Tagarchief: zomer

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (17)

.

KOSMISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET MICHAËLSFEEST

Meteoren aan de sterrenhemel

Het Michaëlsfeest is voor de meeste mensen onbekend en aan weinig traditie gebonden. Het kan alleen zinvol gevierd worden als men zoekend is naar de impuls die de ach­tergrond van dit jaarfeest vormt.|

Waar het gaat om het Michaëlsfeest voor de kinderen, is de ons omringende natuur een goed uitgangspunt. Ook het oude boeren Michaëlsfeest droeg het karakter van een jaargetijdenfeest: een oogstfeest. Vanuit de natuurervaring kan men zo tot zinvolle jaar­feestvieringen komen.

Een andere mogelijkheid om enige toegang te vinden tot de achtergronden van de jaar­feesten, in dit geval het Michaëlsfeest, wordt geboden door gebeurtenissen die zich aan de sterrenhemel afspelen. In juni valt het Sint-Jansfeest op het mo­ment waarop de zon op onze breedte haar grootste hoogte bereikt heeft en juist weer aan de afdaling in de dierenriem is begon­nen. De dagen zijn lang, het etmaal wordt overheerst door het licht. Men kan in die dagen het gevoel krijgen dat de zon de mens mee omhoog trekt, en buiten zichzelf voert. De processen waaraan mens en natuur in de zomertijd onderhevig zijn, kan men zwavelprocessen noemen; onder zwavel wordt dan niet de chemische stof verstaan, maar — in navolging van een oude traditie — warmteprocessen.

Om de weg naar de aarde terug te vinden en in de wintertijd de aardse taak weer op te nemen, is een tegengesteld proces nodig, aan te duiden als ijzerproces. IJzer is de stof die ook in het bloed wordt aangetroffen en een mens mogelijkheid geeft als persoonlijk­heid op aarde te leven.

Wanneer men dan de waarneming van de sterrenhemel bij de beschouwing betrekt, dan blijkt hoe men ver van de storende stadslichten in augustusnachten kan genie­ten van een rijke ‘sterrenregen’. Kosmische vonken schieten langs de hemel. Deze ‘vallende sterren’, meteoren, vluchten uit één punt van de sterrenhemel: het ster­renbeeld Perseus. Vandaar de naam voor de­ze elk jaar terugkerende ‘sterrenregen’: de Perseïden. Deze meteorenvlaag kan in ver­band worden gebracht met de naderende Michaëlstijd. Kosmisch ijzer wordt door de fel oplichtende meteoren naar de aarde ge­bracht. Het vluchtpunt, radiant, van de Per­seïden, het sterrenbeeld Perseus, is een Michaëlisch beeld: Perseus verricht een Michaëlische daad als hij Medusa het hoofd af­slaat. Het wezen dat over het derde oog be­schikte, het oude orgaan der helderziend­heid, wordt gedood. Aan de atavistische ver­mogens van de mens komt een einde; de weg naar de ontwikkeling van het vrije den­ken wordt geopend. De kosmische vonken die de zomernachten verlichten, vinden hun oorsprong in het geheven zwaard van Per­seus.

De kosmische oorsprong van de Perseïden is ook op nog andere wijze met de Michaëlische impuls verbonden. Astronomisch is vastgesteld dat de banen van deze meteorie­ten voordat zij op de aarde terecht komen, dezelfde zijn als de baan van een komeet die in 1862 gezien is, de komeet Swift-Tuttle. Men heeft berekend dat deze ko­meet een elliptische baan rond de zon had, met een omlooptijd van 120 jaar. Uit het jaarlijks verschijnen van de Perseïden mogen we afleiden dat de komeet Swift-Tuttle een komeet in afbraak is.

Wat is nu de achtergrond van dergelijke af­braakprocessen die ook andere kometen kennen? Om op deze vraag een antwoord te kunnen vinden, is het nodig daarbij gees­teswetenschappelijke gezichtspunten te be­trekken.

