Tagarchief: 5e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (8)

.

In een aantal artikelen [1]  [2] wordt ingegaan op de vraag of het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool ‘antroposofisch’ onderwijs is. 
In wezen gaat het om 3 elementen: Atlantis, zoals Steiner daarover spreekt; de volgorde van de cultuurperioden zoals die meestal op de vrijeschool aan de orde komt en Steiners gezichtspunten over deze cultuurperioden.

Van Steiner vind je in de pedagogische voordrachten géén aanwijzingen voor genoemde 3 elementen. De enige verwijzing naar Atlantis geeft hij voor het vak geologie aan een 8e-klasleraar waarbij een verwijzing naar ‘geschiedenis’ sterk wijst in de richting van de datering van de ijstijden. 
Later, wanneer het leerplan voor de 8e klas en voor geologie wordt gemaakt, is er geen verwijzing meer.
Wanneer deze opmerking aan de 8e-klasleraar wordt gemaakt, kan deze door Caroline von Heydebrand zijn gehoord: zij had destijds de 5e klas. Later vatte zij in een klein geschrift het leerplan samen.
Bij het vak geschiedenis vind je de 3 elementen niet.
In 1928 schrijft zij voor het blad ‘Erziehungskunst’ een artikel over ‘geschiedenis in klas 5’.  Ook daarin ontbreken de 3 elementen.
Daaruit kan de vrijwel zekere conclusie worden getrokken dat Steiner deze 3 elementen bij de opbouw van het leerplan geschiedenisonderwijs verder volledig buiten beschouwing heeft gelaten.

Tegen deze achtergrond geef ik het artikel hier vertaald weer:

OVER DE EERSTE GESCHIEDENISLESSEN

Wat mensen in de loop van de aardeontwikkeling beleefden, dachten, bewerkstelligden, schiepen, dát in een grote samenhang te overzien, kan een kind pas op een heel bepaald ogenblik van zijn ontwikkeling. Het moet een beetje los gekomen zijn van een dromend, een vanzelfsprekend harmonisch samengaan, met zijn leefwereld. Zelf op weg een persoonlijkheid te worden, met een eigen zelfstandig zielenleven, moet het in staat zijn andere persoonlijkheden met een eigen zielenleven te gaan zien, los van zichzelf – met het bewustzijn dat het kind dan heeft. Vanaf zijn negende vindt dat losser komen te staan plaats, het kind wordt steeds meer een persoonlijkheid. Uit het droomachtige, kunstzinnige fantasieleven wordt langzamerhand het kritische, analyserende intellect wakker. Wij opvoeders zien deze ontwikkeling aan en we gaan erop in met wat we het kind dan willen meegeven.

Op een wonderbaarlijke manier wijst de bestudering van de wereldgeschiedenis ons echter ook een weg. Vaak wordt aan de leerkrachten van de vrijeschool gevraagd: ‘Waarom beginnen jullie, wanneer je met het eigenlijke geschiedenisonderwijs in het vierde, vijfde leerjraar – het 11e, 12e levensjaar begint, met de geschiedenis van de oudste voor-christelijke volkeren? Maar dat antwoord lijkt simpel.
Wat de oudste geschiedenis ons als meest wezenlijke inhoud te bieden heeft zijn mythen, sagen en sprookjes. Een wereld van geheimzinnig gevormde gestalten, groots en kinderlijk tegelijk in zovele gedaanten. In de vorm van deze beelden begrepen de oeroude volkeren de wijsheid van de wereld met een dromend bewustzijn. Dat past ook nog bij de ziel van het kind.
Maar deze is wel op weg wakker te worden voor het exacte waarnemen van de wereld der zintuigen, voor het oordelende denken, voor het kunnen begrijpen van wat in de loop van de geschiedenis geworden is. Door de sagenwereld van de oudste volkeren, Indiërs, Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren, de Grieken van Homerus voeren we het kind in de 5e klas naar een Griekenland dat de schoonheid bewonderde en apprecieerde, tot de daden van Alexander de Grote. Zijn leven was voor de middeleeuwense dichters nog vervlochten in een net van wonderlijke sagen en legenden. Maar zijn persoonlijkheid en wat hij verrichtte staan ook in de volle schijnwerper van geschiedkundig onderzoek.

We hebben de kinderen van de hemel op aarde gebracht tot aan het tijdstip waarop wij als hedendaagse mens de persoonlijkheden uit de geschiedenis vanuit ons bewustzijn kunnen begrijpen.

(Hierna volgt in het artikel nog een kleine inleiding op een kerstspel dat von Heydebrand n.a.v. de geschiedenislessen voor de kinderen heeft gemaakt.)

Caroline von Heydebrand, Erziehungskunst, 2e jrg. nr. 5, 1928

.

Geschiedenis 5e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: geschiedenis

.

1199

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/2)

.

over geschiedenis

 

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 10 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Hier wisselden we enige gezichtspunten uit waaruit blijkt dat de opmerking = hij (Steiner) adviseert dan ook om met Atlantis te beginnen = niet klopt.

Het geschiedenisonderwijs in klas 5 begint dan ook niet met ‘Atlantis’.

Luc is heel zeker:
De geschiedenislessen in de vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Deze zin is heel makkelijk te interpreteren als: Steiner heeft aan het geschiedenisonderwijs in klas vijf en zes zijn eigen visie op de geschiedenis ten grondslag gelegd.
Maar die visie vind je bij Steiner niet als directe aanwijzingen voor het onderwijs. Je vindt maar heel weinig en zeer algemeen, o.a.:

In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd, die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.
GA 295/161
vertaald/149

De volgende opmerkingen liegen er toch niet om: gloedvol en enthousiast over de mens spreken, zonder er (antroposofische) wereldbeschouwing van te maken:

En daarom kun je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, zonder dat er een wereldbeschouwing in de school gebracht wordt, dat door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie behandeld wordt: niet op een droge manier, niet zo maar antropologisch-theoretische kennis, maar zo dat wat aan eerste antropologie aan het kind aangeboden wordt, vanuit de geest sprankelend en doorwarmd is. Wanneer je dat de kinderen op deze manier bijbrengt, beginnen ze op een andere manier bij de les te zijn; ze verankeren in zich zelf wat hun het hele leven bijblijft. 
GA 297/220
Niet vertaald

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw.
GA 295/161
vertaald/149-150

Dus: geen directe aanwijzingen van Steiner die de opmerkingen van Luc kunnen staven.
Dat ziet hij zelf ook: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner en vond in het boek van Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen voldoende elementen om mijn bewering te staven. Het hoeft niet altijd woordelijk in een voordracht van Steiner te staan om te weten wat hij bedoelt.

Dat moest ik ook constateren bij ‘Atlantis’.

Dan zal het dus weer moeten gaan om ‘indirecte aanwijzingen’.

Zijn die er dan?

Zoals je voor Atlantis de indirecte aanwijzingen zou kunnen halen uit Paul Veltmans manuscript voor de 5e klas, zo kun je bij andere schrijvers die met Steiners opvattingen onderzoek doen, uitkomen bij auteurs die ‘geschiedenis’ op zijn opvattingen baseren.
Luc doet dat met Bruno Skerath en neemt zijn gezichtspunten voor ‘de’ gezichtspunten wat betreft de geschiedenis in klas 5.
Je zou het net zo goed kunnen doen met Karl Heyer, die in zijn ‘Studienmaterialien zur Geschichte des Abenlandes’ het 1e deel de titel meegeeft:
‘Von der Atlantis bis Rom’. Daarin zet hij vrijwel alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd en volgt hij de indeling van de culturen na Atlantis, zoals Luc die ook aangeeft vanuit de visie van Skerath.
In Frans Schobbes ‘Vier wereldmaanden 1’ staat in de inleiding dat het schrijven van zijn boek ook bedoeld is om de geschiedenisperiode in klas 5 goed te kunnen voorbereiden. ‘Geschiedenis’ is in dit boek voor het grootste deel gebaseerd op mededelingen van Steiner.
Kortom: wanneer je als leerkracht zo’n periode moet gaan geven en je neemt genoemde werken als uitgangspunt, dan geef je geschiedenis met Steiner als leidraad, gebaseerd op meningen van anderen.

Maar dat staat niet gelijk aan: dat móet dus in het geschiedenisonderwijs van klas 5!

Ik zei eerder al: Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Wie in willekeurige geschiedenisboeken zoekt naar het begin van een geschiedenis, komt titels tegen met daarin woorden als ‘de bakermat van..’. ‘de wieg van… ‘, ‘de dageraad  van…’ enz.

Letterlijk ‘ergens’ wordt een begin gemaakt. En omdat je met je 5e klas ook ‘ergens’ moet beginnen, zoek je naar de oudste bronnen. Dat zijn zeker nog geen geschreven bronnen, dus ‘echte’ geschiedenis is het nog niet. Het is inderdaad nog ‘dageraad’: het is nog schemerig.

Luc zegt: ‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Wat de leerstof voor de 5e klas betreft, zie je vrijwel altijd deze indeling:
(Oud)-Indië; (oud)-Perzië (Tweestromenland); Egypte; Griekenland; gevolgd in klas 6 door Rome tot en met de middeleeuwen.

En ja, wanneer je bij Steiner kijkt naar zijn visie op de ontwikkeling van de mensheid zie je ook:
Oer-Indisch; oer-Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws.

Maar wanneer je een wetenschappelijk leerboek geschiedenis inkijkt, zie je:
(voorafgegaan door prehistorie): vroegste samenlevingen van Irak; Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome.
[Een geschiedenis van de Oude Wereld- Beliën/Meijer]

Of:
(voorafgegaan door prehistorie, met daarin opgenomen een scheppingsverhaal uit India!); Mesopotamië; Babyloniers en de Assyriërs; Perzen; Egypte; Griekenland; Rome; middeleeuwen.
[7000 jaar wereldgeschiedenis]

Er bestaan nog andere indelingen met onderlinge verschillen die ontstaan zijn door nét een ander accent op bv. – in de ogen van de samenstellers – belangrijke gebeurtenissen.

Als je Steiners indeling niet zou kennen en je zou voor je klas deze aanhouden: Indisch; Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws, doe je daarmee niet iets buitennissigs of vreemds, laat staan ‘antroposofisch’.

Je zegt: ‘Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.’ 

Ik denk dat je hier ‘helemaal niet’ om moet keren: ‘niet helemaal’.

Het is m.i. ook niet relevant. We weten dat veel van Steiners opvattingen niet onderzocht kunnen worden met de maatstaven die gelden voor een ‘weegschaalwetenschap’

Dat Steiner van die fasen nog allerlei meer zegt, wat je niet vindt in de reguliere wetenschap, wil niet zeggen dat een vrijeschoolleerkracht – in zijn klas deze volgorde aanhoudend – óók dat ‘meer’ moet benadrukken. Al zou hij dat willen: wat moeten 11-jarigen met ‘ontwikkeling van ‘fysieke lichaam, etherlijf, gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel’. Wat zouden ze ervan moeten begrijpen en hoe wil je ze dat begrijpelijk maken. Nog afgezien van het feit of leerkrachten zelf wel weten wat deze begrippen inhouden voor deze cultuurperioden.
En dan nog de jaartallen. Wat heeft een kind van 11 aan de wetenschap dat wat hij over Perzië heeft gehoord, plaatsvond van 5067-2907 v. Chr. en dat het een Tweelingencultuur was? NIETS!
Wij zijn gewend geraakt aan jaartallen v.Chr., maar eigenlijk zijn ze voor ons ook niet veel meer dan ‘lang geleden’ en we kunnen er – intellectueel – het ene mee vóór of na het andere rangschikken, maar dat is het wel zo’n beetje.

Niet voor niets laat Steiner – die heel goed weet dat ‘zo lang geleden’ voor kinderen een abstractie is – ze dat verleden zo concreet mogelijk beleven door die prachtige vondst van ‘de generatieketting‘. Maar, tot in India gaat dat niet.

‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

‘Volledig’? Als ik dat moet opvatten als ‘volkomen’, als ‘allemaal’, dan gaat dat voor de volgorde niet op: die vind je simpelweg, soms nauwelijks afwijkend, terug in reguliere opsommingen.

Is ‘volledig’ de buitenkant en de binnenkant? M.a.w. naast de volgorde ook inhoudelijk?

Bij de (willekeurig) genoemde auteurs Skerath, Heyer, Schobbe vind je ‘antroposofische geschiedenis ‘ – die wilden ze ook schrijven – maar voor het onderwijs geldt dan weer, dat als je deze bronnen gaat gebruiken, je antroposofie in je geschiedenisonderwijs haalt.

Je kunt ook volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ blijven door als achtergrond ‘Geschichte Lehren‘ te nemen.
Het boek is ‘to the point’: dit moet je hebben; dat niet; let op je stof, let op je tijd.

In boeken met ‘De dageraad…..’, ‘De wieg…..’. ‘Het ontstaan van….’ gaat het om ‘de eerste beschavingen’, vóór Egypte, dat in een geschiedenisencyclopedie bestaande uit opeenvolgende delen, vrijwel altijd het deel is dat komt na ‘De dageraad…’, gevolgd door Griekenland, gevolgd door Rome, gevolgd door de middeleeuwen.

Die ‘dageraad’ is voor India nog niet de Induscultuur, maar verder terug. Er zijn rotstekeningen gevonden van 40.000 jaar oud en nederzettingen die al in 9000 v. Chr. bestonden. En ‘ergens’ en ‘ooit’ zijn de verhalen ontstaan die veel later opgeschreven zijn in de heilige boeken.
Zo’n ‘gewone’ reeks als’ 7000 jaar wereldgeschiedenis’ begint met de prehistorie en neemt een Indiase mythe op:

Een scheppingsverhaal uit India

‘Toen de tijd sliep in de schoot van de eeuwigheid, was de ruimte vervuld van duisternis, waarin het leven onbewust klopte. De zeven heersers waren de scheppers van de vorm uit het niets. Hun stralen doordrongen de oneindigheid en beroerden de kiem die in de duisternis sluimerde. De kiem bewoog en werd warmte en licht. En uit de kiem ontsprongen de krachten in de ruimte. De scheppers verzamelden de vurige stof en balden ze samen tot kogels van vuur. Ze bliezen de kogels het leven in en zetten ze in beweging in de ruimte. En de koude maakten ze warm en de droogte maakten ze vochtig. En de gloed maakten ze koel. Zo werkten de zeven scheppers van de ene schemering tot de andere. Toen daalden ze af naar de stralende aarde, om er mensen te zijn.’

