VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/24)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

IJZEREN HANS

Er was eens een koning en bij zijn slot lag een groot woud, waarin allerlei wild rondliep. Op een keer stuurde de koning er een jager op uit om een ree te schieten, maar hij kwam niet terug. ‘Misschien is hem een ongeluk overkomen,’ zei de koning en stuurde de volgende dag twee andere jagers erop uit die hem moesten zoeken, maar die bleven ook weg. Toen liet de koning de derde dag al zijn jagers bij zich komen en sprak: ‘Trek door het hele woud en kom niet terug voor jullie hen alle drie hebt gevonden,’ maar ook van deze jagers kwam er geen een weerom en van de meute die zij hadden meegenomen werd geen hond meer gezien. Vanaf die tijd waagde niemand zich meer in het woud en het lag daar stil en verlaten en men zag er alleen nu en dan een adelaar of een havik overheen vliegen.

Toen de mens die in oude tijden leefde nog op een koning leek, lag er in zijn binnenwereld (zijn rijk) een gebied dat nog weinig toegankelijk was. Dat was het gebied van het vegetatieve leven; daar was woekerende groei van allerlei krachten dicht bij elkaar; er was nog weinig onderzocht en overwonnen. De taal van het beeld noemt dit gebied ‘het grote woud’. Er waren wel jagers, koninklijke jagers in doorgedrongen, die het ‘wild’ te lijf moesten gaan: de  driften die in dit gebied van nature huizen. Maar ze zijn er allemaal in ten onder gegaan.

Dat duurde vele jaren; toen meldde zich een vreemde jager bij de koning, die was op zoek naar een betrekking en hij bood aan, het gevaarlijke woud in te gaan. Maar de koning wilde zijn toestemming niet geven en sprak: ‘Het is daar niet pluis. Ik ben bang dat het jou niet beter zal vergaan dan de anderen en dan kom je er niet meer uit.’ De jager antwoordde: ‘Heer, ik wil het op eigen verantwoording ondernemen – vrees ken ik niet.’ De jager ging dus met zijn hond naar het woud. Het duurde niet lang of de hond kwam een dier op het spoor en wilde er achteraan gaan maar nauwelijks had hij een paar passen gelopen of hij stond voor een diepe poel en kon niet verder en een naakte arm kwam uit het water, pakte hem en trok hem naar beneden. Toen de jager dat zag, ging hij terug en haalde drie mannen die met emmers het water eruit moesten scheppen. Toen zij de bodem konden zien, lag daar een wildeman die een lichaam had zo bruin als verroest ijzer en haar dat over zijn gezicht tot op zijn knieën viel.

Pas als de tijd rijp is, lukt het degene die vrijwillig en zonder schroom daar naartoe gaat om te leren wat zich in die geheimzinnige sfeer afspeelt. De zin om dat op te sporen is wakker en snelt hem vooruit (de hond); die wordt weliswaar in een onbekende diepte getrokken, maar daardoor komt de jager te weten wat er nu nodig is. 
Iedere ‘diepte’ moet ‘scheppend’ worden benaderd! Hij die zeker is van zijn doel en niet bang de dingen onder ogen te zien, zet drie even actieve geestkrachten in (zijn voelen, denken en willen – hier de drie mannen), om deze onbekende diepte te doorgronden.
De gezamenlijke activiteit heeft succes, wat voordien niet mogelijk was, nl. te doorzien wat er aan diepte ten grondslag ligt: een enorme natuurkracht die tot nog toe alles naar beneden trok, zelf niet in het daglicht verscheen, de wilde man, de IJzeren Hans.
De wildeman was. zoals we al eerder zagen, een van de meest voorkomende symbolische beelden uit de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd. Je ziet hem nog in musea, op schilden van herbergen, op muren van huizen. Hij werd altijd naakt afgebeeld. ‘Naakt’ betekent, wat zijn wezen betreft, niet in het omhulsel van het lichaam. Vaak heeft hij een knuppel in zijn hand of een uitgetrokken boom, soms met bladeren om zijn hoofd en heupen gewonden. 
De mensen moeten zien hoe sterk en wild zijn natuurkracht is, en hoe ze zelf als geestelijke mens met deze natuurmens om moeten gaan. 
In ons sprookje is hij ‘bruin als roestig ijzer’; zinnebeeldig is hij de kracht die in het ijzer in ons bloed zit. ‘Roestig’ ijzer wordt aan de elementen overgelaten; het wordt nog niet door Ik-kracht die het veranderen kan, verzorgd en gebruikt.

