Tagarchief: 6e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (8-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Hoe ga je te werk

In bovenstaande artikelen staat de lesstof van de 6e klas in grote lijnen beschreven.

Dit is wat je eigenlijk met de kinderen zou moeten behandelen en wel in 2 perioden van 3 à 4 weken.

Lindenberg geeft in zijn boek ‘Geschichte lehren’ perioden van 3 weken, maar de ervaring is bij velen dat 4 weken nodig zijn, dus totaal 8.

Zeker, wanneer je niet voortdurend – gedurende die 2 uur hoofdonderwijs waar ook vaak nog iets vanaf gaat (een paar liederen, getuigschriftspreuken enz.???) aan het woord wilt zijn. Dat verdragen de leerlingen niet en vanuit de algemene menskunde kun je weten dat ze dan teveel wegdromen en derhalve niet veel opnemen. Je doet dus moeite voor niets.

Het is dus belangrijk dat je kijkt naar de werkvormen die je wilt hanteren bij het aanleren van de stof.

Het vertellen is toch een belangrijk onderdeel en hierbij gelden, ook al hebben we hier met een hogere klas te maken, dat het ‘beeldend’ moet zijn. (Dat geldt ook zeker nog voor klas 7 en 8).

Beeldend is, wanneer je iets voor je ziet; wanneer je iets meebeleeft; wanneer er spanning en ontspanning is; humor en verdriet enz.

In de stof in bovenbedoelde artikelen is daarvan niet erg veel aanwezig; het gaat daar meer om de inhoud, hoewel er enkele leuke anekdotes tussen staan. Die mogen zeker niet ontbreken.

Goede schrijvers van historische (jeugd)romans kunnen een zeer inspirerend voorbeeld zijn. Het betekent wel dat je die boeken zelf eerst moet lezen en er vervolgens die onderwerpen uit moet halen die je nodig hebt.

Voor de geschiedenis van de lage landen bestaat er een serie die voor ons buitengewoon geschikt is: ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar.

Hij laat steeds de mensen iets beleven en doet dit zoals wij dit met onze vertelstof door de klassen heen, ook doen.
De kinderen in je klas kunnen dit zo meebeleven, dat hun gevoel aangesproken wordt en niet, zoals bij het feitelijk overbrengen van de stof, het hoofd – de ‘antipathiekrachten van het spiegelend moeten leren’ (Algemene menskunde o.a. 2e voordracht).

Hier volgt het hoofdstuk ‘Romanisering’ uit deel 1

DE ROMANISERING

De zon is opgegaan en beschijnt de antieke wereld, die langs rivieren en heir­banen de lage landen heeft bereikt. Ingrijpende veranderingen hebben zich, in die eerste eeuwen na Christus, in het leven voltrokken. Forten en legerplaat­sen zijn na de opstand der Bataven in flink aantal gebouwd. Wisselplaatsen lig­gen langs de heirbanen: met woningen, herbergen, winkels en stallen voor de paarden. Er staan loodsen, gevuld met producten die de omringende bewoners daar hebben gebracht: melk, kaas, graan, vee, hout, geweven stoffen, turf, hui­den. De belangrijkste knooppunten groeien uit tot levendige marktplaatsen, waar van alles is te doen. Grote transporten bewegen zich over de altijd drukke, uiterst belangrijke heirbaan van Keulen naar Boulogne, met het einddoel: Brittannië.

,,Vooruit, jullie, trek eruit!” In de houten barakken wekken onderofficieren de maffende soldaten. Bij zonsopgang moeten zij de wachtposten van de 4de nachtwacht bij de Porta Decumana van de legerplaats (castra) aflossen. „Kom eruit, luie honden!”

De jongens van het 10de cohort komen foeterend overeind. Zo beginnen zij in de grootste legerplaats in Nederland – op de Hunerberg bij Nijmegen – een nieuwe dag.

De soldaten van het 10de Legioen Gemina, die daar na de opstand der Bataven gelegerd zijn, raken al gauw in een goede stemming. Straks zal de quaestor op het forum de soldij uitbetalen: 120 denarii voor een kwart jaar dienst.

De legioensvesting en alles wat er omheen ligt, de kazernes, werkplaatsen, stallen, excercitievelden, tempels en hoofdkwartier beslaan een oppervlakte van circa 30 hectare. Daar staan de woningen van de officieren en geneesmees­ters, van de priesters, tentenmakers, bakkers, slagers, leerbewerkers, kleer­makers, van de inners der belastingen en van de ambtenaren, die in dienst van de legioenen met de proviandering zijn belast. Nu er weer rust heerst zijn zij al­om weer graag geziene gasten:

,,Salve, Gargilius!” Op de hoeve van Lopeteus in het Friese Westergo begroet de veehouder Stelus een leverancier van het leger. ,,Vee kopen? Ik heb een mooi rund!” Gargilius knikt. Stelus laat hem zijn rund zien en de onderhandelingen begin­nen : ,,130 denariën en geen denarius minder!” ,,Ik geef je 100!”,,In geen 100 jaar. Gargilius, kijk hoe hij in zijn vlees zit!”
Met loven en bieden gaat het rund tenslotte voor 115 denariën van de hand. Twee centurio’s van het 1ste en 5de legioen zijn getuigen van deze transactie. Een veteraan van het leger, die zich daar misschien met een Friese vrouw heeft gevestigd, stelt zich borg voor de uitbetaling van het bedrag.
Gargilius laat de koopacte opmaken. In cursiefschrift wordt de koop op een schrijftafel genoteerd. Eeuwen later is dat schrijftafeltje bij Tolsum vrijwel ongeschonden uit de aarde te voorschijn gekomen. Daarom weten we met zekerheid, dat ze daar bij Tolsum in het Friese land, mét dat rund en met de getuigen, hebben gestaan.
„Dag Gargilius! Dat de goden je vergezellen!” „Dag Stelus!”
Waarschijnlijk hebben ze nog een stevige beker bier op de goede afloop gedron­ken . . .

De zon is opgegaan boven het immense Romeinse Imperium. Terwijl bekwame keizers zich hebben ingezet om de eenheid en gelijkvormigheid van bestuur in alle delen van het rijk te versterken, verwatert het plaatselijke, inheemse bestuur in tal van provincies tot schone schijn. De aanzienlijken en edelen bij de onder­worpen stammen dienen als officieren in het leger. Zij winnen burgerrecht, gaan Latijn spreken en . . . beginnen zich Romein te voelen. Ze zijn daar trots op, want na de opstand der Bataven beleeft het Romeinse Imperium een glans­periode van orde en rust. Nimmer meer zal de wereld zó’n langdurige periode van vrede hervinden. Ook de lage landen koesteren zich nu in de milde zon van het Romeinse rijk.

,, Blijf trouw aan eigen bloed! Blijf trouw aan eigen bodem! Blijf trouw aan eigen goden!” zullen de Germaanse priesters keer op keer hebben uitgeroepen. Maar er is geen houden aan. Oorspronkelijke volkstalen en culturen verdwijnen. Kel­tische en Germaanse goden versmelten geleidelijk met hun Romeinse collega’s in hemel en hel: Donar met Jupiter, Freya met Venus. Bij de massa zit de vroomheid diep geworteld. Het ganse leven is ervan doortrokken. “Jupiter, Venus, gij onsterfelijke goden, ontvang dit offer!” klinkt het overal. Geboorte en dood, huwelijk, zaaien en oogsten, bouwen en reizen, gaan als van ouds met offers en godsdienstige plechtigheden gepaard. Voortekenen, tover-narij, vrees voor heksen en boze machten liggen verweven in een bijgeloof, dat heel het leven omslaat. Alom worden talismannen gekocht om geesten en demo­nen te bezweren.

