Tagarchief: wakker

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (44)

.

Hieronder volgt een artikel van Ita Wegman. Zij werkte samen met Rudolf Steiner op het gebied van de geneeskunst.
Het verscheen in het blad ‘Natura’ – tijdschrift voor verbreding van  de geneeskunst door geesteswetenschappelijke menskunde – in 1926.
.

Beschouwingen over inwendige processen in de mens in samenhang met de herfsttijd- de michaëlstijd

In een belangrijke voordracht over Michaël, in oktober 1923 [1] in Dornach gehouden, sprak Rudolf Steiner over de betekenis van de werking van de aartsengel Michaël in het leven van de mens en in de cultuur- en wereldontwikkeling. Hij gaf de volle werking van Michaël in de volgende spreuk samengevat weer in woorden die vanuit hoge geestelijke regionen stammen en in het astraallicht van het wereldal geschreven, te vinden zijn:

O mens,
je geeft het vorm ten eigen bate,
je maakt het naar zijn stoffelijke waarde
in vele werken zichtbaar.
Het zal je pas tot zegen zijn,
wanneer zich aan jou openbaart
zijn hoog verheven geestesmacht. [2]
.

O Mensch
Du bildest es zu deinem Dienste
Du offenbarst es seinem Stoffeswwerte nach
In vielen deiner Werke.
Es wird dir Heil jedoch erst sein,
Wenn dir sich offenbart
Seines Geistes Hochgewalt

En het is een innerlijke noodzaak, nu in de michaëltijd, ernaar te streven wat in deze tijd, tegen de herfst-michaëltijd in het wereldal als macrokosmos en in de mens als microkosmos gebeurt, te begrijpen en te beleven. Hiermee bezig te zijn is de opgave van iedereen die aan de geestelijke cultuur van onze tijd deel wil hebben, waarin Michaël de leiding heeft en aan de mens zijn impulsen wil schenken.
Michaël goed begrijpen zal ook voor hen van een ongekende waarde zijn die zich met de raadsels van de genezing uiteen zetten en die de kennis over de genezende werking in de mens serieus nemen. Zo moeten wij onszelf afvragen wat het is waarover wordt gezegd dat het in de stof zichtbaar wordt voor het nut van de mens, wat voor de mens echter pas een zegen is wanneer hij het in zijn geestelijke kwaliteit kent.