Stel eens dat Steiner deze mythe zou hebben genoemd om te vertellen in de 5e klas.
Als ik zou willen aantonen dat ‘het geschiedenis volledig gebaseerd is op…en ik zou jouw werkwijze volgen: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner .’ zou ik hier met een zeker gemak kunnen zeggen dat Steiner deze mythe wil, omdat daarin zijn visie op de ontwikkeling van mens en wereld, zoals beschreven in ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’,  of zijn ‘Het Bijbels scheppingsverhaal‘ tot uitdrukking komt. Je weet meteen dat het in deze mythe gaat om ‘Gods geest die over de wateren zweefde, de donkere aardematerie bevruchtend waardoor er een scheiding ‘tussen de wateren’ ontstond: een herinnering aan het ooit in verschijning treden van ‘oude planetaire fasen’. En dat ‘ze=de 7 heersers/Rishi’s afdaalden naar de stralende aarde om er mensen te zijn’, zou ik makkelijk kunnen gebruiken om Steiners reïncarnatie-idee in de klas te introduceren.

Maar dat is koketteren met antroposofie en dat moet je niet willen, sterker nog: volkomen achterwege laten, want het wordt speculeren.

En ik zie Luc, dat jij je daarvan ook niet kunt losmaken:
Als Steiner het over tijdperken heeft, dan bedoelt hij wel degelijk de tijdperken zoals hij die ziet in zijn antroposofisch gedachtegoed. Steiner heeft het dus over de tijdperken van de wereldgeschiedenis en over de impulsen die daarvan uitgaan. Om dit te begrijpen moet je niet op zoek gaan in de pedagogische voordrachten, maar in de voordrachten die over de wereld- en mensheidsontwikkeling gaan.

Die laatste zin laat zien dat niet Steiner de antroposofie in het geschiedenisonderwijs haalt, maar dat jij dat zelf doet en dan móet je noodgedwongen tot de conclusie komen dat er ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ zit.
En als je naar bepaalde geschiedenisschriftjes kijkt, zie je inderdaad dat sommige leerkrachten uit de door jou bedoelde voordrachten putten en dat in hun lesstof stoppen.

Maar dan zijn we weer bij Steiner: géén antroposofie in het (geschiedenis)onderwijs.

Het is niet, zoals ik al eerder betoogde ‘DE’ vrijeschool, of ‘HET’ vrijeschoolonderwijs; het is ‘DIE’ leerkracht in ‘DIE’ school voor ‘DEZE’ klas.

Wie met ‘Geschichte lehren’ werkt, ervaart dat er helemaal geen antroposofie nodig is om de kinderen te boeien en ze te laten beleven wat er ‘vroeger’ was.

Je zegt:
‘Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik bijzonder waardevol’

Dat ben ik roerend met je eens!

Ik heb je beschrijving, aanwijzingen, de opbouw voor een geschiedenisperiode  met veel interesse bekeken en veel ervan en in grote trekken is dit ook de lesstof die ik heb gebruikt, met als uitgangspunt ‘Geschichte lehren’.
Juist die vrijwel identieke inhoud laat zien dat er niet zo’n wezenlijk verschil bestaat tussen jouw periodestof en de mijne. Zeker niet zo wezenlijk dat jij van mijn periodestof kunt zeggen dat die ‘antroposofisch’ is, alleen op grond van een bepaalde indeling van de culturen waarover we iets aan de kinderen willen meegeven.

 

Ook voor de 6e klas vind je vergelijkbaar met de 5e geen aanwijzingen voor antroposofie uit de mededelingen van Steiner. Als het er al in zit, is het er door overijverige leerkrachten ingebracht, bij Lindenbergh zul je het niet vinden.

Ik ben het dus op grond van bovenstaande niet met je eens dat het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool per definitie antroposofisch is.

Wel zie ik met jou dat het niet moeilijk is er antroposofie in mee te nemen; maar dat is tegelijkertijd een nietszeggende opmerking. Omdat Steiner over vrijwel alles mededelingen heeft gedaan, kun je die dus overal waar een gelegenheid zich voordoet, opzoeken en in je onderwijs een plaats geven.

Dat dat niet moet, heeft hij veelvuldig onderstreept.

Luc op 21-03-2017L

Op je jongste opmerkingen heb ik niet veel in te brengen. Ik pik er twee zaken uit:

  1. Talloze keren heb ik leerkrachten erover aangesproken dat ze in hun pedagogische opdracht moeten vertrekken van DIT kind in DEZE tijd op DEZE plaats. Zo had ik het dus ook moeten doen ten opzichte van de steinerscholen, zoals jij aangeeft: DIE leerkracht in DIE school voor DEZE klas. En eigenlijk kun je daar in DEZE tijd nog aan toevoegen.

Ik vind het echter niet wenselijk om in een publiek beschikbare tekst zó te schrijven dat leerkrachten, scholen en klassen herkenbaar of traceerbaar zijn. Bovendien is wat ik over geschiedenisonderwijs geschreven heb in de periodeschriften van die Vlaamse steinerscholen die ik de jongste jaren bezocht heb, terug te vinden. Een zekere – beperkte – generalisatie was dus wel zinvol.

  1. Ik spreek doorgaans niet over de Nederlandse vrijescholen omdat ik die te weinig ken en het kan dus best zijn dat leerkrachten in Nederland – zoals jij – de geschiedenisperiode op een meer wetenschappelijk gefundeerde manier én in overeenstemming met Steiners visie over de oude geschiedenis behandelen, zoals Lindenberg ook voorstelt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.

Met vriendelijke groet

Luc

Op 27-03-2017

Beste Luc,
Ik lees in je opmerkingen dat je iets te veel in het algemeen hebt geschreven dat het geschiedenisonderwijs a priori of per definitie antroposofisch is. Dat is het niet. Je kunt het er wel van maken, maar dan ben je niet goed bezig.

Met wat jij en ik er nu over hebben geschreven, moet het voor leerkrachten niet moeilijk meer zijn, de geschiedenisperiode op een verantwoorde manier te geven.

Pieter
.
Geschiedenis: alle artikelen
.

Eerdere commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

 

1191

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Ptolemeus l

.

Ptolemeus 1

Ptolemeus I 367-283 v. Chr.

Ptolemeus I was de zoon uit een onbekende Macedonische familie. Door zijn militaire loopbaan bereikte hij onverwacht een hoge positie. Hij diende als generaal onder Alexander de Grote. Hij maakte lange reizen, zelfs helemaal naar India. Hij kreeg veel lof toegezwaaid voor zijn militaire inzichten en werd daarvoor vele malen onderscheiden. Hij trouwde met een Perzische vrouw. Van 323-305 v. Chr. was hij satraap van Egypte en daarna nam hij de koningstitel aan. Hij bewees een kundig diplomaat en regeringsleider te zijn. Hij bouwde een bewonderenswaardig centrum van de Griekse cultuur, werd in Egypte als een god beschouwd en legde de grondslag voor een dynastie die in Egypte bijna driehonderd jaar aan de macht zou blijven.

Ptolemeus kwam na de dood van Alexander de Grote in Egypte aan het bewind. Zijn generaals hadden het enorme rijk onder elkaar verdeeld.
Het rijk bleef in naam bestaan en de generaals deden dienst als plaatselijke bestuurders. Maar in feite was er tussen hen vanaf het begin een strijd om de macht.
Ptolemeus koos binnen deze machtsstrijd voor een voorzichtige koers. Hij richtte zich voornamelijk op Egypte. Hij hechtte het meeste belang aan het veilig stellen van zijn positie. Maar hij aarzelde nooit nieuw gebied in te nemen, wanneer hij dacht dat het hem zou helpen te behouden wat hij al had.

In 321 v. Chr. trouwde hij met Eurydice, de dochter van de heerser over het Europese gedeelte van Macedonië. Hij nam in 317 een andere vrouw. Dit was Berenice, de kleindochter van Cassander, die uiteindelijk de heerser van Macedonië en Griekenland werd. In 305 v. Chr. lieten de ruziënde generaals alle schijn over de eenheid binnen het rijk varen en benoemden zichzelf in hun eigen gebied tot koning. Ptolemeus kroonde Berenice tot koningin en wees zijn eigen zoon aan om hem als Ptolemeus II op te volgen. Tijdens zijn regering was Ptolemeus voor het vormen van zijn leger afhankelijk van Griekse soldaten. Hij zorgde ervoor dat ze hem trouw bleven door hun in Egypte land en bijzondere voorrechten te geven. Andere Grieken werden ook aangemoedigd zich in Egypte te vestigen. Vele van hen kregen overal in Egypte hoge regeringsfuncties. In 332 v. Chr. had Alexander de Grote aan de monding van de Nijl een nieuwe stad gesticht, Alexandrië. Ptolemeus bouwde daar een nieuwe hoofdstad en stichtte er een museum en een bibliotheek. De stad werd het middelpunt van een nieuwe Griekse cultuur. Veel filosofen, geleerden, schrijvers en kunstenaars uit die tijd trokken er naar toe. De stad werd ook een centrum voor wetenschap en handel. De vuurtoren van de haven werd één van de wonderen van de Oudheid genoemd. Ptolemeus leefde er, omringd door de pracht en praal van een Griekse hofhouding, temidden van bevoorrechte immigranten. Dit waren niet alleen Grieken, maar ook Joden, Syriërs en Anatoliërs.

De oude Egyptische cultuur bleef naast de nieuwe Griekse beschaving bestaan. Hoewel de Egyptenaren niet veel macht meer hadden en ze het land met de Grieken moesten delen, behielden ze hun eigen taal, gewoonten en godsdienst. Ptolemeus won hun vertrouwen door de tempels die door vroegere indringers waren verwoest, weer op te rouwen. Hij offerde geschenken aan hun goden en steunde hun priesterstand. Ook vestigde hij in Memphis, de oude hoofdstad, een nieuwe religieuze cultus, die gebaseerd was op de aanbidding van een gezamenlijke Grieks-Egyptische god, Serapis. Ptolemeus werd na zijn dood door de Egyptenaren als god vereerd.
Ptolemeus werd opgevolgd door een lange lijn ztt troonopvolgers die allemaal Ptolemeus heetten. De laatste in die lijn was Cleopatra. Ze regeerde in Egypte, nadat dit land een vazalstaat van het groeiende Romeinse Rijk was geworden. Ze kreeg een kind van de Romeinse veldheer en politicus Julius Caesar. Later trouwde ze met Marcus Antonius. Misschien koesterde ze de hoop dat ze daardoor weer de volledige onafhankelijkheid van Egypte kon bewerkstelligen. Maar de Romeinen haatten en vreesden Cleopatra. In 31 v. Chr. stuurde Rome een vloot naar Alexandrië. Antonius en Cleopatra verzetten zich, maar toen ze inzagen dat ze onmogelijk konden winnen, pleegden ze allebei zelfmoord. Op die manier kwam er een einde aan de door Ptolemeus gestichte heerschappij.

Door de lange heerschappij van de Ptolemeeën werd de Griekse cultuur versterkt en verspreid. Nog belangrijker is, dat ze in Alexandrië een centrum voor de wetenschap stichtten, dat de hele wereld van de Oudheid beïnvloedde en verrijkte.

Ptolemeus 1

 

 

 

 

 

Ptolemeus I, die opdracht geeft voor het bouwen van het museum in Alexandrië. Onder het bewind van Ptolemeus werd Alexandrië een centrum van de wetenschap, dat in de wereld van de Oudheid op eenzame hoogte stond. In de volgende eeuwen behield het deze status.

alle biografieën

5e klas geschiedenis

 

956

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Darius l

.

Darius I   ca. 584-486 v. Chr.

De geschiedkundigen zijn het er niet over eens welke van de heersers uit het geslacht van de Achaemeniden in het Perzische Rijk de meeste betekenis heeft gehad. Velen vinden dat het Cyrus I, ‘Cyrus de Grote’, was. Hij stichtte een enorm rijk, het grootste dat de wereld tot die tijd had gekend. Hij was een befaamd krijgsman en hij werd door zijn volk aanbeden. Maar andere geschiedkundigen houden vol dat Darius I nóg machtiger was. Hij breidde het rijk uit tot in Europa en India en organiseerde het zo doeltreffend, dat het na zijn dood nog tweehonderd jaar bleef bestaan. Er kwam pas door toedoen van Alexander de Grote een einde aan.

In 522 v. Chr. werd Darius, na de dood van Cyrus en zijn zonen, tot koning verkozen. Hij liet het verhaal over zijn troonsbestijging graveren in een hoge rots in de buurt van het dorp Bisoetoen in het tegenwoordige Irak. Hij deed dit waarschijnlijk om elke twijfel over zijn recht op de troon weg te nemen. De meeste geschiedkundigen menen, dat het de waarheid is. Volgens Darius bestemde Cyrus zijn troon voor zijn oudste zoon Cambyses. Er was echter de voorwaarde aan verbonden, dat zijn jongere zoon Bardja een aantal van de oostelijke provincies moest besturen. De wrede Cambyses was jaloers op zijn populaire broer. Nadat hij koning was geworden, liet hij Bardja vermoorden. Dat gebeurde vlak voordat hij tegen Egypte optrok, om dat land te veroveren. Cambyses slaagde erin Egypte bij het rijk in te lijven. Hij vervulde daarmee de laatste wens van zijn vader. Op de thuisreis kreeg hij te horen, dat iemand die een sterke gelijkenis met Bardja scheen te hebben, de macht had gegrepen en veel steun kreeg.

Cambyses kwam niet lang daarna om het leven en liet de troon leeg achter. Darius was toen lid van de lijfwacht van Cambyses. Hij en zes andere jonge edelen wantrouwden de overweldiger. Ze slaagden erin het koninklijk paleis binnen te dringen en hem daar te vermoorden. Darius behoorde tot het geslacht van de Achaemeniden, waartoe ook Cyrus behoorde. Hij beschouwde zich als de rechtmatige troonopvolger en nam de macht in handen.

