Tagarchief: Ahriman

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (5)

.

de hedendaagse strijd van Michaël

Een rijke kindertijd is een bron van rijkdom voor het latere leven.
Feesten die op een mooie manier gevierd zijn, vormen herinneringen aan de kindertijd.
Oeroud zijn de feesten omtrent het keren van de zon in winter en zomer.
Kerst en Pasen werden belangrijke feesten voor het christendom. Met de prachtige gebruiken die in een beeld de zin verduidelijken, maken ze grote indruk op de ziel van het kind.
Het feest voor de herfst, die Michaëlstijd heet, is daarentegen nog een jong feest dat in wording is, omdat nu pas in de ziel van de mens de krachten ontstaan die tot een Michaëlsfeest kunnen uitgroeien. We moeten nog leren dit feest te vieren. Wat een opdracht voor opvoeders die dit toekomstige moeten voorbereiden!

De voorschristelijke feesten waren steeds verbonden met het leven in de natuur; de christelijke feesten horen meer bij het morele leven van de mensenziel. Voor het geestesleven van nu is het een verheven doel het moreel – geestelijke en het zintuiglijke natuurleven waarvan de samenhang voor het menselijk bewustzijn al zo lang gescheiden is, weer met elkaar te verbinden. Het zou een verdieping betekenen in de geschiedenis van het geestelijke wanneer feesten gevierd zouden kunnen gaan worden wanneer beide elementen meegenomen worden: het meeleven met de Christus in het verloop van het jaar en de werking van dezelfde goddelijkheid in de natuur.

De michaëlsdag op de kalender is 29 september.
Het beeld van de aartsengel die de draak overwint, is het grote oerbeeld voor een herfstfeest.
De Bijbel schetst hoe Michaël bij de opstand van de engelen de grote tegenwerker, die draak wordt genoemd, overwint en hem uit de geestelijke werelden verstoot. Hij leeft sindsdien in de zintuigwereld van de aarde als geestelijk wezen

Rudolf Steiner zet uiteen dat de opstandeling in de onschuldige, uiterlijke natuur die een spiegel is van het goddelijke, niet kan leven, maar dat hij een verblijfplaats heeft gevonden in het innerlijk van de mens.
En Michaël voert nu de strijd tegen de draak in het innerlijk van de menselijke natuur verder, wanneer de mens zich met hem (Michaël) verbindt.

De monnik in de middeleeuwen streedt door zelfkastijding en vasten tegen zijn eigen lagere natuur alsof het een draak was.
In de loop der tijden wordt niet alleen de mens anders, maar ook de engelen en de verleidende machten.
Wat kunnen we nu onder de gestalte van de draak verstaan?
Om een werkelijk antwoord op die vraag te krijgen, is het noodzakelijk in te zien dat de verleidingsmachten van twee kanten de mens proberen in hun greep te krijgen. Ze kunnen hem van binnenuit, vanuit zijn ziel bedriegen of van buitenaf, vanuit de zintuigwereld.
‘De begeerte is de wortel van alle kwaad’, zegt de Bijbel. Wie meer wil zijn, dan hij is, wordt eerzuchtig (het Duits heeft hier de woorden ‘Geiz’ en ‘Ehrgeiz’, wie maar wil hebben dan nodig is, zit vol begeerte. Ehrgeiz en Geiz bijv. zijn een uitdrukking van deze dubbele kans om verleid te worden.

De dubbele gestalte van de duivel is op veel middeleeuwse prenten nog te zien in bijv. de slang van het Paradijs die aan de bovenkant de gedaante van een vrouw aanneemrt, aan de onderkant die van een slang. Ook in oude spelen, waarin de duivel de naam Lucifer en Satanas draagt, komt die dubbele natuur tot uitdrukking, bijv. in het Reditiner Paasspel. Daarin wordt getoond hoe die twee elkaar sterker maken. Wanneer de verleiding van Satanas slaagt, zijn er voor Luifer ook nieuwe kansen in de strijd om de mensenziel. Uit het Oosten komen de namen Lucifer en Ahriman.
Heel vaak zijn de beide figuren niet duidelijk van elkaar te onderscheiden, heeft de ene trekken van de andere.
Wat hier in een beeld uitgedrukt wordt, kan psychologisch door waarneming door ieder mens gevonden worden die zelfkennis probeert te krijgen.

De verleiding van buitenaf door de zintuigen heeft er steeds meer toe geleid dat de mens die de wereld waarneemt de geestelijke kant van de natuur is gaan verliezen.
Tegen dit gevaar hoefden de mensen die in wat in de natuur werkzaam was, nog gnomen en elfen waarnemen, vroeger niet te strijden.
Voor nu ligt hierin een opdracht.
De wereldmacht die met de slang omschreven wordt, heeft zijn werking er steeds op gericht de mens uit het paradijs van zijn geestelijk thuis te verdrijven en hem alleen voor waar te laten houden  wat hij in de zintuigwereld ziet.
Nu vandaag de dag de uiterlijke kant van de zintuigwereld uit en te na onderzocht is, is het innerlijk van de natuur voor de beleving van de mens verloren gegaan. Er is heel veel inspanning nodig om de weg daartoe weer terug te vinden en bij de inspanning hoort moed.

Dat is heden de strijd van Michaël tegen de draak.

Vroeger konden de natuurwezens met de mens samenleven. Alle sagen spreken daarover. Zij hebben het samenleven met de mens nodig en krijgen daardoor deel aan geestelijk leven, dat zij alleen niet kunnen hebben. Zij vereenzamen sinds de mens ze niet meer beleven kan. Voor de mens zijn ze dood, maar daardoor zijn ze in de invloedsfeer van de draak gekomen.

Rudolf  Steiner beschrijft de draak in de mens als een ‘bovenzintuiglijk wezen in de wereld van de zintuigen’, dat door zijn bestaan naar zich toetrekt en ermee verbindt ‘wat uit de verten van de natuur naar de mens toestroomt als iets wat bovenzintuiglijk elementair is…., en in plaats dat de mens door wat hij in zijn ziel meedraagt, door zijn gevoel de elementairwezens, bijv. van de planten, verlost uit hun betovering, verbindt hij ze juist met de draak, laat hij ze in zijn lagere natuur met de draak ondergaan’.

Alles wat als een nieuw kennen van de natuur nagestreefd wordt, waarbij de mens niet alleen maar met zijn intellect, maar als totale mens actief is, is een deel van het grote streven, van die strijd die Michaël in de mens met de draak aangaat.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de wezens in de wereld er in hun eenzaamheid aan toe zijn: ‘De lelie wanneer ze haar bladeren, met name haar bloembladeren uitvouwt, wacht eigenlijk op iets. Zij zegt bij zichzelf: ‘Er zullen mensen aan mij voorbijlopen, mensen die naar me kijken en wanneer er genoeg mensen hun blik naar me richten, zal ik – dat zegt de geest van de lelie – bevrijd worden van de betovering en kan ik mijn weg in de geestelijke wereld beginnen…..’

Overal in onze omgeving zijn deze elementairgeesten en die roepen eigenlijk naar ons: ‘Kijk toch niet zo abstract naar de bloemen en maak er toch niet van die abstracte beelden van, maar open je hart, je gevoel voor wat er aan geest en ziel in deze bloemen huist! Dat wil zo graag verlost worden uit een betovering, door jullie!
En het menselijk bestaan zou eigenlijk  een voortdurende verlossing moeten zijn van de betoverde elementairwezens in de gesteenten, planten en dieren.”

Ieder mens kan de waarheid van deze bewering ervaren. Die spreekt duidelijk uit wat invoelend de eigen ziel zegt.
Deze strijd van Michaël met de draak is in deze tijd alleen mogelijk, wanneer de mens eraan deelneemt door de manier waarop hij zijn kennis gebruikt. Op de mens en hoe hij zich geestelijk ontwikkelt, wachten eigenlijk alle wezens in de wereld. Wanneer de kennis van de natuur zich verruimd tot kennis van de geest, wordt het verlangen van de elementairwezens aan wie de mens dank verschuldigd is, vervuld.

De sprookjes zijn de beelden van de wegen die de ziel van de mensheid gaat. Het kan niet anders dan dat in veel sprookjes het michaëlsmotief zit.

Dat wordt hier duidelijk bij het sprookje van Sneeuwwitje.

De stiefmoeder heeft Sneeuwwitje, de mensenziel, uit het rijk van de koning, het geestesrijk, verstoten in het donkere bos van het aardse, lichamelijke leven. De jager, die in vele sprookjes als goede helper verschijnt, zorgt ook hier voor een goede wending van wat de koningin zo boosaardig voorstond. Hij doodt Sneeuwwitje niet, maar laat haar leven; d.w.z. op het aardse plan moet haar zelfbewustzijn bewaard blijven. Sneeuwwitje komt bij de dwergen.
‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten? Wie heeft er van mijn brood genomen?’ In deze vragen komt tot uitdrukking hoe ieder mens leeft van wat de elementair wezens toebehoort. De dwergen houden van Sneeuwwitje die voor hen zorgt.
Maar de stiefmoeder kijkt in haar spiegel. De spiegel is het voorwerp dat van de natuur aan de zintuigen aanbiedt, wanneer je niet achter de sluier van de uiterlijke verschijningsvorm kan doordringen. Voor de dwergen die Sneeuwwitje nodig hebben, is de menselijke ziel het mooiste wat er voor hen bestaat. ‘O, koningin, u bent de mooiste hier’ (hier in het rijk van de zintuiglijke schijn), zegt de spiegel, ‘maar Sneeuwwitje over de bergen (dat is de grens van de twee werelden) bij de zeven dwergen (bij de elementairwezens) is duizendmaal schoner dan gij”.
De menselijke ziel wordt nog meer door de boze koningin, je kan ook zeggen door de slang of de draak, vervolgd. Eerst snoert de koningin haar in. Het beeld van de insnoering wil zeggen dat de grotere wereld van het zielenleven steeds meer in het lichaam samengedrukt wordt. Als gevolg daarvan valt Sneeuwwitje flauw en is ze blind voor het rijk van de elementairwezens.
Daarna wordt ze met de kam vergiftigd. Het haar duidt op een verbinding van het hoofd met de geestelijke wereld. Het kammen lijkt een beeld voor die kracht van het denken die alles uiteenrafelt (uitkamt) en ordent. Omdat de dwergen Sneeuwwitje en het samenzijn met een menselijke ziel nodig hebben, waarschuwen ze voor de boze koningin, die haar van hen wil scheiden.
Het beeld van het eten van de appel herhaalt op tere manier het Paradijsverhaal waarin nog duidelijk het bewustworden van het eigen lichaam en de zintuigwereld doorklinkt.
In het sprookje wordt de gang van zaken vanuit het beleven van de elementairwezens geschilderd voor wie Sneeuwwitje is gestorven, terwijl ze voor de zintuigwereld wakker wordt. De dwergen en de vogels, je kan ook zeggen heel de elementairwereld, knielt bij haar kist waarin het ‘dode’ Sneeuwwitje ligt. Dat is een indrukwekkend, schokkend beeld. Het is het beeld dat alle wezens in de wereld beleven sinds het denken van de mens intellectueel is geworden, sinds het ‘donkere tijdperk’ aangebroken is.
Met de draak die Michaël doodt, wordt meer het ahrimanische wezen bedoeld. In het Paradijsverhaal en in dit sprookje wordt meer de luciferische kant getoond. Omdat echter beide machten afhankelijk zijn van wat de andere bewerkstelligt, zit in het beeld van de koningin die zielenkracht die zoals de draak dat doet, de blik van de mens op het geestelijke in de natuur verduistert, zodat alleen de buitenkant zichtbaar is.