Rudolf Steiner heeft kometen beschreven als kosmische verschijnselen die ook nog aan andere impulsen gehoorzamen dan aan de bekende wetten van de aantrekkings­kracht, waaraan ons zonnestelsel zijn be­rekenbaarheid ontleent. Hij karakteriseert ze als kosmische reinigers van de astrale atmosfeer: kometen nemen, zegt Steiner, slechte astraliteit in zich op, ontlasten daarmee de kosmos. Kometen verschijnen als de kosmos gereinigd moet worden. Elke komeet vervult daarmee een zuiverende taak, daarbij kunnen kometen dragers zijn van spirituele impulsen die hun uitwerking op de geschiedenis van de mens­heid hebben.

De oorspronkelijk geheel onverwacht ver­schijnende komeet kan een deel van zijn kometenkwaliteit verliezen door geheel in de sfeer van de berekenbaarheid gevangen te raken: de komeet ondergaat een verande­ring in zijn gedrag, hij gaat zich in een vaste, elliptische baan bewegen, waardoor zijn terugkeer berekend kan worden. Daarmee is weer een stukje kosmos vastgelegd in de wereld van maat, gewicht en getal.

Geestelijke tegenmachten kunnen zich van de komeet meester maken en daarmee de aanvankelijke positieve zending van de ko­meet doen omslaan in het tegendeel. De in­teresses van deze tegenmachten liggen daar waar de mensheidsontwikkeling omgebo­gen kan worden, waar de mens gevangen kan worden in onvrijheid. Een kosmische draak bedreigt de menselijke ontwikkeling.

Michaël heeft zich in de strijd om de vrij­heid van de mens verbonden met het lot van de mensheid.

In de kosmos speelt zich een geestelijke strijd af die op aarde in de fysieke wereld zichtbaar wordt doordat wij kunnen waar­nemen hoe kometen in brokstukken uit el­kaar vallen, opdat zij niet langer kunnen bij­dragen tot de macht van die wezens die zich tegen de vrijheid van de mens keren. Michaël bereidt uit het gif van de tegenstan­der een kosmisch medicijn dat de mensheid te hulp komt op haar weg naar de vrijheid. Het kosmische ijzer daalt in lichtende me­teoren op de aarde neer. IJzer waaruit de mens zich het Michaëlisch zwaard kan sme­den.

Geen uiterlijk wapen geeft Michaël in de hand: het is het wapen van de menselijke moed.

(Rinke Visser, Jonas nr. 2, 26-09-1975)

Michaël Perseus

Memling Laatste oordeel

Hans Memling: Laatste oordeel

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

264-249

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (22)

.

SINT-JAN

Midden in de zomer moeten we ons gewonnen geven

Het Sint-Jansfeest wordt gevierd op 24 juni, midden in de zomer. Twee essentiële onderdelen bij het vieren van dit feest zijn een hoog oplaaiend Sint-Jansvuur en bloemen; bloemen om kransen van te maken of een taart van te bakken.

De 24ste juni, Sint-Jansdag, de geboortedag van Johannes de Doper is, althans in ons land, geen officieel erkende feestdag zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren dat zijn. Toch is het in andere streken, bijvoorbeeld waar extreme verschillen tussen midzomer en midwinter bestaan, zoals in Scandinavië’ of waar het christelijk religieuze leven emotioneler en feestelijker getint is dan bij ons, zoals in zuidelijk Europa, het vieren van het Sint-Jansfeest wel gebruikelijk. En zeker was het dat in vroeger tijden in onze streken ook.
Steeds meer begint tegenwoordig echter het besef te groeien dat met het verlies van zin­volle, ritmisch weerkerende feesten er een zekere innerlijke armoede ontstaat en dat het zielenleven van de mens verkommert. Het is immers opvallend hoeveel boeken er ver­schijnen die de feesten van het jaar tot on­derwerp hebben en waar dus duidelijk een markt voor is.