Als voorzorgsmaatregel tegen toekomstige wanorde reorganiseerde Darius het bestuur van zijn rijk. Onder het oude bestuur, dat van de Assyriërs was overgenomen, werd elke provincie door een satraap (gouverneur) bestuurd. Er was maar weinig controle en dat maakte het eenvoudiger om te rebelleren. Darius loste het probleem op door drie officiële ambtenaren aan het hoofd van elke vazalstaat of provincie te stellen: een satraap, een generaal en een minister. Ze waren onafhankelijk van elkaar en brachten ieder direct aan de koning verslag uit. Elke provincie werd met onregelmatige tussenpozen door inspecteurs bezocht. Op belangrijke plaatsen stationeerde Darius regeringsgetrouwe troepen, wat als voorzorgsmaatregel erg goed bleek te werken.

Darius verstevigde het centraal gezag door het vervoer en de handel binnen het rijk te verbeteren. Hij bouwde een koninklijke weg, die liep van Susa in Perzië tot aan Sardis in Klein-Azië. Er kwamen standaardmaten en gewichten.

Net als Cyrus moedigde Darius de plaatselijke bevolkingen binnen het rijk aan, hun eigen gewoonem taal en godsdiensten in stand te houden. In Egypte restaureerde hij bijvoorbeeld de aan de god Amon gewijde tempel. Hij gaf de plaatselijke satraap opdracht met de priesters samen te werken om de Egyptische wetten in een wetboek vast te leggen. De Griekse steden in Klein-Azië, dat toen door de Perzen werd beheerst, kregen speciale privileges voor het bouwen van heiligdommen. De Hebreeërs waren tijdens de regering van Cyrus naar hun land teruggekeerd. Ze kregen van Darius toestemming in Jeruzalem de tempel te herbouwen. Het was waarschijnlijk ook door toedoen van Darius, dat in Perzië de leer van Zarathoestra als staatsgodsdienst werd ingevoerd. Darius liet twee nieuwe hoofdsteden bouwen: een regeringsstad in Susa en een koninklijke residentie bij Persepolis. Hij maakte daarbij gebruik van de ideeën en vaardigheden van veel van de verschillende mensen die in zijn rijk woonden. Beide steden werden gekenmerkt door een nieuwe stijl, die ontstond door de vermenging van uitheemse invloeden en de oorspronkelijke vormen.

Een van de weinige fouten die Darius tijdens zijn zeer succesvolle koningschap maakte, werd uitgelokt door de Grieken. Het gebeurde aan het einde van zijn leven. De Griekse stad-staten Athene en Eretria hadden opstanden in de door de Perzen beheerste Griekse steden in Klein-Azië ondersteund. Darius stuurde in 492 v. Chr. zijn vloot om de twee steden te straffen. De vloot verging echter in een storm bij de berg Athos. Twee jaar later versloeg een Perzisch leger Eretria, maar verloor in de veldslag bij Marathon van het leger van Athene. Terwijl Darius zich voorbereidde op een derde aanval, kwamen op hun beurt de Egyp-tenaren in opstand. Hierdoor kon Darius geen aandacht meer aan Griekenland schenken. Hij stierf voordat hij kon terugkeren. Zijn zoon Xerxes hervatte de strijd van zijn vader, maar ook hij werd door de Grieken verslagen. Dat gebeurde in de zeeslag bij Salamis.

Hoewel na de dood van Darius de macht van de Perzen begon af te nemen, bestond het rijk nog bijna twee eeuwen. Het werd uiteindelijk in 331 v. Chr. door Alexander de Grote veroverd. Na de dood van Alexander werd Perzië achtereenvolgens door de Seleuciden, de Parthen en de Sassaniden geregeerd. De Sassaniden waren oorspronkelijk Perzen, die vanaf 224 v. Chr. de traditie van de Achaemeniden in ere herstelden. Ze bouwden een nieuw rijk op, dat alle gebieden tot aan de grens van Egypte omvatte. Bij Ctesiphon werd een prachtige nieuwe hoofdstad gebouwd. In 637 na Chr. begon de verovering van het rijk door de Arabieren. De islam werd in Perzië ingevoerd en later bracht men zeer veel schitterende islamitische kunst en architectuur voort. De Arabieren legden samen met de Achaemeniden de basis voor de tegenwoordige staat Iran.

Darius

 

 

 

 

Een afbeelding van Darius, die audiëntie verleent aan een priester. Het staat op een reliëf uit Persepolis. Dit beeldhouwwerk werd gemaakt toen Darius op het toppunt van zijn macht stond. Zijn opvolger, Xerxes, staat achter de troon af-gebeeld.

Vertelstof: alle biografieën

5e klas geschiedenis: alle artikelen

945

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Solon

.

Solon     638-559 v. Chr.

 

Solon

 

 

 

 

 

  De grote Atheense dichter en staatsman Solon. Hij wordt door velen nog steeds beschouwd als de ‘vader van de democratie’.
.
Solon was een Atheens dichter. Hij gebruikte zijn kunst om zijn politieke ideeën op de mensen over te brengen. In 594 v. Chr. werd hij gekozen tot archont, hoofd van de Atheense regering. Hij gaf de stoot tot het doorvoeren van hervormingen, die een einde maakten aan de macht van de aristocratie, aan de armoede en aan de onmenselijke wetgeving. Hij was de grondlegger van de Atheense democratie.
Solon was van adel en lid van de heersende klasse. Hij kwam aan de macht, toen Athene in grote moeilijkheden verkeerde. In alle delen van de samenleving heerste grote onrust en dit dreigde uit te groeien tot een revolutie. Veel boeren gingen gebukt onder zware schulden. Sommigen hadden zich garant gesteld voor leningen en werden slaaf, wanneer ze niet konden terugbetalen. De meeste boeren waren overigens ook niet veel meer dan lijfeigenen. Elk jaar moesten ze een deel van de opbrengst van hun land aan de rijke landheren afstaan om hun schulden te betalen. Die ruilden hun oogsten liever in vreemde landen voor luxe artikelen dan dat ze de groeiende stadsbevolking van voedsel voorzagen.

Solon nam een aantal dappere maatregelen. Daardoor werden de economische problemen van Athene in korte tijd opgelost. Hij schonk de vrijheid aan iedereen die door schuld slaaf was geworden. Hij gaf alle landerijen waarvoor huur betaald moest worden, terug en stelde het strafbaar een lening te sluiten met de vrijheid van de persoon als garantie. De uitvoer van alle voedsel werd verboden. Een uitzondering maakte hij voor olijfolie, waar een overvloed van was.

Het duurde heel wat langer om de politieke problemen op te lossen. Solon begon met het opstellen van een nieuwe grondwet. Daarin werd politieke macht niet verkregen door geboorte, maar bepaald aan de hand van de rijkdom. De bevolking werd verdeeld in vier groepen. Dit gebeurde naar de waarde van de producten die ze voortbrachten. Alle burgers kregen een bepaalde politieke invloed. De rijkste groepen behielden de grootste macht. Alle vrije burgers konden zitting nemen in de volksvergadering. Die vergadering nam wetten aan, koos ambtenaren en behandelde bezwaarschriften van de rechtbanken. Uit de drie hoogste groepen werd de Raad van Vierhonderd gekozen. Deze raad zorgde voor de voorbereidingen van het werk in de volksvergadering en maakte de agenda. Alleen de leden van de twee rijkste groepen konden tot archont worden gekozen of de hoogste ambten bekleden.

Vele nieuwe wetten controleerden de macht van de nieuwe regering. De oude wetten waren afgekondigd door de vroegere archont Draco. Die waren zo streng en onmenselijk, dat ze naar hem draconisch werden genoemd. Solon schafte vrijwel de hele door Draco ingevoerde wetgeving af. Er kwamen gematigde en menselijker wetten voor in de plaats. De wetten werden in houten tabletten gegraveerd en in het openbaar tentoongesteld. Iedere burger moest zweren, dat hij de wetten zou gehoorzamen en eerbiedigen.

Solon gebruikte gedichten om zijn hervormingen te verklaren en te rechtvaardigen. Dit had hij al gedaan om op veranderingen aan te dringen, voordat hij aan de macht kwam. Veel mensen in Athene waren echter niet tevreden over zijn menselijke benadering en zijn leer van de matiging. Boeren klaagden erover dat hij het land niet had herverdeeld. De adel was nog steeds verbolgen over de nieuwe grondwet, waardoor ze hun politieke macht moesten delen met gewone burgers. Solon besloot de Atheners de tijd te geven aan zijn hervormingen te wennen. Hij vertrok uit de stad en maakte gedurende tien jaar lange reizen. Bij zijn terugkeer trof hij een verdeeld volk aan, dat rijp leek voor de tirannie.
Na de dood van Solon begon er een periode van tirannie. De democratie werd echter vijftig jaar later, 510 v. Chr., hersteld. In de Gouden Eeuw van de Atheense democratie die daarna volgde, maakten Griekse filosofen ieder een lijst van de wijsgeren die hen het meest hadden beïnvloed. Solon stond op alle lijsten. Zelfs tegenwoordig wordt deze Atheense staatsman-dichter vaak de ‘vader van de democratie’ genoemd.
.
6e klas Griekse vaas
In het Athene van Solons tijd, werd vaak door middel van versieringen op huishoudelijke spullen een klein verhaal verteld. Op deze waterkruik staat de afbeelding van een olijfboom, die wordt geschud om de vruchten op de grond te laten vallen, waar ze door een hulpje worden opgeraapt.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
942

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4/1)

DE WETENSCHAP VAN DE BABYLONIËRS

We hebben ons wellicht allemaal wel eens afgevraagd waarom een uur wordt verdeeld in 60 minuten en een minuut weer in 60 seconden. Waarom nu juist in 60 en niet, bijvoorbeeld, in 100? Dat zou immers veel gemakkelijker zijn bij het maken van berekeningen.

En waarom wordt de cirkel eigenlijk onderverdeeld in 360 graden (6 x 60) en waarom iedere graad weer in 60 minuten en die weer in 60 seconden?

Alleen de priesters uit het oude Babylon zouden ons daar antwoord op kunnen geven. Deze oude geleerden waren namelijk de eersten die een rekensysteem ontwikkelden dat gebaseerd was op het getal 60. De keuze van het getal 60 in het oude Babylon heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de Babyloniërs zich met sterrenkunde bezighielden. Ze merkten op dat het getal 60 in hun waarnemingen en berekeningen een grote rol speelde.

Dit 60-tallige systeem bestaat tegenwoordig, ongeveer 4000 jaar later, nog steeds.

Wie er op school of op het werk moeite mee heeft, weet nu aan wie hij dit heeft te danken…

Babylon 1

Op deze stenen grafzuil zijn naast een Babylonische vorst en enige hoogwaardigheidsbekleders ook hemellichamen afgebeeld, waaruit de grote belangstelling voor de sterrenkunde blijkt.

Knap in wiskunde, maar zwak in meetkunde
De Babyloniërs maakten voor hun berekeningen gebruik van een telbord. Ze noemden het ’abacus’ en we kennen de werking ervan. De Babyloniërs hadden een tientallig rekensysteem. Dit systeem werkte zeer eenvoudig, omdat het zich van slechts drie verschillende tekens bediende. Er was een symbool voor de eenheden, een symbool voor de tientallen en een symbool voor de honderdtallen. In de praktijk moet het omslachtig zijn geweest, omdat men bij vele getallen eenzelfde teken wel vele malen moest herhalen. Net als wij beschouwden de Babyloniërs het getal 10 dus als het basisgetal voor de telling.

Dit kleitablet  is een rekentabel. Het is een tafel van vermenigvuldiging, die door kooplieden werd gebruikt om berekeningen te maken. Er zijn dergelijke tafels gevonden met van de meestvoorkomende getallen de helft, een kwart, een derde, het kwadraat en de derde macht.

Babylon 2

Fragment van een Babylonisch kleitablet met daarop in Babylonische tekens de tafel van vermenigvuldiging. Links de getallen 1 t/m 4, bovenaan de getallen 1 t/m 3. De twee rechter rijen geven de sommen van deze getallen aan.

De rekentafels van de kwadraten werden gebruikt voor het berekenen van oppervlakten. De Babyloniërs waren zo in staat om zelfs zeer onregelmatig gevormde oppervlakten te berekenen, mits die maar uit rechte lijnen bestonden.

Maar de oppervlakte van een cirkel berekenen konden ze niet!

Ze tekenden binnen en buiten de cirkel een vierkant. Van beide vierkanten werd de oppervlakte uitgerekend. Vervolgens werden de uitkomsten bij elkaar geteld en de som werd door 2 gedeeld. Zo verkregen ze bij benadering de cirkeloppervlakte.

Om de cirkelomtrek uit te rekenen werd de middellijn ervan eenvoudig met 3 vermenigvuldigd. Dat is een zeer ruwe berekening, zeker als we weten dat reeds de oude Egyptenaren erin geslaagd waren de juiste vermenigvuldigingsfactor te vinden (3 1/7).

Babylon 3

De tafel van vermenigvuldiging in onze moderne (Arabische) cijfers, overeenkomend met het kleitablet hierboven.

Babylon 4

Door de som van de oppervlakten van de twee vierkanten door twee te delen, verkregen de Babyloniërs bij benadering de cirkeloppervlakte.

Babylon 5

Fragment van een tablet met meetkundige tekeningen en berekeningen

Waarzeggers
AI 5000 jaar geleden waren Babylonische priesters in staat zons- en maansverduisteringen te voor spellen. Deze bijzonderheid staat vermeld in een verhandeling over sterrenkunde op kleitabletten, die archeologen in Mesopotamië hebben gevonden. De tabletten dateren uit de tijd van koning Sargon (2850 v. Chr.). De priesters, die in staat waren de verduisteringen op de dag nauwkeurig te voorspellen, werden ongetwijfeld als tovenaars beschouwd, die macht hadden over de natuur.

