschilt sterk van de andere bomen. Een boom krijgt mannelijke- en vrouwelijke kegels. Deze zijn nog erg klein en hebben dan nog een roodachtige kleur. Het stuifmeel wordt opgevangen en de schubjes sluiten zich. De kegel groeit en verandert van kleur en wordt groen. Pas in april van het volgende jaar wordt de kegel bevrucht. Het stuifmeel is al die tijd in een bepaalde vorm aanwezig geweest. In het derde jaar zijn de zaadjes rijp. Het kegeltje is dikker geworden, wat ingedroogd en verhout. Bij droog en zonnig weer in het voorjaar kun je de schubben horen openknappen! Het zaadje komt naar buiten en wordt door vleugeltjes gedragen. Bij deze bloeiwijze zien we eigenlijk kleur noch geur optreden. Ook dat lijkt bij de naaldbomen naar binnen gekeerd te zijn, want geur kennen ze in elk geval wel. De etherische oliën (die geurstoffen bevatten) vinden we hier terug als verborgen lichtkracht in het hars en in de olie, die in kleine kliertjes in de naalden zit. Harsen zijn kleverige stoffen, die niet oplossen in water (wel in alcohol) en die verharden, als ze in contact komen met de lucht. We kennen nu nog veel van die verharde harsen, als barnsteen (amber) van hele oude tijden. Een harssoort waarbij de geur een sterke rol speelt is die van wierook (geen naaldhout). Van harsen kan met behulp van etherische olie ook balsem gemaakt worden, iets wat de Egyptenaren al kenden en gebruikten.
Waarom nu juist een naaldboom als kerstboom gekozen is, is niet duidelijk te zeggen. Toch moet het wel mogelijk zijn om iets van de symbolen terug te vinden. Een naaldboom lijkt, omdat ze het hele jaar door groen is, niet door een ‘doods’ proces te gaan, zoals de andere bomen. Het altijd groene geeft het idee van levensboom.
Het idee van de kerstboom is ook nog niet zo oud. Pas sinds ongeveer 1850 kwamen de eerste kerstbomen naar Nederland. Volgens verhalen is de kerstboom in de Elzas voor het eerst als symbool gebruikt. Er bestaan veel legenden over, maar een van de meest voorkomende is dacht ik toch wel die van de houthakker, monnik of eenzame man, die op Kerstavond in het donkere bos loopt en waar de sneeuw op hem dwarrelt. Mistroostig loopt hij in de eenzaamheid rond, tot hij bij een boompje komt waar licht vandaan komt. Hij loopt er heen en het lijkt of het boompje zelf straalt. In een andere versie ontmoet hij een engel en, omdat het dennenboompje er het dichtste bijstaat, besluit hij dat mee te nemen naar huis. Thuis zet hij het neer en tooit het met kaarsen.
Deze kaarsen in de kerstboom brengen de lichtglans en warmte, die anders bloemen aan een plant geven. Op deze manier kunnen we het vrij worden van de innerlijke lichtkracht beleven. Tegenwoordig kunnen we vaak kerstbomen kopen met wortels er nog aan. Het is de bedoeling, dat we die boom na kerstmis in de tuin planten, maar het lukt niet vaak de boom in leven te houden. Daar zijn verschillende oorzaken voor te vinden. De boom komt van buiten en gaat zo de warme kamer in, zonder overgang en als Kerstmis voorbij is, van de warme kamer naar buiten de kou in. Wij kunnen daar ook niet tegen en trekken een jas uit of aan. Zo’n boom heeft ook een geleidelijke overgang nodig. Zet hem daarom zeker 2 a 3 weken op een tussenplaats, bijvoorbeeld garage of bijkeuken en laat de temperatuur geleidelijk toe- of afnemen. Geef zo’n boom ook volop licht en besproei hem regelmatig. Dat de boom water nodig heeft is waarschijnlijk overbodig te vermelden.
Een andere reden kan zijn, dat de grond niet geschikt is. Naaldbomen hebben vaak geen haarwortels (heel fijne wortels, die vocht en voedsel opnemen), maar leven samen met schimmels. Deze schimmels zorgen voor voedsel van de naaldbomen, en de afgevallen naalden dienen weer als voedsel voor de schimmels. Omdat de naalden zolang niet afvallen, bestaat er grote kans, dat de schimmel sterft, waardoor de boom geen voedsel krijgt. Toch lukt het vele mensen wel hun boom een aantal tot vele jaren te houden. Gebruikt u bij het planten in ieder geval een zure grond (bosgrondmengsel). Verder kan niemand voorspellen of de boom blijft leven.
De kerstbomen die over het algemeen als dennenbomen verkocht worden, zijn feitelijk geen dennen-, maar sparrenbomen! Een den herkent men, doordat twee naalden uit één schubje komen (soms ook meer). Bij een spar is het er altijd maar één per schubje (solo-spar, duo-den, legio-larix).
Irene Bordewijk, Jonas 02-12-1977
N.B.
Wanneer u de stille ingetogenheid van een naaldbos wilt ervaren, dan zijn er een paar, die ik u wil aanraden. Het zijn aangeplante ‘pineta’ (park met uitsluitend naaldbomen). Pinetum ter Borgh (tussen Anloo en Eest, Drente) – altijd geopend. Pinetum De Horstlanden, Hengelosestraat, Enschede – werkdagen 9-17 uur. Pinetum Blijdenstein, Van der Lindenlaan 25, Hilversum – apr./okt 10-12/14-16 uur. Pinetum De DennenhorstJJoslaan, Lunteren -altijd geopend. Pinetum De Belten, Wildenborchseweg 15. Vorden – alleen na afspraak. Van Gimborn Pinetum, Babberichseweg 23, Zevenaar, Gld.
0-0-0
Ik had het geluk om tijdens het opleidingsjaar voor vrijeschoolleerkrachten in 1969-1970, les te krijgen van de bioloog en natuurkundige Frits Julius. In onderstaand artikel komt je iets tegemoet van de zijn waarnemingsgave, tevens van een trant van beeldend vertellen die voor ons leerkrachten zo belangrijk is. Niet dat wij ook zo lyrisch hoeven te spreken als we de kinderen iets willen leren over de verschillende planten en/of dieren, de manier waarop Julius dat hier doet, kan wel een inspiratie zijn.
.
De krokus
Vroeg in het jaar, wanneer de gure winden telkens nog de liefelijke lenteglimlach, waarmee de aarde de Hemel wil begroeten, verjagen, trachten zich reeds vele groene sprietjes uit het donker van de bodem vrij te maken en aarzelend het lichtrijk te zoeken. Soms boren ze zich zelfs een opening in het dood-witte kleed, dat als tere pluisjes uit de hemel neer kwam dalen en daaronder tot een dicht doek werd aaneengeweven.
Al heel vlug komen de sneeuwklokjes, maar ze worden spoedig door de krokusjes gevolgd.
Toen wij zelf als kinderen nog maar heel weinig ver boven het oppervlak der aarde uitstaken en de hele wereld, maar vooral ook de kleinste dingetjes, met de grootste innigheid en met een eeuwige vraag in de ogen bekeken, vonden wij, dat zij erg veel op elkaar leken, de blaadjes van de sneeuwklokjes en die van de krokusjes: ze deden immers precies hetzelfde. Maar toen werd ons gezegd, dat krokusblaadjes een mooie witte streep in het midden hebben en sneeuwklokjesbladen effen groen zijn.
Later, toen onze blik veel van zijn toverkracht verloor, toen de dingen en zelfs de planten nuchter werden en hun heerlijke hemelse gebabbel staakten, toen leerden wij nog wel andere verschillen kennen. De krokusblaadjes zijn wat hol gebogen en ze komen met een risje tegelijk uit de bodem. Zij trekken een ietwat slordige vliezige schede een eindje mee omhoog. De sneeuwklokjes hebben steeds maar twee blaadjes, hun schede is netjes van vorm en schuift niet zo ver mee naar boven. Wanneer de fijne witte bloempjes van de sneeuwklokjes tussen de blaadjes opgedoken zijn en reeds een tijdje hebben gebengeld in de wind, dan komen ook de krokusbloemen uit de grond. Zij gedragen zich of zij van hun voorgangers het bloeien leerden en of zij zelf bovendien nog heel wat nieuws hebben verzonnen, want alles gaat bij hen veel geweldiger. Tussen de groene staketsels van de bladeren rijzen ze nu op met paarse of witte kopjes. Rustig gaan ze voort, wat sneller, bij zoel weer, wat trager als het koud is. Keert de vorst nog eens terug, dan blijven ze zelfs geheel en al stil staan te wachten. Ten slotte staan ze daar als ovale kolfjes, door een kleurige steel omhoog gehouden.
Nu lijken ze wel doodongeduldig. Wanneer maar even het zonnegoud door het doffe nevelgordijn, dat de hemel omfloerst, heen komt sprankelen, kieren zij van boven wat open. En uit die opening straalt weer diep gouden gloed op, als van een andere zon, daarbinnen verborgen. Zodra het gordijn voor het hemelvenster weer dicht wordt getrokken, verdwijnt niet alleen het hemelgoud daarboven, maar ook het bloemgoud daar binnen wordt zorgvuldig afgesloten. Maar hoe zou nu die ruimte binnenin die bloem wel zijn? Gedempt licht, teer getint als in een tempel. Een wand zo zuiver als marmer en teerder dan het fijnste porselein. Soms is die wand diep paars, soms heel blank en vaak is hij blank en paars naast elkaar. Maar dan rijst de kleur ook in heerlijke aderen van onderen af tot langs het gewelf omhoog. En midden in deze ruimte staat een gouden zuil als een heerlijk altaar in het midden van een heiligdom.
Een mensenmaaksel, zelfs het mooiste, is dood en verstoken van iedere mogelijkheid tot sterven naar groei en omvorming. Hier daarentegen is alles vervuld van een drang naar buiten, alles wacht tot de wanden zullen wijken, want dan kan de zuil zijn gloed vrijuit ten hemel laten vlammen. Dan zal als bij voltrekking van een plechtige handeling, alle heerlijkheid van het hemelse lichtrijk in deze offerruimte neerdalen.
Eindelijk! Een dag waarop het hemelgordijn tot diep op de horizon wordt neergeschoven en een zoele wind de kilheid tot zelfs uit de donkerste hoekjes weet weg te vagen. Hoe innig is de jonge lentezon! Is het niet of zij met haar lichtgesprankel over de bodem rondwaart om te luisteren, wat de aarde haar met sprietjes en met bloempjes, met openspringende knopjes wil toe fluisteren?’
Dat is de dag van de krokussen! Nu staan zij daar en slaan de wanden van hun bloemgebouw ver uiteen. Hun innerlijkheid, eerst zo teer, vlamt nu op als in vurige geestdrift. En de gouden stijl, die bovenaan tot drie stempels uiteenzwiert, hij verheft zich tot zijn hoogste gloed en praalt nu temidden van de zonnezoelte.
O, dat veldje! De bodem is nog grijs en kaal, maar van afstand tot afstand laait ons zulk een bloem als een vlam tegemoet. Het lijkt wel een veelstemmig gejubel, dat uit de stilte zachtkens gaat opklinken. Nu schijnt zelfs de geringste terughouding zoek. Zou er ooit een overgave, ooit een zaligheid groter kunnen zijn dan deze?
En toch: deze planten vergooien zich nooit. Zij zijn niet lichtzinnig als zo vaak de onbezonnen jeugd. Zij lokken uit het licht alleen de donkere hommels naar zich toe, die zwaar zoemend van ernst hun harige lijven voortdragen. Zie hoe driftig ze duwen en dringen! Zie hoe ze met hun woeste kracht de teerheid der bloem dreigen geweld aan te doen! Eigenlijk zijn ze zo goedmoedig, maar ze moeten wel wat wroeten om tot de bloembodem neer te kunnen duiken en daaronder in drie donkere holen de nectar te zoeken.
Al lijkt het ook of de krokusbloemen heel hun innerlijk uitstorten in het licht, toch doen zij dit nooit zonder voorbehoud. Zelfs wanneer de zon hun volop tegemoet komt, houden zij hun nectar toch nog diep in hun schoot verborgen. Zo blijft dit kostbare vocht voor onwaardige indringers beter behoed, dan alle tempelschatten uit de oudheid ooit waren. En zodra de zon zich weer met sluiers omhult, of wanneer zij ’s avonds in de aarde neerdaalt schuiven zij hun wanden langzaam toe. Iedere nacht staan zij daar weer met hun heiligdom gesloten.
En dan lijkt het wel of zij even mat als voor de bloei zouden willen schijnen, maar de kleurengloed is niet meer te dempen en straalt nu zelfs door de dofheid der wanden heen.
Onder de bodem gaat het veel rustiger toe, maar toch gebeuren daar veel merkwaardige dingen. Daar wordt ieder jaar een vaste knol, met meel geladen, gevormd. In het voorjaar, bij het uitlopen, wordt deze opgeteerd tot er slechts een weke weerzinwekkende massa over is, maar na de bloei wordt bovenop de oude weer een nieuwe knol gesmeed. Deze stuurt aldra stevige wortels omlaag, die zich eerst in de bodem verankeren en die zich daarna samentrekken, tot de jonge knol op de plaats van de oude komt te liggen.
Al die heerlijkheid van de krokusbloem is mede een getuigenis van de verhevenheid van haar land van oorsprong, van de hoge alpenweiden. Daar lukt het de zon, ondanks de felheid van haar licht, pas laat in het jaar de grond van het sneeuwkleed te bevrijden. Heel langzaam wijkt dit terug rondom de eerste donkere plekken. Als een streling zijn deze voor het oog, dat gewond is door het schelle sneeuwlicht. Maar dan is het ook alsof er een hemels gejubel verrijst, eerst stil, maar geleidelijk steeds luider. Zo groot is de heerlijkheid van al die bloemen, die bijna onmiddellijk uit de bodem ontluiken, van al deze liefelijke sterrenvormen, van deze betoverende kleuren!
Lager tegen de hellingen en onderin het dal, waar de bodem meer kracht heeft, is het alsof in de vaste stammen van de bomen de aarde omhoog rijst om de hemel veel ruig woekerend leven tegemoet te dragen. Hierboven heerst het licht, en het plaatst met wonderbaarlijke edelsmeedskunst de bloemen gelijk fonkelende stenen in het doffe materiaal van de aarde.
Hoe zou de krokus anders kunnen doen, dan ieder voorjaar opnieuw haar verwantschap met deze toverwereld te tonen door haar bloemen op te laten vlammen in het licht van de hoogte? Hoe zou zij die voorjaarszon kunnen weerstaan? Elke dag verrijst zij wat hoger en opent zij haar bronnen van glans nog meer en steeds meer laat zij haar wezen in eindeloze stromen van licht naar buiten vloeien. Als een ontluikende bloem is zijzelf. En zij verlokt de krokus te doen als heel de aarde: de openbaring van haar glorie te beantwoorden met een echo van heerlijke schoonheid.
Maar nauwelijks is de bloei voorbij, nauwelijks is de vlam van de overgave uitgebrand, of de krokusplant wendt zich tot de diepte. Zoals eerst de bloem gelijk een kleine zon de grote zon tegemoet straalde, zo wordt nu in de aarde een ding als een kleine aarde gevormd. En zoals dit ding zich tegenover de grond om zich heen afrondt, zo is eens in een ver verleden de aarde in de kosmos vereenzaamd geraakt. Eerst leek de krokus wel uitbundig te zijn als een jongeling, die vervuld is van geestdrift en gloeiende idealen. Hij zou wel in één sprong het hoogste willen bereiken. Maar nu, nu zij haar knol vormt, lijkt zij wel bezonnen te zijn als een oudere mens, die in smarten geleerd heeft hoeveel geleden moet worden eer dat ook maar iets in het leven verwerkelijkt kan worden.
Te midden van de ijle schoonheid van de bovenwereld vlamde de krokus krachtig op, zonder zichzelf te verliezen; te midden van de duistere dichtheid van de bodem smeedt zij nu voor zichzelf sterke werktuigen, zonder zich voor altijd van de omgeving af te sluiten. Konden wij slechts iets van dit verheven evenwicht in ons zelf en in onze samenleving verwerkelijken! De krokus toont ons een beeld van het edelste en sterkste, waarnaar ieder, die waarlijk streeft, zou moeten reiken.