Zij bonden hem met touwen vast en brachten hem naar het slot. Daar was iedereen zeer verbaasd over de wildeman, maar de koning liet hem in een ijzeren kooi op het slotplein zetten en hij verbood op straffe des doods de deur van de kooi te openen en de koningin zelf kreeg de sleutel in bewaring. Van nu af aan kon iedereen weer veilig het woud ingaan.

Het oude Zelf van de mens (de koning) probeert deze natuurkracht die hem vreemd is, in te perken en de orde te bewaren. Ook in de buitenwereld was het ijzer als te verwerken stof  lang onbekend; maar de ontwikkeling die met de ontdekking ervan zijn gang ging, kon niet worden tegengehouden.

De koning had een zoontje van acht jaar dat eens op het slotplein speelde en onder het spelen viel zijn gouden bal in de kooi. De jongen liep erheen en zei: ‘Geef mij mijn bal eens aan.’ – ‘Niet eerder,’ antwoordde de man, ‘dan dat je de deur voor mij hebt opengemaakt.’ – ‘Nee,’ zei de knaap, ‘dat doe ik niet, dat heeft de koning verboden,’ en hij liep weg. De volgende dag kwam hij terug en eiste zijn bal op maar de wildeman zei: ‘Maak mijn deur open,’ maar de jongen wilde niet. De derde dag was de koning op jacht en toen kwam de jongen weer en zei: ‘Al zou ik het willen, ik kan de deur niet openmaken want ik heb de sleutel niet.’ Toen zei de wildeman: ‘Die ligt onder het hoofdkussen van je moeder. Daar kan je hem halen.’ De jongen die graag zijn bal wilde terug hebben, overwon zijn aarzeling en haalde de sleutel. De deur ging moeizaam open en de jongen klemde zijn vinger. Toen de deur open was, kwam de wildeman eruit, gaf hem zijn gouden bal en holde weg. De jongen was bang geworden, hij schreeuwde en riep hem na: ‘Ach wildeman, ga niet weg, anders krijg ik slaag.’ De wildeman keerde om, tilde hem op, zette hem op zijn schouders en liep snel het bos in. Toen de koning thuiskwam zag hij de lege kooi en vroeg aan de koningin hoe dat gekomen was. Zij wist er niets van en zocht de sleutel, maar die was weg. Zij riep de jongen maar niemand antwoordde. De koning zond zijn mensen het veld in om hem te zoeken maar zij vonden hem niet. Toen kon hij wel raden wat er gebeurd was en er heerste diepe rouw aan het koninklijk hof.

In ons sprookje is de koningszoon acht jaar oud als dit dramatische deel begint. 
Ook al wil het overgeërfde Zelf ( de vader) deze angstaanjagende natuurkracht tegenhouden, de naïeve kracht van het wordende Ik (de zoon) komt er onvermijdelijk mee in aanraking: de koningszoon raakt zijn bal aan IJzeren Hans kwijt. Tot het achtste jaar zit er in alles wat een kind doet, nog een onbewust dromend iets. Niet zijn vrije Ik handelt, maar een kinderlijke levenskracht speelt met samenge-bal-de wijsheid (met de gouden bal). Deze instinctieve gave valt ten prooi aan de ijzerkracht die vrij wil worden. IJzer is nodig om ons bewustzijn in ons lichaam te verankeren. Het is de basis voor ons Ik-bewustzijn. We worden slap en willoos wanneer we te weinig ijzer in ons bloed hebben. 
IJzeren Hans komt vrij en bevrijdt ook de jongen die hij wegdraagt. Het vrij worden van een natuurkracht verloopt niet zonder pijn: hij klemt zijn vinger. Het ‘hand-elen’, tot nog toe onbewust spelend, wordt plotseling beperkt (ingeklemd). Pijnlijk bewust wordt nu het eigen-handelen. Het jonge Ik maakt zich los uit de overgeërfde krachten, het geestelijk-vaderlijke en het zielsmatige van de moeder, het komt nu onder de invloed van het ijzer.

