Tagarchief: apocalypse

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest.

De betekenis van het jaar 1879

Bij een avondwandeling kan het gebeuren, dat opeens een ster verschiet, een kort oplichtend, soms even roodachtig nawerkend spoor achter de vonk – juist in zijn onverwachtheid wekt het enthousiasme en een moment van bewustzijn. Je hebt het gevoel dat je tot iets wordt opgeroepen. En meteen kan de vraag opstijgen: hoeveel mensen hebben dit waargenomen? Als niemand of bijna niemand het teken heeft waargenomen, is het dan niet voor niets geweest? Ditzelfde gevoel van een lichtend signaal, indrukwekkend en tegelijk zo bescheiden, zo vluchtig, dat je je afvraagt of er wel enkele mensen zijn geweest, die het hebben kunnen waarnemen, overkomt mij bij het terugkijken op het jaar*, dat nu precies een eeuw achter ons ligt.

Het jaar 1879 geldt in de occulte stromingen van het christendom als een beslissend moment. Het markeert de in de Openbaring van Johannes beschreven overwinning van de aartsengel Michael op de draak. Deze strijd aan de hemel staat centraal in dit laatste boek van de bijbel. Een machtig beeld wordt in de hemel zichtbaar:

een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij baart een zoon, die de volkeren zal weiden met een ijzeren staf. – Dan ontbrandt de strijd in de hemel. De vuurrode draak met de zeven hoofden, de tien hoornen en de zeven diademen, die het kind wilde roven en een derde van alle sterren ter aarde had doen vallen. deze draak met zijn gevolg wordt bestreden door Michael en zijn engelen. De draak, de slang van het oerbegin. die genoemd wordt Diabolos en Satanas – duivel en satan – wordt met zijn engelen uit de hemel verdreven en neergeworpen tot in de aarde.

’Verder vinden wij nog een andere profetische overlevering over Michael en het jaar 1879. Met dat jaar begon een nieuwe periode in een cyclus van telkens zeven periodes van 354 jaar, die elk door een aparte aartsengel geregeerd worden. Dit vindt men beschreven in ‘Over de zeven intelligenties’, een werkje van Johannes Trithem van Sponheim, een abt die omstreeks het jaar 1500 leefde. Na 7 x 354 jaar keert eenzelfde aartsengel weer terug als regent en inspirator. De laatste, toen nog in de toekomst liggende periode die Trithem noemt is de regentschaps-periode van Michael, die in 1879 begint. (We komen in een volgende beschouwing uitvoerig terug op deze leer der aartsengelperiodes).

Behalve in het meer traditionele occultisme neemt deze Michaelopenbaring een zeer belangrijke plaats in, in het werk van Rudolf Steiner. Het is zelfs het belangrijkste thema in het uitermate rijke en geïnspireerde werk van zijn laatste levensjaar (1924/’25). Toch zijn er onder de antroposofische publikaties, van Steiner zelf en van zijn leerlingen, maar weinig die aan Michael gewijd zijn. Een uitzondering is het boek ‘Aus Michaels Wirken’ van Nora Stein- von Baditz. Aan de hand van christelijke en voorchristelijke legendes en van een rijk illustratiemateriaal uit de kunstgeschiedenis, wordt een veelzijdig spoor gewezen van de geestelijke macht, die eigenlijk de geest van onze tijd is. Begeleidende beschouwingen van Ita Wegman en Herbert Hahn leggen de verbinding tussen enerzijds de godsdienstig-kunstzinnige overlevering en anderzijds Steiners mededelingen.

Waarom is er van antroposofische kant zo’n duidelijke terughouding geweest
met betrekking tot dit onderwerp? Het was niet de bedoeling van Steiner en van de antroposofie om een nieuwe mythologie of een nieuwe cultus te lanceren. De antroposofie is in de eerste plaats wetenschap van de geest en geen godsdienst. Zij gaat niet van een belijdenis of van geloofsprincipes uit. Het doel en het effect kunnen wel op een bepaalde manier religieus genoemd worden. Het woord religie wordt meestal gelezen als her-verbin-ding, van mens en godheid. ‘Antroposofie is een weg voor de kennis, die het geestelijke in de mens tot het geestelijke in de wereld wil brengen’, aldus Steiners klassiek geworden formulering. Inzichten en praktische resultaten van de antroposofie kunnen een enthousiasme wakker roepen, dat zeker met een religieus vuur vergelijkbaar is. Maar dan is het religieuze resultaat, geen uitgangspunt. De antroposofie spreekt dus het inzicht aan. Ieder appel aan het inzicht is in wezen een appel aan de vrijheid. Het allerbelangrijkste kenmerk wellicht, dat Steiner van het wezen van Michael geeft, is dat hij de grote schutspatroon van de menselijke vrijheid is. Die vrijheid doet men geweld aan, als men met een religieus gestemde verkondiging of met een cultus begint Want een cultus spreekt wel direct het enthousiasme aan maar niet de vrijheid, althans niet zo makkelijk.