Maar niet alleen van de weg van de enkele mens spreekt de krokus, ook van de gang van de hele aarde. In het laaien van haar bloem draagt zij een voorspelling van de tijd, waarin al de aardse dingen tot een nieuw geeststadium zullen opvlammen. Of eigenlijk zou men niet van een voorspelling, maar van een voorspiegeling moeten spreken: wat eens in de verste verten der tijden moet geschieden, voltrekt de krokus reeds nu in beeld. En in de verdichting van haar knol bootst de krokusplant steeds weer de gang van het aarde-verleden na. Steeds opnieuw wordt uit de ijle bewegelijke substanties een hard rond ding verdicht. En wanneer dit ding een tijd gerust heeft en eenzaam is geweest, wordt een deel door de opbloei van al dat schoons, dat tot ons spreekt van de dingen van de toekomst, opgeteerd, terwijl een ontbindende rest terzijde wordt gestoten.
Zo worden in het voorjaar beelden voor ons geplaatst van heel de aarde-ontwikkeling en van de mens te midden van dit geheel. Deze beelden zijn zeer liefelijk, maar toch spreekt er een machtige maning uit tot de mens, die klopt aan de poort van de toekomst: ‘Alleen hij zal deze deur zien opengaan, die de hoogste geestdrift voor al wat worden wil, laat opvlammen uit de diepste trouw aan al het gewordene’.
Frits Julius in Jonas, 23-01-1971
0-0-0
EGEL
Egelstelling – Het zal wel een dikke dertig jaar [artikel is uit de jaren 1970] geleden zijn dat deze fraaie term de woordenschat van onze taal is komen verrijken. En hoe groter de fanfares waarmee het in de destijds schamele kranten verscheen, hoe hoopvoller je onder elkaar gniffelde, hoe sterker gespannen je door alle storingen heen luisterde naar het ietwat gammele en degelijk verstopte restant van je radio. Want je wist: hoe „sterker” de egelstelling, hoe groter de omsingelde Duitse troepenmacht. Dat gaf dan weer een beetje moed
Maar nu iets heel anders: Hoe kwamen die mensen op het woord? Het moet wel afkomstig zijn geweest van iemand die gewend was goed uit zijn ogen te kijken in de natuur, van iemand die wist hoe een opgerolde egel zijn stekels naar alle kanten kan uitzetten om aldus een soort onneembare veste te worden. In tijden van gevaar, maar ook in perioden van verhoogde kwetsbaarheid zoals de winterdag.
Scharrelen
Van de zomer nog hoorden we vriend (of vriendin, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien) egel nogal eens ’s avonds scharrelen. Bepaald luidruchtig was hij of zij dan bezig tussen dor blad en ruigte in de tuin, gewoonlijk in de zo diepe schemering dat ook „onze” ransuil het tijd vond om (geruisloos) op jacht te gaan, richting spreeuwenbosje.
Maar in het najaar kwam er verandering. Geen gestommel en gerommel meer tussen het blad. Maar toen de buurman op een avond thuiskwam, zag hij in vrijwel donker een egel slepen met een rietstengel. Voorzichtig heeft hij de sjouwerman of -vrouw gevolgd en hij zag hem of haar binnen gaan in het al lang leegstaande kippenhok. De volgende avond wij daar samen op wacht, en jawel, er werd weer ijverig gezeuld met riet, stro en stukjes krantenpapier.
De rest vermoedt u natuurlijk al: Er is daar in een hoek van die aftandse kippenwoning een hoge koepel van stro, veertjes, dorre bladeren en stukjes papier verrezen. Een echte egelstelling waarin je door het nauwe toegangsgat de bewoner kon zien liggen; natuurlijk opgerold en met uitgezette stekels.
Het was inmiddels goed guur geworden. Voorzichtig met een stokje tegen de slaper of slaapster duwen had geen enkel gevolg. Dus was het egeltje zijn lange slaap, zijn winterslaap ingegaan; en dat is iets heel anders dan de gewone dagelijkse slaap. Want bij het beginnen van zo’n winterslaap – altijd in goed dikgegeten toestand – daalt de temperatuur van het dier tot ver beneden de normale waarde van omstreeks 35 gr.C. Zijn hartslag en ademhaling worden véél trager en voorlopig is zijn temperatuur gelijk aan die van zijn omgeving, misschien een graad of zes. zeven.
Krijgen we echte kou en zal het ook in dat oude kippenhok misschien gaan vriezen, dan wordt de egel ook kouder. Maar….zijn temperatuur komt nooit onder de 5 gr. C. In deze toestand blijft hij als het ware op een laag pitje verder leven, heel zuinig zijn vetvoorraad opgebruikend. Totdat het misschien al te bar wordt met de kou. Dan kan er iets merkwaardigs gebeuren.
Heel langzaam (in 2 à 5 uur) wordt de egel wakker. Door hevige spierbeweging in de vorm van sterk rillen, vijzelt hij onbewust zijn temperatuur op tot 35 gr. En zo, weer even helemaal gewoon levend, gaat hij op zoek naar een betere schuilplaats. Om daar opnieuw in winterslaap te vallen tot de lente komt.
Maar veel jonge egels, met weinig reservevoedsel, redden het niet. Die sterven in een koude winter. Broodmager en letterlijk uitgeleefd.
Kees Hana, buiten kijken
0-0-0
EGEL
Egels vertrouwen teveel op hun stekels, zeggen ze
Het leek of er niets aan de hand was met de egel die ik zojuist had aangereden. Het was mijn schuld. Bij het schijnsel van de koplampen stond ik hem te bekijken. Een mooi volwassen dier, iets meer dan een kilo. Geen uiterlijke kwetsuren, zelfs geen druppeltje bloed uit zijn bek. Egelvlooien sprongen op mijn handen. Die hadden onmiddellijk in de gaten wat ik niet wilde geloven: hun gastvrouw was dood. De teken achter de oren van mijn slachtoffer hielden nog even vast. Met teken moet je een beetje voorzichtig zijn. Die houden ook van mensenbloed. Egelvlooien niet. Na een kleine verkenning op mijn huid verdwenen ze dan ook in het gras.
Toen ik stond te overleggen wat ik met het dier moest doen — mee naar huis nemen, aan de kinderen laten zien en een rituele begrafenis onder de vlierstruik laten verzorgen, of gewoon in het gras leggen — kwam een veel kleiner egeltje uit de berm scharrelen: Een miezerdje, dat me kennelijk wel rook — neusje omhoog en snuffelend de omgeving aftasten – maar me niet zag.
Toen ik een keer hard op de grond stampte, rolde miezerdje zich onmiddellijk op tot de bekende stekelbal. Egeltjes horen goed en zijn nogal schrikachtig.
Het dode dier legde ik in het gras en Scharminkeltje, dat helemaal niet zo schuw was, nam ik tussen jas en trui mee naar huis. We proberen hem daar met meelwormen, rupsen, vette spinnen, melk en havermout nog klaar te krijgen voor de winterslaap. U hoort nog van Scharminkeltje en ons.
Heel wat
Het zal niemand ontgaan zijn dat er in deze tijd van het jaar heel wat egels op onze verkeerswegen aan hun einde komen. De vraag hoe dat nu mogelijk is, kent heel wat antwoorden. Het is bekend dat egels zich graag bij wegen ophouden omdat die – hoe tegenstrijdig dat ook klinkt – een flinke hoeveelheid voedsel opleveren. Voedsel dat bovendien niet gevangen hoeft te worden, omdat het snel en pijnloos is gedood door het verkeer. We denken aan slakken, kevers, kikkers, hagedissen en al wat er verder nog maar onder de wielen kan komen.
Een ander antwoord is, dat egels nogal kouwelijk zijn aangelegd. De rugstekels – ze zijn een tot anderhalve, centimeter lang – bieden weinig isolatie en dat geldt ook voor de spaarzame beharing onder de stekels en van de buik. Wat is er voor een egel dan lekkerder om ’s nachts rond te scharrelen op een weg die de warmte van de dag nog vasthoudt.
Egelstelling
Een derde verklaring lijkt nogal voor de hand te liggen. Buiten grote roofvogels en bunzings – beide zeldzaam in ons land — hebben egels geen natuurlijke vijanden. Bij naderend gevaar rollen ze zich op en zetten hun rugstekels op. Wie doet ze wat? Een opgerolde egel is ongenaakbaar. Behalve voor auto’s. Egels zouden zoveel vertrouwen in hun „egelstelling” hebben, dat ze zich domweg oprollen bij een aanstormende auto. Toch geloof ik er niet in. De egel die ik aanreed, rende als een in paniek geraakte poes – en met net zo’n snelheid – naar de verst verwijderde berm. Andere egels die in de loop der jaren voor mijn koplampen zijn opgedoemd deden het precies eender.
Er doen heel wat misverstanden de ronde over egels. Ze vrijen bijvoorbeeld lang zo voorzichtig niet als het bekende mopje ons wil doen geloven. En ze paren ook niet staande met de buiken naar elkaar toe zoals de oude volksverhalen zeggen. Bij de paring heeft het vrouwtje haar stekels plat liggen en dan kan er niets anders gebeuren dan dat er na een goede maand jongen komen. Die hebben al stekeltjes, maar die liggen in de weke huid verborgen. Niets aan de hand.
Bij de koeien
Egels zouden koeien melken. Het is een verhaal dat ik onlangs nog hoorde van een veehouder bij ons in de buurt. Toch is het niet waar. Maar egels zoeken graag in de buurt van een grazende koe. Een grazende koe is zo’n onruststoker dat talloze insecten voor hem weg springen. Die zijn dan weer makkelijk te vangen voor de egel. Het is zelfs niet waar dat alle egels verzot zijn op melk. Aan de andere kant… een doodserieuze bioloog heeft bekend gemaakt dat egels gaarne drinken, uit een door hem ter beschikking gestelde kunstspeen!
Zo schijnt de fabel dat egels op hun stekels gevallen appels naar hun hol brengen ook een grond van waarheid te hebben. Er bestaan in ieder geval twee foto’s, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften waarop een egel met een appel op zijn rug staat afgebeeld.
Zoek het maar uit. Als u overdag eens goed gaat zoeken onder de heggen bij u in de buurt vindt u uw studie-object wel.
Op stap met Jan van Gelderen
0-0-0
BLADGALLEN
.
Van zeer veel bomen is het blad nu reeds gevallen en bij de andere zal hetzelfde binnenkort geschieden, voor zover ze niet tot de „evergreens” behoren. Daarmee heeft het blad dan voor de boom zijn taak vervuld. In de kringloop der natuur is zijn rol echter nog lang niet uitgespeeld. In de bossen, waar het blad op de grond blijft liggen, wordt het aan een proces onderworpen, waarbij de in het blad aanwezige stoffen geleidelijk aan door bacteriën, schimmels en paddenstoelen worden afgebroken. Er ontstaan dan eenvoudiger stoffen, die in verschillende vormen in de grond gaan voorkomen en ten slotte weer door de bomen als voedingsstoffen kunnen worden opgenomen. We zien hier dus een duidelijk voorbeeld van de kringloop van de stof in de natuur.
Hoe snel die afbraak zich voltrekt, hangt van allerlei omstandigheden af. Allereerst speelt de boomsoort, waartoe het blad behoort een voorname rol. Bij sommige soorten heeft de afbraak reeds snel plaats. Wie de lotgevallen van het afgevallen berkenblad volgt, zal ontdekken, dat het reeds na enkele weken voor een groot deel vergaan is.
Bij eiken en vooral bij de Amerikaanse eiken, verloopt een en ander bijzonder langzaam. Wij hebben twee van die eiken in de tuin en wanneer ik het blad tot volgend voorjaar laat liggen, heeft het nog hetzelfde uiterlijk als in de voorafgaande herfst. Er zijn ook bladeren, waarbij het bladmoes vrij snel verteert en waarbij de nerven heel lang gespaard blijven. Op deze wijze ontstaan fraaie skeletten, die zich zeer goed lenen tot het maken van verfspuitafdrukken op papier.
Het afgevallen blad is niet alleen van belang voor de kringloop van de stof, doch het is tevens een prachtige aanleiding tot een bepaalde vorm van natuurstudie. Op de neergedwarrelde bladeren treffen we dikwijls allerlei natuur voorwerpen aan, waaraan een boeiende biologische geschiedenis ten grondslag ligt. Ik doel hierbij op de vele soorten gallen, die op bladeren kunnen worden aangetroffen.
Het meest bekend zijn ongetwijfeld de galappeltjes op eikenbladeren, die ieder wel eens gevonden zal hebben. Nu zijn de eiken de bomen, waarop het grootste aantal gallen voorkomt. Bij de moseik blijft het aantal tot een viertal beperkt, terwijl op winter- en zomereik vele tientallen soorten gallen gevonden kunnen worden.
Ze komen op alle delen van de boom voor. Allereerst zijn er de wortelgallen die niet alleen op de wortels zitten, maar tevens op de grens van wortel en stam. Dan zijn er de stamgallen, vooral voorkomende aan de voet van de stam. De takgallen bevinden zich aan de eenjarige en oudere takken van de eik. Knopgallen en vruchtgallen ontwikkelen zich op de plaatsen, waar we de knoppen of de vruchten zouden verwachten. Vele soorten gallen ontstaan in de mannelijke katjes of in onderdelen daarvan en om die reden worden ze meeldraadgallen genoemd.
De bladgallen, die we op de bladeren van de eiken kunnen vinden, zijn zonder twijfel het bekendst en zij laten zich op het afgevallen blad ook het gemakkelijkst bekijken en verzamelen.
Bijna alle gallen van de eik worden verwekt door galwespen en dit geldt ook voor vrijwel alle bladgallen. Een klein aantal bladgallen bevindt zich aan de bladsteel, die dan op de een of andere wijze vervormd is. De meeste gallen zitten echter op de bladschijf. Hiervan is het gewone galappeltje heel bekend. Het is knikkervormig, een tot twee centimeter in doorsnede, groen en vaak wat rood aangelopen. Wie zo’n appeltje openmaakt, zal binnenin een larvekamer ontdekken, waarin de ontwikkeling van de galwesplarve zich voltrokken heeft. De appeltjes vallen met het blad van de boom en de galwespen komen dan in oktober of november uit het appeltje te voorschijn, soms ook tegen het volgende voorjaar.
De galwespen blijken uitsluitend wijfjes te zijn. Ze leggen hun eitjes in slapende knoppen aan de voet van de eikenstammen en doen uit die knoppen kleine galletjes ontstaan. Ze zijn slechts 2 millimeter in doorsnee en dragen een dicht fluwelig haarkleed. Ze zijn eerst rood en later donker violet. Vanwege deze eigenschappen worden ze paarse fluweel-galletjes genoemd.
Uit deze gallen verschijnt in mei of juni een tweede generatie van galwespen, die zowel uit mannetjes als wijfjes bestaat. Na de bevruchting leggen de wijfjes wederom eitjes op de nieuwe eikenbladeren en daarmee is de kringloop van deze galsoort dan gesloten.
Wanneer er bij galwespen twee generaties per jaar optreden, spreekt men van generatiewisseling en dit verschijnsel doet zich bij meer soorten galwespen voor. Zo zien we ook nog kleine knoopvormige galletjes op het blad zitten, waarvan de galwespen tot in maart of april van het volgende jaar in de gallen blijven zitten. Ze zijn alle van het vrouwelijk geslacht en leggen in het voorjaar eitjes op de eikelbladeren. Ze doen kleine puistvormige galletjes op het blad ontstaan, waaruit in juni de tweede generatie komt, die weer uit mannetjes en wijfjes is opgebouwd. De wijfjes zorgen ervoor, dat in het najaar van 1980* weer knoopgallen op het eikenblad kunnen ontstaan. Ik zou de lezers willen aanraden tijdens een herfstwandeling het afgevallen blad van eiken goed te bekijken. U zult dan stellig nog meer galsoorten ontdekken, buiten de twee die ik hier reeds noemde.
Om maar met de deur bij u in huis te vallen en strikt eerlijk te zijn: wanneer in de krant boven dit verhaal de titel komt te staan die ik er zojuist boven heb getikt, dan staat er een aperte onjuistheid in.
Ten eerste bied ik u hiervoor graag mijn nederige verontschuldiging aan en ten tweede zal het wel nodig zijn u de fout nader uit de doeken te doen. Wel, het zit hem in dat onschuldige – woord ‘sparrenbos’ een bos van sparren dus — en dat is, opgevat in de biologische betekenis van het woord, onbestaanbaar in Nederland.