Michaël helpt de menselijke ziel de matheid van de kennis te overwinnen.
In het sprookje komt de koningszoon bij de glazen kist en verlost Sneeuwwitje van het gif van de appel.
De aartsengel Michaël bezit deze kracht omdat hij de draak overwonnen heeft.
Een overwinning op de draak komt in dit sprooje niet voor, omdat het verteld is vanuit het beleven van de elementairwezens.

Michaël is de bode van Christus.
In het sprookje gaat de koningszoon verder waar de jager mee is begonnen die Sneeuwwitje van de boze koningin redde en haar in het bos vergezelde en haar in de ware zin van het woord, het leven schonk.

.

Elisabeth Klein, Erziehungskunst jrg.18, nr.9/10 1954

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.Sprookjes: alle artikelen

.

1602
Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-4/4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In Algemene menskunde (1-2) ging het o.a. over Michaël als tijdgeest van de tijd waarvan Steiner zegt dat het ‘een bijzondere tijd’ is.

In onderstaand artikel wordt ingegaan op deze Michaëlische tijdgeest. Het is het derde vervolg op het jaar 1879         (eerste vervolg)   (tweede vervolg)

De strijd der geesten voor en na 1879

In een aantal artikelen in het begin in de zomer werd de vraag opgeworpen naar de betekenis van 1879. In oude en nieuwe christelijke bronnen staat dit jaar in het teken van de aartsengel Michaël.
Een oppervlakkige historische verkenning levert ten aanzien van dit jaartal niets bijzonders op. Een wat grondiger peiling brengt iets meer aan het licht: omstreeks die tijd zien we in de kunst en in het geestesleven in het algemeen tekenen van een reveil, van een geïnspireerde wil tot iets nieuws. Verder zien we, dat dat jaar middenin een stroom van gebeurtenissen valt, een tijdperk, dat in 1914 eindigt en omstreeks 1840 begonnen was, de eigenlijke 19e eeuw met de gemeenschappelijke triomf van techniek, materialisme en burgerlijk optimisme. Voor 1840 heersten de romantiek en de idealistische filosofie in de Europese cultuur. Rondom 1840 slaat het klimaat om, een materialistische wind steekt op. Vooral het leven van Marx toont deze plotselinge breuk in de geestelijke ontwikkeling dramatisch aan. Men kan duidelijk zien dat het de oorspronkelijke impuls was, zowel van Marx en Engels, als van de theoloog Bauer, om het christendom, dat verstard was in stoffig geworden kerkelijke tradities en in burgerlijke tevredenheid, vanuit het Duitse idealisme te ramieuwen: in de theologie zelf (Bauer en in de sociaal-economische praktijk (Marx en Engels). Wij zagen echter ook, hoe al deze mensen in een innerlijke crisis kwamen. Een andere macht krijgt hun streven en denken te pakken en buigt het om in materialistische richting. De betrokkenen zelf en enkele zeer met hen verbonden tijdgenoten spreken, half in beeld, over demonen die van hen bezit nemen.

Het was, geesteswetenschappelijk gezien, inderdaad een strijd van goede machten tegen demonen, die toen in geestelijke wereld, waarmee het innerlijk leven van de mens rechtstreeks maar onbewust verbonden is, gestreden werd. In een cursus in het jaar 1917*) heeft Rudolf Steiner de jaren 1841 tot 1879 beschreven als de tijd, dat de aartsengel Michaël en de zijnen streden tegen Ahriman, de geestelijke macht van wie het materialisme uitgaat, en zijn demonen. Bijna veertig jaar lang woedde achter de coulissen van de geschiedenis deze titanenstrijd. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer, dat goede en kwade machten met elkaar streden om de mens. Het was wel de strijd die in het 12e hoofdstuk van de Openbaring van Johannes beschreven wordt. Hij eindigde in 1879 met de overwinning van Michaël. De Draak, zo staat in dit visionaire laatste bijbelboek, werd met de zijnen op de aarde geworpen, hun plaats werd niet meer in de hemel gevonden. Vanuit de antroposofie geformuleerd: Ahriman werd uit de geestelijke wereld verdreven naar de aarde, dat wil zeggen: naar de op aarde levende mensen. Hij kreeg daardoor de kans om zijn invloed op de mensenzielen te versterken tot het moment van een nieuwe beslissende confrontatie aanbreekt. Dat betekent, dat de mens in die volgende fase een beslissende rol zal moeten spelen. Vele tekenen des tijds wijzen erop, dat deze nieuwe confrontatie nu, eind 20e eeuw, voor de deur staat. (Ik hoop daar in een later artikel op terug te komen). ‘Want de Draak weet, dat hij weinig tijd heeft’, zegt de evangelist Johannes, de schrijver van het openbaringsboek.

In de genoemde cursus gaat Steiner, in tegenstelling tot zijn werkwijze in veel andere cursussen, heel weinig in op de details van deze bovennatuurlijke gebeurtenissen. Hij illustreert deze strijd der geesten aan de hand van gebeurtenissen op het menselijke en wetenschappelijke vlak. Hij kiest daarbij overigens heel andere 19e eeuwse personen dan Marx en Engels, over wier leven toen nog weinig bekend was.

Nu wordt deze betekenis van 1879 ook nog van een andere kant genoemd. In 1896 publiceerde C.G. Harrison zijn ‘Transcendental Universe’, ook een tot boek omgewerkte lezingencyclus. Harrison stond enerzijds in de meer orthodoxe stroming van de Engelse kerk en anderzijds middenin het Britse occultisme en de theosofische beweging. (Er zijn naast punten van verwantschap duidelijke verschillen in de wijze van geestelijke scholing en geestelijk onderzoek van Harrison en Steiner. Het zou te ver voeren om dat hier precies uit de doeken te doen.) Harrison nu noemt ook het jaar 1879 als het moment, dat Michaël als aanvoerder van de goede machten een beslissende overwinning behaalt op Mammon. Het is zonder meer duidelijk, dat Harrison onder deze laatste naam dezelfde macht bedoelt als Steiner onder de naam Ahriman en Goethe onder de naam Mefistofeles.

Voordat wij dieper ingaan op de aard en verschillen van deze en andere geestelijke machten, is het goed om, vanuit de geesteswetenschap, iets meer helderheid te verschaffen over de wisselwerking tussen de direct zichtbare gebeurtenissen in de maatschappij en de geschiedenis, en de onzichtbare of beter gezegd de indirect waarneembare geestelijke wereld. Ik gebruikte al even eerder het beeld van het toneel en de coulissen. Vondel zei het al:

‘De werelt is een speeltoneel / Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel.’

Het toneel – dat is het aardse plan, waarop onze geschiedenis zich afspeelt. De wereld achter de schermen – daarmee wordt aangeduid het samenstelsel van bovenaardse sferen, waar alles wordt voorbereid wat zich op het aardse toneel gaat afspelen. De wordingsgeschiedenis van de mensheid speelde zich voornamelijk in hogere werelden af, evengoed als een toneelstuk niet op het toneel ontstaat – afgezien van bepaalde moderne experimenten – maar meestal op een totaal andere plaats door de schrijver wordt ontworpen en geschreven. Heel wat personen en instanties moeten eraan te pas komen, voordat het stuk op de planken verschijnt: de uitgever, de drukker, dan de directie van een toneelgezelschap en, als uiterst belangrijke factor, de regisseur. Via deze personen komt het stuk steeds dichter bij de schouwburg. Dan worden de spelers gekozen en geïnstrueerd, zij leren hun rol, de souffleur krijgt zijn taak en de repetities beginnen, soms nog niet op het toneel zelf maar in een oefenruimte. Ook is het van belang te beseffen, dat in een veel eerder stadium een heel andere kunstenaar en zijn staf hebben meegewerkt: de architect, die de schouwburg en de toneelzaal gebouwd heeft. Tussen gebouw en toneelstuk ligt dan nog de taak van de costumier, de grimeur, de inspeciënt.

Men kan makkelijk de vergelijking tot in de details doortrekken naar de mensheidsgeschiedenis als één groot dramatisch werk in vele bedrijven. Het drama wordt gespeeld door onnoemelijk veel spelers. Maar er zijn op de achtergrond zeker evenveel dirigerende en assisterende machten, die tijdens de uitvoering zelf onzichtbaar blijven.

Eén belangrijke aanvulling is de volgende. In het grote mensheidsdrama heeft ieder bedrijf een eigen regisseur. Met andere woorden: iedere tijd heeft zijn eigen tijdgeest die de hem toevertrouwde episode voorbereidt en dirigeert. Naar aanleiding van dit punt kan een vraag met de zwaarte van een tegenwerping gesteld worden. Waar blijft in deze vergelijking de menselijke vrijheid? Alles wat zich op het toneel afspeelt lijkt wel spontaan te gebeuren, maar in werkelijkheid is alles zo precies mogelijk van tevoren geënsceneerd. Als dat in de geschiedenis ook zo is, dat eigenlijk alles van hoger hand geënsceneerd en gemanipuleerd wordt, dan is het mensheidsdrama een marionettenspel en alle vrijheid is schijn. Die zienswijze strookt merkwaardig goed met bepaalde moderne en ook met sommige oude oosterse opvattingen, maar is dat ook de visie van de antroposofische geesteswetenschap? Nee, allerminst. De inzet van het geschiedenisdrama is juist de vrijheid van de mens. Daarmee komen wij inderdaad aan het punt, waar de Vondelse vergelijking niet meer helemaal opgaat. Niet helemaal meer maar nog wel grotendeels. Want, denk aan de spanning bij de première. Alles is tot in de puntjes voorbereid. En toch wachten alle betrokkenen – schrijver, directie, regisseur en spelers in de grootste spanning of het zal lukken -nee, hoe het zal zijn!

Dat geldt voor de geschiedenis in nog sterkere mate. Lang niet altijd lukt datgene, wat in hogere werelden is voorbereid. Soms lukt het, soms mislukt het, soms lukt het gedeeltelijk. Op zulke punten lijkt de mensheidsontwikkeling meer op een concert dan op een toneelstuk. Wij kennen in bepaalde concerten voor solo-instrumen en orkest de cadans. Dat is een passage die in hoofdlijnen door de componist is aangegeven. Maar de solist moet hem zelf, instuderend of improviserend, uitwerken. Natuurlijk wordt er op het toneel ook geïmproviseerd, maar veel meer in de marge en vooral bij kleine vergissingen. In het grote mensheidsdrama gaat het telkens en steeds vaker om het element van improvisatie, spontane creatie. Dat wil zeggen: in de rollen, die de mensen in de loop van het ontwikkelingsdrama toegewezen krijgen, komen steeds vaker min of meer open stukken voor, die de spelers zelf, net als de muzieksolist met de cadans, gestalte moeten geven. De hogere machten wachten altijd in een zekere spanning op het resultaat van deze creatieve momenten. Daaruit kan iets ontstaan wat totaal nieuw is, ook voor deze hogere machten zelf.

Zo is de mensheidsgeschiedenis een drama, waarbij de leiding steeds verandert en steeds meer terugtreedt, terwijl de vrijheid steeds belangrijker wordt. Het zwaartepunt van de beslissingen, dat tot nu toe achter de schermen lag, verlegt zich naar de openbaar zichtbare toneelruimte. Degene, die meer dan andere verborgen regisseurs de vrijheid van de mens als doel voor ogen heeft, is dezelfde die sinds 1879 achter de schermen aan het bewind is. de aartsengel Michaël.

Hier kan men natuurlijk de verwonderde vraag stellen, hoe dat mogelijk is. Michaël, de inspirator van de vrijheid en de overwinnaar van de geest van het materialisme, sinds eind vorige eeuw tijdgeest? Is onze 20e eeuw niet een tijd van verschrikkingen, die grotendeels het gevolg zijn van een nog steeds groeiend materialisme? Lijkt het er niet meer op, dat Ahriman tijdgeest geworden is?