Toen de wildeman weer in het duistere woud was aangekomen nam hij de jongen van zijn schouders en sprak tot hem: ‘Je vader en je moeder zie je nooit meer terug, maar ik zal je bij mij houden, wantje hebt mij bevrijd en ik heb medelijden met je. Als je alles doet wat ik zeg, zal je het goed bij mij hebben. Goud en schatten heb ik genoeg, meer dan wie ook in de wereld.’ Hij maakte een bed van mos voor de jongen waarop hij insliep en de volgende morgen bracht de man hem naar een bron en zei: ‘Zie je, de goudbron is zo helder als kristal – jij moet erbij gaan zitten en opletten dat er niets invalt, anders wordt hij ontwijd. Iedere avond kom ik kijken of je mijn gebod hebt opgevolgd.’ De jongen ging aan de rand van de bron zitten en zag dat zich daarin dan weer een gouden vis, dan weer een gouden slang liet zien en hij zorgde ervoor dat er niets in het water viel. Toen hij daar zo zat begon zijn vinger hem zo’n pijn te doen dat hij hem onwillekeurig in het water stak. Hij trok hem er snel weer uit, maar toen zag hij dat de vinger al helemaal verguld was en hoeveel moeite hij ook deed het goud er weer af te vegen, het was allemaal vergeefs, ’s Avonds kwam IJzeren Hans terug, keek de jongen aan en vroeg: ‘Wat is er met de bron gebeurd?’ – ‘Niets, niets,’ antwoordde hij en hield zijn vinger op zijn rug opdat hij hem niet zou zien. Maar de man zei: Je hebt je vinger in het water gedoopt – deze keer zal ik het je vergeven, maar pas op dat je er niet nogmaals iets in laat vallen.’ Heel vroeg in de morgen zat de jongen al bij de bron om die te bewaken. Zijn vinger deed hem weer pijn en hij streek ermee over zijn hoofd; toen viel er per ongeluk een haar in de bron. Hij nam hem er snel uit maar hij was al helemaal verguld. IJzeren Hans kwam en hij wist al wat er gebeurd was. Je hebt een haar in de bron laten vallen,’ zei hij, ‘ik zal het nog één keer door de vingers zien, maar als het voor de derde maal gebeurt dan is de bron ontwijd en dan kan je niet langer bij mij blijven.’

De derde dag zat de jongen bij de bron en hoeveel pijn hij ook aan zijn vinger had, hij bewoog hem niet. Maar de tijd begon hem lang te vallen en hij bekeek zijn gezicht in de waterspiegel. Toen hij zich daarbij steeds verder voorover boog om zichzelf in de ogen te kunnen zien, gleden zijn lange haren van zijn schouders af in het water. Hij richtte zich snel op maar al zijn haar was al verguld en het glansde als de zon. Jullie kunt je wel indenken hoe die arme jongen schrok. Hij nam zijn zakdoek en bond die om zijn hoofd dat de man het niet zou zien. Maar toen hij kwam wist hij alles al en hij zei: ‘Maak die doek los.’ En daar kwam het gouden haar te voorschijn en hoe de jongen zich ook verontschuldigde, het hielp niets. Je hebt de proef niet doorstaan en je kunt niet langer hier blijven. Ga de wereld in, dan zal je ervaren wat het is om arm te zijn. Maar omdat je geen kwaad hart hebt en ik het goed met je meen, zal ik je één ding toestaan – als je in nood bent, ga dan naar het bos en roep “IJzeren Hans”, dan kom ik je te hulp. Mijn macht is groot, groter dan je denkt en goud en zilver heb ik in overvloed.’

Het ijzer leidt hem nu en maakt hem wijzer. Het eerste wat hij moet leren is dat de gouden bron van de wijsheid van de kindertijd waarvan het bestaan nu voor het prille Ik duidelijk wordt, moet behoed worden. Daarin glanzen de ‘gouden vissen’, die gedachten die niet gedacht worden, maar vol wijsheid uit de diepten ‘opduiken’, en de ‘gouden slang’, die nog niet de verleider van het intellect is geworden. Het is ‘ijzeren’ noodzakelijkheid dat de gouden bron beschermd wordt. Van pijn vervuld raakt de koningszoon door zijn handelen in conflicten: hij kan de gouden bron niet zuiver houden. En wat zich in het handelen voordoet, gebeurt ook in het denken (de jongen grijpt naar zijn haren). Daar worden de conflicten bewust en omdat het jonge Ik dat nu vrij is van vader en moeder zichzelf wil beschouwen en leren kennen, krijgt het weliswaar een waarneming van zichzelf, maar wat hij ziet is het Zelf van de gouden bron van zijn kindertijd. Onderdompeling in deze scheppende bron vervult hem met wijsheid (zijn haren vallen erin en worden goudkleurig); maar je zelf zien en zelfkennis zijn nog niet rijp. 
Nooit mag de mens met het goud dat hij zo verkrijgt, tevreden zijn. De wijsheid van het kind – al was het tot genialiteit geworden – kan in het leven niet blijvend zijn, wanneer het exacte individuele denken niet tevens ontwikkeld wordt.
Zonder de activiteit van het hoofd, het hersenwerk dat ons in eerste instantie afsnoert van de kosmos en ons tot een zelfstandige persoon maakt, gaat het niet.
In het sprookje zijn kap of hoed het beeld voor dit hoofddenken. ‘Jij bent een Ik,’ zegt het ijzer in het bloed, ‘je moet alles op je nemen – Duits heeft hier ‘auf die Kappe nehmen’. En zo worden de haren eerst met een doek bedekt en later met een hoedje.
Verder leert het ijzer aan de koningszoon nog: ga de wereld in en leer de armoede kennen; wat je bezit, moet je door eigen werk verkrijgen, je moet je ontwikkelingsweg gaan en een universeel denken, een wereldbeschouwing je eigen maken. Sommige van deze paden zijn door anderen betreden, sommige moet je zelf vinden.