Een bos
Ja, want in de eerste plaats is de spar een buitenlandse boomsoort, een „exoot” uit Noord- en Midden-Europa die van nature in ons land niet thuishoort. En in de tweede plaats is een bos — let wel: ,naar biologische maatstaven’ gemeten — veel en veel méér dan een verzameling bomen. Het is een ongedacht rijke levensgemeenschap van bomen en struiken en kruiden en mossen (om van de talloze organismen als paddenstoelen, schimmels en bacteriën niet te spreken), bevolkt met een wereld van de meest uiteenlopende diersoorten van heel groot tot microscopisch klein. Dit alles volkomen thuishorend op onze grond en in ons klimaat en, het belangrijkste van alles: zichzelf als gemeenschap prachtig in evenwicht houdend.
Bomenland
Vergelijk hiermee nu eens een sparren„bos” in Nederland. Ik wil er geen kwaad van spreken, want als aanplant van „gastbomen” die het bij ons meer of (helaas dikwijls) minder goed doen kan het toch zijn waarde hebben.
Maar een bos in de zin van één groot levend geheel met duizenderlei op elkaar ingestelde organismen, nee, dat is het nooit. Het blijft een cultuurbos, een stuk bomenland zoals je ook tarwe- of suikerbieten- of uienland hebt. Zonder voortdurende menselijke zorgen komt er niet veel van terecht. Om hiervan overtuigd te raken kun je niet beter doen dan sparrenbossen in hun natuurlijke omgeving bekijken, in de bergen, want een spar is geen laaglandboom.
Ananasjes
Maar goed, sommige van de planten en vooral dieren die onverbrekelijk bij de sparren horen zijn toch meegekomen naar onze aanplanten; en het moet gezegd worden: niet altijd de meest gewenste.
Een ervan — of liever: zijn werken — kunt u gemakkelijk te zien krijgen. Kijk er de laaghangende takken maar goed op aan en u ontdekt wel hier en daar eigenaardige verdikkingen die (met nogal wat fantasie!) op ananasjes van een paar centimeter lijken. Eigenaardige gevallen met openstaande holletjes en sterk vervormde naalden.
Sparrensap
Ananasgallen worden ze officieel genoemd en zoals met veel galvormingen het geval is, danken ook zij hun ontstaan aan een schijnbare onbeduidende oorzaak. Een kleine luis heeft eitjes gelegd in een sparrenkop, alleen met een loep zichtbare glimmende kogeltjes. Helemaal niets bijzonders zou je zeggen, maar onder invloed van deze nietigheden gaat er bij het uitbotten toch iets heel vreemds gebeuren. Het jonge lot en ook de naalden zwellen plaatselijk sterk op. Het „ananasje” ontstaat en in de tot kleine kamertjes vervormde holten tussen de naalden zuigen de luizenlarven sparrensap. Ze groeien, vervellen en worden volwassen. En wanneer in de zomerdag de kamertjes wijd openbuigen, komen de gevleugelde luizenwijfjes naar buiten.
De rest begrijpt u natuurlijk wel, maar ik zou u willen vragen in gedachten nog eens stil te staan bij die wonderlijke wisselwerking tussen de spar en zijn parasiet. Bij het raadsel van wat er nu in feite de oorzaak van zal zijn dat het jonge takje plaatselijk wordt verdikt en zijn naalden zo opzwellen. En — nog veel moeilijker — hoe in de loop van wellicht miljoenen jaren de luis en de spar zo op elkaar zijn ingesteld geraakt. Ik denk dat we het nooit zullen weten.
Uit het eikenhakhout stak hij zomaar brutaal over het smalle bospad, die ene twijg wiens bladeren volzaten met uit- en op-groeisels van allerlei slag. Gewone galappeltjes maar ook veel kleinere zaken; ronde plakjes met een keurig heuveltje in het midden en dikwandige kommetjes van maar een paar millimeter.
Dat moest wel in de gaten lopen en het bracht me ineens het inktflesje van vroeger thuis in herinnering. “Prima galnoteninkt” stond er op zijn etiket. Men gebruikte in die dagen (± 1920) het natuurproduct nog; zware, direct op het hout groeiende galnoten en de lichtere galappels.
Wespje
Over het geknoei met uitgeperste galappels en roestige spijkers om zelf zulke inkt te maken hoeven we het nu niet te hebben (het gaat overigens wel het beste met in weinig water even gekookte galappeltjes). De looistoffen, de tanninen, uit de gallen vormen met het ijzer een intens violetzwarte kleurstof; maar het grote raadsel is eigenlijk hoe dat hoge gehalte aan looistof in de gallen is terechtgekomen. En vervolgens hoe ze zijn ontstaan.
Een antwoord op deze laatste vraag kunt u krijgen door héél voorzichtig, aldoor iets dieper gaand, met de punt van’t zakmes een galappeltje middendoor te snijden. In het binnenste zult u een bolrond kamertje vinden en hierin huist — nog helemaal opgevouwen — een galwespje.
Zijn maten worden in millimeters gemeten en zijn kleur is donkerbruin — en straks in de voorwinter, als blad en gal al lang op de grond liggen, zal hij naar buiten kruipen.
Alleen dames
Hij? Nee, het is een „zij”.
Altijd, want deze generatie levert geen manvolk op. De dames kunnen echter wél levenskrachtige eieren leggen en dat gaan ze doen ook, bij zogenaamde slapende knoppen aan de voet van eikenstammen.
Als gevolg hiervan ontwikkelen die knoppen zich dan in de lente tot tenslotte prachtig paars behaarde galletjes van een paar millimeter. In hun binnenste leven de larven die uit de eitjes zijn gekomen en na een snelle ontwikkeling komen er al in de voorzomer nieuwe wespen naar buiten. Grut dat niemand als wesp herkent, maar nu van beiderlei kunne. Er wordt gepaard en er worden bevruchte eitjes gelegd op het jonge blad of in de ontluikende knoppen. En op de plekken waar de microscopisch kleine eitjes zitten, ontstaan galappels, vol sap dat een hoge concentratie aan tanninen heeft.
En die anderen?
De larven binnenin de appeltjes hoeven niet anders te doen dan maar van dit sap te zuigen om volwassen te worden en dat is minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Want de tanninen zijn niet anders dan versterkte suikers (voornamelijk glucose) en het laat zich dus horen dat dieren ervan zullen kunnen leven. Maar nu verder: die andere gallen op het blad, de heuveltjes en de kommetjes, hoe zit het daarmee? Wel, in zekere zin net zo. Ook zij zijn ontstaan rondom galwespeneitjes; maar het leven van die wespjes verschilt weer aanmerkelijk van dat van hun zusters uit de appeltjes.
De heuveltjesgallen bijvoorbeeld, groeien, eenmaal afgevallen met het blad, rustig verder. En pas na twee jaar zullen de wespjes eruit kruipen, mannetjes en wijfjes — en hun uitsluitend vrouwelijke nakomelingschap zal opgroeien in de kleine „besgallen”.
Bij dit alles zal de grootste vraag wel blijven: hoe komt de eik ertoe om op het ene eitje zus, en op het andere zo te reageren? Ronduit gezegd: daar weten we niets van.
Wollegras – ik mag wel beginnen met me tegenover alle serieuze plantenkenners en flo-ragebruikers te verontschuldigen voor het gebruik van deze naam, want wat men opgetogen vaak wollegras noemt, is veenpluis.
Toch eigenlijk een wat dwaze situatie. Er komen in ons land vier soorten wollegras voor. Daarvan zijn er drie zeldzaam tot zeer zeldzaam; ze heten eenjarig, breed en slank wollegras – en uitgerekend de ene die op vochtige heiden, in natte duinpannen en soppige veenmoerassen nog altijd veel voorkomt, die ene moet als veenpluis door het leven gaan.
Maar er is uitkomst, de wetenschappelijke naam: Eriophofum angustioólium. Want dat eerste woord komt van het Griekse erion ( = wol) en pherein (-dragen); en het tweede stamt uit het Latijn (angustus — smal en folium – blad).
Goede tijd
Maar om die naam te laten voor wat hij is, ik zou graag onder uw aandacht brengen dat het nu wel een heel goede tijd is om van het wollegras te gaan genieten.
Dat is dan vrijwel uitsluitend weggelegd voor wandelaars en fietsers die de kleine paadjes en veenkaden weten te vinden, onverschillig of ze die zoeken in het Hollands-Utrechtse plassengebied of in de onvolprezen Overijsselse noordwesthoek, in onze schaarse nog vochtige duinen of op een heide met natte plekken.
Hoe dan ook, vooral in de veenmoerassen is het nu de goede tijd omdat de verdere vegetatie nog niet al te hoog is opgeschoten en je dus volop kunt genieten van die zijdeachtige witte pluizen. Waar er maar genoeg bij elkaar staan, lijkt het wel of er een voortdurend beweeglijke, glinsterende schuimlaag over het moerasland ligt; een laag waar al rietspruiten en lisbladeren doorheen priemen – beloften voor straks.
Intussen bestaan er een paar wijd verbreide misvattingen aangaande het wollegras/veen-pluis. Natuurlijk, want het ligt zo voor de hand om dit plantje met zijn grasachtig smalle bladeren „gras” te noemen Maar, plantkundig gezien is het niet juist. Er zijn zo duidelijke verschillen, voornamelijk in de bouw van de bloemen dat het wollegras bij een afzonderlijke familie is ingedeeld, die van de cypergrassen. Wie het helemaal degelijk wil napluizen, moet er de flora maar bijhalen.
Mis
En dan is er nog iets: je hoort nogal eens mensen zeggen dat ze het wollegras zo mooi vinden terwijl het volop bloeit. Mij best, maar wanneer ze hiermee de toestand met de witte pluizen bedoelen, hebben ze het mis. Want de bloei is al lang voorbij. Die verliep bijna onopgemerkt heel vroeg in de lente. Toen waren de nu zo slanke wiegende stengels nog maar erg kort en ze droegen aan hun toppen ietwat propperige aartjes, waaruit bosjes gele helmknoppen van de meeldraden en ook draaddunne stampertjes te voorschijn kwamen. De nauwelijks met het blote oog zichtbare bloemdekblaadjes waren toen al sterk gerafeld; en deze rafels zijn nu uitgegroeid tot de lange witte haren die een rol spelen bij de verspreiding van de vruchtjes. Vruchtpluis dus, en geen bloemen.
Het is met planten in zekere zin wel net als met mensen: je hebt gezeten burgers en rusteloze zwervers die alleen het leven lijken te kunnen houden bij eindeloze verandering. De rondtrekkende scharensliepen en ketellappers en de schilderachtige landlopers van onze jeugd zijn weggewerkt(tenminste grotendeels) door onze keurig gladgestreken welvaartsmaatschappij, maar — de hemel zij dank! –hun nazaten-in-de-geest zijn springlevend.
Wie het ware zwerversbloed heeft, raakt het gelukkig nooit meer kwijt. Dat geldt ook voor het „onaanzienlijke” grasje dat ik bjj deze minzaam in uw belangstelling aanbeveel.
Kieskeurig
Let maar niet te zeer op die nogal onmogelijke naam zanddoddegras en laat het u ook maar niet deren dat de wetenschappelijke aanduiding Phléum arenarium althans ten dele nietszeggend is. Want de heer Linnaeus die het zo verschrikkelijk druk had met namen geven aan duizenden planten en dieren, die heeft doodleuk de naam van de Griekse moerasplant Phleös gelatiniseerd tot Phléum — en hém vervolgens aan de kleine zwerver van het kale, woestijnachtige duinzand gegeven. Alleen in dat woord arenarium herkent u natuurlijk meteen het Latijnse arena: zandvlakte.
Dat hoort dan wel echt bij dit kleine zwerfgrasje omdat het misschien tegen uw verwachting in, beslist niet overal te vinden is. Ja, sterker nog, die kleine Phléum met zijn dichte polletjes die gewoonlijk niet hoger dan tien, vijftien centimeter zijn (en soms nauwelijks de 5 cm halen), dat is een kieskeurige persoonlijkheid. Zijn woonzand moet liefst open en kaal zijn, beweeglijk in de wind en niet te arm aan kalk.
Laksteeltje
Vanwege dit laatste vind je hem in de vastelandsduinen vooral bezuiden Bergen („hoven” bij deze plaats begint het kalkarme duinzand). En op kalkarme Waddeneilanden kan hij het soms (net) houden door de kalktoevoer via meeuwenmest bij de grote broedkolonies. En regelmatige overstuiving met vers strandzand kan hem ook in moeilijke gevallen op de been houden.
Intussen verzekeren de floristen ons dat dit zeer algemene grasje van ouder op ouder uit’t zuiden moet stammen, dat het afkomstig zal zijn van de stranden in het Middellandse Zeegebied, en dat het al zwervend langs de Atlantische kusten onze duinen heeft bereikt: wie weet hoe lang geleden. Maar dergelijke zwerverijen zijn ook nog steeds gaande!
Zo vonden we in mei 1937 eens een heel vreemd en ons onbekend klein gras op „roerig zand” achter de Texelse zeereep. Een expert determineerde het voor ons: Catapodium loliacem (recentelijk gewijzigd in C. marinum, uit het verre zuiden. Jawel — maar op het ogenblik staat deze knaap terecht in de Nederlandse flora’s en hij heeft zelfs een leuke vaderlandse naam: laksteeltje, vanwege zijn lakrode stengeltjes. Hij is op natuurlijke wijze ingeburgerd, iets wat het zanddoddegras al wie weet hoe lang geleden moet hebben gepresteerd.
Met loep
En nu iets anders: noch het laksteeltje, noch doddegras zijn vaste planten. Eenjarigen zjjn het (al verloopt hun ontwikkeling ook niet binnen een kalenderjaar). In het najaar of in de winter kiemen ze, bloeien doen ze in voorjaar of vroege zomer, snel erna rijpt hun zaad en voordat je er weet van hebt, is het hele plantje verdwenen; verdord en weggewaaid. Van de (droge zuidelijke) zomer moet het niets hebben.
Maar zover is het nog niet, de kleine krielen met hun van beneden naar boven aldoor kortere blaadjes staan nog in bloei. Met licht en donkergroen gestreepte katjes waartussen elke morgen nieuwe meeldraden naar buiten komen. Nietige schoonheden die van dichtbij bekeken willen worden (graag met een loep) en die straks hun zaadjes weer her en der laten zwerven, onrustig als alle zwerversvolk.
Wat heeft moeder natuur het deze winter toch uitzonderlijk goed met ons voorgehad. Het leek wel, of het niet meer kon gaan vriezen — hoewel ik me na de sneeuw van gisteren afvraag, wat ons in maart en april nog te wachten staat en of we nu zomaar de lente binnen zeilen.
Het zijn waarlijk niet alleen de sneeuwklokjes en de winterakonieten, de vroege primula’s en de scilla’s in onze tuinen, die het druk hebben met de vroege lente. Want ook in, wat we dan maar met een zwaar overtrokken eufemisme „de vrije natuur” zullen noemen, zijn de eerste bloemen er al: de helgele „paardenbloemetjes” van het klein hoefblad. Gaat u maar kijken.
Overal
Waar? Ach, bij voorkeur op open, kale stukken grond, zoals meer of minder bouwrijpe industrie- en stadsuitbreidingsterreinen, nog niet in cultuur gebracht polderland, dijkhellingen, kleiputten, mergelgroeven, randgebieden van vuilnisbelten en wat dies meer zij aan althans voorlopig verwaarloosde gronden. Overal dus op zogenaamd overgeschoten plekken.
Ze zullen er zijn, de eerstelingen; en in de komende weken zullen er honderden, duizenden van die stralend gele bloemen staan te gloriëren, terwijl de kuifleeuweriken — ook al onafscheidelijke vrienden van dergelijke kunstmatige woestijnlandschappen — hun schelle liedjes laten horen en er bijen, vliegen en zelfs vlinders op al die bloemen afkomen. Omdat ze een heel klein beetje honing te bieden hebben; en honing is een schaars artikel zo vroeg in het voorjaar.
Parachutes
Vreemd eigenlijk, al die bloemen op hun viltachtig behaarde stelen-met-bruine-schubben zonder dat er ook maar iets van blad valt te bekennen. Goed, dat komt later wel opzetten (en hoe!); maar wie dit zegt, heeft het strikt genomen bij het verkeerde eind. Want wel verschijnen hier de nogal hoekig hoefvormige bladeren later in de lente dan de bloemen, maar dat zijn dan bladeren van spruiten die pas in het volgende jaar zullen bloeien.
Wat nu bloeit, heeft dus in de vorige zomer zijn blad gehad. En wanneer straks de kleine (een-zadige) vruchtjes aan hun pluizige parachutes zijn weggewaaid, betekent dat het eind van het lied voor wat nu bloeit. Het sterft af, maar tegelijkertijd ontwikkelen de sterk vertakte onderaardse wortelstokken nieuwe spruiten en legio zijtakken. Spruiten met bladeren die in de herfst alweer de knoppen voor bloemhoofdjes klaar hebben om meteen te kunnen reageren als het in het volgende jaar lenteachtig gaat worden.