De terughoudendheid ten aanzien van machtige bovennatuurlijke gegevens is dus niet alleen begrijpelijk maar ook gerechtvaardigd. Aan de andere kant wint met het verstrijken der jaren een ander gezichtspunt aan gewicht. Men laat een belangrijk stuk vrijheid onaangesproken als men bepaalde gegevens verzwijgt of te weinig belicht. Men mag honderd jaar na het begin van het nieuwe Michaelstijdperk en meer dan een halve eeuw na Steiners dood van zijn leerlingen verwachten, dat zij zaken als deze althans gedeeltelijk met het eigen inzicht geïntegreerd hebben. En vanuit het eigen inzicht kan altijd een beroep gedaan worden op het inzicht van tijdgenoten. Het gaat hier bovendien om iets dat al gedeeltelijk geschiedenis geworden is, geen profetie meer is. Aan de andere kant is het nabije toekomst, {omweerlicht}? door allerlei vaak angstige berekeningen, plannen en profetieën. Kortom, het gaat om een cktuele wereldaangelegenheid.

Laat zich aan de historische gebeurtenissen van en omstreeks 1879 iets aflezen van de Michaëlische signatuur van dat jaar?

Het eerste wat bij een vluchtige verkenning opvalt is, dat het als gewoon historisch jaartal niet opvalt. 1878 was wel vrij belangrijk geweest. Door bepaalde oorlogshandelingen en verschuivingen op de Balkan had een grote Europese oorlog gedreigd, voornamelijk tussen Engeland en Rusland. Deze oorlog werd voorkomen door de Duitse rijkskanselier Bismarck op het Congres van Berlijn.
1876 en 1881 zijn vette jaren in de geschiedenis van het imperialisme, de onderlinge race tussen de grote Europese machten om het bezit van koloniën, vooral in Afrika.
Nee, 1879 betekent in de gewone politieke geschiedenis allerminst een nieuw begin. Enckultureel gezien valt het ook middenin een tijdperk, waarin verschillende parallel lopende ontwikkelingen gaande waren. Welke ontwikkelingen?

“De 19e eeuw was één grote Sint-Nikolaasavond’. Deze bekende uitspraak van Busken Huet slaat op de tweede helft van de vorige eeuw. Met de vele surprises en cadeautjes, die bij zo’n avond horen, worden hier bedoeld de verrassende reeks van natuurwetenschappelijke en technische vondsten, zoals de spoortrein, de stoomboot, steeds weer nieuwe fabrieksprocédé’s, de kabeltelegrafie, de fotografie, de telefoon, de gasverlichting en – inderdaad, hoe aardig, precies in 1879! – de elektrische gloeilamp van Edison. De automotor, de draadloze telegrafie en, na 1900, moesten de radio en het vliegtuig nog volgen. Met deze adembenemende serie triomfen van wetenschap en techniek gingen hand in hand de uitbreiding van industrie en mijnbouw, de vergroting van de havens, het toenemen van handel en consumptie, de groei van de steden. Het was de tijd, dat de welgestelde, ontwikkelde burgerij de toon aangaf. De koloniale wereldheerschappij van de blanke man streefde naar een hoogtepunt dat omstreeks 1900 bereikt werd. Behalve de gloeilamp staat onder 1879 nog een ander leuk feit geregistreerd, (leuk wil hier zeggen: niet revolutionair maar wel illustratief). De grote populaire vertolker van de stemming van die tijd was Jules Verne. Hoe beschaafd en beheerst en toch spannend gaat deze grote pionier van de sciencefiction te werk. In 1879 verscheen zijn ‘Reis om de Wereld in Tachtig Dagen’. Niet zijn meest visionaire werk maar wel kenmerkend voor de enigszins materialistisch gerichte triomfstemming van toen.