Wanneer het ons duidelijk wordt hoe de huidige cultuur zich aan ons vertoont in haar recente ontwikkeling, dan gaat het om de stoffelijkheid, de materie – zij beheersen de interesse van de mens. We leven in een cultuur die slechts het zichtbaar-stoffelijke als realiteit erkent, waarin de mens al zijn energie, al zijn inspanningen en heel zijn denkvermogen inzet om de aardse materie te bedwingen en nuttig te maken.
De geestelijke kant van de materie heeft niet meer de betekenis voor het huidige bewustzijn zoals dat in vroegere tijden, in vroegere culturen wel het geval was. En we leven in een tijd van machines waarin de mens los geraakt van alle spiritualiteit de materie bewerkt en dienstbaar wil maken aan zijn aardse behoeften. Met name de machines en hetgeen ermee samenhangt is een wezenlijke cultuurfactor en dat brengt ons bij het ijzer dat ons ten dienste staat en dat als stof zichtbaar wordt in wat we maken.
Dit zich in de materie verdiepen, dit zich met de materie verbinden en deze te gebruiken voor eigen doeleinden, was voor de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk. Maar nu bevinden we ons in het heden wel op een tijdstip waarop de mens met waardering voor de resultaten van deze materialistische zienswijze ertoe moet komen, de geest die achter de materie werkzaam is, weer te begrijpen en te beleven. Zou hem niet lukken zich opnieuw te verbinden met deze geest, dan zou hij meegezogen worden in de ban van de door hem zelf ont-geestelijkte wereld, waarin de ahrimanische wezens steeds meer aan kracht kunnen winnen.
Aan dit gevaar ontkomt de mens, wanneer hij in staat is zich eerst weer open te stellen voor de taak die Michaël in de ontwikkeling van de mensheid heeft. Dan leert hij weer begrijpen hoe het geestelijker worden van onze cultuur met de werkzaamheid van Michaël samenhangt. Hij zal leren ervaren hoe het ijzer waarmee de huidige beschaving de werktuigen maakt, van hetzelfde materiaal is als het meteoorijzer dat uit de sterrenwereld naar beneden komt.
Deze tot ijzer verdichte substantie is vanuit een geestelijk standpunt bezien die kracht die in de kosmos tot het zwaard wordt gevormd dat Michaël gebruikt en waarmee hij de strijdt aangaat tegen het materialisme dat in de vorm van een draak de aarde en de mens in zijn macht wil krijgen.
Wat zo groots zich afspeelt als de strijd tussen de hemelsle en aardse machten in de nabijheid van de aarde, heeft ook zijn tegenbeeld in de mens als microkosmische weerspiegeling van het wereldal, van de macrokosmos.
En hoe verloopt deze strijd in de microkosmos?
Hierbij moet je leren begrijpen hoe de mens geplaatst is tussen hemel en aarde; hoe de aardse en kosmische krachten op hem inwerken en zich doen gelden. Dan wordt het duidelijk hoe je in de fysiologische proceesen van zijn organisme en de manier waarop je in denken, voelen en willen deze inwerkingen tot uitdrukking ziet komen, kan herkennen. We moeten in onszelf de fysiologische levensprocessen die zich afspelen in de benedenmens, in de hoofd- en middenmens weliswaar op driegelede manier beleven. En heeft het over een zwavelproces dat een soort verbrandingsproces is waarin de stofwisselingsprocessen en alles wat daarmee samenhangt,verlopen. Het is een proces dat op het bloeien van planten lijkt en dat tot stand komt doordat fysiek-etherische processen in wisselwerking treden met wat van uit de astrale wereld inwerkt.
Nu kan het proces van plantenbloei ook beschreven worden als een soort ontstaan van een diervormend proces dat wordt tegengehouden, omdat de astrale wereld alleen maar van buitenaf op de plant kan inwerken en niet binnen in haar tot processen komt zoals die pas te vinden zijn in het dierlijke organisme en die met zijn stofwisseling, ademhaling en bloedvorming samenhangen. En terwijl je bij de plant alleen maar kan spreken van een tenden tot dierwording, heb je in de mens deze diervormende processen zelf in al die werkingen die zich afspelen in zijn verterings- ademhalings’en bloedvormende processen waaraan het astraallijf inwendig een actief aandeel heeft. Dat deze diervormende processen in de benedenmens binnen de voor hem bestemde grensen teruggehouden worden, hebben we te danken aan het Ik dat ons verder dan het dier in het menselijke brengt. -Met zijn stofwisseling-ledematensysteem staat de mens bovendien in een sterke samenhang met de aardekrachten.
De boven mens, de zenuw-zintuigmens, daarentegen, staat in verbinding met buitenaardse krachten, met sterrenkrachten.
Maar tegelijk vinden in het zenuw-zintuigsysteem afbraakprocessen plaats die te vergelijken zijn met processen van mineraal worden, zoutvormingsprocessen in de ons omringende natuur en die in het menselijk oprganisme nodig zijn opdat de mens bewustzijn kan hebben.
Ertussen, in de midden- of ritmische mens zijn de zgn. mercuurprocessen werkzaam die in adem en bloedsomloop verlopen en met de krachten die in de omgeving van de aarde aanwezig zijn, met de licht- en luchtkrachten in verbinding staan. Ook moet het mercuriale in de mens beschouwd worden als iets wat in hem het evenwicht bewaart tussen licht en zwaarte, tussen aardse en buitenaardse invloeden.
Dit soort processen vinden  voortdurend in de mens plaats en de gezondheid van de mens is de uitdrukking van een harmonisch samengaan van deze drie processen binnenin hem. En ziekte is het gevolg als het ene of het andere van deze levensprocessen de overhand kan krijgen.
Nu worden ook deze fysiologische processen in de mens binnen het verkoop van het jaar op verschillende manieren door de verschillende jaargetijden beïnvloed. Zo komen in de winter de zoutprocessen meer op de voorgrond te staan en daarmee hangt samen een bewuster leven dat zich minder in daadkracht naar buiten manifesteert. De mens leidt een meer naar binnen gekeerd leven en hij heeft de mogelijkheid door een subtieler denken over de raadsels van het bestaan na te denken.
’s Zomers worden de zwavelprocessen sterker die hun hoogtepunt bereiken wanneer het hoogzomer is. Ook de mens voelt in zich dat de levensprocessen intenser worden, de krachten om in de buitenwereld dingen te doen aangewakkerd worden; de aardse krachten doen zich in hem meer gelden. Daarmee gaat aan de andere kant samen een doffer worden van de bewustzijnskrachten, de mens is minder helder in zijn denken wanneer de stofwisselingsprocessen overheersen en hij komt in het gevaar zich te verliezen in een droomachtige toestand.