,,Flectere si nequeo superos, Acheronta movebo . . .” heeft Vergilius in zijn Aeneïs geschreven. ,,Als de mensen de goden niet op hun hand kunnen krijgen, willen zij de onderwereld daartoe bewegen …”

De kern van de staatsgodsdienst is de keizercultus: een vage, symbolische vorm van geloof aan het noodlot; aan de Bestemming van Rome; aan de eeuwigheid en onaantastbaarheid van het rijk . . .

In het Germaanse land – langs Rijn en heirbanen — verrijzen steden, die het strakke, rechthoekige schema tonen van een Romeinse legerplaats. In die ste­den : zuilenhallen, markten, tempels, theaters, badhuizen – met de grafmonu­menten van de aanzienlijken even buiten de poort. Het muntgeld is snel inge­burgerd, zodat de omslachtige ruilhandel uit het leven verdwijnt. Geld blijkt ook in de lage landen een stimulans, waarvoor de plaatselijke bewoners zich gaan inspannen. Zowel de steenhouwers in Belgica als de Drentse schapen-boeren ontvangen baar geld voor de stenen en wol die zij leveren. De Nerviërs in Henegouwen verdienen goed met het weven van een dik, soepel laken, waar­uit de kleermakers mantels en uniformen snijden voor de Romeinse militair. En evenals in het verre Rome, bouwen ook hier rijke Romeinen hun fraaie villa’s — vooral op de hoogvlakte in België en op de heuvels van het huidige Zuid-Limburg:

,Ja, mijn waarde, dit is de plek!”

De bouwmeester trekt even aan zijn toga, neemt dan de omgeving in zich op. Hij heeft zijn schetsen gemaakt. Het grote probleem zal echter zijn aan goede werklui te komen.

„Wij willen natuurlijk badvertrekken, een zuilengalerij en mijn vrouw staat erop, de woonvertrekken met muurschilderingen te verfraaien!” De bouwmeester knikt. ,,Rond de Idus van maart zal ik u mijn uitgewerkte plannen laten zien.”

Wie was het, die op de Kloosterberg bij Mook een luxueus buitenverblijf liet verrijzen – een villa urbana met een voorgevel van 84 meter lang? Wie is de bezitter geweest van de immense herenboerderij, de villa rustica te Voerendaal, waar de lengte van het gebouwencomplex zich na een aantal verbouwingen over 190 meter uitstrekte?

De geromaniseerde kolonisten en grootgrondbezitters in Limburg hebben hun woningen op uitgelezen plaatsen laten optrekken. De bouwmeesters hebben zorggedragen, dat het hypocaustum de vloeren en wanden in die villa’s centraal verwarmde. Sommige vloeren zijn met kostbare mozaïeken verfraaid. Met pan­nen, vermoedelijk afkomstig uit een nabij gelegen steenbakkerij, hebben werk­lieden de daken gelegd.

Flinke grindwegen, die naar de villa’s leiden, doorkruisen het Limburgse land om op de heirbanen uit te komen. Over die wegen rijden hoge officieren, ambtenaren, boodschappers en rollen de karren van ondernemende kooplui in een sukkelgang voort. Soms vragen zij de weg:
,,Hoe ver nog naar het Forum Hadriani, het centrum der Cananefaten?” ,,Is dit de weg naar Matilo?”

Ze kijken op hun kaarten, maar komen er soms toch niet helemaal uit. Bij de wisselplaatsen krijgen zij alle informaties die zij wensen.

,,Hoeveel dagmarsen nog naar Noviomagus, de stad der Bataven?”

De vicus Heerlen is bekend om de pottenbakkerijen. Vermoedelijk zijn heel wat reizigers daar gestopt om zich na een lange, warme rit in het open zwembad met een duik te verfrissen. Of zij brengen een bezoek aan de thermen die voorzien zijn van een keurig kleedvertrek, een koudwaterbad, een lauwwaterbad, een heetwaterbad, een zweetbad, compleet met vloerverwarming, waar de welgestelden uit de villa’s en herenboerderijen zich zo graag verpozen. Misschien zal een gepensioneerde kok uit het leger naast de thermen een eethuis begonnen zijn.

,,Claucus, aannemen!”

„Wat zal het zijn, edele heer? Ik heb verse riviervis . . . gewoon uit de kunst.”

Ivnoni meae – Aan mijn Juno!

Die woorden staan op een gouden ring, die tussen de verbrande beenderen van een vrouw in een sarcofaag te Simpelveld is gevonden.
Zonder twijfel heeft Juno in één van de Limburgse villa’s gewoond. Mis­schien heeft haar man haar met een zachte stem de vurige liefdesverzen van Catullus voorgelezen:

,,Uit jouw mond, lieveling, heeft het geklonken
dat onze liefde één geluk zal zijn
één eeuwigheid van ongekende blijdschap . . .”

De liefde van Juno’s man moet groot zijn geweest. Haar schitterende askist getuigt daarvan. De kist is vervaardigd uit zandsteen. Een kundig beeldhouwer – wellicht afkomstig uit Keulen – kreeg opdracht de binnenkant met reliëfs te versieren.
,,Ik wil dat zij, ook in haar dood, vertrouwde dingen om zich heen zal zien.” zal de weduwnaar hebben gezegd. De beeldhouwer heeft geknikt en is aan het werk gegaan.
Op de ene wand heeft hij een vrouw uitgebeiteld. Ze ligt op een rustbed. Half opgericht kijkt zij rond. Is het Juno? Een rieten stoel, tafeltjes, kannen, kasten, flessen zijn in het zandsteen uitgehouwen. Zelfs een huis siert een van de wanden: een Romeinse villa met hoektorens, zijvleugels, vierkante vensters met ruiten en luiken. Op het geveldak boven de drie verdiepingen zijn de dak­pannen duidelijk te onderscheiden.
Heeft de weduwnaar zijn geliefde Juno willen binden aan de sfeer, waarin hij zelf nog leeft? Heeft hij zich bij haar dood getroost met een ander vers van Catullus:

“Zij wil niet meer. Wil niet, wat toch niet kan. Loop haar niet langer na, betreur haar niet maar wees verstandig en verman dit hart! Vaarwel . . ”

Zakenmensen die steenbakkerijen beginnen, mergelgroeven of bossen exploi­teren, ceramiek-bedrijven oprichten en behoorlijke kapitalen verdienen, bou­wen hun prachtige huizen van twee, soms drie verdiepingen hoog. Zij bouwen voorraadschuren, stallen en woningen voor hun personeel. Zo ontstaan ge­meenschappen van soms meer dan 100 mensen bij elkaar. Buiten de villa’s lig­gen de weidevelden, bouwlanden, boomgaarden en moestuinen, waarop de Romeinen de Germanen het werk voor zich laten doen.

Veteranen uit het leger trouwen Germaanse vrouwen en gaan zich na hun diensttijd in de Lage Landen vestigen. Dan beginnen zij een herberg bij de wis­selplaatsen. Of ze raken in goeden doen met kalkbranderijen, met handel of met een landbouwbedrijf.

Vele vondsten, zoals fundamenten van gebouwen, tempels, altaren, aardewerk, begraafplaatsen en tal van munten met de beeltenis van keizers, geven het heden het rijke, maar nog onvolledige beeld van de romanisering van de lage landen bij de zee – een beeld ook van de wijze, waarop de samenleving in allerlei districten was georganiseerd.

Valerius Silvester, een Bataaf uit de Neder-Betuwe, heeft de ogen gesloten. Zijn lippen prevelen een zacht gebed:

,,Godin Hurstrga, hoor mijn smeekbeden, vervul mijn ene grote wens. Ik beloof u een altaar. Onsterfelijke, luister naar dit gebed . . .”

De godin heeft geluisterd en de wens van Valerius Silvester vervuld. Want om zijn dank te tonen, heeft Silvester een klein stenen altaar aan haar gewijd. Een steenhouwer beitelde het opschrift:

Voor de Godin Hurstrga heeft volgens haar opdracht Valerius Silvester, Gemeenteraads­lid van het Municipium der Bataven, dit al­taar opgericht. Gaarne en met reden. Dit stenen altaar met Latijns opschrift werd in 1954 bij Kapel-Avezaat gevon­den.

