Tagarchief: 6e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (12-2)

.

Het Romeinse legerkamp

Zo moet een Romeins legerkamp er tegen het begin van onze jaartelling hebben uitgezien. Sommige details zijn in deze tekening weergegeven zonder rekening te houden met hun afmetingen en aantal, om het geheel zo duidelijk mogelijk te maken.

Verklaring van de plattegrond

1. Hoofdpoort of ‘Pretoriaanse’ poort
2. Achterpoort
3. Linkerpoort
4. Rechterpoort
5. Pretoriaanse weg
6. Hoofdweg
7. Nog een hoofdweg die ‘Vijfde weg’ werd genoemd
8. Forum, de open vergaderruimte
9. Pretorium, de plaats waar de tent van de generaal stond
10. Driepoot voor het brengen van offers aan de góden
11. Tent waarin de vaandels en de andere onderscheidingstekenen van het legioen werden bewaard
12. Tribunaal, een verhoging vanwaar de generaal zijn troepen toesprak
13. Tent voor de administratie
14. Tent van de lijfwacht van de generaal.
15. Tenten van de officieren. Deze werden dichtbij die van de manschappen geplaatst, zodat iedere officier zijn eigen manschappen kon overzien.
16. Tenten voor de manschappen. In de winter werden de tenten van huiden vaak vervangen door barakken van hout of steen
17. Tenten van bondgenoten en huursoldaten
18. Stal voor de paarden
19. Smederij
20. Verdedigings-gracht van 4 meter breed en 3 meter diep
21. Aarden wal
22. Palissaden; bij verplaatsing van het kamp droegen de soldaten de palen van het ene kamp naar het andere
23. Uitkijktoren.

Van de Romeinse geschiedschrijver Livius weten we, dat de consul Paulus Emilius op zekere dag zijn legioen opdracht gaf een kamp in te richten. Nu was dat inrichten niet zo’n enorm karwei, want het ging er alleen maar om een kleine versterking te bouwen waarin de soldaten zich konden terugtrekken. Bovendien waren de soldaten geoefend in de bouw van zo’n eenvoudig kampement en moesten ze het karwei in 6 uur tijd kunnen klaren. Terwijl iedereen druk bezig was, meldde een jonge officier de consul dat de vijand naderde. Als die onmiddellijk zou aanvallen, zou dat vrijwel zeker een nederlaag voor de Romeinen betekenen.
De officieren die van het bericht hoorden, gaven hun soldaten onmiddellijk bevel te stoppen met de bouwwerkzaamheden.
Ze vonden het verstandiger de wapens bij de hand te houden en de vijand op te wachten.
Maar de consul dacht er anders over: het werk moest doorgaan!
De officieren smeekten hem, hun toe te staan de soldaten in slagorde op te stellen, maar de consul was onvermurwbaar.
Met een somber gezicht beklom hij een verhoging in het kamp en hield een toespraak, die sindsdien beroemd is geworden:

‘Mijne heren,’ sprak consul Paulus Emilius, ‘u was toch van plan een kamp in te richten en het te voorzien van alles wat nodig is? Welnu, we kunnen het slechts verlaten als het klaar is. Pas dan kunnen we ten strijde trekken, want het zal ons tot bescherming moeten dienen als de strijd ons noodzaakt terug te trekken. Daarom brengen we toch de versterkingen aan? Wanneer het kamp van een generaal vernietigd wordt, wordt hij als een verliezer beschouwd, zelfs als hij de strijd heeft gewonnen. Een kamp is de kracht van de overwinnaar en een toevlucht voor wie dreigt te verliezen.
Hoeveel legioenen zijn er niet geweest die op het punt stonden te verliezen?
Trokken ze zich niet terug in hun kampen en vonden ze daar geen bescherming? Het is menigmaal gebeurd, dat dergelijke legioenen vervolgens een uitval deden en de vijand onder de voet liepen. Het kamp dient voor iedere soldaat een tweede vaderland te zijn en de tent is zijn huis en haard.’

Nadat Paulus Emilius deze woorden had gesproken, moesten de officieren wel toegeven. Ze zagen af van de strijd en zetten hun werk als timmerlieden en grondwerkers voort. Zóveel belang werd er gehecht aan de Romeinse legerkampen, dat men er een nederlaag voor wilde riskeren.

Door heel Europa
Het moet toch wel een flink karwei zijn geweest om zelfs grote legerkampen, met alles wat daarbij hoorde, af te breken en na transport op een andere plaats weer op te bouwen. Dat was alleen mogelijk door de grote discipline die de Romeinse legioensoldaten werd opgelegd.
In het kamp had alles een vaste plaats. Daardoor waren er nauwelijks bevelen nodig om de soldaten aan het werk te zetten. Iedereen wist nauwkeurig wat hem te doen stond. Iedere tent en iedere paal had zijn vaste plaats. Soms groeide een legerkamp uit tot een legerplaats, een echte vaste nederzetting.
In de veroverde gebieden, door heel Europa, groeiden om die legerplaatsen vaak dorpen en ten slotte steden.
In Spanje, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, België en Nederland liggen onder tal van moderne steden de resten van oude Romeinse legerplaatsen.

Op de plattegrond zien we de ontwikkeling van de Italiaanse stad Pavia, vanaf de Romeinse tijd tot aan de 17e eeuw.

De luchtfoto hierboven toont de oude binnenstad van Pavia, die nog steeds de typisch vierkante vorm van het Romeinse legerkamp heeft.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

.

1469

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Het 12-jarige kind

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Uit de oude doos: een artikel uit 1929.
Qua stijl en spelling gedateerd, wat de inhoud betreft nauwelijks.

.

OVER HET TWAALFJARIGE KIND

In den tijd tusschen tandenwisselen en de puberteit, van 7 tot 10 jaar, vallen twee momenten, die voor de paedagogiek zeer belangrijk zijn.
Het eerste moment ligt tusschen het 9de en 10de jaar. Het Ik-bewustzijn van het kind wordt dan versterkt, zoodat we van dezen tijd af kunnen beginnen met het aanleeren van begrippen uit de natuurlijke historie (dierkunde). Hierbij moet echter rekening gehouden worden met de wederkeerige verhouding van den mensch en zijn omgeving, nl. hoe de mensch eigenlijk een samenvatting van alle overige nauurrijken is, waarvan hij echter nog niet zoo scherp is gescheiden, als dit later het geval wordt. Langs den weg der gewaarwordingen en gevoelens moet dan op dien samenhang met de natuur gewezen worden.
Het tweede moment ligt tusschen het 12de en 13de jaar. In dezen tijd versterkt zich de geest-ziel (geistig-seelenhafte) des menschen, voor zoover dit „geistig-seelenhafte” minder van het „ik” afhankelijk is. Dan versterkt zich datgene, wat in de Anthroposophie het astraal-lichaam wordt genoemd en het begint zich te verbinden met het etherlichaam, dat met het 7e jaar geboren wordt. Het astraallichaam, de drager van de driften, begeerten, sympathie en antipathie wordt als zelfstandig werkende kracht eerst recht geboren met de geslachtsrijpheid, zooals het etherlichaam met de tandwisseling. Maar dit astraallichaam doordringt en versterkt reeds tusschen het 12de en 13de jaar het etherlichaam.
In dezen tijd leeft het kind zich veel sterker in zijn beenderstelsel in, dan vroeger het geval was. Het jongere kind beweegt zich met een natuurlijke bevalligheid in zijn spierstelsel, dat gevoed wordt door den rhythmisch circuleerenden bloedstroom. Nu echter leeft het kind meer in zijn skelet, nadat hij langzamerhand van de spieren, via de zenuwen naar het beenderstelsel overgaat. Zijn bewegingen verliezen rhythme en bevalligheid: ze worden hoekig en willekeurig. Het kind komt in de z.g. „vlegeljaren” en het weet niet, wat het met zijn ledematen moet aanvangen.
Maar tegelijk openbaart deze verandering zich zoo, dat het begrip ontwikkelt voor wat als impulsen in de uiterlijke wereld werkt en zoo o.m. ontvankelijk wordt voor de krachten, die in de historie werken. Vóór het twaalfde jaar wordt veel uit de menschheidsgeschiedenis aan het kind verteld, maar altijd zoo, dat wij geschiedenissen verhalen en biographieën vertellen. Van geschiedkundige samenhangen heeft het kind nog geen begrip.

Anders wordt dit nu na het 12de jaar. Dan ontwikkelt zich een verlangen, datgene, wat het eerst als schoone verhalen ontving, als werkelijke „Geschiedenis” te krijgen. Zoo moet nu, in wat wordt meegedeeld, een omvorming plaats vinden, waardoor de historische samenhang op den voorgrond treedt.
Behandelen we vóór het 9de jaar alles vanuit een kunstzinnig oogpunt, ook schrijven, lezen en later rekenen, na het 9e jaar (versterking van het „ik”), komt dan de natuurlijke historie (dierkunde), terwijl tot Geschiedenis, in zoover het niet bloot verhalen zijn, pas wordt overgegaan na het 12de jaar.

De kultuurontwikkeling der menschheid wordt nu gewichtig. Zoo komt men na het twaalfde jaar tot een behandeling van de samenhangen der opeenvolgende kulturen.

We krijgen dus den volgenden gang door de eerste 5 leerjaren:

Eerste klas: Vertellen van sprookjes.
Tweede klas: Dierfabelen en -geschiedenissen.
Derde klas: Verhalen en biographieën uit het Oude Testament.
Vierde klas: Sagen der Germaansche Mythologie en Heldentijd.
Vijfde klas: Sagen uit de klassieke oudheid (Grieksche Mythologie).

Gedurende den tijd van 9 tot 12 jaar maakt het kind zich losser van een droomend, vanzelfsprekend samenleven met de hem omgevende wereld en wordt nu meer en meer persoonlijkheid. Uit zijn droomend, kunstzinnig fantasie-leven ontwaakt langzaam het kritische, afzonderende intellect. Hiermee houden de verhalen gelijken tred.

De Oudste Geschiedenis brengt ons als haar meest-wezenlijke waarheidsvormen de mythen, sagen en sprookjes: een wereld vol geheim-gevormde beelden, geweldig en kinderlijk tegelijk in haar meeste uitingen. In den vorm dezer beelden kleedden de oude volkeren de wijsheid der wereld in hun droomend bewustzijn. Zulke vormen zijn ook geschikt voor de kinderziel. Maar ze is bezig te ontwaken tot een oordeélend denken, tot een bevatten van een historische ontwikkeling.

Door de sagenwereld der oudste volken, de Indiërs, Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren, de Homerische Grieken wordt het kind gevoerd tot de vreugde aan de zinnenwereld en de liefde tot schoonheid van de Grieken, om daarna een figuur als Alexander de Groote in het middelpunt der belangstelling te plaatsen. Hier ontmoeten de sagen en legenden en de resultaten van historisch onderzoek elkander. Om Alexander weeft zich eensdeels een web van legenden en sagen, anderdeels valt het licht der historie vol op hem.

Zoo voeren we de kinderen van den hemel tot de aarde, naar het punt, waar wij als menschen van onzen tijd, de persoonlijkheden uit de „Geschiedenis” vanuit ons bewustzijn begrijpen kunnen.
Met het bereiken van den 12-jarigen leeftijd begint het kind belangstelling te voelen voor de groote historische samenhangen. En dat is voor de toekomst zeer belangrijk, want steeds meer zal de noodzakelijkheid blijken, de menschen tot het begrijpen van den historischen samenhang op te voeden.

De cultuur-historische ontwikkeling zal het geschiedenisonderwijs van de toekomst moeten behandelen, niet langer een onsamenhangende, voor de kinderen onbegrijpelijke geschiedenis van uiterlijke feiten en jaartallen, waar geen wijsheid uit te putten valt.

In dezen zin opgevat behoort de Geschiedenis tot een der belangrijkste vakken, die van vèr-reikenden invloed op de menschelijke ontwikkeling kan zijn. Vandaar, dat op de Vrije School veel aandacht aan dit vak besteed wordt besteed.

J.P.Soetekouw,  vrijeschool Den Haag, Ostara 3/2, dec.1929

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis 5e klas;   geschiedenis 6e klas

Ontwikkelingsfasen

.

