Tagarchief: draak

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (51)

.

Diederick Sprangers, Antroposana jrg.2, nr.4, okt. 2006

.

Van heldenmoed tot hartewarmte

Bewustzijns- en hartekrachten vieren

Onze tijd stelt hoge eisen aan onze individuele ontwikkeling als mens. Beelden uit mythen en legenden kunnen ons daarbij tot hulp en inspiratie dienen. Tevens kunnen we via die beelden ontdekken dat bepaalde momenten in het jaar te verbinden zijn met stappen in onze innerlijke ontwikkeling. Die momenten kunnen we vieren. Zo kunnen we onze eigen ontwikkeling integreren in het verloop van de seizoenen. Van tijd tot tijd is het dan een feest om mens te worden.

Wie een helderder zicht op zijn leven wil krijgen, ontkomt er niet aan om naar binnen te kijken, naar zijn eigen karakter en ‘eigen-aardig-heden’. Er zijn vele aanleidingen om dit te doen: het vinden van een werkkring die bij je past, een terugkerende ruzie met een collega of gezinslid, een ernstige ziekte, enz. Maar ook de behoefte om jezelf te ontwikkelen, te ontplooien, kan aanleiding zijn tot zelfstudie: hoe zit ik in elkaar en wat zegt mij dat over wat ik het beste kan doen? De behoefte om jezelf te kennen, lijkt iets van deze tijd te zijn. We nemen er vaak geen genoegen meer mee dat bepaalde dingen ons overkomen: we willen weten waarom we ermee geconfronteerd worden en wat we ‘ermee moeten’. Geregeld loopt dat uit op de vraag waarvoor we eigenlijk leven, wat de zin van je leven is. Er zijn dan ook tegenwoordig talloze mogelijkheden om hieraan te werken: organisaties en bewegingen van allerlei aard en kleur bieden veelvormige trainingen, workshops en boeken aan waarmee je aan je persoonlijke ontwikkeling kunt werken.

Merkwaardig genoeg gaat de weg naar zelfkennis vaak gepaard met het beter leren kennen van de wereld om ons heen. Je kunt jezelf niet los zien van de buitenwereld; je hebt je omgeving nodig om ‘jezelf te worden’. Wie bijvoorbeeld tennist of een andere individuele competitiesport speelt, kan de ervaring opdoen: “Ik speel eigenlijk tegen mezelf – maar daarvoor heb ik een ander nodig”. Soms gaat het specifiek om de vraag hoe je beter met andere mensen ‘door de bocht komt’, hoe je op een menselijke manier met elkaar in contact kunt komen en blijven. We willen een ander kunnen aankijken, recht in de ogen kunnen zien, face to face. Maar ook de soms harde werkelijkheid van de wereld waarin we leven, komen we voortdurend tegen op de weg naar onszelf: want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, zoals Willem Elsschot schreef. En dan merken we dat we niet alleen over onszelf, maar ook over de buitenwereld anders moeten leren denken. Als we eenmaal door hebben waarom bepaalde dingen om ons heen gebeuren, willen we daar vaak verandering in brengen. Wie wil niet bijdragen aan een betere wereld? Maar dat vereist een nieuw bewustzijn: gewoon doen wat je geleerd is, wat je gewend bent of wat anderen doen, voldoet niet. Zelfbewustzijn en wereldbewustzijn gaan hand in hand, en voor beide moeten we innerlijk sterk in beweging komen: we moeten er vaak hard voor werken.

MICHAËL

Ook vanuit de antroposofie wordt hieraan gewerkt. (Antroposofie is eigenlijk een weg tot zelfkennis en wereldkennis.) Daarbij wordt inspiratie geput uit een beeld uit de Christelijke overlevering, namelijk de gestalte van de aartsengel Michaël. Deze laat ons verschillende eigenschappen zien die we nodig hebben op onze weg naar inzicht. Eén daarvan is moed: Michaël wordt vaak afgebeeld met een zwaard, waarmee hij de kwade geest Lucifer versloeg. (Vondel heeft dit prachtig beschreven in zijn treurspel “Lucifer” in 1654). Als je jezelf probeert te leren kennen, word je ook geconfronteerd met je onaangename eigenschappen: het kost moed om die onder ogen te zien, laat staan te bedwingen, zoals Michaël Lucifer bedwong. Lucifer wordt meestal afgebeeld als een draak of slang onder de voet van Michaël. Die draak is het beeld van onze innerlijke weerstanden, onze tekortkomingen. Ook voor het werken aan een betere wereld kunnen we inspiratie vinden bij Michaël. Hij weegt de gebeurtenissen tegen elkaar af, om de wereld te ordenen; een weegschaal is dan ook een tweede attribuut waarmee we hem wel afgebeeld zien. Zijn strijd is een geestelijke strijd, een strijd die in het innerlijk van de mens gevoerd wordt. Michaël spoort ons als het ware aan om dat wat met ons gebeurt, ook op een weegschaal te leggen en zo ons eigen evenwicht te vinden temidden van de chaos van de wereld. Daarvoor gebruiken we onze hoogste bewustzijnskrachten: we zoeken vanuit ons aardse bestaan de brug naar de geest, anders gezegd: in en achter de aardse materie zoeken we de geestelijke werkelijkheid. Michaël behoedt en verzorgt de bewustzijnskrachten waarmee we dat doen.

Michaël vormt aldus een inspiratie voor het hele tijdsgewricht waarin we leven. Maar zijn werkingssfeer is ook specifiek verbonden met een deel van het jaar: met de herfst. Voorjaar en zomer roepen op om je naar buiten te wenden, om te genieten van het leven. Maar als de natuur haar bloei achter zich heeft en in verval raakt, het weer kouder wordt en de dagen korter, kun je je vanzelf geneigd voelen om naar binnen te keren, het innerlijke vuur op te stoken. Het feest van Michaël valt dan ook op 29 september, aan het begin van de herfst. Het klinkt door in de hele herfstperiode – net zoals het nieuwe leven van Pasen het hele voorjaar inspireert en het licht van Kerstmis de donkere wintermaanden doorstraalt. Maar in tegenstelling tot de 2000 jaar oude feesten van Kerstmis en Pasen, waarmee we de blijvende werking van impulsen uit het verleden vieren, is Michaël een feest van de toekomst. Michaël vieren betekent zelf de toekomst bouwen: de impuls van Michaël moet in die zin nog werkelijkheid worden, en wij moeten dat doen. Daarom zijn er ook nog geen geijkte manieren om dit feest te vieren: Michaël kent niet zoiets populairs als een kerstboom of paaseieren. Dit feest moeten we zelf vormgeven. De beste manier is natuurlijk door daadwerkelijk aan onszelf te werken: daar draait het eigenlijk om. Maar we kunnen ook de beelden en verhalen uit vele overleveringen gebruiken om een feest vorm te geven. Die beelden kunnen ons ook inspireren bij het werk aan onszelf. Ze zijn te vinden in de talloze mythen en legenden over ‘ Michaël, maar ook in die over andere gedaanten waaronder hij bekend is of was: St.-Joris en de draak, bijvoorbeeld, is eigenlijk niemand anders dan Michaël. Ook in oudere culturen vinden we Michaël onder andere namen terug: Indra (Indisch), Mithras (Perzisch), Marduk (Babylonisch), Apollo (Grieks) en Widar (Noors). Er is een rijke schat aan verhalen, schilderijen, liederen en spelen rond het wezen van Michaël waaruit we kunnen putten.

Naast de moed is er nog een tweede belangrijke eigenschap die Michaël ons voorhoudt als broodnodige hulp bij ons zelfonderzoek: humor. “Verbeelding is de mens gegeven als compensatie voor wat hij niet is en gevoel voor humor als troost voor wat hij wel is” zei Francis Bacon. Onze taal heeft zelfs een puur ‘michaëlische’ uitdrukking voor het gebruiken van humor. Als Michaël – of St.- Joris – de draak verslaat, doodt hij hem niet; hij houdt hem in bedwang met zijn zwaard of lans. Hij steekt de draak. (In het Limburgse Beesel wordt nog elke zeven jaar het “Draaksteken” als openluchtspel opgevoerd.) De draak van je eigen tekortkomingen te leren beheersen, komt dus eigenlijk neer op ‘de draak steken met jezelf’.

SINT-MAARTEN

Het beeld van Michaël kan ons de moed, de wil en het enthousiasme geven om aan de gang te gaan met ons werk, bij onszelf en tegelijkertijd bij de wereld om ons heen, bij andere mensen. Hoe pakken we dat aan, hoe leggen we een goede verbinding tussen onszelf en anderen? Niet door het leven van de ander te gaan regelen, maar door hem zo te helpen dat hij zijn eigen weg kan gaan in vrijheid. Als we een ander gaan vertellen hoe hij moet leven, hem de les lezen of de wet voorschrijven, komen we niet ver. We moeten leren ons in de ander te verplaatsen en zijn werkelijke behoefte te herkennen; dan kunnen we zoeken naar een manier om die behoefte te vervullen. Als inspiratie hiervoor kan een andere gestalte uit de Christelijke overlevering dienen, namelijk Sint-Maarten of de heilige Martinus van Tours. Volgens de legende was hij een Romeins soldaat, die voor de poort van Amiens een bedelaar tegenkwam die het koud had. Maarten trok zijn zwaard en sneed daarmee zijn mantel – een kostbaar bezit – in tweeën. De ene helft gaf hij aan de bedelaar. Maarten herkende dus de behoefte van de bedelaar en vervulde die. Hij zei niet: “Maak een vuur en warm je daaraan”, dus hij vertelde de man niet wat hij moest doen. Hij zei ook niet: “Zoek werk, zodat je niet hoeft te bedelen”. Hij deelde zijn warmte met een man die het koud had. Daardoor behield die man zijn vrijheid om zijn eigen weg te gaan, welke dat ook mocht zijn. Het was een gebaar van solidariteit, van broederschap: deel wat je hebt, zodat ieder genoeg heeft.

Niet toevallig valt het feest van Sint-Maarten in de Michaëlstijd, op 11 november. Michaël prikkelt ons om onze draak te bedwingen, dat wil zeggen om onze lagere driften in toom te houden; Sint-Maarten laat ons zien wat er dan tevoorschijn kan komen uit ons hart. Als we niet meer in beslag genomen worden door egoïsme, jaloezie, dogmatisme enz., staan we werkelijk open voor de nood van de ander. Dan kunnen we die waarnemen en broederlijk delen wat we hebben. Merk ook op dat beide figuren, Michaël en Maarten, een zwaard hebben; maar ze doen er verschillende dingen mee. Het zwaard staat voor je wilskracht: die heb je zowel nodig om je driften in bedwang te houden, als om te delen wat je hebt.