Bij dit alles is het natuurlijk overbodig te zeggen dat, wie van het land moet leven, het kleine hoefblad hartgrondig verfoeit, tenminste wanneer het zich in zijn bouwland heeft genesteld. Ja, en dat kan heel gemakkelijk gebeuren, want waar een beetje lekkere grond is, kleiig of zandig, liefst een tikje kalkhoudend en in ieder geval vochtig, daar brengen de aangewaaide zaadjes hun kiemkracht van ongeveer 90 %. in praktijk. Kale rivier- en plasoevers geven dit soms heel mooi te zien.
Kruidenzoekers
Maar er zijn ook lieden die het kleine hoefblad met bijzondere genegenheid bekijken, te weten kruidenzoekers.
Het plantje bevat namelijk slijm-, bitter- en looistoffen; en de combinatie van deze drie moet er volgens de kenners verantwoordelijk voor zijn dat het helpt tegen hoest en erger.
De oude Griekse heelmeesters waren hier al van overtuigd, maar ook op dit ogenblik zijn in sommige ouderwetse drogisterijen de gedroogde bloemen en bladeren nog te koop. Om er — afgrijselijk smakende! — thee van te zetten en die dan te drinken tegen de hoest.
Of het helpen zal, ik durf het niet te zeggen. Maar in ieder geval is de officiële naam van het kleine hoefblad „de .hoestverdrijver”. Want het wetenschappelijke Tussilago is afgeleid van tussis = hoest en agere = verdrijven. Aan u om de proef eens te nemen. Proost!
Dochters die voor hun vader ter wereld komen. Ach ja, je hoort tegenwoordig zoveel vreemde dingen, waarom dan dat ook niet, zult u zich misschien afvragen. Maar het gaat hier helemaal niet over iets van de tegenwoordige tijd. Het gaal om een naam, een plantennaam, in kort en goed Latijn te vinden in Middeleeuwse kloosterboeken.
Die naam luidt Filiae ante Patrem en dit betekent: de dochters vóór de vaders. Helaas is deze schilderachtige aanduiding van de gebeurlijkheden bij een plant in de loop der tijden finaal verloren gegaan. Ons hedendaagse (planten-) Latijn noemt de plant in kwestie tenminste heel anders: Petasites hybridus. En in ons eigen Nederlands zeggen we „groot hoefblad”.
„Rabarherbladen”
Dat Petasites zal wel een latinizering zijn naar aanleiding van het Griekse „petasos”, een breedgerande hoed. Het zinspeelt stellig op de enorme bladeren die… ja juist, daar hebben we nu het geval van de vaders die na hun dochters verschijnen. Want deze geweldige „rabarberbladen” van vochtige landjes en waterkanten, zij vormen wat de middeleeuwers voor de eigenlijke planten aanzagen — en zij zullen pas boven de grond komen wanneer er van de in deze lenteweken bloeiende pluimen (de dochters) weinig of niets meer valt te bekennen.
Nog even verder over die bladeren gesproken: het zijn de grootste in het rijk der kruidachtige planten van Nederland en je kunt ze (omgekeerd) prachtig gebruiken als royale regenhoeden. Daarbij komt dan meteen aan het licht dat ze aan hun onderkant een dicht en wollig vilt dragen. Dat schijnt een niet onbelangrijke rol te spelen in de waterhuishouding van die reuzenbladeren; het helpt de verdamping door de aan de onderkant zittende huidmondjes regelen.
Tegen reumatiek
Intussen schreven de Middeleeuwse monniken natuurlijk niet zomaar over hun Filiae ante Patrem. Belangstelling voor de natuur zoals wij die kennen, had men in hun dagen niet zozeer. Dat is te zeggen, er was wel belangstelling en zelfs een bijzonder grote maar deze was geheel en al gericht op de — geneeskundige — praktijk. Men ging ervan uit dat er tegen elke ziekte of aandoening een kruid gewassen was — en dikwijls óók, dat ieder kruid heilzaam zou zijn tegen het een of ander.
Wel, en groot hoefblad werd dan gezien als middel tegen aandoeningen van de luchtwegen, tegen reumatiek, ter bevordering van de urine-uitscheiding en (uitwendig gebruikt) tegen woekerende zweren. Het ging dan echter niet zozeer om de bladeren alswel om de ondergrondse wortelstokken. Tegen hoest en heesheid moest je die (gedroogd en gemalen) koken in wijn, vervolgens het brouwsel zoeten met een flinke hoeveelheid honing — en dan maar telkens kleine slokjes ervan nemen.
Waarbij ik — met groot genoegen terugdenkend aan de zalige likkepotten die mijn vader vroeger voor ons maakte — sterk vermoed dat het de honing was die de genezing bracht.
De dochters
Maar goed, al of niet heilzaam, ik zou u willen aanraden in deze nog vrij kille lentedagen eens goed op de „dochters” van het gelukkig nog altijd veel voorkomende groot hoefblad te gaan letten. Ze komen uit de grond met prachtig rodekool-paarse stengels, die spitse en lange „schubben” dragen. Aan hun toppen zitten de eigenlijke bloemen of eigenlijk bloemverzamelingen, bloemhoofdjes, want groot hoefblad is een composiet en het heeft dus samengestelde bloemen.
Bijzonder
Maar er is aan die bloemhoofdjes nog iets bijzonders. Je vindt hele groepen planten met uitsluitend mannelijke bloemen, = waarbij de meeldraden volledig = zijn ontwikkeld, maar het kan ook gebeuren dat je in gezelschappen van vrouwelijke planten verzeild raakt. Die hebben dan nauwelijks meetellende meeldraden en goed uit de kluiten gewassen stampers.
Ik geef toe dat het een hele pluizerij is (met de loep) om het hele geval uit te vissen. Maar wie de moeite neemt, vindt altijd iets merkwaardigs: een paar mannelijke bloempjes in ieder vrouwelijk hoofdje, of een paar dames te midden van een groot aantal heren. En het waaróm hiervan weet nog niemand.
Op een van die stille, zonnig-heiige oktoberdagen dwaalden we door het Bruegeliaanse landschap van ons zuidelijke heuvelland. Zomaar. Om vreugde te beleven aan de fijne tekening ervan en aan de herfstige kleuren. Aan het matte okergeel van een vak lorken tegen de donkergroene achtergrond van een sparrenbos, aan het vlammende oranjebruin van zware beuken in een hellingbos en aan de bijna citroengeel verkleurende populieren die in lange, naar de kim wegdeemsterende slierten de wijde dalen stonden op te sieren.
Nuchter beschouwd vindt u deze hele grote gebeurtenis van de herfstkleuren en het vallende blad misschien wel doodgewoon. Ze doet zich immers ieder jaar opnieuw voor, zij het de ene keer wat overweldigender dan de andere; en als deelnemer aan ons jachtige, zich voor een groot deel in stenen steden afspelende hedendaagse leven, bent u wellicht geneigd er niet eens al te veel aandacht aan te besteden. En toch is het niet meer of minder dan één groot wonder dat zich aan al die verkleurende bomen en struiken daarbuiten voltrekt.
Neem de proef
Neem volgende zomer maar eens een eenvoudige proef om u ervan te overtuigen dat herfsttinten blijkbaar alleen in het najaar mogelijk zijn. Pluk maar een stel groene bladeren van verschillende bomen en struiken en droog ze eens onder lichte druk tussen wat vloeipapier of oude kranten. Goed, u zult ervaren dat het groen zijn frisheid verliest; maar het blijft groen en er verschijnen géén herfstkleuren. En dan nog iets: het moet in de zomerdag al heel hard waaien wil er werkelijk veel blad van de bomen losraken. Het zit dus stevig vast. Maar in de herfst valt het vanzelf!
Scheikunde
Ja, er is dan ook heel wat gebeurd – chemisch én technisch — voordat het blad aan afvallen toe is. Wat de scheikundige kant van de zaak betreft, die komt in grote trekken hierop neer: gewone groene bladeren worden gekleurd door vier stoffen, te weten chlorofyl a, chlorofyl b (beide groen), xantofyl (geel) en carotine (oranje). Het groen van het chlorofyl is echter dermate overheersend dat het hooguit een beetje van tint kan worden gewijzigd door xantofyl en carotine. Maar nu worden in de herfst die groene kleurstoffen afgebroken, zodat geel en oranje in de kostelijkste combinaties op de voorgrond treden. En vandaar dan de alom bewonderde herfsttinten.
Weefsellaagje
Tegelijk met deze ingrijpende scheikundige veranderingen is er intussen op ‘technisch’ gebied ook iets gaande – tenminste bij de bomen en struiken die hun blad onder normale omstandigheden verliezen tegen de winter. De hechte verbinding- tussen bladsteel en twijg wordt gaandeweg losser doordat er zich daar op de afscheiding een dun weefsellaagje van kleine cellen ontwikkelt. Tegelijkertijd raken de vaatbundels – je zou kunnen zeggen de aderen in de bladsteel – op die plaats verstopt door naar binnen groeiende draden en vliezen. Wat eens muurvast gekoppeld zat, komt door dit alles nog maar heel losjes aan elkaar te zitten.
Kurklaagje
En de losheid wordt dikwijls nog verergerd door het ontstaan van een uiterst dun kurklaagje aan de twijgkant van het klein-cellige weefsel — waarna het gemakkelijk kan gebeuren dat bladeren zomaar vanzelf en zonder dat er een zuchtje wind aan te pas komt loslaten en vallen als gevolg van hun eigen gewicht.
Een knauw
Misschien zegt u na dit alles te hebben gelezen dat het toch allemaal zo prachtig is geregeld in de .natuur. Ik zal de laatste zijn om zoiets tegen te spreken, maar de zaken zijn óók wel eens ontregeld. Zo hebben wij het eens meegemaakt in de Ardennen dat het in de herfstnachten tot 12 gr. C. vroor terwijl de beuken nog grotendeels groen waren. Toen kregen ze de tijd niet meer voor de chemische en technische veranderingen die broodnodig waren en dat gaf vele bomen een knauw. En het kan nog erger: als de liguster in uw heg overrompeld wordt door een snel invallende strenge winter, dan kan deze groenblijver het niet aan. Er is dan geen tijd voor het (snel) treffen van voorbereidingen. Hij droogt uit en sterft. Doordat het iets minder goed was geregeld in de natuur.
Kees Hana: Wonderen van de natuur
0-0-0
HOMMEL
Ze zijn er weer, die grote, kleurig behaarde insecten, die dof gonzend rondvliegen en de bodem afzoeken alsof zij iets kostbaars zijn kwijtgeraakt. De tuinhommel met zijn gele en witte banden, de zwarte steenhommel met de rode achterlijfspunt en de geelbruine moshommel zijn weer present, om drie bekende van de ongeveer 20 hommelsoorten in ons land te noemen. Zij vliegen traag en laag over de grond alsof hun bolronde lichaam te zwaar is voor hun betrekkelijk kleine vleugels. Soms ook landen ze met een plof op een bloem, die onder het gewicht van het insect doorbuigt. Dit verhindert de hommels niet in de zonderlingste standen de voorjaarsbloeiers hun honing te ontfutselen.
Het gaat allemaal erg traag en schijnbaar met tegenzin. Als ik zo’n hommel bezig zie, langzaam over een bloem klauterend er daarbij eentonig brommend, word ik er altijd een beetje slaperig van. Meer nog dan de marmot of de beruchte zevenslaper is de hommel voor mij het symbool van de luiheid. De kleurige koninginnen, die u in het voorjaar ziet, zijn in de loop van augustus van het.vorige jaar, dikwijls op een hete zomerdag, in de grond gekropen. In een warm holletje hebben zij hun vleugels en pootjes ingetrokken en zijn zij hun winterslaap begonnen, die zo’n kleine acht maanden duurt. Dezer dagen was ik er getuige van hoe een hommelkoningin na haar diepe rust haar nieuwe bestaan begint. Ik zag in de tuin een paar dorre bladeren op de grond in beweging komen zonder dat de wind in het spel kon zijn. Even later kwam, langzaam kruipend, een hommelkoningin tevoorschijn. Zij zag er nog een beetje verfomfaaid uit met vage zwarte, gele en witte beharing. Het eerste kwartier bleef het dier roerloos in de zon zitten. Daarna begonnen de vleugels te trillen en draaide de koningin zich een kwartslag om. Geleidelijk aan begon er meer leven in de hommel te komen. Na een paar vergeefse pogingen om te vliegen, begon het dier met uitgestrekte vleugels korte rondjes te lopen over het dorre blad.
Kleuriger
Merkwaardig was dat de hommel alsmaar groter werd en de beharing op borst en achterlijf steeds kleuriger. Na een klein uur was het een prachtige, diep glanzende hommel geworden, met drie fel gele banden en een sneeuwwitte achterlijfspunt, een tuinhommel dus. Toen het lichaam zo ver was opgezwollen dat het langzamerhand als een tafeltennisbal dienst kon gaan doen, begon het tot de koningin door te dringen dat haar een taak in haar bestaan was toebedeeld. Langzaam zette het gevaarte zich in beweging, de derde vliegpoging slaagde en als het ware hangend aan de vleugels zeilde de tuinhommel, laag boven het gras, enkele meters door de tuin. Daarop liet het dier zich in het gras vallen, waar het diep brommend over een dorre stengel kroop, die doorboog, zodat de koningin ruggelings op de grond stortte, waar zij bedeesd bleef zitten. Deze capriolen herhaalden zich nog ettelijke keren, daarmee bevestigend dat een hommelkoningin lichamelijk niet is opgewassen tegen de duizenden staketsels, die de natuur in de vorm van takken, graspollen, struiken en kuilen oplevert.
Blauw favoriet
Niettemin wist de hommel na enkele uren toch haar weg te vinden naar de bloemenbak achter het huis, waar het op een pol felblauwe violen neerplofte om hieruit gulzig de honing te peuren. Terwijl ik de gedragingen van de tuinhommel gadesloeg, kwamen ook andere hommels op de violen af en opeens viel het mij op dat zij allemaal de blauwe bloemen bezochten en niet de minste belangstelling aan de dag legden voor de paarse violen, die in honingproductie niet voor de blauwe onderdoen. De voorkeur van vlinders, bijen en andere honingzoekers voor bepaalde kleuren is bekend en uitvoerig bestudeerd, maar dat een zo duidelijk aan blauw verwante kleur als paars – is immers blauw met rood — eensgezind werd genegeerd door de hommels vond ik toch wel erg frappant. Er was geen sprake van toeval, want toen ik een glazen dekseltje met suikerwater onder de paarse violen zette, deden de hommels alsof er niets aan de hand was. Wel kwam een van onze mooiste vlinders, de dagpauwoog, zich hieraan te goed doen. Zodra ik echter het suikerwater naar een pol blauwe violen toeschoof, vielen de hommels er gretig op aan. Geheel in overeenstemming met hun luie aard hielden ook nu de hommels het niet lang vol met het zoeken naar honing. Na een paar minuten gaven zij het op en zochten zij een beschut holletje onder het dorre gras of onder een boomwortel.
Bestemming
Op de keper beschouwd, ligt daar ook hun bestemming. In een dergelijk holletje, dat zij voeren met wat mos en haarworteltjes, brengen zij een plakje honing aan in een celletje van was. Daarin zetten zij een stuk of tien eitjes af, die zij als een vogel uitbroeden. De larven, die uit de eitjes komen, eten de honing op en verpoppen zich.Terwijl de koningin doorgaat met eitjes leggen, komen na enkele weken uit de poppen hommels, die ongeveer de helft kleiner zijn dan de koningin. Deze kleine hommels, de werksters, zijn stukken bewegelijker en actiever dan de moeder. De werksters zorgen voor de snelle uitbreiding van het hommelnest en zij zwoegen hiervoor van de vroege ochtend tot de late avond.
Vandaar de luiheid van de dikke hommelkoningin; zij kan zich die veroorloven.
Natureluur Luuk Groenendijk
0-0-0
EMELTEN
Emelten, een plaag met vraagtekens
Het zat er vorig jaar dik in dat we nu met een emeltenplaag zijn opgescheept. Hele wolken van langpootmuggen zwermden in de nazomer over de graslanden. Als je goed oplette, zag je steeds het ene paartje na het andere zich uit de massa verwijderen om zich op een beschut plaatsje terug te trekken. Ook zag je de langpootmuggen bij duizenden in het gras scharrelen. Dat waren dan de wijfjes, die met hun legboor eitje na eitje in de grond afzetten. Het bleek geen eenvoudige zaak te zijn om uit die menigte langpootmuggen een vrouwelijk exemplaar op haar eiertocht te blijven volgen. Langer dan 10 minuten bleek dit niet mogelijk, maar toen had ze al 20 eitjes te bestemder plaatsen gedeponeerd. En dan te denken aan die tienduizenden even ijverige soortgenoten!