Inderdaad, het lijkt erop. Hij heeft zich, sinds hij op de aarde is geworpen niet alleen in de theorieën maar ook in de harten en de wil van veel mensen kunnen nestelen. Voor 1879 was de gedachte, dat de mens van het dier afstamt nog een theorie.
Als in Multatuli’s ‘Woutertje Pieterse’ Juffrouw Laps door de hulponderwijzer Stoffel voor een zoogdier wordt uitgemaakt, is dat, ondanks alle opschudding die deze mededeling verwekt, alleen maar vermakelijk, juist omdat het op geen enkele manier met de praktijk te maken heeft. In de 20e eeuw is het darwinisme geen theorie meer. De gedachte ‘de mens is eigenlijk een dier’ is op veel verschillende manieren tot een levenshouding geworden.

Dit geldt niet alleen voor het darwinisme. Het marxisme was voor 1879 een maar weinig ter kennis genomen theorie van een gefrustreerde querulant en een kleine groep medestanders. Als beweging was het piepklein gebleven en in allerlei ruzies en veten vastgelopen. Omstreeks 1890, als de tweede Internationale ontstaat, is het de arbeidersbeweging geworden, een machtige stroming met een godsdienstige kracht ondanks zijn anti-godsdienstige programma. Het historisch materialisme werd het bezielende geloof van de beste en de actiefsten onder de arbeiders. Verder hoeven wij niet uit te weiden over de werking van de techniek op de wil en de zintuigen, vooral in de laatste tientallen jaren. Auto’s, bromfietsen, ijskasten, computers zijn allang met onze belangen, begeertes, instincten vergroeid. Nog dieper gaat de werking van de audiovisuele middelen. Film, radio en televisie maken niet alleen de wil maar ook de zintuigen materialistisch. In geen andere tijd heeft het materialisme, dat wil zeggen Ahriman, zich zo diep in de waarneming en de motoriek van zo grote aantallen mensen kunnen verschansen.

Toch is deze gigantische expansie van het materialisme het gevolg van een nederlaag, die Ahriman in 1879 geleden heeft. Dat is moeilijk te begrijpen, want het lijkt meer op een grote overwinning. Hoe kunnen we dat zien? Het is inderdaad met een oorlogstoestand te vergelijken. Een legermacht valt aan en wordt teruggeslagen. Het verslagen leger wijkt uit en kiest een bepaald gebied, waar het tot nog toe slechts verspreide invallen heeft gedaan, om zich in te graven voor een volgende beslissende slag. Zo kan men de apocalyptische situatie van onze tijd, de 20e eeuw, samenvatten: de aarde is bezet gebied, maar de bevrijding nadert. Deze oorlogsverklaring is even suggestief als de vergelijking met het toneel en op hetzelfde punt niet helemaal juist.

Toen in 1944-’45 de geallieerde bevrijdingslegers ons land binnentrokken, heeft ook het ondergrondse verzet moedige en heftige assistentie verleend.
Bij de strijd, die nu gaande is en de volgende 21 jaar zijn beslissende hoogtepunt zal beleven, zal het accent liggen op het ‘verzet’, dat wil dus zeggen op de wakkerheid en de moed van een kleine minderheid der bewoners van de belaagde aardeplaneet. De bovenaardse beschermer van de menselijke vrijheid, Michaël, kan daarbij helpend ingrijpen als een aanmoedigende en helderheid schenkende kracht. Deze hulp is zelfs onmisbaar, maar het blijft hulp, assistentie. De beslissende initiatieven moeten uit menselijk inzicht genomen worden. Als het anders was, zou de vrijheid van de mensheid geweld worden aangedaan.

Dat is het grote verschil met vroegere tijden en vroegere tijdgeestwerkingen – ook de vroegere werking van Michaël zelf. In de eerste plaats grijpt de ware tijdgeest niet meer direct inspirerend in op de onbewuste impulsen van de mensen, wat hij en andere goede machten vroeger wel deden. Michaël wacht af. In de tweede plaats grijpen de tegenstanders van de goede machten veel directer in dan vroeger. Niet alleen inspirerend – ‘Inblazingen zijn des duivels redenaarskunst’, zegt Mefistofeles in Goethes Faust, sprekend vanuit het soufleurshok! – maar tot bezetenheid toe. Hoe minder mensen in de geest en in geesten geloven, des te groter is de inwerkingsmogelijkheid van de mefistofelisch-ahrimanische machten.
En in de derde plaats is het, in tegenstelling tot vroeger, voor de vrijheid van het menselijke denken en de menselijke wil noodzakelijk, dat steeds meer mensen weten waarom het gaat en om wie het gaat. Niet om een nieuwe eredienst te
lanceren maar om de toekomst van de beschaving, van de mensheid en van de aarde te redden is het nodig, dat het bekend is, wie de ware tijdgeest is en wie zijn tegenstanders zijn.

Velen zullen de hier ontvouwde visie Ahriman als geest van het materialisme, schijnbaar in opmars maar in wezen op de terugtocht voor Michaël – met een zekere sympatie als een mogelijkheid mee kunnen denken. Maar welke door ons controleerbare feiten wijzen in die richting? Nu verwezen wij al (in een vorig artikel) naar bepaalde momenten in het leven van Marx en zijn tijdgenoten, waar de aanval der demonen door de gebeurtenissen en de woorden heen zichtbaar wordt. Wij volstaan tot slot van deze beschouwing met nog één voorbeeld uit het gebied van de wereldliteratuur.
Veel 19e eeuwers zijn hier al de revue gepasseerd. Een, die men niet direct in deze reeks zou verwachten is de Deen Hans Christian Andersen (1805 – ’75) beroemd geworden om zijn sprookjes. Heel anders dan Richard Wagner heeft ook hij zich er niets van aangetrokken dat de tijd van de romantiek voorbij was. In de tijd van opkomende techniek en industrie wist hij met zijn scheppende fantasie de draad van de volkssprookjes op te nemen. Een der bekendste en schoonste en misschien wel de meest dramatische van Andersens scheppingen is de geschiedenis van de Sneeuwkoningin. In het voorspel onderneemt de duivel met de zijnen een uitermate vermetele aanval op de hemel. In zijn ‘school’ voor boze tovenarij vindt hij een spiegel uit die alle dingen tot hun karikatuur of tegendeel vervormt. Deze spiegel draagt hij met zijn helpers omhoog om hem voor Gods aangezicht te houden. De aanval mislukt, de spiegel valt op de aarde, breekt in miljoenen scherven. Veel splinters komen terecht in mensenogen en in mensenharten. Dat gebeurt ook bij het jongetje Kai. Zijn blik op de wereld wordt koud en cynisch. Vanaf dat moment voert zijn levensweg hem rechtstreeks naar het rijk van de Sneeuwkoningin. Alles wat zij aan Kai opdraagt moet in een kil spel van getallen en cijfers worden om gezet. Het is de kleine Gerda. die Kai redt uit de zielendodende macht van de Sneeuwkoningin.

De kunst in het algemeen en de dichtkunst in het bijzonder weerspiegelen vaak wat in de ons omgevende bovennatuurlijke werelden gebeurt. De dichterlijke intuïtie komt in contact met werkelijkheden, die boven of ook onder ons bewustzijn liggen. De innerlijke ontmoeting met zo’n geestelijke werkelijkheid wordt in de dichter tot een idee. Dit idee wordt in het creatieve proces herschapen tot een heel nieuwe verschijning, een kunstwerk. Er ontstaat iets dat origineel aandoet, het heeft ons iets te zeggen. In sommige gevallen blijkt dat later uit bepaalde geesteswetenschappelijke feiten wat de achtergrond van deze zeggingskracht is.

Zo ook hier. Andersen schreef zijn Sneeuwkoningin in de vorderende 19e eeuw, toen de mislukkende stormloop van Ahriman op de geestelijke wereld plaatsvond. Overduidelijk schildert het sprookje de onmiddellijke ernstige gevolgen van deze nederlaag voor de mensheid. Michaël komt als zodanig niet voor in de vertelling. Maar de gestalte van de kleine Gerda is wel een zuiver voorbeeld van michaëlische moed en doorzettingskracht.

Ook andere scheppende geesten hebben – soms heroïsch, vaak diep tragisch en meestal op diep ontroerende wijze – midden in de verborgen strijd van de vorige eeuw gestaan. In hun innerlijke nederlagen en zelfoverwinningen werd de wereldomvattende strijd van onze eeuw voorbereid.

Het zal van de tegenwoordigheid van geest van de mensen der komende tientallen jaren afhangen hoe deze strijd zal aflopen.

Hans Peter van Manen, Jonas 4, 19-10-1979

GA 177 ‘Der Sturz der Geister der Finsternis’ o.a. blz. 148 ff.
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Jaarfeesten – Michaëlalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldMichaël

.

1294

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-3)

.

MAAN, ZON EN DIERENRIEM

‘Siehst du den Mond dort stehen?
Er ist nur halb zu sehen
Und ist doch rund und schön.
So sind gar manche Sachen
Die wir getrost belachen,
Weil uns’re Augen sie nicht sehen.

Een poging tot vertaling:

Zie je de maan daar staan?
’t Is maar een halve maan
Die was toch rond voordien.
Zo zijn er vele zaken
Die wij belachelijk maken
Omdat onze ogen ze niet zien. ’

3e couplet van een gedicht van Matthias Claudius

Vijfenveertig jaar geleden liep ik met iemand, op weg naar een lezing die hij moest houden, door Amsterdam. We zagen de volle maan boven de huizen staan. Hij zei: ‘De maan staat in de Leeuw.’ Ik was zo geïmponeerd, dat ik niets zei, want ik wist toen niets over maan en sterren. Ik had geleerd, dat de maan ‘schijngestalten’ heeft en dat maan en planeten een baan langs de dierenriem beschrijven. Ook, dat we dit de zon zien doen, gedurende een heel jaar. En dat die dierenriem uit twaalf sterrenbeelden bestaat, in elk waarvan de zon ongeveer een maand lang ‘staat’, afhankelijk van de grootte van het sterrenbeeld.

Maar hoe beleefden de mensen vroeger deze verschijnselen aan de hemel en hoe doen wij dat nu?

In de zestiende eeuw kende men deze gang van de zon langs de dierenriem zeer goed. Getuige daarvan zijn onder andere de zogenaamde ‘getijdenboeken’, al of niet met een kalender, waarop men zijn aantekeningen kon maken. Twaalf miniaturen beeldden de meest voorkomende werkzaamheden uit, die in de opeenvolgende maanden aan de orde waren: snoeien van vruchtbomen en wijnstokken, sprokkelen, ploegen, zaaien, hooien, maaien van koren, oogsten van wijndruiven, hoeden van zwijnen in eikenbossen, ter jacht rijden.

Sommige miniaturen toonden de behaaglijkheid binnenshuis in januari, het genot van een wandeling met zijn tweeën in het voorjaar, of een rit te paard (ook met zijn tweeën en op één paard!) in de wonderschone meimaand.

sterrenkunde-7

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

Boven de schildering van elk tafreel is uitgebeeld, in welk dierenriemteken de zon in die maand staat.