Niemand zal begrepen hebben dat de priesters niet zelf de verduisteringen veroorzaakten, maar deze slechts hadden berekend. De priesters werden ook geacht het weer te kunnen beheersen, het leger te kunnen laten winnen of verliezen, zieken te kunnen genezen, met de goden te kunnen spreken, enz.

De Babyloniërs wisten meer van sterrenkunde dan ieder ander volk uit de Oudheid. Ze konden nauwkeurig vaststellen op welke dagen de lente, de zomer, de herfst en de winter begonnen. Ze berekenden de omloop van de planeten en de banen van de zon en de maan. De baan die de aarde om de zon beschreef deelden ze in 12 sterrenbeelden in. De Babyloniërs tekenden een hemelkaart met daarop de positie van de sterren.

Door hun grote sterrenkundige kennis konden de Babyloniërs een nauwkeurige kalender maken.
Voor het gemak verdeelden ze het jaar in twaalf ’manen’ (maanden): zes van 30 dagen en zes van 29. Maar op deze wijze had het jaar maar 354 dagen en dat waren er ruim 9 te weinig, wisten ze. Daarom werd af en toe een extra maand aan een jaar toegevoegd: een schrikkeljaar.
De Babyloniërs verdeelden het jaar aanvankelijk in 12 maanden van 30 dagen: in totaal dus 360 dagen. De cirkelvormige baan van de aarde om de zon was dus in 360 dagen verdeeld. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de cirkel in de meetkunde in 360 graden is verdeeld.

Aardrijkskundige kaarten in gedroogde klei
De afbeelding hieronder stelt een Babylonische wereldkaart voor. De kaart is in een nat kleitablet gegraveerd, die daarna in de zon werd gedroogd. De aarde wordt voorgesteld als een platte ronde schijf. De bergen zijn aangegeven met cirkels en de rivieren met lijnen. De stad Babylon is in het midden van de ’wereld’ geplaatst (de punt in het midden tussen de lijnen die de rivieren de Eufraat en Tigris voorstellen).

Babylon 6

Babylonische ‘wereld’-kaart in gedroogde klei. De stad Babylon was het centrum van de aarde

Een gevaarlijk beroep
De geneeskunde was in Babylon niet hoog ontwikkeld. Vrijwel alle behandelingen bestonden voor een deel uit magie en tovenarij. Misschien is dat wel de reden waarom koning Hammoerabi (1728-1686 v. Chr.) in zijn wetboek een aantal strenge wetten liet opnemen tegen artsen die de toestand van patiënten verslechterden:

‘Een arts, die met een bronzen mes een gezwel opensnijdt en de patiënt doodt of diens gezichtsvermogen aantast, zullen de handen worden afgezet…

Babylon 7

Babylonische kooplieden met een ‘abacus’, een soort telbord waarmee ze konden optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

897

VRIJESCHOOL- 5e klas – geschiedenis (2-3/1)

egypte

DE NIJL

Wanneer Egypte wordt genoemd als ‘geschenk van de Nijl’ mag een schets van deze rivier niet ontbreken.

Uit onderstaand artikel kun je van alles halen wat interessant is bij hoe je over Egypte in jouw klas wilt vertellen.

Niemand zal de bron van de Nijl vinden, want ‘het onmogelijke kan men van geen mens verlangen’.
Eeuwenlang is dit gezegde van toepassing geweest op de Nijl; pas in de 20ste eeuw kon men eindelijk met zekerheid zeggen die geheimzinnige bronnen te kennen.
De Franse journalist Georges Reyer heeft de Nijl vanaf de sneeuwtoppen van de Ruwenzori tot aan zijn vruchtbare delta, van Ethiopië tot aan de Middellandse Zee, over zijn meer dan 6000 kilometer lange weg door gebergten, tropische wouden en woestijnen, gevolgd.

Een verschaalde geur stijgt op uit de rivier. Aan de horizon gloort de ochtend. De dag, nog geheel doordrongen van sterren, magie en de oudste dromen van de mensheid, breekt aan. Hier was het dat alles begon. Op deze oevers, die zich over meer dan 6000 kilometer uitstrekken van de evenaar tot aan de Middellandse Zee, werd de fantastische legende der eeuwen in het zand geschreven. De farao’s Amenhotep IV en Ramses II, en Cyrus, Cambyses, Alexander, Caesar, Napoleon – alle wereldveroveraars hebben hier macht, wijsheid en onsterfelijkheid gezocht. Allen hebben ze deze sfinxachtige woestijn doorvorst, waarin enkele van de oudste geheimen der mensheid gesluimerd hebben en nog sluimeren. En allen hebben ze gepoogd aan de overzijde van deze zandhel het van oudsher door orakels en priesters beloofde paradijs te bereiken, ‘waaruit de Nijl zich op de aarde neerstort’.
De bronnen van de Nijl? Sinds het begin der tijden vormden ze een uitdaging en een geheim tegelijk. Nero stuurt twee van zijn centurions uit om boven de eerste waterval, op de hoogte van Aswan, de bronnen van de koningin der rivieren te zoeken. Maar na een maandenlange mars door de gloeiende woestijn moeten ze halt maken aan de rand van moerassen zo groot als de zee, waarin wagens en zelfs galeien wegzinken. ‘Hier eindigt de wereld’, melden ze. En Nero, de almachtige, is ditmaal machteloos.
‘Op die plaats is alle leven begonnen’, verklaart Diodorus. ‘De volkeren die diep in het zuiden wonen, waren de eersten die aan de schoot van de aarde ontstegen. De hitte van de zon heeft de vochtige bodem uitgedroogd en hem daarmee voorbereid op het ontstaan van dieren en mensen.’
Herodotus wil het heel nauwkeurig weten. Van Griekenland uit reist deze eerste verslaggever uit de wereldgeschiedenis over zee naar de delta van de Nijl, die hij ‘het vierde werelddeel’ noemt; de drie andere zijn Europa, Azië en Libië (we schrijven het jaar 450 v.C.). Hij heeft de bodem van Egypte nog niet betreden of hij stoot al op een van de geheimen van de rivier. Het lood, dat op een dagreis afstand van het vasteland vanaf de galei wordt uitgeworpen, geeft aan dat de zee hier slechts krap elf vaam diep is. Hoe kan deze rivier die, naar men zegt, slechts door een woestijn stroomt, zo ver buitengaats nog zulke grote massa’s slib met zich meevoeren? Waarvandaan komt dit slib waaruit Egypte, dit ‘geschenk van de Nijl’, rijkdom en leven put? Wanneer Herodotus de rivier tot aan het eiland Elephantine, bij Aswan opvaart, valt hij van de ene verrassing in de andere. Waarom stijgt het water van de Nijl, in tegenstelling tot alle andere rivieren, in de zomer en zakt het in de winter? Priesters, zieners, aardrijkskundigen – niemand kan er een bevredigende verklaring voor geven. Een van de theorieën komt hem wel heel ongerijmd voor. ‘Bestaat er iets dwazers dan te beweren dat de Nijl uit smeltwater geboren wordt, terwijl hij toch uit de heetste gebieden ter wereld komt en uit een land waarin niet alleen geen sneeuw kan bestaan, maar waarin het zelfs nooit regent?’
O, Herodotus, u die zo hebt gespot – nu bent u het die zich belachelijk maakt. Want er ligt daarginds sneeuw, glinsterende sneeuw onder een verzengende zon. We ontdekken hem deze morgen tussen de plotseling openscheurende wolken, op de derde dag van onze beklimming van de Ruwenzori, ‘de muur die de hemel verspert’. deze 5125 meter hoge top (na de Kilimanjaro de hoogste van Afrika), die de Ouden in hun beeldrijke taal ‘Berg van de Maan’ en ‘Vader van de Regen’ noemden.
Vader van de Regen, wat een toepasselijke naam! Want het regent. Het regent in stromen. Deze berg met zijn doorweekte, rottende bodem, deze monsterachtige slijkhoop, overspoeld door watervallen, cascaden en bergbeken, is het reservoir waaruit de Nijl in duizend stromen omlaagvloeit naar de keten van grote meren (George-. Edward- en Albertmeer), alvorens uit te monden in het Victoriameer, om dan zijn 6000 kilometer lange reis door Afrika te beginnen.

De zwarte tovenaars van Nubië en Eratosthenes, de oude geleerde uit Alexandrië. hadden dus gelijk met hun bewering dat het in het hete hart van Afrika sneeuwt en dat de bronnen van de Nijl zich in het paradijs bevinden. Lang voor de Arabieren, die daar het paradijs van Allah vermoedden, hadden de Egyptenaren, de Perzen en voor hen reeds de Hettieten, middenin de woestijn van deze koele, schaduwrijke oase gedroomd, waar de oorsprong van al het leven ligt. Om die te vinden waren de Libiërs van Herodotus, de krijgers van Cambyses en Alexander, en de twee centurions van Nero eropuit getrokken. Maar niemand was het gelukt het ‘Slijkmeer’ en ‘de Muur die de Hemel Verspert’, de El Sudd-moerassen en de Berg van de Maan, te overwinnen. Achter dit meer dan 5000 meter hoge bolwerk en de bijna 800 kilometer brede gracht lag het paradijs verscholen.

Deze hindernissen waren inderdaad niet te nemen, en dat is ook nu nog zo. Bijgevolg moesten we in El Sudd onze op een zandbank gelopen feloek en in het Soedanese oerwoud onze vastgelopen Landrover achterlaten. Per vliegtuig bereikten we dit ‘Land van de Maan’ in een paar uur – een reis waarvoor Burton en Speke, de eerste blanken die het betraden, bijna twee jaar nodig hadden gehad, twee jaar vol inspanningen en onzegbaar lijden. Wanneer zij er, iets meer dan honderd jaar geleden, aankomen, zijn de bronnen van de Nijl nog met dezelfde geheimzinnigheid omgeven als ten tijde van Herodotus. Op de kaarten was dit gebied een witte vlek en de Nijl een stippellijn.

Nijl 1

De Ouden noemden ze ‘maanbergen’, want ze zijn zo wit als het gesternte van de nacht. Vanaf de top van de Ruwenzori, die meer dan 5000 meter boven ondoordringbare wouden uitrijst, stromen talloze bergbeken en -beekjes naar de keten van de grote meren, waar ze zich verenigen tot de Witte Nijl.

Nijl 2

De echte ‘bron’ van de Nijl is dit tot aan de boomtoppen toe met regen doordrenkte tropische oerwoud waar de bemoste lianen op grote zwammen of reusachtige pythons en de boomstammen op monsterlijke dieren lijken. Een verbijsterende vegetatie waarover de wolken tonnen water uitgieten en waarin het daglicht nauwelijks door kan dringen.

De bronnen? Speke heeft gezworen ze te zullen vinden. Hij is dertig jaar, een Brit en heeft in India gediend. Hij is taai. ‘Bent u een zelfmoordkandidaat?’ vraagt Burton hem. Burton, de agent die door de Intelligence Service belast is met het toezicht op de bovenloop van de Nijl, barst in lachen uit en steekt hem de hand toe. Hij heeft zijn man gevonden. Burton, de meest avontuurlijke arabist en geleerde, die zich graag vermomt en zijn gezicht beschildert, die als Arabier onder de Arabieren leeft, een vreemde snuiter met een onweerstaanbare charme, is een soort voorloper van Lawrence van Arabië. Een duivel noemen ze hem. De blonde, schuchtere, zeer jonge Speke ziet er in vergelijking met hem als een weeskind uit. Maar in feite is hij de echte duivel.