Kale plekken
Opmerkelijk was dat op plaatsen met hoog gras nauwelijks een langpootmug werd aangetroffen. Daarentegen krioelde het van deze onbeholpen vliegende insecten op pas afgemaaide of door het vee kort begraasde gedeelten. Op ruige plaatsen kunnen de wijfjes niet of nauwelijks met hun legboor de grond bereiken en omdat zij er bovendien duidelijk moeite mee hebben zich in de ruigte te verplaatsen, zijn het vooral de kale plaatsen, waarop zij het hebben gemunt. Deze week hebben wij hetzelfde weiland weer eens bezocht. Op een afstand kregen wij al een voorproefje van wat wij zouden ontdekken. Op de weilanden met kort gras wemelde het van de spreeuwen, kok- en zilvermeeuwen, kauwtjes en roeken, met daaronder enkele kieviten, scholeksters, eksters, grote lijsters, zanglijsters en merels. Op de ruige weilanden daarentegen zagen we alleen maar een enkele ekster.
Doorzeefd
De verklaring hiervoor vonden we alras. Op de kortgraslanden was de bodem doorzeefd met gaatjes, de piksporen van de verschillende vogelsoorten, die zich aan de emelten, de larven van de langpootmug, te goed hadden gedaan. Met ons onvolprezen opvouwbare kampeerschopje staken we op een van deze plaatsen een zode uit, schudden die een paar keer en onmiddellijk zagen we ettelijke grauwe, pootloze larven met stompe kop voor onze voeten spartelen. Veertien emelten in een graszode van nauwelijks 15 bij 15 cm!
Nu naar een ruig weiland om daar hetzelfde te doen.. Met moeite wisten wij een zode los te wrikken en wat wij konden verwachten, gebeurde: er viel niet één emelt te ontdekken. Niet alleen bleek hier het effect van de bescherming, die het hogere gras tegen de legboor van de langpootmug biedt, maar ook van het feit, dat de larven zich onder de grond met moeite kunnen verplaatsen. Zij vreten zich in de graswortels vast en bewegen zich in hoofdzaak in verticale richting.
Foefje
Evenals regenwormen kruipen zij boven de grond als deze in trilling wordt gebracht. Dat foefje hebben vooral de kieviten en de meeuwen door. Beide vogelsoorten zie je dan ook voortdurend op één plaats met de poten dribbelen en hoewel geen seismograaf de hierdoor ontstane trillingen zal kunnen registreren, geven deze de emelten en wormen voldoende aanleiding de kop boven de grond te steken en zich zodoende aan de op hen azende vogels te presenteren.
De spreeuwen, lijsters en kraaien verstaan deze dribbelkunst niet. Deze vogels prikken met hun snavel in de grond en weten op die manier de emelten te bemachtigen. Of zij dit lukraak doen of dat zij over een speciaal zintuig beschikken om meteen de buit te treffen, kan moeilijk worden vastgesteld. Maar het feit blijft dat waar zo’n gevarieerde vogelzwerm op het grasland is neergestreken, de emelten op grote schaal worden verslonden.
Liters gif
Intussen hebben de veeboeren, gealarmeerd door de landbouwvoorlichtingsdienst, vooral op de zandgronden, de strijd tegen de larven van de langpootmug aangebonden. Duizenden liters van het contactgif parathion zijn al verspoten en met bizarre gevolgen.
De eerste onbedoelde slachtoffers zijn al gevallen. Dode buizerden, dode torenvalken en dode ransuilen, waarvan het maagonderzoek heeft aangetoond dat zij als rechtstreekse consumenten van emelten het parathion hebben binnengekregen. Dus niet omdat zij aan het einde van de voedselketen met het vergif in aanraking zijn gekomen, zoals in het verleden het geval is geweest met zaadontsmettingsmiddelen, die zij via de veldmuizen naar binnen hadden gekregen.Op zichzelf is het belangwekkend dat deze stootvogels ook emelten nuttigen en wellicht kan hierin een aanleiding worden gevonden het gebruik van parathion te gaan verbieden. Buizerden, torenvalken en ransuilen zijn bij de wet beschermde vogels en het gaat niet aan van deze bescherming af te zien als de bestrijding van emelten in het geding is.
Uiteraard zal er voor de veehouderij een alternatief moeten bestaan en mogelijk ligt dit ook in de wetenschap dat ruige graslanden minder gevoelig zijn voor de invasie van langpootmuggen. En dan niet te vergeten het vogelleger, dat over de best mogelijke natuurlijke uitrusting beschikt om de emelten te lijf te gaan. Maar dan moet die vogels ook de kans worden geboden en daaraan mankeert nog wel wat.
Parende langpbotmuggen: boven het grotere wijfje, dat terstond na de paring ettelijke honderden eitjes met een legboor in de grond deponeert. De hieruit komende larven. de emelten, worden gevreesd door de boeren, maar voor ontelbare vogels vormen zij een lekkernij.
0-0-0
LANGPOTEN
Ik geloof beslist niet dat er dit jaar meer ‘Vadertjes Langbeen’ rondvliegen dan in andere jaren, toch zitten er grote aantallen van die langpootmuggen de laatste weken tegen onze vensterruiten geplakt. Het zjjn slechte tijden voor deze ‘glazenwassers’. Ze zien er absoluut geen been in met dit weer het luchtruim te kiezen, terwijl dat voor het nageslacht toch een bittere noodzaak is. Langpootmuggen zijn slechte vliegers. In de nazomer, zo tegen schemer, laten de mannetjes weliswaar geen perfecte, maar toch een betoverende dans zien. Ze voeren dan op een paar meter boven de grond hun baltsvlucht uit. Het quick, quick, slow doet aan de eerste dansles denken, hoewel de uiteindeljjke bedoeling op die leeftijd toch even anders lag.
Ook het ‘foxy foxtrot, met je elastieken benen’ roept associaties op. Weten de mannetjes tijdens deze baltsvlucht een wijfje te versieren, dan vliegen de gevormde koppels in tandem naar een rustplaats, waar de paringen voltooid worden. Uiteindelijk zal het ontkoppelde vrouwtje in een soort huppeldans boven gazon of weide met haar legbuis een voor een haar eitjes in de grond deponeren. Na enkele dagen dient de nieuwe generatie zich al aan. De kleine maden doen zich tot de vorst invalt tegoed aan de plantenwortels. Zodra de lente zich weer aandient, gaan zij vol goede moed verder met hun schadelijke geknaag. Uiteindelijk zullen zij zich afhankelijk van de soort in juli of augustus verpoppen.
De meest algemene langpootmug, Tipula oleracea, ook wel koollangpootmug genoemd, kan in een gunstig jaar twee generaties grootbrengen, de andere soorten blijven wat langer ondergronds. Met het huidige weertype moeten de langpootmuggen hun amoureuze plannen tijdelijk laten varen. Met de grootste moeite weten ze zich met de griezelig broze onderdanen tussen het hoge gras in de striemende regen en in de harde wind staande te houden. De uitzonderlijk lange poten hebben het voordeel dat de dieren als ze op gras lopen, zich aan een aantal grassprieten tegelijk kunnen vasthouden. Als de stengels door een stevige wind in verschillende richtingen worden bewogen, weten de muggen zo hun houvast te bewaren. Natuurlijk hebben zulke lange poten ook hun nadelen. Een belager heeft je immers zo bij de benen. Evenals de hooiwagens, die in de nazomer en herfst in groten getale op planten en muren voorkomen — u kent ze wel, de spinachtigen die een en al poot zijn — beschikken de langpootmuggen over het vermogen tot zelfamputatie. Wanneer de belager zich nog enthousiast met de opgeofferde poot bezighoudt, neemt de prooi de benen.
Larven van langpootmuggen hebben lak aan slechte weersomstandigheden. Ze leven een paar centimeter onder de grond in nauwe gangetjes. Wanneer je zo’n rolrond dier uit een graszode peutert en op de hand houdt, kun je het goed bekijken. De made is grauw en half doorschijnend. Vlak voor de metamorfose tot langpootmug meet zij zo’n drie centimeter. De kop is intrekbaar en gewapend met krachtige, bijtende kaken. Dat klinkt bloeddorstig, maar in dierlijke prooi heeft zo’n larf, evenals de volwassen dieren, absoluut geen trek.
De larven, emelten genoemd, kunnen met miljoenen de weilanden en ook uw gazon besmetten en door hun geknaag aan de graswortels voor een fikse schade zorgen. Zwaar besmette graslanden veranderen in de zomer in dorre bruine vlakten. Een geoefend oog speurt de gangetjes van de larven op zonder dat de zode gekeerd hoeft te worden. Spreeuwen en roeken zijn daar specialisten in. Het zal geen verbazing wekken dat deze vogels en biologisch denkende boeren dan ook goede maatjes zijn.
Een spreeuwengezin verorbert honderden emelten per dag. Men kan het zich niet voorstellen, maar van ’s morgens ’n uur of zes tot ’s avonds na negenen worden er elke drie minuten één of meer larven aangevoerd. Voor de afwisseling worden er ook veel rupsen van uiltjes, soorten nachtvlinders, aan de jongen gegeven.
De larven werken erg laxerend. Vader en moeder spreeuw weten instinctief dat, ook al liggen de emelten voor het oprapen, dit eiwitrijke voer niet ongelimiteerd gevoerd kan worden. Ook de roeken weten de gangetjes waarin de larven van de langpootmug huizen feilloos te vinden. Ze hoeven niet te ‘luisteren’, zoals we merels wel eens zien doen wanneer ze op een bewegende regenworm gespitst zijn. Spreeuw en roek wroeten na het zien van zo’n gangetje even en het is raak. Of we het leuk vinden of niet, de aanwezigheid van de langpootmuggen maakt duidelijk dat de herfst voor de deur staat. Voor veel insekten betekent dat niet alleen het einde van een lange en vooral hete zomer, maar tevens het einde van hun leven.
Het wespennest bij ons in de tuin, hangende in een meidoornstruik, vertoont duidelijk tekenen van verval Als ik aan de struik schud, komt er uiterst traag nog een drietal wachters aan de deur. Van verdedigen en aanvallen is geen sprake meer. De toekomstige troonpretendenten zijn op zoek naar een veilig onderkomen, als zij dit al niet gevonden hebben. De mannetjes en de niet meer georganiseerde werksters zwerven hier en daar nog wat rond. Alleen de meest plichtsgetrouwe onderdanen van de wespenstaat stoppen, als het weer het toelaat, de laatste larven nog wat dierlijk eiwit toe in de vorm van buitgemaakte vliegen en andere insecten. Het is echter nutteloze arbeid.Het jonge spul zal, evenals de verzorgers, de winter niet halen. Alleen de kroonprinsessen overleven. Zij hebben met de darren gepaard en kunnen daardoor het volgend voorjaar nieuwe staten stichten.
Ook de meeste vlinders houden het voor gezien. Kleine vossen en dagpauwogen kunnen we hier en daar al verstijfd onder vensterbanken, in holle bomen of in huis aantreffen. Deze vlinders overwinteren in het volwassen stadium, als vlinder dus. Als we nog een beetje nazomer krijgen, worden ze weer springlevend. De winterrust moet immers niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Witjes overwinteren als pop, de grote beervlinders brengen als rups de winter door. De donkere sterk behaarde rupsen van de beervlinder kunnen tegen een stootje. Toch zullen ook zij een veilig onderkomen voor de vorst moeten zoeken. De rupsen doen zich eind september nog tegoed aan distels en andere kruiden. Na de derde vervelling treedt de rustpauze in. Ze kruipen weg onder dorre bladeren en andere bodembedekking. Regelmatig steekt er een in draf bij ons de weg over. Snellere rupsen dan die van de grote beervlinder ken ik niet. De gamma-uil, waarschijnlijk de talrijkste trekvlinder in ons land, zal als het even kan nog nectar peuren uit de hemelsleutels.
Evenals bij de atalanta en de distelvlinder zal een aantal van deze nachtvlinder op trek naar het zuiden gaan. Voor de achterblijvers rest slechts de dood. Niet een zal de Hollandse winter overleven. De uiltjes kunnen we vaak zien vliegen rond brandende straatlantaarns. Ook worden ze aangetrokken door de kunstmatige lichtbundels uit de huiskamers. Vleermuizen zijn verzot op deze nachtbrakers. Voor de insecten-etende zoogdieren is het dan ook te hopen dat de trek van de gamma-uilen nog even op zich laat wachten. Vleermuizen kunnen wel wat vetreserve gebruiken voordat ze in winterslaap gaan.
Aan het eind van de zomer rijpen de vruchten. Als we daar in de komende winter van willen genieten moeten we nu actief worden. Allerlei soorten sap en jam kunnen we maken. Een aantal suggesties.
Het is alweer bijna afgelopen. September, toch vaak nog zulk prachtig weer brengend, is de herfstmaand, de maand van Michael die ons al groot en ernstig staat op te wachten om de wintermaanden tegemoet te gaan. We moeten weer bij ons zelf terugkomen na een zomer van laat maar waaien en vakantie vieren.
Voor stadsmensen is dat moeilijker, buitenmensen hebben in juli al de weilanden gemaaid en het hooi opgeslagen en augustus-oogstmaand brengt zeker veel werk met zich mee. Het koren moet gebonden en op schoven gezet vóór het onweer losbarst. Wie de afscheidsgaven van de zomer niet op een landje heeft staan moet nu zoeken en verzamelen. Bramen, natuurlijk, en bosbessen, maar er zijn nog veel meer wilde vruchten waar we ons mee kunnen wapenen vóór de winter komt.
Ik noem er hier een aantal met wat suggesties voor de verwerking. Wat het zoeken en plukken betreft, een goede flora is wel belangrijk want er is veel giftigs tussen al dat rode en zwarte schoons.
Amerikaanse Vogelkers (Prunus Serotina).
In bossen. Rauw zijn de vruchten zoet maar bitter, gekookt zijn ze pas écht lekker. Bijvoorbeeld voor gelei.
Lijsterbes (Sorbus aucuparial).
In bossen en langs wegen. Niet rauw eten, niet écht giftig maar wel sterk laxerend. Voor gelei.
Meidoorn (Crataegus spec.).
Bossen, hagen en duinen. Vooral geschikt om samen met andere vruchten tot gelei verwerkt te worden. Pluk ze niet overrijp dan bevatten ze veel geleermiddel.
Mispel (Mespilus germanica).
In bossen en heggen, vooral in het zuiden van ons land, verder in tuinen. Rauw lekker als ze goed rijp zijn, gepoft als appels in de oven ook heerlijk.
Rozebottels (Rosa spec.).
In heggen en parken. Altijd goed de stugge borstelharen verwijderen, die kunnen veel irritatie veroorzaken. Aardige kinderen bewaren die haren graag om ze als jeukpoeder te gebruiken.
Van de vruchten kan, gedroogd, thee gezet worden. Ook voor limonadesiroop en gelei lekker.
Wilde Appel (Malus Sylvestris).
In bossen en langs wegen. Rauw niet lekker, gepoft met veel zoetigheid wel. Als geleermiddel in gelei heel waardevol.
Zwarte Vlier (Sambucus Nigra).
In bossen, heggen, duinen etc. Verwar nooit zwarte vlier met kruidvlier die giftig is. De eerste heeft houtige stengels en de tweede groene kruidachtige. Voor sap en gelei.
Beuk (Fagus Sylvatica L.).
In parken en bossen. Rauw zijn beukenootjes een klein beetje giftig, niet al te veel zo eten. Geroosterd zijn ze prima consumeerbaar, het meel kan tot brood gebakken worden, als je dóór blijft malen krijg je beukenootjespasta.
Hazelaar (Corylus avellana). In parken en bossen. Rauw lekker, geroosterd of in brood of taart heerlijk.
In de bibliotheek zijn nog wel boeken waar meer bekend en onbekend zoek- en vindbaar lekkers in staat. Een heel leuk en betaalbaar boekje vond ik Eetbare wilde vruchten, zaden en noten, door Erik en Marian de Graaf uit de serie Ecologische Alternatieven van de Kleine Aarde.