Er is zo’n getijdenboekje bewaard gebleven, getiteld: ‘Meister des Dresdener Gebetsbuch’, dat vervaardigd is door Friedrich Winklers, tussen 1470 en 1500 in Brugge. Ook is bewaard gebleven ‘Les très riches heures du Duc de Berry’ (die leefde van 1340 – 1416) Daar hoort een geïllustreerde kalender bij, geschilderd door de gebroeders Van Limburg. Men ziet daar, boven elke schildering van de maand, de zonnewagen langs de hemelboog trekken met de dierenriemafbeeldingen. Gedeeltelijk zijn deze miniaturen als prentbriefkaarten in de handel.

sterrenkunde-8

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

De namen van de dierenriemtekens stammen uit een veel oudere tijd, uit een mythologisch tijdperk, dat aan het historische vooraf ging. In die tijd hadden de mensen het verstandelijk denken nog niet zo ontwikkeld als tegenwoordig. Zij beschikten over een soort beeld-bewustzijn. Zij namen gestalten van goden en andere wezens waar, die scheppend werkzaam waren in de natuur.
Elisabeth Mulder beschreef in het boekje ‘Zon, Aarde en Mens’, hoe we ons een voorstelling kunnen maken van de bewustzijnstoestand van bijvoorbeeld de oud-Perzische cultuur, zoals die blijkt uit documenten als de ‘Zendhvesta’.

De oud-Perzische mensheid aanbad een goddelijk lichtwezen: ‘Ormudz (of Ahura Mazdao) dat als tegenspeler de god van de duisternis had: Angromanyu (of Ahriman). Een citaat uit genoemd boekje:

‘Ahriman maakt het moeilijk voor de mens, het volle licht van Ormudz te verdragen en trekt als een gordijn het blauw van de hemel voor het licht van Ormudz. Maar de twaalf Amshaspands maken na elkaar twaalf openingen in dat blauw en zo kan de mens toch het volle licht van Ormudz deelachtig worden…’

‘De twaalf sterrebeelden werden beleefd als machtige engelwezens, die ieder een deel van de lichtkosmos openbaarden. Ahura Mazdao (betekent grote aura of grote wijsheid) was de gehele kosmos, door hemzelf geschapen en zijn kleed werd gevormd door lichtwezens, die tevens zijn eigen schepping waren’.

De vroegere mensheid nam aan de hemel die lichtwezens waar, verschillend van kwaliteit en karakter. De machtige invloed, die van hen uitging, herkende men op aarde in bepaalde dieren, maar dan afgezwakt zoals bijvoorbeeld in leeuw, ram en stier.

Een dergelijk waarnemingsvermogen is totaal verloren gegaan in ruil voor ons individuele verstand. Om de oude mythologische wijsheid te benaderen zou een ontwikkeling van een nieuw beeldbewustzijn nodig zijn.

Drs.F.H. Julius wijst een weg in deze richting in zijn boek: ‘De Beeldentaal van de dierenriem’. Hij beschrijft onder andere het voorkomen van die bepaalde dieren in de natuur, die ‘model staan’ voor het dierenriembeeld. Hij schildert de levensomstandigheden, het milieu, de gestalte, de levenswijze en speciale karakteristiek, en vele andere zaken. Het is een zeer waardevolle hulp om enig begrip te krijgen voor de scheppende machten van de kosmos.

Terwijl de zon een heel jaar nodig heeft om de baan langs de dierenriem te doorlopen voor onze waarneming, legt de maan die weg af in ruim 27 dagen, dit wordt de siderische maand genoemd. Als de maan dan op dezelfde plaats is aangekomen, is ondertussen de zon in een volgend sterrenbeeld te zien, want die staat ongeveer een maand in hetzelfde beeld om de zon in te halen, bijvoorbeeld van volle maan tot volle maan, duurt 2 dagen langer. De zogenaamde synodische maand duurt 29 1/2 dag.

Dat aarde, zon en maan met elkaar te maken hebben is genoegzaam bekend. De invloed van de maan op eb en vloed is daar een voorbeeld van. Van welke aard de maaninvloed op het plantenleven is, wordt op vele plaatsen onderzocht. Van biologisch-dynamische en antroposofische zijde zijn Dr.L. Kolisko en Maria Thun bekende onderzoeksters. Zij vermoedden, dat de kosmische invloed voornamelijk werkzaam was vóór en in het beginstadium van de ontwikkeling van de plant. Dus bij zaaien en planten, ja, zelfs bij grondbewerkingen vóór het zaaien!

Jarenlang is er op proefvelden dagelijks gezaaid en tenslotte vond Maria Thun, dat vier verschillende typen van plantenvormen bij eenzelfde plantensoort elkaar regelmatig afwisselden. Zij raadpleegde een sterrenkalender waarin onder andere de maanstand ten opzichte van de dierenriem was opgetekend.

Daar de maan in ruim 27 dagen langs 12 sterrenbeelden gaat – duurt de stand in één beeld soms 2, hoogstens 4 dagen, afhankelijk van de grootte van het dierenriembeeld. Nu viel te constateren, dat bij de overgang van de maan van het ene sterrenbeeld in het andere, de tijdens die periode gezaaide planten van type veranderden. Duidelijk onderscheidden zich 4 typen, waarbij telkens één speciaal element overheerste – ongeacht de plantensoort. Dit verschil uitte zich in:
a. een krachtige wortelontwikkeling
b. een goede ontwikkeling van stengel en blad
c. een overheersing van de bloei
d. een rijke vrucht- en zaadvorming

Voor Maria Thun begon er toen een klok te luiden: er bestaat een relatie tussen deze symptomen en de ‘elementenleer van de Grieken.’ Zij noemden de verschijningsvormen, waarin de aardse stoffen voor kunnen komen geen aggregatietoestanden: vast, vloeibaar, gasvormig. Zij noemden echter alles wat vast is: ‘aarde’, al het vloeibare: ‘water’, al het gasvormige: ‘licht’. Zij voegden daar nog een 4e toestand aan toe: de warmte, als overgang van de stoffelijke vorm naar de onstoffelijke.

Als bij de plant de wortelontwikkeling domineert wijst dit op een speciale
activiteit van de minerale en organische toestand van de grond, het ‘element aarde’.
Een goede blad- en stengelontwikkeling is het gevolg van de hoedanigheid van de sapstromen, het vervoer van de voedzame stoffen van de wortel naar de bovengrondse plantendelen en omgekeerd, door het element water.
Een rijke bloei wordt bevorderd door het toetreden van veel licht, door het element lucht.
En tenslotte komt een goede vrucht-en zaadvorming tot stand, als er voldoende warmte beschikbaar is.

De doordringing van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur brengen leven tot stand.

Als in de winter warmte en licht voor een deel verdwijnen, het water tot ijs wordt, de aarde verstart, is het uiterlijke leven ook verdwenen. Tot in het voorjaar weer licht en warmte de aarde toestromen, het water en de aarde op de juiste temperatuur brengen, zodat nieuw leven begint.

De klok luidt – maar waar hangt de klepel?

De vier ‘elementen’, aarde, water, lucht en warmte zijn dragers van een onzichtbare activiteit, van het leven Het leven verschijnt in een aardse gestalte en verlaat die na verloop van tijd weer. De aardse gestalte is tijdelijk, maar het ‘wezen’ is blijvend, nu eens zichtbaar, dan onzichtbaar. Het ‘wezen’ achter die gestalte is echter primair. De oorsprong van al het zichtbare is van geestelijke aard. Van geestelijke aard zijn ook de werkingen uit de kosmos, de zon is levenscheppend, de maan vooral groei bevorderend en de planeten veroorzaken onder andere de veelvuldigheid van verschijningsvormen.

Een oude overlevering deelt de 12 dierenriembeelden in 4 groepen van 3, die te maken hebben met warmte, lucht, water en aarde.

Zo heeft de leeuw een affiniteit tot warmte, de weegschaal tot lucht, de vissen tot water en de stier tot aarde. We kunnen met behulp van sterrenkalenders en sterrenkaarten door de jaren heen waarnemingen doen en ervaringen verzamelen. De gang van maan en zon aan de hemel volgen, dan is het niet zo onwaarschijnlijk, dat je bijvoorbeeld in augustus aanvoelt, hoe de kwaliteit van de leeuw samen met de zonnestralen de aarde bereikt, zodat onder andere granen en vruchten rijpen kunnen. Hoe de schorpioenzon in het najaar de natuur doet kwijnen en afsterven. Hoe in april en mei de ram- en stierzon het leven weer stuwkracht geeft.

Al deze dingen kunnen wij denkend benaderen en proberen ze te begrijpen. Met de praktische ervaringen op het gebied van land- en tuinbouw kunnen we werken. Ook een gevoelsmatige benadering is te verkrijgen, door zoveel mogelijk de sterrenhemel waar te nemen.

Waarom verheugen we ons iedere keer weer, als na nieuwe maan het smalle sikkeltje te zien is aan de westelijke avondhemel? Waarom volgen we
gefascineerd het wassen tot volle maan en vervult ons de steeds verder afnemende maan met een wat spijtig gevoel?

We horen al het luiden van de klok. Beseffen we dan, dat in de onzichtbare wereld de klepel hangt?

Mienke de Boer, Jonas 11, 26-01-1979

.

E.Mulder: ‘Zon, aarde en mens’

F.H.Julius ‘De beeldentaal van de dierenriem’

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

plantkunde: alle artikelen

1171

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (44)

.

Hieronder volgt een artikel van Ita Wegman. Zij werkte samen met Rudolf Steiner op het gebied van de geneeskunst.
Het verscheen in het blad ‘Natura’ – tijdschrift voor verbreding van  de geneeskunst door geesteswetenschappelijke menskunde – in 1926.
.

Beschouwingen over inwendige processen in de mens in samenhang met de herfsttijd- de michaëlstijd

In een belangrijke voordracht over Michaël, in oktober 1923 [1] in Dornach gehouden, sprak Rudolf Steiner over de betekenis van de werking van de aartsengel Michaël in het leven van de mens en in de cultuur- en wereldontwikkeling. Hij gaf de volle werking van Michaël in de volgende spreuk samengevat weer in woorden die vanuit hoge geestelijke regionen stammen en in het astraallicht van het wereldal geschreven, te vinden zijn:

O mens,
je geeft het vorm ten eigen bate,
je maakt het naar zijn stoffelijke waarde
in vele werken zichtbaar.
Het zal je pas tot zegen zijn,
wanneer zich aan jou openbaart
zijn hoog verheven geestesmacht. [2]
.

O Mensch
Du bildest es zu deinem Dienste
Du offenbarst es seinem Stoffeswwerte nach
In vielen deiner Werke.
Es wird dir Heil jedoch erst sein,
Wenn dir sich offenbart
Seines Geistes Hochgewalt

En het is een innerlijke noodzaak, nu in de michaëltijd, ernaar te streven wat in deze tijd, tegen de herfst-michaëltijd in het wereldal als macrokosmos en in de mens als microkosmos gebeurt, te begrijpen en te beleven. Hiermee bezig te zijn is de opgave van iedereen die aan de geestelijke cultuur van onze tijd deel wil hebben, waarin Michaël de leiding heeft en aan de mens zijn impulsen wil schenken.
Michaël goed begrijpen zal ook voor hen van een ongekende waarde zijn die zich met de raadsels van de genezing uiteen zetten en die de kennis over de genezende werking in de mens serieus nemen. Zo moeten wij onszelf afvragen wat het is waarover wordt gezegd dat het in de stof zichtbaar wordt voor het nut van de mens, wat voor de mens echter pas een zegen is wanneer hij het in zijn geestelijke kwaliteit kent.