Ook deze impuls, die van het samen delen, kunnen we vieren, rond 11 november. Hiervoor geeft de volksoverlevering ons talrijke gewoonten, verhalen, liederen en spelen, die elk een aspect van Maartens impuls belichten.

De Zonnejaargroep geeft boekjes uit over de jaarfeesten
Martin Sandkühler: “Michaël: verhalen en legenden
Het openluchtspel “Het Draaksteken” in Beesel.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

 

Het artikel verscheen in het tijdschrift van Antroposana

.

1899

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (44)

.

Hieronder volgt een artikel van Ita Wegman. Zij werkte samen met Rudolf Steiner op het gebied van de geneeskunst.
Het verscheen in het blad ‘Natura’ – tijdschrift voor verbreding van  de geneeskunst door geesteswetenschappelijke menskunde – in 1926.
.

Beschouwingen over inwendige processen in de mens in samenhang met de herfsttijd- de michaëlstijd

In een belangrijke voordracht over Michaël, in oktober 1923 [1] in Dornach gehouden, sprak Rudolf Steiner over de betekenis van de werking van de aartsengel Michaël in het leven van de mens en in de cultuur- en wereldontwikkeling. Hij gaf de volle werking van Michaël in de volgende spreuk samengevat weer in woorden die vanuit hoge geestelijke regionen stammen en in het astraallicht van het wereldal geschreven, te vinden zijn:

O mens,
je geeft het vorm ten eigen bate,
je maakt het naar zijn stoffelijke waarde
in vele werken zichtbaar.
Het zal je pas tot zegen zijn,
wanneer zich aan jou openbaart
zijn hoog verheven geestesmacht. [2]
.

O Mensch
Du bildest es zu deinem Dienste
Du offenbarst es seinem Stoffeswwerte nach
In vielen deiner Werke.
Es wird dir Heil jedoch erst sein,
Wenn dir sich offenbart
Seines Geistes Hochgewalt

En het is een innerlijke noodzaak, nu in de michaëltijd, ernaar te streven wat in deze tijd, tegen de herfst-michaëltijd in het wereldal als macrokosmos en in de mens als microkosmos gebeurt, te begrijpen en te beleven. Hiermee bezig te zijn is de opgave van iedereen die aan de geestelijke cultuur van onze tijd deel wil hebben, waarin Michaël de leiding heeft en aan de mens zijn impulsen wil schenken.
Michaël goed begrijpen zal ook voor hen van een ongekende waarde zijn die zich met de raadsels van de genezing uiteen zetten en die de kennis over de genezende werking in de mens serieus nemen. Zo moeten wij onszelf afvragen wat het is waarover wordt gezegd dat het in de stof zichtbaar wordt voor het nut van de mens, wat voor de mens echter pas een zegen is wanneer hij het in zijn geestelijke kwaliteit kent.

Wanneer het ons duidelijk wordt hoe de huidige cultuur zich aan ons vertoont in haar recente ontwikkeling, dan gaat het om de stoffelijkheid, de materie – zij beheersen de interesse van de mens. We leven in een cultuur die slechts het zichtbaar-stoffelijke als realiteit erkent, waarin de mens al zijn energie, al zijn inspanningen en heel zijn denkvermogen inzet om de aardse materie te bedwingen en nuttig te maken.
De geestelijke kant van de materie heeft niet meer de betekenis voor het huidige bewustzijn zoals dat in vroegere tijden, in vroegere culturen wel het geval was. En we leven in een tijd van machines waarin de mens los geraakt van alle spiritualiteit de materie bewerkt en dienstbaar wil maken aan zijn aardse behoeften. Met name de machines en hetgeen ermee samenhangt is een wezenlijke cultuurfactor en dat brengt ons bij het ijzer dat ons ten dienste staat en dat als stof zichtbaar wordt in wat we maken.
Dit zich in de materie verdiepen, dit zich met de materie verbinden en deze te gebruiken voor eigen doeleinden, was voor de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk. Maar nu bevinden we ons in het heden wel op een tijdstip waarop de mens met waardering voor de resultaten van deze materialistische zienswijze ertoe moet komen, de geest die achter de materie werkzaam is, weer te begrijpen en te beleven. Zou hem niet lukken zich opnieuw te verbinden met deze geest, dan zou hij meegezogen worden in de ban van de door hem zelf ont-geestelijkte wereld, waarin de ahrimanische wezens steeds meer aan kracht kunnen winnen.
Aan dit gevaar ontkomt de mens, wanneer hij in staat is zich eerst weer open te stellen voor de taak die Michaël in de ontwikkeling van de mensheid heeft. Dan leert hij weer begrijpen hoe het geestelijker worden van onze cultuur met de werkzaamheid van Michaël samenhangt. Hij zal leren ervaren hoe het ijzer waarmee de huidige beschaving de werktuigen maakt, van hetzelfde materiaal is als het meteoorijzer dat uit de sterrenwereld naar beneden komt.
Deze tot ijzer verdichte substantie is vanuit een geestelijk standpunt bezien die kracht die in de kosmos tot het zwaard wordt gevormd dat Michaël gebruikt en waarmee hij de strijdt aangaat tegen het materialisme dat in de vorm van een draak de aarde en de mens in zijn macht wil krijgen.
Wat zo groots zich afspeelt als de strijd tussen de hemelsle en aardse machten in de nabijheid van de aarde, heeft ook zijn tegenbeeld in de mens als microkosmische weerspiegeling van het wereldal, van de macrokosmos.
En hoe verloopt deze strijd in de microkosmos?
Hierbij moet je leren begrijpen hoe de mens geplaatst is tussen hemel en aarde; hoe de aardse en kosmische krachten op hem inwerken en zich doen gelden. Dan wordt het duidelijk hoe je in de fysiologische proceesen van zijn organisme en de manier waarop je in denken, voelen en willen deze inwerkingen tot uitdrukking ziet komen, kan herkennen. We moeten in onszelf de fysiologische levensprocessen die zich afspelen in de benedenmens, in de hoofd- en middenmens weliswaar op driegelede manier beleven. En heeft het over een zwavelproces dat een soort verbrandingsproces is waarin de stofwisselingsprocessen en alles wat daarmee samenhangt,verlopen. Het is een proces dat op het bloeien van planten lijkt en dat tot stand komt doordat fysiek-etherische processen in wisselwerking treden met wat van uit de astrale wereld inwerkt.
Nu kan het proces van plantenbloei ook beschreven worden als een soort ontstaan van een diervormend proces dat wordt tegengehouden, omdat de astrale wereld alleen maar van buitenaf op de plant kan inwerken en niet binnen in haar tot processen komt zoals die pas te vinden zijn in het dierlijke organisme en die met zijn stofwisseling, ademhaling en bloedvorming samenhangen. En terwijl je bij de plant alleen maar kan spreken van een tenden tot dierwording, heb je in de mens deze diervormende processen zelf in al die werkingen die zich afspelen in zijn verterings- ademhalings’en bloedvormende processen waaraan het astraallijf inwendig een actief aandeel heeft. Dat deze diervormende processen in de benedenmens binnen de voor hem bestemde grensen teruggehouden worden, hebben we te danken aan het Ik dat ons verder dan het dier in het menselijke brengt. -Met zijn stofwisseling-ledematensysteem staat de mens bovendien in een sterke samenhang met de aardekrachten.
De boven mens, de zenuw-zintuigmens, daarentegen, staat in verbinding met buitenaardse krachten, met sterrenkrachten.
Maar tegelijk vinden in het zenuw-zintuigsysteem afbraakprocessen plaats die te vergelijken zijn met processen van mineraal worden, zoutvormingsprocessen in de ons omringende natuur en die in het menselijk oprganisme nodig zijn opdat de mens bewustzijn kan hebben.
Ertussen, in de midden- of ritmische mens zijn de zgn. mercuurprocessen werkzaam die in adem en bloedsomloop verlopen en met de krachten die in de omgeving van de aarde aanwezig zijn, met de licht- en luchtkrachten in verbinding staan. Ook moet het mercuriale in de mens beschouwd worden als iets wat in hem het evenwicht bewaart tussen licht en zwaarte, tussen aardse en buitenaardse invloeden.
Dit soort processen vinden  voortdurend in de mens plaats en de gezondheid van de mens is de uitdrukking van een harmonisch samengaan van deze drie processen binnenin hem. En ziekte is het gevolg als het ene of het andere van deze levensprocessen de overhand kan krijgen.
Nu worden ook deze fysiologische processen in de mens binnen het verkoop van het jaar op verschillende manieren door de verschillende jaargetijden beïnvloed. Zo komen in de winter de zoutprocessen meer op de voorgrond te staan en daarmee hangt samen een bewuster leven dat zich minder in daadkracht naar buiten manifesteert. De mens leidt een meer naar binnen gekeerd leven en hij heeft de mogelijkheid door een subtieler denken over de raadsels van het bestaan na te denken.
’s Zomers worden de zwavelprocessen sterker die hun hoogtepunt bereiken wanneer het hoogzomer is. Ook de mens voelt in zich dat de levensprocessen intenser worden, de krachten om in de buitenwereld dingen te doen aangewakkerd worden; de aardse krachten doen zich in hem meer gelden. Daarmee gaat aan de andere kant samen een doffer worden van de bewustzijnskrachten, de mens is minder helder in zijn denken wanneer de stofwisselingsprocessen overheersen en hij komt in het gevaar zich te verliezen in een droomachtige toestand.