Materialistisch inderdaad. Want met een Michaëlische wending naar de geest hebben zaken als de hier genoemde weinig te maken. Vooral als men de wetenschappelijke en sociale bewegingen van die tijd opsomt, de -ismen: darwinisme, imperialisme, marxisme – het zijn evenzovele vormen van materialisme.

Natuurlijk waren er naast deze hoofdstromingen nevenstromen van een andere allure. Achter de harde materialistisch-marxistische vorm leefde in de arbeidersbeweging een dringend noodzakelijk humaan protest. Andere even gerechtvaardigde protestbewegingen waren de vrouwenbeweging en iets later de jeugdbeweging.

Vooral in de kunst waren belangrijke vernieuwingsstromingen gaande. Het impressionisme was net in opkomst in de schilderkunst. Het paste niet bepaald in een materialistisch kader. Van het naturalisme, dat toen in de romanliteratuur zijn kop opstak, kan dat weer minder gezegd worden. Beide stromingen waren, vermengd met andere elementen, van invloed op de Beweging van Tachtig, de generatie van jonge dichters en prozaschrijvers, die in de jaren daarop nieuw leven in de Nederlandse literatuur brachten.

Om het rijtje vol te maken noemen we nog enkele gebeurtenissen van het jaar 1879 zelf.

Twee jaar tevoren in 1877 was de Zuid-Afrikaanse boerenrepubliek Transvaal zonder bloedvergieten en met slechts minimaal machtsvertoon door de Britten bij hun wereldrijk ingelijfd. Het protest van de boeren bleef bij ontevreden gemopper en het sturen van een delegatie naar Londen, die met beleefde en eerbiedige verzoeken niets bereikte. In 1879 zwol dit protest opeens aan, het kreeg een dimensie erbij, het kreeg bezieling. De opstand van 1880 – 1881, de 1e boerenoorlog, waarbij onder Krugers leiding de onafhankelijkheid herwonnen werd, tot grote voldoening van het Stamverwante Nederland, was het gevolg van deze plotselinge bezieling. Wij kunnen rustig stellen, dat de Suidafrikaner natie in 1879 geboren is. – Maar ook deze gebeurtenis brengt ons niet veel verder. Al het Michaëlische, zo zullen wij nog zien, draagt een kosmopolitisch stempel. Michael wil grenzen tussen volkeren en rassen overbruggen. Het nationalisme, ook een typisch 19e eeuws verschijnsel, moet eigenlijk verdwijnen. Maar onze Suidafrikaanse stamverwanten hebben zich juist sterk in nationalistische richting ontwikkeld.

In november 1879 werden in Noord-Spanje door het dochtertje van een Spaanse amateur-paleontoloog de machtige geschilderde bisons in de grot van Altamira ontdekt. Het bleek de belangrijkste vondst te zijn op het gebied van de ijstijdkunst. Het is het oudste en meteen op zeer hoog niveau staande voorbeeld van menselijke schilderkunst. Een groot raadsel, deze grotschildering, van eern verfijning die niets primitiefs heeft en van een natuurgetrouwe liefdevolle precisie die niets magisch of symbolisch meer heeft. En dan vervaardigd meer dan tienduizend jaar geleden, lang voor alle bekende hoge en primitieve beschavingen. Zo revolutionair was deze ontdekking, dat de wetenschap er lange tijd niet aan wilde en de zaak voor een vervalsing van de Spaanse ontdekker hield. Deze hoogstaande holenkunst paste namelijk helemaal niet in het materialistische beeld van de primitieve aapachtige oermens.

Op zichzelf is dat niet oninteressant. In de tijd, dat de schilderkunst, in het impressionisme, tot een besef komt, dat het hoogste doel niet (meer) de exacte weergave van de natuurlijke werkelijkheid is, wordt het schilderwerk ontdekt uit de voorhistorische tijd, toen de mens zich aan de preciese zintuigelijke waarneming begon te onderwerpen.