Wanneer het ons duidelijk wordt hoe de huidige cultuur zich aan ons vertoont in haar recente ontwikkeling, dan gaat het om de stoffelijkheid, de materie – zij beheersen de interesse van de mens. We leven in een cultuur die slechts het zichtbaar-stoffelijke als realiteit erkent, waarin de mens al zijn energie, al zijn inspanningen en heel zijn denkvermogen inzet om de aardse materie te bedwingen en nuttig te maken.
De geestelijke kant van de materie heeft niet meer de betekenis voor het huidige bewustzijn zoals dat in vroegere tijden, in vroegere culturen wel het geval was. En we leven in een tijd van machines waarin de mens los geraakt van alle spiritualiteit de materie bewerkt en dienstbaar wil maken aan zijn aardse behoeften. Met name de machines en hetgeen ermee samenhangt is een wezenlijke cultuurfactor en dat brengt ons bij het ijzer dat ons ten dienste staat en dat als stof zichtbaar wordt in wat we maken.
Dit zich in de materie verdiepen, dit zich met de materie verbinden en deze te gebruiken voor eigen doeleinden, was voor de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk. Maar nu bevinden we ons in het heden wel op een tijdstip waarop de mens met waardering voor de resultaten van deze materialistische zienswijze ertoe moet komen, de geest die achter de materie werkzaam is, weer te begrijpen en te beleven. Zou hem niet lukken zich opnieuw te verbinden met deze geest, dan zou hij meegezogen worden in de ban van de door hem zelf ont-geestelijkte wereld, waarin de ahrimanische wezens steeds meer aan kracht kunnen winnen.
Aan dit gevaar ontkomt de mens, wanneer hij in staat is zich eerst weer open te stellen voor de taak die Michaël in de ontwikkeling van de mensheid heeft. Dan leert hij weer begrijpen hoe het geestelijker worden van onze cultuur met de werkzaamheid van Michaël samenhangt. Hij zal leren ervaren hoe het ijzer waarmee de huidige beschaving de werktuigen maakt, van hetzelfde materiaal is als het meteoorijzer dat uit de sterrenwereld naar beneden komt.
Deze tot ijzer verdichte substantie is vanuit een geestelijk standpunt bezien die kracht die in de kosmos tot het zwaard wordt gevormd dat Michaël gebruikt en waarmee hij de strijdt aangaat tegen het materialisme dat in de vorm van een draak de aarde en de mens in zijn macht wil krijgen.
Wat zo groots zich afspeelt als de strijd tussen de hemelsle en aardse machten in de nabijheid van de aarde, heeft ook zijn tegenbeeld in de mens als microkosmische weerspiegeling van het wereldal, van de macrokosmos.
En hoe verloopt deze strijd in de microkosmos?
Hierbij moet je leren begrijpen hoe de mens geplaatst is tussen hemel en aarde; hoe de aardse en kosmische krachten op hem inwerken en zich doen gelden. Dan wordt het duidelijk hoe je in de fysiologische proceesen van zijn organisme en de manier waarop je in denken, voelen en willen deze inwerkingen tot uitdrukking ziet komen, kan herkennen. We moeten in onszelf de fysiologische levensprocessen die zich afspelen in de benedenmens, in de hoofd- en middenmens weliswaar op driegelede manier beleven. En heeft het over een zwavelproces dat een soort verbrandingsproces is waarin de stofwisselingsprocessen en alles wat daarmee samenhangt,verlopen. Het is een proces dat op het bloeien van planten lijkt en dat tot stand komt doordat fysiek-etherische processen in wisselwerking treden met wat van uit de astrale wereld inwerkt.
Nu kan het proces van plantenbloei ook beschreven worden als een soort ontstaan van een diervormend proces dat wordt tegengehouden, omdat de astrale wereld alleen maar van buitenaf op de plant kan inwerken en niet binnen in haar tot processen komt zoals die pas te vinden zijn in het dierlijke organisme en die met zijn stofwisseling, ademhaling en bloedvorming samenhangen. En terwijl je bij de plant alleen maar kan spreken van een tenden tot dierwording, heb je in de mens deze diervormende processen zelf in al die werkingen die zich afspelen in zijn verterings- ademhalings’en bloedvormende processen waaraan het astraallijf inwendig een actief aandeel heeft. Dat deze diervormende processen in de benedenmens binnen de voor hem bestemde grensen teruggehouden worden, hebben we te danken aan het Ik dat ons verder dan het dier in het menselijke brengt. -Met zijn stofwisseling-ledematensysteem staat de mens bovendien in een sterke samenhang met de aardekrachten.
De boven mens, de zenuw-zintuigmens, daarentegen, staat in verbinding met buitenaardse krachten, met sterrenkrachten.
Maar tegelijk vinden in het zenuw-zintuigsysteem afbraakprocessen plaats die te vergelijken zijn met processen van mineraal worden, zoutvormingsprocessen in de ons omringende natuur en die in het menselijk oprganisme nodig zijn opdat de mens bewustzijn kan hebben.
Ertussen, in de midden- of ritmische mens zijn de zgn. mercuurprocessen werkzaam die in adem en bloedsomloop verlopen en met de krachten die in de omgeving van de aarde aanwezig zijn, met de licht- en luchtkrachten in verbinding staan. Ook moet het mercuriale in de mens beschouwd worden als iets wat in hem het evenwicht bewaart tussen licht en zwaarte, tussen aardse en buitenaardse invloeden.
Dit soort processen vinden  voortdurend in de mens plaats en de gezondheid van de mens is de uitdrukking van een harmonisch samengaan van deze drie processen binnenin hem. En ziekte is het gevolg als het ene of het andere van deze levensprocessen de overhand kan krijgen.
Nu worden ook deze fysiologische processen in de mens binnen het verkoop van het jaar op verschillende manieren door de verschillende jaargetijden beïnvloed. Zo komen in de winter de zoutprocessen meer op de voorgrond te staan en daarmee hangt samen een bewuster leven dat zich minder in daadkracht naar buiten manifesteert. De mens leidt een meer naar binnen gekeerd leven en hij heeft de mogelijkheid door een subtieler denken over de raadsels van het bestaan na te denken.
’s Zomers worden de zwavelprocessen sterker die hun hoogtepunt bereiken wanneer het hoogzomer is. Ook de mens voelt in zich dat de levensprocessen intenser worden, de krachten om in de buitenwereld dingen te doen aangewakkerd worden; de aardse krachten doen zich in hem meer gelden. Daarmee gaat aan de andere kant samen een doffer worden van de bewustzijnskrachten, de mens is minder helder in zijn denken wanneer de stofwisselingsprocessen overheersen en hij komt in het gevaar zich te verliezen in een droomachtige toestand.

Terwijl in de zomer zijn astraallijf door de verhevigde verbrandingsprocessen steeds stralender naar buiten toe oplicht, proberen draken- en slangenschepsels die vanuit de aarde komen zich uit te leven in deze zwavelprocessen, daarbij het bewustzijn van de mens volkomen benevelend om er bezit van te kunnen nemen.
Hier, bij dit gevaar, komen de goden de mens tegemoet, hier zenden ze hem hun helpende krachten om het bewustzijn van de mens te versterken.
Dan is daar Michaël met zijn helpers die tegen de herfst de mens te hulp komen. Door de kracht van het meteoorijzer dat in deze tijd in talloze sterrenregens aan de hemel is waar te nemen, worden de krachten van de uit de aarde opstijgende zwavelkrachten tegengewerkt. Michaël vecht met de geestelijke kracht van het ijzer tegen de draak die omhoog wil; en het ijzeren zwaard van Michaël is het dat als een gezondmakende wereldkracht de ahrimanische wezens die in de omhoogstrevende zwavelporcessen binnen willen sluipen, bestrijdt en de mens uit zijn angst en vrees bevrijdt die steeds bezit van hem nemen, wanneer zijn bewustzijn niet meer helder werken kan.
Wat gebeurt daarbij in werkelijkheid in het menselijk organisme, wanneer de strijd van Michaël met de draak zich afspeelt in de astrale wereld? Een wonderbaarlijk gecompliceerd proces speelt zich in wezen gelijktijdig af. Het bloed dat door het hele lichaam stroomt en de de rode bloedlichaampjes bevat, wordt rijkelijk voorzien van ijzerkracht. Het organisme wordt in staat gesteld meer ijzer uit het voedsel in zich op te nemen en met de bloedkleurstof, het hemaglobine te verbinden. En wat zich in de kosmos voltrekt als de meteoren als lichtende kracht uit de sterren door de wereldruimte schieten en wat verhindert dat de ahrimanische geest zich kan verheffen en groter worden – ditzelfde proces vindt in het klein plaats door het verhoogde ijzerproces in het bloed. Wanneer de geest-zielenkracht  van de mens in de herfst weer opnieuw in hem wakker geroepen wordt, is de mens in staat ook de ijzerkracht van zijn bloed dienovereenkomstig te vermeerderen en deze tegenover de zwavelkrachten te zetten die hem willen overspoelen. Het organisme wordt door de met ijzerkracht geladen rode bloedlichaampjes, alsof het van talrijke kleine meteoren wordt voorzien. Zo wordt het hele organisme met genezende kracht overstroomt en bevrijdt van alles wat hem ziek wil maken en wat als angst en vrees in hem leeft.
Deze angst en vrees wordt vaak onbewust beleefd en kan ook tot uiting komen in depressieve stemmingen of zelfs tot lichamelijke vermoeidheid en uitputting leiden, wanneer het organisme niet in staat is voor zijn eigen bescherming genoeg ijzerkracht te mobiliseren. Hier zal de arts die deze processen in de mens kent, de natuur helpend kunnen ondersteunen, wanneer hij aan zo iemand ijzer geeft.

Wat zich nu zo in het grote ritme van het jaarverloop inwendig in de menselijke organisatie afspeelt als een op- en afgaan van ziekmakende invloeden door het meebeleven van de gebeurtenissen in de hem omringende natuur, in de afwisseling van aardse en buitenaardse krachten, vindt zijn spiegelbeeld in wat aan de mens in zijn dagelijks ritme van wakker zijn en slapen waargenomen kan worden. In de slaap waarin de bewuste activiteit tot rust komt, wanneer het Ik en het astraallijf zich los hebben gemaakt, voltrekt zich een actieve opbouw vanuit het stofwisselingssysteem door het etherlijf en fysieke lichaam; terwijl in het bewuste dagleven de afbraakkrachten meer werkzaam zijn. Ook deze dagelijks zich herhalende wisselwerking van boven- en benedenprocessen in de menselijke organisatie houdt steeds een gevaar in zich, wanneer de mens niet in staat is overdag een gezond evenwicht te scheppen door die processen die met de werkzaamheid van Ik en astraallijf verbonden zijn.
Opdat dit gevaar dagelijks overwonnen kan worden heeft de mens het ijzer in zijn bloed. Zonder ijzer zou het bloed steeds ziek zijn en er vindt door het ijzer in het bloed constant, op een natuurlijke manier een wonderbaarlijk genezingsproces plaats. Door de stralende kracht van het ijzer moet de stofwisseling keer op keer binnen de gezonde grenzen teruggehouden worden en in evenwicht gehouden wat aan zwavelprocessen in het bloed doorwerkt; anders zou de mens ziek worden. En afgezien van bleekzucht, bestaan er nog andere ziekteverschijnselen die in wezen samenhangen met het feit dat het organisme niet voldoende ijzerkracht heeft om zich tegen de van de stofwisseling uitgaande ziekmakende invloeden te beschermen.
Dus wat dagelijks fysiologisch in het menselijk organisme plaats vindt, ondergaat een intensivering in de loop van de zomer naar de herfst. En de mens die in de oude tijden nog het vermogen had mee te beleven wat er in hem en om hem heen gebeurde, beleefde de michaëltijd met zijn helpende kracht als feesttijd waarin hij kon vieren zijn bevrijding door Michaël van het gevaar dat hem bedreigde door de omstrengeling van Ahriman.
Daartoe moet de mens van tegenwoordig ook weer komen. De mens zou opnieuw mee moeten kunnen beleven hoe Michaël de mens wil helpen om innerlijk vrij te worden, hem van angst en vrees te bevrijden en hoe de michaëlkrachten gezondmakende krachten zijn.
De mens moet zich vanuit zijn eigen wil weer bewust verbinden met wat in de wereldruimte en in hem zelf als michaëlkracht werkt.
Dan zal ook Michaël als leider van de tijd de mogelijkheid krijgen zich met de mens te verbinden en zijn impulsen aan de mensheid te geven.
En dan zal de tijd aanbreken waarop wij het michaëlsfeest weer in echte zin kunnen vieren.
.