Terwijl in de zomer zijn astraallijf door de verhevigde verbrandingsprocessen steeds stralender naar buiten toe oplicht, proberen draken- en slangenschepsels die vanuit de aarde komen zich uit te leven in deze zwavelprocessen, daarbij het bewustzijn van de mens volkomen benevelend om er bezit van te kunnen nemen.
Hier, bij dit gevaar, komen de goden de mens tegemoet, hier zenden ze hem hun helpende krachten om het bewustzijn van de mens te versterken.
Dan is daar Michaël met zijn helpers die tegen de herfst de mens te hulp komen. Door de kracht van het meteoorijzer dat in deze tijd in talloze sterrenregens aan de hemel is waar te nemen, worden de krachten van de uit de aarde opstijgende zwavelkrachten tegengewerkt. Michaël vecht met de geestelijke kracht van het ijzer tegen de draak die omhoog wil; en het ijzeren zwaard van Michaël is het dat als een gezondmakende wereldkracht de ahrimanische wezens die in de omhoogstrevende zwavelporcessen binnen willen sluipen, bestrijdt en de mens uit zijn angst en vrees bevrijdt die steeds bezit van hem nemen, wanneer zijn bewustzijn niet meer helder werken kan.
Wat gebeurt daarbij in werkelijkheid in het menselijk organisme, wanneer de strijd van Michaël met de draak zich afspeelt in de astrale wereld? Een wonderbaarlijk gecompliceerd proces speelt zich in wezen gelijktijdig af. Het bloed dat door het hele lichaam stroomt en de de rode bloedlichaampjes bevat, wordt rijkelijk voorzien van ijzerkracht. Het organisme wordt in staat gesteld meer ijzer uit het voedsel in zich op te nemen en met de bloedkleurstof, het hemaglobine te verbinden. En wat zich in de kosmos voltrekt als de meteoren als lichtende kracht uit de sterren door de wereldruimte schieten en wat verhindert dat de ahrimanische geest zich kan verheffen en groter worden – ditzelfde proces vindt in het klein plaats door het verhoogde ijzerproces in het bloed. Wanneer de geest-zielenkracht  van de mens in de herfst weer opnieuw in hem wakker geroepen wordt, is de mens in staat ook de ijzerkracht van zijn bloed dienovereenkomstig te vermeerderen en deze tegenover de zwavelkrachten te zetten die hem willen overspoelen. Het organisme wordt door de met ijzerkracht geladen rode bloedlichaampjes, alsof het van talrijke kleine meteoren wordt voorzien. Zo wordt het hele organisme met genezende kracht overstroomt en bevrijdt van alles wat hem ziek wil maken en wat als angst en vrees in hem leeft.
Deze angst en vrees wordt vaak onbewust beleefd en kan ook tot uiting komen in depressieve stemmingen of zelfs tot lichamelijke vermoeidheid en uitputting leiden, wanneer het organisme niet in staat is voor zijn eigen bescherming genoeg ijzerkracht te mobiliseren. Hier zal de arts die deze processen in de mens kent, de natuur helpend kunnen ondersteunen, wanneer hij aan zo iemand ijzer geeft.

Wat zich nu zo in het grote ritme van het jaarverloop inwendig in de menselijke organisatie afspeelt als een op- en afgaan van ziekmakende invloeden door het meebeleven van de gebeurtenissen in de hem omringende natuur, in de afwisseling van aardse en buitenaardse krachten, vindt zijn spiegelbeeld in wat aan de mens in zijn dagelijks ritme van wakker zijn en slapen waargenomen kan worden. In de slaap waarin de bewuste activiteit tot rust komt, wanneer het Ik en het astraallijf zich los hebben gemaakt, voltrekt zich een actieve opbouw vanuit het stofwisselingssysteem door het etherlijf en fysieke lichaam; terwijl in het bewuste dagleven de afbraakkrachten meer werkzaam zijn. Ook deze dagelijks zich herhalende wisselwerking van boven- en benedenprocessen in de menselijke organisatie houdt steeds een gevaar in zich, wanneer de mens niet in staat is overdag een gezond evenwicht te scheppen door die processen die met de werkzaamheid van Ik en astraallijf verbonden zijn.
Opdat dit gevaar dagelijks overwonnen kan worden heeft de mens het ijzer in zijn bloed. Zonder ijzer zou het bloed steeds ziek zijn en er vindt door het ijzer in het bloed constant, op een natuurlijke manier een wonderbaarlijk genezingsproces plaats. Door de stralende kracht van het ijzer moet de stofwisseling keer op keer binnen de gezonde grenzen teruggehouden worden en in evenwicht gehouden wat aan zwavelprocessen in het bloed doorwerkt; anders zou de mens ziek worden. En afgezien van bleekzucht, bestaan er nog andere ziekteverschijnselen die in wezen samenhangen met het feit dat het organisme niet voldoende ijzerkracht heeft om zich tegen de van de stofwisseling uitgaande ziekmakende invloeden te beschermen.
Dus wat dagelijks fysiologisch in het menselijk organisme plaats vindt, ondergaat een intensivering in de loop van de zomer naar de herfst. En de mens die in de oude tijden nog het vermogen had mee te beleven wat er in hem en om hem heen gebeurde, beleefde de michaëltijd met zijn helpende kracht als feesttijd waarin hij kon vieren zijn bevrijding door Michaël van het gevaar dat hem bedreigde door de omstrengeling van Ahriman.
Daartoe moet de mens van tegenwoordig ook weer komen. De mens zou opnieuw mee moeten kunnen beleven hoe Michaël de mens wil helpen om innerlijk vrij te worden, hem van angst en vrees te bevrijden en hoe de michaëlkrachten gezondmakende krachten zijn.
De mens moet zich vanuit zijn eigen wil weer bewust verbinden met wat in de wereldruimte en in hem zelf als michaëlkracht werkt.
Dan zal ook Michaël als leider van de tijd de mogelijkheid krijgen zich met de mens te verbinden en zijn impulsen aan de mensheid te geven.
En dan zal de tijd aanbreken waarop wij het michaëlsfeest weer in echte zin kunnen vieren.
.

Ita Wegman, in Natura nr.3 sept. 1926
.

[1] GA 223/229, blz.165
[2] Vertaald      Inkijkexemplaar

meteoorijzer

Over Ita Wegman  (zoek in fondslijst)

Van Ita Wegman: Michaël (zoek in fondslijst

.

Jaarfeesten: Michaël – alle artikelen

Een artikel met inhoud van gelijke strekking

1101

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (42)

.

Els Boekelaar, Jonas 6, 17-11-1978
.

HERFST
.

Dit jaar heb ik een poging gedaan op de herfst te letten. Soms is dat gelukt. Tot nu toe heb ik van alles gezien: stormen, onweer, bliksem, snel voortzeilende wolken, dichte mist, plotse­ling warme dagen met goudachtig licht, fel kleurende bladeren aan de bomen en op de aarde, stervende planten, veel zaden en vruchten.
Net als in de andere jaargetijden heb je innerlijk de vrijheid om te kiezen:
meegaan in het natuurgebeuren, of er ook iets tegenover te stellen vanuit je­zelf.

In de herfst betekent dit meegaan on­der andere, dat je heftig heen en weer geslingerd kan worden als in een storm. En ook: dat je ‘meesterft’ met de natuur: moedeloos wordt, het niet meer ziet zitten, diepe depressies. Dat kan elk jaar weer raak zijn: je let misschien een tijdlang niet op, bent niet wakker voor wat er na de zomer om je heen en met jezelf gebeurt, je zou zo graag die zomerdroom vast blijven houden. Dan komt de confrontatie met de werkelijkheid van jezelf en je omgeving. Als je dan nog niet wilt, heb je grote kans dat de draak met een grijns zijn koppen opsteekt, belust op een prooi.

Uit een gesprek:
Een paar eigenschappen van de draak: ‘Hebzuchtig, vult leemtes op, begerig, wil jonkvrouwen verslinden, verstard, afgunstig, onbetrouwbaar, sluw, laks, verterend, vuurspuwend, verschroei­end’.

Natuurlijk doet hij regelmatig een spectaculaire aanval. Maar ook in klei­nere dingen is hij sluw: hij fluistert bijvoorbeeld in je ene oor met zoete stem dat je maar mooi moet blijven dromen. En je breekt enkele servies­stukken, bent ontevreden met bijna al­les, de rommel in huis stapelt zich op, je stoot regelmatig flink je hoofd, je ledematen worden traag, je wordt doodmoe. Volwassenen en kinderen vragen je aandacht, maar je wilt het al­leen prettig hebben, weert ze geïrri­teerd af, nu kun je geen antwoord ge­ven.

Ook in je andere oor sist het ondier zo het een en ander. Je sluit je af, wordt ‘hard’, dreigt ruzie te maken of je doet het meteen, je kijkt scherp tegen de harde, materiële kant van de wereld aan, ziet graag de slechtste kanten van anderen en van jezelf en je bent daardoor hoofdzakelijk met je­zelf bezig.

Als je het positief kunt zien, dan weet je na die confrontaties met de ‘draak’ precies wat je nog niet in de hand hebt wat je nog niet kunt hanteren, en dan kun je dus aan het werk. Dat betekent strijd.

Hoe ga je daarmee om, hoe vind je een wapen in de strijd? Zijn er af en toe medestrijders?

Een eerste wapen: momenten ‘maken’ waarin je de moed hebt de draak recht aan te kijken en te accepteren. Dan misschien: erin te kruipen, je ermee te verbinden.

Luisteren naar het monster vergt ener­gie. Als je die energie kunt afwenden van het luisteren en richten op je ‘strijd’; bijvoorbeeld regelmatig tussen de drukte en het gewoel van je leven wél op anderen letten, wakker en open te zijn, alleen met datgene bezig te zijn wat je op dat moment doet. Dan heb je soms van die momenten dat er ‘invallen’ komen als iemand iets aan je vraagt, dan sneuvelen er minder kopjes, blijft de orde in huis binnen je maat, ben je niet zo gauw moe, krijg je zin om nieuwe dingen te doen, en heb je zekerheid in je gevoel over het be­staan van een niet-materiële wereld.

Er is een houvast: buiten ontstonden er in zomerwarmte en licht vruchten en zaden. Veel zaden worden door de aarde opgenomen, blijven rusten gedurende de winter, ontkiemen daar vol­gend jaar, als alles goed gaat. Als je in de zomer goed hebt opgelet, niet alleen maar gedroomd, weet je van de ‘vruchten en zaden’. Als je ‘harte-lijk’ kijkt, vermoed je soms bij anderen een dergelijk proces. De win­ter blijkt dus niet zó koud en ‘dood’ te zijn. In de aarde en in jezelf zijn warmteplaatsen die je niet vermoedde Dit jaar ga ik met verwachting de kersttijd tegemoet.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichael    jaartafel

.

652-598

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (40)

.

Marika Ortmans Uit: ‘Wees stil mijn hart. Innerlijk leven met de jaarfeesten’, Uitgeverij Vrij Geestesleven. In Weledaberichten 166, najaar 1995
.

Het Michaëlsfeest
.

Een oogstfeest

Een lange draak van groengeverfde la­kens met daaraan vast een gevaarlijke kop, met vuurspuwende neus, sluipt voorzichtig, door vele kinderbeentjes gedragen, tussen de goudkleurige bo­men van het park. Hij wil zich verstop­pen, maar zijn lange lijf is duidelijk zichtbaar en verraadt hem. Kinderen die hem ontdekken, bekogelen hem met vruchten, door ouders en leerkrachten van papier-maché gemaakt. Onder luid gejuich en geschreeuw valt de draak neer. Hij is overwonnen. Ik ben erbij en denk na. Wat drukt dit beeld uit? Waarom sluipt op het feest van aartsengel Michaël een draak door het herfstige park en waarom wordt hij met zelfgemaakte vruchten bevochten?