Toen verliet de koningszoon het woud en liep steeds verder over gebaande en ongebaande wegen tot hij tenslotte in een grote stad kwam. Daar zocht hij werk maar hij kon niets vinden en hij had ook niets geleerd waarmee hij de kost kon verdienen. Ten langen leste ging hij naar het slot en vroeg of hij daar mocht blijven. De hovelingen wisten niet waarvoor zij hem moesten gebruiken, maar zij mochten hem wel en lieten hem blijven. Ten slotte nam de kok hem in dienst en zei dat hij hout en water kon aandragen en de as aanvegen. Eens, toen er niemand anders bij de hand was, beval de kok hem de spijzen naar de koninklijke dis te brengen; omdat hij echter zijn gouden haar niet wilde laten zien, hield hij zijn hoedje op. Zoiets had de koning nog nooit meegemaakt en hij sprak: ‘Als je bij de koninklijke tafel komt, moet je je hoed afzetten.’ – ‘Ach Heer,’ antwoordde hij, ‘dat kan niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Toen liet de koning de kok roepen, berispte hem en vroeg, hoe hij zo’n jongen in dienst had kunnen nemen; hij moest hem dadelijk wegjagen. Maar de kok had medelijden met hem en verruilde hem voor de tuinjongen.

Nu komt de koningszoon bij een andere, vreemde koning. Hij komt op een ander gebied, dat van de ziel. 
Eerst moet hij in de keuken werken, hout dragen, water halen en de as omkeren. ‘Hout dragen’ betekent altijd het dorre, het verdroogde dagelijks op je nemen en wegbrengen. Dat is het bijv. het abstract geworden levenloze denken. ‘Water’ is als tegenstelling, het vloeibaar-beweeglijke element van de ziel; de ‘bron’ vinden, stromend het ‘scheppende’ verkrijgen, is de noodzakelijke aanvulling.
Een oude Chinese waarheid zegt: ‘O, hoe zonderbaar, hoe opmerkelijk is het: Ik schep water, ik draag brandhout.’
En de as wordt omgekeerd: ‘as’ is het gelouterde (in alchemistische zin) het wilsvuur dat in het innerlijk oplaait, loutert, leidt tot een innerlijke verandering.

Bij de kok van de koning dienen betekent: ervaren wat echt zielenvoeding en voedsel voor de geest is. En dan mag hij uiteindelijk de heerser van het rijk ontmoeten. Velen die deze trap bereikt hebben, denken nu dat ze van verder leren kunnen afzien en zou de hoed voortijdig afgezet hebben; maar onze held niet, hij voelt de verantwoording voor nog hogere ontwikkeling. De tijd is nog niet rijp om de rijkdom van de gouden haren te tonen.
Nu begint een nieuwe fase van de zelfopvoeding.