Feest vieren heeft natuurlijk de meeste mo­gelijkheden wanneer je het met een groep, in een gemeenschap doet. Het samen voorberei­den brengt al een enthousiaste stemming, ie­dereen kan naar eigen aard en vermogen iets bijdragen en tegenvallers worden in een ge­meenschap met collectieve veerkracht opgevangen. Maar ook als je door omstandigheden alleen of met een paar mensen bent, kun je een feestdag of feesttijd als zodanig bele­ven en misschien zelfs tot een grotere diepte komen dan wanneer er een beroep gedaan wordt op je organisatietalent en uiterlijke creativiteit. Waar het om gaat is dat je het feest, ook in traditionele vormen, steeds weer inhoud geeft en er telkens weer een in­spirerende aanzet in vindt voor het verdere dagelijks leven.

Sint -Jan valt een paar dagen later dan de da­tum van de zonnewende op 22 juni. Het hei­dense feest van de zomerzonnewende dateert van ver voor onze jaartelling toen de mens­heid in het beleven van de natuur nog de goddelijke kracht kon ervaren en mee kon gaan in hetgeen wind, zon en water aan het geestelijk wezen van de mens te vertellen hadden. Voor ons is dit weten een abstractie geworden en toch moeten we de kennis van al dit oude weten weer op nieuwe wijze in ons bewustzijn zien te krijgen voordat we zinvol vorm kunnen geven aan zo’n feest.

In ons land wordt het Sint-Jansfeest zeker niet overal vanuit de traditie vanzelfsprekend ingevuld, al kun je best plotseling in een Betuws dorpje een Sint- Jansprocessie tegenko­men en zijn daar ook ‘vogelschiet’wedstrijden bij.

In België zag ik rond die tijd met bloemen versierde kapelletjes en hoe zuidelijker hoe meer bekendheid en traditie over dit feest bestaan. Het zal misschien ook wel een kli­matologische oorzaak hebben: in Spanje zul je midzomer anders ervaren dan wanneer je hier met een door de regen verpieterde bloe­menhoed in een bootje zit. Het oerkarakter van uitbundigheid, je overgeven aan de ele­menten, is in de stralende zon toch gemakke­lijker.

Bij het Johannesfeest moeten we ook in ge­dachten houden dat het gaat om een bepaal­de periode van het jaar en niet om één spe­ciale dag. Maar dat is een schrale troost voor een verregende feestdag, die verplaatst moet worden. Het vuur is zeker iets wat bij het Sint-Jan vieren behoort, het is een tegen­beeld van het kaarsvlammetje dat vroeger op Driekoningen in een turf gestoken in de kelder stond om overheen te springen. Het grote, naar de kosmos waaierende vuur te­genover het kleine verborgen vlammetje in de aarde. Zoals de hele natuur omhoog streeft zenden wij onze vraag naar boven om dan een half jaar later antwoord te krijgen in de donkere midwintertijd. In de middeleeu­wen doofde men op Sint-Jansdag het haard­vuur om daarna van het grote Sint-Jansvuur nieuw vuur mee terug te nemen naar de schoongemaakte stookplaats.

Wat kunnen we nu doen om het Sint-Jans­feest te vieren en met wat voor materiaal, zo­dat we daar het karakteristieke, het ‘oer­beeld’ mee te pakken krijgen? Konden we met Pinksteren nog in een zekere naïeve cre­ativiteit papieren bloemen voor de pinkster­bruid maken om zo aan ons menselijk scheppingsvermogen uiting te geven – met Sint-Jan, midden in de zomer, moeten we ons ge­wonnen geven. Onze papieren bloemen, als versiering, als eindprodukt van een eenvou­dig metamorfoseproces, hebben dienst ge­daan en mogen nu weggedaan worden. Dat wat nu buiten in de natuur gebeurt kunnen wij niet nabootsen. Het is het blijmoedige to­tale wegschenken van eigen rijkdom en over­vloed. Wat al werd aangezet in de vorige maanden, gebeurt nu duizendvoudig en op volle kracht: het uitwolken van stuifmeel en insecten tot hoog in de atmosfeer. Het is meer te voelen dan te zien – alles zindert van warm, dansend leven.