Al heel snel promoveert Speke van assistent tot leider van de expeditie. Er is geen sprake van dat men de rivier op zal varen en de route zal volgen die altijd tot falen heeft geleid. Vanaf de kust, vanaf Zanzibar, moet men via de paden van de slavenhandelaren tot de bovenloop van de Nijl doordringen. Ze vertrekken. En van meet af aan is het een hel. Land van dorst, land van koortsen, land van honger. Met hun honderd dragers, louter ongure figuren rukken ze steeds verder op door de savanne, het oerwoud en de woestijn. Rijdend op kamelen of ezels zijn ze zestien uur per dag onderweg, ’s Nachts worden ze gewekt door het schreeuwen van de leeuwendoders der Masaï. Altijd staan ze bloot aan aanvallen van de karavanen van slavenhandelaren die azen op iedere vorm van buit. Aan de opperhoofden van wilde stammen die nog nooit een blanke hebben gezien, die niet weten of ze hen moeten aanbidden dan wel aan het spit rijgen, moeten ze losgelden betalen. Burton wordt ziek. Speke begint blind te worden. Ze slepen hen op een draagbaar verder. De dragers, opeens heer en meester, brengen hen de hemel mag weten waarheen. Ze hebben geen voedsel en geen medicijnen meer. En op een morgen, na acht martelende maanden, komt de grote verrassing. Voor hun ogen strekt zich een onafzienbare watervlakte uit. Dat moet het Nyanzameer zijn, de binnenzee waarvan men hen heeft verteld. Maar op de vreugde van de ontdekking wordt snel een domper gezet: ze hebben niet het Nyanzameer gevonden. maar het 700 kilometer zuidelijker gelegen Tanganyikameer.
Voor het eerst zijn Burton en Speke het oneens. Burton is ervan overtuigd dat de Nijl in dit gebied (het huidige Boeroendi), waar de keten van grote meren begint, ontspringt. Speke gelooft het tegendeel. Arabische slavenhandelaren hebben hem verteld van een ander, nog veel groter meer, dat verder noordwaarts, op een afstand van drie weken dagmars van Kazeh, het centrum van de slavenhandel, zou liggen. De zieke Burton weigert deze expeditie, die gelijkstaat aan zelfmoord, te ondernemen en blijft met het grootste deel van de karavaan in Kazeh achter. Speke, halfblind, verzwakt door buikloop en koortsaanvallen, vertrekt alleen, slechts vergezeld door enkele inheemse dragers. ‘U keert nooit terug’, zegt Burton. Maar Speke komt terug. Na een voettocht van drie weken in noordelijke richting heeft hij de binnenzee bereikt waarover Eratosthenes gerept had en waarnaar bijna tweeduizend jaar lang door ontdekkingsreizigers vergeefs was gezocht. Hij ontdekte het Nyanzameer en noemde het ter ere van zijn vorstin het Victoriameer. ‘Daar liggen de bronnen van de Nijl,’ geeft hij Burton te kennen. ‘Hoe weet u dat? Hebt u het meer gerond?’ ‘Het meer ronden? Dat zou jaren duren.’
Ze krijgen ruzie. Speke ziet nog slechts één doel: zo snel mogelijk naar Londen terug te reizen om zijn ontdekking bekend te maken. Zijn aankomst baart opzien. Engeland, de gehele wereld, vereert de man die als eerste een van de oudste raadsels der aarde ontsluierd heeft. Maar Speke is pas veertien dagen in Londen wanneer ook Burton op komt dagen. Uitgeput, ziek en woedend beschuldigt hij zijn metgezel, met wie hij avonturen en ellende gedeeld heeft en die nu zijn vijand is, van bedrog. Om hem te logenstraffen reist Speke nog een keer naar donker Afrika. Hij wil ditmaal onweerlegbare bewijzen voor zijn ontdekking mee terugbrengen.
En hij brengt ze mee terug. Hij heeft het noordelijke deel van het Victoriameer verkend. Hij heeft de grote waterafloop. de Ripon Watervallen (nu Owen Watervallen genaamd), ontdekt en daar de Britse vlag geplant. Hij heeft het water van de Nijl gedronken. ‘Speke vergist zich. Hii houdt u allemaal voor de gek’, herhaalt Barton.
De strijd spitst zich toe en breidt zich uit. Murchison, de voorzitter van het geologisch genootschap, en de gevreesde dr. Livingstone eisen van Speke bewijzen die hij niet op tafel kan leggen. Burton heeft zijn wraak en die is verschrikkelijk. Vijf jaar na zijn triomf wordt Speke bespot en verguisd. Hij, de beroemdste man en de meest gelezen schrijver van Engeland, valt met zijn bedrog door de mand en wordt ervan beschuldigd zijn metgezel doodziek in het oerwoud in de steek te hebben gelaten. Op een morgen hoort de wereld dat een geweerkogel een eind heeft gemaakt aan zijn leven; een ongeluk bij de jacht dat verdacht veel op zelfmoord lijkt. Burton overleeft deze slag niet. Diep getroffen door de tragische dood van Speke, waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt, sterft ook hij.
Het tragische is echter dat ze beiden gelijk hadden. Want hoewel volgens de meeste geografen van nu de bronnen van de Nijl officieel in Jinja nabij de Owen Watervallen liggen waar Speke ze ongeveer honderd jaar geleden met levensgevaar ontdekte, staan anderen op het standpunt dat de enige ‘geografisch aanneembare, want het meest zuidelijk en in rechte lijn gemeten het verst van de monding gelegen’ bron de rivier Kasoemo is, die in 1937 door de Duitse ontdekkingsreiziger Bukaart Waldecker in Boeroendi werd ontdekt, in de buurt van het Tanganyikameer en ten zuiden van het Victoriameer, dus waar ook Burton vermoedde dat hij was.

Op het kruispunt van twee paden maant een bord met het opschrift: ‘Elephants have priority of the way’ ons tot stilstand. ‘Olifanten hebben voorrang’. Hier zijn rivier, beek, boom en dier koning. Hier is de aarde zoals ze was voordat er mensen waren. Overeind staand in onze Landrover, waarvan het dak open kan, rijden we door een zee van licht, twee tot drie meter hoog gras dat de inboorlingen olifantsgras noemen. Voorzichtig doorkruisen we deze plantenzee met zijn golven die ons geselen en overspoelen. Nu en dan zien we reusachtige grijze rotsblokken die plotseling bewegen – olifanten. Ze gaan niet op de vlucht wanneer we naderbij komen. Ze klapperen met de oren en steken hun slurf op om ons met hun gehoor en reuk waar te nemen. Dan grazen ze vredig verder. Pas wanneer we dicht in de buurt komen, gaan ze weg. Drie meter hoog gras, een oerwoud met spookachtige bomen en monstrueuze oerdieren zoals nijlpaard en neushoorn – heel deze wereld van voor de zondvloed, ingesloten in een keteldal tussen besneeuwde bergtoppen en duizenden jaren lang van de mensheid afgesloten, heeft iets onwerkelijks. Toen Speke hier honderd jaar geleden arriveerde. moet hij precies even verbaasd hebben gestaan als de astronauten bij hun landing op de maan. Want niets heeft hier menselijke afmetingen. Zelfs de mens zelf niet. De pygmee is een dwerg en de Dinka is met z’n 2.10 meter een reus. In deze wereld, waar de aarde hier en daar nog kookt en zwaveldampen uitbraakt, lijkt de schepping nog in volle gang. Niets is klaar of af. Het is hier als op de eerste scheppingsdag. De ochtend der magiërs. Nog zijn in deze bijna baarmoederachtige warmte, waar een zwangerschap van duizenden jaren voortduurt, de oerkrachten aan het werk. In de verstikkende duisternis van de mangroven, waar aarde en water één zijn, wordt het slijk tot plant, de boomstam tot krokodil en de wortel tot slang.

Een onwezenlijke stilte rust in deze jungle. Honderden kilometers, uren- en dagenlang geen menselijke stem. Men hoort slechts de wind, het veelvuldige kraken, knisperen en ruisen van het woud, de schreeuw van apen, het getrompetter van olifanten, het gorgelen van een nijlpaard en de schrille,
metaalachtige roep van vogels. Angst is hier onbekend. Olifant, gazelle, leeuw en zebra leven vreedzaam naast elkaar, ieder op zijn eigen plaats, zoals in de ark van Noach. Het enige wilde dier is de mens. Niet de pygmee. de Dinka of de Masaï, maar de blanke. die alles angst aanjaagt.
Het alom geknechte, gehate, getemde dier dat zich hier in de uitgestrekte reservaten die zo groot zijn als hele provincies en waar slechts de wet van de jungle geldt, thuis. Naast hem en met hem leeft de mens, naakt onder de palmen, zonder behoeften, zonder zorgen, omgeven door zijn aanplant van bananen, thee en koffie, temidden van zijn tuinen vol gouden vruchten, zonder winter, zonder zomer, in de mildheid van een eeuwige lente.

Waar komt dit volk vandaan dat sinds de schepping van de aarde afgezonderd in de Hof van Eden leeft? Speke kreeg het volgende antwoord toen hij de inboolingen naar hun oorsprong vroeg: ‘Wij komen uit het land waar de maan iedere nacht op de besneeuwde toppen nieuwe kracht opdoet en haar mooie, blanke licht haalt.’ Zijn het Bahima’s, de uit Abessinië en wellicht uit Azië binnengezworven nomaden? Behoren ze tot de grote familie van de herders- en boerenstammen der Bantoes die donker Afrika een van zijn grootste culturen schonken, getuige de ruïnes in Simbabwe, waar koning Salomo het goud voor zijn tempel vandaan gehaald zou hebben? We weten het niet. Misschien zijn het eenvoudig kinderen van dit gezegende land, waar volgens de legende de wieg van de mensheid heeft gestaan. Hoewel deze stammen woonden in het land van de papyrus, hebben ze geen enkel geschreven bericht over hun historie nagelaten. Ze kenden geen schrift, noch waren ze de wiskunde en de sterrenkunde machtig. Als goede boeren bepaalden ze de tijd aan de hand van hun oogsten. En toch stonden Speke en Burton versteld van hun cultuur, die veel en veel hoger ontwikkeld was dan die van de buurstammen (waarvan de meeste nog volslagen natuurvolkeren waren), van hun begrip voor comfort en zelfs voor een zekere verfijning. Ze hadden steden met brede straten, uiterst hygiënische hutten en de betrekkingen tussen opperhoofd en onderdanen was strikt geregeld. Hun in drie koninkrijken opgedeeld land werd bestuurd door zachtmoedige heersers, voor wie de oorlog een tijdverdrijf en braspartijen een sportieve bezigheid waren, maar die toch met een wijsheid van onbekende herkomst regeerden, want nooit waren Egyptenaren, Hindoes of Grieken tot deze gebieden doorgedrongen.

Maar waar komt deze donder vandaan, dit gedreun als van een fabriek, deze waternevel die de hemel over een afstand van meer dan een kilometer verduistert? Het is de Nijl, die als een ziedende zee uit het Victoriameer stroomt, van rots tot rots springt, zich na de halsbrekende sprong over de Murchison Watervallen in het beneden liggende dal stort om zijn 6000 kilometer lange reis door 6000 jaar menselijke geschiedenis te aanvaarden.

Bliksem. Donder. De toorn Gods zoals eertijds op de berg Sinaï. De regen valt in stromen neer. Met de kop omlaag worstelen onze muilezels zich tegen de wervelstorm in. Een echte karavaan. Amda, de leider van onze dragers, gaat voorop. Zijn benen zijn bloot en hij heeft een wollen doek om hoofd en schouders geslagen. Twee van zijn mensen, rijzige zwarten in lange, smoezelige hemden en met een onderdanige gelaatsuitdrukking, volgen hem te voet en trekken hun dieren, die beladen zijn met de leren tenten, achter zich aan. De drie achter ons, met hun muilezels die opzij uitpuilen door hun last van waterzakken en tassen met leeftocht, sluiten de rij. Het in basalt uitgehakte, duizelingwekkende pad stijgt en we komen terecht in een woud van ceders, wilde vijgebomen en boomvarens. Regen en wind zijn bitter koud en we zitten te rillen. Drie dagen geleden, in Juba in Soedan, was het 55 graden in de schaduw. Hier is het vermoedelijk amper 10 graden. En nergens een overhangende rots of een grot om te schuilen. We hebben nog een klim van twee uur voor de boeg voordat we op 2700 meter hoogte de top van de uitgedoofde vulkaan zullen bereiken op de hoogvlakte van Ethiopië, waar de dwaze James Bruce tweehonderd jaar geleden de bronnen van de Nijl gevonden meende te hebben.

En plotseling het wonder. Het regent niet meer. De wolken scheuren uiteen en 900 meter onder ons zien we het in de zon glinsterend blauwe Tanameer, waaruit de Blauwe Nijl ontspringt om naar de Nijl in Soedan te vloeien. Onze atletische dragers hebben het bovenlichaam ontbloot en met hun licht bronskleurige huid zien ze er al bijna als Egyptenaren uit. Met de hielen of een stok drijven ze hun lastdieren voort en daarbij stoten ze niet mis te verstane kreten uit: we naderen het Heilige der Heiligen, de Gish, waar men sinds duizenden jaren een bron en een zwarte, van de maan gevallen steen aanbidt. Daar is de steen. En ook de bron – een door de regenval gezwollen beek met een bedding van grove kiezel en hoge varens, die achter een dichte haag van bamboe in het nabijgelegen woud verdwijnt. Men noemt hem de kleine Abbai. Het is de Nijl. Laten we hem niet, zoals de aardrijkskundigen, ‘Blauwe Nijl’ noemen. Voor de Ethiopiër is de Abbai de echte Nijl, de enige Nijl. De andere, de ‘Witte Nijl’ (die anderhalf maal zo lang is), beschouwen ze slechts als een soort bijrivier.

Onder de gloeiende zonnehemel doolt een volk dat zo uit de bijbel gekomen kon
zijn. De mannen – het gezicht onder de tulband omkranst door een
profetenbaard – rijden op hun ezels aan kop. De vrouwen volgen te voet. Op het hoofd dragen ze bundels en ze trekken een lange sluier van stof achter zich aan, waardig als de amfoordraagsters van de fresco’s die de graven van Thebe sieren. Het zijn er honderden, duizenden. De meesten komen van ver: uit Harar, Eritrea en Massawa aan de Rode Zee. Het zijn christenen – ze behoren tot de oudste christenen ter wereld – die een pelgrimstocht naar Aksum maken om daar Palmzondag te vieren, een van de belangrijkste feestdagen van de Koptische Kerk.

Onze karavaan heeft zich bij de hunne aangesloten. Het is middag. Alles gloeit onder de zon die loodrecht boven ons staat. De nomade heeft geen schaduw meer. In de verte hoort men een geruis als van een bergbeek – de gebeden van de pelgrims die klinken als een gebruis. Het zijn er vijftien-, misschien twintigduizend, gekleed in woestijngewaden, velen gesluierd, anderen halfnaakt onder de korte schoudermantel van de bijbelse herders. Ze zijn allen gekomen en scharen zich nu als een kudde rondom de basiliek van Aksum. Het is geen kathedraal, maar een vesting zoals de kruisvaarders die bouwden: met torens, wallen en kantelen – een burcht als Akko, met één enkel, maar verschrikkelijk wapen: het kruis. Aksum, eens een terrein met stéles die duizenden jaren geleden door maanaanbidders werden opgericht, daarna eeuwenlang de heilige stad waar de nomadenkoningen van Ethiopië, die geen hoofstad bezaten, zich lieten kronen. De stad is net Rome van de christelijke staat Ethiopië, die in het hart van het islamitische Oosten als een chinese muur oprijst.

Door de geiten voortgeduwd en door de ezels samengedrongen – ze zijn schitterend opgetuigd en hun rug is getooid met het Koptische kruis, want ze hebben Christus gedragen – dringen we door tot de hitte en het stof van deze mensenmassa uit duizend-en-één-nacht, die naar houtvuur, wierook en zand ruikt. Daar zijn de rijken van de woestijn met hun glinsterende tulbanden, de door een dwerg geleide blinden, melaatsen met weggevreten lippen die gorillatanden ontbloten, naar bokken en muskus stinkende herders en met goud behangen hogepriesters die als negerkoningen met hun vliegenwaaier spelen. Er komt een optocht aan. Onder scharlakenrode. met fonkelende edelstenen bezette baldakijnen naderen de Heilige Drie Koningen met gouden kronen en gehuld in blauwe, gele en scharlakenrode gewaden, gevolgd door de hogepriesters met hun purperrode, fluwelen mijters. Nadat de processie langzaam rondom de basiliek is getrokken, blijft ze staan. Dan treden de priesters in gesloten gelid naar voren, vormen een rij, buigen, hurken neer, staan weer op, gaan iets naar achteren en komen weer naar voren. Het ritme wordt versneld. De passen worden een dans. En het is inderdaad een dans: de dans van David voor de ark des verbonds op de dag van de intocht in Jeruzalem. En de Ark bevindt zich hier, in het Allerheiligste onder de basiliek. In de ark rusten de stenen tafelen waarin Mozes de geboden van God beitelde. Er wordt een lofzang aangeheven, terwijl in de verzengde lucht wierook, mirre, sandelhout en alle welriekende stoffen van Arabië branden die de koningin van Saba hierheen heeft gebracht.