Nu moest de jongen in de tuin planten en gieten, spitten en graven en hij was blootgesteld aan weer en wind. Op een zomerdag toen hij alleen in de tuin werkte, was het zó warm dat hij zijn hoedje afnam zodat de lucht hem wat verkoeling zou brengen. Toen de zon op zijn haar scheen, glinsterde en flonkerde het zó, dat de stralen in de slaapkamer van de koningsdochter vielen en zij sprong op om te zien wat dat was. Toen zag zij de jongen en riep hem toe: Jongen, breng mij eens een bos bloemen.’ Hij zette vliegensvlug zijn hoedje weer op, plukte wilde veldbloemen en bond ze bij elkaar. Toen hij daarmee de trap opging kwam hij de tuinman tegen die zei: ‘Hoe kun je nu aan de koningsdochter een boeket van zulke simpele bloemen brengen? Ga gauw andere halen en zoek de beste en de zeldzaamste uit.’ – ‘Ach nee,’ antwoordde de jongen, ‘de wilde ruiken sterker en zullen haar beter bevallen.’ Toen hij in de kamer kwam sprak de koningsdochter: ‘Neem je hoedje af, het is niet behoorlijk om het in mijn tegenwoordigheid op te houden.’ Hij antwoordde weer: ‘Dat mag ik niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Zij greep echter naar het hoedje en trok het af: daar vielen zijn gouden haren over zijn schouders en het was prachtig om te zien. Hij wilde weghollen maar zij hield hem aan zijn arm vast en gaf hem een handvol dukaten. Hij ging ermee weg maar hij gaf niet om het goud en bracht het aan de tuinman en zei: ‘Ik geef het aan je kinderen, die kunnen ermee spelen.’ De volgende dag riep de koningsdochter hem weer toe, dat hij haar een bos veldbloemen moest brengen en toen hij daarmee binnenkwam, greep zij dadelijk naar zijn hoedje om het hem af te nemen, maar hij hield het met beide handen vast. Zij gaf hem weer een handvol dukaten maar hij wilde ze niet houden en gaf ze aan de tuinman voor zijn kinderen om mee te spelen. De derde dag ging het net zo. Zij kon hem zijn hoedje niet afnemen en hij wilde haar goud niet hebben.

De koningszoon wordt tuinman; in onze taal bestaan er allerlei beelden bij. Wie het zaad van het woord in het aardrijk van zijn ziel kan zaaien, wie in staat is kiemen te verzorgen, het zwakke steun te bieden en geduldig te wachten tot de vruchten rijp worden, lijkt op een tuinman die het leven bevordert en het edele tot groei brengt.
Het is een ontwikkelingstrap die iedere opvoeder zou moeten bereiken, m.n. de kleuterleid(st)er en de leerkracht. 
Vanzelfsprekend valt de jongeling nu op bij de hogere ziel (de koningsdochter); zij weet van de rijkdom die hij in zijn kindertijd meegekregen heeft en die hij met het logische denken dat hij voortdurend verder ontwikkelt en als een schat
be-hoed-t. Voor het vrij wordende Ik is het een karakteristiek teken dat de jongeling ook in de nabijheid van de koningsdochter, net zo als bij de koning, zijn hoedje ophoudt. Hij wil zelf beslissen wanneer het tijd is, dat hij dit persoonlijke eigen-denken (zijn hoedje) af kan zetten. Ook goudstukken die de koningsdochter hem geeft, hebben voor hem weinig waarde, wel wetend dat de zoeker naar wijsheid niet met iedere ‘gemunte’ waarheid tevreden mag zijn.

Niet lang daarna kwam er oorlog in het land. De koning bracht zijn volk bijeen maar hij wist niet of hij de vijand, die overmachtig was en een groot leger had, wel weerstand kon bieden. Toen zei de tuinjongen: ‘Ik ben volwassen en wil mee ten strijde trekken, geef mij maar een paard.’ De anderen lachten en zeiden: ‘Als wij weg zijn, zoek je er maar een uit – wij zullen er een voor je in de stal achterlaten.’ Toen zij weg waren, ging hij naar de stal en haalde het paard eruit; het was aan een been kreupel en hinkte, hinkelepink, hinkelepink. Toch ging hij erop zitten en reed naar het donkere woud. Toen hij aan de rand daarvan was gekomen riep hij driemaal zó hard ‘IJzeren Hans’ dat het tussen de bomen schalde. Dadelijk daarop verscheen de wildeman en vroeg: ‘Wat wens je?’ – ‘Ik wens een sterk paard want ik wil ten strijde trekken.’ -‘Dat zal je krijgen en meer dan dat.’ Daarop ging de wildeman weer het bos in en het duurde niet lang of er kwam een stalknecht uit het bos die een paard aan de teugel leidde dat met opengesperde neusgaten snoof en nauwelijks in toom te houden was. Daar achteraan kwam een grote schare krijgsvolk, allemaal geharnast, en hun zwaarden blonken in de zon. De jongeling gaf zijn driebenig paard aan de stalknecht, besteeg het andere en reed weg aan het hoofd van zijn schare. Toen hij bij het slagveld kwam was er al een groot deel van de soldaten van de koning gevallen en het scheelde niet veel of de anderen moesten terugtrekken. Toen kwam de jongeling met zijn geharnast krijgsvolk aanjagen, voer als een stormwind over de vijand heen en sloeg iedereen neer die zich tegen hem verzette. Zij sloegen op de vlucht maar de jongeling zat hen op de hielen en hield niet op voor er niemand meer over was.
Doch in plaats van naar de koning terug te keren, leidde hij zijn troep weer naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg de wildeman. ‘Neem je paard en je krijgsvolk terug en geef mij mijn driebenig paard weer.’ Alles gebeurde zoals hij wenste en hij reed op zijn driebenig paard naar huis.