Hurstrga had Valerius Sylvester vast in een visioen of droom laten weten, dat zij voor zijn voorspoed had gezorgd. Was hij dankbaar voor het Romeins burgerrecht? Of was het voor de benoeming tot gemeenteraadslid, dat Syl­vester die altaarsteen gaarne en met reden liet beitelen?

Te Elst. in de Betuwe, is de eerste stenen tempel uit de grond verrezen: 11 meter lang en bijna 9 meter breed. Tijdens de opstand der Bataven is dat bouwwerk vernield. Onder keizer Vespasianus (70-78) wordt op de verwoeste fundamen­ten een nieuwe tempel opgetrokken van omstreeks 31 bij 23 meter: het nationale heiligdom der Bataven, een symbool van het verbond dat met de Romeinen gesloten is.

,,Ik wil mij reinigen. Dit is mijn offer . . .” Ernstig wijst een gelovige aan de priester, welke dieren hij aan één van de goden wil wijden.

Terwijl tempeldienaren een rund, een schaap en een varken driemaal rondleiden en de priester in de cella zijn heilige woorden spreekt, laat de gelovige Bataaf de muurschilderingen op zich inwerken en overdenkt hij de zonden die hij bedreef

„Mmmèè . . . mè-è!” Een mes flitst neer en bloed van de dieren druipt voor het altaar op de grond.

De schedels van een varken, een schaap en een rund — typerend voor een offer aan Mars – zijn daar bij Elst, dichtbij elkaar, in de grond gevonden.

Overal en in de grootste verscheidenheid zijn tot in de verste uithoeken van het rijk altaren voor bekende en onbekende goden opgericht. Aan de kust bij Dom­burg heeft een heiligdom gestaan, waar mensen in hun dankbaarheid de plaat­selijke godinnen en goden met altaren vereerden:

Aan de Godin Nehalennia heeft Dacinus,
de zoon van Liffio, zijn gelofte ingelost.

Gaarne en met reden. Op een altaarsteen is de godin Nehalennia uit de antieke hemel tot leven geko­men. Gekleed in een lang gewaad, zit zij onder een baldakijn op haar troon. Zij houdt een schaal met appelen in haar handen. Een hond ligt naast haar op de grond.                                     Nehalennia is een schutsvrouw van de zeelieden, die bij Domburg de Noordzee overstaken om in Engeland zaken te doen. Zij wordt aangeroepen als een schip in nood verkeert:

“Nehalennia, bezweer de woeste golven! Neem de stormwind van ons weg, Nehalennia, Nehalennia, geef ons een behouden vaart…..”

Misschien heeft Dacinus, zoon van Liffio, die woorden tijdens een stormnacht naar de donkere wolken, naar de stormwind en de woedende golven geroepen – staande aan het roer van zijn krakend schip.

“Ik beloof een altaar, een kostbaar altaar, maar laat mij de kust bereiken…..”

Aan de Godin Xehalennia heeft Marcus
Secundinius Silvanus. handelaar in aar-
dewerk. die op Brittannië handel drijft,
wegens de behouden overtocht van zijn
koopwaar, zijn gelofte ingelost. Gaarne
en met reden.

Silvanus had waarschijnlijk goede zaken gedaan. Of ook hij had op een woelige zee in zijn rats gezeten . . .

In het jaar 1647 zijn vele altaren van de cultusplaats Domburg aan de
voet van de duinen te voorschijn gekomen. Stille getuigen van de eerbied en het diep ontzag, waarmee de zeelieden en handelaren de natuurkrachten om zich heen hebben gevoeld. Stille getuigen ook, hoezeer de bewoners van de Lage Landen gewoonten en gebruiken van de Romeinen hebben overgenomen en eigen hebben gemaakt.

Hoog in het noorden blijven de Friezen nog het meest aan zichzelf gelijk. Zij tonen zich in staat hun nationale cultuur en tradities te verstevigen. Levend buiten de rijksgrens op hun terpen, wonen zij in hoeven, die de vorm hebben van de huidige Friese boerderij : vóór ligt het woongedeelte, daarachter de deel, die plaatsbiedt aan 50, soms 70 stuks vee. In cilinderachtige vormen bereiden zij hun kaas. Met hun honden gaan de mannen vol animo op jacht in de dichstbijzijnde bossen op de zandgrond. Als de buit groot is, komen zij opgetogen thuis:
“Mijn lief. kijk eens? Voor jou!” Vol trots houdt een Friese jager, nog bezweet van de jacht, de tanden van buitgemaakte beren en zwijnen in zijn handen. En vol trots zal zijn jonge vrouw die tanden in een ketting, of als amulet, om haar hals gaan dragen.

Rond de dorpen op de terpen graast het vee in de kwelders. Dichte zwer­men muggen zullen dikwijls een plaag zijn geweest.

Als de mannen na het werk thuis komen eten, gebruiken zij hun dolken en keurige lepels, die zij uit de horens van hun vee hebben gesneden. Het voedsel en de drank komen in potten, borden, schalen en bekers, die zij zélf bakken, op tafel.

Zonder twijfel zijn er nauwe contacten geweest met Romeinse kooplieden. Heel wat Friese jongelingen zullen zich – op avontuur belust – als vrijwilligers bij de legioenen hebben gemeld. Maar overigens gaat het leven bij de Friezen vrij ongehinderd en in eigen stijl voort. Hoe anders is dat voor de stammen, die bij het Imperium werden ingelijfd:
De Bataaf Titus Flavius Romanus was een ritmeester (decurio) in het Romeinse leger. Hij diende onder meer in Beieren. Daar heeft hij zijn naam op een altaar laten beitelen – met de vermelding, dat hij Romeins burgerrecht bezat en af­komstig was uit Noviomagus, het centrum van het land der Bataven. ,,Salve, Tite . . .” Hoe zat je daar tussen de Romeinen in de officiers-mess? Had je af en toe heimwee? Was je getapt, of was je voor de soldaten een lastig kreng? Hoe vaak mocht je met betaald verlof naar huis, Titus, en wat bracht je dan uit het verre Beieren voor je familie mee?

In het verre Hongarije is een Germaanse vrouw begraven. In haar sarcofaag staat vermeld, dat zij de vrouw was van een geneesheer van het 1ste legioen en dat zij afkomstig was uit Forum Hadriani, in het woongebied der Cananefaten. Daaruit kan blijken, dat een nederzetting bij de riviermonden van Maas en Rijn, bij het bezoek van keizer Hadrianus, marktrecht had verkregen.

Zouden de kinderen van die geneesheer van het 1ste legioen óóit hun groot­ouders in het Germaanse land hebben gezien?

In wijde landstreken is de invloed van de Romeinen niet of nauwelijks merk­baar. Ten noorden en ten zuiden van het land der Bataven lagen uitgestrekte gebieden met donkere wouden en weinig toegankelijke moerassen, waar het leven van Germanen en Kelten primitief en onberoerd verder ging (zoals nu nog het geval is met bevolkingsgroepen in Afrika, Zuid-Amerika en Azië!).

De Romeinen hadden hier als eerste en voornaamste taak: de woeste Ger­maanse stammen, die het rijk omringden, buiten de grenzen te houden! Met dat hoofddoel voor ogen, bouwden zij hier hun vestingen (60 castella langs de Rijn) — het ver­moedelijke begin van steden als Nijmegen, Maastricht, Utrecht. Een fasci­nerende vesting is de geheimzinnige Brittenburg geweest, waarvan de resten voor Katwijk door de zee zijn overspoeld.