1280

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/2)

.

over geschiedenis

 

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 10 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Hier wisselden we enige gezichtspunten uit waaruit blijkt dat de opmerking = hij (Steiner) adviseert dan ook om met Atlantis te beginnen = niet klopt.

Het geschiedenisonderwijs in klas 5 begint dan ook niet met ‘Atlantis’.

Luc is heel zeker:
De geschiedenislessen in de vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Deze zin is heel makkelijk te interpreteren als: Steiner heeft aan het geschiedenisonderwijs in klas vijf en zes zijn eigen visie op de geschiedenis ten grondslag gelegd.
Maar die visie vind je bij Steiner niet als directe aanwijzingen voor het onderwijs. Je vindt maar heel weinig en zeer algemeen, o.a.:

In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd, die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.
GA 295/161
vertaald/149

De volgende opmerkingen liegen er toch niet om: gloedvol en enthousiast over de mens spreken, zonder er (antroposofische) wereldbeschouwing van te maken:

En daarom kun je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, zonder dat er een wereldbeschouwing in de school gebracht wordt, dat door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie behandeld wordt: niet op een droge manier, niet zo maar antropologisch-theoretische kennis, maar zo dat wat aan eerste antropologie aan het kind aangeboden wordt, vanuit de geest sprankelend en doorwarmd is. Wanneer je dat de kinderen op deze manier bijbrengt, beginnen ze op een andere manier bij de les te zijn; ze verankeren in zich zelf wat hun het hele leven bijblijft. 
GA 297/220
Vertaald op deze blog

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw.
GA 295/161
vertaald/149-150

Dus: geen directe aanwijzingen van Steiner die de opmerkingen van Luc kunnen staven.
Dat ziet hij zelf ook: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner en vond in het boek van Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen voldoende elementen om mijn bewering te staven. Het hoeft niet altijd woordelijk in een voordracht van Steiner te staan om te weten wat hij bedoelt.

Dat moest ik ook constateren bij ‘Atlantis’.

Dan zal het dus weer moeten gaan om ‘indirecte aanwijzingen’.

Zijn die er dan?

Zoals je voor Atlantis de indirecte aanwijzingen zou kunnen halen uit Paul Veltmans manuscript voor de 5e klas, zo kun je bij andere schrijvers die met Steiners opvattingen onderzoek doen, uitkomen bij auteurs die ‘geschiedenis’ op zijn opvattingen baseren.
Luc doet dat met Bruno Skerath en neemt zijn gezichtspunten voor ‘de’ gezichtspunten wat betreft de geschiedenis in klas 5.
Je zou het net zo goed kunnen doen met Karl Heyer, die in zijn ‘Studienmaterialien zur Geschichte des Abenlandes’ het 1e deel de titel meegeeft:
‘Von der Atlantis bis Rom’. Daarin zet hij vrijwel alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd en volgt hij de indeling van de culturen na Atlantis, zoals Luc die ook aangeeft vanuit de visie van Skerath.
In Frans Schobbes ‘Vier wereldmaanden 1’ staat in de inleiding dat het schrijven van zijn boek ook bedoeld is om de geschiedenisperiode in klas 5 goed te kunnen voorbereiden. ‘Geschiedenis’ is in dit boek voor het grootste deel gebaseerd op mededelingen van Steiner.
Kortom: wanneer je als leerkracht zo’n periode moet gaan geven en je neemt genoemde werken als uitgangspunt, dan geef je geschiedenis met Steiner als leidraad, gebaseerd op meningen van anderen.

Maar dat staat niet gelijk aan: dat móet dus in het geschiedenisonderwijs van klas 5!

Ik zei eerder al: Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Wie in willekeurige geschiedenisboeken zoekt naar het begin van een geschiedenis, komt titels tegen met daarin woorden als ‘de bakermat van..’. ‘de wieg van… ‘, ‘de dageraad  van…’ enz.

Letterlijk ‘ergens’ wordt een begin gemaakt. En omdat je met je 5e klas ook ‘ergens’ moet beginnen, zoek je naar de oudste bronnen. Dat zijn zeker nog geen geschreven bronnen, dus ‘echte’ geschiedenis is het nog niet. Het is inderdaad nog ‘dageraad’: het is nog schemerig.

Luc zegt: ‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Wat de leerstof voor de 5e klas betreft, zie je vrijwel altijd deze indeling:
(Oud)-Indië; (oud)-Perzië (Tweestromenland); Egypte; Griekenland; gevolgd in klas 6 door Rome tot en met de middeleeuwen.

En ja, wanneer je bij Steiner kijkt naar zijn visie op de ontwikkeling van de mensheid zie je ook:
Oer-Indisch; oer-Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws.

Maar wanneer je een wetenschappelijk leerboek geschiedenis inkijkt, zie je:
(voorafgegaan door prehistorie): vroegste samenlevingen van Irak; Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome.
[Een geschiedenis van de Oude Wereld- Beliën/Meijer]

Of:
(voorafgegaan door prehistorie, met daarin opgenomen een scheppingsverhaal uit India!); Mesopotamië; Babyloniers en de Assyriërs; Perzen; Egypte; Griekenland; Rome; middeleeuwen.
[7000 jaar wereldgeschiedenis]

Er bestaan nog andere indelingen met onderlinge verschillen die ontstaan zijn door nét een ander accent op bv. – in de ogen van de samenstellers – belangrijke gebeurtenissen.

Als je Steiners indeling niet zou kennen en je zou voor je klas deze aanhouden: Indisch; Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws, doe je daarmee niet iets buitennissigs of vreemds, laat staan ‘antroposofisch’.

Je zegt: ‘Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.’ 

Ik denk dat je hier ‘helemaal niet’ om moet keren: ‘niet helemaal’.

Het is m.i. ook niet relevant. We weten dat veel van Steiners opvattingen niet onderzocht kunnen worden met de maatstaven die gelden voor een ‘weegschaalwetenschap’

Dat Steiner van die fasen nog allerlei meer zegt, wat je niet vindt in de reguliere wetenschap, wil niet zeggen dat een vrijeschoolleerkracht – in zijn klas deze volgorde aanhoudend – óók dat ‘meer’ moet benadrukken. Al zou hij dat willen: wat moeten 11-jarigen met ‘ontwikkeling van ‘fysieke lichaam, etherlijf, gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel’. Wat zouden ze ervan moeten begrijpen en hoe wil je ze dat begrijpelijk maken. Nog afgezien van het feit of leerkrachten zelf wel weten wat deze begrippen inhouden voor deze cultuurperioden.
En dan nog de jaartallen. Wat heeft een kind van 11 aan de wetenschap dat wat hij over Perzië heeft gehoord, plaatsvond van 5067-2907 v. Chr. en dat het een Tweelingencultuur was? NIETS!
Wij zijn gewend geraakt aan jaartallen v.Chr., maar eigenlijk zijn ze voor ons ook niet veel meer dan ‘lang geleden’ en we kunnen er – intellectueel – het ene mee vóór of na het andere rangschikken, maar dat is het wel zo’n beetje.

Niet voor niets laat Steiner – die heel goed weet dat ‘zo lang geleden’ voor kinderen een abstractie is – ze dat verleden zo concreet mogelijk beleven door die prachtige vondst van ‘de generatieketting‘. Maar, tot in India gaat dat niet.

‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

‘Volledig’? Als ik dat moet opvatten als ‘volkomen’, als ‘allemaal’, dan gaat dat voor de volgorde niet op: die vind je simpelweg, soms nauwelijks afwijkend, terug in reguliere opsommingen.

Is ‘volledig’ de buitenkant en de binnenkant? M.a.w. naast de volgorde ook inhoudelijk?

Bij de (willekeurig) genoemde auteurs Skerath, Heyer, Schobbe vind je ‘antroposofische geschiedenis ‘ – die wilden ze ook schrijven – maar voor het onderwijs geldt dan weer, dat als je deze bronnen gaat gebruiken, je antroposofie in je geschiedenisonderwijs haalt.

Je kunt ook volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ blijven door als achtergrond ‘Geschichte Lehren‘ te nemen.
Het boek is ‘to the point’: dit moet je hebben; dat niet; let op je stof, let op je tijd.

In boeken met ‘De dageraad…..’, ‘De wieg…..’. ‘Het ontstaan van….’ gaat het om ‘de eerste beschavingen’, vóór Egypte, dat in een geschiedenisencyclopedie bestaande uit opeenvolgende delen, vrijwel altijd het deel is dat komt na ‘De dageraad…’, gevolgd door Griekenland, gevolgd door Rome, gevolgd door de middeleeuwen.

Die ‘dageraad’ is voor India nog niet de Induscultuur, maar verder terug. Er zijn rotstekeningen gevonden van 40.000 jaar oud en nederzettingen die al in 9000 v. Chr. bestonden. En ‘ergens’ en ‘ooit’ zijn de verhalen ontstaan die veel later opgeschreven zijn in de heilige boeken.
Zo’n ‘gewone’ reeks als’ 7000 jaar wereldgeschiedenis’ begint met de prehistorie en neemt een Indiase mythe op:

Een scheppingsverhaal uit India

‘Toen de tijd sliep in de schoot van de eeuwigheid, was de ruimte vervuld van duisternis, waarin het leven onbewust klopte. De zeven heersers waren de scheppers van de vorm uit het niets. Hun stralen doordrongen de oneindigheid en beroerden de kiem die in de duisternis sluimerde. De kiem bewoog en werd warmte en licht. En uit de kiem ontsprongen de krachten in de ruimte. De scheppers verzamelden de vurige stof en balden ze samen tot kogels van vuur. Ze bliezen de kogels het leven in en zetten ze in beweging in de ruimte. En de koude maakten ze warm en de droogte maakten ze vochtig. En de gloed maakten ze koel. Zo werkten de zeven scheppers van de ene schemering tot de andere. Toen daalden ze af naar de stralende aarde, om er mensen te zijn.’

Stel eens dat Steiner deze mythe zou hebben genoemd om te vertellen in de 5e klas.
Als ik zou willen aantonen dat ‘het geschiedenis volledig gebaseerd is op…en ik zou jouw werkwijze volgen: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner .’ zou ik hier met een zeker gemak kunnen zeggen dat Steiner deze mythe wil, omdat daarin zijn visie op de ontwikkeling van mens en wereld, zoals beschreven in ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’,  of zijn ‘Het Bijbels scheppingsverhaal‘ tot uitdrukking komt. Je weet meteen dat het in deze mythe gaat om ‘Gods geest die over de wateren zweefde, de donkere aardematerie bevruchtend waardoor er een scheiding ‘tussen de wateren’ ontstond: een herinnering aan het ooit in verschijning treden van ‘oude planetaire fasen’. En dat ‘ze=de 7 heersers/Rishi’s afdaalden naar de stralende aarde om er mensen te zijn’, zou ik makkelijk kunnen gebruiken om Steiners reïncarnatie-idee in de klas te introduceren.

Maar dat is koketteren met antroposofie en dat moet je niet willen, sterker nog: volkomen achterwege laten, want het wordt speculeren.

En ik zie Luc, dat jij je daarvan ook niet kunt losmaken:
Als Steiner het over tijdperken heeft, dan bedoelt hij wel degelijk de tijdperken zoals hij die ziet in zijn antroposofisch gedachtegoed. Steiner heeft het dus over de tijdperken van de wereldgeschiedenis en over de impulsen die daarvan uitgaan. Om dit te begrijpen moet je niet op zoek gaan in de pedagogische voordrachten, maar in de voordrachten die over de wereld- en mensheidsontwikkeling gaan.

Die laatste zin laat zien dat niet Steiner de antroposofie in het geschiedenisonderwijs haalt, maar dat jij dat zelf doet en dan móet je noodgedwongen tot de conclusie komen dat er ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ zit.
En als je naar bepaalde geschiedenisschriftjes kijkt, zie je inderdaad dat sommige leerkrachten uit de door jou bedoelde voordrachten putten en dat in hun lesstof stoppen.

Maar dan zijn we weer bij Steiner: géén antroposofie in het (geschiedenis)onderwijs.

Het is niet, zoals ik al eerder betoogde ‘DE’ vrijeschool, of ‘HET’ vrijeschoolonderwijs; het is ‘DIE’ leerkracht in ‘DIE’ school voor ‘DEZE’ klas.