Tot slot nog een ander feit. In 1879 voltooide Richard Wagner (1813-1883) de compositie – nog niet de orkestratie – van zijn Parsifal. Wagners muziekdrama’s zijn een revolutie geweest, zeer uitdagend en zelfbewust en duidelijk gericht, niet alleen tegen de traditie maar ook tegen het materialisme. Zijn werk en de hele beweging er omheen had cultische trekken: romantisch, heidens, heroïsch en mythologisch. In 1876 was het Festspielhaus in Bayreuth, dat Koning Ludwig II van Beieren voor hem had laten bouwen, geopend met de première van het viervoudige goden- en heldendrama, de Ring des Nibelungen. Rondom de jeugdige held Siegfried voltrekt zich tenslotte de Götterdammerung, de ondergang van het Germaanse godengeslacht. (Ook de Bederlandse schrijver Marcellus Emants, eigenlijk een naturalistisch schrijver en psycholoog, bewerkte in die jaren dezelfde mythologische stof tot zijn epos ‘Godenschemering’, dat in 1883 verscheen. Enkele jaren later vond het bij de jonge Tachtigers veel waardering). Zo diende deze godenondergang als wijding van een nieuw begin. Want deze grootse opening van het Festspielhaus werd door zeer velen als het begin van een nieuw tijdperk gevoeld. Een aantal enthousiasten waren letterlijk als pelgrims te voet naar Bayreuth getogen. Onbeschrijfelijk en onnavoelbaar was de stemming toen de eerste maten in de nog donkere zaal weerklonken.

Drie jaar later, in 1879, kwam de Parsifal tot stand. Weer drie jaar later, in 1882, ging deze laatste schepping van Wagner in première. In het jaar daarop, 1883, stierf hij.

In het muziekdrama Parsifal wordt de heidense heldhaftigheid verchristelijkt, niet alleen in de tekst, maar ook muzikaal. Wagner had het middeleeuwse Parcivalepos van Wolfram van Eschenbach grondig in zich opgenomen (alvorens de stof ingrijpend om te werken). Wolframs werk toont in Parcivals weg naar het graalkoningschap de verchristelijking en de vergeestelijking van het ridderideaal. En wat is de aartsengel Michael, als beeld en als geestelijke realiteit, anders dan de verpersoonlijking van de ware ridderlijke strijdbaarheid.

Onze 20e eeuw is met zijn wereldoorlogen meer dan andere eeuwen een tijd van strijd. Strijd is onvermijdelijk. ‘De oorlog is de vader van alle dingen’, zei de Griekse filosoof Heraclitus (± 500 v. Chr.). Dat was geen militaristische uitspraak. Hij wilde daarmee zeggen, dat al het nieuwe uit strijd en leed geboren wordt. Het hoort tot de originele en als steeds zeer realistische vondsten van Steiner, dat hij, omstreeks het eind van de 1e wereldoorlog, in het kader van zijn sociale drieledigheidsactie opmerkte: ‘Strijd moet er zijn maar hoort thuis in het geestesleven, niet in het economische en niet in het rechtsleven; zodra de strijd van het geestelijke, dat wil zeggen het culturele gebied, naar een der beide andere terreinen verschuift, ontaardt hij in oorlogs- en ander geweld’, (door mij vrij samengevat). Strijd tussen ideeën, niet tussen personen, kan uitermate heilzaam zijn. Dat vereist aan de ene kant een compromisloos streven naar waarheid en aan de andere kant volledig respect voor de vrijheid van de ander. Van deze ridderlijke strijdbaarheid was de aartsengel met het zwaard en de weegschaal door de eeuwen heen het bovenaardse voorbeeld. In de legende is Parcival er het menselijke voorbeeld van.

Zo kan men een samenhang ontwaren tussen de Parsifal van Wagner en het hier gekarakteriseerde element van Michael. Kan men nu op grond van het merkwaardige reveil van Bayreuth, 1879 als het Michaelsjaar herkennen? Nee, daar is beslist meer voor nodig. Daarvoor moet men dieper in de biografieën van verschillende creatieve mensen duiken, niet eens in de eerste plaats in die van Wagner.

Verder kan men grondiger bij Steiner te rade gaan. Maar, de eerste noodzakelijke voorwaarde: ook het beeld van de tijd moet dieper getekend worden dan in deze eerste verkenning mogelijk was.

Totnogtoe zagen we dat het jaar 1879, afgezien van enkele tekenen van een kentering der geesten in de kunst, middenin een tijd van triomfantelijke materieel gerichte ontplooiing valt. Zo op het eerste oog staat het niet in het teken van een overwinning van de geest op het materialisme.