Wat gebeurt er eigenlijk met al dat leven? Als je er een beetje op let, merk je dat het zich wegschenkt – volkomen en vanzelfsprekend. Vooral bij de insecten valt dat op. We mogen ze dan lastig vinden, die vliegen en die mug­gen, we denken al gauw aan ‘schadelijk onge­dierte’ – toch zijn het representanten van een onzelfzuchtig ras. Want kort is hun bestaan. Wie niet als larf al is opgepikt, vindt zeker dartel vliegend een wisse dood in één of an­der vogelmaagje, en heeft dan, al naar zijn aard, zijn bescheiden aandeel geleverd in het voortbestaan van plant, mens en dier. Zo is het ook met het stuifmeel van bloemen, gras­sen en granen, dat zich aanbiedt en mee laat voeren om door bestuiving het vormen van zaad en vruchten mogelijk te maken, waarna het bloemetje weldra verwelkt en verschrom­pelt.

Niets van wat wij eten, of het is ontstaan uit de schenkingsvreugde van de levende natuur. Het kleine, het nietige schenkt zich weg om het grotere, hogere een levensbasis te geven. Het is een zinvol wegschenken en het wordt daarom blijmoedig en zonder ophef gedaan. Maar is het wel echt blijmoedig? Je bent dik­wijls geneigd het tegendeel te denken, het als een tragiek te beschouwen dat planten en dieren gedood en opgegeten worden. Maar komt dat niet doordat je je als mens met die planten en dieren vereenzelvigt en meent dat zij eenzelfde waarde aan het leven toekennen als wij? En dat die waarde uit allerlei goede dingen bestaat maar meestal niet uit het weg­schenken van jezelf? ‘Natuurlijk’, zeg je gauw tegen jezelf, ‘die dieren weten niet be­ter – ze zijn het zich niet bewust, ze worden al dartelend opgeslokt’. Ja, dat is ook zo maar ondertussen laten ze toch zien dat le­vensvreugde en onbaatzuchtigheid heel goed kunnen samengaan.

In deze hoogzomertijd valt het feest van Johannes de Doper. De relatie zoals die nu beleefd kan worden tussen dit feest en Kerst­mis gaat terug tot het moment van de ge­boorte van Johannes, een half jaar vóór de geboorte van het Jezuskind. Het Evangelie vertelt van een ongelooflijke verbondenheid tussen deze beide kinderen, zelfs al vóór de geboorte. Het is Johannes die de wegbereider wordt voor het leven en werken van Christus op aarde en die zich met de enorme kracht van zijn vurige persoonlijkheid geheel hiervoor inzet, nooit aflatend om te wijzen op de betekenis van deze Mensenzoon en de alles omwentelende impuls die door zijn komst aan de mensheid en de hele aarde wordt gegeven.

Johannes wordt door Christus de ‘grootste mens’ genoemd ‘die uit een vrouw geboren is’. Toch zag hij, erkende en verkondigde hij degene die groter was dan hijzelf. Dat Johan­nes door deze activiteit op jonge leeftijd zijn leven moest prijs geven kan als een zelfgewil­de consequentie beschouwd worden; is dan ook niet tragisch, maar groots.

Waar zou je het Sint-Jansfeest beter mee kunnen vieren dan met echte bloemen, die je uitnodigen tot plukken en die nog altijd on­danks alles wat we de natuur aandoen, in overvloed bloeien, zodat je werkelijk kunt denken aan wat de naam Johannes betekent: God is genadig.
Zo kunnen we ter opluiste­ring bloemenkransen maken of een bloemen­hoed, maar ook een bloemetjestaart of pannenkoek!
.

Tineke Geus en Annet Schukking, ‘Jonas’21, 10 juni 1983)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

198-188

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (21)

.

SINT-JAN

Een stukje schrijven over St.- Jan. Dat valt niet mee. Toen ik „ja” had ge­zegd, dacht ik dat het niet zo moeilijk zou zijn hier iets over te schrijven.

De zon is op haar hoogste punt op de naamdag van St.- Jan: 24 juni. Moeder Aarde, wat een levend wezen is, heeft dan haar adem helemaal uitgeblazen. De ziel van de aarde is nu op z’n grootst. Ze reikt tot aan de wereld van God Vader, tot aan de hemel. Kijk maar eens werkelijk naar zo’n bloeiende linde­boom en ervaar hoe groots hij voor je staat.