Wanneer het rijk van de ziel in gevaar is en het koninkrijk wordt bedreigd, moet het Ik bereid zijn zich optimaal in te zetten. Alle strijdbare krachten worden opgeroepen. Die staan de mens altijd ten dienste, wanneer hij ernstig wil en de ijzerkracht in zijn bloed bemerkbaar is. Voor de strijd heeft de held het sterkste paard nodig: het is het symbool van het instinctieve verstand, die kracht die, getemd en beteugeld, actief tot geestelijke doelen kan leiden.
Plato vergelijkt het verstand van de mens met een paard dat hij bij de teugel houdt. 
Ook in onze taal vind je een hele reeks toepasselijke uitdrukkingen: ‘hij zit hoog te paard’, ‘hij heeft het verstand van een knol’, ‘vast in het zadel zitten’ e.a. 
De koningszoon krijgt nu een paard dat aan één been lam is, een kreupel paard. Maar hij wijst het niet af en gebruikt het ‘desondanks’. 
In vele sprookjes met een Ik-motief komt het beklagenswaardige, schurftige en hinkende paard voor. Het beeld wijst erop dat de mens alleen door eigen toedoen zijn verstand veranderend ontwikkelt tot de best mogelijk dragende kracht. Alle opgeroepen krachten zijn ‘allemaal geharnast’ en daardoor lukt het de inzet van het Ik, wat de zielen-koning alleen niet voor elkaar kon krijgen: de macht van de tegenstander wordt teruggeslagen. Bescheiden keert de echte geestesstrijder terug naar zijn dagelijks leven.

Toen de koning weer in zijn slot terugkeerde kwam zijn dochter hem tegemoet om hem geluk te wensen met de overwinning. ‘Niet ik heb de zege behaald,’ sprak hij, ‘maar een vreemde ridder die mij met zijn schare te hulp kwam.’ Zijn dochter wilde weten wie die vreemde ridder was, maar de koning wist het niet en zei: ‘Hij is de vijand achterna gegaan en ik heb hem niet meer gezien.’ Zij vroeg bij de tuinman naar de jongen, maar die lachte en sprak: ‘Hij is juist op zijn driebenig paard thuisgekomen en de anderen hebben hem bespot en toegeroepen: “Daar komt onze hinkelepink weer aan.” Zij vroegen ook: “Achter welke heg heb jij onderwijl liggen slapen?” Hij antwoordde: “Ik heb het beste werk verricht, zonder mij was het slecht afgelopen.” Toen werd hij nog meer uitgelachen.’
De koning sprak tot zijn dochter: ‘Ik ga een groot feest geven dat drie dagen zal duren en jij moet een gouden appel werpen – misschien komt de onbekende ridder ook.’ Toen het feest was aangekondigd ging de jongeling naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg hij. ‘Dat ik de gouden appel van de koningsdochter vang.’ – ‘Het is of je hem al had,’ zei IJzeren Hans, ‘je krijgt er een rode wapenrusting bij en je zult rijden op een fiere vos.’ Toen de dag aanbrak kwam de jongen aandraven en stelde zich op tussen de ridders en hij werd door niemand herkend. De koningsdochter trad naar voren en wierp de ridders een gouden appel toe, maar hij was de enige die hem ving; maar zodra hij hem had, galoppeerde hij weg. De tweede dag had IJzeren Hans hem uitgerust als een witte ridder en hem een schimmel gegeven. Weer ving alleen hij de appel, bleef echter geen ogenblik staan maar galoppeerde ermee weg. De koning werd boos en zei: ‘Dat mag niet. Hij moet voor mij verschijnen en zijn naam zeggen.’ Hij gaf bevel, als de ridder die de appel had gevangen, zich weer uit de voeten maakte, moesten zij hem nazetten en wanneer hij niet goedschiks terugkeerde, op hem inslaan en hem steken. De derde dag kreeg de jongeling van IJzeren Hans een zwarte uitrusting en een zwart paard en hij ving opnieuw de appel, maar toen hij ermee weggaloppeerde volgden de mannen van de koning hem en één kwam zo dichtbij, dat hij hem met de punt van zijn zwaard aan zijn been verwondde. Hij ontkwam hen evenwel maar zijn paard ging er met zo’n geweldige sprong vandoor dat de helm van zijn hoofd viel en toen zagen zij dat hij goud haar had. Zij reden terug en meldden alles aan de koning.