In het theater van Tongeren, hoofdstad van de civitas Tungrorum, wordt door een rondreizend toneelgezelschap Vrouwen van Troje opgevoerd. Het stuk is door de Griek Euripides geschreven en door de Romein Seneca bewerkt. Op het toneel staat Hecuba. Het machtige Troje is gevallen en zij spreekt vanaf de denkbeeldige ruïnes op het toneel:

Wie zijn vertrouwen stelt in koninklijke macht
En in een groot paleis regeert – op rijkdom trots!
Hij moge u aanschouwen, Troje; op mij werpen zijn blik.
Nooit heeft het lot zwaarder beproeving opgelegd,
Hoe broos is van de machtigen de trotse toeverlaat . . .

“Ja, in de grijze oudheid werd Troje verwoest, maar dat zal ons nimmer gebeu­ren !” zeggen de Tongri na afloop van het stuk. Welgedaan en tevreden kijken ze naar hun stad, die in de 2de eeuw volgens een groot opgezet plan uit steen werd opgetrokken. Omgeven door een dubbele gracht, door muren van 2 meter dik (omtrek 4500 meter!) met flinke torens versterkt en voorzien van stoere poorten op de weg van Keulen naar Bavay, lijkt Tongeren onaantast­baar. In de stad staan de kantoren van ambtenaren en magistraten, de gerief­lijke woningen van hoge officieren en rijke handelaren, de eenvoudiger huizen van bakkers, slagers, leerbewerkers of een edelsmid. Maar net als de gestadige druppel, die de hardste steen uitholt, zal ook de tand des tijds gaan knagen aan die trotse torens, die stoere poorten, die dikke muur.

..Tempus edax, homo edacior!” De tijd is een verwoester, maar de mens nog meer!

In het noorden groeien alleen Noviomagus en vermoedelijk het centrum der Cananefaten tot werkelijke steden uit. De Romeien bouwen hier hun vestin­gen, scheepswerven, huizen en tempels, bruggen en wegen. Maar het hoogste goed, dat zij in de wereld uitdragen – duurzaam tot op deze dag! – is niet van steen, noch uit hout vervaardigd:

Salvius Julianus, de grote jurist in Rome, schuift de papyrusrollen van zich af en leunt vermoeid achterover. Van keizer Hadrianus (117-138) heeft hij de grootste en meest omvangrijke opdracht gekregen, die ooit aan een jurist was verleend:

,,Ik wens een herziening van het Romeinse Recht, een Edictum Perpetuum – een Eeuwig Edict, dat als onveranderlijke grondslag voor het rechtswezen zal kun­nen gelden!” heeft Hadrianus gezegd.

Sinds oeroude tijden heeft de rechtspraak in Rome op de edicten van de pretoren berust. Nu moet Julianus die serie edicten herzien.

Iedere plaatselijke gemeenschap in het Romeinse Rijk had zijn eigen wet­ten en leefregels. Dat had heel wat moeilijkheden opgeleverd. Ieder beriep zich op de wetten van zijn eigen land. Er moesten nu wetten komen, die voor alle volkeren onder alle omstandigheden van kracht zouden zijn: zowel voor Germaanse veeboeren, Joodse vissers, Griekse filosofen, als voor Spaanse hande­laren of een primitief woestijnvolk. Moesten de menselijke natuur en de rede dan niet het uitgangspunt zijn ? Het belang van de staat, die vóór alles souverein was, moest daarbij op de voorgrond staan.

Salvius Julianus leunt achterover. Het formidabele werk nadert zijn vol­tooiing en de voldoening die hij begint te voelen is groot. ,,Breng me de Edicten uit de tijd, dat Iunius Silanus en Sillius Nerva consuls waren,” zegt Salvius Julianus tegen zijn Griekse slaaf. Dan buigt hij zich over zijn werktafel en verdiept zich opnieuw in de stukken die voor hem liggen: over huwelijk en misdaad, godslastering en erfrecht, over rechten én plichten van de mens in de gecompliceerder wordende wereld . . .

Diepgaande wijzigingen voltrekken zich, wanneer het Edictum Perpetuum eindelijk gereed komt. Langzaam beginnen zich onder keizer Hadrianus twee grote takken van dienst af te tekenen: de militaire en de juridisch-burgerlijke. Juristen worden allengs de belangrijkste mensen, die de keizer en hoge bestuur­ders als raadslieden bijstaan.

Wat een macht heeft de keizer van dat ontzagwekkende Romeinse rijk! Van Brittannië tot de Eufraat, van diep in Afrika tot de Krim kan hij zijn beslis­singen laten gelden. Voor zijn onderdanen is hij een soort god op aarde. Zijn voorspoed betekent bloei, zijn tegenspoed nood en rampen. Als de postzendingen uit Rome arriveren, bespreken de bewoners van Tongeren, Noviomagus of Forum Hadriani het nieuws en zeker ook het wel en wee van hun keizer: “Keizer Hadrianus heeft een ernstige kwaal en lijdt hevige pijnen!” “Hadrianus wil sterven, maar is er niet toe in staat!” “Hadrianus heeft om een zwaard en om vergif gevraagd, maar hij was te ver­zwakt om zijn einde te forceren. Hij heeft beloningen uitgeloofd aan ieder die hem doden wil. Geen enkele vrijwilliger meldde zich. Toen heeft hij een krijgsgevangene laten komen. Op zijn borst wees hij de plek aan, waar deze hem moest doorsteken. Maar de man vluchtte weg en de keizer huilde . . .”

Onder de voorbeeldige keizer Antoninus Pius (138-161) viert Rome haar 90o-jarig bestaan. Alom heerst vrede.

“Ze kunnen de muren van Rome nu wel afbreken,” zeggen de mensen, als een brief van de keizer al voldoende is om de koning der Parthen te bewegen van een oorlog af te zien. Maar in die jaren van rust en voorspoed lijkt het, of de cultuur tot stilstand is gekomen. Of er niet meer naar nieuwe wegen wordt gezocht. Men richt de blikken op het verleden – en niet langer vooruit.

Vulcacius kijkt zijn leerlingen aan. Dan zegt hij met nadruk: “Te allen tijde is de zorg voor monumenten, oprichting en instandhouding van musea een zeer gewichtige zaak. Het zou bedenkelijk worden, wanneer een nageslacht de erfenis der voorvaderen achteloos laat vervallen en te gronde laat gaan!”
Vulcacius heeft lang gesproken. Hij heeft als hoogste ideaal gesteld, erin slagen “de ouden” te evenaren. Nu verwacht hij bijval, maar die blijft uit.
Eén van zijn leerlingen staat op en waagt het zijn meester tegen te spreken: “Is het niet bedenkelijk, als de zorg voor de instandhouding van het oude, de ontwikkeling naar iets nieuws in de weg gaat staan?” Achter hem wordt gegrinnikt. „Iets nieuws?” Vulcacius kijkt hem ontzet aan. „Wéét, dat alles wat de moeite waard is, reeds gedacht, gezegd, gedicht is. Alles wat belangrijk en waardevol is, heeft het voorgeslacht reeds geleverd!”
De geleerde Vulcacius beseft niet, dat een wereld die zich niet vernieuwt, tot ondergang is gedoemd!

De Grieks-Romeinse cultuur is oud en verzadigd en begint originaliteit en geestkracht te missen. Er is heftig verzet tegen nieuwlichters. Af en toe komen verontruste, opgehitste massa’s tegen de christenen in beweging. Willen die volgelingen van Jezus met hun wonderlijke theorieën over liefde, barmhartig­heid en geweldloosheid de bestaande maatschappij omver werpen? Dat nooit! ,,Grijpt ze! Grijpt ze! Ze willen niet de keizer, maar alleen hun eigen God eer bewijzen. Grijp dat tuig, dat zo anders denkt dan wij!”