Ita Wegman, in Natura nr.3 sept. 1926
.

[1] GA 223/229, blz.165
[2] Vertaald      Inkijkexemplaar

meteoorijzer

Over Ita Wegman  (zoek in fondslijst)

Van Ita Wegman: Michaël (zoek in fondslijst

.

Jaarfeesten: Michaël – alle artikelen

Een artikel met inhoud van gelijke strekking

1101

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL 5e klas – geschiedenis (2-2)

.

de tekst in blauw is van mij

Perzische cultuur

Ashem Vohü Vahiotem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai Vahistâi Ashem.

Reinheid is het hoogste.goed
Zegen is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

IRAN

(OER-PERZISCHE CULTUURPERIODE)

Tussen de Perzische golf en de Kaspische Zee ligt een woest hoogland. Kale, grillige bergketens sluiten het aan alle kanten af. De grond is schraal, de meren zijn zout, het klimaat is bar. Overdag brandt de zon uit een wolkenloze hemel en doet de lucht trillen boven de hete steenmassa’s, ’s nachts fonkelen myriaden sterren in een ijskoude, diepblauwe hemel.

De mensen die in dat land voor 7000 jaar leefden, noemden zich Aryers
(edelen) en het land Aryana of Iran. De belangrijkste volksstammen werden later MEDEN en PERZEN genoemd.

De Oer-Perzen waren groot van gestalte, zij hadden een blanke huid, blauwe, ogen en blond haar. Is dit juist? Zij waren verwant aan de oude Indiërs en ook aan ons. Hun taal was een zustertaal van het Sanskrit.

Het leven van de Perzen in dat verre land kostte moeite. Alles moest aan de harde bodem ontwrongen worden. Zo was de Pers op strijd ingesteld; strijd tegen het klimaat, tegen de steenachtige bodem, tegen mensen en dieren.

Zijn aard was geheel anders dan die van het rijke, weelderig begroeide Indië. Krijgshaftig was her karakter der Perzen, woest en onbuigzaam. Geduchte boogschutters en jagers waren zij. Zij doodden vele dieren, aten het vlees en kleedden zich in de huiden. Geheel bedekt met leer waren zij. Op het hoofd droegen zij een leren kap of puntmuts. De woningen der Oer-Perzen waren van steen. Soms waren het huizen die geheel en al ïn de rotswanden uitgehakt waren. Vensters ontbraken geheel en al. Een enkel gat gaf toegang tot de woning. Meestal waren deze woningen gelegen aan bergbeekjes.

Bij dit woeste volk verscheen een wijze, gezonden door de Manu.(?)  Hij heette ZARATHUSTRA of “Goud Ster”. Hij bracht de Perzen een nieuwe leer, die veel later in de heilige boeken van de ZEND-AVESTA is opgetekend.
In de zielen van dit volk, zo ontembaar en wild, bracht hij de impuls tot reinheid in daad, woord en gedachte.

Onder invloed van de grote Zarathustra (en zijn opvolgers, die ook Zarathustra heetten, werden de Perzen een cultuurvolk.

De leiding van deze cultuur ging later over op koningen, bijgestaan door magiërs(priesters).

De Perzen beleefden de wereld in tegenstellingen: brandende hitte tegenover felle koude; heldere dag tegenover zwarte nacht; verblindend licht tegenover duisternis; hemel tegenover aarde. Deze tweeledigheid kreeg in de leer van Zarathustra een verheven vorm.

In den beginne waren er twaalf Amshaspands of Wereldgeesten. Zij stonden onder leiding van twee broedergoden:

AHURA MAZDA (=de grote zonneglans ) en ANGRAMANIJU (de erge boze).

Ahura Mazda of Ormuzd wilde de wereld verder scheppen en zeven Amshaspands volgden hem. Angramaniju en vijf duistere Amshaspands wilden niet meewerken en worden zo tot boze d.i. tegenwerkende wezens.

De duistere Angramaniju of AHRIMAN kon niets tegenover de schepping van Ormuzd stellen en ging toen de wereld vergiftigen en bederven. Ahura Mazda had op aarde ook de mens geschapen en de mens riep hij op als medestrijder om het licht te doen zegevieren.

Veltman blz. 35

De mens was echter in zijn ziel vergiftigd door Ahriman, die angst, twijfel en leugen als gaven aan de mens had gebracht. Zarathustra leerde, dat de mens, die zich reinigde van boosheid, leugen en onzuiverheid het lichtrijk voor Ormuzd vergroten kon. Wie waarheid sprak, het goede deed en dacht, heroverde zijn ziel op Ahriman en stelde haar opnieuw open voor Ormuzd’s lichtkracht. Niet alleen de mens was bedorven door Ahriman’s duistere werk, maar ook de natuur: Planten waren gaan woekeren, dieren waren wild,v erscheurend of giftig geworden.
Wie de natuur haar gang liet gaan, liet haar over aan de klauwen van Ahriman. Daarom leerde Zarathustra de Perzen, dat zij de natuur ook op Ahriman konden veroveren. Hij schonk aan de eerste koning Djemshid een gouden dolk van Ormuzd. De Perzen leerden met de dolk de aarde open te scheuren, daarna te zaaien, planten te kweken en de soorten te veredelen. Wilde dieren moesten getemd en tot huisdieren worden gemaakt. Het water van de bergriviertjes moest over de akkers worden geleid om de aarde vruchtbaar te maken. Zo werden de Perzen tot landbouwers en zij kregen de aarde lief. Arbeid was tevens godsdienst. Zij wonnen melk, wol, leer en trekkracht, brood en vele veldvruchten. Hun werk was echter niet voor eigen nut, maar in hoofdzaak bedoeld als deel van de strijd voor Ormuzd tegen Ahriman. Hun arbeid moest de aarde terugwinnen uit de macht der duisternis. De Perzische landbouw en veeteelt is van grote betekenis geweest voor de gehele ontwikkeling van de gehele mensheid. De Perzen kweekten onder leiding van hun priesters granen (tarwe, rogge, gerst, spelt uit wilde grassoorten. Onze groenten, zoals sla, kool, uien, peterselie, prei, asperges zijn oorspronkelijk uit Perzië afkomstig, evenals vele vruchten. Appel, peer, abrikoos, pruim en kers zijn Perzisch van oorsprong. De Perzik bewaart de herinnering aan deze oorsprong zelfs in zijn naam.
Vele bloemen, zoaJs lelie, hyacint en roos werden in Perzië voor ’t eerst gekweekt. Paard, rund, schaap, geit, hond, kat, kippen en andere huisdieren werden gefokt uit wilde diersoorten.
Delen van Iran werden langzamerhand herschapen in bloeiende tuinen. Zo machtig werkte Zarathustra’s woord na. De Perzen bleven vóór alles naar waarheid en reinheid streven. De goden vereerden zij door op de bergen grote vuren te branden. Het vuur was heilig en reinigde de wereld.

De Perzen konden hun doden niet toevertrouwen aan aarde, water of vuur. Het lijk behoorde toe aan Ahriman en de zuivere elementen mochten niet besmet worden. Men legde de doden op hoge rotsen of torens neer.

In later tijd wilden dè Perzen het licht van Zarathustra ook onder andere volken brengen. Daarom stichten zij een wereldrijk. Tegen de boze Turaniërs in de vlakten, noordelijk van Iran, voerden zij een lange en heldhaftige strijd; de heldendaden der Perzen zijn later in het koningsboek (SHAM-NAMEH) van FIRDUSI in schone verzen neergeschreven.

In de 6e eeuw voor Christus stichtten de Perzen onder koning KURUSH (CYRUS) een wereldrijk. Deze koning veroverde Babylon en bevrijdde de Joden, die daar in ballingschap zuchtten.

Veltman blz.35

(HET HOOGLAND VAN IRAN.) (voor de leerkracht)

De perzische cultuur staat in het teken van de Tweelingen. Het typische van het tweelingteken is, dat zij elkaar kruiselings vasthouden en dat één kind licht en het andere donker is. Het grandioze van de wereldbeschouwing van Zarathustra bestaat wel hierin, dat in zijn leer de oorsprong van het Boze (terugblijven van dat oorspronkelijk goed was) zo duidelijk is aangegeven. Ahriman is de broeder van Ormuzd. Hij blijft achter in de ontwikkeling en wordt zo tot een macht, die alles vergiftigt en de mensen tot leugen verleidt.

Dr. Steiner geeft aan hoe de oer-Perzen het astrale lichaam tot ontwikkeling moesten brengen. Vandaar hun ongebreidelde woeste hartstochten, waarin de machtige roep om zuivering en reinheid van Zarathustra gaat weerklinken als een muziek, die de wilde dieren tot bedaren brengt. De Turaniërs, nakomelingen van de Atlantische oer-Turaniërs, maken de ontwikkeling niet mee. Zij blijven woeste jagers (recht onder het Tweelingenteken staat de Schutter!) en werden door de Perzen beleefd als een typisch Ahrimanisch volk, waarmee zij een heilige strijd te voeren hebben. Alles wat de Atlantische impulsen wil vasthouden, werkt storend op de nieuwe cultuurontwikkeling. Men denke aan de verwoestende aanvallen der Hunnen onder Attilla, der Mongolen onder Djengis Khan en die der Turko-Tartaren onder Timur-Lenk! Het duistere Turan roert zich nog steeds in de ontwikkeling der mensheid!

UIT DE ZEND-AVESTA

LUISTER NIET NAAR DE LEUGENAAR!
HUIS EN HOF, LAND EN WERELD
ZAL HIJ VERDERVEN!
O, WEER U TEGEN SLECHTE GEDACHTEN.

EENS SPATTE ‘T VUUR
NAAR ALLE KANTEN,
MAAR EENS ZAL’T AL
EEN VUURVLAM ZIJN…….

GA GENE WEG
OF DEZE WEG,
WEES ROOK OF VLAM!
LAAT U VERDRUKKEN
IN DE STIKWALM
OF LAAT U LAAIEND
NAAR BOVEN STUWEN

DE KEUS IS U!

GEBED

IK STEL MIJ OPEN
VOOR ELKE REINE GEDACHTE,
VOOR ELK EDEL WOORD,
VOOR ELKE EDELE DAAD.

IK WEER GEHEEL
ELKE BOZE GEDACHTE,
ELK SLECHT WOORD,
ELKE SLECHTE DAAD.

ALLES WAT MENS HEET,
REIN IN GEDACHTEN,
REIN IN WOORDEN,
REIN IN DADEN,
ZAL IN HEMELSE GLANS WANDELEN OP AARDE.

U ERKEN IK, HEILIGE AHURA MAZDA.
O, KOM OP UIT DE NACHT, TREED UIT HET DUISTER
IN HET LICHT.
EN GIJ, WORDT WARM, VERSTEENDE HARTEN!
MIJN WOORDEN ZWIJGEN: HEILIGE STILTE HEERST…..
DE WAARHEID STROOMT DE WERELD IN,
DE ZON BUIGT NEER TOT IEDER WEZEN.
SCHENK OOGST EN WASDOM, O, AHURA!

Uit de Avesta
          Vendidad  (Farkant III).