Voor wie bezwaar heeft tegen veel suiker en toch echte gelei wil is het leuk om te weten dat Agar-agar (Kanten) een goed bindmiddel is voor gelei. Gebruik dan potten met twist off-deksels en zet die na het vullen en dichtdraaien omgekeerd weg. Zo blijft het allemaal best goed tot het volgende jaar.
En dan nog voor wie op z’n speurtochten naar bovenstaande vruchten langs een verlaat korenveld loopt: probeer van de boer wat tarwe of haverstro los te krijgen. Want ook dat hoort bij deze tijd, vlechten met goudgeel stro. Er zijn natuurlijk heel ingewikkelde dingen te doen met stro maar het is ontspannend om er gewoon lange vlechten van te maken. Daar kun je dan verder mee werken. Maak er kransen van, en harten, sterren en zonnen en hang ze dan op boven de eettafel om dank te zeggen aan een zomer die misschien niet ideaal was maar toch weer goed voor ons heeft gezorgd.
Het begin van het nieuwe schooljaar voor de kleuters valt in de zomer die ten einde loopt, in de oogsttijd. De ‘dankdag voor het gewas’ wordt nog altijd gevierd op de eerste zondag in oktober. Het hoort bij de jaarcyclus; in de kleuterklas is het zelfs een van de hoogtepunten in de rij van feesten.
In onze tuin hebben we de mogelijkheid wat te planten. Al zijn het maar een paar bonen of wat peterselie, de kinderen beleven er toch aan hoe het groeit, rijp wordt en geoogst wordt, hoe we het in een mandje doen en op de oogsttafel leggen.
Heel belangrijk en indrukwekkend voor de kinderen is in deze tijd de beleving die de kinderen hebben bij de voorbereiding van ons brood dat we bij het oogstfeest bakken. Van de boer hebben we een schoof graan gekregen met de vier graansoorten: tarwe, rogge, gerst en haver. Die staat in het midden bij ons oogstspel dat ons gedurende de twee, drie weken voorbereidingstijd op het feest vergezelt. Dit spel vertelt in liedjes en ritmische versjes over het zaaien, groeien en oogsten, over dorsen, malen en bakken. Wat er in de natuur gebeurt en de gebaren van het mensenwerk worden in beweging omgezet: ze worden in zekere zin kunstzinnig nagedaan in het spel, waarbij de juf het voorbeeld is en de kinderen nabootsend bezig zijn.
Rust maar graantje, ben je moe,
De zachte aarde dekt je toe.
Tot het zonnelicht je wekt,
Dat je blij je halmpje strekt.
Zon en maan en sterren
Groeten je van verre.
Groene halmen wiegt de wind,
die je vol met korrels vindt.
We slaan met de vlegels,
Het dorsen begint.
Het graan voor de boeren,
Het kaf voor de wind.*
Ruh, Körnlein ruh,
Erde deckt dich zu.
Bis der Sonne Licht es weckt,
Fröhlich es sein Halmlein streckt.
Sonne Mond und Sterne
Grüssen es von ferne.
Grüne Halme wiegt der Wind,
Bis sie schwer von Körnern sind.
Wir schwingen den Flegel,
Das Dreschen beginnt.
Die Körner dem Bauern,
Die Spelzen dem Wind.
.
Met een klein verhaal kun je ook wel de inhoud van het spel aan de kinderen vertellen, maar omdat kinderen in het bewegen leven, is het veel indrukwekkender voor hen, wat er gebeurt zelf te doen; daarbij bereik je ze veel meer.
Uiteindelijk breekt de dag aan waarop alle kinderen meehelpen de aren van de schoof af te knippen en ze in een mand te leggen. IJverig werken ze en wat beleven de kleine handen en ogen? Ze tasten en zien (niet altijd bewust) de aard van iedere graansoort: het stevige, rechtomhoog van de tarwe, het weerbarstige, het langwerpig slanke van de rogge met zijn zijdeachtige kafnaalden, het weerbarstige van de gerst met zijn lange kafnaalden die overal aan vast blijven zitten en het puntige van de haver die zijn korrels zo apart verdeelt.
Wanneer de aren afgeknipt zijn, kunnen we ons ‘dorsfeest’ vieren. Daarvoor spreiden we samen een groot wit kleed op de vloer uit. Voor ieder kind wordt daarop een houtblok gelegd en een kommetje van hout, klei of zelfs een schelp ernaast. Op iedere plaats wordt een aar neergelegd en dan lopen we met een lied uit het oogstspel om het kleed heen. Ieder kind vindt een plaatsje en samen beginnen we, ons oogstlied zingend, de korrels met de houtblokken uit de aren te kloppen. Daarbij is weer veel te ervaren: klop ik te zacht, dan komen de korrels echt niet uit hun kafhuisje; klop ik te hard, dan breken de korrels al meteen. Met onze vingertoppen voelen we of de aar leeg is, want vaak verstoppen de korrels zich zo in hun kafhuisje dat je ze bijna niet kan zien en we hebben toch echt alle korreltjes voor ons brood nodig. Uiteindelijk doen alle kinderen de uitgeklopte korrels in hun kommetje bij elkaar: de rondachtig, roodgele tarwekorrels, de langwerpige, blauwgele roggekorrels, de heldere gerstekorrels en de puntige haver dat zijn kafhemdje bijna niet goed uit wil trekken. Er komt natuurlijk ook kaf in de kommetjes, maar dat geeft niets: we kunnen zelf wind maken en het zacht met onze adem wegblazen. Tot slot verzamelen we alle korrels uit de kleine kommetjes in een grote: het zijn er echt heel veel, maar nog niet genoeg voor een brood. Dus gaat het dorsen nog een paar dagen door, dan op tafel tijdens het vrije spel. Nu halen we ook onze molen tevoorschijn en de kinderen beleven hoe de korrels daarin kleiner worden. Dorsen en malen gaan nu hand in hand: de kinderen slaan de korrels uit de aren, verzamelen ze in hun kommetjes en malen ze in de molen of in een oude koffiemolen, waarin ze tot fijn meel worden.
De kinderen voelen aan de korrels, het maalsel, het meel, ze proeven ervan en brengen ook volle kommetjes naar hun poppenhuis als maaltijd.
De meelkom wordt steeds voller, tot we kunnen zeggen: nu is het genoeg voor een brood. De kinderen kijken met grote spanning uit naar de bakdag. Alle ingrediënten worden klaargelegd: meel, water, zout, kruiden (anijs, koriander, karwij, honing) en rijsmiddel. Meteen ’s morgens, wanneer de eerste kinderen er zijn, wordt het gistdeeg klaargemaakt. Is het zo ver dan worden alle bestanddelen gemengd en ijverig voorgekneed, ook de kinderhandjes helpen. Er zijn altijd wel kinderen die niet zomaar meedoen; ondanks dat beleven ze alles mee door de werksfeer die om hen heen hangt.
Nu wordt het deeg op een schaal gelegd waar het een mooie ronde broodvorm krijgt. We dekken het toe en kunnen na een poosje zien hoe het deeg onder de doek begint te groeien, hoe het steeds groter wordt.
eindelijk is het dan zo ver, het bakblik wordt met meel bestrooid, het brood gaat erop, met een mes maken we er een mooi kruis in en schuiven het in de oven. Al gauw begint het erg lekker te ruiken – de geur trekt door de hele ruimte. Enthousiast en met bewondering wordt er naar het brood gekeken, wanneer het uit de oven komt. Twee dagen later ligt het op onze oogsttafel, omringd door kaarsjes en vele liefdevol versierde mandjes met fruit, groente en bloemen die de kinderen van thuis hebben meegebracht.
Wanneer we zo het ene mandje na het andere op onze feestelijke oogsttafel zetten, beleven we een rijkdom: de tafel is zelfs te klein voor alles wat er meegebracht is en we voelen ons dankbaar voor wat moeder aarde ons geschonken heeft. Wanneer we dan allemaal om onze tafel zitten, luisteren we naar een verhaaltje over het brood. De liedjes en versjes van ons oogstspel klinken nog een keer en wanneer uiteindelijk van ons zelfgebakken brood wordt gegeten, wordt dat met aandacht gedaan. Ook de ouders mogen van ns brood proeven. Tussen de liedjes en het dansen nemen we ook iets uit de fruit- en groentemandjes om vrolijk van te smullen. De volgende dag koken we van de vele groenten een groentesoep.
Uit dit alles moge blijken dat de zintuigen van de kinderen sterk worden aangesproken: met het bewegen, de ogen, de oren, de neus, de mond, met de handen wordt alles waargenomen wat er toe leidt dat ons brood er kan komen, zonder dat we dat met woorden hoeven uit te leggen. Wat we in volgorde doen is logisch en voor de kinderen doorzichtig: ze beleven hoe het ene na het andere moet worden gedaan, tot uiteindelijk het brood klaar is en gegeten kan worden.
Als we zo het kind dergelijke overzichtelijke arbeidsprocessen ( ook andere voorbeelden zouden gegeven kunnen worden) laten beleven, leggen we een basis voor het vermogen logisch te kunnen denken na het 14e jaar.
.
Dankzij de harmonie en het ritme in de kosmos kan het heelal bestaan. Als we on-ritmisch worden, worden we ziek. Voelen we het ritme niet, dan hebben we geen tijd meer, de tijd heeft ons, we hebben het te druk. Het gaat om het juiste ritme van de dag, het jaar, het leven.
Daarom is het zo fijn dat we hier vier jaargetijden hebben. Lente, zomer, herfst en winter. De zomer is nog maar net voorbij, het is najaar. Opeens voel je op een ochtend: de zomer is voorbij, het is herfst geworden. Door de jaren heen heb ik gehoord dat de meeste mensen niet van de herfst houden. Er is zo’n spreekwoord: “Als de blaadjes vallen ….” ’t Wordt koud, nat en donkerder en toch ….
Zo mooi is het park in de herfst, nevelig, nevelvrouwen boven de vijvers, het zonlicht getemperd tot gouden schijn, je moet de sfeer proeven en ruiken. Niet in de stad natuurlijk, maar buiten in het park of bos, ook wel in een tuin, hoewel deze er soms wat melancholisch uit kan zien. Prachtig de herfstbladeren met hun warme kleuren en toch zo doorzichtig, anders doorzichtig dan in de lente. Vruchten overal. Overal oogst die binnen gehaald wordt … wat is onze oogst?
De vruchten aan de bomen soms verrassend tussen de bladeren. We hebben in de klas St.-Michaël gevierd, vroeger ’t boerenfeest van de oogst… Heerlijk zoet waren de druiven als laatste zomergroet van de zon, peren, noten, appels. Wat kun ja niet allemaal doen met zo’n appel! Snij je die in dunne plakjes en houd je ze tegen het licht, je ziet de bloem, en de gaatjes van de pitten zijn een ster. Dwars doormidden een hart. Dan kan het nog een “toverappel” worden of een paddenstoel, ja, noem maar op wat zo’n appel niet kan in de kleuterklas.
Dennenappels zijn ook fijn en veel mee te doen. Vrouwtjes, bomen, herfstvogels. De zaden van de dennenappel die zo mooi naar beneden dwarrelen, daarna maken we ze van papier, dat we mooi kleuren, “dwarrelaars” .Verzamelen van kastanjes en eikels. Van alles wat we bijeen zoeken maken we een grote herfsttuin. En alle kinderen maken op een papieren schaaltje ieder voor zichzelf ook een mooi herfsttuintje.
Het lopen door de afgevallen bladeren! Straks zijn ze droog en ritselen ze zo leuk.
Nu kijken we dóór de afgevallen bladeren, zijn ze licht? Schijnt ’t licht er nog door of zijn ze al donker? Van de bladeren die we drogen, maken we een mooi schilderij tussen broodpapier.
Michaëlssprookjes vertellen van de overwinning door moed. De draken worden overwonnen. Eindeloos kan gespeeld worden van de kippen en van Prins Herfst. Vliegeren is ook fijn in de herfst.
In november is de oogst binnen. Wolken jagen door de lucht, het stormt, de bomen zijn kaal, het wordt St-Maarten! Op 11 november vieren we het feest van St.-Maarten. Was er in de zomer veel licht van buiten, nu moet het van binnen gaan schijnen. Uit de donkere aarde halen we de knolraap, suikerbiet of wortel en maken daar ruimte in om het licht te laten schijnen in de duisternis. Je gaat van buiten naar een huis toe. Buiten in de storm moet je het lichtje van de lantaren hoeden. Héél vroeger offerden we aan de Goden na de oogst. De arme mensen gingen met hun lantaren langs de boeren om ook iets van de oogst te krijgen voor de lange koude winter. Veel liedjes zijn daarvan overgeleverd.
Er wordt nog St.-Maarten gevierd in verschillende streken van ons land. In de kleuterklas komen meestal de ouders helpen de wortelen of knollen uit te hollen’. Dat worden dan ware kunststukken] Een echt vóórfeest met de ouders, en kinderen. Op Sint-Maarten lopen we met de lichtjes en zingen sint-maartenliedjes. Sint-Maarten schenkt de bedelaar de helft van zijn mantel.- Iets van jezelf schenken aan de ander is niet altijd vanzelfsprekend. Het is een wilsdaad.
Veel kleuters verheugen zich erop om met de “grote” kinderen van de school ook nog in ’t donker door het Vondelpark te lopen met hun eigen lichtjes. Dat is een beleven, ’n lichtje in je lantaren en vele lichtjes om je heen.
Sprookjes van Grimm, Lemniscaat Daaruit: De grafheuvel (195) – De twee gebroeders (60) – IJzeren Hans (136) – Het blauwe licht (116) – De stukgedanste schoentjes (133) – De gouden sleutel (200), Het gespuis (10), Sterke Hans (166)
Daar staat de herfsttafel! En of er nu krokussen bloeien op die tafel, of koningen op weg gaan naar het kind in de stal, het hele jaar rond wordt gepraat over ‘de herfsttafel’. Als het lage septemberlicht de bedauwde spinnenwebben laat glinsteren en het eerste goudgerande berkenblad het natte gras siert, is er grote bedrijvigheid rond deze centrale plaats in het huis. De kinderen trekken naar buiten om herfstschatten te verzamelen die binnen met veel zorg worden verwerkt, of zo maar op tafel worden neergelegd.
Déze bedrijvigheid is er alleen aan het einde van de zomer, en voor de kinderen is het een begin van een lange heerlijke tijd die komen gaat.
Als ze met hun volle mandjes voor de herfsttafel staan hoor je ze zacht tegen elkaar zeggen: ‘Straks staat hier de stal’. Na een lange warme zomer, waarin we opgingen in alles wat de natuur ons zo uitbundig bood, komt nu de tijd dat de plantenwereld nog één keer in haar herfstkleuren zal oplichten. Dan verdwijnen licht en warmte uit de natuur die ons omgeeft. De vruchten worden geoogst en de levenskrachten trekken samen in de zaden, die zullen blijven rusten tot ze door warmte en licht weer worden gewekt. Wij mensen verinnerlijken de krachten die in de zomer werden opgedaan, maar hoeven niet op licht en warmte van buiten te wachten. Met bewustzijn en enthousiasme doen we in ons zelf die krachten opnieuw ontkiemen. Alles wordt weer opgepakt en nieuwe initiatieven ontwikkeld (de scholen beginnen niet voor niets weer tegen de herfst). Kinderen die nog weinig zelfbewustzijn hebben, beleven deze processen intuïtief door het omgaan met de herfstschatten. Op 29 september wordt van oudsher het herfstfeest gevierd. Het is gewijd aan Michael. In het twaalfde hoofdstuk van de openbaring van Johannes staat geschreven hoe de aartsengel Michael, als aanvoerder van het hemelse leger, de draak verslaat en hem uit de hemel op aarde werpt (de val van Lucifer). Op afbeeldingen zien we hem met het zwaard, soms met een weegschaal. Verhalen en legenden vertellen, hoe hij staand voor Gods aangezicht mensen leert goed en kwaad te onderscheiden en hoe hij hemels licht in mensen harten, denken en doen kan kan laten doordringen.