Wie met ‘Geschichte lehren’ werkt, ervaart dat er helemaal geen antroposofie nodig is om de kinderen te boeien en ze te laten beleven wat er ‘vroeger’ was.

Je zegt:
‘Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik bijzonder waardevol’

Dat ben ik roerend met je eens!

Ik heb je beschrijving, aanwijzingen, de opbouw voor een geschiedenisperiode  met veel interesse bekeken en veel ervan en in grote trekken is dit ook de lesstof die ik heb gebruikt, met als uitgangspunt ‘Geschichte lehren’.
Juist die vrijwel identieke inhoud laat zien dat er niet zo’n wezenlijk verschil bestaat tussen jouw periodestof en de mijne. Zeker niet zo wezenlijk dat jij van mijn periodestof kunt zeggen dat die ‘antroposofisch’ is, alleen op grond van een bepaalde indeling van de culturen waarover we iets aan de kinderen willen meegeven.

 

Ook voor de 6e klas vind je vergelijkbaar met de 5e geen aanwijzingen voor antroposofie uit de mededelingen van Steiner. Als het er al in zit, is het er door overijverige leerkrachten ingebracht, bij Lindenbergh zul je het niet vinden.

Ik ben het dus op grond van bovenstaande niet met je eens dat het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool per definitie antroposofisch is.

Wel zie ik met jou dat het niet moeilijk is er antroposofie in mee te nemen; maar dat is tegelijkertijd een nietszeggende opmerking. Omdat Steiner over vrijwel alles mededelingen heeft gedaan, kun je die dus overal waar een gelegenheid zich voordoet, opzoeken en in je onderwijs een plaats geven.

Dat dat niet moet, heeft hij veelvuldig onderstreept.

Luc op 21-03-2017L

Op je jongste opmerkingen heb ik niet veel in te brengen. Ik pik er twee zaken uit:

  1. Talloze keren heb ik leerkrachten erover aangesproken dat ze in hun pedagogische opdracht moeten vertrekken van DIT kind in DEZE tijd op DEZE plaats. Zo had ik het dus ook moeten doen ten opzichte van de steinerscholen, zoals jij aangeeft: DIE leerkracht in DIE school voor DEZE klas. En eigenlijk kun je daar in DEZE tijd nog aan toevoegen.

Ik vind het echter niet wenselijk om in een publiek beschikbare tekst zó te schrijven dat leerkrachten, scholen en klassen herkenbaar of traceerbaar zijn. Bovendien is wat ik over geschiedenisonderwijs geschreven heb in de periodeschriften van die Vlaamse steinerscholen die ik de jongste jaren bezocht heb, terug te vinden. Een zekere – beperkte – generalisatie was dus wel zinvol.

  1. Ik spreek doorgaans niet over de Nederlandse vrijescholen omdat ik die te weinig ken en het kan dus best zijn dat leerkrachten in Nederland – zoals jij – de geschiedenisperiode op een meer wetenschappelijk gefundeerde manier én in overeenstemming met Steiners visie over de oude geschiedenis behandelen, zoals Lindenberg ook voorstelt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.

Met vriendelijke groet

Luc

Op 27-03-2017

Beste Luc,
Ik lees in je opmerkingen dat je iets te veel in het algemeen hebt geschreven dat het geschiedenisonderwijs a priori of per definitie antroposofisch is. Dat is het niet. Je kunt het er wel van maken, maar dan ben je niet goed bezig.

Met wat jij en ik er nu over hebben geschreven, moet het voor leerkrachten niet moeilijk meer zijn, de geschiedenisperiode op een verantwoorde manier te geven.

Pieter
.
Geschiedenis: alle artikelen
.

Eerdere commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

 

1191

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 33)

.

ROMEINS SOLDAAT; GEVANGENIS

leven O.T. 149

1. Romeins soldaat.
De kledij van een soldaat bestaat uit: 1. tunica militaris, een wollen hemd met korte mouwen, 2. een sagum, sagulum, een wollen mantel, die tot de knie reikt en op de rechterschouder met een gesp (fibula) werd vastgemaakt, 3. een cingulum militare, een gordel (a). Van zijn wapenen: 4. de helm van de infanterie (6), 5. een scutum, een langwerpig schild (c), uit hout vervaardigd, met leer overtrokken en metaalbeslag. Het werd aan de linkerarm gedragen; bovendien droeg de legioensoldaat een harnas met metalen platen voor borst en rug, of ook wel een soort maliënkolder. — Tot de wapens van de aanval behoorden: de gladius, het korte, rechte tweesnijdende zwaard (d) dat meer tot steken dan tot houwen diende en was bevestigd of aan een bandelier, die over de linkerschouder liep, of aan de gordel; de werpspies (e) (pilum) 2 m. lang met een houten schacht en een buigzaam, ijzeren, spits-toelopend gedeelte.

leven O.T. 150

2. Centurio (naar een grafteekening).
De centuriones (in de Statenvertaling „hoofdman over honderd”) hadden een helm en een harnas van een beter soort en met meer versieringen. De centuriones zijn van gemeen soldaat door moed en trouw in het leger opgeklommen en door de veldheer tot officier bevorderd.

leven O.T. 151

3. Carcer Mamertinus.
Een oude Romeinse gevangenis „een kerker, die uitgehouwen in de Tarpeïsche rots ter zijde van het Kapitool, een oeroude historische vermaardheid bezit niet enkel om de staatsgevangenen Jugurtha, Catilina en Vercingetorix, die er doodhongerden, maar ook om zijn gruwzame ondoordringbaarheid. De Romeinse schrijver Sallustius rilde van de duisternis en de stank, die daar heersten, als hij er maar aan dacht. Nog kunnen we heden naar dat lugubere oord van meterdikke basaltmuren (a) afdalen. ’t Zijn twee verdiepingen. Met hun zwarte lage welving dreigen de zwetende muren angstig boven ons hoofd; geen spleet liet eertijds het licht door. Een ronde opening (b) in de vloer van de bovenste kerker was de enige toegang tot de half-verdronken kelder beneden, en hierdoor werden de ongelukkigen tussen ’t ongedierte en de schenkels hunner voorgangers neergelaten” (B. H, Molkenboer). Deze gevangenis wordt door de traditie aangewezen als de kerker van Petrus en Paulus in Rome. Het relief vertoont de apostelen; links om de zuil zijn martelwerktuigen (c); daarbeneden een putje (d) door bronwater gevoed; de inscriptie (e) verhaalt hoe de gevangenbewaarders bekeerd werden.
Reeds in het oude Jeruzalem deed een onderaards gewelf (Jer. 37 : 16) of een slijkerige cisterne (Jer. 38 : 6) als gevangenis dienst [daarnaast ook wel een lokaal aan de noordelijke poort van het binnenste voorhof van de tempel, Jer. 20 : 2; of het voorhof van het paleis van de koning, waar de wacht verblijf hield, Jer. 32 : 2].

leven O.T. 152

4. Gesel.
De Romeinse geesel bestond uit enkele lederen riemen, die aan een stok verbonden en aan het einde van kleine stukjes zink of ijzer voorzien waren. De straf werd verzwaard door de gebogen houding van de gestrafte, die tot op de gordel ontbloot was. Het aantal slagen was in het Joodse recht 40 min 1; (2 Cor. 11 : 24) hetzij om het getal 40 niet te overschrijden; hetzij dat men met de 3 riemen 13 slagen gaf (dus 13 X 3).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1095

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Diocletianus

.

Diocletianus 243-305

Diocletianus

 

 

Een borstbeeld van de keizer Diocletianus, dat tijdens zijn regering werd gebeeldhouwd.

 

 

 

In de tijd dat Diocletianus opgroeide in een dorpje in wat nu Joegoslavië is, raakte het eeuwenoude Romeinse Rijk in verval. De noordelijke provincies werden bedreigd door Barbaren, die in Europa woonden en in het oosten groeide de macht van Perzië. Generaals die geacht werden de provincies aan de grenzen te verdedigen, grepen vaak zelf de macht en riepen zich tot plaatselijk heerser uit. Velen, voornamelijk militairen, streden om de troon van de keizer.

In het begin leek het alsof Diocletianus niet veel anders was. Hij maakte carrière in het leger. Door zijn troepen werd hij tot keizer uitgeroepen, waarop hij de strijd aanbond met de regerende keizer, Carinus. Niet lang daarna werd Carinus vermoord. Diocletianus werd toen tot keizer gekroond. Maar hij wilde meer dan alleen de macht. Hij wilde het keizerrijk in zijn vroegere glorie herstellen. Tegen de tijd dat hij, in 305, afstand deed van de troon, had hij bij alle grenzen vrede gesticht en het leger een nieuw aanzien gegeven. Het leger had echter geen macht meer. Ook had Diocletianus de binnenlandse politieke structuur van het rijk gereorganiseerd. Hij was begonnen met de laatste totale vervolging van de christenen in het Romeinse Rijk. Zijn grote fout was waarschijnlijk het invoeren van een nieuw regeringssysteem, waardoor het rijk uiteindelijk in twee delen uiteenviel.

Naar de mening van Diocletianus was het rijk te groot om door één man geregeerd en bij elkaar gehouden te worden. Volgens hem moest de keizer, vanuit Rome, naar de verafgelegen provincies reizen om zich daar te verzekeren van de trouw van zijn troepen. En hij moest die troepen indien nodig aanvoeren in de strijd. Ook moest hij de doeltreffendheid van de plaatselijke besturen kunnen controleren. Eén man kon niet gelijktijdig in alle provincies zijn of ze zelfs maar regelmatig bezoeken. Daarom koos Diocletianus een medekeizer, Maximianus, om hem te helpen in het westen de orde te handhaven, terwijl hij dat zelf in het oosten zou doen. Net als Diocletianus droeg Maximianus, een vroegere militaire collega, de titel Augustus (mede-keizer). Om de macht zo goed mogelijk te handhaven, koos Diocletianus nog twee assistenten. Die droegen de titel Caesar (mede-bestuurder). Het waren Galerius voor het oosten en Constantius voor het westen. Door middel van het huwelijk werden de twee caesares aan hun augusti (keizers) gebonden. Galerius trouwde met Valeria, de dochter van Diocletianus en Constantius met Theodora, de stiefdochter van Maximianus. Op die manier werd het keizerrijk in vier gebieden verdeeld. Elk deel had een eigen hoofdstad en een eigen keizer.

Het systeem werkte goed. Na verloop van tijd waren de vier keizerlijke leiders in staat de indringers te verdrijven en in het hele rijk de orde te herstellen. In de tussentijd concentreerde Diocletianus zich op de binnenlandse problemen van het rijk. Hij begon de structuur van de centrale regering te veranderen. Hij deed dit op een manier, die waarborgde dat hij alle touwtjes in handen hield. Wanneer dat nodig was, kon hij onmiddellijk tot actie overgaan. Veel van de instellingen van de oude Romeinse regering bleven bestaan, maar sommige kregen een andere functie.

Net als het politieke bestuur was ook de economische situatie in het rijk, na jaren van oorlog, niet al te rooskleurig. Diocletianus probeerde dit te herstellen door de landbouw te stimuleren en een bouwprogramma te laten uitvoeren. Om de handel te bevorderen, gaf hij een betrouwbare munt uit. Er kwamen nieuwe gouden en zilveren munten in omloop. Ook kwamen er kleinere munten om de alledaagse aankopen te vergemakkelijken. Er werden nieuwe wetten afgekondigd die het bezit van eigenaren beschermden, alsmede het recht van schuldeisers en de geldigheid van contracten. Er waren ook minder populaire economische hervormingen, zoals de belastingen op bebouwbaar land en op personen en het beroemde Edict van Diocletianus. Hiermee controleerde hij vanaf 301 de lonen en de prijzen. De bedoeling van het Edict was, de inflatie af te remmen en de uitbuiting van de consumenten te voorkomen. Maar voor de boeren en de handelaren bleek het rampzalig te zijn. Overal werd het Edict genegeerd en ten slotte schafte men het af.

Tegen het einde van zijn regering, in de jaren 303 en 304, liet Diocletianus vier Edicten afkondigen, die waren ontworpen om het christendom te onderdrukken. Maar de vervolging maakte geen einde aan het christendom. Integendeel, het geloof werd enorm versterkt doordat vele martelaren als heiligen werden aanbeden.