Hoewel de Romeinse autoriteiten zich verdraagzaam tonen en weinig geneigd zijn tot vervolgingen over te gaan, moeten zij aanklachten toch in be­handeling nemen. Zo komt de oude bisschop Polycarpus van Smyrna voor de stadhouder in Azië. De stadhouder smeekt hem haast: ,,Brand toch enkele wierookkorrels voor het beeld van de keizer!” De oude bisschop blijft standvastig: ,,Tachtig jaar heb ik mijn Heer gediend,” zegt hij. ,,Zou ik Hem nu verlooche­nen?” Dapper gaat hij zijn dood tegemoet.

Ondanks die vervolgingen – of juist daardoor – breidt het geloof der chris­tenen zich gestadig uit. De Evangeliën komen op schrift. De Zendbrieven der Apostelen worden vermenigvuldigd en gebundeld. Ontwikkelde en geletterde mannen treden tot de beweging toe. Er begint een organisatie te ontstaan. De kleine, wankelijke christelijke gemeenschappen groeien uit tot episcopaten met bisschoppen aan het hoofd. Via de steden en nederzettingen langs de Rijn en Moezel verbreidt het nieuwe geloof zich geleidelijk naar het noorden. „Christus overwinnaar! Onze God is een enig God. Hij eist geen bloedoffers, broeder Claucus. Hij is een God van liefde, zuster Julia . . .”

Behoedzaam dragen de eerste christenen hun boodschap uit. Haast pro­vocerend plaatsen zij het teken van de vis, het symbool van hun geloof, op wanden en muren:„God is de liefde!”

Omstreeks het jaar 250 verrijst in Reims de eerste christelijke kerk. De eerste bisschop die Germanië tot arbeidsveld krijgt, vestigt zich in diezelfde tijd in Trier – bijgestaan door een bisschop die iets later in Keulen verschijnt: „Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar de liefde niet had, ik ware een schallend koper of een rinkelend cimbaal. Al ware het dat ik profetische gaven had, en alle geheimnissen en alles wat er te weten was, wist en al het geloof had, zodat ik bergen kon verzetten, maar had de liefde niet, ik ware niets …”

Die woorden van Paulus dringen in de Germaanse provincies door.
Te­midden van tientallen goden, bloedige offers, angst voor demonen, toeslaande heksen en een ontstellend bijgeloof, dragen de eerste zendelingen hun overtui­ging uit. Iedere vorm van organisatie, die buiten de staatsdienst valt, is streng verboden. Slechts begrafenisverenigingen vormen daarop een uitzondering.

„Broeders en zusters, alleen door geloof in Christus is hier op aarde heil te ver­wachten. Alleen door Zijn geboden te volgen en Hem lief te hebben, zoals Hij de mensen liefheeft …” Zo spreken de voorgangers.

„Het leven kan niet rusten op uiterlijke macht en rijkdom. Slechts de daden van innerlijk gevoelde liefde voor de naasten kunnen tellen . . .

Een nieuw geloof! De voorgangers preken, sluipen weg door de nacht, worden vervolgd en maken hun bekeerlingen.

St. Servatius komt in de 4de eeuw als eerste bisschop in de Lage Landen, naar Tongeren en begint daar zijn moeilijke werk:

„God Christus, Alvader, aanvaardt dit offer!” Het ligt haast voor de hand dat de bekeerde Tongri hun ossen en lammeren slachten om de god Christus gunstig voor zich te stemmen . . .

De eerste bisschoppen richten hun aandacht vooral op de steden. In het Rijn­land (Xanten, Keulen, Mainz, Trier) winnen zij een stevige aanhang. Maar de noordelijke Nederlanden met hun uitgestrekte landbouwgebieden bereiken zij nog niet. Bekeerlingen worden daar vrijwel niet gemaakt. Dat zal nog vele eeu­wen duren, want juist in die jaren begint het machtige rijk van Rome in al haar voegen te kraken.

Mede door het christendom gloeit onder de oppervlakte van het uiterlijk zo vredige, eensgezinde rijk een steeds feller wordende strijd: een oude cultuur tracht zich te handhaven tegen een nieuw geloof. Toch zijn het niet de christenen die het Imperium ondermijnen. De donkere, barbaarse wereld, die de Romei­nen aanvankelijk zonder veel moeite achter Donau en Rijn hebben gehouden, steekt nu dreigend de kop op: loerend naar de rijke, welvarende gewesten der Romeinen én . . . belust op buit.

De avondzon van de antieke wereld neemt bloedend afscheid van het westen, als die barbaarse wereld met geweld in beweging komt . . .

6e klas geschiedenis: alle artikelen
 6e klas: alle artikelen
709

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Opkomst en verval van de adel

De macht van het zwaard
De adel dankte zijn bestaan voor­namelijk aan het ontbreken van een sterk gezag in de middeleeuwen. Vorstenhuizen als de Merovingers, de Karolingers, de Capetingers, de Ottonen en de Hohenstaufen wisselden elkaar af. Zelfs een genie als keizer Karel de Grote wist West-Europa maar voor korte tijd tot eenheid te brengen. Onder zijn zwakke opvolgers viel het rijk uiteen in talrijke staten en staatjes. Oorlogen werden met een grote regelmaat gevoerd. Strubbelin­gen waren aan de orde van de dag. Invallen van barbaren kon men steeds weer verwachten. De enige macht die gold, was de macht van het zwaard. En die macht lag bij de adel.

Een besloten groep
De adel is ontstaan uit de militaire stand. De edellieden waren de
be­roepsmilitairen van de middel­eeuwen. Een vrij man die een paard bezat en er in naam van de koning geducht op los hakte, werd al spoedig tot ridder geslagen. Soms ontving hij als beloning voor zijn moedig gedrag een stuk grond. Zo kreeg de adel niet alleen de militaire macht, maar ook de macht van het grootgrondbezit. De adel ontwikkelde zich tot een besloten groep. Edelman werd men door geboorte. Het werd zelfs als een zonde beschouwd, als een gewone burger ernaar streefde edelman te worden. ‘Het zou tot een gruwelijke verwildering van de zeden leiden als de hogere standen vernederd werden tot de lagere en deze opstegen tot de hogere. God heeft zijn volk op aarde in verschillende standen ingedeeld,’ verzekerde Hildegard van Bingen, een vrome abdis die in de middel­eeuwen zeer veel aanhangers telde. Zij was van mening dat eerst het lichaam van een mens werd
ge­schapen en daarna pas de ziel. En voor die ziel zocht God de ouders uit die daarbij het beste pasten. Zo kwam een edele ziel altijd terecht in een edelman en een veel lagere ziel moest zich tevredenstellen met een boer. Wie met deze schikking van God niet tevreden was, maakte zich schuldig aan een verschrikkelijke zonde. In dit licht gezien is het begrijpelijk dat de vrome abdis haar eigen klooster vulde met uitsluitend hooggeboren jonkvrouwen…

Internationale broederschap
De broederschap van de edellieden strekte zich uit over alle landen. Dat had in tijden van oorlog soms merkwaardige gevolgen. De overwinnaars spaarden vaak hun adellijke tegenstanders, maar het gewone volk werd zonder mededogen tot de laatste man uitgemoord. Zoiets vonden de edellieden heel gewoon. Toen in 1346 de slag bij Crécy was uitgevochten nodigden de Engelse edellieden die als overwinnaars uit de strijd voorschijn waren gekomen, de gevangen genomen Franse edellieden uit om gezamenlijk te feesten en te drinken!
Een edelknaap werd op 7-jarige leeftijd page en op 14-jarige leefijd schildknaap. Als hij 21 was geworden kon hij tot ridder worden geslagen. Maar in de latere middeleeuwen gebeurde het vaak, dat een schildknaap niet veel voelde voor het ridderschap. Velen wijdden zich liever aan de wetenschap of de kunst, zoals die in de kloosters werd bedreven. In zo’n geval werd de ridderslag achterwege gelaten en bleef hij zijn leven lang schildknaap. In Engeland kwam dat zó vaak voor, dat de Engelse betiteling voor schildknaap ‘esquire’ aan elke vrije burger werd gegeven.