En wat doen we in deze tijd dan met de kinderen, de kleintjes die binnen manden vol eikels omkeren, en de groten, die kastanjemannetjes maken, flauwekul vinden? Kleine kinderen kunnen veel beleven aan een plek waar met zorg bijvoorbeeld herfsttakken, een mooie zonnebloem, gekleurde bladeren, opgewreven vruchten, graanhalmen of gevonden schatten te zien zijn. Wanneer alles wat uit de manden en jaszakken tevoorschijn komt, zoals schors, hout, veertjes, eikels, kastanjes, beukennoten met hoedjes of bolsters, bij elkaar op tafel wordt gelegd, en daarbij komen: luciferhoutjes, priem, papier, plasticine of bijenwas, schapenwol of watten, een tube lijm en voor de kastanjeketting een stevig touw en een breinaald, die roodgloeiend door de kastanjes heengeprikt moet worden, dan gaan de kinderen vanzelf aan het werk (en misschien zijn de voorbeelden een hulp). Halve walnoten, die een kaarsje dragen of een zeil, kunnen echt op het water varen. Grote kinderen kunnen zelf een vlieger maken (het Duitse woord voor vlieger is Drache). In sommige streken proberen kinderen met scherpe voorwerpen aan het vliegertouw, elkaars vliegers los te snijden om zo de draak te overwinnen. Als er gereedschap in huis is kunnen de oudere kinderen zelf een pers maken (zie voorbeeld) om de gekleurde blaadjes, en in de zomer de bloemen, in te drogen. (Tussen kranten onder een stapel boeken gaat het ook).
Maaltijden kunnen op zo’n feestdag anders zijn dan anders. Uit de grote keus van vruchten en granen, die zij zelf hebben zien oogsten, of hebben geoogst en waaraan verhalen verbonden kunnen worden, zal iedereen een feestelijke maaltijd samen kunnen stellen. (Denk dan bijvoorbeeld ook aan maiskolven, noten, meloenen, kalabassen…)
HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST
De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja…… Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijde, maar onderling toch verschillend.
St-Michaël, 29 september, in de natuur vinden we vruchten en een uitbundige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte alsde ochtendnevel isopgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.
St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.
St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten ‘s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zichbinnen af.
In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de kerst.
Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.
St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.
St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde. Het kaarsje in de hand duidt al op Kerstmis, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.
St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veelsymboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz. Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesignaleerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint-Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!
Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen totons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.
Dit jaar heb ik een poging gedaan op de herfst te letten. Soms is dat gelukt. Tot nu toe heb ik van alles gezien: stormen, onweer, bliksem, snel voortzeilende wolken, dichte mist, plotseling warme dagen met goudachtig licht, fel kleurende bladeren aan de bomen en op de aarde, stervende planten, veel zaden en vruchten.
Net als in de andere jaargetijden heb je innerlijk de vrijheid om te kiezen:
meegaan in het natuurgebeuren, of er ook iets tegenover te stellen vanuit jezelf.
In de herfst betekent dit meegaan onder andere, dat je heftig heen en weer geslingerd kan worden als in een storm. En ook: dat je ‘meesterft’ met de natuur: moedeloos wordt, het niet meer ziet zitten, diepe depressies. Dat kan elk jaar weer raak zijn: je let misschien een tijdlang niet op, bent niet wakker voor wat er na de zomer om je heen en met jezelf gebeurt, je zou zo graag die zomerdroom vast blijven houden. Dan komt de confrontatie met de werkelijkheid van jezelf en je omgeving. Als je dan nog niet wilt, heb je grote kans dat de draak met een grijns zijn koppen opsteekt, belust op een prooi.
Uit een gesprek: Een paar eigenschappen van de draak: ‘Hebzuchtig, vult leemtes op, begerig, wil jonkvrouwen verslinden, verstard, afgunstig, onbetrouwbaar, sluw, laks, verterend, vuurspuwend, verschroeiend’.
Natuurlijk doet hij regelmatig een spectaculaire aanval. Maar ook in kleinere dingen is hij sluw: hij fluistert bijvoorbeeld in je ene oor met zoete stem dat je maar mooi moet blijven dromen. En je breekt enkele serviesstukken, bent ontevreden met bijna alles, de rommel in huis stapelt zich op, je stoot regelmatig flink je hoofd, je ledematen worden traag, je wordt doodmoe. Volwassenen en kinderen vragen je aandacht, maar je wilt het alleen prettig hebben, weert ze geïrriteerd af, nu kun je geen antwoord geven.
Ook in je andere oor sist het ondier zo het een en ander. Je sluit je af, wordt ‘hard’, dreigt ruzie te maken of je doet het meteen, je kijkt scherp tegen de harde, materiële kant van de wereld aan, ziet graag de slechtste kanten van anderen en van jezelf en je bent daardoor hoofdzakelijk met jezelf bezig.
Als je het positief kunt zien, dan weet je na die confrontaties met de ‘draak’ precies wat je nog niet in de hand hebt wat je nog niet kunt hanteren, en dan kun je dus aan het werk. Dat betekent strijd.
Hoe ga je daarmee om, hoe vind je een wapen in de strijd? Zijn er af en toe medestrijders?
Een eerste wapen: momenten ‘maken’ waarin je de moed hebt de draak recht aan te kijken en te accepteren. Dan misschien: erin te kruipen, je ermee te verbinden.
Luisteren naar het monster vergt energie. Als je die energie kunt afwenden van het luisteren en richten op je ‘strijd’; bijvoorbeeld regelmatig tussen de drukte en het gewoel van je leven wél op anderen letten, wakker en open te zijn, alleen met datgene bezig te zijn wat je op dat moment doet. Dan heb je soms van die momenten dat er ‘invallen’ komen als iemand iets aan je vraagt, dan sneuvelen er minder kopjes, blijft de orde in huis binnen je maat, ben je niet zo gauw moe, krijg je zin om nieuwe dingen te doen, en heb je zekerheid in je gevoel over het bestaan van een niet-materiële wereld.
Er is een houvast: buiten ontstonden er in zomerwarmte en licht vruchten en zaden. Veel zaden worden door de aarde opgenomen, blijven rusten gedurende de winter, ontkiemen daar volgend jaar, als alles goed gaat. Als je in de zomer goed hebt opgelet, niet alleen maar gedroomd, weet je van de ‘vruchten en zaden’. Als je ‘harte-lijk’ kijkt, vermoed je soms bij anderen een dergelijk proces. De winter blijkt dus niet zó koud en ‘dood’ te zijn. In de aarde en in jezelf zijn warmteplaatsen die je niet vermoedde Dit jaar ga ik met verwachting de kersttijd tegemoet.
Met het feest van Michaël, als de dag even lang is als de nacht, begint de herfst. De hele zomer zijn we naar buiten gericht geweest en zijn we veel naar buiten gegaan. Zelfs als het weer niet zo zonnig zomers was als we zouden wensen, dan toch waren we bij ‘buiten’ betrokken. Nu gaan we weer binnenshuis leven. Buiten zien we de kleuren van herfstbloemen- en bladeren feller opbloeien dan ooit, om hen dan te zien afsterven. Voor veel mensen is dit een weemoedige tijd, die herinnert aan de dood. Niet iedereen kan de troost voelen dat het licht van Michaël biedt aan het begin van een donkere tijd, en niet iedereen voelt het weer licht worden in de kersttijd.
Herfst is niet alleen sterven. De zomer trekt zich terug, de winter groeit; maar de kiem voor de volgende lente en zomer is er. De afvallende bladeren hebben ruimte gemaakt voor de knoppen. Wie nu naar bomen en struiken gaat kijken, zal de ronde bloemknoppen en de spitse bladknoppen voor het volgende jaar ontdekken. Daar komt niets bij, daar gaat niets af. De hele winter zijn ze veilig, pas als ze zich openen in de lente lopen ze gevaar. Steeds weer gaan de seizoenen in elkaar over. De winter met de kiem van zomer in zich, en de zomer met de kiem voor de winter in zich: in de vorm van voorbeschikt zijn om weer af te sterven.
Voor mij is de herfst een seizoen waarin ik me oprecht dankbaar voel voor de oogst. Alweer is het hier gelukt! Tegelijkertijd komt er altijd een gevoel over me van een schuld die elk jaar groter wordt, naarmate het hier steeds weer lukt, en de oogsten op andere delen van de wereld steeds maar weer geheel of gedeeltelijk mislukken. In deze tijd maak ik de meeste goede voornemens van het hele jaar. Ik krijg een enorme drang om van mijn ‘oogst’ te gaan delen; maar moet helaas vaak constateren dat mijn oogst te lijden heeft gehad van vorst en droogte en niet zo uitbundig is als ik zou wensen. Misschien is dat wel een aspect dat ons droevig kan stemmen: te voelen dat we te weinig oogst te bieden hebben. Er is dan altijd nog een troost uit het plantenrijk: een boom kan niet elk jaar, ook als de uiterlijke omstandigheden volmaakt zijn, even veel vruchten dragen. Soms heeft hij zoveel gedragen dat hij geen kracht heeft om bloemknoppen te vormen en het volgend jaar ‘slechts’ blad geeft.
Een beetje herfst met de kinderen… Door de storm lopen, bedolven raken onder de dikke ritselende laag bladeren, erdoorheen waden, nootjes zoeken. Het lijkt alsof het kind dat afsterven overslaat en veel uitbundiger, stormender de winter in gaat. Het is nu nog niet de tijd om met hen in het winterse knutselen weg te duiken. De zomer en de herinnering aan de zomer zijn nog zo dichtbij. Om daar bij stil te blijven staan, geeft veel rust en warmte aan de kinderen. Daarom laten we bladeren en vruchten door onze handen gaan. Behalve het maken van jams en sappen heb ik het gevoel dat het in stukjes snijden, rijgen en ophangen (om te drogen) van vruchten heel zuiver is en dat kinderen de oogst en de bewaarkracht ervan voor de winter, op die manier diep ervaren. Kleine kinderen, die anders nooit een mes krijgen, zullen verrukt zijn, als ze nu bananen in plakjes mogen snijden, en met een kinderschaartje appels en champignons mogen knippen. De grotere kinderen kunnen ook goed prei en selderij snijden. Van elk soort wordt met katoenen garen een snoer geregen. Die kunnen vrij van de muur op droge warme plaatsen in huis opgehangen worden. Bij verwarmingsbuizen gaat het heel goed.
Ook bladeren drogen en rijgen, schilderijtjes maken van nootjes, korrels en zaden, dat is namijmeren over de zomer die voorbij is en voorbereiden op de winter die komt.
En wie kleuters heeft en het geld ervoor kan missen zou (voor ongeveer zestien gulden) Tomtebobarnen‘ van Elsa Beskow* (uitg. Bonniers Stockholm) moeten kopen. Daarin worden met ijver bessen en paddestoelen gewreven en geregen; graswol wordt gekaard en gesponnen. Daar kunnen deze ‘kabouterkindertjes’ zich de hele winter van voeden en kleden.
Vier muisjes sjouwen af en aan. Ze verzamelen graankorrels, strootjes en nootjes voor de winter. Frederick, de vijfde muis, zit daar maar. Wat hij doet, vragen de vier muisjes. Wel, hij verzamelt zonnestralen voor de koude winter, kleuren voor de grijze winter en woorden voor de lange winter. De muisjes zijn tevreden met Fredericks antwoord, ook al snappen ze hem niet. Als dan de tijd gekomen is, dat de voorraad opgeknabbeld is, de muisjes uitgebabbeld zijn, dan is het koud en kil.
‘Waar is jouw voorraad, Frederick?’ En Frederick geeft hun zijn oogst en vertelt over de zonnewarmte, de kleuren van de bloemen en hij draagt een gedicht voor over de seizoenen. Alles is nu warm, kleurig en blij in hun hol. ‘Frederick, jij bent een dichter!’
.
J.F.Zeylmans van Emmichoven, Jonas *18-10-1974
.
strijd tussen moed en depressie in de herfsT
over de embryonale ontwikkeling van nieuwe kiemen
Tot groot verdriet van veel mensen is een paar weken geleden* de herfst weer begonnen. Om precies te zijn: op maandag 23 september jongstleden. De zon ging die dag (volgens de astronomen), in tegenstelling tot andere dagen precies in het oosten op en precies in het westen onder. Drie dagen later was de dag even lang als de nacht, elk duurde dus exact 12 uur. Met grote spoed blijven de dagen in deze tijd van het jaar korter worden — als dit nummer verschijnt duurt een dag al vijf kwartier minder dan drie-en-een-halve week geleden. Over ruim een maand is een dag nog maar 9 uur, kort voor Kerstmis nog maar 8½ uur, dat wil zeggen dat de nachten dan ruim 15 1/2 uur lang zijn. Toch is dat niet de enige reden dat de herfst elk jaar opnieuw voor veel mensen een deprimerend jaargetijde is — de moeilijkste periode om doorheen te komen.
Wie nog even volhoudt zal kort voor Sinterklaas, dus over ’n week of zes, zeven, een onschijnbare maar beslissende verandering kunnen zien: dan gaat de zon gedurende enkele dagen steeds op hetzelfde tijdstip onder (ca. tien over half vijf) en daarna begint het ogenblik van ondergang weer dagelijks later te worden. Dat zet al op 14 december in. Toch blijft de duur van de dag in z’n geheel nog verder inkrimpen, tot 17 december, omdat de zon nog later opkomt. Dan blijft het gedurende negen etmalen ongeveer 8½ uur dag en ca. 15½ uur nacht. Op tweede kerstdag begint de lengte van de dag weer toe te nemen en de nachten worden korter. De meeste mensen interesseren zich niet voor dit soort verschijnselen, en dat zou weleens mede tot de oorzaken kunnen horen dat velen het zo moeilijk hebben in de herfst. Het jaarverloop zit vol met typische fenomenen waar we nooitbij stilstaan. Dat de dagen korter worden is bijvoorbeeld helemaal niet typisch voor de herfst – dat begint al op 24 juni! Goed, de dagen duren dan 16 uur en de nachten maar acht (ze zijn bovendien niet zo pikdonker als ’s winters) en daarom letten we er niet zo op. Typisch voor de herfst is veelmeer dat hij inzet met een eerlijke verdeling tussen licht en duisternis: dag en nacht zijn even lang (dag en nacht-evening’), een soort weegschaalsituatie. De dag-en nacht-evening in de herfst heeft natuurlijk een parallel in het voorjaar, dan komt op 21 maart het ogenblik dat de dagen weer even lang zijn als de nachten (astronomisch ligt dat ogenblik iets vroeger). Winter en voorjaar is dus de tijd waarin de dagen langer worden, zomer en herfst die waarin de nachten langer worden. Globaal gezegd is de langste nacht (en tevens het keerpunt, waarop het licht weer toeneemt) met kerstmis; en de langste dag is op 24 juni, dat is de feesttijd van Sint-Jan (Johannes de doper). Herfstpunt en lentepunt staan daar precies tussen: begin van het voorjaar tussen kerstmis en Sint-Jan, begin van het najaar tussen Sint-Jan en kerstmis. Als je het jaar als een cirkel voorstelt, ontstaat er een kruisvorm binnen de jaarkring, waarbij tegenover Kerstmis de midzomer staat, en tegenover het lentepunt het herfstpunt. Er is al vaak op gewezen dat er nog andere samenhangen in de perioden van de jaarkring verborgen zijn – tegenover de langste nacht, met Kerstmis, staat de langste dag, met Sint-Jan; maar wat zijn dat voor feesten?
Er staan twee grote figuren tegenover elkaar: Jezus en Johannes de doper. De geboortedag van de een valt op het ogenblik dat het licht begint toe te nemen, de feestdag van de ander als het licht gaat afnemen.
De verwekking van beiden staan ook in verband met elkaar: de ‘aankondiging’ van Johannes in de herfst —dat verhaal vormt zoals bekend het begin van het Lucasevangelie. En ‘zes maanden daarna’ (dus in de lente) de ‘aankondiging’ van de geboorte van Jezus; die wordt direct aansluitend eveneens in het Lucasevangelie beschreven. De beide moeders kenden elkaar ook, Maria gaat bij haar nicht Elisabeth (Johannes’ moeder) op bezoek. In overeenstemming met de duur van een zwangerschap wordt het kind dat in het voorjaar is aangekondigd (als de natuur begint uit te lopen, en alles jong en nieuw is) in de midwinter geboren: in de langste nacht, maar ook op het keerpunt, als het licht weer gaat toenemen. De figuur van Johannes de doper heeft meer het karakter van het ‘oude’, afnemende, gerijpte: in de herfst wordt zijn geboorte aangekondigd (bij hoogbedaagde ouders), negen maanden later, op 24 juni, wordt hij geboren — de langste dag van het jaar, als het licht ‘oud’ begint te worden en gaat afnemen. Zo staan vier ogenblikken in het jaar twee-aan-twee diametraal tegenover elkaar; maar door het bovenstaande is in het zogenaamde jaarkruis nog een ander verband ontstaan: het lentepunt blijkt met kerstmis, het herfstpunt met de midzomer (Sint-Jan) samen te hangen, doordat je de verwachtingstijd van 9 maanden erbij betrekt.