Levenskiem

Het is herfst, de zomertijd is voorbij, de oogst zo goed als binnen, bloemen zijn er bijna niet meer, bladeren vallen van de bomen en vele vogels trekken naar warmere streken. De dagen worden kor­ter, de nachten langer. De duisternis lijkt het licht te overwinnen. In deze tijd trekt aartsengel Michaël ten strijde om de draak van de duisternis te verslaan. Hij wijst op de oogst en de levenskiem die in deze oogst verborgen ligt. Het feest van aartsengel Michaël wordt op 29 september gevierd. Voor velen is het een onbekend feest en toch is het al heel oud.

Rudolf Steiner heeft dit feest weer naar de voorgrond gehaald, omdat in het tijdperk waarin we nu leven duidelijke ‘herfstige’ verschijnselen zichtbaar zijn. In het seizoen van de herfst zien we dat het leven zich terugtrekt, bladeren val­len en alles wordt kaal. In de herfsttij van onze tijd zien we dat het leven zich terugtrekt, maar dan uit het leefmilieu, door een op de uiterlijke natuur gerichte natuurwetenschap, door het veelvuldige gebruik van de dode, starre taal van het verstandelijk denken en niet in de laat­ste plaats door onze liefdeloze omgang met de natuur. Het wordt donker. Hoe kan aartsengel Michaël de draak van de duisternis verslaan?

Aartsengel Michaël werd vroeger de be­schermgeest van de herfst en de behoeder van de vruchten en het graan ge­noemd. In deze vruchten en in dit graan ligt een nieuw levensbegin verborgen, en men zei dat aartsengel Michaël hierover waakt. Uit dankbaarheid hiervoor wer­den in die tijd aan Michaël oogst- en dankfeesten gewijd. Over welke oogst zal aartsengel Michaël in dit herfsttijdperk waken?

In het Nieuwe Testament (Openbaring van Johannes, hoofdstuk 12) komen we aartsengel Michaël tegen als de be­schermer van de hemel. Hij voert zijn hemelse heerscharen aan in de strijd te­gen de draak, die de plaats van God wil innemen. Michaël wint deze strijd en werpt de draak op de aarde.

Scheppingskracht

Rudolf Steiner vergelijkt deze draak met het verstandelijk denken. Vanaf het moment dat de draak op de wereld kwam, zo zegt hij, werd de mens geconfronteerd met dat wat uit het menselijk hoofd stamt. Was de mens in vroeger tijden meer met de godenwereld ver­bonden – maar dan vanuit een dromeri­ge persoonlijkheid – nu zien we het te­genovergestelde gebeuren. De mens wordt wakkerder in zijn persoonlijkheid en verliest daarmee grotendeels het contact met de geestelijke wereld. De deur naar de geestelijke wereld, waarin de mens als een paradijselijk wezen vertoefde, werd gesloten. De buitenkant van de verschijnselen, het zichtbare, meetbare werd steeds belangrijker. Dit heeft in de tijd waarin we nu leven ge­leid tot een zekere onafhankelijkheid van de mens ten opzichte van de gees­telijke wereld, een eerste voorwaarde voor vrijheid. De vraag is nu of de mens, met behoud van het moeizaam verworven vrijheidsbewustzijn, in staat is om vanuit een krachtige en sterke individualiteit ook in de geestelijke we­reld te ontwaken. Zijn wij in staat om een leerproces aan te gaan dat ons de mogelijkheid verschaft een blik te wer­pen achter de uiterlijke levensvormen? En zijn wij in staat het spel der elemen­ten te aanschouwen waaruit deze vor­men zijn voortgekomen? Een groeiend inzicht in deze scheppingskrachten lijkt vooral in deze tijd van groot belang, willen we meer kennis krijgen van de diepere bedoelingen van de wereld om ons heen en antwoorden vinden op de dringende vragen die ons nu worden gesteld over de schepping in herfststemming. Tot deze scheppingskrachten en het scheppingsproces krijgen wij echter niet gemakkelijk toegang.

In Italië, in de bergketen van de berg Monte Gargano aan de Adriatische Zee, ligt een van de vele heiligdommen die aan aartsengel Michaël zijn gewijd. Bo­ven de deur van het portaal, waardoor je moet lopen om bij het heiligdom te komen, staat:

Terribilis est locus iste. Hic domus Dei et porta coeli.

De betekenis van deze woorden is: ‘Verschrikkelijk is deze plaats. Hier is Gods huis en de poort naar de hemel’.
Aartsengel Michaël is de beschermer van deze hemel. De poort van de herfst, van de duisternis, leidt naar de schep­pende krachten van de geestelijke we­reld. Deze poort is niet gemakkelijk te openen. Maar wordt deze poort geo­pend, dan vinden we in dit heiligdom in de bergketen van de berg Monte
Gar­gano een beeld van Maria en haar kind. In dit seizoen, waarin de duisternis het licht wil overwinnen, wijst Michaël ons naar de scheppende krachten in de kiem van de oogst.

Wanneer we dit natuurbeeld en het beeld van het heiligdom van aartsengel Michaël als zielebeelden in ons opne­men, kunnen we ons afvragen wanneer wij in staat zijn de porta coeli te openen die ons toegang geeft tot deze kiem van scheppende krachten. Ik denk dat het belangrijk is om dan al­lereerst te leren de oogst van vruchten en levensvruchten in dankbaarheid te aanvaarden, iets waar aartsengel Mi­chaël ons in deze tijd toe oproept.

Bescherming

Het Michaëlsfeest is een oogstfeest dat gevierd wordt in een tijd dat de draak van de duisternis rondwaart. Dit oogst­feest draait om de bescherming van het nieuwe levensbegin dat in de oogst ver­borgen ligt.

Het Michaëlstijdperk, waarin wij nu le­ven, wordt ook gekenmerkt door
toene­mende duisternis, de draak van het een­zijdige, verstandelijk denken. In dit don­kere tijdperk is het meer dan ooit be­langrijk dat we het oogstfeest van de on­zichtbare zielevruchten vieren en wa­ken over de kiem van nieuw leven, die in deze zielevruchten verborgen ligt. Aartsengel Michaël vraagt dan ook aan ons of we deze oogst dankbaar in onze ziel willen ontvangen en, gelouterd van de diepere bedoelingen van deze oogst willen leren. En dat kan van de levens­vruchten van een jaar, van een mensen­leven of zelfs van de hele mensheids­ontwikkeling zijn. Al deze ziele-indrukken, deze levensvruchten, zijn voortge­komen uit de liefdesbron van de geest, en wanneer we ze met een ‘levend den­ken’ kunnen opnemen en begrijpen, zullen ze ons eens in staat stellen om ook uit onze eigen liefdesbron vruchten van hogere geestkiemen voort te bren­gen.

De draak sluipt door het park. Kinderen bekogelen hem met vruchten. De vruchten symboliseren de levensvruch­ten die wij onze kinderen kunnen meegeven. De draak is het levenloze, de duisternis, die in deze tijd de overhand dreigt te krijgen. Door de levensvruch­ten in dankbaarheid te oogsten, door de draak hiermee te bestrijden, kan de duisternis overwonnen worden en nieuw leven weer ontluiken. Een beeld van deze tijd. Een herfstspel met diepe inhoud!

 

Michael Cabellut

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michael    jaartafel

.

640-588

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (37)

.

OP 29 SEPTEMBER VALT HET JAARFEEST VAN MICHAEL

In het westen kennen wij sinds de vijfde eeuw op 29 september het feest dat oorspronkelijk herinnerde aan de wijding van de kerk van Michaël aan de Via Salaria in Rome. Alhoe­wel niet overal bekend, is het het feest van Michaël geworden. In het oosten leeft de herinnering voort aan het wonder van Cho-nai. Bij dit Phrygische stadje in het westen van Klein-Azië stond al in de vierde eeuw een aan Michaël gewijd heiligdom. Dat dreigde door geweldige watermassa’s te wor­den weggespoeld. Door het ingrijpen van Michaël verdween het water in de aardbo­dem en kwam het als geneeskrachtige bron weer omhoog. In het oosten wordt dit be­schouwd als het eerste grote wonder van Mi­chaël en dit wordt op 6 september gevierd. Wij kunnen Michaëls spoor volgen langs grote heiligdommen die in Europa van oost naar west ontstonden. De aartsengel ver­scheen aan het einde van de vijfde eeuw na Christus in het zuidoosten van Italië op de Monte Gargano. Van deze plek gaat zijn weg naar het westen. Daarvan getuigen heilig­dommen als op de Mont Saint-Michel aan de westkust van Frankrijk en op St. Michaels Mount voor de zuidkust van Cornwall. En in de oude Ierse kerk was het eiland Skellig Mi­chaël in het zuidwesten van Ierland een cen­trum van kloosterlijk leven. Het zijn allemaal hooggelegen plaatsen die aan Michaël werden gewijd en zij bevinden zich vaak aan de grens van land en water. Bo­vendien vindt men vele aan Michaël gewijde kapellen hoog in de westelijke toren van ker­ken. Michaël wilde men vroeger ontmoeten aan de overgang van de vaste grond naar de beweeglijker elementen van water en lucht, net iets boven de aarde. Tegenwoordig gaan wij in het teken van Michaël van de wat rusti­ger en gezapige zomer naar de stormachtige herfst.

Michaëls werkzaamheid is steeds grensover­schrijdend. Hij brengt als de goddelijke bo­de uit de hoogten de boodschap van Gods bedoelingen met de mens naar beneden. Hij staat de ziel terzijde, als het voorbije leven na de dood wordt beoordeeld. Hij helpt als zie­lenweger de gestorvene het evenwicht tussen goed en kwaad vinden. Hier op aarde helpt hij het menszijn behoeden en genezen. Juist daar, waar de mens mens moet worden, is zijn bijstand groot. Hij of Sint-Joris, die zijn aardse evenbeeld is en hem op aarde verte­genwoordigt, beschermt de mens tegen de lagen en listen van de boze macht die zich in de draak manifesteert.

Niet zo maar een mens
In een apocrief geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, de zogenaamde ‘Open­baring van Paulus’, wordt verhaald dat Mi­chaël dag en nacht ononderbroken bidt voor het menselijk geslacht. Hij kan dus ook wor­den aangeroepen als de engel, die het voort­bestaan van de aarde ter harte gaat. ‘Want omwille van uw gebeden blijft de aarde be­staan.’