Al onze zintuigen kunnen zich tegoed doen aan kwetterende vogels, zoete geuren en bonte kleurschakeringen van alle soorten bloemen. De kleurenpracht is overal om ons heen. We zijn dan ook „uitgelaten”. Trekken erop uit al of niet naar verre oorden, kunnen zonder jas naar buiten, want de temperatuur is lekker warm. Genieten van de warme, zoele zomeravonden en nemen de tijd om een praatje te maken met de buren. Je bent als mens één met alles om je heen.

De kracht, het licht en de warmte van de zon nemen we in ons op met huid en hart. Nieuwe, reine zonnekrachten, die we nodig hebben om weer er tegen aan te gaan in de herfst en de winter. Al het oude hebben we verbrand en afgelegd met het zuiverende St.- Jansvuur. Vanaf de 24e juni keert de zon zich langzamer­hand weer van ons af. De zomerzonnewende, een prachtig allitererend woord, in vroegere culturen had dit woord nog een werkelijk levende, magische klank. Be­leefde men die zomerzonnewende. Machtige reinigingsvuren werden ontstoken en men raakte tijdens het dansen letterlijk buiten zich zelf om onder te gaan in de zonnesfeer.

Om het St.-Jansfeest werkeljk te begrijpen is het niet voldoende om te blijven steken in datgene, wat je eraan beleeft. Ik denk, dat het voor elk jaarfeest geldt. Je zou die belevingen, die ervaringen moeten kunnen koppelen aan inzichten. Het woord zegt het al: om er zicht op en in te kunnen krijgen. Daarvoor is het nodig om een stuk bewustzijn te brengen in onze ervaringen.

Kijken we naar de kinderen, dan zien we dat zij volop genieten van dans en spel, van de volheid, van de zomer. De volwassen mens kan meer. Hij kan proberen zich niet alleen over te geven aan de uiterlijke zon, maar met een wakker be­wustzijn een eigen innerlijke zon op te bouwen, Ik zou willen aanraden voor degenen, die dat willen, om eens te lezen wat Emil Bock over het St.-Jansfeest heeft geschreven in zijn boek over de jaarfeesten. Vooral de niet gemak­kelijk te begrijpen samenhang met Johannes de Doper doet hij hierin uit de doeken.

Al lezende merk je dat je als modern mens een ingang kunt vinden om een verbinding te krijgen juist met ons denken, ons bewustzijn. Je komt op vragen als wat is de kwaliteit van de zon, wat is de kwaliteit van warmte eigenlijk, wat wordt ermee bedoeld als er wordt gezegd, dat de aarde slaapt tijdens de zomer en waakt in de winter, terwijl je altijd dacht dat het andersom was; wat hebben Hemelvaart en Pinksteren voor verband met het St.-Jansfeest, wat is uitade­men en wat is inademen? Talloze vragen, die in de loop van de tijd beantwoord willen worden. Wat mij erg aansprak: vroeger leefde het IK IN DE ZON, de op­dracht voor de toekomst: DE ZON LEEFT IN MIJ.

 Hedie ter Stege, nadere gegevens onbekend

Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

197-187

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (15)

.

SINT-JAN: MIDZOMERTIJD

Om ons heen zien we de natuur zo rijk en uitbundig als in geen ander jaargetijde. Alle bladeren hebben zich vol ontplooid, bloemknoppen springen open, de eerste vruchten zetten zich. Het eenvoudige groene kleed van onze aarde – het gras – tooit zich met een rijke verscheidenheid van aren en pluimen, die met hun gouden waas het groen versluieren. Myriaden van insecten ziet men in de blauwe hemel, zingen door de stille bossen. Overvloed biedt ons de natuur. En wij, mensenkinderen, voelen ons meegenomen in deze bonte, warme wereld. De zon koestert ons, de vakanties lokken — wij geven ons over aan de roep van de natuur.

Dan nadert de midzomernacht, de nacht van 23 op 24 juni. De zon staat hoog aan de hemel en bereidt zich voor op de terugtocht. Nog één korte lichte nacht en het keerpunt is gekomen.