Terwijl in de zomer zijn astraallijf door de verhevigde verbrandingsprocessen steeds stralender naar buiten toe oplicht, proberen draken- en slangenschepsels die vanuit de aarde komen zich uit te leven in deze zwavelprocessen, daarbij het bewustzijn van de mens volkomen benevelend om er bezit van te kunnen nemen.
Hier, bij dit gevaar, komen de goden de mens tegemoet, hier zenden ze hem hun helpende krachten om het bewustzijn van de mens te versterken.
Dan is daar Michaël met zijn helpers die tegen de herfst de mens te hulp komen. Door de kracht van het meteoorijzer dat in deze tijd in talloze sterrenregens aan de hemel is waar te nemen, worden de krachten van de uit de aarde opstijgende zwavelkrachten tegengewerkt. Michaël vecht met de geestelijke kracht van het ijzer tegen de draak die omhoog wil; en het ijzeren zwaard van Michaël is het dat als een gezondmakende wereldkracht de ahrimanische wezens die in de omhoogstrevende zwavelporcessen binnen willen sluipen, bestrijdt en de mens uit zijn angst en vrees bevrijdt die steeds bezit van hem nemen, wanneer zijn bewustzijn niet meer helder werken kan.
Wat gebeurt daarbij in werkelijkheid in het menselijk organisme, wanneer de strijd van Michaël met de draak zich afspeelt in de astrale wereld? Een wonderbaarlijk gecompliceerd proces speelt zich in wezen gelijktijdig af. Het bloed dat door het hele lichaam stroomt en de de rode bloedlichaampjes bevat, wordt rijkelijk voorzien van ijzerkracht. Het organisme wordt in staat gesteld meer ijzer uit het voedsel in zich op te nemen en met de bloedkleurstof, het hemaglobine te verbinden. En wat zich in de kosmos voltrekt als de meteoren als lichtende kracht uit de sterren door de wereldruimte schieten en wat verhindert dat de ahrimanische geest zich kan verheffen en groter worden – ditzelfde proces vindt in het klein plaats door het verhoogde ijzerproces in het bloed. Wanneer de geest-zielenkracht  van de mens in de herfst weer opnieuw in hem wakker geroepen wordt, is de mens in staat ook de ijzerkracht van zijn bloed dienovereenkomstig te vermeerderen en deze tegenover de zwavelkrachten te zetten die hem willen overspoelen. Het organisme wordt door de met ijzerkracht geladen rode bloedlichaampjes, alsof het van talrijke kleine meteoren wordt voorzien. Zo wordt het hele organisme met genezende kracht overstroomt en bevrijdt van alles wat hem ziek wil maken en wat als angst en vrees in hem leeft.
Deze angst en vrees wordt vaak onbewust beleefd en kan ook tot uiting komen in depressieve stemmingen of zelfs tot lichamelijke vermoeidheid en uitputting leiden, wanneer het organisme niet in staat is voor zijn eigen bescherming genoeg ijzerkracht te mobiliseren. Hier zal de arts die deze processen in de mens kent, de natuur helpend kunnen ondersteunen, wanneer hij aan zo iemand ijzer geeft.