De appel is de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dat wordt een gouden appel wanneer deze kennis tot wijsheid wordt. De koninklijke ziel moet deze vrucht ten goede laten komen aan degene die deze kan vastgrijpen.
Het Ik verlangt daarnaar en opnieuw is het de natuurkracht van het ijzer die hem daarbij helpt; want hij krijgt de rode uitrusting en het rode ros. Ons bloed is de basis voor het Ik in het lichaam. Gezond rood bloed is de voorwaarde ervoor dat de mens wakker de wereld tegemoet kan gaan, zijn omgeving op de juiste manier waarneemt en zich daarvoor weet in te zetten. Met deze ijzerkracht is hij uitgerust. Die werkt ook door in zijn verstand, uitgedrukt door het rode paard. Als we aan Parzival denken die een rode ridder werd en op het rode paard rijdt, dan hebben we hier hetzelfde voor ons. 
Bij het inzicht dat nu verkregen is door het bloed, moet de kennis van de geest komen. Waar deze kennis zich verbindt met het bovenzintuiglijke (tot het witte paard wordt), ontstaat in de mens de zuiverheid van de immateriële wereld (de witte uitrusting wordt aangetrokken) en deze leidt naar een nieuwe ontmoeting met de koningsdochter die op deze ontwikkelingstrap hem de vruchten kan aanreiken.
Op de derde dag draagt de held de zwarte uitrusting en rijdt op een zwart paard. Zwart is de kleur van het aards-materiële. Het zich kunnen richten op de stoffelijke zintuigwereld is op het niveau van de keukenjongen en de tuinknecht lange tijd geoefend. ‘Ga de wereld in en leer de armoede kennen’, had IJzeren Hans geëist. De aardse wereld is armoede zolang men die alleen maar als stoffelijle wereld ziet. Wanneer echter de geestelijke kennis dermate sterk wordt – de rode en witte uitrusting – worden de goddelijke scheppingskrachten herkend die aan de stoffelijke wereld ten grondslag liggen en die vormgeven.
De koningszoon krijgt de zwarte uitrusting en beheerst het zwarte paard. Omdat het vergeestelijkte verstand ook deze donkere zintuigwereld doorziet en overwint, wordt de vloek opgeheven: de rode appel is op dit niveau verworven.

De volgende dag vroeg de koningsdochter de tuinman naar zijn tuinjongen. ‘Hij werkt in de tuin – die rare snaak is ook op het feest geweest en pas gisterenavond thuisgekomen; hij heeft aan mijn kinderen drie gouden appels laten zien die hij had gewonnen.’ De koning liet hem voor zich verschijnen. Hij kwam en had het hoedje weer op zijn hoofd, maar de koningsdochter liep op hem toe en nam het hem af, waarop zijn gouden haar over zijn schouders viel en hij was zo schoon dat allen verbaasd waren. ‘Was jij de ridder die iedere dag in een andere kleur op het feest kwam en die de drie gouden appels ving?’ vroeg de koning. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘en hier zijn de appels,’ en hij haalde ze uit zijn zak en overhandigde ze de koning. ‘Als u nog meer bewijzen verlangt kan ik u de wond laten zien die uw mannen mij hebben toegebracht toen zij mij achtervolgden. Maar ik ben ook de ridder die u aan de overwinning op de vijand heeft geholpen.’ – ‘Als je tot zulke daden in staat bent, dan ben je geen tuinjongen – zeg mij, wie is je vader?’ – ‘Mijn vader is een machtig koning en ik heb goud in overvloed, zoveel ik maar wens.’ – ‘Ik zie wel,’ sprak de koning, ‘dat ik je dank verschuldigd ben. Kan ik je ergens een genoegen mee doen?’ – ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat kunt u. Geef mij uw dochter tot vrouw.’ Daarop begon de jonkvrouw te lachen en sprak: ‘Hij windt er geen doekjes om, maar ik had aan zijn gouden haar al gezien dat hij geen tuinjongen was,’ en zij liep naar hem toe en kuste hem. Zijn vader en zijn moeder kwamen op de bruiloft en waren heel gelukkig want zij hadden reeds alle hoop laten varen hun geliefde zoon ooit weer te zien. Toen zij aan de bruiloftsdis zaten verstomde opeens de muziek, de deuren gingen wijd open en een trotse koning trad met groot gevolg binnen. Hij ging naar de jongeling toe, omarmde hem en sprak: ‘Ik ben IJzeren Hans en ik was veranderd in een wildeman, maar jij hebt mij verlost. Alle schatten die ik bezit zullen jouw eigendom zijn.’