In het jaar 305 besloot de oude en zieke Diocletianus afstand te doen van zijn keizerschap. Hij haalde zijn mede-keizer Maximianus over om samen met hem af te treden. Ze wezen hun twee caesares (mede-bestuurders) als hun opvolgers aan. Deze werden toen de augusti (keizers). Op hun beurt benoemden ze twee caesares. Diocletianus trok zich terug op zijn schitterende kasteel bij Salona (in het huidige Split in Joegoslavië). Daar hield hij zich bezig met tuinieren totdat hij acht jaar later stierf.

Door zijn hervormingen en reorganisatie hield Diocletianus het Romeinse Rijk nog zo’n honderd jaar in stand. Maar door het in een westelijk en oostelijk rijk te verdelen, veroorzaakte hij een scheuring, waardoor het rijk later in tweeën zou splitsen. Dit leidde tot de vernietiging van het westelijk deel, waaronder de Eeuwige Stad, Rome.

6e klas Diocletianus rijkHet verdeelde rijk van Diocletianus. Hij regeerde vanuit Byzantium, terwijl Maximianus Rome als hoofstad had.

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle biografieën

 

1017

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel de Grote

.

Karel de Grote 742-814

Karel de Grote

 

 

 

 

 

 

 

Karel de Grote te paard. Hij draagt zijn keizerskroon en zijn wapenuitrusting.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had geweten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.’
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een kerstmis in Rome in 800.
Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden regeren. Aan het eind van die periode hadden de Merovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Eén van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blijvende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger, Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het gebied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitserland en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed.
Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.
De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 belegerden ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoerder Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied.
Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke en geestelijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen  hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangelegenheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen.

Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij overal scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alleen een belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.
Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere Westromeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oostromeinse Rijk was gekomen. Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoewel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat. Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Franken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie, waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.

 

alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen
Karel de Grote

 

 

984

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën -Justinianus 1

.

Justinianus I de Grote 482-565

Justinianus 1

 

 

 

 

 
Een portret van Justinianus I op een munt, die tijdens zijn bewind werd uitgegeven. Zijn grootste bijdrage aan de geschiedenis was het vastleggen van de Romeinse wetgeving in een wetboek.

 

Net als vele andere grote leiders beschikte de Byzantijnse keizer Justinianus de Grote over goede raadslieden. Twee bekwame generaals, Belisarius en Narses, hielpen hem zijn rijk in stand te houden en uit te breiden. Tribonianus, een begaafd rechtsgeleerde, hielp hem een wetboek samen te stellen. Twee bekwame bestuurders, Johannes van Cappadocië en Peter Barsymes, gaven zijn heerschappij een eerlijke en doeltreffende vorm. Theodora, de vrouw van Justinianus, ondersteunde hem wanneer tegenstanders hem probeerden af te zetten. Maar het was de keizer zelf, met zijn scherpe geest, zijn aangeboren gevoel voor rechtvaardigheid, zijn kracht en inzicht, die de belangrijkste rol speelde. Onder zijn leiding beleefde het rijk tijdens zijn lange regering een gouden eeuw in het Byzantijnse tijdperk.

Justinianus begon zijn loopbaan als een gewaardeerd raadsman van zijn oom, keizer Justinus I. Hij kwam uit een boerengeslacht in een dorpje in het tegenwoordige Joegoslavië. Al spoedig bekleedde hij een belangrijke positie in het leger. Toen Justinus in 518 keizer werd, adopteerde hij zijn neef en gaf hem een aantal belangrijke taken binnen de regering. Justinianus werd een invloedrijk raadsman. Hij was verantwoordelijk voor een groot deel van de politieke beslissingen van zijn oom. In 527 werd hij door zijn oom als medekeizer aangesteld. Toen Justinus later dat jaar overleed, werd hij de enige heerser. Op het ogenblik van zijn troonsbestijging was Justinianus al in oorlog met de Perzen. De oorlog duurde tot ongeveer 561. Toen werd er na onderhandelingen tot een wapenstilstand van 50 jaar besloten. Perzië gaf bijna alle veroverde gebieden aan de Byzantijnen terug. In ruil daarvoor moesten ze 30.000 goudstukken per jaar aan de Perzen betalen. Justinianus was bij het verdedigen van de grenzen op het Balkanschiereiland tegen de barbaren heel wat minder succesvol. Op een gegeven ogenblik kon de trouwe generaal Belisarius de barbaren net buiten Constantinopel een halt toeroepen door de burgerbevolking te mobiliseren. Sommige van de indringers werden na verloop van tijd uit het rijk verdreven. Anderen vestigden zich op Byzantijns grondgebied. Een aantal van hen sloot zich zelfs bij het Byzantijnse leger aan om toekomstige invallen te helpen voorkomen.

6e klas Justinianus 1Het monogram van Justinianus, een soort gestileerde handtekening.
.

Ook met zijn pogingen om zijn rijk naar het westen uit te breiden, had Justinianus niet al te veel succes. Hij beschouwde het als zijn keizerlijke plicht, de macht over de westelijke provincies van het oude Romeinse Rijk weer in handen te krijgen. Hij ondernam een aantal aanvallen op Noord-Afrika en Italië om de barbaarse heersers daar te onttronen. Belisarius versloeg met veel gemak de Vandalen in Noord-Afrika. Dat was in Italië een stuk minder eenvoudig. De Byzantijnen namen Ravenna in. Ook veroverden ze het omliggende gebied op de Oostgoten. Maar hun opmars werd gestuit door de kundige Oostgotische leider Totila. Deze hield tot 552 stand. Toen sneuvelde hij in een veldslag tegen een enorme Byzantijnse strijdmacht onder aanvoering van Narses. Narses trok verder en veroverde Rome. In 562 hadden de Byzantijnen heel Italië ingenomen. Maar Italië was door de oorlog zodanig verwoest en ontwricht, dat het normale economische en politieke leven niet hersteld kon worden. Kort na de dood van Justinianus zouden de Byzantijnen het grootste deel ervan weer verliezen aan de binnentrekkende Longobarden.

Justinianus besteedde de meeste aandacht aan de hervormingen van het binnenlandse bestuur. Om het recht in zijn land zoveel mogelijk te bevorderen, liet hij door Tribonianus alle Byzantijnse en Romeinse wetten in een wetboek optekenen. Hij maakte ook de financiële administratie veel doelmatiger en kondigde strenge maatregelen af tegen belastingontduikers. Op overheidsuitgaven, waaronder de populaire arenaspektakels, werd bezuinigd.

Zowel de rijken als de armen waren niet tevreden over de belastinghervormingen van de keizer. Dit was voor een deel de oorzaak van een opstand in Constantinopel in 532. De andere oorzaak van de opstand was een meningsverschil over een christelijke leer. Een plunderende menigte benoemde een nieuwe keizer. Maar Theodora, de vrouw van Justinianus, haalde hem over zich te verzetten. Enkele trouwe generaals onderdrukten de opstand door duizenden opstandelingen te doden. Ondanks een bijna onafgebroken periode van oorlog en ontevredenheid, bloeide onder het bewind van Justinianus de Byzantijnse cultuur. De literatuur, de beeldende kunst en de architectuur bereikten een grote hoogte.

6e klas Theodora van ByzJustinianus’ vrouw, keizerin Theodora, en haar gevolg staan afgebeeld op dit mozaïek uit San Vitale, Ravenna. Het dateert uit de 6e eeuw. Theodora was misschien een sterkere persoonlijkheid dan haar echtgenoot. In 532 vervolgde Justinianus belastingontduikers en bezuinigde hij op de overheidsuitgaven, waaronder de populaire spektakelspelen. Rijken en armen waren woedend. Er kwam een opstand en de rebellen kozen een andere keizer. Theodora haalde Justinianus over zich te verzetten. De opstand werd door de strijdkrachten onder leiding van aan de keizer trouw gebleven generaals, op bloedige wijze gesmoord.
.

Veel van wat Justinianus bereikte, ging onder het bewind van zijn opvolgers weer verloren. Er zijn twee van zijn monumenten in stand gebleven. Ten eerste de Aya Sophia, dat nu een museum is en dat bezoekers een idee geeft van de verworvenheden van het Byzantijnse Rijk onder zijn regering. Nog belangrijker is het dat door het Wetboek van Justinianus de Romeinse wetgeving voor het nageslacht bewaard is gebleven. Het vormt nog steeds de basis van de wetgeving van vele landen in de Westerse wereld.

 

alle biografieën

6e klas geschiedenis

 

978

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Augustus

.

Augustus  63 v. Chr.-14 na Chr.

Augustus

 

Dit beeldhouwwerk stelt de keizer Augustus als jonge man voor. Vele Romeinse beeldhouwwerken waren oorspronkelijk gekleurd om een levensechte indruk te geven. De verf is er in de loop van de eeuwen af gesleten.

 

 

In Rome brak een burgeroorlog uit, toen Julius Caesar de oude republikeinse regering vernietigde en zichzelf tot dictator uitriep. Maar hij droeg ook de oplossing aan voor het probleem dat hij in de wereld had geroepen. Julius Caesar benoemde zijn achterneef Gajus Octavius, die later Augustus of Gajus Augustus werd genoemd, tot zijn opvolger. Augustus maakte niet alleen een einde aan de oorlog, maar hij vestigde een nieuwe en sterkere regering en reorganiseerde het keizerrijk zo doeltreffend, dat het daarna nog 300 jaar bleef bestaan.

Caesar had zich ongetwijfeld een andere voorstelling gemaakt van de machtsoverdracht. Augustus was nog maar een jongen van 18 jaar, toen zijn oom werd vermoord. Hij ontving het bericht van Caesars dood terwijl hij op school was in Apollonia (tegenwoordig Albanië). Ook kreeg hij te horen, dat hij in het testament van Caesar was benoemd tot troonopvolger en erfgenaam en dat hij door Julius als zoon was geadopteerd. Hij zou verder Gajus Julius Caesar Octavianus heten. Tegen de raadgevingen van zijn familie in, besloot hij naar Rome terug te keren. Hij wilde het testament ten uitvoer laten brengen en daagde daarom Marcus Antonius, die na de dood van Caesar de macht had gegrepen, uit. De leden van de senaat, die dachten dat ze Augustus konden gebruiken om de macht weer bij hen terug te brengen, kozen Augustus tot senator. Het leger, dat Caesar trouw was gebleven, koos de kant van de jonge Augustus en de soldaten eisten dat hij tot consul benoemd zou worden. Augustus slaagde erin Marcus Antonius ervan te overtuigen samen met hem en Lepidus, de hogepriester onder Caesar, een driemanschap te vormen. In 43 v. Chr. schonk de senaat het driemanschap dictatoriale macht om de regering op te bouwen en weer controle over het rijk te verkrijgen. Aanvankelijk was Marcus Antonius de leider van het driemanschap. Hij versloeg Brutus en Cassius, de moordenaars van Caesar. Die waren naar het oosten uitgeweken en hadden in dat deel van het rijk de macht gegrepen. Augustus werd nooit een begenadigd militair leider. Hij leed een rampzalige nederlaag, toen hij een poging deed om in Sicilië de orde te herstellen. Maar vanaf 32 v. Chr. begonnen de zaken zich naar de wensen van Augustus te ontwikkelen. Met de steun van zijn oude vriend Agrippa won hij uiteindelijk in Sicilië. Hij maakte gebruik van schepen die door Antonius ter beschikking waren gesteld. Toen Lepidus zich tegen de groeiende macht van Augustus verzette, werd hij ontwapend en uit het driemanschap verstoten. De oude hogepriester trok zich uit de politiek terug, maar bleef tot aan zijn dood in 23 v. Chr. hogepriester. Daarna kreeg Augustus steeds meer macht over Antonius.

Rome keerde zich tegen Antonius, toen hij delen van het Romeinse gebied in het oosten van het rijk aan Cleopatra schonk. Augustus buitte deze situatie volledig uit. Hij verklaarde de Egyptische koningin de oorlog. Samen met Agrippa, die het bevel voerde over zijn vloot, versloeg hij de gezamenlijke zeestrijdkrachten van Cleopatra en Antonius. De twee geliefden pleegden zelfmoord. In 30 v. Chr. nam Augustus de macht in handen en legde beslag op de goedgevulde schatkist van Egypte. De overwinning van Augustus in Egypte maakte hem tot de enige Romeinse heerser. Hij kreeg de totale macht over al het gebied rond de Middellandse Zee. Daardoor verkreeg hij de reserves om zijn legers te betalen en kon hij beginnen met de taak het rijk te reorganiseren.