Misschien hebben we geluk en welft zich boven ons de hemel met zijn sterren­kleed. Misschien licht de zee en strooit duizenden sterretjes op het strand, of zien we in de donkere struiken de geheimzinnige gloeiwormpjes oplichten. In de stilte van zo’n warme, zoele nacht worden de Sint-Jansvuren ontstoken en mensen zoeken elkaar rond het vuur. Het vuur verbindt de mensen, die een kring vormen tegen de donkere nacht. Met de vlammen en vonken gaan onze gevoelens mee naar eindeloze hoogten. Bij de nagloeiende blokken keert de ziel terug en we kijken peinzend in de gloed. Een ommekeer — uit de donkere win­ter leefden we mee met de eerste groene knopjes, de ontluikende lente, de zomerroes: en de vraag stijgt in ons op: wat nu? Wat doen wij met deze overvloed?

Veel is ons gegeven, veel hebben wij beleefd — hoe gaan we nu verder?
Zo klonk eens de roep van Johannes de Doper, de machtige prediker aan de rand van de woestijn! Duizenden jaren was er een overvloed geweest, die de mensheid voort had geholpen. Een overvloed van wijsheid, van zorg voor de zich ontwikkelende mensheid. Nu is het keerpunt gekomen. Diegene, die mach­tiger is dan Johannes zal komen. Maar zijn woning zal zijn in de harten van de mensen, niet in de rijkversierde tempels, maar in de donkere diepten van de simpele mensenziel. Komt tot inkeer! Zo klonk de roep van Johannes. En zo roept ieder jaar de Sint-Janstijd: verlies je niet in de zomerpracht. Kijk terug naar wat het jaar je schonk en bezin je op wat je met de oogst zal doen. Zo kan de mensenziel de Sint-Janstijd beleven.

 C.W., nadere gegevens onbekend

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

191-181

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (11)

.

ZOMERTIJD RIJPINGSTIJD

Johannes de Doper: profeet van de ommekeer

Loom hangt de lucht boven het land. De hitte zindert en broeit dagenlang, je kunt er niet aan ontkomen. De gloeiende hitte wordt je teveel, je snakt naar adem, iedere beweging wordt vertraagd.
En dan ineens op een avond barst het onweer los. De bliksem flitst onop­houdelijk en zet alles in een geel-groen licht. Ratelende donderslagen rollen over de stad, en dan komt de regen. Het hemelwater stroomt langs de ra­men, het gutst door de goten, het bor­relt uit de putjes, en de planten neigen hun takken onder de last van zoveel water. De volgende morgen hangen ze nog diep gebogen naar de grond. Maar dan is de bui over, de hemel is opge­klaard, de lucht is weer blauw met on­schuldige witte wolkjes. Een nieuwe dag is aangebroken.
Dit woeste geweld van de elementen en de opklaring daarna is karakteris­tiek voor de hoogzomer. De frisse, onstuimige groei in de plantenwereld is over zijn hoogtepunt heen. Het is de tijd van rijping, de vruchten stoven in de zon en nemen de warmte in zich op. Als de zomer ten einde loopt, kan er geoogst worden, bij manden vol. Wat een rijkdom!
Ook voor de schoolkin­deren is het een rijpingstijd: wat ze opgenomen hebben in het afgelopen schooljaar, rijpt in de vakantietijd, in de tijd van het ‘vacuüm’, waar ogen­schijnlijk niets gebeurt. De rijping vol­trekt zich ‘onderhuids’, maar na deze ‘lege tijd’ kun je de vruchten plukken. Waar ruimte is voor rijping in alle rust, smaken de vruchten zoet en sappig! In iedere gezonde, rijpe vrucht ligt het zaad voor een nieuwe plant verborgen. Het schijnbaar dode zaad, de pit, de kern, zegt de Engelsman, bergt nieuw leven in zich. De plant ontwikkelt zich in de tijd en in de ruimte, volgens een ritme dat voor iedere plant een bepaal­de variatie is van een soort oer-ritme: uitbreiden en samentrekken in stengel en blad. Tenslotte is het of de hele 
plant zijn mooiste uitbreiding vormt in de bloem, maar tegelijk voltrekt zich in het hart van de bloem de laat­ste samentrekking. Wij genieten van de ontzaglijke rijkdom aan kleuren, waarmee de bloemen ons hart verwar­men. Maar we denken pas aan die ver­borgen harde ‘kern’ als de bloem ver­welkt. De gedachte daaraan: dat het leven in die onooglijke pitjes voortge­zet wordt, helpt ons over een gevoel van droefheid heen. De mooie, kleuri­ge bloemen vergaan, maar het punt van ommekeer tot iets nieuws, houden we in de hand. En daarmee moeten we aan de slag.