H.P van Manen, Jonas 19, *18-05-1979
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

JaarfeestenMichaël: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Michaël

 

1288

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten Kerstmis (5)

.

HET FEEST VAN DE GEBOORTE

Er is in de laatste jaren*, binnen kerke­lijke kringen, wel eens overwogen het kerstfeest in tweeën te splitsen. Men wil dit doen uit verontrusting over de verregaande veruiterlijking, waarin het de laatste tijd is geraakt. Van de vie­ring op 25 en 26 december – zo zegt men – is toch niets meer te redden. Laat het dan maar blijven voortbe­staan waarin het langzamerhand is ontaard: het feest van de Horeca, van de relatiegeschenken – voor f. 150 miljoen per jaar – van de kerstkaarten – voor meer dan f. 60 miljoen per jaar – van de ‘happenings’ met popmuziek in de kerken. In plaats daarvan wil men het feest verschuiven van 25 – 26 de­cember naar Driekoningen op 6 janua­ri. ‘Laat dit voortaan het feest zijn van het Licht, in plaats van het feest van de lichtreclame’. Zo kan het, als feest van de Geboorte, worden beschermd tegen alle veruiterlijking. Met deze ver­plaatsing kan dan op 25 december weer zoiets als het oude Saturnaliafeest van de Romeinen worden ge­vierd, waarop de viering van Kerstmis tegenwoordig is gaan lijken.

Historisch gezien, is dit niet eens zo’n ingrijpende verandering. In de eerste twee en een halve eeuw na Christus werd Kerstmis niet gevierd op 25 december, maar op 6 januari, Epifanie, waarop niet de geboorte van Jezus werd gevierd maar de ‘Verschijning’ van Christus bij de Johannesdoop in de Jordaan. (Het Griekse woord Epifa­nie betekent verschijning.) Tevens is dit het feest van de Drie Koningen. Natuurlijk zullen er voor zo’n ver­schuiving over de drempel heen van de jaarwisseling, veel weerstanden moe­ten worden overwonnen. Niet alleen weerstanden op commercieel gebied maar ook op kerkelijk gebied. Het kerstfeest zal dan niet zozeer het feest van de Geboorte van het Jezuskind in de stal, of in de grot van Bethlehem zijn, maar van het verschijnen van het Christuswezen, als een geboorte. Min­der naar het verleden gericht en meer naar de toekomst gericht. Men kan daarbij denken aan de laatste woorden uit het Mattheüsevangelie: ‘En zie, Ik­zelf ben met u al de dagen, tot de vol­einding der wereld’. Natuurlijk zou dat een verlies zijn.

Voor veel mensen zijn juist de herin­neringen aan Kerstmis zoals jaar in jaar uit, in de familiekring werd gevierd, een kracht gebleven waaruit zij nog verder kunnen leven. Toch is vooral voor een moderne gene­ratie, een kerstviering tegenwoordig niet veel meer dan een ‘idylle’ bij het stalletje en de kerstboom, geheel ver­vreemd van de wereld waarin zij leeft, en waartegen eventueel zo hard moge­lijk geschopt moet worden. Maar of een verplaatsing naar een an­dere dag daarin enige verandering zal brengen?

Bovendien, de viering van het kerst­feest is niet een aangelegenheid van één of twee feestdagen. Het is het feest van de Geboorte, in de vier adventsweken voorbereid, zich voortzet­tend in de ‘twaalf heilige nachten’ – tussen 24 december en 6 januari – en uitlopend in het Epifaniefeest.

Waar het op aankomt is het beleven van deze continuïteit.