Die ‘verwachtingstijd’ is niet alleen maar een biologisch feit — al zou de Stimezo het reuze fijn vinden wanneer iedereen dat voortaan zou denken. Het gaat om een tijdspanne van 280 dagen of 10 (maan-)maanden van 28 dagen (ofwel 7 periodes van 40 dagen). Dat dat de ontwikkelingstermijn voor een menselijk embryo is wil niet zeggen dat het alleen maar daarvan de tijdmaat is. In oude geschriften en occulte literatuur staat de periode van ’40 dagen’ reeds als een heilige maat, die vanaf oertijden bekend is. De mens maakt die in Zevenvoud door om zijn aards lichaamkrijgen. De geest, dus de individualiteit van een mens, gebruiktdie periode om uit het voorgeboortelijke bestaan naar een aards bestaan toe te komen en bij de geboorte in ruimte en tijd te gaan leven. Zou het kunnen zijn dat de periode van 280 dagen nog op een andere manier in de jaarcyclus voorkomt? Als een tijdspanne waarin je ‘mens kunt worden’? Dat zou weleenszo kunnen zijn, maar op een subtiele wijze in het jaar verborgen, datje er zonder meer overheen kijkt.
Als je namelijk van 29 september het bedoelde getal van 280 dagen terugtelt, kom je op 24 december. Diedag heet, naar een oeroude traditie, de dag van Adam en Eva. Zoals bekend is dat het eerste oudste mensenpaar. Onmiddellijk op die dag volgt de kerstnacht: de geboortenacht van Jezus-Christus. Dat feest wordt elk jaar gevierd, niet alleen als herinnering aan de geboorte van Jezus van Nazareth, maar omdat veel mensen aanvoelen dat er elk jaar in de kerstnacht een kiem gelegd wordt — of om het met de woorden van de mysticus Angelus Silezius te zeggen: ‘wordt Christus duizendmaal in Betlehem geboren en niet in jou: dan ben je eeuwiglijk verloren.’ Vat je de impuls van Kerstmis zo op, dat er een kiem wordt gelegd voor een nieuwe mens in je oude mens dan is 29 september (veertig weken later) het geboorte-ogenblik (in mystieke, religieuze zin bedoeld) van die kiem. Dat is de naamdag van Michaël, de strijdende aartsengel uit het 12e hoofdstuk van de Apokalypse, aanvoerder van de hemelse hiërarchieën, de engel die als ‘gods aangezicht’ in het bijzonder met het mensengeslacht in verband wordt gebracht. De oude christelijke jaarkalender kent na Sint-Jan geen grote feesten meer tot aan advent — zomer en herfst zijn daar een ‘feestloos’ halfjaar. Door het werk van Rudolf Steiner is de naamdag van Michaël echter voor veel mensen in de aandacht gekomen; Steiner heeft in de laatste jaren van zijn leven alles gedaan om een nieuw begrip te wekken voor Michaël, en er ook op opmerkzaam gemaakt dat deze hiërarchische macht op het ogenblik als ‘tijdgeest’ heerst (wat in de oude joodse mystiek en blijkens Agrippa von Nettesheim al in het vroegere occultisme bekend was).
Door Steiner en de antroposofie is op de vrijescholen, die volgens zijn leerplan trachten te werken, het feest van Michaël geïntroduceerd. In de beweging voor religieuze vernieuwing, de Christengemeenschap, wordt de feesttijd van Michaël — dit jaar vanaf zondag 29 september — met bijzondere hymnen ingeluid. Ook elders is in antroposofische werkgebieden de herfst de feesttijd van deze aartsengeltijdgeest. Op zijn naamdag kun je je erop bezinnen, met welke vernieuwingskiemen je sinds kerstmis ‘zwanger
bent’, in de zin van een strijd tussen licht en duister — niet zozeer in verband met het uiterlijke zonlicht, maar meer ten aanzien van het evenwicht tussen moed en vertwijfeling. Redenen om in deze periode van het jaar (en ook in de herfstsfeer van onze cultuur) te vertwijfelen, zijn er te over, maar het zijn uiterlijke redenen. Kiemen voor moed dient men zich op andere wijze te verwerven.
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;
.
. KNUTSELEN
draak van grillige tak Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt. Jonas 4, 21-10-1977 . grasmatje weven Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet, bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt. . herfsttafel De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenentafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.
Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uitstallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren, zonnebloemen etc. Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel. Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun gevonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken. Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uitstallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren, zonnebloemen etc. De draak kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St.-Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten. . bron onbekend . In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:
kaars voor de Michaëlstijd Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur. (Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan). Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.
kastanjes en eikels| Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.
Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes
kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.
Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.
Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken) .
kijkdoos Een (schoenen)doos Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.
Ideeën: eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen. . koffertje om in te verzamelen Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten. . kransen en slingers
lantaarntje Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn. Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog. drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad. .
mozaïek van zaden Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Verdwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik. Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk domweg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een onvoorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad ondergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gedeponeerd, waar het na de winter ontkiemen kan. Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidingstechnieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bomen en planten zorgen ook zelf voor de verspreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulpmiddelen en hun dan snel de vrijheid te geven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleugelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met kleine haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien! Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versieringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rijgen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een brochespeldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transparante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht ongepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van binnen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld radijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeksbloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal! . Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982 . slang Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurtelings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.
Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfeesten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni duiden dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.
Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïskolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.
Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo ingekapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers, dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.
Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthousiasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit gevaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoorbeeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de koperen weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer wedeze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ontstaat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunstzinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.
Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en harmonie, genezing; in ijzer en koper in zwaard en weegschaal te laten oplichten.
Nu de zon het hoogtepunt van haar baan reeds voorbij is en de dagen korter en korter worden, is in de natuur de groei tot staan gekomen. Bloemen verwelken, bladeren beginnen geel te worden en te verdorren. We gaan ons voorbereiden op de komende winter. Kale bomen, dieren in winterslaap. Het land ligt koud en verlaten.
Dan komt het voorjaar. Het leven opent zich weer, de dieren komen weer terug, we zien broedende vogels en bloeiende bloemen. We kunnen er weer volop van genieten. Hierna volgt de volle warme zomer waarin alles zich vol kan ontplooien. Zo zeer dat het leven als het ware in de lucht hangt – boven de aarde zweeft. Dit weer gevolgd door zijn voltooiing. Rijpe vruchten, rijpe zaden, koren dat gemaaid wordt. Het leven wordt samengebald in deze vruchten en keert weer terug naar de aarde.
We denken daarbij aan vallend fruit in een boomgaard en aan het geritsel en geplof van eikels, kastanjes en beukennootjes in het bos. We zien het wonder van vrucht en zaad en in het zaad zit de kiem van het leven verborgen.
Herfst: grijze luchten, wilde winden en koude regenvlagen. Het in de zomer zo verwelkomde leven gaat ons weer verlaten. De mens blijft verlaten en eenzaam over.
Gelukkig staat aan het eind van september het beeld van Sint-Michaël. Sint-Michaël de dappere, verheven strijder tegen de draak. Hieruit kunnen we de moed putten om ons te wapenen tegen het najaar, de winter in te gaan, te durven.
Een voorjaarsregentje snuif je op, kun je lachend en blij tegemoet gaan.
Bij regenvlagen van het najaar steek je je handen in je zakken en bibber je soms van de kou. Je komt je warme huis in en geniet van de warmte.
Een beeld van een voor de hand liggende inkeer.
Ieder mens leeft met de keuze tussen goed en kwaad en
ook hier doemt juist in deze tijd de helpende Michaël op.
De blik gericht op de toekomst.
Kijken we in de toekomst dan kunnen wij onze blik richten
op het naderende kerstfeest.
De zomer neemt weer afscheid van ons. ‘s Avonds wordt het al vroeg donker, de vogels trekken weg, de dagen worden kouder. De zon heeft gedurende de zomer al haar warmte geschonken aan het koren, de vruchten en alles wat in de herfst op aarde rijpt zodat wij in de winter kunnen profiteren van wat de zomer ons gaf. De aarde heeft in de herfst alle zonnekracht in zich opgenomen.
Overal wordt het graan binnengehaald, vruchten geoogst, kortom, wij maken ons klaar voor de winter zodat we kou en donker kunnen doorstaan. In ons rijpt in deze tijd van het jaar vaak het plan om iets nieuws te gaan doen waar we ons gedurende de winter aan kunnen wijden. Er is veel moed nodig om de donkere tijd tegemoet te gaan en datgene te volbrengen wat we ons voornamen.
In de kleuterklas beginnen we al weken voor het Michaëlsfeest, dat op 29 september gevierd wordt, met de voorbereidingen. Op de jaargetijdentafel
staat een grote bos koren. Soms nemen de kinderen dingen mee die ze gevonden hebben, een takje hei, een grote zonnebloem, een mandje kastanjes. Kleuters zijn nog helemaal open voor alles wat er vanuit hun omgeving naar hen toekomt.
Ze willen zich graag met de aarde verbinden en rapen daarom alles wat ze in het bos of park vinden op.
Elke dag beginnen we met het spel van de boer die het koren oogst en naar de molenaar brengt om het tot meel te maken zodat de bakker het brood kan bakken. Alle bewegingen worden met overgave meegedaan. Onder het vrije spel naaien we zakjes om het graan in te doen dat de boer zo ijverig voor ons gemaaid heeft. De grote kleuters kunnen hierbij al helpen. Heerlijk is het om met een korenmolentje zelf het graan te mogen malen en later voor het Michaëlsfeest brood te bakken in de klas. Ook worden er veel Michaëlsliedjes gezongen.
O Michaël, Michaël hoor ons aan
en laat ons met u medegaan
door ‘t donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.
O Michaël Michaël ga vooraan.
Wij moeten allen mede gaan
door ’t donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.
Op de dag van het feest komen de kleuters vol verwachting in de klas. ‘Juffie, vandaag gaan we feestvieren!’
De jaargetijdentafel staat vol van alles wat geoogst is: noten, druiven, eikels, kastanjes. De boer met paard en een wagen vol graan. Ook het appelvrouwtje is gekomen en heeft een mand vol rode sterappels meegebracht. De dag wordt geopend met een mooi Michaëlslied, maar ook de naam ‘Michaël’ alléén kan al voldoende zijn wanneer het met de juiste gezindheid uitgesproken wordt. Dan doen we samen een klein spel voor het Appelvrouwtje.
Appeltjes, appeltjes, glanzend en rond
rollen en tuimelen over de grond.
Rol niet te ver en verscholen in ‘t groen
wil ik je rapen, in ’t mandje weer doen.
Eet ik je later zo glanzend en rond.
Van appeltjes, appeltjes word ik gezond.
Tijdens het vrije spel zijn er altijd een paar kinderen die juffie willen helpen de tafel versieren met takken, gekleurde bladeren en bloemen. De zelf versierde kaarsen zorgen voor een feestelijk licht en ontbreken niet. Wanneer iedereen aan tafel zit, deelt het appelvrouwtje haar appels rond. Met een plukje schapenwol poetsen de kinderen ze prachtig glimmend en rood tot ze er zelf rode wangen van krijgen. Iedere appel krijgt een rood doekje om en wordt zo omgetoverd in een appelvrouwtje.
Het is goed als een feest gezamenlijk gevierd kan worden. Na het eten komen dan ook de kinderen uit de andere klas op bezoek om samen naar een poppenspel te kijken. Er heerst een aandachtige stemming en de kinderen worden vanzelf stil als de dappere ridder Sint-Joris verschijnt. Hij beklimt de hoge berg waar een boze draak woont die het prinsesje wil verslinden. Bovenop de berg ontvangt Sint-Joris van de aartsengel Michaël het sterrenzwaard waarmee hij de draak verslaat. Zo redt hij het prinsesje en kan met haar trouwen.
Met het beeld van de draak moeten we in de kleuterklas nog erg voorzichtig zijn. Voor de kleuter is de wereld GOED en dat moeten we in alles wat we doen naar voren laten komen zodat dit in het verdere leven zijn vruchten kan afwerpen. Iets anders is het wanneer het kind dit beeld van de draak en Michaël, die hem verslaat, in de vorm van een poppenspel een keer per jaar ziet in een eerbiedig feestelijke stemming. Het is niet de bedoeling dat de kleuters zelf draak gaan spelen, ook niet in de poppenkast, waar ze zelf zo helemaal in de rol kruipen.
We besluiten de ochtend met een wandeling door het bos waar de kinderen van alles verzamelen in hun mandjes. In de komende tijd maken we van alles wat we gevonden hebben iets moois, we vormen het om, we gaan ermee aan ’t werk, zodat het vrucht kan dragen voor de omgeving.
Gesterkt door alles wat de zomer ons geschonken heeft kunnen we moed en kracht vinden om de koude winter tegemoet te gaan, de duisternis te overwinnen en zo de heilige Kersttijd tegemoet te gaan waarin we het Kerstkind kunnen ontvangen.
Wanneer de kinderen met rode wangen en schitterende ogen tevreden en vol vreugde naar huis gaan met hun appelvrouwtje en zakje meel, waarvan thuis een koek of brood gebakken moet worden, weten we dat het een goed feest geweest is.
Wat valt er nou eigenlijk te vieren eind september? De tuin is lang niet meer zo mooi als een paar maanden geleden. De tijd van verwelken, afvallen, verdorren komt eraan. Een hoop rotzooi op de grond die je moet opruimen. En dan blijft het kaal over. Nog even en de herfststormen zorgen voor een verdere ontluistering; het gaat regenen, het wordt koud en mistig: het slechte jaargetijde komt eraan. Ja ja, en dan zijn er wel de vruchten, die de zaak wat op kunnen fleuren, maar die betekenen dan toch maar mooi het einde van de zomer en voorraad voor de magere maanden. Wat valt er nou te vieren?
In het voorjaar, daar valt er wat te genieten. En in de zomer. Dan kan er zo’n vredige, volle stemming komen, als de warmte van buiten je omspoelt en draagt, als de planten en bomen hun wezen aan je tonen en je tegemoet geuren. Het frisse voorjaarsgroen van de meidoorn, wat kon je daarvan genieten! Daarin kan je helemaal meegaan. Dan is het in de natuur voortdurend een beetje feest en je kunt het gemakkelijk meevieren.
Merkt u hoe wonderlijk dat eigenlijk is? Meeleven met de natuur, dat is toch goed? Ook voor de kinderen, verantwoord, antroposofisch misschien wel? In het voorjaar en de zomer is dat goed: meeleven met de natuur: het stemt je blij, het geeft je ruimte.
Als we dat voortzetten in de herfst, merken we snel, dat dat niet goed voor ons is, ook niet voor onze kinderen. We worden er somber van en prikkelbaar, als de bladeren vallen.
Om die stemming te overwinnen, is kracht nodig. Michaël helpt ons een handje, als we ’t willen proberen. Hij gaat over dit jaargetijde en maakt in de natuur duidelijk waar het om gaat.
Waar gaat het dan om, waar halen we die kracht vandaan om niet mee te verwelken met de natuur.
Laten we eens naar de bomen kijken. In de loop van het voorjaar en de zomer hebben ze bladeren gekregen. Groene bladeren, in het begin licht en gevarieerd, later donkerder en meer gewoon groen. Soort voor soort (de krentenboompjes zijn al druk bezig, de berken beginnen) verkleuren de bladeren. Iedere soort is te herkennen aan zijn kleur. Na verloop van tijd vallen ze op de grond, worden bruin, gelijkvormig opgenomen in de bodem. Klaar als een klont! Hoe komen de blaadjes eigenlijk bovenaan de boom, zodat ze later naar beneden kunnen vallen?
Wat gebeurt er eigenlijk met het groen, met de andere prachtige kleuren en tinten? Hoe gaat dat eigenlijk: opgenomen worden in de bodem? Als we houtskool roodgloeiend zien verdwijnen in het vuur, weten we wat er vrijkomt, als het hout verdwijnt. Warmte immers.
Wat zou er vrij komen als de bladeren hun groen verliezen, verkleuren,
hun kleur verliezen, afvallen, vergaan. Dat zou je eens moeten kunnen zien, vindt u niet? Een machtig schouwspel!
Zoals de plant, de boom zich in de zomer verbindt met zijn bladeren, zich openbaart in de bloem, zo laat de plant weer los uit de bladeren, uit de bloem, als hij verwelkt, verkleurt, vergaat. We zien dan het wezenlijke niet meer.
In het voorjaar, in de zomer heerst verbinding. Daar kunnen en mogen wij ons ook gerust verbinden met de natuur. In het najaar zet de ontbinding in, de scheiding, de differentiatie. Daar moeten we ons niet mee verbinden, daar mogen we vol nieuwsgierige verbazing tegenover staan. Dan zult u merken: dat geeft kracht, de moed van Michaël.