Nu kan het hoedje van zijn hoofd en het gouden haar wordt zichtbaar. Het zelfstandige denken dat door vele offers verworven is, verandert van betekenis: hoogste wijsheid straalt in het gedachteleven. Wat in de gouden bron (de kindertijd) aangelegd werd, is door de loutering tot een bezit geworden dat niet meer verloren gaat.
In geen sprookje vinden we zo’n direct, bijna brutaal huwelijksaanzoek; tot in de stijl drukt de Ik-mens zich uit. Nu kan de koninklijke bruiloft worden gevierd.
Als het Ik als het eeuwig-mannelijke rijp geworden is, kan het één worden met het eeuwig-vrouwelijke van de ziel.
De verborgen natuurkracht van het ijzer laat zich nu zien in de ware betekenis en met de volle rijkdom; ze is door de mens die zichzelf veranderd heeft, tot een koninklijke geestgestalte edel geworden. 

.Illustratie uit Grimm Sprookjes,
Uitgegeven bij Lemniscaat.
.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2439

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

4 Reacties op “VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/24)

  1. Wat leren kinderen over sprookjes. Zal het iets doen aan hun toekomst? Over Bijbel het Woord van God zegt men ook dat het fantasie of sprookjes zijn. De appel is de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. Wee je wat deze tekst eigenlijk betekent. Lees in de Bijbel de hoofdstuk Genesis 1. Bezoek mijn blogje je kunt veel meer lezen, dat je leven kan gaan veranderen. Inclusief de Bijbel die de Waarheid en het Leven is. Heb een goed weekend.
    CITAAT: Zoals een bloem de zon nodig heeft om bloem te worden, zo heeft een mens de liefde nodig om mens te worden.

    • Dank voor de goedeweekendwens. Insgelijks!
      Of sprookjes iets doen aan hun toekomst? Een interessante vraag waarop ik geen direct antwoord kan geven. Het is niet meetbaar en we kunnen nooit hetzelfde kind zonder en met sprookjes opvoeden om te kijken hoe het verschil is. Je kan wel waarnemen dat mensen van jong tot oud behoefte hebben aan ‘beelden’. Wat voor beelden geef je dan in de opvoedperiode. Als je je inleeft in de uitleg van de sprookjesbeelden, zie je in ieder geval dat het hier gaat om iets wat met de diepste ontwikkeling van mens en mensheid samenhangt. Deze zijn ook veelvuldig onderwerp in de Bijbel, inderdaad ook bij het paradijsverhaal en ‘de appel’. Steiner heeft vele onderwerpen uit de Bijbel benaderd vanuit zijn antroposofische visie. Kijk bijv, eens naar ‘Het Bijbelse scheppingsverhaal of naar https://steinervertalingen.nl/fondsoverzicht/het-evangelie-naar-johannes/
      Een mooi citaat!

      • Dankje wel voor je uitleg en reactie. De Bijbel is het Woord v God en is levend. Is ook heel goed om kinderen op hun niveau te leren over de verhalen vanuit de Bijbel. Dit heeft veel meer effect voor hun verdere toekomst. Fijne dag en week.

        • In onze groep 5 krijgen de kinderen iedere dag! een Bijbelverhaal uit het Oude Testament te horen. We vertellen die verhalen zonder dat we er uitleg bij geven; wij vinden dat we de kinderen daarmee onze mening zouden opdringen. Als door vertellen het religieuze gevoel dat in ieder mens zit, gevoed wordt, is dat voor ons genoeg. Hoe het kind er later mee omgaat, is zijn vrijheid. M.a.w. wij dringen geen geloof op. Ook niet de antroposofische achtergronden van Steiner. Wat het Nieuwe Testament betreft, daarvan komen allerlei aspecten aan de orde, m.n. bij het vieren van de jaarfeesten gedurende het hele jaar door. Je kan daarvan vele voorbeelden op mijn blog vinden.
          En eveneens: een fijne dag en week.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.