Johannes de Doper
Aan het begin van deze rijpingstijd staat een machtige gestalte, die zelf een ‘rijpe vrucht’ was van alle culturen die de mensheid tot dan toe had ge­kend. Het evangelie van Markus begint met een aanhaling uit het Oude Testa­ment, die deze voorloper van een nieuwe tijd beschrijft: ‘Zoals geschre­ven is in het boek van Jesaja de pro­feet: Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht uit: hij zal u de weg berei­den. Een stem hoort men roepen in de eenzaamheid: baant de weg van de Heer. maakt zijn paden recht. –
Zo was Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde de doop der ommekeer tot bevrijding der zonden.
Op 24 juni vieren we het feest van Jo­hannes de Doper. Hij is de enige heili­ge op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we dat punt van om­keer, het begin van iets nieuws. Hij is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. En opdat de mensen de geboorte van dat nieuwe kunnen meemaken, doopt hij allen die tot hem komen ‘uit het gehele land Judea en de stad Jeruzalem’, in het water van de Jordaan. ‘Tot bevrijding der zonden’ staat er dan nog bij. Het levende, stromende water bevrijdde, maakte los uit een soort verstarring, een te sterke gebondenheid aan het li­chaam. En als je wat meer los komt van dat fysieke lichaam en het teveel aan zorg daarvoor, dan kun je de op­dracht van Johannes begrijpen: ‘En het volk vroeg hem: Wat moeten we doen? Hij gaf hun ten antwoord: wie twee gewaden heeft, geve een aan wie er geen heeft, en wie voedsel heeft, doe desgelijks.’ Zo spreekt hij ook de tollenaars en de soldaten aan in hun speciale functie: neem niet meer dan je toekomt. Hij veroordeelt niet het beroep; dat doet ook later Jezus niet. Hij wijst op dat kleine punt van inner­lijke vernieuwing, dat iedereen in zijn eigen situatie moet leren ontdekken. Merkwaardig eigenlijk dat Johannes geboren wordt en leeft en werkt in Judea, het droogste en steenachtigste gebied van het oude Israël. Er lijkt een overeenkomst te zijn met de innerlijke ‘verharding’ waaruit de mensen bevrijd moeten worden. Alsof het juist daar het meeste nodig was dat deze grote persoonlijkheid optrad. Hij die het ja­renlang in de eenzaamheid van de woestijn had uitgehouden, kon het nu opnemen tegen de innerlijke woestijn waarin de mensen leefden. Nadrukke­lijk wordt vermeld dat er ook mensen kwamen uit de stad Jeruzalem. Was het de ‘steenwoestenij’ die zij ont­vluchtten of waren het de duistere praktijken van de koningen, die toen over de stad heersten? Een feit is dat men bang was aan het hof voor de machtige stem van Johannes, die de Farizeeërs en Sadduceeërs, de alom ge-eerde en gevreesde wetsgeleerden, aan­sprak met ‘Gij adderengebroed’.
Alles wat Johannes doet en zegt, is zo nieuw en verrassend voor zijn volgelin­gen, dat hem de vraag wordt gesteld of hij niet zelf degene is die komen zal, de Christus. Maar hij antwoordt: ‘Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.’ Hij is de stem, niet het Woord zelf, maar de stem is het woord het meest nabij. Zonder de menselijke stem kan het woord niet klinken in de wereld. En daarom ge­tuigt Johannes de Doper van het Woord.