Wat zich nu zo in het grote ritme van het jaarverloop inwendig in de menselijke organisatie afspeelt als een op- en afgaan van ziekmakende invloeden door het meebeleven van de gebeurtenissen in de hem omringende natuur, in de afwisseling van aardse en buitenaardse krachten, vindt zijn spiegelbeeld in wat aan de mens in zijn dagelijks ritme van wakker zijn en slapen waargenomen kan worden. In de slaap waarin de bewuste activiteit tot rust komt, wanneer het Ik en het astraallijf zich los hebben gemaakt, voltrekt zich een actieve opbouw vanuit het stofwisselingssysteem door het etherlijf en fysieke lichaam; terwijl in het bewuste dagleven de afbraakkrachten meer werkzaam zijn. Ook deze dagelijks zich herhalende wisselwerking van boven- en benedenprocessen in de menselijke organisatie houdt steeds een gevaar in zich, wanneer de mens niet in staat is overdag een gezond evenwicht te scheppen door die processen die met de werkzaamheid van Ik en astraallijf verbonden zijn.
Opdat dit gevaar dagelijks overwonnen kan worden heeft de mens het ijzer in zijn bloed. Zonder ijzer zou het bloed steeds ziek zijn en er vindt door het ijzer in het bloed constant, op een natuurlijke manier een wonderbaarlijk genezingsproces plaats. Door de stralende kracht van het ijzer moet de stofwisseling keer op keer binnen de gezonde grenzen teruggehouden worden en in evenwicht gehouden wat aan zwavelprocessen in het bloed doorwerkt; anders zou de mens ziek worden. En afgezien van bleekzucht, bestaan er nog andere ziekteverschijnselen die in wezen samenhangen met het feit dat het organisme niet voldoende ijzerkracht heeft om zich tegen de van de stofwisseling uitgaande ziekmakende invloeden te beschermen.
Dus wat dagelijks fysiologisch in het menselijk organisme plaats vindt, ondergaat een intensivering in de loop van de zomer naar de herfst. En de mens die in de oude tijden nog het vermogen had mee te beleven wat er in hem en om hem heen gebeurde, beleefde de michaëltijd met zijn helpende kracht als feesttijd waarin hij kon vieren zijn bevrijding door Michaël van het gevaar dat hem bedreigde door de omstrengeling van Ahriman.
Daartoe moet de mens van tegenwoordig ook weer komen. De mens zou opnieuw mee moeten kunnen beleven hoe Michaël de mens wil helpen om innerlijk vrij te worden, hem van angst en vrees te bevrijden en hoe de michaëlkrachten gezondmakende krachten zijn.
De mens moet zich vanuit zijn eigen wil weer bewust verbinden met wat in de wereldruimte en in hem zelf als michaëlkracht werkt.
Dan zal ook Michaël als leider van de tijd de mogelijkheid krijgen zich met de mens te verbinden en zijn impulsen aan de mensheid te geven.
En dan zal de tijd aanbreken waarop wij het michaëlsfeest weer in echte zin kunnen vieren.
.

Ita Wegman, in Natura nr.3 sept. 1926
.

[1] GA 223/229, blz.165
[2] Vertaald      Inkijkexemplaar

meteoorijzer

Over Ita Wegman  (zoek in fondslijst)

Van Ita Wegman: Michaël (zoek in fondslijst

.