Urenlang wisselen gezang en dans elkaar in het gloeiende stof af en ook wij
worden in een soort roes meegetrokken. Als de nacht valt vinden we elkaar terug bij de kampvuren die deze avond de woestijn van Aksum veranderen in een dorp van vlammen. Een oude geleerde, een kenner van de Falasja’s – de joden van Mozes die, naar men zegt, na de exodus hier zijn gebleven – noemt ons de bijbel- en koranbronnen van de legende rondom de koningin van Saba, waarvan recente oudheidkundige vondsten de historische juistheid lijken te bevestigen. Men weet dat er in het zuiden van Arabië, in het huidige Jemen, eeuwenlang het machtige en hoog beschaafde koninkrijk Saba – met de hoofdstad Marib – heeft bestaan dat Ethiopië (zoals indertijd heel Afrika genoemd werd) veroverde, waarna dit land de cultuur en het schrift van Saba overnam. De bekendste koningin van Saba was degene die in de Ge’ez-taal Makeda en in het Arabisch Bilkis heet. Zij moet de sprookjesachtige koningin van Saba zijn waarvan de Bijbel spreekt.
Toen de koningin van Saba over de roem van Salomo hoorde, kwam ze naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. Met een groot gevolg en met kamelen die beladen waren met welriekende planten en grote hoeveelheden goud en juwelen begaf ze zich naar Jeruzalem. Ze sprak met Salomo over alles wat ze op het hart had. En Salomo beantwoordde al haar vragen. En er was niets dat hij haar niet wilde geven. ‘Zelfs niet de zoon die ze van hem verwachtte,’ voegde onze wijze vriend hier glimlachend aan toe. ‘Zo stond het ook in het eerste artikel van onze grondwet: de keizerlijke dynastie van Ethiopië stamt in rechte lijn af van Menelik l, de zoon van de koningin van Saba en koning Salomo van Jeruzalem, zonder enige leemte, van keizer Sahle Selassie tot en met keizer Haile Selassie I, onze heerser bij de genade Gods.’
Terwijl de bijbel slechts over het begin van het avontuur bericht, vindt men in de ‘Kebra Nagast’ (Roem der Koningen), het oudste geschrift over de geschiedenis van Ethiopië, ook het einde ervan. Toen hij twintig was, ging Menelik bij zijn vader op bezoek. Maar hij verveelde zich aan het hof van Jeruzalem zo dat hij vluchtte, waarbij hij de ark des verbonds met de tafelen der wet meenam en hier naar Aksum bracht, ‘waar ze zich nog steeds bevinden’, zoals de hogepriesters, belast met de bewaking, bevestigen. We laten onze karavaan in Aksum achter en rijden met de Landrover naar het Tanameer, vanwaar de Blauwe Nijl in de richting van Soedan stroomt om zich in Khartum met de Witte Nijl te verenigen.

Niets dan karresporen. woestijn en brandend zand. Plotseling doemt als een fata morgana aan de horizon het Tanameer op, blauw en reusachtig als de zee (25 000 km2), met zijn honderd eilanden waarop de oudste kloosters ter wereld staan. Vijf of zes oude vrachtschepen, een barak en een aanlegsteiger: we zijn in Gorgora, een van de twee havens aan het Tanameer. Nu liggen we op de brug van een van deze boten in de schaduw van een dekzeil en omgeven door een schare negers – ongetwijfeld Soedanezen. Mannen en vrouwen, gehuld in gewaden die even dun zijn als de sluiers van een oosterse danseres. Tussen twee eilanden duikt plotseling de Nijl weer op, die we een tijdlang uit het oog hadden verloren. Zijn donkere watermassa’s snijden van oost naar west dwars door het meer voordat ze vreedzaam door de thee- en koffieplantages aan de rand van de woestijn verder stromen. Maar in Tisissat valt de bodem onder hem weg. De rots breekt abrupt af. Van een hoogte van 50 meter stort hij zich in een ravijn over de bodem waarvan hij zich onzichtbaar en onbereikbaar over meer dan 600 kilometer met luid geraas een weg zoekt.

Geen veroveraar, geen avonturier is er ooit in geslaagd deze natuurlijke weg, de enige die toegang geeft tot de hoogvlakte van Ethiopië, af te leggen. Daarom was dit land ook duizenden jaren lang een van de weinige in Afrika die zich aan niemand hoefden te onderwerpen. Mehemet Ali, de veroveraar van Egypte, moest het opgeven en ook de Egyptische koning Hatsjepsoet, drieduizend jaar voor hem, had niet meer geluk. Ontelbare ontdekkingsreizigers hebben geprobeerd per boot de Blauwe Nijl vanaf het Tanameer tot aan Khartum af te zakken. Geen van hen boekte succes. Er bestaat geen leven op de bodem van dit ‘dodenravijn’. De bedompte lucht wemelt van muggen en vliegen, waarvan de giftige beten blindheid kunnen veroorzaken of er zelfs toe kunnen leiden dat de gestokene krankzinnig wordt.

De eerste regenvlagen, voorboden van de grote regens – en van het wassen van de Nijl – zijn gevallen. In Fazughli, waar de Blauwe Nijl na zijn weg door de woeste ravijnen van Ethiopië Soedan binnenkomt, heerst vreugde en angst tegelijk. Vuil en rood door de meegesleurde termietenheuvels, ontwortelde bomen en uitgeholde rotsen stroomt hij breeduit de woestijn in. De miljarden aardkruimels, wortels en steentjes die hij meevoert vormen het vruchtbare slib dat hij samen met de Witte Nijl naar Egypte brengt en dat de gloeiend hete woestijn in de koren- en katoenschuur van de Oriënt verandert.

Achter het gebied van Fazughli – men hield het lang voor het Ofir van de bijbel, – waar de legioenen van Salomo het goud voor de tempelbouw in Jeruzalem vandaan haalden – begint Soedan en de woestijn. In de zwoele nacht werkt Khartum als een oase van licht. Deze stad, waar Winston Churchill aan de laatste cavalerie-aanval uit de geschiedenis heeft deelgenomen, is nu de hoofdstad van een onafhankelijke staat. Het is 55 graden in de schaduw. We branden onze handen aan het stuur van de Landrover. Nu moeten we in de nacht met schijnwerpers aan het oude pad rijden dat Bruce. de Schot, volgde om de reusachtige, tot op de dag van vandaag onbevaarbare lus van de Nijl af te snijden en de rivier weer te bereiken waar hij eindelijk rustig voortstroomt, twee uur van Aboe Simbel vandaan, de koninklijke poort tot Egypte waar zich zes millennia lang een van de meest avontuurlijke en legendarische hoofdstukken uit de geschiedenis van de mensheid heeft afgespeeld.

We worden wreed gewekt. Een krachtige slingerbeweging heeft ons uit onze kooien – twee op de brug uitgespreide gebedstapijten – geworpen en bijna waren we overboord geslagen. Wat is er aan de hand? Niets. Een windhoos. Gamal, de twaalfjarige scheepsjongen die bij het roer hurkt, stelt ons met een ondeugende glimlach gerust. Ahmed en Abdoe, onze matrozen, werpen zich met de zoom van hun galabieh (het lange hemd van de Egyptenaren) tussen de tanden met hun volle gewicht op de bamboestaken. Hun verwrongen silhouetten – het bovenlichaam ziet men van voren, de heupen in profiel – doen denken aan de fresco’s van Thebe. Gelijk hun voorouders, de schippers van de zonnebarken, sturen ze vloekend als ketters onze Seti I, ‘de beste feloek op de gehele Nijl’, door de stroom en tussen de schier uit het water oprijzende stenen door die Herodotus reeds 2400 jaar geleden vervloekte.
Dan wordt alles weer rustig – de wind, de rivier en de bemanning. En terwijl we in de golven die het eerste daglicht weerspiegelen ons ochtendbad nemen, verrichten Abdoe, Gamal en Ahmed, neerknielend op het voordek, met hun voorhoofd de brug beroerend, weer opstaand en zich opnieuw neerwerpend, hun morgengebed in de richting van Mekka. Door de eindeloze, gloeiende stilte die met de dag optrekt, klinkt vanaf de oever een melodie: het knarsen van een houten wiel, een kinderstem, de roep van een vogel. Het is de noria, waarmee reeds de Grieken en de Romeinen water uit de Nijl schepten en die de ellende van de fellahin een weinig verlicht. Het rad draaide reeds toen Menes of Narmer. zoon van Scorpio en eerste farao van de eerste dynastie, de troon besteeg en zich kon laten uitroepen tot ‘koning van het land in het noorden en van het land in het zuiden’, in een tijd dat Griekenland nog een hoop stenen, Rome een moeras en Gallië een ondoordringbaar oerwoud was.
De noria, het scheprad, is een zonderling, heel eenvoudig werktuig, maar de uitvinding ervan is een enorme creatieve prestatie geweest. Een groot, houten wiel waaraan ongeveer twintig kruiken bevestigd zijn, draait loodrecht rond in de rivier. Wanneer ze omhoog komen vullen de kruiken zich en wanneer ze naar beneden gaan ledigen ze hun inhoud in bakken of irrigatiekanalen.
Het wiel wordt aangedreven door een houten, horizontaal geplaatst tandrad dat door een geblinddoekte os draaiende wordt gehouden. Een kind in een lang, smoezelig hemd zit op de dissel en drijft het dier voort met een doornige tak. Daarbij zingt het met schelle stem een Arabisch wijsje om de os aan te vuren en zichzelf over zijn verveling heen te helpen. Een bizarre, magere vogel begeleidt zijn gezang, een soort leeuwerik die je ook met starre ogen blijft aankijken wanneer hij je van voren aankijkt – op een manier zoals men het alleen nog op de fresco’s in het Dal der Koningen kan zien.

Nijl 3

Reeds zesduizend jaar geleden gebruikten de Egyptenaren de noria om water uit de Nijl te scheppen. Deze eenvoudige, door een os of een kameel aangedreven machine heeft een opmerkelijke capaciteit.

Aan boord van de oude postboot die we genomen hebben en die uit alle kieren rookt en olie en kokend water zweet, worden we op de maat van de golven door elkaar geschud. Verweerde hiërogliefen op een zuilschacht trekken de aandacht van de passagiers. ‘Als u een neger bent, ga dan niet verder. Nu behoort de Nijl u niet meer toe.’ Deze inscriptie kwam veelvuldig voor op de grensstenen van het oude Egypte. Hier begint Egypte. Het begint met de melodie van de noria. Door het water is de nomade honkvast geworden. Het koren heeft een boer van hem gemaakt. De leren tent werd een hut, de hut een piramide. Noch bij zijn leven, noch bij zijn dood verlaat de fellah zijn aarde.

Egypte, geschenk van de Nijl? Ja. Maar vooral voor de Egyptenaren. De Grieken hebben volgens Herodotus alles aan de Egyptenaren te danken gehad: het merendeel van hun wetenschappen, hun kunsten, zelfs bijna al hun góden. Ook dit scheppend vermogen heeft de Egyptenaar weer aan zijn rivier te danken. Want deze Nijl, god en duivel tegelijk, moest bedwongen, getemd en ingedamd worden. Men moest zijn overstromingen berekenen, voorspellen en voorkomen. Men moest de watermassa’s met behulp van dammen in bedwang houden, zich er met dijken tegen beschermen, ze door middel van irrigatiekanalen benutten en taluds aanleggen om het meegevoerde slib vast te houden.

De Nijl, de oeroude sfinx met zijn baard van papyrus, stelt de fellah duizend vragen die de mensheid nooit eerder zijn voorgelegd en die hij beantwoorden moet, wil hij in leven blijven. En hij beantwoordt ze. In het begin van het derde millennium ontdekt hij de astronomie, de kalender, de wiskunde, het schrift, de meetkunde, de architectuur, de industrie, de economie, voert hij openbare werken uit en beoefent hij de kunsten. Reeds dan is het gehele land in kleine vierkanten opgedeeld. Het kleine vierkant wordt tot hiëroglief en betekent ‘provincie’. Elke provincie komt overeen met een sector van de Nijl. Ze heeft een eigen bestuurder en een eigen waterbouwkundig ingenieur. Jozef, die de onweerstaanbare vrouw van Potifar weerstond, was minister van Nijlzaken en bekleedde dus het hoogste ambt in de staat. Om leiding te geven aan dit zich over 2500 kilometer uitstrekkende bouwterrein, dat zich van de huidige grens tussen Egypte en Soedan tot aan de delta uitstrekte en Egypte heette, was een machtige staat nodig. Cheops, Chefren en Mykernos hebben de staat gestalte gegeven en wel volgens het principe van hun piramiden. De farao, die tegelijk god is, vormt de top en het volk de basis. Daartussen, aan de zijden van de piramide, de priesters en de ambtenaren. Ieder in zijn kleine vierkant en met zijn Nijlmeter. Dit was de weergaloze structuur van een der meest volmaakte bestuursapparaten die er ooit zijn geweest. Een staat waarin de wetten en de politie een staatsburgerlijke discipline, sociaal gevoel, moraal, godsdienst, een vaderland grondvesten.

Drie uur ’s morgens. Volle maan boven de Nijl. Abdoe heeft onze feloek nog niet vastgelegd wanneer we reeds vol ondernemingslust het nieuwe plein voor de tempels van Aboe Simbel betreden. Het wonder is volbracht. De stuwdam van Aswan (de Nasserdam, zoals hij tegenwoordig heet) heeft zijn sluizen wijd opengezet en het gehele dal is langzamerhand volgestroomd. De tempels, die duizenden jaren lang naast de rivier in het zand hebben gestaan, zijn gered. In blokken gezaagd heeft men ze stuk voor stuk opgehesen naar een ongeveer 60 meter hoge oeverklif die vroeger boven de Nijl uittorende maar die nu op gelijk niveau met het reusachtige stuwmeer ligt en ze daar weer opgebouwd.