Edelman en zakenman
De edelen leefden, materieel gezien, altijd boven hun stand. Hun kastelen kostten handenvol geld en vechten was een dure bezigheid. De edelen persten hun horigen zo veel mogelijk uit. Maar misoogsten kwamen vaak voor en van een kikker kon zelfs een edelman geen veren plukken.
Vaak trok de ridder ten strijde en dan moest hij het bestuur van zijn gebied overlaten aan een rentmeester, een zogenaamde meier. Vele meiers zagen dan hun kans schoon om hun eigen zakken te spekken.
Het belangrijkste bezit van de adel was grond. De waarde daarvan werd minder, toen de steden opkwamen. Geld werd toen steeds belangrijker. De adel leed voortdurend geldgebrek. Dat bracht de ridders ertoe, veldslagen als een zakelijk bedrijf te beschouwen. Waren er veel ridders gevangen te nemen die een hoog losgeld zouden opbrengen, dan was het de moeite waard om zich flink in te spannen…

Ideaal en werkelijkheid
Ridders hadden hun eigen erecode. Wie daartegen zondigde, werd
barbaars gestraft. Een ridder die een paar koeien van een weduwe had gestolen, werd levend gekookt. Ridders die een koopman plunderden, werden ter plaatse opgehangen. Schenders van jonkvrouwen werden met een houten zaag het hoofd afgezaagd.
In oorlogstijd golden andere wetten. Dan waren de ridders die een dorp hadden veroverd en alleen de mannen vermoordden, al zeer barmhartig. De ridder had een hooggestemd ideaal. Maar hij kwam er zelden toe iets van dat ideaal te verwezenlijken. De werkelijkheid trad steeds als een storende factor op. Er zal zelden een tijd zijn geweest waarin ideaal en werkelijkheid zo ver uit elkaar lagen als in de middeleeuwen.

Nieuwe wapens
De macht van de adel berustte op het zwaard. Daarom begon de adel in verval te geraken, toen andere strijdmethoden dan het gevecht van man tegen man hun intrede deden. De kruisboog, het wapen van het gewone voetvolk, werd groter en sterker. De kruisboog werd zo zwaar, dat hij moeilijk meer met met de hand was te spannen. Daar moest een man ‘op gaan liggen’. De pijlen van zo’n zware kruisboog konden dan ook op 200 m afstand een plank van 2 ½ cm doorboren.
De mailënkolders van de ridders waren niet be­stand tegen deze pijlen. Maar het voetvolk schoot bij voorkeur op de paarden van de ridders. Als een paard door een pijl werd getroffen, begon het dier wild te steigeren en wierp zijn ruiter af. Op de grond was  een geharnaste ridder een verloren man. Hij kon in zijn zware, ijzeren harnas nauwelijks een stap verzetten. Zwitsers, die vaak als huurlingen meevochten met de vorst die het meest betaalde, kwamen met een nieuw wapen: de hellebaard. Een hellebaard was ongeveer vier meter lang en had aan het uiteinde een bijl met een haak. Met de haak trokken de Zwitsers de ridders van hun paarden en daarna hakten ze er met de bijl op los. De Zwitsers maakten ook pieken van ongeveer zes meter lengte. Als ze in een rij stonden opgesteld met hun scherpe pieken vooruit, dan bedacht een ridder zich wel even voordat hij daarop los­stormde.

6e klas adel 1

Het buskruit
De uitvinding van het buskruit maakte ten slotte de edellieden helemaal tot hulpeloze ridders. De Chinezen had­den het buskruit uitgevonden en de Mongolen brachten het explosieve kruit bij hun veroveringstochten naar het Westen. Maar het heeft lang geduurd voordat de Europeanen het doeltreffend konden gebruiken. De monnik Barthold Schwarz moest het buskruit (omstreeks 1325) nog eens opnieuw uitvinden.

De eerste schietwapens waren zeker schrikaanjagend, maar doelen wer­den er zelden mee getroffen. Ze waren eerder gevaarlijker voor de schutters dan voor de vijand, want de ‘kanonnen’ sprongen op de meest ongelegen momenten uit elkaar. Om­streeks 1400 was de techniek zover gevorderd, dat men grote kanonnen kon bouwen. Ook van de uitwerking van die kanonnen moet men zich geen al te overdreven voorstelling maken. Ze konden hoogstens zeven schoten per dag afvuren, want alleen al voor het laden had men twee uur nodig…

Tijdens het beleg van een stad of een kasteel had het kanon wel degelijk een belangrijke uitwerking. De muren konden stukgeschoten worden, zonder dat de belegeraars dicht in de buurt van die muren hoefden te komen.
Het handgeweer heeft ook lange tijd nodig gehad voordat het uiteindelijk bruikbaar was. Maar ten slotte kwam het toch zover dat het voetvolk de ridders zonder al te grote moeite kon verslaan. De militaire taak van de ridders werd in Europa overgenomen door de huurlegers, die zich aan de meest biedende vorst verhuurden.

Een noot zonder pit
Het verval van de adel werd bespoedigd door de opkomst van de steden. De stedelingen betaalden de boeren graag goed voor hun producten. Maar de boeren waren horigen, die de opbrengst van het land dat ze bewerkten moesten afstaan aan hun heer. Ze mochten alleen het deel behouden, dat ze nodig hadden voor eigen gebruik.

Als een horige echter naar een stad vluchtte en na een jaar en een dag niet door zijn heer was opgeëist, dan was hij vrij. Het feit dat ‘stadslucht vrijmaakte’, werd nogal eens benut. De steden hielden van orde en rust. Als de edelen in de buurt het een stad lastig maakten, werd vaak steun gezocht bij de vorst. Die zag meestal graag dat de lastige adel wat minder machtig werd. De samenwerking tussen de vorst en de steden werd een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de adel. Frankrijk en Engeland werden goed georganiseerde koninkrijken. Tradities ver­dwenen en werden vervangen door moderne wetgeving De taak van de adel was voorbij. Het ridder-ideaal had geen inhoud meer. Wat er van ovcrbleef was een naam, niet meer. Iemand schreef omstreeks 1450: ‘Een noot zonder pit en een ei zonder dooier.’

Voor 400.000 francs aan ridders…
Froissart,  een Franse middeleeuwse kroniekschrijver, wist over de zakelijke kant van het ridderschap sterke staaltjes te vertellen. In een veldslag tussen 1.800 Engelse en Franse ridders waren na een hele dag vechten slechts drie ridders gesneuveld. Maar er waren al wel 140 gevangenen gemaakt. En dat gebeurde niet omdat ze elkaar om de vreze Gods’ spaarden, zoals een tijdgenoot meende! Froissart verhaalde ook dat eens door een misverstand de Engelsen al hun Franse gevangenen ombrachten. ‘Zie wat een kwaad avontuur die dag,’schreef Froissart, ‘ze sloegen wel voor 400.000 francs aan Franse ridders dood…’

Leenheren en leenmannen

Strijders te paard
In de maand oktober van het jaar 732 rukte een grote Arabische
strijd­macht Frankrijk binnen. Eerder had­den ze al Spanje en Portugal ver­overd. Het bedreigde Frankrijk werd in die dagen geregeerd door Karel Martel. Een kleinzoon van Karel Martel zou later de beroemde Karel de Grote worden. Karel Martel trok met zijn leger de Arabieren tegemoet. Hij wilde niet alleen het Franse grondgebied bevrijden van de indrin­gers, maar ook het christendom be­schermen. Frankrijk was juist tot het christendom bekeerd en de Arabieren probeerden overal waar ze kwamen hun mohammedaanse godsdienst, de islam, ingang te doen vinden. De legers ontmoetten elkaar in de buurt van Poitiers. Toen Karel Mar­tel de Arabische strijdmacht zag, schrok hij hevig. Alle Arabische strijders zaten te paard, terwijl Karel Martel maar over een kleine ruiterij beschikte. Zijn leger bestond voor­namelijk uit voetvolk. Bovendien bleken de Arabieren een uitvinding te hebben gedaan, die het vechten te paard aanzienlijk gemakkelijker maakte. Ze hadden de beschikking over stijgbeugels!
Met de moed der wanhoop stelde Karel Martel zich te weer. Zijn leger vormde een muur, die ondanks alle stormlopen van de Arabieren
on­neembaar bleek te zijn. Na zware gevechten, die zeven dagen duurden, kwam hij uiteindelijk als overwin­naar uit de strijd te voorschijn. Maar hij had zijn les geleerd! Hij gaf opdracht voortaan te zorgen voor paarden, voorzien van stijgbeugels.