“Schepper van de Aarde-Wereld, Reine Geest!
Hoe groeit de Reinheid volgens Uw Wet?”
Toen antwoordde Ahura Mazda:
“Wanneer men ijverig graan verbouwt,- …….
O,heilige Zarathustra!
Wie de vruchten des velds kweekt,
Hij bevordert de Reinheid
Evenals met 100, met 1000, met 10.000 gebeden!
Wanneer er vruchten komen, sissen de deva’s
Wanneer  het graan opkomt, hoesten de deva’s
Wanneer de halmen groeien, huilen de deva’s
Wanneer er dikke aren zijn, vluchten de deva’s.
Zij vluchten ter helle als gesmolten ijzer…..”

De belangrijkste Perzische gebeden: Ashem Vohu en Ahuna Vairya werden evenveel gebeden als Paternosters en Avemaria’s.

Men begon bij het opstaan 5 Ashem-Vohu’s op te zeggen.

Ashem Vohu

Reinheid is het hoogste goed
Zegen Is het. Gezegend hij
Die steeds naar hoogste Reinheid streeft.

Ashem Vohû Vahistem Asti
Usta Asti, Usta Ahmâi
Hyat Ashai
Vahistâi Ashem.

Yatha Ahu Vairya
                (Ahuna Vairya of Honover)

Naar ’s Heren wil doet hij
Die uit Reinheid handelt.
De gaven van de Goede Geest.
Geworden hem voor daden die
Hij voor Ahura Op aard’ volbrengt.
Wie Armen steun verleent,
Vermeerdert Mazda’s Lichtrijk.

Veltman blz. 13

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: Perzië

5e klas: alle artikelen

879

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (23)

.

DE AARTSENGEL MICHAËL

Elk jaar weer, in het begin van de herfsttijd, vieren wij op school het feest ter ere van de aartsengel Michaël.

Wat is dit voor een feest, dat onder de traditionele christelijke feesten niet wordt gevonden? En bovenal: wie of wat is Michaël?

De overleveringen geven ons twee beelden. Het ene is dat van Michaël, die Lucifer uit de hemel stoot. Het andere is dat van Michaël als drakendoder, op vele oude schilderingen staat hij afgebeeld als een strijdbare figuur, in blinkend harnas ge­stoken, met zwaard of lans; de draak ligt doorstoken ter aarde.
Aan deze twee beelden kunnen we proberen een gevoel te ontwikkelen voor wat het we­zen van Michaël ons wil zeggen.

Maar met onze gebruikelijke wijze van denken en voorstellen stuiten we direct op problemen. Wat moet ik denken, wat moet ik me voorstellen bij het begrip “aartsengel”? We leven immers in een tijd waarin we gewend zijn alleen dat voor waar te houden, wat zichtbaar en vooral ook tastbaar is. Wij erkennen in het algemeen al­leen datgene als werkelijk, dat los van onze eigen persoon ook voor alle andere men­sen op gelijke wijze waarneembaar is. Van andere, bijv. religieuze zaken, maakt ie­der zich zijn eigen voorstellingen, die voor iedereen weer anders kunnen zijn; het behoort tot je privé-leven wat je daarmee doet.

Omdat we echter niet meer gewoon zijn een niet-materiële, geestelijke wereld te er­varen en aanvaarden, verliezen we het begrip voor de ware aard van bijv. een aarts­engelwezen. En als er dan toch over zo’n bovenmenselijk geesteswezen wordt gespro­ken, maken we ons er onwillekeurig een “menselijke” voorstelling van: Michaël als een gevleugelde jonge ridder. Zo vinden we hem terug op de vele schilderingen. Maar, deze “vermenselijkte” beelden ontstonden in een tijd, waarin de mensen zich nog nauw verbonden voelden met bovenzinnelijke, niet materieel waarneembare krachten en mach­ten. Achter de menselijke afbeelding van Michaël beleefde men nog diens onzichtbare, hogere wezen.

Is dat voor ons in 1973 ook nog mogelijk, het ervaren van bovenzinnelijke krachten en machten? Hebben die ooit bestaan? Bij de (historische) beschouwingen over de mensheidsontwikkeling gaat men er meestal eenvoudigweg van uit dat de mensen in vroegere tijden op dezelfde manier dachten en voelden als wij tegenwoordig: alleen in een veel minder ontwikkelde en gerijpte vorm. Men verklaart ontstaan en inhoud van de religies en wereldbeschouwingen veelal uit dit nog ongerijpte denken. Er wordt gewoon aangenomen dat de mensen vroeger in hun onwetendheid op fantasievolle wijze allerlei religieus getinte hulpvoorstellingen “bedachten” om  de verschijnse­len om hen heen te kunnen begrijpen, Verschijnselen, die wij nu met onze moderne natuurwetenschappen pas echt menen te kunnen verklaren.

Als je er zo over denkt is een aartsengel Michaël in feite niet veel meer dan een mooi plaatje, een interessante hulpvoorstelling uit het nog “weinig verstandige” denken van vroeger. En zeker niet iemand ter ere van wie je een feest zou moeten houden.
Maar ik wil U nu vragen met mij mee te gaan in een geheel andere gedachtegang, die dit alles in een totaal ander licht zal plaatsen. Deze zienswijze gaat ervan uit, dat alles wat de mensen vroeger als levende werkelijkheid ervoeren, ook werkelijk­heid was en zelfs nog is; dat de verschillende opvattingen door de tijden heen niet berusten op “minder verstandig” (vroeger) of “verstandig” (nu); maar dat deze ver­schillen in inzicht berusten op een veranderend bewustzijn, met steeds andere en nieuwe vermogens.

Ter illustratie hiervan twee voorbeelden: in het oude Indië beleefde de mens zich als geheel ingebed in de godenwereld, de aardse materie was voor hem niets anders dan een dunne sluier van illusies (Maya) waarachter de ware werkelijkheid van de geestelijke wereld zich bevond; nú is God dood verklaard en onze enige werkelijkheid is datgene wat we kunnen meten, tellen en wegen. De oude Indiërs “onwetend en bijge­lovig” en wij eindelijk “verstandig”? Nee, zowel de geestelijke wereld van de oude Indiër als de materiële wereld van ons zijn reëel. De grote culturen laten door­gaans slechts een eenzijdig onderdeel van het ware beeld zien, maar daardoor zijn ze nog niet onwaar.

Laten we dit nog wat verder uitdiepen om tot het eerste beeld van Michaël te komen. In oude tijden liep de mens nog aan de hand van de goden. Zelfstandig denken en han­delen, zoals nu, kon hij niet. Hij stond daarentegen, op dromerig helderziende wijze, geheel open voor de goddelijke raadsbesluiten, die hij gewillig en onvoorwaardelijk uitvoerde. Hoe is het anders te begrijpen, dat bijv. de Perzen 6000 j. v. Chr. in staat waren wilde grassen te veredelen tot kostbaar broodgraan? Iets wat de huidige geleerden met al hun kennis niet kunnen herhalen!

De goden bestonden niet alleen in de fantasie. Het waren krachten; zulke reële krach­ten dat de mensen er in hun (nog zeer onbewuste) dadenleven ook daadwerkelijk door geleid konden worden.

De goede goden hadden echter ook hun tegenmachten. Eén van die tegenmachten, voorge­steld als Lucifer, wilde zich meester maken van deze goddelijk-geestelijke denk­krachten om de mensheid op dwaalwegen te kunnen leiden. Lucifer, letterlijk licht­drager, streefde ernaar de mens een volledig kosmisch bewustzijn te geven, d.w.z. kennis en inzicht aangaande de diepste oer-gronden van het zijn. Maar als de mens­heid hier reeds zeer vroegtijdig mee in aanraking gekomen zou zijn, dan zouden wij onze lange en moeizame ontwikkelingsgang door het leven met en in de aardematerie voortijdig hebben verzaakt. Het is onze opgave door vele levens heen met behulp van de aardematerie tot zelfstandige, ik-bewuste mensen te worden. Want wij hebben ons individuele ik-bewustzijn, zoals we dat nu kennen, uitsluitend kunnen ontwikkelen dankzij het feit dat we de geestelijke wereld steeds verder de rug toekeerden en ons steeds diepgaander met de materie hebben verbonden. Waren we geheel in de goddelijk-geestelijke werelden gebleven met ons bewustzijn, dan was dat onscherp en dromend gebleven. We zouden onze persoonlijkheidskern voortdurend verliezen aan al het overweldigend geestelijke gebeuren om ons heen.

In de gang door de materie zijn we tot onszelf gekomen. Door de sterke gebondenheid aan ons lichaam kunnen we onszelf beleven tegenover iets:  ik denk wat ik denk en ik denk dat God niet bestaat. Een uiterst belangrijke stap in onze ontwikkeling tot in­dividualiteit en zelfstandigheid.

Duswat Lucifer wilde, was te vroeg. Eerst moest de mens zich nog diepgaander met de aarde verbinden. En om deze weg open te houden, greep Michaël, de beheerder van het zuivere kosmische denken, krachtig in en verdreef Lucifer uit de hemel. Een volgende stap in deze ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid vinden we dan in het beeld van Michaël met de draak. Rudolf Steiner wijst erop hoe in de 15e eeuw een geheel nieuwe bewustzijnsfase ontstaat. De tijd van Kopernikus en Galileï breekt aan. Het natuurwetenschappelijk denken, dat alles materiëel-mechanisch tracht te verklaren, komt zeer snel op. De mens wordt hierdoor steeds meer tot een zelfstan­dig wezen, dat zelf wil gaan uitmaken wat goed voor hem is. Een geweldige denkkracht leeft in ons op; uitvindingen, ontdekkingen, nieuwe staatsvormen, een enorme drang alle uithoeken van de wereld te ontdekken en te veroveren.

Wat is er gebeurd, zo plotseling? Michaël heeft de kosmische denkkracht aan de men­sen op aarde afgestaan op het moment dat zij daar rijp voor waren. Niet langer lopen we volgzaam aan het handje van de voor ons denkende en beslissende goden. De denkkracht is nu in ons, binnen het fysieke voertuig van onze lichamelijkheid. En weer dreigt een gevaar. Een andere tegenmacht treedt op: die van de duisternis, de “donkere draak”, in het Perzisch aangeduid als “Ahriman.” De Ahrimanische macht wil deze van oorsprong kosmische denkkracht geheel in dienst stellen van de materie en ons denken uitsluitend richten op het tastbare en meetbare. Deze macht is de ei­genlijke inspirator van ons materialisme, dat het besef van en de omgang met de geestelijke wereld totaal tracht uit te roeien.

Toch hebben wij ook veel aan Ahriman te danken: zijn heerschappij bracht ons een grandioze techniek en een hoge mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de natuur. Maar de Ahrimanische machten willen meer. Zoals Lucifer ons van de aarde wil wegvoeren, in de onbewuste en onvrije geestelijke ‘zaligheid’ ( in drugs), zo wil Ahriman ons juist voorgoed aan de aardse materie vast kluisteren. Hij wil ons geheel afsnoeren van elke band, hoe teer ook, die we nog hebben met de hogere werelden. En daarmee dreigt hij ons af te snijden van de ware bron van al het leven. Daarom kan ons moderne denken zo kil, bloedeloos en onpersoonlijk, zo “Ahrimanisch” zijn, We drei­gen onze ontwakende vrijheid weer hard te verliezen. Maar ook hier levert Michaël een verbeten strijd.

De strijd van Michaël tegen de Ahrimanische drakenmachten speelt zich af in onze ei­gen ziel. Wij mensen moeten het uiteindelijk zelf doen. Michaël is sterk afhankelijk van het bewustzijn dat wij voor dit gevecht der goden opbrengen én van onze bereid­heid de draak ook in onszelf op te sporen en hem daar te bestrijden. Met de restan­ten van ons vrije, nog niet verahrimaniseerde denken kan ieder, die dat wil, de rea­liteit van de Michaëlkracht ervaren. Zonder de hulp van Michaël is onze strijd ver­loren, want onze wil is reeds te zeer verzwakt door onze verslaving aan het puur materiële bestaan.