De constructie van de dam is een kolossale onderneming geweest, waaraan de gehele wereld heeft deelgenomen en die als het levenswerk van Nasser de geschiedenis in zal gaan, ofschoon de laatste tijd bepaalde bedenkingen worden geuit met het oog op onvoorziene gevolgen, zoals de verarming van de dierenwereld van de Middellandse Zee. Maar de tempels staan er weer, plechtig ongeschonden.
In de verte stralen de lichten van de dam door de duisternis. Daarginds in de woestijn davert de gigantische fabriek met al zijn elektrische centrales, die het duizenden jaren oude land voorziet van de twee voor het moderne leven onontbeerlijke grondstoffen: water en stroom. Aboe Simbel echter ligt in volmaakte stilte onder de maanblauwe hemel waaraan in het oosten reeds de ochtend schemert. De Zonnezoon zelf heet ons welkom: Ramses II de Grote, twintig meter hoog, zittend op zijn troon, de handen op de knieën, in de houding waarin hij vereeuwigd wenste te worden, ‘enig en ontelbaar als Amon’, wakend bij de ingang van Egypte. Het is het meest verheven en waarheidsgetrouwe beeld dat Egypte ooit van zichzelf en van zijn creativiteit geschapen heeft. Ramses II, god en farao, is geen veroveraar. Hij is een mens de Nijl, van deze aarde, een boer.
In een maanverlichte nacht als deze moet men Karnak bezoeken en luisteren naar Thoetmozes III de Heerlijke, wanneer hij vertelt hoe hij na twintig jaar van slavernij, nadat hij zijn losbandige gade en haar minnaar gedood had, ertoe kwam – hij, de Wijze – zijn land met krijgsgeweld te bevrijden, hoewel hij dat liever louter met zijn morele kracht zou hebben gedaan. Zijn bekentenis staat in fraaie hiërogliefen gebeiteld in de door de maan vergulde en nu om middernacht nog lauwwarme steen van de tempel van Amon ‘wiens machtige zuilen de hemel stutten’. Het avontuurlijke verhaal van een mummie. Op negenjarige leeftijd werd Thoetmozes III uitgehuwelijkt aan zijn twintig jaar oudere tante, de koningin Hatsjepsoet. Tot de echtverbintenis werd overijld door de priesters besloten om de ingewikkelde opvolging van Thoetmozes II te verzekeren, want als zoon van een bijzit van de koning was Thoetmozes III onwettig. Maar niet Thoetmozes III zou tweeëntwintig jaar lang, van 1505 tot 1483. over Egypte heersen. Dat deed Hatsjepsoet I. de ‘Zoon van de Zon’. Ze beschouwt zich als zoon en niet als dochter. Want Hatsjepsoet draagt mannenkleren en een kunstbaard, teken van mannelijkheid en van de macht van de farao. Koning wil ze zijn. geen koningin. De koning der koningen. En zo’n koning is ze, de fascinerende vrouwelijke farao.
Hatsjepsoet I met de gouden baard, die haar echtgenoot, de farao, rokken laat dragen en naar het vrouwenhuis verbant, regeert bijna een kwart eeuw over Egypte, niet als Egyptenares, maar als Egyptenaar. Ze bewerkt de grond, legt kanalen aan, spant de ossen voor het scheprad. Ze heeft slechts één zwakke plek: Senmoet, de architect uit Thebe, die voor hen beiden een rustplaats ontwerpt zoals nog nooit een liefdespaar had bezeten – Deir el-Bahari, de rotstempel bij de ingang van het Dal der Koningen.
Het dal ligt vlak bij en we gaan erheen. Onze feloek meert af voor het paleis van Luxor. Wij logeren ertegenover, op de andere oever, in de dodenstad Thebe, in een hotel zoals toeristen zelden mee zullen maken. Het behoort toe aan El Moerad de Oude en ligt in het dorp Goernah achter de twee kolossen van Memnon aan de voet van de Dodenberg. Het maakt een armzalige indruk en heeft slechts drie kamers, maar ‘met alle comfort’. Een ijzeren bed, wegens de hitte en de vlooien zonder matras, en een pijl met het Arabische opschrift ‘naar de toiletten’ – die tweehonderd meter verderop in de woestijn liggen. Wanneer de drie kamers bezet zijn, brengt El Moerad zijn gast naar de dependance. Hier liggen de graven – precies zoals de farao’s ze hebben achtergelaten, enigszins bedompt en aan het einde van lange, wat schuin aflopende gangen. Niet iedereen wordt in een graf ondergebracht. Men moet er geschikt voor worden geacht. El Moerad de Oude houdt het bij de spreuk van zijn grootvader Abd el-Rasoel de Vrome: ‘voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast’.
Eens arriveerde er een eenvoudige man in de herberg bij de doden. Hij legde zijn rugzak af, zette zich onder een boom en bestelde rustig een koffie. ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg Abd el-Rasoel. ‘Daarvandaan waar jij heen zult gaan’, antwoordde de ander. ‘Wat wil je?’ ‘Jouw zegen.’ Dat was het wachtwoord. Toen de nacht viel, bracht Abd el-Rasoel de man naar zijn kamer in de dependance, in een grafkelder. Het was dezelfde waarin wij vanavond slapen. Hij is klein, gewelfd en vertoont zwarte sporen van hiërogliefen en rode plekken waar zich vroeger fresco’s bevonden. Daar stond het bed, de kruik. Abd el-Rasoel leunde tegen de muur en drukte er met zijn gehele lichaamsgewicht tegenaan. Uit de wand kwam een grote steen los en een koude tocht blies de kaars uit. Ze staken haar weer aan. Toen drongen ze door tot de onderaardse ruimte, erop lettend niet op schorpioenen te trappen en de voetangels en klemmen te ontwijken die rovers tegen moesten houden. Ze liepen door een kamer, een tweede, een derde en opeens: een schier bovenaardse gloed. Robijnen, saffieren en goud. En wat een goud! Ze stonden in de schuilkelder van Deir el-Bahari, een ruimte zo groot dat de priesters van Amon er zestig sarcofagen van farao’s met hun sprookjesachtige schatten op elkaar konden stapelen – om ze tegen grafschenders te beschermen. De reiziger greep een schriftrol, wierp een paar muntstukken op de grond en verdween.
De volgende dag werd Abd el-Rasoel de Vrome opgebracht naar de ‘karasol’, het politiebureau. Hij herkende zijn bezoeker van de vorige dag weer, maar ditmaal was die gekleed als een heer. Het was een medewerker van Maspero, de directeur van de Dienst voor Egyptische Oudheden, in Cairo. Samen met de grootste archeologische vondst aller tijden werd het nieuws van de arrestatie van de Egyptenaar de sensatie van de eeuw. Door de ontmaskering van Abd el-Rasoel als het hoofd van een bende grafrovers ontdekte men behalve de graven van de farao’s en de schatten uit het Dal der Koningen vijfduizend jaar Egyptische geschiedenis in beelden en daarmee het wonderbaarlijke avontuur van de mensheid waarvan de archeoloog Champollion sprak toen hij de eerste hiërogliefen op de ‘steen van Rosetta’ (een bij Rosetta, de Egyptische stad Rashid, gevonden muurfragment met hiërogliefen in drie talen) ontcijferde die een arbeider van Napoleon met zijn houweel bijna kapot geslagen had. Zo hadden de voorvaderen van Abd el-Rasoel, de rol van grafrover telkens weer van vader op zoon overervend, vijfduizend jaar lang met mate op hun sprookjesachtige voorraad geteerd en – telkens wanneer echte nood hen daartoe dreef – een stuk van hun onmetelijke juwelenschat verkocht.

Van Thebe, de oude dodenstad, moet men het vliegtuig nemen om het legendarische Cairo te bereiken, de hoofdstad der levenden, de poort van de Nijldelta. De lucht is zo helder en de machine vliegt zo laag dat men op de zanderige oeverdam van de rivier de bedoeïenen kan herkennen die zich in hetzelfde trage ritme voortbewegen als hun kamelen. Aan beide kanten van het groene water ziet men duidelijk het verbrande zand, de uitgegloeide rots – de woestijn. En plotseling doemt ze op, de sprookjesachtige stad, ‘de stad van de vierhonderd moskeeën’, verguld door het stof waaraan de zonsondergang een roze gloed geeft.
Meer nog dan het legendarische Bagdad is Cairo ook nu nog de werkelijke hoofdstad uit duizend-en-één-nacht, met de middeleeuwse citadel, de moskeeën en minaretten, de oude, vestingachtige serails, de uit de 16de en 17de eeuw daterende Arabische huizen die aan de straatkant geen ramen hebben, de verborgen tuinen, het doolhof van steegjes zonder trottoir waarin men nog waterdragers tegenkomt, en met zijn reusachtige bazaars waarin alle beroepen zijn vertegenwoordigd. Ook nu nog is Cairo de oosterse sprookjesstad – precies als duizend jaar geleden. Onbezorgd en dromerig leeft men er in de koele schaduw van de oude stadswallen en kraampjes waar goud gesmeed en koper geslagen wordt, waar men vent met specerijen en waar men bij het genot van een kopje koffie lang en zonder zijn geduld te verliezen pingelt om het tapijt, het ivoorsnijwerk of het stuk zijde waarop men zijn zinnen heeft gezet. En net als ten tijde van de kaliefs is het nog steeds de heilige stad, de laatste grote pleisterplaats voor Mekka. In het hart van de stad staat de universiteitsmoskee al-Azhar, het Vaticaan van de islam, die dagelijks via de radio de 300 miljoen moslems over de gehele wereld herinnert aan het woord en de wetten van de profeet.
Midden in de oude stadskern met zijn middeleeuwse straatjes die tot aan de rand van de woestijn lopen, is het nieuwe Cairo ontstaan met stralend witte gebouwen en parken, door Nasser met de macht van zijn woord en met bulldozers te midden van ellende en vuil uit de grond gestampt – avenues, boulevards en esplanades, omzoomd met wolkenkrabbers, warenhuizen en luxe hotels die oprijzen in de eeuwig blauwe lucht. Banken, kantoren, bioscopen, chique zaken, rode verkeerslichten, groene verkeerslichten, verkeerschaos, schel getoeter – hier wordt men de koortsige polsslag van het westen gewaar waarmee deze ultramoderne metropool dag en nacht is vervuld.

Wat een stilte, wat een rust daarentegen daar op het bovenste terras van de citadel in het hart van Misr al-Kahira, het oude Cairo van de legende, de antieke hoofdstad van het in de tiende eeuw van onze jaartelling gegrondveste rijk der Fatimiden, waarvan de glans uitstraalde over de gehele wereld. Aan onze voeten als sedert duizenden jaren het bonte leven en de bedrijvigheid van de bazaar, dat op het ritme van de soera’s uit de koran klopt en zingt, en in de verte de door het licht van de ondergaande zon met goud overgoten piramiden, langzaam verblekend in de schemering. En slechts 20 kilometer hiervandaan begint middenin de woestijn de Nijldelta. waar enkele duizenden jaren geleden alles begon.

Plotseling steekt een zandstorm op. een ware orkaan. Woestijn, hemel, zee – alles verdwijnt in de windvlagen die ons dreigen te verblinden en te verstikken. We kunnen niet eens meer de reserve-Landrover onderscheiden die ons met de tenten en de onderdelen volgt. We zijn van de weg geraakt. Men ziet en hoort niets meer – behalve het fluiten van het zand. Voortdurend toeterend rijden we voorzichtig verder, gaan we tastend voort als een schip in de mist met behulp van zijn sirene, niet omdat we bang zijn voor een aanrijding – hier kom je bijna niemand tegen – maar om contact te houden met Ahmed en Gamal. die achter ons in de woestijn niet meer te zien zijn. Abdoe. onze chauffeur, houdt
scheldkanonnades als op de Seti I, die we in Thebe hebben achtergelaten. En ook wij tieren tegen de hemel, de wind, het zand en die vervloekte Alexander de Grote die ons tot dit onzalige uitstapje verleid heeft. We verlaten het strand en rijden zuidwaarts naar de oase Siwa, waar Amon-Re het orakel raadpleegde.

Hoge palmen rijzen op uit het zand. Van de tempel zijn nog slechts ruïnes over. Maar de god is schrikwekkend aanwezig in deze eenzame woestenij die een van de grootste heiligdommen ter wereld vormt. Hier heeft Alexander de Grote, die ervan droomde een huwelijk tot stand te brengen tussen Oost en West en met behulp van wijsheid en harmonie een verenigd wereldrijk te stichten, Zeus-Amon gevraagd of hij, de zoon van God en zelf God, waardig en klaar was voor een dergelijke onderneming. En Zeus-Amon heeft hem geantwoord: ‘Ja. Jij bent de zoon van Amon-Re.’ Alexander is vierentwintig jaar. En hij heeft reeds overwinningen behaald waarvan er één voldoende zou zijn geweest om iemand met roem te overladen: Granicus, Issus, Tyrus, Arbela. Door zijn laatste farao’s verraden, aangevallen door de Perzen, overgeleverd aan vreemde heerschappij en intriges, gaf Egypte zich aan Alexander over ‘als een geliefde’. Terwijl hij fijn stof uit zijn smalle handen liet glijden, tekende de Macedoniër in het natte zand van het strand de plattegrond van de stad die eeuwenlang de machtigste en roemrijkste ter aarde zou zijn, een centrum van verfijning, cultuur en van het intellect – Alexandrië. Vanaf hier vertrekt hij om ook nog de rest van de wereld te veroveren: India. En hij is zo schoon dat de Hindoes Boeddha zijn gelaatstrekken geven.