Grond voor geld
Het aanschaffen van paarden, har­nassen en stijgbeugels kostte geld. Maar over geld beschikte men in de middeleeuwen nauwelijks. Men leef­de van de landbouw. Rijkdom werd uitgedrukt in de hoeveelheid land die men bezat. De opbrengst van het land was het ruilmiddel dat als betaling diende.
Karel Martel gaf grote grondge­bieden – ontnomen aan de kerk – in leen voor de kostbare militaire bij­stand die hij van de edellieden vroeg. De opbrengst van de grond mochten ze houden, maar de grond werd niet hun eigendom. Zo ontstond de ver­houding tussen leenheer en leenman.

De middeleeuwse piramide
De middeleeuwse samenleving was opgebouwd als een piramide. Aan de top van de piramide stond de keizer of de koning als de grote leenheer. Onder deze grote leenheer stonden enkele zeer machtige leenmannen, die op hun beurt weer land in leen gaven aan
achter-leenmannen. Maar ook deze achter-leenmannen gaven weer grond in leen. De piramide verbreed­de zich steeds verder. De voet van de piramide werd ten slotte gevormd door leenmannen die te arm waren om zelf als leenheer voor andere leenmannen op te treden. Deze opbouw van de middeleeuwse maatschappij wordt het ‘feodale stel­sel’ genoemd. Elk stukje grond, hoe klein ook, had zijn eigen heer. Helaas was die duidelijke opbouw in de pratijk niet zo doorzichtig.

Verwarrende toestanden
Het kwam niet zelden voor dat één en dezelfde leenman van verschillen­de leenheren stukken grond in leen kreeg. Zo hadden de graven van Champagne in Frankrijk maar liefst negen verschillende leenheren. En een graaf in Beieren had zelfs twintig verschillende leenheren. In de prak­tijk leidde dat vanzelfsprekend tot grote moeilijkheden. Een leenman met veel leenheren kon nooit aan al zijn verplichtingen voldoen. Het kwam er dan meestal op neer dat hij één van zijn leenheren beschouwde als opperleenheer. Met zijn
verplich­tingen ten opzichte van de overige leenheren nam hij het dan niet al te nauw.
Soms kwam het voor dat een leen­man meer macht bezat dan een leenheer. Dat was bijvoorbeeld het geval met de hertogen van
Normandië. Die waren veel machtiger dan hun leenheren, de koningen van Frankrijk.
Ook in Engeland kende men deze situatie.
De Engelse leenmannen wisten in 1215 hun koning Jan zonder Land een overeenkomst af te dwingen, de ‘Magna Charta’, waarin de
weder­zijdse rechten en plichten nauwkeurig werden omschreven. Sommige leenmannen trachtten hun macht uit te breiden door eenvoudig het gebied van een naburige leenman te veroveren. Talloze kleine oorlogen waren daarvan het gevolg, evenals voortdurende stormlopen op elkaars kastelen.

Een vrijwillige overeenkomst
De verhouding tussen leenheer en leenman is niet te vergelijken met de verhouding tussen meester en knecht. Het was een vrijwillige overeenkomst, aangegaan tussen twee vrije mensen, gesloten ‘te goeder trouw’.
De gedachte die daaraan ten grondslag lag, was al heel oud. Germanen als de Galliërs kenden reeds vóór de middeleeuwen machtige lieden, die een aantal volgelingen om zich heen verzamelden. Die volgelingen werden door hun leider beschermd, terwijl zij op beurt hun leider bij stonden. Bij de Galliërs heette zo’n machtige man ‘senior’, wat ‘de oudere’ betekent. Dat woord ‘senior’ is blijven bestaan als seigneur, sieur of sir.
Een volgeling van een senior heette een ‘vasallus’.Deze naam werd in het middeleeuwse leenstelsel vervormd tot’vazal’.

Bescherming en bijstand
Het sluiten van de overeenkomst tussen een leenheer en zijn leenman was een plechtige gebeurtenis. De vazal knielde voor zijn leenheer neer en hief zijn gevouwen handen omhoog. De leenheer omvatte die handen als teken van bescherming en kuste de vazal op de mond als bezegeling van hun overeenkomst. Daarna kreeg de nieuwe vazal symbolisch een geschenk. Vaak was dit een staf, maar het kon ook een kluit aarde zijn, als symbool van de grond die hij in leen kreeg. In de leenovereenkomst beloofde de leenheer zijn vazal met al zijn bezittingen te beschermen. Aan de andere kant beloofde de leenman zijn heer raad bijstand te geven.

Militaire hulp
Die bijstand betekende in de eerste plaats militaire hulp. De leenman moest voor een bepaald aantal soldaten zorgen, als zijn heer in oorlog raakte. Die soldaten moesten op kosten van de leenman met een volledige militaire uitrusting worden geleverd. Een niet geringe verplichting, vooral als de leenman een leenheer trof die nogal oorlogszuchtig was. Om ervoor te zorgen dat de vazal zich niet verplichtte tot iets wat hij toch nooit zou kunnen nakomen, werd in de leenovereenkomst de militaire hulp meestal beperkt tot een aantal dagen per jaar. Vaak kon de leenheer zijn vazal niet langer dan veertig dagen per jaar tot militaire hulp verplichten.

Gratis logeren
Maar behalve tot militaire hulp was de leenman ook tot andere bijstand verplicht. Zo kon de leenheer met zijn hele gezin op het landgoed van zijn vazal neerstrijken en daar gratis kost en inwoning genieten. Ook dit voorrecht was gebonden aan een maximum aantal dagen, om misbruik tegen te gaan. Soms moest de leen­man zijn leenheer met goederen en geld steunen, als de leenheer grote uitgaven moest doen. Dat kwam nog­al eens voor als de leenheer een feest ging vieren. De bruiloft van zijn zoon of dochter was bijvoorbeeld een goede aanleiding tot zo’n feest, dat vaak wekenlang duurde.
Al te inhalige leenheren werden wel eens door hun vazallen ter
verant­woording geroepen. Een historisch voorbeeld daarvan is de opstand van de Engelse edelen tegen hun leenheer koning Jan Zonder Land.

Een kroning uitgesteld
Jagen was de voornaamste sport van de edellieden in de middeleeuwen. Vooral de valkenjacht was zeer ge­liefd. Het jagen met roofvogels was reeds lang voor de middeleeuwen bekend. De oude Chinezen hadden deze vorm van jagen reeds beoefend, evenals de Romeinen. Omstreeks 500 begon de valkenjacht onder de edelen in Duitsland een geliefde sport te worden. Deze sport werd zo’n rage, dat op zekere dag zelfs de kroning van een keizer moest worden uitge­steld, omdat de man toevallig op valkenjacht was. Voor een dergelijke gebeurtenis wenste hij niet voortijdig van de valkenjacht terug te keren… Van 1218 tot 1250 werd het Heilige Roomse Rijk (Duitsland en Italië) geregeerd door de beroemde keizer Frederik II. Deze keizer was behalve een geniaal diplomaat ook dichter en geleerde. Tot de belangrijkste werken die hij schreef, behoort een stan­daardwerk over de kunst van het jagen met valken!