Een heel bijzondere uitspraak. Want hierin komt de essentie van het gebed naar voren. Het gebed is, aldus opgevat, zeker niet zo­maar een wens, maar tegelijk verwerkelij­king. De innerlijke intentie van de mens schept in diens bede hier op aarde heel even de realiteit, die biddend wordt uitgesproken. Die is dan door het gebed even aanwezig. Als hemelse machten bidden, scheppen zij een duurzame werkelijkheid. De aarde bestaat voort dankzij Michaëls ‘gebed’.
Zo helpt Michaël de mensen tijdens hun le­ven op aarde. Hij is de bode van hun hemelse vaderland. Hij helpt om de gevolgen van het aardse bestaan te dragen. Hij geeft de mens vaste grond onder de voeten. Hij staat hem bij, wanneer de mens verstrikt dreigt te raken in het aardse bestaan.
Met de draak is het eigenaardig gesteld.
De Openbaring van Johannes, het laatste boek van de bijbel, beschrijft hoe de draak juist door een strijd in de hemelen op de aarde te­rechtkwam. Michaël en zijn engelen strijden tegen de draak en zijn engelen en overwin­nen hen. In de hemelen bedreigde de draak Maria en haar zoon om hen, nog voor ze op aarde kunnen verschijnen, te vernietigen. Om hen te behoeden werd de draak omlaag geworpen op de aarde. Daar belaagt hij de mensen nu.

Wij leren uit de Openbaring dat de mensen op aarde, om der wille van de hemelse mens, telkens voor zware opgaven worden gesteld. Geen wonder, dat Michaëls inzet voor de aarde en voor de mensen die daarop leven, na de val van de draak zoveel sterker is ge­worden.

Geloof voor mooie dagen
Hoe de draak op de aarde kwam, beschrijft een Oost-Europees sprookje. Ik ken het in een Engelse vertaling uit het boek Gypsy Folk Tales door M. Voriskova. Dat de draak op de aarde terecht kwam, was te wijten aan nieuwsgierigheid, maar vooral aan onderne­mingsgeest. Zo verhaalt althans het sprookje van ‘Kalo Dant en de zevende wereld’. Maar er kwamen ook nog wel wat verbroken belof­ten bij te pas, zoals het vervolgsprookje ‘Hoe Sjarkan onheil stichtte’ vertelt. Het sprookje zegt dat de draak degene die al­le werelden wilde leren kennen naar de aar­de terugbrengt. De mens, in dit verhaal de persoon van Kalo Dant, is er samen met de heerser in de bovenste wereld verantwoorde­lijk voor dat de draak op aarde terecht is ge­komen. De Openbaring van Johannes ver­telde in het beeld van de hemelse strijd het bovenmenselijke aspect; hier vinden we een menselijke betrokkenheid. Want Kalo Dant komt alleen terug naar de aarde dankzij de bemiddeling van een macht, die op aarde onheil brengt.

Gewoonlijk menen we min of meer instinc­tief, dat het kwaad er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn. Wij zijn nauwelijks geneigd het kwaad een positieve rol toe te kennen. De wereld zou, zonder het boze, beslist leefbaar­der zijn… Maar is het kwaad in zijn verschil­lende verschijningsvormen en gestalten al­leen maar negatief? In het Oude Testament laat het boek Job zien, dat deze vraag niet zo­maar met een ‘neen’ kan worden beant­woord. Het beschrijft op een dramatische en bijzonder menselijke manier, hoe een boze macht ingrijpt in het leven van Job. De satan mag met toestemming van God, Job binnen bepaalde grenzen op de proef stellen. Dan zal blijken of Jobs godsvertrouwen onder al­le omstandigheden sterk blijft. Of dat het al­leen maar een geloof is voor mooie dagen, dat bij tegenspoed verdwijnt. Als enige voor­waarde heeft God gesteld, dat de satan niet aan Jobs leven komt. En Job komt dankzij leed en beproevingen, uiteindelijk gesterkt uit zijn beproevingen te voorschijn. Het zijn niet de minste eigenschappen, die Kalo Dant ertoe brachten ten slotte de hulp van de draak nodig te hebben: nieuwsgierig­heid, die volgens de oude man de eerste stap is op de ladder die wij kennis noemen, on­dernemingsgeest, en een goede dosis gezond verstand en humor. Die beide laatste trekjes gingen hierboven wel verloren bij de korte weergave in dit sprookje, het verhaal van de mens op zijn zwerftocht door de zeven werel­den, dat werd overgeleverd door een zwer­vend en vrijgevochten volk!

Vrijheid
‘Het kwaad ontstaat dus ter wille van de mens’, concludeert Hans-Werner Schroeder in zijn boek De mens en het kwaad. In zijn uit­eenzettingen betoogt hij, dat het kwaad in de wereld is omdat de mens zonder het boze niet werkelijk vrij kan worden. In de heme­len, binnen de sfeer van de goddelijke al­machtigheid, kan vrijheid niet bestaan. Er moest een plek in de wereld zijn, waarbin­nen de werking van het goddelijke zich niet rechtstreeks laat gelden. Waar machten ac­tief zijn, die de mens in de richting van het anti-goddelijke drijven, om zo zijn sterkste krachten op te roepen. Vrijheid is een inner­lijke kwaliteit die bevochten moet worden. Velen vragen zich tegenwoordig af of de toe­name van het kwaad de menselijke moge­lijkheden niet te boven gaat. Schroeder geeft op deze vragen behoedzame en verhelderen­de antwoorden. Hij onderzoekt, welke rol het kwaad in de ontwikkeling van de mens­heid heeft gespeeld. Schroeder stelt ook de vraag naar de overwinning en verlossing van het kwaad. Hij doet dit vanuit beleving van de helpende nabijheid van Christus en diens dienende geesten. Na het sleutelwoord van de ‘vrijheid’ verschijnt aldus de even essen­tiële gedachte van ‘helpende nabijheid’. Hierboven beschreef ik welke impressies mensen in het verleden van de aartsengel Michaël hadden, hoe zij hem vonden bij de grenzen die het leven ons stelt. Dit is sinds­dien mogelijk gebleven. Hij vertegenwoor­digt het beginsel van de ‘openheid naar bo­ven’. Een mens die alleen maar zichzelf wil zijn, is nog lang niet ‘zichzelf’ in de ware zin van het woord. Wie tevreden is met zichzelf zoals hij is, met de wereld die hij aantreft, ne­geert ook de toenemende macht van het kwaad in de wereld. Het complementaire begrip van de ‘openheid naar boven’, die Mi­chaël vertegenwoordigt, heet ‘vrije kracht’. Met vrije kracht kunnen wij de grenzen van ons bestaan naderen. Met de vrije kracht die in het denken wordt gewekt door de moed, het geestelijke in ons toe te laten. In het ge­bed hebben we de mogelijkheid de werke­lijkheid van de geest in onze wereld te laten binnenstralen.

Wij kunnen het feest van Michaël maken tot een feest van het wordende. En zijn de eerste stappen daartoe niet de ondernemingsgeest en de nieuwsgierigheid, waarmee we ons afvragen hoe het met onze wereld werkelijk is  gesteld?

(Arie Boogert, Jonas nr. 2, 18-09-1987)                                        
Gypsy Folktales, M.Vorisková. Uitg. Paul Hamlyn, Londen 1967
De mens en het kwaad, Hans-Werner Schroeder. Uitg. Christofoor, Zeist 1967
Het tijdperk van Michaël, Emil Bock. Uitg. Christofoor, Zeist 1986

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel
.

293-274

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (28)

.

WAT IS EEN MICHAËLSFEEST?

Is dat een vreemde vraag? Neen, zeker niet. Sommigen blijven het antwoord schuldig, anderen weten het heel zeker. Toch kan men zich afvragen of de vraag goed gesteld is. Een Michaëlsfeest ‘is’ niet, hoogstens ‘wordt’ het. Ieder jaar is het anders, wordt het anders. Het Michaëlsfeest kan men in Nederland ongebruikelijk noemen. Een feest van de toekomst is het wel, het heeft nog alle mogelijkheden. Ieder jaar moet men zich inspannen om er vorm aan te geven.

Het jaarverloop speelt zich af in drie grote feesten. Stelt men het jaar als een kring voor, dan liggen het Sint-Jansvuur en de Kerstster recht tegenover elkaar, is Sint-Jan boven-midden, dan is Kerstmis onder-midden. Er is een tweede hoofdlijn, die staat dan niet vertikaal maar horizontaal. Rechts ligt Pasen in het midden van de boog. Daar tegenover ligt de herfsttijd. En daar behoort het vierde feest, het herfstfeest. Dat is tevens het Michaëlsfeest.

Waarom is Michaël in de herfst van de jaarkring? Sint-Michaël? Nu, eigenlijk is Michaël helemaal geen gewone heilige. Hij is een aartsengel. Een boeren-aartsengel, want hij bevordert de goede oogst en hij is verbonden met het werk dat tot een oogst leidt. Op allerlei gebied. Bij voorbeeld op het gebied van de moraliteit. Michaël wordt vaak met een weegschaal voorgesteld, waarin de mensenzielen worden gewogen. En tegen de tijd, dat men alle gestorvenen op Allerzielen gedenken gaat, is ook het beeld van de aartsengel met de weegschaal present. Zo blijkt dit alles uit de rijke Middeleeuwse traditie. In Zuid-Europa komt Michaël als het ware uit de lucht vallen. Legenden spreken over zijn verschijnen op de Monte Gargano aan de Adriatische zee.
Plotseling komt er een sprong van de Michaëlverering naar Normandië, waar een onbekend rotseiland in weinige jaren tot een befaamd centrum van zo’n verering wordt. De Mont Saint-Michel is nog steeds een grote bezienswaardigheid en zo een trekpleister voor toeristen, helaas ook wel een beetje vercommercialiseerd en verloederd. Minder bekend is de Michaëlsberg aan de overkant van het Kanaal in Engeland, waar men zo waar een “Michelmas”feest kent en wel op 29 september, de aan Michaël ook in West-Europa gewijde dag. De Michaëlsdag valt in de tijd waarin dag- en-nacht­evening juist heeft plaatsgevonden, een weegschaalevenement. Overigens is de Mont Saint-Michel met zijn prachtige gotiek een indrukwekkend monument in de woeste ritmiek van eb en vloed aan de Normandische kust. Soms is het weegschaalmoment daar ook sterk beleefbaar. Men moet er wel rustig de tijd voor nemen. Bij bestudering van de wezenlijke trekken van Michaël blijkt uit vele legenden, dat deze aartsengel wiens naam “aangezicht van God” betekent,  ook een speciale opdracht in de wereld heeft met betrekking tot de bestrijding van het kwaad. Wel, het kwaad is overal, dat weten we, maar het is ook een zeer vaag en ab­stract begrip. Is het kwaad absoluut kwaad? Men is sterk geneigd om het “kwaad”- voor de een als een “goed” voor de ander voor te stellen. Daardoor kan het kwaad ook zo enorm gedijen in een onverschillige of sceptische omgeving.