Jaarfeesten: Michaël – alle artikelen

Een artikel met inhoud van gelijke strekking

1101

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (1-2)

 

Nog 1 jaar – in Nederland nog 5 – en er is “100 jaar vrijeschool”.

Je zou dan toch verwachten dat iedereen zo langzamerhand wel weet wat een vrijeschool is.

Lees als inleiding op onderstaand artikel hier eerst verder.

Nog een voorbeeld van ‘omwerken’ van menskundige gezichtspunten – antroposofische gezichtspunten – in pedagogisch-didactische handelingen.

Door hier opnieuw uit te gaan van één kind, schep ik wellicht onbedoeld een nieuw vooroordeel: dat het omwerken van antroposofische gezichtspunten uitsluitend geldt voor individuele gevallen.
Dat is niet zo. Zie bijv. de artikelen over leren schrijven en lezen.

Wanneer je Steiners uitspraken ter harte neemt die ik hier onder ‘wegwijzers‘ bundel, ligt het voor de hand dat ieder kind de aandacht krijgt:

[75]
De vrijeschoolpedagogie houdt rekening met de volledige mens in het kind.

[77]
Je moet niet zo zeer het idee hebben dat kinderen dit of dat moeten bereiken, maar je moet je afvragen wat kinderen kunnen bereiken op grond van hun psychologische hoedanigheid. Volledig vanuit het kind werken! 

[78]
Uitgaan van het hele kind kun je slechts tot een gewoonte maken wanneer je een goed, realistisch streven hebt het kind in  zijn verschillende verschijningsvormen te leren kennen. Ieder kind is interessant.

Laten we eens kijken naar:

GIJS                  

(niet zijn echte naam)
Gijs kwam in de kinderbespreking in klas 1.
Omdat hij na 2 jaar kleuterklas toch niet echt schoolrijp werd gevonden, bleef hij nog een jaar in de kleuterklas.
Hij was dus al een jaar ouder dan zijn klasgenoten.

In de 1e klas zou hij zich tot  een echt schoolkind moeten ontwikkelen,
wat o.a. wil zeggen dat hij interesse aan de dag legt om iets te gaan leren.
Hij toonde echter weinig initiatief tot iets. Hij deed braaf aan dingen mee, maar de leerstof tot eigen bezit maken, lukte niet.

Wanneer er een verhaal werd verteld, droomde hij heerlijk weg met de
duim in zijn mond.

Op een regenachtige middag hadden we het laatste schooluur nog wat spelletjes gedaan, waarbij sommige kinderen hun schoenen hadden uitgetrokken.

Toen we hadden opgeruimd om naar huis te gaan; ons afscheidslied
hadden gezongen en elkaar bij de deur een hand hadden gegeven ten
afscheid, had ik ook Gijs de hand gedrukt en met een “tot morgen” was
hij naar de kapstok op de gang gelopen. Ik had verder niet meer op hem gelet.

Even later stond Gijs weer voor me. “Ik heb natte voeten”.
‘Hoe komt dat dan?’
“Ik ben vergeten mijn schoenen aan te trekken.” Het was mij ook ontgaan.

Het werd me door dit voorval wel ineens duidelijker: Gijs vergeet ‘van
boven’, dat hij ‘van onder’ leeft.

TEMPERAMENT
Op grond van de begrippensleutel ‘Stärke’ – (meer of minder volhardingskracht) en ‘Erregbarkeit’ (een grote of kleine mate van ontvankelijkheid voor prikkels van buitenaf) zou zijn temperament flegmatisch genoemd kunnen worden.

Naast een individueel temperament, is er ook nog het ‘leeftijds’temperament.

Vanuit het standpunt dat bij het flegmatische temperament de levenskrachten sterk zijn, wat zich uit in slapen en groeien, is dit het temperament van de babytijd.
Dit bleek de sleutel te zijn tot een dieper begrijpen van Gijs.