Dat is belang­rijker dan het kerstfeest ‘veilig te stel­len’ door het naar een andere dag te verplaatsen.
Kerstmis en Driekoningen vullen elkaar aan. Het feest waarop wij de aan­bidding van de herders gedenken en het feest waarop wij de verering van de koningen gedenken. De herders, die aan het Kind enkele gaven van de aarde offeren. De konin­gen die, geleid door sterrenwijsheid, vanuit het Oosten de weg naar het Je­zuskind in Bethlehem hebben gevon­den, en daar hun geheimzinnige offers, goud, wierook en mirre, schenken. Dat zijn de twee aspecten van het Ge­boortefeest die niet los van elkaar kunnen worden gezien, evenals het Lucasevangelie, waarin de komst van de herders wordt beschreven, niet kan worden losgemaakt van het
Mattheüs­evangelie, waarin de komst van de ko­ningen wordt beschreven. Herders en koningen staan niet op zichzelf. In de geschiedenis van Euro­pa hebben zij de sporen van tweeërlei ontwikkeling getrokken: de weg van de liefde en de weg van de wijsheid.
In de schilderkunst herkent men deze sporen: in de innige vroomheid en verstilde aandacht waarmee bijvoorbeeld een Vlaamse schilder zoals Hugo van der Goes het geboorteverhaal uit het Lucasevangelie heeft uitgebeeld, naast de feestelijke rijkdom van het wonder van knielende koningen, waarmee schilders zoals Gentile da Fabriano en Benozzo Gozzoli in Florence het ver­haal uit Mattheüs hebben afgebeeld. In de voorstelling die iets later Leonardo da Vinci hiervan geeft, krijgt de uitbeelding een haast apocalyptisch karakter. De Wijzen uit het Oosten brengen hun offers, maar in de donke­re schaduwen waaruit zij naar voren komen, speelt zich de tragiek af van al diegenen die de aanblik van het Kind, van ‘het Licht dat schijnt in de duis­ternis’, nauwelijks kunnen verdragen. ‘De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, verandert uw gezindheid’.

Door dit schilderij van Leonardo ruist het woord van Johannes de Doper als stormwind, oproepend, ergens in een ver perspectief, visioenen van
ruï­nes, stijgerende paarden en strijdge­woel. Temidden daarvan het – kind, spelend met de geschenken der oude wijze koningen. Het beeld van de herders is innig en koesterend, maar in het beeld van de koningen wordt iets weerspiegeld van de impulsen die de loop van de ge­schiedenis beheersen…

Het Droomlied van Olaf Asteson
Daarmee is ook de overgang naar het Epifaniefeest aangeduid: de doop in de Jordaan met het ‘incarnatus est’ van de Christus op aarde.
‘Het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen, veran­dert uw gezindheid’.

Hemelse wijsheid op aarde neergedaald om in mensenzielen te ontkiemen. Tegenover deze Verschijning, naar de toekomst gericht, wijkt iedere idylle, van een viering van het geboortefeest in de vertrouwde familiesfeer. Op dit contrast wijst een ander groot kunstwerk: het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Enkele jaren geleden – 1975 – heeft in een kerstaflevering van Jonas hiervan een vertaling gestaan. Ik verwijs hierbij naar deze tekst. [niet op deze blog]

Dit lied werd in 1850 ontdekt door een predikant in Telemarken in een eenzaam dal in de bergen van Noorwe­gen. De naam Olaf Asteson is sterk met het verleden verbonden. Olaf be­tekent erfgenaam. Hij die van zijn voorouders geestelijk leven geërfd heeft. Aste is liefde, die zich door de bloedsbanden voortplant. Van genera­tie tot generatie.

Oeroud verleden. Duisternis in mid­wintertijd. Ruisend water. Sparren, sneeuwbergen.

Daaruit maakt zich het droomland van Olaf Asteson los. Hij is ingeslapen bij de kerkdeur op 24 december. Hij ont­waakt na de twaalfde dag. Hetgeen hij heeft beleefd, staat helder voor zijn geest: Wat de gestorvenen beleven, wanneer zij door de poort van de dood zijn gegaan. Het ontwaken na de dood. Maar Olaf Asteson is niet dood. Hij wordt wakker op aarde. Een initia­tie. Het woord komt van het latijnse ‘initium’ dat begin betekent. Dat heeft niets meer te maken met de geboorte­stroom vanuit de bloedsbanden, maar met het begin van een geestelijk ont­waken.

Drie beelden
Over wat hij heeft beleefd, geeft hij wéér in drie beelden, in drie episoden van zijn tocht door het hiernamaals.

Het eerste beeld speelt zich af, hoog in de wolken en in de diepte van de zee:
Ik ben geweest als de wolken zo hoog en dieper nog dan de zee… wie volgen wil het spoor van mijn voet vergaat er het lachen alree.