In de Middeleeuwse legenden bestrijdt Michaël met een lichtend zwaard de boze krachten van duisternis, valsheid, oneerlijkheid en geweld. De strijd wordt geleverd tegen een wezen, dat wel het Boze in absolute zin representeert: een monsterlijke Draak of een Duvel.
Die Duvel kan twee aspecten vertonen, de verleidende, hoog­moedige kracht van de Duvel uit het Paradijsverhaal of het ijs­koude, leugenachtige van de Vorst der Duisternis uit de Perzische mythologie.

Michaël is echter veel ouder dan de Middeleeuwen. De bekende plaats in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, is opgeschreven door een man die de Christus nog in zijn jeugd had gekend. En duikt men verder in de Oudheid dan blijkt, dat het thema van het Boze overal in de grote cul­turen van de mensheid te vinden is. Alleen draagt de grote bestrijder van het Boze niet altijd de naam Michaël, die typisch voor het Hebreeuws-Joods-Christelijk taalgebied is. Men komt in de oude Hindoe-overleveringen een machtige Indra tegen, die gezeten op zijn Wolkenolifant de vurige Wadjra (een soort bliksemknots) naar de vreselijke Draak van van de Droogte slingert en zo de mensheid redt.
In de Perzische cultuur is Angramanyoes, de “Erge Boze” die geheel de schepping van de Lichtgoden trachtte te bederven door de aarde woest, de planten giftig, de dieren woest en giftig te maken en de mensenziel te verpesten met bedrog, heerszucht en gewelddadigheid. De schone en heilige Mithra neemt de strijd ter hand.
Overigens riep ook de Lichtgod Ahoera Mazdao de mens door middel van zijn profeet Zarathustra op om medestrijder tegen het Boze te worden, de aarde te beploegen, wilde dieren te temmen, planten te kweken en de ziel te zuiveren door korte, maar vaak herhaalde gebeden.
De keuze is groot! Van de boosaardige krachten die door een licht en de engelfiguur worden bestreden, is ook iets te vinden in Babylonië. Ja, daar is een mythologie van goddelijke en hiërar­chisch geordende wezens. Deze wezens staan voor de taak om een nieuwe wereld te scheppen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de monsterlijke kracht van Tiamât, een soort oermoeder der Duis­ternis, die oorspronkelijk een goede en heilzame moeder was, maar geleidelijk een monster werd, die iedere vernieuwer opat of vervolgde met een duistere stoet van demonen. Geen van de goden, ook niet de “beroemde Drie”, Anoe (hemel­vader), Enlil (de luchtgod) en Ea (watergod). Geen van de oudere goden kan Tiamât bestrijden. De slimme Ea echter tracteert de goden op een maaltijd met goede spijs en drank – met rietjes -. Hij schuift zijn zoon Mardoek naar voren, tussen de vrolijke en elkaar kussende goden. Mardoek durft wel. Hij wenst dan verder de leiding van de goden op zich te nemen. De goden stemmen toe. In het Babylonische scheppingsepos “Enoema Elish” wordt dit alles beschreven.

Mardoek, de Babylonische Michaël, trekt tegen Tiamât op met knots, bliksemschichten, pijl en boog en een “net” vol winden.

De woedende wind, die hem volgde,
liet hij los in haar gezicht,
toen Tiamât haar reuzenmuil
open deed om hem te verzwelgen!
Hij dreef de woedende wind naar binnen;
zij kon haar muil niet meer sluiten
en de woeste wind beukte haar buik.
Haar lijf werd verlamd en haar muil hing open.
Hij schoot een pijl, die haar openscheurde,
snijdend door het ingewand, splijtend haar hart.
Zo bedwong hij Tiamât, bluste uit haar leven.
Staande op haar lijf verpletterde hij de schedel.
Toen spleet hij haar als een oester in tweeën.
Eén helft maakte hij boven tot de Hemel,
en van de andere maakte hij de Aarde .. .”

De Babyloniërs zijn niet zachtzinnig in hun poëzie, maar het gebeuren is duidelijk “Michaëlisch”: een lichtende macht van boven doodt een duister geheel beneden en geeft de stoot tot verdere ontwikkeling.

Ingevoegd uit ander artikel van P.C.Veltman

Mardoek, de Babylonische Michaël, in de strijd met Tiamât) naar een Babylonisch reliëf)

uit het Enuma Elish (de schepping van de wereld)

Toen Tiamât haar muil opensperde
om de god te verzwelgen, dreef hij de woedende wind die hem volgde
en liet hem los midden in haar gezicht,
dreef de woeste wind naar binnen.
Zij kan haar muil niet meer sluiten!’…..

Michael bordtek 6Interessant is het gegeven, ook bekend uit andere mythologieën, dat het Boze oorspronkelijk iets goeds is, dat “zijn tijd gehad heeft” en dan later tot iets kwaads wordt.

Was Lucifer ook geen machtige engel voordat hij neerstortte?

Ook in de geschiedenis zijn gebeurtenissen bekend, die een sterk Michaëlisch karakter dragen. Het zijn gebeurtenissen die, verstandelijk bekeken, tot de onmogelijkheden behoor­den en dus “ongeschied” hadden moeten zijn. Eén zo’n ge­beurtenis – het is vandaag* 20 september en het is ruim 2466 jaren geleden – was de overwinning van een klein Grieks volk op een Perzisch miljoenenleger, dat Europa was binnen­gevallen. De slag ter zee bij Salamis dwong de machtige koning Xerxes tot de aftocht.

Er is een geval van een Frans boerenmeisje, dat een leger aanvoerde, een Engels leger uit Frankrijk verdreef en een kroonprins tot koning liet kronen. Dit geval is ruim vijf en een halve eeuw geleden. Er is er nog een, dicht bij huis, uit 1574 in Leiden. Wie de feiten rustig bestudeert, kan verbaasd zijn over een Michaëlisch gebeuren in eigen huis. Genoeg hierover.

Het spreekt vanzelf, dat de strijd tegen de draak voor de moderne mens een verinnerlijkt, dus ander karakter dient te dragen.

Daarover zou veel te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner, dat hij voor de moderne mens het wezenlijke van het Michaëlgebeuren weer toegankelijk heeft gemaakt. Het opnieuw vorm geven aan een Michaëlfeest zou een belangrijke nieuwe cultuurimpuls kunnen zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens ontbreken)

,

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

276-261

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (15)

.

HET MICHAËLSFEEST

Onder de vele dingen waaraan je als ‘nieuweling’ -ouder of leraar- moet wennen in de vrijeschool is de manier waarop de ‘juffies’ en de ‘meneren’ spreken en vertellen over elven en kabouters, draken, goden, reuzen enzovoort, wel het merkwaardigste.

Als je goed luistert naar die leraren, lijkt het precies, of ze zelf aan al die verzinsels geloven. Nu, beste lezeressen en lezers, dat is ook zo. Wij geloven daaraan, omdat het geen verzinsels, maar realiteiten zijn,  realiteiten die je niet met je gewone ogen kunt zien en met je handen kunt pakken, maar waar­over je toch een zekerheid kunt hebben, waarover je iets kunt weten.

Je moet je alleen wel – maar dat is met iedere wetenschap het geval – de moeite geven je in die zijde van de wekelijkheid te verdiepen. Als je ervan uitgaat dat werkelijkheid alleen maar is wat je kunt zien en pakken, dan ben je net als iemand die met zijn rechtervoet op zijn linkervoet gaat staan en dan zegt: ‘Zie je wel, dat ik niet kan lopen!’

De werkelijkheid heeft een uiterlijke zijde die voor onze ogen verschijnt en een innerlijke zijde die in eerste instantie zich wel verbergt, maar die wij mensen,  omdat wij ook een innerlijk leven hebben, toch kunnen ontdekken. En zoals we alleen met twee gezonde benen die elkaar niet vastklemmen, kunnen lopen, zo kunnen we ook alleen maar echt leven als mens, wanneer we met die twee zijden van de werkelijkheid leren omgaan.

De kinderen, vooral de kleine, zijn thuis in die innerlijke of geestelijke werkelijkheid. Zij moeten door hun opvoeding, door het onderwijs, leren de uiterlijke zijde van de wereld te betreden om daarin te werken.

De grote mensen die zo verschrikkelijk thuis zijn in de harde uiterlijke werkelijkheid (soms voel je je daar helemaal niet thuis) zouden die innerlijke zijde niet moeten vergeten.

Nu zijn er ten allen tijde mensen geweest die omtrent de innerlijke, geestelijke werkelijkheid niet alleen een uitgebreid weten bezaten, maar die deze
geest­wereld ook konden waarnemen. Hun weten kwam voort uit hun waarnemingen. Dergelijke waarnemingen zijn vaak in geschriften opgetekend of in kunstwerken uitgebeeld. Eigenlijk is alle kunst, is alle literatuur uit deze bovenzinnelijke waarnemingen ontstaan. Dat waren dus geen verzinsels, maar beelden van realiteiten.
Lange tijden is de mensheid gevoed en geleid door deze geestelijke, reële beelden, door de godsdienst, de kunst en de wetenschap die vroeger nog een geheel vormden. Het mensengeslacht is opgevoed met „beelden van geestelijke realiteiten”.

Maar het mensengeslacht moest vrij worden en daarom moesten de geestelijke beelden gaandeweg verdwijnen om plaats te maken voor uiterlijk zintuiglijke beelden van de wereld. Toen ontstond de natuurwetenschap met in haar gevolg de techniek. Deze hebben de mens van de nieuwe tijd vrij gemaakt. Vrij van godsdienst, vrij van de oude leidinggevende beelden.

De mens werd geestelijk zo vrij, dat hij nu de geest kan verloochenen. Hij kan alle realiteiten van de innerlijke zijde ontkennen, tot bijgeloof en verzinsel verklaren. Hij kan zeggen, dat God niet bestaat en God doet niets terug. Hij geeft de mens niet een draai om zijn oren zeggend: ‘Zie je wel, voel je wel, dat ik wél besta!” De goddelijke wereld respecteert de menselijke vrijheid.

Maar er is een macht in de wereld die deze vrijheid mis­bruikt. Omdat deze macht ook onzichtbaar is, hebben de mensen hem niet in de gaten. Ze merken niet dat deze macht hen voortdurend inspireert, influistert: alles is materie, alles is alleen uiterlijke werkelijkheid, geest bestaat niet, God is dood.