Deze taak werd door Augustus met veel geduld en een goed inzicht aangepakt. Hij deed het voorzichtig en tastend, stap na stap, langzaam maar zeker. Om de oplossing voor een probleem te vinden probeerde hij vele ideeën uit. Zijn voorzichtige aanpak resulteerde in veranderingen en het invoeren van nieuwigheden, die goed bleken te werken. Daarom werden ze aanvaard en bleven lange tijd gehandhaafd. Het omvatte een netwerk van wegen waardoor alle delen van het rijk met elkaar werden verbonden, een herziening van zowel de centrale regering als de plaatselijke besturen in de provincies, en het leggen van de basis voor een nieuw ambtenarenapparaat om ervoor te zorgen dat het systeem inderdaad zou werken.

Net als zijn oom Julius, had Augustus de allerhoogste macht. Maar hij was slim genoeg om daar niet de nadruk op te leggen in de gewone instituten van de republikeinse regering. Hij regeerde vele jaren lang als consul, maar had ook de . controle over de provincies, waarin het overgrote deel van zijn leger zich bevond. De senaat bleef het hoogste wetgevende en uitvoerende lichaam in Rome. De omvang van de senaat was echter afgenomen en de leden waren allemaal trouwe volgelingen van Augustus. De Romeinen waren het oorlogvoeren moe en aanvaardden zijn heerschappij, omdat die niet te overheersend was en de alom verlangde vrede en evenwicht verzekerde. De Romeinen waren in het bijzonder verguld met Augustus, toen de keizer besloot allerlei oude gebruiken weer in te voeren. Hij liet oude tempels herbouwen en stond de oude wereldlijke spelen weer toe. Hij moedigde schrijvers als Vergilius, Livius en Horatius aan, het verleden glorieus te beschrijven. Doordat hij de oude Latijnse cultuur trouw was, bleef het rijk in wezen Westers. Augustus regeerde ruim 40 jaar. Hij deed dit ondanks een ernstige slepende ziekte. Hij was zeer geliefd en werd tijdens zijn leven al aanbeden. Zijn lange heerschappij maakte het mogelijk dat de Romeinen met zijn hervormingen vertrouwd raakten. Het rijk bleef drie eeuwen lang bestaan in de vorm die het onder Augustus had gekregen. De rust en het uitstekende communicatiesysteem gaven klassieke ideeën, zowel Griekse als Romeinse, maar ook het christendom dat tijdens zijn regering was ontstaan, de kans om te bloeien, zich te verspreiden en zich te verbreiden. Wat ook de voordelen van het Romeinse Rijk voor de volgende generaties geweest zijn, deze moeten voor een groot deel worden toegeschreven aan de opvolger van Caesar, Augustus.

camee uit tijd AugustusCameeën waren in het oude Rome populair als decoratieve kunst. Deze camee heeft een afbeelding van keizer Augustus, die tot god wordt gekroond. Op de onderste helft van de camee staan soldaten, die nieuw gevangengenomen slaven aanvoeren. Augustus werd tijdens zijn bewind als een god aanbeden.

Vertelstof: alle biografieën

6e klas geschiedenis: alle artikelen

 

970

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

 

Julius Caesar ca. 100-44 v. Chr.

julius caesar 2Julius Caesar was een van de grootste veldheren en staatslieden van het oude Rome. Vrijwel zijn hele leven was hij aan gevaar blootgesteld. Als jonge man koos hij de zijde van een aantal hervormers in de Romeinse senaat tegen conservatieve leden en hun machtige leider Sulla. Hij werd gedwongen te vluchten om zijn leven te redden. Later werd hij, terwijl hij op weg was naar Rhodos om lessen te nemen in het houden van redevoeringen, door piraten gevangengenomen. Nog later, als generaal in Gallië, leidde hij zijn troepen in de strijd tegen de barbaarse stammen. Hij onderwierp het grootste deel van Europa aan Rome.

Caesar behoorde tot een voorname Romeinse patriciërs-familie. Al op jonge leeftijd nam hij de beslissing een loopbaan in de politiek te beginnen. Op 18-jarige leeftijd trouwde hij met de dochter van één van de leiders van de hervormers. Daarmee maakte hij zijn standpunt al bekend. Maar het begin van zijn carrière werd vertraagd toen hij door Sulla werd verbannen, omdat hij weigerde van haar te scheiden. Na de dood van Sulla in 78 v. Chr. keerde hij naar Rome terug. Hij begon de politieke ladder te beklimmen. In 62 v. Chr. was hij al tot praetor gekozen. Dit was het op één na hoogste ambt in de Romeinse regering. Het jaar daarna werd hij gouverneur in Andalusië en Portugal. Hij gebruikte zijn positie, net als de andere Romeinse gouverneurs, om militaire overwinningen te behalen en oorlogsbuit te veroveren. Deze buit maakte het voor hem mogelijk in 59 v. Chr. tot consul te worden gekozen.

Als consul won Caesar het vertrouwen van Pompejus, een populaire en succesvolle generaal die ooit aanhanger van Sulla was geweest. Caesar won zijn trouw, door de senaat te dwingen land te geven aan de gepensioneerde soldaten van de generaal. Daarna haalde Caesar Crassus over om zich bij hun verbond aan te sluiten. Daardoor werd het een driemanschap. Crassus, een oude tegenstander van Pompejus, was één van de leidende staatslieden en de rijkste man van Rome. Toen de termijn van één jaar van het consulschap van Caesar was verstreken, vertrouwde hij zijn politieke zaken in Rome toe aan zijn twee bondgenoten en vertrok naar Gallië, waar hij als stadhouder was aangesteld.

In Gallië kreeg Caesar de kans een leger op te bouwen en door middel van veroveringen grote rijkdommen en glorie te vergaren. Tegen 50 v. Chr had hij heel Gallië veroverd. Hij had er orde en vrede gesticht en het gebied volledig onder de controle van Rome gebracht. Zijn overwinningen werden door een samenhang van drie factoren tot stand gebracht. Voor een deel kwam dat voor rekening van de trouw van zijn leger, dat een groot respect had voor zijn moed en kunde. Voor een deel kwam het door zijn besluitvaardigheid en geïnspireerde tactieken, waardoor de tegenstander vaak volledig werd verrast. Voor een ander deel kwam het door een gebrek aan eenheid van de Gallische stammen. Hij trok naar Duitsland en Engeland (toen Germanië en Brittannië genoemd), maar hij had niet genoeg manschappen om ook deze landen aan het rijk toe te voegen.

Caesars overwinningen in Gallië maakten grote indruk op de Romeinen. Pompejus raakte er echter ongerust door, omdat hij de macht en het aanzien van Caesar ten koste van zichzelf zag toenemen. Ook Crassus was niet helemaal tevreden over de bestaande afspraken en ook hij werd ongerust. Maar Caesar overwon de geschillen tussen de drie mannen en hield het driemanschap in stand totdat hij zijn oorlogen in Gallië had beëindigd. Crassus sneuvelde tijdens de oorlog tegen de Parthen in het oosten.

Zowel Caesar als Pompejus hadden legers. Geen van beiden wilde die macht opgeven, zo lang de ander dat ook niet deed. Toen de senaat besloot Pompejus te steunen en Caesar het bevel gaf zijn opperbevel af te staan, weigerde deze. Hij deed de beroemde uitspraak ‘de teerling is geworpen’. Daarop leidde hij zijn troepen over het riviertje de Rubico*, dat de grens tussen Italië en Gallië aangaf. en marcheerde in de richting van Rome. Dit was het begin van een burgeroorlog tussen aan de ene kant de Romeinen die hém als heerser steunden. en aan de andere kant de Romeinen die de republikeinse regeringsvorm en de macht van de senaat bleven steunen. De troepen die de senaat steunden, stonden onder bevel van Pompejus. Ze trokken zich terug voor de opmars van Caesar en vluchtten uiteindelijk van Italië naar Griekenland. Caesar achtervolgde hen. In de eerste veldslag in Griekenland werd hij misleid. Maar Caesar hergroepeerde zijn strijdkrachten op een strategische plaats bij Pharsalus. Toen de troepen van Pompejus tot de aanval overgingen, werden ze vernietigend verslagen. Pompejus vluchtte weer, deze keer naar Egypte, waar hij werd vermoord. Maar zijn leger marcheerde verder naar Tunesië. Caesar, die hen nog steeds achtervolgde, bereikte Egypte. Daar ontmoette hij Cleopatra. Hij besloot eerst te rusten, voordat hij via Syrië en Pontus (in Klein-Azië) naar Rome terugkeerde. In die landen onderdrukte hij verschillende opstanden. Hij beschreef zijn overwinning in Pontus in drie woorden: ‘Veni Vidi Vici’ (‘Ik kwam, Ik zag, Ik overwon’).

Caesar keerde in 46 v. Chr. naar Rome terug. Hij was toen de absolute heerser. Hij begon allerlei plannen te maken. Sommige daarvan werden pas door zijn opvolgers uitgevoerd. Die plannen dienden om de regering in het rijk te reorganiseren. Maar hij werd twee keer weggeroepen om het rebellerende leger van Pompejus in Afrika en Spanje te bestrijden. Alles bij elkaar had hij minder dan een jaar om zijn plannen ten uitvoer te brengen. In 44 v. Chr. bereidde hij zich voor op een veldtocht tegen de Parthen om in het oosten meer gebied aan het rijk toe te voegen. Een groep van 60 tegenstanders zwoer tegen hem samen en vermoordde hem. Zijn toenemende arrogantie en dictatoriale beslissingen hadden hun wrevel opgewekt.

*Alea iacta est!

Toen Julius Caesar op een ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de historische woorden ‘alea iacta est! oftewel de teerling (dobbelsteen) is geworpen, ontketende hij een van de beroemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis. In 2006 schreef de Britse historicus Tom Holland daarover een boek, simpelweg Rubicon getiteld. In dit uitstekend gedocumenteerde werk, dat bij Uitgeverij Athenaeum in Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft Holland hoe onder Julius Caesar de Romeinse republiek in een keizerrijk transformeerde. Bovendien weet Holland van de hoofdrolspelers, zoals de generaals Sulla, Pompeius en Julius Caesar, de politicus Cato en de redenaar Cicero, mensen van vlees en bloed te maken. De vele afbeeldingen en kaarten maken Rubicon tot een regelrechte aanrader van liefhebbers van de Romeinse (en dus de Italiaanse) geschiedenis.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

 

964

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hannibal

 

Hannibal 247-183 v. Chr.

Hannibal

 

Hannibal trok met zijn leger en zijn olifanten over de Alpen. Waar ging hij heen en waarom? Hannibal is meer bekend om zijn briljante tactiek dan om zijn overwinningen. Uiteindelijk waren ook zijn overwinnigen niet voldoende. Zelfs Hannibal was niet in staat Carthago te beschermen tegen de groeiende macht van de Romeinen.

Carthago was een Fenicische stad-staat in Noord-Afrika, in wat nu Tunesië is. De stad was al in de 8e eeuw v. Chr. gesticht, ongeveer gelijktijdig met de stad-staat Rome. Carthago was uitgegroeid tot een belangrijke handelsstad. Carthago had geleidelijk haar grondgebied over grote delen van het westelijke Middellandse Zeegebied uitgebreid, terwijl Rome bijna het hele Italiaanse schiereiland veroverde. Er kwam een botsing tussen de twee steden, die uitliep op een grote veldslag. In de eerste van de drie Punische (van het Romeinse woord voor Phoenicisch) Oorlogen verloor Hannibals vader, Hamilcar Barcas, het eiland Sicilië aan de Romeinen. Maar daarna voerde hij een invasie uit in Spanje en veroverde dit voor Carthago. De machtsovername in Spanje was het sein voor het begin van de Tweede Punische Oorlog. Hierin bestreed Hannibal de Romeinen voor het eerst.

6e klas Hannibal 2

Hannibal tijdens de beroemde tocht van zijn leger over de Italiaanse Alpen. Het leger maakte deze barre tocht om ten strijde te trekken tegen het Romeinse leger onder leiding van Scipio Africanus. Hannibals mannen, olifanten en pakpaarden waren na deze gruwelijke expeditie volledig uitgeput.