De stenen van de tempelruime, in de halfschaduw van de palmen nog warm van de middagzon, voelen bijna aan als zijde. ‘Hier. bij Amon-Re wilde hij begraven liggen’, vertelt ons de oude monnik die de cultus rond de held in stand houdt. “Zijn er opgravingen gedaan?’ Hij schudt het hoofd. Acht jaar na de pelgrimage van Alexander naar de tempel van Siwa trok een span van vierenzestig muilezels met het stoffelijk omhulsel van de wereldheerser vanuit Babylon naar het westen. Perdiccas. die het rijk bestuurde, wilde dat het lijk van Alexander werd overgebracht naar Aegae. de hoofdstad van de Macedonische vorst. Maar Ptolemaeus. de legeraanvoerder en intiemste vertrouweling van Alexander. slaagde erin de plannen van Perdiccas te verijdelen en het lijk naar Memphis m Egypte te verschepen, vanwaaruit het naar Alexandrië vervoerd moest worden naar een tempel ‘waarvan de afmetingen in overeenstemming moesten zijn met de roem van Alexander’.
Het graf is verdwenen. ‘Lang heeft men geloofd dat het zich bevond ten zuiden van de Rue Foead I, onder de moskee Nebi Daniël’, zegt onze gids. ‘En op een dag toen ik een wandeling maakte, heb ik het toevallig teruggevonden, hier vlak bij.’
Vermaakt hij zich ten koste van ons? In Alexandrië, waar men bij iedere stap geconfronteerd wordt met de spotlust van Egypte en met de hellenistische neiging tot mystificeren, weet men nooit precies of iemand iets meent of dat hij iemand voor de gek probeert te houden. Maar onze gids is allesbehalve een grappenmaker. Hij behoort tot de notabelen van Alexandrië. Zijn verzamelwoede en liefde voor historie en oudheidkunde stempelen hem tot een van die autodidactische leken op cultuurgebied die men nog slechts aantreft in de hoofdsteden van oeroude beschavingen: in Kioto, Athene en Rome.

‘Volg me’, zegt onze gids. We lopen door de katholieke begraafplaats van Alexandrië, die een even overzichtelijke en vreedzame indruk maakt als een Japanse tuin. Iets verder naar beneden en een beetje terzijde van de muur staat een tempeltje. Het is vier meter hoog, meet drieëneenhalve meter in het vierkant en bestaat uit geweldige, gladde albasten platen zonder inscriptie, die zo licht, zo wit en stralend zijn dat het bijna aandoet als een sieraad. ‘Dit is de oudste ruïne in Alexandrië. Toen ik deze platen voor het eerst aanschouwde, was ik tot in het diepst van mijn ziel geroerd. Iets dat tegelijk zo kostbaar en zo ongekunsteld was kon slechts voor een held of een god bestemd zijn geweest. Dezelfde ervaring had ook mijn vriend Adriani, de toenmalige conservator van het Museum van Alexandrië. Zijn naspeuringen hebben bevestigd dat dit inderdaad, zo al niet het eigenlijke graf van Alexander, dan toch minstens de grafkamer geweest moet zijn die de gouden sarcofaag van de held herbergde. Overigens heeft professor Adriani aan dit onderwerp een boek gewijd dat als een standaardwerk geldt.’ ‘Maar hoe komt het dat de wereld niets van een dergelijke ontdekking vernomen heeft?’ ‘Waarschijnlijk had de wereld indertijd andere zorgen’, antwoordt hij met typisch Alexandrijnse ironie.

Daar is de vuurtoren. Hier lag het legendarische eiland Pharos dat Alexander zo boeide. Het bestond al niet meer toen Caesar bezit nam van het oude land der farao’s. Hij zag nog slechts ‘de grote toren van marmer die het licht droeg’, gebouwd door de Ptolemaeën, de opvolgers van Alexander. Vanaf deze door de wind gegeselde pier speurde hij, net als wij, het vijftig kilometer lange strand af naar het paleis van de laatste vrouwelijke farao. Hij droomde ervan haar, geketend aan zijn zegewagen, door Rome te slepen, die Cleopatra, die in navolging van Alexander Alexandrië tot de hoofdstad van de wereld wilde verheffen. ‘Hier moet het paleis gestaan hebben, links van de Pompejus-zuil.’ Terwijl we afstevenen op het belangrijkste gedenkteken dat de Romeinen tijdens hun korte verblijf op deze kust hebben nagelaten, naderen we langzaam de stad der steden, waarbij we in het natte zand zoeken naar het spoor van de kleine, ‘op het liefkozen van de lauwwarme zandplaten verzotte’ voet die zich zo koel op de lippen van Caesar legde en zo zwaar op de nek van Antonius drukte.

De verleiding is te groot, de hemel te blauw, de zee te groen. We duiken in de golven op dezelfde plaats waar Caesar zich volgens onze gids (en volgens Suetonius) in zee wierp om aan de vijand te ontkomen. Hier lag de Egyptische vloot voor anker toen de gelieven door de aanval van hun tegenstanders werden verrast. Ze zaten hiertegenover, op het terras van het paleis van Cleopatra, juist aan de feestdis. Verblind door het licht van de fakkels hadden ze de vijandelijke schepen niet naderbij zien komen. Caesar sprong op. Er bestond nog maar één mogelijkheid deze vloot tegen te houden, namelijk die van hemzelf in brand te steken. Hij gaf daartoe het bevel. En de negentig schepen van Cleopatra – en van hem – rezen als een muur van vlammen tegen de hemel omhoog. Maar al snel sloeg het vuur over op de tros van wagens aan land. De brand bereikte de stad. De bibliotheek, de grootste ter wereld, stond in lichterlaaie. Er verbrandden 400000 boeken, de nachtelijke hemel was rood. ‘De mensen weenden. Sommigen krabden zich het gelaat open. De meest fanatieken stortten zich in de vlammen en probeerden enkele waardevolle papyrusrollen van de vernietiging te redden.’ Antonius liet de bibliotheek herbouwen en breidde hem uit met ongeveer 200000 boeken. Maar de grote daad van Caesar herhaalde hij niet. Hij nam Cleopatra met zich mee in de dood en met hen ging ook Egypte langzaam te gronde. Het land der goden werd een Romeinse provincie. De lange nacht brak aan. Deze zou eerst 2000 jaar later eindigen, toen een andere gedrevene – Bonaparte, die zichzelf voor Caesar hield, zoals Caesar zich voor Alexander had gehouden – Egypte uit zijn sluimering wekte, het weer zijn taal, zijn geschiedenis, zijn creativiteit bijbracht en het de plaats toonde die het in de wereld toekwam.

Over Alexandrië valt de avond. Alles lijkt in vloeibaar goud gedompeld: de zee, de stenen, de gezichten. Het is het uur waarop men graag rondslentert door de hete straten, die wemelen van mensen van alle rassen, en met Theocritus in deze menigte vol geheimen en begeerten onderduikt. Op de hoek van de steeg wacht de oude Herondas op u – een Grieks dichter uit de Ptolemeïsche tijd die sterk realistische schetsen schreef die werden voorgedragen – om u tot gids te dienen door de Griekse en Arabische steegjes van de oude stad naar Rhacotis, de voormalige wijk van de jongens en meisjes van lichte zeden, met zijn kroegen en kramen waar men in het voorbijgaan nog de gehele ellende en betovering van de Oriënt kan beleven. Men volgt de grote straat die naar het Sarapeion leidde. Iets verderop lag Bruchion. de zakenwijk met de chique huizen van bankiers en
courtisanes. Uiteindelijk kwam men bij de tuinen die iedere avond besproeid worden en waarin het altijd ruikt naar omgespitte aarde, bedwelmend geurende kruidnagels en oleanders. En dan bij het museum, de bibliotheek en het mausoleum van Alexander.
Perzen, Grieken, Turken, Romeinen. Fransen, Britten, alle volkeren uit het Middellandse-Zeegebied, zowel nomaden, kameeldrijvers, bedoeïnen en woestijnvorsten als wilde koningen van het oerwoud, vuur- en maanaanbidders uit Sumerië en Byblus, aanhangers van Amon-Re en Zeus, joden, christenen en moslems zijn hier op doortocht geweest en allemaal werden ze bemind, gehaat, bejubeld en verjaagd. En iedereen heeft zich hier thuis gevoeld en bij zijn afscheid een stukje van zichzelf achtergelaten: zijn taal, zijn geur, zijn geloof, zijn lijden, zijn creativiteit. En zodra in Alexandrië de lichten aangaan en men zich in de avondkoelte onder de menigte mengt, zijn nacht beleeft, stormen het geroezemoes van de stad, haar geuren en begeerten zo hevig op hem af dat hem de adem wordt ontnomen. Vandaar deze bijna verstikkende impressie van een wereld die oververzadigd is van rijkdom, cultuur en intelligentie. die alle roerselen van lichaam en ziel kent.

Op de braak liggende, hobbelige terreinen met ruïnes waar wit in het maanlicht, de zuil van Pompejus oprijst, stonden iets meer dan tweeduizend jaar geleden het museum en de bibliotheek. Hier hebben twee of drie eeuwen lang geleerden en dichters, wiskundigen, wijsgeren, geografen, taalkundigen en astronomen van alle geestesrichtingen en uit al ’s Heren landen hun leerstellingen en inzichten vergeleken en door keuze, samenvatting en vertaling in 700 000 boeken de eerste encyclopedie van de menselijke kennis geschapen. Na Caesar ging de bibliotheek nog een keer in vlammen op. Ze werd weer opgebouwd en brandde opnieuw af. De barbaren ontstaken het vuur. Vervolgens zij die tegen de barbaren streden. Hier vochten scholen tegen scholen, kerken tegen kerken. Het jonge christendom wiste hier de laatste sporen uit van het heidendom. En Heraclitus, Parmenides, Empedocles, Anaxagoras en Democritus waren de slachtoffers van deze heilige toorn. Daarna bouwde de islam op de ruïnes van de tempels en kerken zijn moskeeën. Maar in tegenstelling tot wat men lang heeft aangenomen, redde de islam van de bibliotheek wat er nog te redden viel en stelde hij de universiteiten van Bagdad, Cairo, Kairouan en Córdoba de vele duizenden jaren oude kennis ter beschikking van India, Egypte, Griekenland, Perzië, Mesopotamië, China en Rome, die de geleerden van Alexandrië vergaard hadden.

Hier, op deze maanovergoten vlakte vol ruïnes, waar in de oudheid het instituut en de academie stonden, heeft vele jaren lang de eerste grote cultuur na Sumerië gebloeid: de cultuur van de Nijl.

Nijl 4

Lengte: 6671 kilometer, volgens de jongste berekeningen de grootste rivier ter wereld. Bron: Kagera (bronrivier), zuidoostelijk van het Kivumeer in Rwanda. Monding: in de Middellandse Zee als delta met een oppervlakte van 22000 km2, die een aanzienlijk deel van de totale in cultuur gebrachte grond van Egypte omvat. Doorstroomde gebieden: Rwanda, Boeroendi, Tanzania, Oeganda, Zaïre, Soedan, Ethiopië. Egypte. De bronrivier Kagera mondt uit in het Victoriameer. De Victoria V I stroomt bij Namasagali in het Kyoga-meer. Via de Murchison Watervallen stort de Nijl zich in het Albertmeer. De Semliki, de westelijke bronrivier, ontspringt uit het Edwardmeer en mondt eveneens in het Albertmeer uit. De Albert Nijl bereikt het moerasgebied El Sudd dat hij als Witte Nijl weer verlaat. Bij Khartum stroomt de Nijl als waterrijkste zijrivier in de Blauwe Nijl, die de hoogvlakte van Ethiopië afwatert. Daarna stroomt hij 2700 km lang door de woestijn. Belangrijkste zijrivieren: Sobat (740 km). Blauwe Nijl (1350 km), Atbar (1100km). Bahr el-Ghazal (240km). Stroomgebied: 2 867000 km2.
Waterafvoer: na een laagste stand eind mei-begin juni stijgt het peil in Egypte snel om in de maanden september en oktober zijn hoogste punt te bereiken. De oorzaak van deze steeds terugkerende was, is te zoeken bij de equatoriale hoogzomerregens en bij de moessonregens van de Ethiopische hoogvlakte. De gemiddelde waterhoeveelheid in de Blauwe Nijl stijgt van 11 miljoen m3 per dag in april tot 507 miljoen m3 per dag in augustus. Bij Aswan bedraagt de hoeveelheid natuurlijke afvoer 83 miljard m3 per jaar.
Waterkrachtcentrales: Oeganda levert van de centrale aan de Owen Watervallen elektriciteit tot aan Nairobi. De nieuwe stuwdam van Aswan maakt het mogelijk de kracht van het water te benutten voor het opwekken van stroom (10 miljard kWh).
Bevloeiing: De periodieke wisseling van de waterafvoer deelde reeds ten tijde van de farao’s het jaar op drie perioden: de overstromingstijd
(augustus tot november), de teelttijd (november tot maart) en de tijd van het braak liggen (april tot juli). Pas de bouw van stuwdammen en waterkeringen sinds de laatste eeuw heeft deze wisseling in de afvoer fundamenteel veranderd en maakte met de invoering van de doorlopende irrigatie verscheidene oogsten per jaar mogelijk. Verkeer : In Soedan, waar geen wegen en spoorwegen zijn. wordt het goederen- en personenverkeer op de Nijl afgewikkeld. Egypte beschikt over 3510 kilometer waterweg. Het jaarlijkse goederenverkeer omvat ongeveer 10 miljoen ton. De hoofdrivier en zijn kanalen zijn in Egypte altijd bevaarbaar : zes cataracten verhinderen de doorvaart naar Soedan.
Toerisme: Het gehele jaar door worden er op de Nijl cruises naar Zuid-Egypte georganiseerd.
Geschiedenis: 4de eeuw v.C.: eerste faraodynastie. 3de eeuw v.C.: het Oude Rijk met de hoofdstad Memphis; bouw van de piramiden. Vanaf 670 v.C.: verovering van Egypte door de Assyriërs, Perzen, Grieken en ten slotte de Romeinen. Van 395-642 n.C. Egvpte is onderworpen aan Byzantium; na de verov ering door de Arabieren wordt het mohammedaans. 1822: Brits protectoraat. 1953: uitroeping van de republiek.

(Het artikel is waarschijnlijk uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Verschillende getallen zullen daarom niet actueel zijn. Zie bv. Nijl op Wikipedia)

5e klas geschiedenis: alle artikelen

891