Wanneer men deze macht in een beeld zou kunnen waarnemen, geen verzinsel dus, maar een realiteit in beeldvorm, dan zou men iets heel lugubers aanschouwen, iets gluipends, loerends, afschuwelijk lelijk en vraatzuchtig, dof van kleur met een soort huidpantser, harde uitsteeksels, klauwen, kortom een draak.
Deze draak wil verhoeden, dat de mens werkelijk vrij wordt als geestelijk wezen. Hij wil de ziel van de mens totaal verdoffen, de geest mechaniseren en het lichaam verdierlijken. Dan heeft hij de mensen en de aarde in zijn macht. Deze draak treedt een andere, hoge geestelijke macht tegemoet om hem te bestrijden.

Wanneer wij deze macht in beeld zouden kunnen waarnemen dan zouden wij een gestalte zien, die licht uitstraalt met een edel en heel ernstig gelaat. In zijn hand houdt hij iets wat op een zwaard lijkt. Daar schieten voortdiurend stralende vonken van af, als gloeiende meteoren die door de hemelruimte vliegen. Deze macht hebben de mensen vroeger reeds gekend en ze noemden hem Indra, Marduk of Michaël, de drakenbestrijder.

Michaël is geen verzinsel, maar een reëel geestelijk wezen, de dienaar van de Allerhoogste.

Hij wil verhoeden, dat de mens alle verbinding met het goddelijke verliest. Hij wil de ziel van de mens door­gloeien en doorstralen, de geest bevleugelen en het lichaam veredelen. Maar hij respecteert ten volle de menselijke vrijheid.

Hij dwingt niet, hij wijst alleen en wacht zwijgend tot de vrije mens zijn inspiratie wil opnemen. Hij wil geen macht voor zichzelf; hij is de dienende geest van Christus die de mens zichzelf wil laten vinden.

Wanneer de mens wil luisteren naar Michaël, dan in­spireert deze hem tot moed. Moed om geestelijke ge­dachten te koesteren, moed om het gevoel zonnig en edel te maken, moed om de verlamming in de wil te over­winnen.

Het feest van Michaël is het feest van de moed. In onze tijd is het nodig dit christelijke feest (niet zozeer in kerkelijke zin) aan het Kerst- Paas- en Sint-Jansfeest toe te voegen.

In het jaargetijde waarin de uiterlijke zichtbare wereld tot een sterven en vergaan verkeert, roept Michaël ons tot innerlijke wakkerheid. Alleen de geestelijke wakkerheid is in staat de gluipende macht van de draak te onderkennen en te overwinnen.

Hoewel wij onze kinderen moeten leren zich thuis te voelen op de aarde, in de zintuiglijk uiterlijke wereld te werken en te leven, moeten wij zorgen, dat zij niet vervreemden van de innerlijke geestelijke realiteiten. Ons middel daartoe is hetzelfde wat in de grote wereldopvoeding van het mensengeslacht ge­bruikt is: het kunstzinnige beeld, dat wortelt in een geestelijke werkelijkheid.

Wanneer de kinderen wat ouder zijn geworden, kunnen zij dergelijke beelden met hun verstand begrijpen, want er is niets geestelijks wat het gezonde verstand niet begrijpen kan, al kan het dit niet verzinnen of uitdenken.

Later als het kind volwassen is en de school heeft verlaten, werken zulke beelden en het begrip dat men daaraan tegemoet gedragen heeft als een gezonde kracht, ook al zou men niet meer aan Michaël en de draak ‘geloven’, zoals men als kind daaraan ‘geloofde’.
Van deze gezonde kracht uit kan men in een later stadium van de persoonlijke ontwikkeling een nieuwe, veel bewustere relatie zoeken met het hierboven beschrevene; men kan dit ook nalaten: de mens is vrij! Men realisere zich dan echter wel, dat nalaten niet neutraal is. De keuze is altijd vrij, de consequenties van de keuze niet meer.

(W.F. Veltman, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend)

.

HET MICHAELSFEEST OP 29 september.
De viering van het Michaelsfeest begint maandag 29 sept. om 8.30 uur met een schoolfeest in het gebouw aan de Waalsdorperweg voor alle klassen.
De klassen 1 t/m 6 hebben van 8.30u tot ± 10.30 u. een programma in de grote zaal. Er wordt een Michaélsverhaal verteld en de klassen laten elkaar zien wat zij in deze Michaëlstijd hebben gedaan; liedjes, taal, rekenen, toneel worden op het toneel opgevoerd. Vanaf 10.30u. is er een heel feestprogramma in de school waar de kinderen uit deze klassen aan kunnen meedoen. Er zullen 25 à 30 spelletjes en moeilijke spelen in en rondom de school uitgezet zijn, die een beroep doen op moed, durf en behendigheid. Draken zullen beschoten worden met pijl en boog, boegsprietlopen, ringsteken op step en fiets, reis om de wereld, en vele andere spelen zullen de feestvreugde verhogen. Ouders zijn bij dit tweede gedeelte van het feest welkom, niet alleen als toeschouwer, maar ook ter assistentie. Moeders en vaders die het leuk vinden een spel te leiden, kunnen zich opgeven bij mej. v.d. Mark.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

262-247

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (7)

.

In de kring van de jaarfeesten is het Michaëlfeest een heel bijzondere gebeurtenis. Het wordt gevierd op 29 sep­tember en niemand weet eigenlijk hoe het gevierd zou moeten worden.

Dat zou sommigen onzinnig lijken. Anderen weer zullen ge­boeid zijn door de uitdaging. Een feest vieren, waarbij men eigenlijk totaal niet kan rekenen op een traditionele inhoud!
Het kerstfeest, Pasen, Sint – Jan zijn sterk bepaald door de traditie, gebonden als zij zijn aan gebeurtenissen die zich op aarde hebben afgespeeld en waarvan de dragers menselijke wezens waren. Het Jezuskind en Johannes de Doper waren menselijke wezens. En dat geldt tot op zekere hoogte voor de Christus op Golgotha ook.

Goed, drie feesten vóór menselijke wezens en dóór menselijke wezens, kunnen we globaalweg zeggen. In de cirkelgang van het jaar staan Kerstmis en het Sint  – Jansfeest (resp. 25 december en 24 juni) diametraal tegen­over elkaar. Pasen valt in het voorjaar, het is een bewege­lijker feest, afhankelijk als de datum is van de stand van zon en maan. Maar steeds in maart of april. De samenhang van deze feesten met de seizoenen is eveneens duidelijk: winter, lente, zomer.

Het herfstfeest, zo voelt men wel, ontbreekt; er is geen mens die ons dat heeft voorgeleefd. En Michaël dan? Nu, al spreekt men van Sint – Michaël, dat is helemaal geen mens, dus ook geen “heilige”. Michaël is een hoger wezen, een engelwezen.

Sommigen hebben daar moeite mee, anderen juist weer niet en weer anderen hebben vanuit de traditie in het geheel geen moeite.

Voor velen is het duidelijk dat, indien de mens het hoogste (= het meest gecompliceerde) wezen op aarde zou moeten voor­stellen, men in het algemeen zeer veel te kort komt in de menselijke rol en in het menselijke wezen.

Logischer is het eigenlijk, dat de grens van de natuurrijken (mineraal, plantaardig, dierlijk en menselijk) naar boven toe niet door het oog wordt bepaald, maar door het wezen.

En zo is Michaël de aartsengel als patroon van het herfst­feest goed denkbaar.

De herfst is de tijd van de vruchten, van het gerijpte werk van mens en natuur. De zon vertrekt naar de landen ten zuiden van de evenaar; dat mag dan astronomisch niet gezegd worden, maar voor gewone mensen op aarde ziet het er hier zó uit. Er is een kentering van het weer. De oogst moet binnengehaald en heel veel zichtbaars in de natuur sterft af. De mens als landbouwer staat machteloos tegenover het weer. Een paar grillige hagelbuien kunnen een jaar van hard werken teniet doen. Enzovoort: te mooi droog weer is ook niet goed, te nat, vochtig weer helemaal niet.

Goede oogst betekent: vermijden van het “te”. Het evenwicht is eigenlijk een wonder, want het treedt veel vaker op dan de kansrekening zou toestaan!

Géén wonder is het, dat de oude volken, veelal landbouwers en ook de boeren tot op de huidige dag de goede oogst toe­schreven aan de hulp en invloed van een geestelijk wezen. Dat geestelijke wezen – de naam doet er wel wat toe, maar niet alles – wordt vanaf de vroege middeleeuwen in Europa “Michaël” genoemd. En de Israëlieten, oorspronkelijk ook landbouwers, kenden dit wezen heel goed als “aangezicht van God”.
Michaël staat dichter bij de mens dan “God”, Michaël heeft het karakter van een bemiddelaar. Hij beschermt de oogst. Maar ook heeft hij toezicht op een geheel ander soort oogst, een innerlijke oogst. Deze oogst bestaat uit de daden die een mens in de loop van zijn leven volbracht heeft. De Michaëlstijd komt bij het zwaaien van de weegschaal. Michaël houdt de schaal en weegt de daden der mensen. Het is duidelijk, dat het afwegen van goede en kwade daden een nauw­keurig iets is, waarvan ’s mensen verblijf na de dood de gevolgen zal ondervinden.*

Michaël is ook vanouds de hemelse strijder tegen het Kwade. Want, vergis u niet, ook het Kwade heeft zijn oorsprong in de Hemel! Zie de Openbaring van Johannes.

Voor de kinderen is de strijd tegen het kwade die door Michaël geleverd wordt een boeiende zaak. Met speerstoot of zwaardhouw wordt de boze Draak geveld.

Voor de volwassene ziet het er heel wat gecompliceerder uit. Men kan vlug uitvinden, dat Michaël weliswaar de hemelse dreven heeft bevrijd van de Draak, maar het kan ook duidelijk zijn, dat de Draak op aarde is geworpen, dat zijn eerste slachtoffer het echtpaar Adam en Eva was en dat de Draak zich heel gemakkelijk verschuilt en zich thuis voelt in de menselijke ziel.

Het eerste wat de drakenkracht doet, is de ziel infecteren met onwaarachtigheid. We kennen deze leugenkrachten in de huidige tijd heel goed: van de nuchtere, verkeerd interpre­teerbare statistiek tot de mening, dat de verkrachter in actie kwam, omdat de vrouw “het ernaar gemaakt had” en zo voort en zo voort.

Een Michaëlsfeest en het zich bewust maken van Michaëlkrachten in de samenleving als gigantische noodzaak is be­paald geen luxe.

Men leze vooral het sprookje van Plato in dit nummer**, waar Sokrates zijn gesprekspartner vangt op zijn eigen woorden. Iets is waar, omdat het waar is; niet omdat Klaas, Piet of Poesje het gezegd heeft.