En toch zal Michaël niet zomaar ingrijpen; onze nieuw verworven vrijheid wordt door hem geëerbiedigd als een kostbaar goed. Michaël dringt ons niets op, hij wacht af tot wij ons uit eigen inzicht en vrije wil tot hem wenden. Pas dan doorvlamt Michaël ons in onze wil en doet hij een vuur ontbranden dat ons de kracht en het enthousiasme schenkt waarmee we ons weer een levend denken kunnen veroveren: op de drakenmacht van het abstracte intellect.

Misschien kunnen we nu inzien waarom het van zo’n grote betekenis is het aartsengel­wezen Michaël in zijn volle geestelijke werkelijkheid te leren begrijpen, juist in onze tijd. Steeds verder gaat de mechanisering van de samenleving èn steeds meer wordt de levende mens gezien als een hoopje moleculen zonder geestelijke achtergrond. In dit licht staat ons streven naar een Michaëlfeest. Een feest dat vraagt om leven­de krachten voor onze stervende cultuur.

In de herfst verdorren de bladeren, ze worden hard en materieel; maar ook vlammen ze fel gekleurd op, als in innerlijke gloed en vastberadenheid. De plantenwereld legt zijn zaden in de aarde: het beeld van materiesamentrekking: binnenin ontstaat de vuurkracht die het door de duistere winter heenvoert tot kiem van een nieuw leven.

 (Maarten Ploeger, vrijeschool Amsterdam, nadere gegevens onbekend)

 

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

271-256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (4)

.

MICHAËLVIERING

                                                                                                  

Omwille van enthousiasme en moed

Michaëlsdag op 29 september is als kerkelij­ke feestdag heel oud maar in de meeste stre­ken niet meer dan een van de vele gedenkda­gen van de kalender. Er zijn enkele streken in Europa waar de verering van Michaël meer op de voorgrond getreden is, bijvoor­beeld Bretagne, Normandië en Ierland, maar ook de Monte Gargano in Italië. Daarnaast zijn in grote delen van Europa in vele romaanse kerken Michaëlkapellen geweest. Ze waren in het westelijke deel van de kerk tegenover het altaar.

Het hoogtepunt van alle Michaëlvereringen ligt tussen de dertiende en vijftiende eeuw, dus in de tijd dat in Europa een nieuw be­wustzijn begon te ontstaan, waarin de ridder­cultuur met grote landgoederen plaats maak­te voor de stadscultuur van de burgerij, waarin de theologie het veld begon te ruimen voor de natuurwetenschappen, waarin het innerlijk oog, gericht op het zielenleven en zielenheil zich metamorfoseerde tot het uiter­lijke waarnemen, gericht op de wereld en op de stoffelijke welvaart.
Michaël werd vereerd toen de mens begon te ontwaken tot een zelfstandig wezen met eigen verantwoorde­lijkheid en eigen denken. Michaël is in die tijd vooral de strijder tegen de draak en degene die de zielen weegt na de dood en bij het laatste oordeel. Men kan vermoeden dat de mensenzielen de gevaren van de komende tijd beleefden en die gestal­te gaven in de draak, waarbij de ernst van de strijd met de macht van Het boze zijn uit­drukking vond in de weegschaal. Vaak zien we afbeeldingen waarop de duivel de ene schaal naar beneden trekt.

In de late middeleeuwen verdwijnt de Michaëlverering, al blijft ze in bepaalde streken fragmentarisch bestaan met behulp van oude legenden. Daar wordt het een traditie waar­aan niets nieuws wordt toegevoegd, maar die wel leeft.

Pas in de twintigste eeuw wordt Michaël weer belangrijk in de antroposofie. Het is eigenlijk pas in de laatste jaren van zijn leven dat Rudolf Steiner uitvoerig over Michaël spreekt. Hij zei daarbij dat wij nog aan het begin staan van de viering van het Michaëlsfeest.

De Christengemeenschap ontvangt in die tijd het Michaëlsepistel (gebeden aan het begin en het einde van de Mensenwijdingsdienst en een invoegsel na het credo). In de Vrije Scholen krijgt het Michaëlsfeest hetzelfde accent als Kerstmis, Pasen en Pinksteren en wordt zelfs vaak als het bijzondere feest van het jaar gevierd.

Wat is er gebeurd? Ik heb het vermoeden dat, wat er eigenlijk gebeurt in de wereld, voor ons bewustzijn slechts langzaam duide­lijk wordt, dat wil zeggen dat we nu pas, na meer dan een halve eeuw beginnen te begrij­pen waarom de verering van Michaël zo centraal kwam te staan bij Steiner. Als men terugblikt kan men tot het volgen­de komen.
In dezelfde tijd dat Steiner uit­voeriger over Michaël en de met hem
ver­bonden mensenzielen gaat spreken, komen vele jonge mensen naar hem toe. Drie ken­merken kon men aan hen waarnemen. Ze werden niet in de eerste plaats gedreven door behoefte aan inzicht, maar ze wilden iets doen. Het waren degenen die later art­sen, priesters, landbouwers, (heil)-pedagogen werden. Alleen wanneer men deze beschrij­ving niet eenzijdig als definitie vastnagelt, kan men het zo uitdrukken. Natuurlijk zochten ze ook inzicht voor hun doen. Hun tweede kenmerk was dat ze tot Steiner en tot elkaar kwamen door een innerlijke drang die uit het voorgeboortelijke leven kwam. Het derde kenmerk was de sterke drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring.

De toen oudere generatie zocht boven alles inzicht in wat de meester kon meedelen over de hogere werelden. Bij de jongere generatie ging het om eigen ervaring. Ook dit moet men niet weer eenzijdig in een schema wringen. Het gaat meer om tendenties in een bepaalde richting.

Wanneer we nu onze eigen tijd bezien (meer dan een halve eeuw later), bemerken we dat de behoefte aan daden alleen maar is toege­nomen en vooral aan daden die op de toe­komst zijn gericht. Toegenomen is ook het vertrouwen op de innerlijke drang. Voor veel jonge mensen is het nu vanzelfsprekend dat ze impulsen hebben meegenomen uit het voorgeboortelijke en uit vroegere levens. Ook is de drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring niet meer weg te denken uit onze cultuur.

Er komt dus een beeld te voorschijn van dat­gene wat de geestesstroming wilde die omstreeks 1920 opdook. Men kan trachten dat een naam te geven; men kan ook de beschrij­ving als zodanig laten staan. In de beschreven verschijnselen is een duide­lijke lijn zichtbaar, waardoor men zich een beeld kan vormen van de metamorfose die Michaël in zijn werken doormaakt. Aan een duidelijke lijn in een biografie leert men de individualiteit, het Ik van een mens kennen. Aan een duidelijke lijn in een tijdperk kan men de individualiteit leren kennen die in dat tijdperk leeft, de geest van die tijd. Die kan men met de oude naam Michaël aandui­den.

De middeleeuwse legenden geven een be­paald beeld van Michaël. Ze verbinden hem als strijder met de draak, als rechter met de weegschaal. Als we de fenomenen van onze tijd nog wat nader bezien kunnen we mis­schien inzicht krijgen in het wezen van Michaël.

Inzicht is gericht op het verleden. Wat voor­bij is kunnen we overdenken. Maar we kunnen ook zo leren denken dat we ideeën ont­wikkelen voor wat er nog niet geweest is.

Daarvoor is kennis van het gewordene nood­zakelijk. In onze cultuur zijn vooral sinds het einde van de negentiende eeuw enorm veel nieuwe ideeën ontwikkeld. Daaruit is onze industrie ontstaan, ons verkeer, onze productie en onze technische communicatie. Wat verloren ging is ons werk en ons werkelijk communiceren met elkaar. Nu wordt er verlangd naar werk waarmee we ons menselijk kunnen verbinden. Ook het vormen van gemeenschappen, waar de mens de andere mens kan ontmoeten en waarin hij een echte communicatie kan hebben wordt van levensbelang. Het mislukken van vele kleine pogingen tot gemeenschapsvorming en kleinschalig werk heeft een heel tragische kant. Het is daarbij duidelijk dat bewust­zijnsvorming nodig is. Wat hierboven als eerste en tweede kenmerk is genoemd van de jongeren van de jaren twintig vraagt in onze tijd versterking door het denken. Het is waar dat iets goeds in de wereld alleen tot stand kan komen als de drang ertoe uit diepe ondergronden van ons wezen komt en niet uit nuttigheidsoverwegingen van het ver­stand. Maar het is wel nodig dat in een wak­ker bewustzijn overzien wordt wat er diep in ons leeft, opdat we dat die vorm kunnen geven die echt vruchtbaar is. Maar wat is dat anders dan inzicht zoeken in het bovenzinnelijke? De wereld waaruit onze impulsen komen, is die van het onderbewus­te, maar deze uitdrukking zegt alleen iets over ons bewustzijn en niets over die impul­sen zelf. Die impulsen ontstaan in ons leven als individualiteit voor onze geboorte en dat is een hogere wereld, geen lagere.

Hier loeren echter ook de gevaren en wel van twee kanten. We kunnen ons in een verheven stemming heel gemakkelijk illusies maken en voor een hogere wereld houden wat alleen maar in onze wensen leeft. Dat is het gevaar van Lucifer, de verleider. Aan de andere kant ligt de zorg op de loer, in de vorm van de vraag of het wel zal kunnen, of de praktijk van het leven zich niet verzet tegen onze goede impulsen, de vraag of ‘de mensen’ er wel aan toe zijn, enzovoort. Hier horen ook onze eigen egoïsmen thuis, of we onze eigen levensbehoeften of wat we daarvoor houden, wel zullen kunnen vervullen. In de vraag of het wel mogelijk is dat een mens echt toe­gang krijgt tot een geestelijke wereld, ligt Ahriman op de loer.

In de beelden van de middeleeuwen werden deze verleidende machten van Ahriman en Lucifer samengevat als de Draak. Deze draak moet duidelijk gezien worden. Anders jaagt hij ons angst aan. Maar onze tijd vraagt niet alleen duidelijk zien. Ze vraagt voor alles moed, moed om te strijden. Daarom worden de zielen gewogen. Ze kunnen te licht zijn of te zwaar, illusionair of overmoedig zijn, maar ook te zorgelijk en te bang, of te veel aan de welvaart gehecht, aan onze zogenaamde behoeften.

Hoe verkrijgen we de moed? Die is niet altijd aangeboren maar kan wel geoefend worden. De kracht die moed wekt is het enthousias­me. Dit woord betekent: doordrongen zijn van het goddelijke, ook wel het in God zijn. Het is het goddelijke in ons dat de moed te voorschijn roept. Als we ons slechts op de uiterlijkheid van de wereld richten kan deze ons alleen maar verlammen. De blik wil weer gericht worden op een hogere wereld die niet alleen in de geestelijke wereld maar ook op aarde te vinden is. Het is die hogere wereld die Rudolf Steiner bekend maakte in een taal die onze tijd kan verstaan en die gevonden kan worden door mensen die durven te vertrouwen op hun diepere impulsen, die ze willen voeden door inzicht, werkelijke religie en kunst. De naam van Michaël betekent: Wie is als God? Vroeger werd dat vaak beleefd als een waarschuwing tegen hoogmoed. Nu klinkt die naam als een roep: wie durft het aan God in zich te beleven en dienovereenkomstig te leren handelen?

Michael  5

 

(Jacobus Knijpenga, Jonas nr. 2, 18-09-1981)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

250-235

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.