Dan komt hij voor de Gjallarbrug:
Die hangt daar heel hoog in de wind. Drie wachters bewaken de toegang: Een kwade slang en een bijtende hond in het midden een dreigende stier. Daarna komt de beproeving in de we­reld van de elementen; de duizeling­wekkende hoogte boven de afgrond, de diepte van het moeras, waar de grond onder je voeten wegzakt.

Het tweede beeld beschrijft ‘Broksvalin’, het land waar de zielen staan voor het wereldgericht. Waar iedere daad. die men vroeger gedaan heeft weer op je terugslaat. Een jonge man die een kind heeft vermoord moet dit in alle eeuwigheid op zijn armen dragen. De gierigaard moet rondwaren in een mantel van lood omdat hij in tijden van duurte enghartig was voor wie iets vroeg. Zijn loden ziel, zwaar van hebzucht, is hem nu tot een mantel geworden.

Ten slotte het derde beeld. Wie op aar­de ‘aan de armen schoenen heeft ge­geven, behoeft op de boze doornige heide geen doornen te vrezen’. ‘Wie brood heeft uitgedeeld, hem doet de hond op de Gjallarbrug geen kwaad. Wie koren heeft uitgedeeld, hij be­hoeft de hoorn van de stier niet te vre­zen. Wie armen kleren heeft gegeven, Hij hoeft niet te vrezen het rijk van de geest als het blauwende ijsveld wenkt.’

Apokalypse

Het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Het lied van slapen en waken. Van slapen op aarde, van het ontwaken in de geestelijke wereld. Het is het lied van de twaalf heilige nachten tussen Kerstmis en Driekonin­gen, tussen Kerstmis en Epifanie. Een ander beeld dan dat van de idylle bij de kerstboom. Biedt deze tijd mis­schien een surrogaatbeeld daartegen­over? Men kan hierbij denken aan de film ‘Apocalypse now’, waarin de jeugd het vagevuur van een oorlog in het Verre Oosten, of.. .de hel van een andere oorlog die ons in de toekomst bedreigt, kan ondergaan. Dat alles, na de televisiebeelden van de Holocaust, zes maanden geleden, met de ver­schrikkingen van het tot het verleden behorende Derde Rijk van Hitler.

Apocalypse betekent letterlijk ‘onthul­ling’. Holocaust betekent brandoffer. Twee woorden die, losgemaakt van hun bijbelse achtergrond als namen van filmprojecten, die vele miljoenen dollars hebben gekost, vanuit Amerika over de wereld worden verspreid. Heb­ben zij misschien toch iets te maken met een ontwaken in een ‘apocalyp­tisch’ tijdperk, zoals de komende 21 jaar wel eens worden genoemd?
Met het overschrijden van een drempel tus­sen de 20e en de 21e eeuw? Of, het moge nog eens worden herhaald, met de woorden van Johannes de Doper: ‘Verandert uw gezindheid’?

Wie zich niet afsluit in het eigen gezin, binnen de eigen wereldbeschouwing, binnen de eigen politieke partij, bin­nen de eigen vakorganisatie, is zich van dit alles wel wat bewust. Bewust ook van de anonieme machten waar­achter de mens verborgen is geraakt. Bewust van de vele sluiers waarmee tegenwoordig menselijke verhoudin­gen worden toegedekt: de sluiers van een ‘vrije marktorde’, de sluiers van ‘het geld’.

Wat zou er niet allemaal ‘onthuld’ kunnen worden, om van achter al die sluiers de mens weer tot verschijning te brengen…?

Daarover zal in het komende jaar in Jonas nog veel kunnen worden ge­schreven, opdat zichtbaar wordt, niet alleen de mens maar vooral ook zijn onderlinge verbondenheid en weder­zijdse afhankelijkheid in de mensheid.

‘Wir sind auf einer Mission. Zur Bildung der Erde sind wir berufen.’

Woorden van Novalis, die twee eeu­wen geleden zijn geschreven en mis­schien pas over twee eeuwen ten volle zullen worden begrepen.

‘Bildung der Erde.’ Gestalte geven aan de leefbaarheid op aarde. Dat zag No­valis als een christelijke opgave. Daarin lag voor hem de betekenis van het Geboortefeest en de zin van de komst van Christus op aarde.

(Arnold Henny, Jonas 8/9, *14-12-1979)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

375-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.