Wie daarop gaat letten, wordt een goede bondgenoot van Michaël. Vroeger hielpen de goden de mensen. Nu zijn de mensen zo ver in bewustzijn en inzicht, dat zij de goden moeten helpen. De volgende zet kan dan weer aan de goden zijn. Zo komt de wereld toch verder. Daarom: vier een Michaëlsfeest!

(P.C. Veltman, nadere gegevens ontbreken)
.

•   Een viertal weken na Sint-Michaël is het de Dodenherdenking Allerheiligen (1 nov.) en Allerzielen (2 nov.)
** van de schoolkrant waarin dit stukje stond
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

253-238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (4)

.

MICHAËLVIERING

                                                                                                  

Omwille van enthousiasme en moed

Michaëlsdag op 29 september is als kerkelij­ke feestdag heel oud maar in de meeste stre­ken niet meer dan een van de vele gedenkda­gen van de kalender. Er zijn enkele streken in Europa waar de verering van Michaël meer op de voorgrond getreden is, bijvoor­beeld Bretagne, Normandië en Ierland, maar ook de Monte Gargano in Italië. Daarnaast zijn in grote delen van Europa in vele romaanse kerken Michaëlkapellen geweest. Ze waren in het westelijke deel van de kerk tegenover het altaar.

Het hoogtepunt van alle Michaëlvereringen ligt tussen de dertiende en vijftiende eeuw, dus in de tijd dat in Europa een nieuw be­wustzijn begon te ontstaan, waarin de ridder­cultuur met grote landgoederen plaats maak­te voor de stadscultuur van de burgerij, waarin de theologie het veld begon te ruimen voor de natuurwetenschappen, waarin het innerlijk oog, gericht op het zielenleven en zielenheil zich metamorfoseerde tot het uiter­lijke waarnemen, gericht op de wereld en op de stoffelijke welvaart.
Michaël werd vereerd toen de mens begon te ontwaken tot een zelfstandig wezen met eigen verantwoorde­lijkheid en eigen denken. Michaël is in die tijd vooral de strijder tegen de draak en degene die de zielen weegt na de dood en bij het laatste oordeel. Men kan vermoeden dat de mensenzielen de gevaren van de komende tijd beleefden en die gestal­te gaven in de draak, waarbij de ernst van de strijd met de macht van Het boze zijn uit­drukking vond in de weegschaal. Vaak zien we afbeeldingen waarop de duivel de ene schaal naar beneden trekt.

In de late middeleeuwen verdwijnt de Michaëlverering, al blijft ze in bepaalde streken fragmentarisch bestaan met behulp van oude legenden. Daar wordt het een traditie waar­aan niets nieuws wordt toegevoegd, maar die wel leeft.

Pas in de twintigste eeuw wordt Michaël weer belangrijk in de antroposofie. Het is eigenlijk pas in de laatste jaren van zijn leven dat Rudolf Steiner uitvoerig over Michaël spreekt. Hij zei daarbij dat wij nog aan het begin staan van de viering van het Michaëlsfeest.

De Christengemeenschap ontvangt in die tijd het Michaëlsepistel (gebeden aan het begin en het einde van de Mensenwijdingsdienst en een invoegsel na het credo). In de Vrije Scholen krijgt het Michaëlsfeest hetzelfde accent als Kerstmis, Pasen en Pinksteren en wordt zelfs vaak als het bijzondere feest van het jaar gevierd.

Wat is er gebeurd? Ik heb het vermoeden dat, wat er eigenlijk gebeurt in de wereld, voor ons bewustzijn slechts langzaam duide­lijk wordt, dat wil zeggen dat we nu pas, na meer dan een halve eeuw beginnen te begrij­pen waarom de verering van Michaël zo centraal kwam te staan bij Steiner. Als men terugblikt kan men tot het volgen­de komen.
In dezelfde tijd dat Steiner uit­voeriger over Michaël en de met hem
ver­bonden mensenzielen gaat spreken, komen vele jonge mensen naar hem toe. Drie ken­merken kon men aan hen waarnemen. Ze werden niet in de eerste plaats gedreven door behoefte aan inzicht, maar ze wilden iets doen. Het waren degenen die later art­sen, priesters, landbouwers, (heil)-pedagogen werden. Alleen wanneer men deze beschrij­ving niet eenzijdig als definitie vastnagelt, kan men het zo uitdrukken. Natuurlijk zochten ze ook inzicht voor hun doen. Hun tweede kenmerk was dat ze tot Steiner en tot elkaar kwamen door een innerlijke drang die uit het voorgeboortelijke leven kwam. Het derde kenmerk was de sterke drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring.

De toen oudere generatie zocht boven alles inzicht in wat de meester kon meedelen over de hogere werelden. Bij de jongere generatie ging het om eigen ervaring. Ook dit moet men niet weer eenzijdig in een schema wringen. Het gaat meer om tendenties in een bepaalde richting.

Wanneer we nu onze eigen tijd bezien (meer dan een halve eeuw later), bemerken we dat de behoefte aan daden alleen maar is toege­nomen en vooral aan daden die op de toe­komst zijn gericht. Toegenomen is ook het vertrouwen op de innerlijke drang. Voor veel jonge mensen is het nu vanzelfsprekend dat ze impulsen hebben meegenomen uit het voorgeboortelijke en uit vroegere levens. Ook is de drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring niet meer weg te denken uit onze cultuur.

Er komt dus een beeld te voorschijn van dat­gene wat de geestesstroming wilde die omstreeks 1920 opdook. Men kan trachten dat een naam te geven; men kan ook de beschrij­ving als zodanig laten staan. In de beschreven verschijnselen is een duide­lijke lijn zichtbaar, waardoor men zich een beeld kan vormen van de metamorfose die Michaël in zijn werken doormaakt. Aan een duidelijke lijn in een biografie leert men de individualiteit, het Ik van een mens kennen. Aan een duidelijke lijn in een tijdperk kan men de individualiteit leren kennen die in dat tijdperk leeft, de geest van die tijd. Die kan men met de oude naam Michaël aandui­den.

De middeleeuwse legenden geven een be­paald beeld van Michaël. Ze verbinden hem als strijder met de draak, als rechter met de weegschaal. Als we de fenomenen van onze tijd nog wat nader bezien kunnen we mis­schien inzicht krijgen in het wezen van Michaël.

Inzicht is gericht op het verleden. Wat voor­bij is kunnen we overdenken. Maar we kunnen ook zo leren denken dat we ideeën ont­wikkelen voor wat er nog niet geweest is.

Daarvoor is kennis van het gewordene nood­zakelijk. In onze cultuur zijn vooral sinds het einde van de negentiende eeuw enorm veel nieuwe ideeën ontwikkeld. Daaruit is onze industrie ontstaan, ons verkeer, onze productie en onze technische communicatie. Wat verloren ging is ons werk en ons werkelijk communiceren met elkaar. Nu wordt er verlangd naar werk waarmee we ons menselijk kunnen verbinden. Ook het vormen van gemeenschappen, waar de mens de andere mens kan ontmoeten en waarin hij een echte communicatie kan hebben wordt van levensbelang. Het mislukken van vele kleine pogingen tot gemeenschapsvorming en kleinschalig werk heeft een heel tragische kant. Het is daarbij duidelijk dat bewust­zijnsvorming nodig is. Wat hierboven als eerste en tweede kenmerk is genoemd van de jongeren van de jaren twintig vraagt in onze tijd versterking door het denken. Het is waar dat iets goeds in de wereld alleen tot stand kan komen als de drang ertoe uit diepe ondergronden van ons wezen komt en niet uit nuttigheidsoverwegingen van het ver­stand. Maar het is wel nodig dat in een wak­ker bewustzijn overzien wordt wat er diep in ons leeft, opdat we dat die vorm kunnen geven die echt vruchtbaar is. Maar wat is dat anders dan inzicht zoeken in het bovenzinnelijke? De wereld waaruit onze impulsen komen, is die van het onderbewus­te, maar deze uitdrukking zegt alleen iets over ons bewustzijn en niets over die impul­sen zelf. Die impulsen ontstaan in ons leven als individualiteit voor onze geboorte en dat is een hogere wereld, geen lagere.

Hier loeren echter ook de gevaren en wel van twee kanten. We kunnen ons in een verheven stemming heel gemakkelijk illusies maken en voor een hogere wereld houden wat alleen maar in onze wensen leeft. Dat is het gevaar van Lucifer, de verleider. Aan de andere kant ligt de zorg op de loer, in de vorm van de vraag of het wel zal kunnen, of de praktijk van het leven zich niet verzet tegen onze goede impulsen, de vraag of ‘de mensen’ er wel aan toe zijn, enzovoort. Hier horen ook onze eigen egoïsmen thuis, of we onze eigen levensbehoeften of wat we daarvoor houden, wel zullen kunnen vervullen. In de vraag of het wel mogelijk is dat een mens echt toe­gang krijgt tot een geestelijke wereld, ligt Ahriman op de loer.

In de beelden van de middeleeuwen werden deze verleidende machten van Ahriman en Lucifer samengevat als de Draak. Deze draak moet duidelijk gezien worden. Anders jaagt hij ons angst aan. Maar onze tijd vraagt niet alleen duidelijk zien. Ze vraagt voor alles moed, moed om te strijden. Daarom worden de zielen gewogen. Ze kunnen te licht zijn of te zwaar, illusionair of overmoedig zijn, maar ook te zorgelijk en te bang, of te veel aan de welvaart gehecht, aan onze zogenaamde behoeften.

Hoe verkrijgen we de moed? Die is niet altijd aangeboren maar kan wel geoefend worden. De kracht die moed wekt is het enthousias­me. Dit woord betekent: doordrongen zijn van het goddelijke, ook wel het in God zijn. Het is het goddelijke in ons dat de moed te voorschijn roept. Als we ons slechts op de uiterlijkheid van de wereld richten kan deze ons alleen maar verlammen. De blik wil weer gericht worden op een hogere wereld die niet alleen in de geestelijke wereld maar ook op aarde te vinden is. Het is die hogere wereld die Rudolf Steiner bekend maakte in een taal die onze tijd kan verstaan en die gevonden kan worden door mensen die durven te vertrouwen op hun diepere impulsen, die ze willen voeden door inzicht, werkelijke religie en kunst. De naam van Michaël betekent: Wie is als God? Vroeger werd dat vaak beleefd als een waarschuwing tegen hoogmoed. Nu klinkt die naam als een roep: wie durft het aan God in zich te beleven en dienovereenkomstig te leren handelen?

Michael  5

 

(Jacobus Knijpenga, Jonas nr. 2, 18-09-1981)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

250-235

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.