Ontmoetingen
Er worden in de evangeliën twee exis­tentieel belangrijke ontmoetingen be­schreven van Johannes met Jezus, en beide keren heeft de ontmoeting met een geboorte te maken. De eerste ont­moeting wordt beschreven in het Lukas-evangelie. Maria gaat op weg naar haar nicht Elizabeth in Judea. Zij ont­moeten elkaar in het huis van Zacharias: ‘En toen Elizabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het dat het kind opsprong in haar schoot’. Enige maanden later wordt het kind Johan­nes geboren. Over de jaren daarna wordt niet geschreven, maar die ‘stille tijd’ zou je misschien kunnen aanvaar­den met het woord ‘rijping’. En als dan de tijd rijp is. vindt de volgende ontmoeting plaats, dertig jaar later. Bij de doop in de Jordaan schept Johan­nes door zijn rituele handeling ruimte, waardoor het Christuswezen geboren kan worden in de mens Jezus van Nazareth.

Het ongelooflijke is, dat hij, ook voor de Doop, in Jezus volkomen zijn meerdere erkende.’ Ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken’. En toch zei Jezus later van hem, dat hij groter was dan wie ooit op aarde was geboren. De ‘lijfspreuk’ van Johannes was: ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’; en daarmee stelde hij zich ten volle in dienst van het nieuwe dat ge­boren wilde worden.

Het Isenheimer altaar
In de Franse stad Colmar in de Vogezen staat, in een voormalig klooster, een groot schilderij van Matthias Grünewald, die in de 16e eeuw leefde. Het stelt de Kruisiging voor en is oorspron­kelijk het middenpaneel van een drie­luik. Het wordt het Isenheimer altaar genoemd.

Rechts van de Gekruisigde staat Jo­hannes de evangelist die Maria onder­steunt, en een knielende Maria Magdalena. Links staat de geweldige gestalte van Johannes de Doper. Achter hem zie je de woorden (in het Latijn): ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen.’ In de linkerhand draagt hij een opengeslagen boek en met zijn rechterhand wijst hij, duidelijk en gebiedend, naar de Ge­kruisigde. Aan zijn voeten staat een jong lam met de kruisstaf; bloed stroomt uit de nek in een gouden kelk. Dit offerlam wijst op een andere uit­spraak van Johannes: ‘De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en hij sprak: Zie het Lam Gods, dat de zon­delast der wereld op zich neemt.’ (Joh. 1).
Maar niet alleen Jezus, ook Johannes zelf was een offerlam, een ‘slacht-offer’. Kort na de Doop in de Jordaan werd hij gevangen genomen door dienaren van koning Herodes, en onthoofd. Het blijkt echter, dat door zijn dood de werkzaamheid van de Christus kon gaan groeien. Het ‘afne­men’ van Johannes moest door een nulpunt heen, voordat het nieuwe be­gin werkelijk kon komen.
Grünewald heeft Johannes de Doper naast het kruis afgebeeld, alsof hij daarmee zeggen wilde: ‘Al is hij niet in levenden lijve erbij geweest, hij was er toch bij op een andere wijze. Mede door zijn leven en sterven is dit moge­lijk geworden’.
Door en in het stromende water van de Jordaan had Jo­hannes reeds vele kleine oasen gescha­pen in de innerlijke woestijn der men­sen. Groene plekken waar van alles groeien kon, en waar later het zaad van het Christuswoord uitgestrooid kon worden.

Johannes wijst ons op het kruis van Golgotha, op de dood, op het nulpunt. Dat was het moment van de omme­keer waardoor de Opstanding mogelijk werd, de kiem van een nieuw begin. Die ommekeer zal voor ons dan ook betekenen: ruimte scheppen om be­wust het christelijk element binnen te laten in je leven. Dat betekent een le­ren omgaan met en herkennen van ‘dode punten’ in je leven, in het ver­trouwen dat daaruit iedere keer weer iets nieuws geboren kan worden.

 Marieke Anschütz in ‘Jonas’ 21 van 15 juni 1979)

Grunewald_Isenheim1

John_baptist_angel_of_desert

 

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

187-177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.