Volgens de legende moest Hannibal als jongen van zijn vader zweren, dat hij de Romeinen eeuwig zou haten. Zijn hele leven vocht hij tegen de Romeinen. Hij begon als de rechterhand van zijn zwager Hasdrubal, die Hamilcar in Spanje was opgevolgd. Na de dood van Hasdrubal werd hij door het leger tot leider gekozen. Hannibal wist maar al te goed dat er aan de veroveringsdrang van Rome geen eind zou komen. Hij was vastbesloten te voorkomen, dat het Romeinse Rijk zich verder zou uitbreiden. Hij belegerde de Spaanse stad Saguntum om een confrontatie uit te lokken. Hoewel Saguntum binnen het gebied van Carthago lag, onderhield de stad vriendschapsbanden met Rome. Hij veroverde de stad in 219 v. Chr. Daarop verklaarde Rome Carthago de oorlog. Hannibal vertrok met zijn leger van huursoldaten, paarden, voorraadwagens en olifanten om de Romeinen op hun eigen grondgebied te bestrijden. Hij koos de weinig gebruikelijke route over land. Die leidde door de Pyreneeën en Gallië naar de rivier de Rhône. Nadat hij zijn doodsbange olifanten op vlotten over de rivier had gebracht, liet Hannibal zijn leger door het Rhônedal marcheren om een confrontatie met het wachtende Romeinse leger te ontwijken. In plaats daarvan wilde hij hen onverwacht overvallen in meer open terrein. Daarom besloot hij over de Italiaanse Alpen te trekken en naar het dal van de rivier de Po af te dalen.

6e klas Hannibal 1

Dit is een detail van een 18e eeuwse gravure. De olifanten van Hannibal werden met een veerpont over de rivier de Rhône gezet. Daarna trok zijn leger over de Alpen. De schepen waren met aarde bedekt in een poging de olifanten geen schrik aan te jagen, maar niettemin waren deze doodsbenauwd.

de eerste dagen van de oorlog die toen in volle hevigheid losbarstte, won Hannibal alle veldslagen. Dit gebeurde ondanks de uitputting van zijn uitgedunde strijdmacht en het uitblijven van steun uit Carthago. Hij gebruikte allerlei slimme tactieken. Door vindingrijke troepenbewegingen wist hij twee Romeinse legers in de pan te hakken. Hij trok op tot aan Rome zelf, maar zijn leger was niet sterk genoeg meer om de stad in te nemen. De Romeinen ontplooiden na verloop van tijd een strategie waarbij veldslagen werden vermeden, maar waarmee ze op allerlei plaatsen met aanvallen dreigden. Hannibal was gedwongen zijn verzwakte leger te verspreiden en om te schakelen van de aanval naar de verdediging. De Romeinse generaal Scipio Africanus was intussen naar Spanje overgestoken en bestreed en overwon daar het leger dat door Hannibal was achtergelaten om zijn gebied te beschermen. Toen Scipio weer de zee overstak om in Noord-Afrika Carthago zelf aan te vallen, haastte Hannibal zich in 204 v. Chr. naar huis om de stad te verdedigen. De bijzonderheden van de veldslag waarin de twee generaals elkaar ontmoetten, zijn vaag. Maar Scipio gebruikte blijkbaar van Hannibal geleerde tactieken om de Carthagers te verslaan. Er werd een vredesverdrag gesloten. Carthago werd gedwongen om Spanje op te geven.

De oorlog betekende niet het einde van Hannibals strijd tegen Rome. Hij werd als hoge ambtenaar in de regering van Carthago aangesteld. Hij voerde allerlei hervormingen door, die de edelen veel van hun macht ontnamen. Uit wraak rapporteerden ze aan de Romeinen dat hij tegen hen samenzwoer. Hannibal vluchtte naar Klein-Azië (het huidige Turkije), eerst naar Efese en later naar Bithynië. Daar steunde hij de plaatselijke heersers in hun strijd tegen Rome, totdat de Romeinen eisten dat hij aan hen zou worden uitgeleverd. Liever dan zich gevangen te laten nemen, vergiftigde hij zichzelf en stierf op 64-jarige leeftijd in Bithynië.

Hannibal ante portas!

Nadat hij zijn olifantenleger over de Alpen had geleid, deed de beruchte Hannibal (270 – 183 voor Christus) ook Campania aan. Hannibal was een briljant strateeg en Carthaagse generaal gedurende de Punische Oorlogen. Onder zijn leiding kregen de Romeinen het zwaar te verduren. Hij was zo’n afschrikwekkende figuur in de Romeinse wereld dat hij als een boeman werd voorgesteld. Wanneer Romeinse kinderen ondeugend waren, werd dreigend geroepen dat Hannibal aan de poorten van de stad stond om ze weer in het gareel te krijgen. Maar de uitspraak Hannibal ante portas!’ werd ook door Romeinse senatoren gebruikt wanneer er calamiteiten waren, als er grote problemen waren of ergens paniek uitbrak. In antieke geschriften werd ooit geschreven dat het Hannibal was, die de Romeinen leerde wat angst écht inhield.

UIT: De charme van Napels en Campania: Esther van Veen

6e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

vertelstof: alle biografieën

 

961

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – Caesar in de lage landen (10-2)

 

Massamoord Caesar in Nederland

Romeinse keizer joeg bij Kessel 100.000 tot 150.000 Germaanse asielzoekers over de kling

Julius Caesar heeft in zijn boek ‘De bello Gallico’ (Over de oorlog in Gallië) beschreven hoe zijn manschappen een groot deel van een Germaans leger, wel 430.000 strijders, doodden, terwijl de overgebleven Germanen in de rivier sprongen en verdronken. Dat verschrikkelijke schouwspel speelde zich af in het jaar 55 voor Christus.

Dit verslag geldt als bewijs dat Caesar ooit hier geweest is. Het is ook het enige verslag, dus het oudste, van een veldslag in Nederland.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de veldslag heeft plaats gevonden in een oude bedding van de Maas, in Noord-Brabant, in de buurt van Kessel.
In de voorbije tientallen jaren is daar van alles gevonden dat heel overtuigend wijst op een grote veldslag: allerlei zwaarden, veel botten en schedels, maar ook speerpunten en een Gallische helm. De datering komt uit op de eerste eeuw voor Christus. De conclusie is gerechtvaardigd:  Julius Caesar heeft hier echt slag geleverd.

In boek IV van De Bello Gallico beschrijft Caesar hoe twee Germaanse stammen de Rijn waren overgestoken, de grens tussen Gallië en Germania. Ze hebben asiel aangevraagd, maar Caesar moet niets hebben van deze barbaren. Hij rukt met zijn volledige legermacht -acht legioenen plus cavalerie, 45.000 soldaten – naar hen op. En terwijl de Germaanse stamhoofden met hun gcvolg in zijn legerkamp zijn, valt hij hun nederzetting aan.

Het is geen wonder dat er weinig van de massale slachting is teruggevonden. De Romeinen sloegen maar voor een paar dagen een kamp op. Later – maar dat pas in de tijd van Augustus – worden er vaste legerkampen gebouwd, zoals bijv. bij Nijmegen.

Caesar schrijft dat de slag plaatsvond in een gebied waar Maas en Rijn samenvloeien. Die komen echter nergens bij elkaar, behalve als je de Waal geen Waal noemt, maar haar loop naar de Noordzee Rijn blijft noemen, wat op zich niet vreemd is.

Het onderzoek – ook van de eerder toevallige vondsten in die streken – bevestigt de af- en herkomst van de botten: de 1e eeuw voor Christus; met geweldsporen en ze waren ook van vrouwen en kinderen. En ze kwamen van elders.

De onderzoekers maken wel enkele kanttekeningen: Caesar overdreef. Die Germanen kunnen nooit met 430.000 zijn geweest. Zoveel mensen konden ze toen niet bevoorraden. Maar we moeten het ook niet bagatelliseren. Het zullen toch wel 150- tot 200.000 man zijn geweest. Of ze allemaal zijn omgekomen? Een deel moet wel hebben kunnen ontkomen, dat kan niet anders. Maar een fors deel zal zijn gesneuveld. 60 a 70 procent?

Caesar is in de Romeinse senaat heftig aangevallen. Niet vanwege die slachting zelf, zijn tegenstanders verweten hem dat hij de erecode had verbroken. Hij was tot de aanval overgegaan terwijl er een wapenstilstand was. Daar maakte men zich druk om.

Caesars verslag van de massavernietiging van de Tencteri en Usipetes bij de samenvloeiing van Maas en Waal:

Met mijn leger (…) arriveerde ik al bij het vijandelijke kamp voordat de Germanen door konden hebben wat er gebeurde. Door dit alles raakten ze plotseling in paniek: wij waren snel ter plaatse, hun stamhoofden ontbraken, en zij kregen geen tijd om te overleggen en naar de wapens te grijpen. (…). En terwijl hun angst zich manifesteerde in hun geschreeuw en gedraaf, drongen onze soldaten (…) het kamp binnen. Daar boden de mannen die in allerijl de wapens hadden kunnen grijpen korte tijd weerstand, en vochten tussen de karren en bagagewagens. (…) Maar er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloegen nu naar alle kanten op de vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil achter zich en toen zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten zij hun wapens neer (…) en renden hals over kop weg uit het kamp. Toen zij bij het punt waren gekomen waar Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de rivier, waar zij omkwamen overweldigd door angst, vermoeidheid en de kracht van de stroom.

(Caesar, ‘De Bello Gallico’ 4.14-15)

6e klas Julius Caesar in Nederland

6e klas geschiedenis: alle artikelen

 

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

 

vertelstof: alle biografieën

 

958

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis- Carthago (11)

.

Wie tegenwoordig Tunesië bezoekt heeft koud de luchthaven verlaten, of de eerste verwijzingen naar de antieke handelsmetropool Carthago dienen zich al aan. Speelparadijzen, hotels, restaurants, allemaal dragen ze namen die verwijzen naar de geschiedenis van deze roemruchte stad.

De restanten van Carthago, de stad die in de Oudheid met Rome, Athene en Alexandrië tot de belangrijkste steden van het Middellandse Zeegebied behoorde, liggen tegenwoordig onder een chique villawijk aan de rand van de Tunesische hoofdstad Tunis.

Volgens de legende werd Carthago gesticht door Feniciërs, afkomstig uit de stadstaat Tyrus, in het huidige Libanon. Dit volk zwermde uit over het hele mediterrane gebied en vestigde talloze handelsposten. Op Sardinië, Sicilië en in Spanje, overal streken de Feniciërs neer om handel te drijven. Volgens de overlevering zouden hun handelsmissies zelfs het huidige Bretagne en Groot-Brittannië hebben bereikt.

Hun belangrijkste nederzetting was echter de stad die ze in de buurt van het huidige Tunis vestigden: Qart Hadasht (“nieuwe stad” in het Fenicisch), oftewel Carthago. De stad lag op het kruispunt van handelsroutes van oost naar west en van het Afrikaanse achterland en het Middellandse Zeegebied.

6e klas Carthago

.

De legende wil dat de Fenicische prinses Elissa in de negende eeuw voor Christus de stichter was van de stad. Elissa (Dido, in de Romeinse versie van het verhaal) erfde na de dood van haar vader samen met haar broer Pygmalion de troon in Tyrus. Twee kapiteins op een schip bleek al snel niet te werken en Pygmalion greep de macht. Maar Elissa verzon een list.
Ze wendde voor zich aan de wensen van haar broer te onderwerpen en kondigde aan met al haar rijkdommen naar het hof te komen. In plaats daarvan voer ze met haar volgelingen naar Noord-Afrika waar ze de lokale heerser zover kreeg haar een stuk land te verkopen ter grootte van een koeienhuid. De slimme Elissa sneed echter de huid in smalle repen en bakende zo de contouren af van Carthago.

Hoewel het bestaan van Elissa archeologisch niet te bewijzen is, schuilt er wel degelijk een kern van waarheid in de mythe. Zo weten we dat de stichters van de stad immigranten waren, die lange tijd pacht voor het land betaalden aan de lokale bevolking. Ook gingen ze tot de derde eeuw voor Christus jaarlijks naar Tyrus om daar offers te brengen aan de Fenicische goden.