GROOTHOOFDIG
Zo op het eerste gezicht zou je Gijs een groothoofdig kind kunnen
noemen, gezien zijn schedelomvang t.o.v. zijn lengte.

(Er is op een onzinnige manier kritiek geuit op dit begrip ‘schedelgrootte’.
Er werd, geheel ten onrechte, verband gelegd met ‘frenologie’, zelfs
aan de 2e wereldoorlog werd gerefereerd. Maar op bijv.
consultatiebureaus wordt het kinderhoofdje gemeten als er twijfel
bestaat of de groothoofdigheid ‘abnormaal’ is)

Tijdens het gesprek met de ouders bleek het groothoofdige voor
hen geen onbekend begrip.

De bevalling was mede door het grote hoofd van Gijs moeilijk verlopen. Hij was er, toen hij leerde lopen en daarna, vaak op gevallen.
‘Hij was een beetje topzwaar’, zei zijn moeder.

Verder bleek dat hij met zowat alles later was dan andere baby’s: zich oprichten, zitten, kruipen, lopen, spreken.
Hij had ruim 2 jaar borstvoeding gekregen. Hij werd iets te dik en zijn lengtegroei was wat achter gebleven. Hij was nauwelijks ziek geweest. Een tevreden baby, die lekker dronk en at en veel en rustig sliep.
Ook in de kleuterklas kon hij nog wel eens spontaan in slaap vallen in een knus gebouwd huisje.
Bij het spelen nam hij geen initiatieven. Hij kon ook een hele tijd alleen
in zijn eigen spel opgaan. Thuis kon hij ook tijden op een kleedje zitten
spelen, totdat hij daarbij in slaap viel.

In de ‘doe-vakken’: handwerken, blokfluiten, euritmie viel vooral op hoeveel moeite hij had met het werken met handen en voeten.

Op grond van alle waarnemingen kwamen we – wanneer een kind besproken wordt, doen alle mensen die het kind lesgeven daaraan mee en de leerkrachten die het kind geen lesgeven luisteren mee of stellen vragen -t ot de conclusie dat Gijs a.h.w. zijn babytijd verlengde tot in zijn schoolleeftijd.
Dat deed Gijs uiteraard niet zelf; dat gebeurde er met hem van nature.

We zouden het een vorm van retardatie kunnen noemen.

VERSCHILLENDE GEZICHTSPUNTEN EN AANWIJZINGEN
Rudolf Steiner geeft in de voordrachtenreeks ‘Algemene menskunde [1] een uiteenzetting over de in de mens werkzame krachten die vanuit
het hoofd ‘naar beneden’ werken en die welke vanuit de ledematen ‘naar boven’ werken.

Op zich geen gemakkelijk onderwerp.

Maar, eigen ervaringen kunnen wel bijdragen aan een beter begrijpen.

SLAAPDRONKEN
Velen van ons kennen het verschijnsel dat wanneer we ’s morgens – nog niet al te wakker- op (moeten) staan en in onze pantoffels o.i.d. willen stappen, dat we dan niet onmiddellijk met onze voet goed aanvoelen waar we deze moeten plaatsen en er – tot onze verbazing, dat wel – ‘naast’ tasten.
Het is net of we nog wat onwennig, ‘onhandig’ zijn, daar in het uiterste puntje van ons lichaam.
Of we daar eigenlijk nog een beetje slapen.
Eer we helemaal wakker zijn, kan nog even duren.

Bij Gijs leek iets soortgelijks aan de hand te zijn.

VERLENGDE BABYTIJD
Bij het babyleven horen eten en slapen. Dit laatste leek ook bij Gijs
nog, natuurlijk in afgezwakte vorm, maar toch te overmatig,  aanwezig.