In de eeuwen na de stichting ontwikkelde Carthago zich tot een belangrijke handelsstad. Zo belangrijk dat het opkomende Rome de stad steeds meer als een geduchte concurrent ging zien. Niet voor niets eindigde de Romeinse senator Cato elke toespraak met de oproep: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’.

Olifanten
Drie oorlogen vochten de Romeinen met Carthago uit. Bij deze Punische oorlogen (de Romeinen noemden de inwoners van Carthago Puniërs, een verbastering van Feniciërs) bleken de Carthagers steevast betere handelaren dan militairen. Steeds weer wonnen de Romeinen. Zelfs de briljante militair Hannibal, die met zijn olifanten de Alpen over trok om de Romeinen te verrassen, moest het onderspit delven.

Na de eerste twee nederlagen wisten de Puniërs hun machtspositie weer op te bouwen. Maar met de derde Punische oorlog kreeg de oude Cato eindelijk zijn zin. In 146 voor Christus verwoestten de Romeinen de stad definitief, waarmee er een einde kwam aan de Punische periode van Carthago. In de eerste eeuw na Christus kwam Carthago toch weer tot bloei, ditmaal als Romeinse nederzetting. Pas met de komst van de Arabieren in de zevende eeuw verloor de stad haar betekenis, omdat de Arabieren andere handelsroutes gebruikten.

Wie tegenwoordig de archeologische sites van Carthago bezoekt, kan nog steeds met eigen ogen de gevolgen van de beslissende derde Punische oorlog zien. Aan de voet van de heuvel Byrsa zijn restanten blootgelegd van het Punische Carthago. Hier is te zien hoe de Romeinen de huizen met de grond gelijk maakten en op de fundamenten een enorme puinlaag stortten, waarop ze een nieuwe stad konden bouwen. Het verleden is hier niet alleen zichtbaar, maar ook tastbaar. Letterlijk. Uit de puinhopen steken nog steeds fragmenten aardewerk en botresten, als stille herinneringen aan de bewoners van deze bloeiende metropool.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Pompeï zijn de restanten van Carthago niet op één archeologische site zichtbaar. De ruïnes van Carthago liggen onder een villawijk, ingeklemd tussen de moderne bebouwing. Wie een indruk wil krijgen van Carthago, moet van site naar naar site rijden om de verschillende oudheden te bezoeken. De verspreide restanten tonen een beeld van een imposante stad, compleet met een Romeins amfitheater, Punische haven, de begraafplaats Tophet en enorme cisternen en aquaducten die de stad van water voorzagen. Ronduit indrukwekkend zijn de thermen (baden) van Antoninus, die zo groot als de Sint Pieter in Rome moeten zijn geweest.

6e klas Carthago 16e klas Carthago 2De jurk van de godin is Grieks-Romeins, de ringen bij de nek zijn Punisch en de leeuwenkop verwijst naar de Egyptische leeuwinnengodin Sachmet. Ze is de perfecte verbeelding van de mengcultuur die Carthago kenmerkt.

Kinderoffers?
Een van de meest intrigerende sites van Carthago is Tophet, een Punische begraafplaats waar gedurende vele eeuwen tienduizenden kinderen en dieren werden begraven. Met zijn talloze kleine stèles, is het een ontroerende plek, die je onwillekeurig doet mijmeren over al die kleine zieltjes die hier hun rustplaats vonden. Maar Tophet is ook het onderwerp van verhitte wetenschappelijke discussie. Stierven de kinderen een natuurlijke dood of werden ze geofferd? Historicus en Carthagospecialist Richard Miles meent dat er wel degelijk sprake was van kinderoffers. Pieter ter Keurs van het RMO betwijfelt dat. “Het bewijs voor kinderoffers is flinterdun. De kindersterfte was hoog en het was misschien gebruikelijk om een zeer jong kind niet bij de familie maar op een speciale kinderbegraafplaats te begraven. Op de stèles staan teksten als: ‘Hierbij geef ik het kind aan Baal’. Dat is geen bewijs dat ze geofferd zijn, maar kun je ook opvatten ais een uiting van de wens van de ouders dat de god Baal zich over het kind ontfermt. Ik sluit dan ook niet uit dat de verhalen over kinderoffers zijn aangedikt door de Romeinen, om de Puniërs als barbaren af te schilderen. Bovendien rept de Griekse historicus Polybius met geen woord over kinderoffers.”

6e klas Carthago 3

.

Artikel waarschijnlijk uit Trouw, 2014
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen
.

947

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (10-1)

,

ROMEINEN OP DE UITKIJK AAN HET FLEVOMEER

Een boomstam die is opgegraven in het Flevolandse Kotterbos blijkt gekapt in het jaar 69. Toen was er nog een Flevomeer en speurden Romeinse verkenners naar opstandige Bataven.

Flevoland is rijk aan archeologische vindplaatsen. Er zijn akkers en nederzettingen uit de steentijd en wrakken van vergane schepen uit de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Er is gekapt hout uit de Romeinse tijd gevonden. boven. Hout uit de tijd van de Bataafse Opstand uit 69 na Christus?

Op drie plekken kwamen liggende boomstammen tevoorschijn. Op enkele van de soms zeven meter lange stammen zijn kapsporen  en inkepingen te zien die er op wijzen dat de stammen waren versleept. Een houtspecialist stelde vast dat het om elzen ging. Daarna maakte een C14-date-ring duidelijk dat het om hout uit de eerste eeuw na Christus ging.

6e klas Romeinen in Nederland 1

Bij de opgraving ontdekten de archeologen niet alleen bewerkt hout dat nog in verband lag, maar ook een ruim drie kilo zware basaltsteen en een fragment van een aardewerken tegel.  Nader onderzoek bracgt aan het dat de steen afkomstig is uit het gebied ten zuiden van Bonn. Dezelfde soort is als ballast gebruikt voor de Romeinse schepen die bij Woerden en De Meern zijn gevonden.

Ook de aardewerken tegel komt  uit een nautische context. Dergelijke tegels werden gebruikt om aan boord op te koken. Ook op deze tegel zijn roetsporen gevonden die er op wijzen dat er op is gekookt. Het hout in verband maakt duidelijk dat op de plek een bouwwerk heeft gestaan. Gezien de eenvoudige constructie gaat het niet om een permanent bouwwerk.

De vondsten maken verschillende scenario’s mogelijk. Archeo-botanisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat hier in de eerste eeuw een moerasbos was, te midden van een venen- en merengebied. Uit Romeinse bronnen als Tacitus weten we dat in de eerste eeuw Romeinse vloten via het Lacus Flevo, het Flevomeer, naar de Elbe en de Eems zijn getrokken.

Waarschijnlijk gingen die expedities  vooraf aan het moment waarop de bomen zijn gekapt en bewerkt. Van één boomstam is het exacte kapjaar vastgesteld: 69 na Christus. Dat zou de plek met het tijdelijke bouwwerk plaatsen in de periode van de tweejarige Bataafse Opstand. Tacitus schrijft dat er toen veel troepenbewegingen per schip waren en dat er in het mondingsgebied van de Rijn veel gevechten op het water zijn geleverd. Het zou goed kunnen dat de Friezen, die goede contacten hadden met de Bataven, strijders naar de opstandige Bataven stuurden. Maar de sporen kunnen ook zijn achtergelaten door gevluchte Bataven die zich bij het Lacus Flevo verborgen hielden – als veteranen uit het Romeinse leger beschikten ze over hetzelfde gereedschap als de Romeinen.

Het wordt waarschijnlijker geacht dat de plek is aangedaan door Romeinen. Op een dag varen van Vechten of Utrecht hebben ze op een verkenningstocht een tijdelijk kamp ingericht. Mogelijk met een uitkijktoren. Maar het kan ook een baken zijn geweest in het gevaarlijke moerasgebied. Korte tijd later is het tijdelijke kamp in het dynamische gebied weggespoeld.
.
6e klas Romeinen in nederland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De vondst ligt buiten de Romeinse rijksgrens

 

Bron: NRC 24-05-2014 (Theo Toebosch/Robert van Heeringen)

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen
.

946

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Alexander de Grote

Alexander de Grote

Alexander de Grote  356-323 v. Chr.

Alexander de Grote stierf al op zijn 33e jaar tijdens een koortsaanval. Hij liet meer dan 70 nieuwe steden na. Ze lagen overal verspreid, van het huidige Egypte, Perzië, Centraal-Azië, Afghanistan tot in India toe. Deze steden, die allemaal Alexandrië heetten, markeerden de route die deze opmerkelijke jonge
Romeinse kopie van een beeld
van Lysioous
Macedonische koning aflegde. Hij drong diep in Azië door en veroverde alles op zijn weg. Het is nog belangrijker, dat de door hem gebouwde steden centrums voor de Griekse cultuur werden en op die manier alle delen van de bekende wereld beïnvloedden. Het werden vrije en openbare steden waar iedereen elkaar kon ontmoeten en waar men handel kon drijven.
Alexander de Grote verkreeg zijn positie in Griekenland zowel door zijn afkomst als door zijn opvoeding. Hij was de zoon van koning Philippus II van Macedonië en zijn Griekse koningin Olympias. Zijn leraar was de Griekse filosoof Aristoteles. Deze onderwees hem in wijsbegeerte, wetenschap en geschiedenis. Alexander las over de Griekse helden en fantaseerde, dat hij hun opvolger was. Ook leerde hij hoe de Perzen 150 jaar daarvoor Griekenland hadden aangevallen. Samen met zijn vader smeedde hij het plan voor een Macedonische wraakoefening.

Philippus werd in 336 v. Chr. vermoord. Al op 20-jarige leeftijd werd Alexander koning van Macedonië. Griekenland was een deel van zijn rijk. Hij maakte al snel duidelijk dat het zijn bedoeling was dat zo te houden. Terwijl hij in het noorden en oosten oorlog voerde om die delen van zijn rijk onder controle te houden, ontving hij het bericht dat de Griekse stad-staat Thebe in opstand was gekomen. Hij ging met zijn leger naar Griekenland terug, Thebe werd in korte tijd met de grond gelijk gemaakt. Duizenden inwoners sneuvelden en de rest werd als slaaf verkocht. De Grieken kwamen daarna niet meer tegen de heerschappij van Alexander in opstand. Ze gaven hem zelfs het opperbevel over een Grieks-Macedonisch leger, dat volgens de plannen van zijn vader de strijd met het Perzische Rijk zou gaan aanbinden.