Hoewel alles wat slaapt toch eens wel wakker wordt, – een uitspraak van Steiner om aan te geven dat er geen ‘luie’ kinderen zijn – hadden we bij
Gijs het gevoel dat hij ermee geholpen zou zijn, hem wakkerder te
maken.

Ook daarvoor gaf Steiner diverse aanwijzingen.

Het ligt voor de hand dat zo’n type kind iedere morgen bijtijds uit
bed moet komen. Wassen met koud water geeft een frisse, een
wakkere start van de dag. Geen pap, maar een stevige boterham met
niet al te veel zoet.

WAKKERHEID IN HAND EN VOET
Bij Gijs was duidelijk geworden dat hij nog weinig bewustzijn in
handen en voeten had.

Omdat de ledematen de instrumenten zijn waarmee we handelen,
de dingen doen – vertaald naar denken, voelen, willen: – de instrumenten
zijn van de wil, besloten we daar het accent te leggen voor de extra
hulp aan Gijs.

Dat betekende bijv. dat zijn ouders een hondje voor hem kochten,
dat hij iedere morgen, vóór schooltijd moest uitlaten. Het vroegere
opstaan kreeg daardoor zin.

Er was op het schoolplein al een hinkelbaan aangelegd. De meeste
kinderen vinden hinkelen erg leuk en ook Gijs vormde daarop geen uitzondering. Het kostte hem moeite om het steentje precies in het volgende vakje te schoppen, maar al doende zag je de vaardigheid daartoe in de voeten toenemen.

Ook het touwtje-springen pakten we voor hem extra op. De co-ordinatie arm/voet ontwikkelde zich goed.

De letters die al ontstaan waren uit de beelden, kon hij niet benoemen.

De beelden had hij wel onthouden. Ik gebruikte uit triplex gezaagde
letters, beplakt met schuurpapier die Gijs, geblinddoekt, moest betasten: vanuit het (opnieuw voor hem gebrachte) beeld, begon hij de lettervorm te herkennen die behoort bij de eerste klank van het beeld.*
(voor alle duidelijkheid : bij de ‘slang’ is de beginklank sssss   en NIET de alfabetletter ES)

Het lukte hem al vrij snel zijn eigen naam bij elkaar te voelen en ook
zonder blinddoek neer te leggen.

Ik liet hem van ieder woordje dat hij al lezen kon, de letters analyseren.

Door hem met een potlood tussen de tenen, staand op een groot vel
papier, de lettervormen te laten tekenen, leerde hij ook veel beter deze vormen met de handen te doen, kortom: het schrijven werd beter.

Bij mooi weer kon dat ook in de zandbak.

Het van ‘het geheel naar de delen’ paste ik ook toe bij het rekenen.
Het ‘waarom’ hiervan staat bij rekenen en temperamenten: ik deed
met hem  de ‘flegmatische’ oefeningen; ook bij het vormtekenen.
Ook deze weer met de tenen en in de zandbak.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN
Een andere belangrijke aanwijzing voor het ‘wakker maken’ van dromerige, slaperige kinderen, geeft Steiner wanneer hij vanuit een bepaalde optiek het ‘voelen’  bespreekt.
Voelen, tussen denken en willen, vanuit het gezichtspunt: wakker, dromen, slapen.
De wakkerheid in het denken (bewust), het ‘dromerige’ in het voelen (onderbewust); het ‘slaperige’ in het handelen, de wil (onbewust).

Wat beweeglijkheid betreft: in het denken: rust; in het voelen: ritme en in de wil: beweging, maar niet ritmisch.

RITME
Ritme is verwant aan dromerigheid. We kunnen hier denken aan het
ritmisch wiegen om een kind in slaap te krijgen; wanneer we aan iemand iets meedelen zouden we daar, zonder dat het ons stoort, bij kunnen klappen in een ritme, b.v. 1-2; 1-2. Daarvoor is nauwelijks aandacht, wakkerheid nodig.

Anders wordt het al, als we een afwijkend ritme zouden willen klappen: iets syncopisch bijv. Daarvoor moet je alerter zijn.

Daaraan kun je ervaren, dat afwijken van een ritme, wakkerheid geeft.

In het dagelijks leven wordt dit bijv. toegepast bij zwaailichten die ons op gevaar moeten wijzen.
De ‘gewone’ zwaailichten die in een soort 1-2-ritme bewegen, roepen
lang niet zo veel attentie op als de zwaailichten die na een paar maal 1-2, plotseling een vluggere flikkering tonen om weer terug te keren naar 1-2.

Door met een kind ritmen te klappen en/of te lopen, die plotseling een ritmewisseling verlangen, maak je het wakkerder.

Je klapt 1,2,3,4 (accent op 1) en bij de volgende valt het accent op 2,
dan op 3 en dan op 4.

En dan weer terug. Ook lopend kan dit: sprong, 2,3,4,–1-sprong,
3, 4; 1-2-sprong, 4 en 1,2,3, sprong.

Deze reeks achteruit lopen maakt nog wakkerder.

Er stonden ons nog meer hulpmiddelen ten dienste, maar dit artikel zou te lang worden, ze allemaal in extenso te beschrijven, met het waarom.

Door al deze maatregelen werd Gijs wakkerder; al bleef hij meer tijd nodig hebben dan andere kinderen.
In het reguliere onderwijs zou hij vrijwel zeker zijn blijven zitten. Door het ‘meegaan’ met de kinderen gedurende de basisschooljaren kon ik Gijs’ vorderingen goed in de gaten houden over een langere tijd en door het extra dat met hem werd gedaan, kon hij de basisschool afmaken zonder te hoeven doubleren.

‘ANTROPOSOFISCH’ ONDERWIJS
Het moge duidelijk zijn dat een aantal oefeningen gebaseerd is
op de pedagogische aanwijzingen van Steiner, als praktische uitwerking van de menskundige gezichtspunten die onlosmakelijk verbonden zijn met antroposofie.

Door deze aanwijzingen te ‘vertalen’  naar pedagogisch/didactisch
handelen, werd er aan Gijs geen antroposofie aangeleerd.

Op school vormt antroposofie – de menskundige inzichten – de basis, het uitgangspunt voor het handelen – naar het handelen vertaald.
Wie dat bedoelt met ‘antroposofisch’ onderwijs, mag het zo zeggen – Steiner doet dit – niet in tegenspraak met zijn gezichtspunten – af en toe ook.

De opmerkingen dat door met de ledematen zinvolle handelingen te
verrichten de intelligentie wordt vergroot, door Steiner al in de jaren ’20 van de vorige eeuw gemaakt, wordt een kleine 100 jaar later op
verrassende wijze bevestigd door hersenonderzoek.

Dit is een van de redenen waarom er op vrijescholen zoveel vormen van handarbeid worden gegeven, waarin ‘zinvolle bewegingen’ worden uitgevoerd.

Daarom o.a. krijgen meisjes en jongens handwerken vanaf klas 1; en toen het examenspook nog niet zo rondwaarde in de bovenbouw zaten er in klas 9 t/m 12 allerlei handvaardigheden.

*Xenos verkoopt/verkocht? 3-dimensionale (hoofd)letters die een uitstekende hulp kunnen bieden bij het ‘verinnerlijken’ van de letterbeelden tot letters. Ze achter de rug houdend moeten herkennen, bijv. is net weer een stapje moeilijker dan wanneer ze voor je liggen.

[59]
De mensennatuur zelf moet ons leren wat we in ieder afzonderlijk levensjaar van het kind met het kind opvoedend en onderwijzend moeten volbrengen.
.

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner als didacticus

Rudolf Steiner over ‘antroposofisch’  onderwijs

vrijeschool en antroposofie: alle artikelen

lichaamsgeografie

967

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.