In minder dan vier jaar nadat hij in 334 v. Chr. de Dardanellen was overgestoken en Azië was binnengetrokken, had hij heel Klein-Azië veroverd en de Griekse steden aldaar bevrijd. Hij had een bres geslagen in de als onneembaar bekend staande verdedigingswallen van de eiland-staat Tyrus. Toen hij Egypte binnentrok, werd hij daar als farao vereerd. Hij stichtte aan de monding van de Nijl, het eerste Alexandrië. Bij Gaugamela versloeg hij het Perzische leger. Hij nam de macht over in Babylonië, Elam, Medië en Perzië. Toen Perzië in 331 v. Chr. aan zijn voeten lag, had Alexander bereikt waar hij oorspronkelijk

voor op weg was gegaan.
Maar hij ging verder, om een meer persoonlijke oorlog te voeren. Hij marcheerde verder naar het oosten waar hij Bactrië (nu Afghanistan) veroverde en daarna Sogdiana (in Centraal-Azië), waar hij een soort guerrilla-oorlog voerde. Hier trouwde hij met Roxane, de dochter van een plaatselijk stamhoofd.
In 327 v. Chr. trok hij op tegen India. Hij versloeg de koningen Taxala en Poros en bereidde zich voor op de volgende veldslag tegen de Nanda-koning van Magadha. Maar zijn troepen weigerden verder te gaan. Alexander legde zich bij hun besluit neer. Hij trok naar het zuiden en volgde de loop van de rivier de Indus tot aan de monding. Daar splitste hij zijn strijdmacht in tweeën. De helft ervan werd overzee teruggestuurd en met de andere helft trok hij over land door Beluchistan. De overlevenden van deze twee gevaarlijke reizen ontmoetten elkaar in zuidelijk Perzië, waarna ze gezamenlijk naar Susa marcheerden. Het duurde nog tot 324 v. Chr. voordat ze daar aankwamen.
6e  klas Alexander de Grote
Voor Alexander betekenden zijn veldtochten en reizen meer dan alleen een uitdaging voor zijn militaire vaardigheden. Hij beschouwde zijn reizen als ontdekkingen en niet als veroveringen. Alexander had vooral veel waardering voor de Perzen. Na verloop van tijd begon hij hen meer als bondgenoten dan als onderdanen te beschouwen. Hij plaatste Perzen op hoge posten binnen de regering en nam hen op in alle takken van zijn leger, waaronder het elitekorps van de koninklijke lijfwacht-cavalerie. Alexander moedigde zijn landgenoten aan om Perzische vrouwen te huwen. Zo’n 80 van zijn officieren en 10.000 van zijn manschappen deden dit. Hij begon zich naar Perzisch gebruik te kleden en verlangde zelfs van zijn eigen onderdanen dat ze zich voor hem ter aarde zouden werpen, zoals de Perzen dat voor hun heersers hadden gedaan. Zijn pogingen om de Macedoniërs en de Perzen tot één volk te versmelten, zetten kwaad bloed bij de Macedonische troepen. Dit leidde uiteindelijk tot een openlijke opstand. Alexander drukte deze rebellie de kop in door al zijn Macedonische troepen te ontslaan en hen door Perzen te vervangen. Er kwam een verzoening, maar Alexanders neiging om zich steeds eigenzinniger te gaan gedragen, ondervond steeds meer weerstand bij zijn officieren. Degenen die hij niet vertrouwde, werden vermoord. Toen Alexander later begon te geloven dat hij een god was, waren de meesten dat uit angst met hem eens. Ambassadeurs begonnen uit alle windrichtingen, zelfs helemaal uit Libië en Italië, te arriveren. Ze waren allemaal voor die gelegenheid in bloemenkransen gekleed, als gepaste hulde aan de nieuwe goddelijkheid van Alexander. Tussen de plechtigheden door hield hij zich nog bezig met een groot aantal andere zaken. Hij had plannen om de Kaspische Zee te onderzoeken, zich op de kusten van de Perzische Golf te vestigen en te zorgen voor een open verbinding over zee met India.
Maar Alexander werd na een groot drinkgelag ernstig ziek. Hij stierf aan malaria, tien dagen daarna, op 13 juni 323 v. Chr. Zijn lichaam werd naar Alexandrië in Egypte vervoerd.
Alexander was al tijdens zijn leven legendarisch geworden. Verhalen over zijn wapenfeiten verspreidden zich van het ene deel van zijn rijk naar het andere. De legendes bleven tot in onze tijd bestaan. Maar de geschiedkundigen kennen hem op een andere manier. Door de Griekse taal en cultuur te verbreiden, schiep hij een basis waarop Rome later het Romeinse Rijk kon bouwen en in stand kon houden.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
936

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (9-1)

 

HET ONTSTAAN VAN ROME
De Romeinen hebben eeuwenlang het overgrote deel van Europa beheerst. Ook Neder­land en België behoorden lange tijd tot het enorme Romeinse rijk. De Romeinen zijn genoemd naar de stad Rome, maar ze heetten eigenlijk ‘Latijnen’. Er was een tijd dat Rome een kleine nederzetting was aan de oevers van het riviertje de Tiber. Het zou toen nog wel enige tijd duren voordat de bewoners ervan hun wil aan de rest van de toen bekende wereld zouden opleggen. Vele duizenden jaren voor Chr. werd Italië al be­woond door verschillende volkeren. Ze hielden schapen en deden aan landbouw en visvangst. Ongeveer 800 jaar v. Chr. landde een vreemd volk in Italië. Het waren de Etrusken en ze kwamen waarschijnlijk uit Klein-Azië. Ze brachten een vrij hoge bescha­ving mee en overheersten al spoedig de andere volken in Italië. De Etruskische bescha­ving verbreidde zich over heel Italië. Eén van de overheerste volkeren, de Latijnen, kwam op den duur in verzet tegen de Etrusken. De Latijnen versloegen de Etrusken en namen hun plaats in als leidend volk. Ze zetten de Etruskische beschaving voort.

40 Latijnse dorpen
De Latijnen woonden in Midden-Italië aan de Tyrrheense Zee. Hun gebied heette ’ Latium’. [zie aanvulling in de reactieruimte] De Latijnen waren een volk van herders en landbouwers. Hun dorpen waren kleine, afzonderlijke staatjes, elk met een eigen koning. Tegen de 8e eeuw v. Chr. bestond Latium uit veertig van deze dorpen, waartussen een hechte band bestond door bloedverwantschap en de godsdienst. De hoofdstad van Latium was Albalonga, aan het Meer van Albano. Ieder jaar begaven de Latijnen zich naar deze stad om er feest te vieren. De feestdagen, die een godsdienstig karakter droegen, duurden vier dagen.

Dorpen op heuvels
In de laaggelegen gebieden van Latium, langs de rivier de Tiber en aan de kust van de Tyrrheense Zee, waren vele moerassen. In dit vochtige gebied heerste de muskiet, die malaria overbracht.
Maar in de heuvels was de grond vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Daarom bouwden de Latijnen hun dorpen op de heuvels.
Vandaaruit ontgonnen ze het moerasgebied en legden dijken aan langs de Tiber, die daardoor niet meer kon overstromen.
De rivier bleek bovendien een uitstekende handelsweg naar de zee en naar het bin­nenland te zijn.
Zelfs toen het meeste moerasland was drooggelegd, bleven de Latijnen hun dorpen bouwen op de heuvels. Daar waren ze veiliger tegen de rooftochten van de Liguriërs en de Feniciërs, die met hun schepen de rivier opvoeren. Ook tegen aanvallen van volkeren uit het binnenland waren de dorpen op de heuveltoppen beter beveiligd.
Die volkeren probeerden verschillende keren om zich van Latium meester te maken.

6e klas rome 10

Latijnse herders

6e klas Rome 11

(slecht leesbare tekst links:)
Deze kaart van Italië laat zien waar de verschillende volkeren woonden in de tijd dat de Latijnen Rome stichtten.

(rechts:)
Deze tekening laat zien hoe Rome ontstond op het kruispunt van twee belangrijke handelswegen. Bij het eilandje in de Tiber was de rivier doorwaadbaar. Op de linkeroever zien we de zeven heuvels waarop de stad zou worden gebouwd.

21 april 753 v. Chr.
De Latijnen moesten zich vaak verde­den tegen aanvallen van de Etrusken. Die probeerden vanaf de rech­teroever van de Tïber in Latium bin­nen te dringen, op de plaats waar een eiland in de rivier lag en waar het water doorwaadbaar was. De Latijnen besloten om de linkeroever van de Tiber, recht tegenover dit eiland, een versterkt dorp te bouwen. Het zou de vesting worden die de Etrusken moest beletten de rivier over te steken. Op de oever bij het eiland lagen verschillende heuvels, in totaal zeven.
De ‘Palatijn’, een van die heuvels, leek het meest geschikt om er een vesting op te bouwen. Vanaf die heuvel konden de Latijnen het rondliggende gebied goed overzien, ook de rivier de Tiber. Deze rivier was een belangrijke handelsweg. Van zee kwamen schepen met zout voor de volkeren in het binnenland. Naar zee voeren schepen met wol, die de Latijnen ruilden tegen de handelswaar van andere volkeren.
Zo werd de ‘Palatijn” de plaats voor het nieuwe versterkte Latijnse dorp. De overlevering wil ’dat men op 21 april van het jaar 753 v. Chr. aan de bouw ervan begon. Het dorp werd ’Roma’ genoemd. Misschien is deze naam afgeleid van het Etruskische woord ’rumon’, wat ’rivier’ bete­kent. Volgens anderen komt de naam van het Griekse ’ròme’, wat ’kracht’ betekent.

De zeven heuvels
Het dorp Rome ontstond dus op de heuvel ’Palatijn’. Al spoedig werd Rome een belangrijke handelsneder­zetting. Naburige volkeren die in moerasachtige streken woonden, ont­vluchtten de malaria en vestigden zich op de andere heuvels bij het dorp. De nieuwkomers bestonden uit groe­pen Sabijnen, Latijnen en Etrusken, die met de bewoners van de ’Palatijn’ een verbond sloten.

Zo ontstond een grote nederzetting op de zeven heuvels aan de oever van de Tiber, waar de bewoners het zoge­naamde ’ verbond van de zeven heuvels’ sloten. Overigens waarborgde dit verbond niet altijd een vreedzame samenleving. De Latijnen, Sabijnen en Etrusken, allen oorlogszuchtig van aard, raakten nogal eens in bloedige gevechten met elkaar verwikkeld. Maar langzamerhand brachten de handelsbelangen de verschillende volkeren op de zeven heuvels nader tot elkaar. Ze smolten samen tot het grote, nieuwe Rome.

6e klas Rome 12 - 0002

Op 21 april 753 v. Chr. begonnen de Latijnen aan de bouw van het dorp Rome, op de heuvel ‘Palatijn’ tegenover een eilandje in de rivier de Tiber.

6e klas Rome 13 - 0003Zo moet de constructie van een Latijns huis zijn geweest.

Hoe een nieuw dorp werd gesticht
De oude gebruiken bij het stichten van een nieuw dorp waren waarschijnlijk van de Etrusken afkomstig. Ongetwijfeld zal Rome volgens dezelfde gebruiken zijn gesticht. Op de heuvel werd een groot vuur van takkenossen ontstoken. Iedere bewoner van het nieuwe dorp sprong door de vlammen om zo ’gereinigd’ te worden van zijn zonden. Vervolgens werd een diepe kuil gegraven. Iedereen wierp daarin wat aarde uit het dorp waaruit hij afkomstig was. De leider van het nieuwe dorp trok vervolgens een priesterlijk gewaad aan en spande een stier en een koe voor de ploeg. Dan ploegde hij de voor, waarlangs men de muren van het dorp zou bouwen.

6e klas Rome 14 - 0002

Op de plaats waar de muren van het nieuwe dorp moesten komen, werd met de ploeg een voor getrokken.

De Latijnse godsdienst
De Latijnen waren een godsdienstig volk. Elk dorp, elk bos, elk huis en elke haard had een eigen beschermgod, die ’genius’ werd genoemd. Ook de mens had zo’n genius en de Latijnen geloofden, dat deze de mens van de geboorte tot de dood vergezelde. Kinderen stonden onder bescherming van vele goden.
Lucina moest het kind beschermen tijdens de geboorte, Cumina als het sliep, Rumina terwijl het melk dronk, enzovoorts.

Offers in de open lucht

6e klas Rome 15Zò brachten de Latijnen een offer. In het bos werd een ram geslacht.

De Latijnen bouwden geen tempels en brachten hun offers aan de goden in de open lucht. Dit gebeurde bijna altijd in de bossen.

6e klas Rome 18Dit oude Romeinse reliëf toont een offerplechtigheid aan de Latijnse god Penates, de beschermgod van het gezin.

Herders en boeren
De Latijnen woonden in ruwhouten hutten met lemen wanden en strooien daken. Ook Rome bestond aanvankelijk uit dergelijke hutten.
De inwoners waren herders en boeren, die ook nog wat handel dreven.
Sommigen beoefenden de jacht of de visserij. Na de terugkeer van hun akkers en weidegronden hielden de Latijnen zich vaak bezig met het maken van gereedschappen en andere voorwerpen die in het gezin nodig waren. Zo kon men een herder ’s avonds zien werken als schoenmaker of kleermaker.

6e klas Rome 16

Latijnse boeren bezig met het maken van gebruiksvoorwerpen.

Grensstenen
Iedere Latijnse stam had een eigen gebied. De grenzen daarvan werden aangegeven met zware stenen, de grensstenen. Voordat deze stenen geplaatst mochten worden, moesten eerst offers worden gebracht aan Termine, de beschermgod van de grenzen. Geld kenden de Latijnen niet. Alle handel vond plaats door het ruilen van goederen. Boeren boden melk, kaas, groenten en wol aan. Ze kregen er van de handwerkslieden metalen voorwerpen, potten kleding en schoenen voor terug.

6e klas Rome 17

Op de grens van hun gebied handelen Latijnen met een boer uit een ander gebied. Tussen hen in de grenssteen.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

832