De valk werd een loer gedraaid
De slechtvalk, de soort valk die het meest voor de jacht werd gebruikt, was ongeveer 45 centimeter groot. Hij was een zeer felle jager. Als hij een prooi zag, steeg hij eerst tot grote hoogte op, om zich daarna loodrecht op zijn prooi te laten neervallen. Het africhten van valken voor de jacht was een langdurig werk, waar veel geduld voor nodig was. Eerst moest men de vogel leren zitten. Daarna werd binnen in het valken­huis verder met hem geoefend, met dode vogels als prooi. Bij de oefenin­gen buiten werd de valk aan een lang koord gebonden. Keerde de valk na het veroveren van een prooi vanzelf weer op de hand van zijn meester of meesteres terug, dan was hij klaar voor de jacht. Het africhten van een valk voor de jacht zou heden ter dage een klein fortuin kosten…
Voor de jacht werd de valk een leren kapje over het hoofd getrokken, vaak voorzien van een pluim. Hij was dan opgetuigd. Had hij een vogel gevangen, dan werd voor hem ‘de loer gedraaid’. De loer was een leren kussentje met een stuk vlees er op, dat aan een lange riem werd rondge­draaid. Dat maakte een heel typisch geluid. De valk was zo afgericht, dat hij bij het draaien van de loer terug­kwam naar zijn meester. Behalve met slechtvalken werd ook wel gejaagd met boomvalken, havi­ken en zeearenden.

Jagen met de katapult
De valkenjacht was alleen weggelegd voor edelen. Zo’n jacht ging altijd gepaard met grote feesten. De ge­wone man mocht eigenlijk niet jagen. Het jachtrecht was voorbehouden aan de edelen. Alleen de koning kon het jachtrecht verlenen. Maar dat er werd gestroopt, staat wel vast. Zo’n stro­per gebruikte dan pijl en boog om mee te jagen. Die pijlen schoot hij af met een katapult of met een kruis­boog. Vooral de katapult was een krachtig wapen. Het had een reik­wijdte van zo’n 550 meter. Later werd het gebruik van de katapult en de kruisboog voor de jacht door de kerk verboden. De driehoekige of vierhoekige pijlen ver­oorzaakten verschrikkelijke wonden. Maar dit verbod van de kerk haalde maar weinig uit. De katapult bleef een geliefd wapen, zelfs toen er na 1400 vuurwapens in gebruik kwa­men. De eerste geweren, de haakbus­sen, legden het zowel in trefzekerheid als in reikwijdte af tegen de ouder­wetse katapult.

Burchten en kastelen

Niet hoger dan ’n ruiter kon kijken
Aanvankelijk woonde de leenman in een boerenhoeve op zijn leengoed. Het leven was daar niet altijd even rustig. Rondtrekkende roofridders, gewone dieven of ander gespuis kwamen nogal eens een ongewenst bezoek afleggen. Om zich daartegen te beschermen, ging de leenman zijn hoeve versterken. Hij mocht dat niet doen zonder toestemming van zijn leenheer.
Die leenheer voelde meestal weinig voor onneembare behuizingen in zijn gebied. Meestal kreeg de leenman alleen maar toestemming om zijn hoeve met een gracht te omringen en er een palissade omheen aan te brengen. Zo’n palissade bestond uit dicht naast elkaar geplaatste houten palen, die van boven gepunt waren. De leenheer wilde liever niet dat die palissade te hoog werd opgetrokken. Een ruiter te paard moest erover heen kunnen kijken!
Pas in de jaren na 1200 kreeg de leenman het recht de bescherming te bouwen die hijzelf noodzakelijk achtte.

‘Het huis’
Toen de leenman eenmaal het recht had gekregen zijn woning naar eigen inzicht te beschermen, maakte hij daar een goed gebruik van. Overal in Europa werden in groten getale kas­telen gebouwd.
Het woord ‘kasteel’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘castrum’ of
‘castellum’. Een castrum was een ver­sterkt, vierkant Romeins soldaten-kamp.
In het Nederlands wordt behalve van kasteel ook van ‘slot’ of ‘burcht’ of ‘borch’ gesproken. In dat laatste woord zit iets van ‘geborgen’, in de betekenis van ‘beschermd’.
Het verschil tussen al deze benamingen is moeilijk aan te duiden. In de middeleeuwen zelf werden ze zelden of nooit gebruikt. De
middeleeuwer sprak eenvoudig van ‘het huis’.

Woontorens
De leenman, die eindelijk zo vrij was dat hij mocht bouwen wat hij wilde, wenste al gauw niet meer op een hoeve te wonen. Hij bouwde voor zichzelf en zijn gezin een torenachtig gebouw. Dat gebouw diende als opslagplaats voor zijn voorraden, als zijn woning en als zijn versterkte burcht. In het onderste gedeelte bewaarde hij zijn levensmiddelen en zijn krijgsuitrusting. Vaak had hij ook een cel ingericht voor gevangen genomen dieven. Dat onderste gedeelte had alleen maar een deur en een trap naar boven. Die onderste verdieping was alleen maar bereikbaar via de verdieping erboven Daar had de edelman zijn woonvertrekken ingericht. Boven de woonvertrekken lagen de slaapzalen, onde een plat dak. Vanaf dat platte dak kon, vanachter de borstwering met kantelen, het torenhuis worden
verdedigd.
Aanvankelijk werden deze woontorens van hout gebouwd. Hout was in de uitgestrekte bossen voldoende voorhanden en de bouw was niet moeilijk. Wanneer de edelman over voldoende werklieden beschikte, was zo’n woontoren in drie weken gebouwd. Later zou men de
woontorens van stukken natuursteen of gebakken stenen gaan bouwen.

De eerste kastelen
De stenen woontorens ontwikkelden zich al spoedig tot wat we zouden kunnen beschouwen als de ‘voorlopers’ van de echte kastelen. Men begon met het graven van een slotgracht. Van de grond die daarbij vrij kwam maakte men een heuvel binnen de gracht. Langs de gracht, aan de binnenkant, plaatste men een palissade. Achter die palissade werden de dienstgebouwen en de stallen opgetrokken. Op het hoogste punt van de heuvel werd de woontoren gebouwd.
Een afbeelding van een dergelijk kasteel komt voor op het beroemde wandtapijt van Bayeux, dat de tocht van Willem de Veroveraar naar Engeland in 1066 weergeeft.
Een nadeel van zo’n bouwwerk was, dat het vanaf de hoogte moest worden verdedigd. De verdedigers konden vaak niet zien wat er vlak beneden hen gebeurde. Maar al te vaak werd de muur van een woontoren onder­graven, zonder dat de verdedigers dat tijdig bemerkten!
Men trachtte later de verdediging van een dergelijk kasteel gemakkelijker te maken, door ook om de woontoren nog een gracht te graven. Maar helemaal afdoende was dat toch niet. Er waren vaak goede zwemmers en duikers onder de belegeraars!

6e klas adel 2

Verschillende ringen van onneembaar hoge muren, voorzien van kantelen, omgeven de machtige burcht van Carcassonne (Fr). Binnen de muren van dit kasteel leefden zoveel verschillende ambachtslieden en knechten met hun gezin, dat het eigenlijk een volledig ommuurd dorp was, geheel het eigedsom van de trotse kasteelheer.

Vierkante kastelen
Om het probleem van de verdediging van de ‘woontoren’ op te lossen, begon men eerst nieuwe kleine torens te bouwen, vanwaar uit men de muur van de hoofdtoren kon zien. Daarna werden die torens met de muren verbonden. En zo kwam men uitein­delijk tot een vierkant kasteel met ronde torens op de hoeken. Bij die ontwikkeling hebben de kruis­ridders een belangrijke rol gespeeld. Die zagen in het Heilige Land vele rechthoekige kastelen en dat bracht hen op het idee die manier van bouwen ook in eigen land toe te passen. Soms werd één van de torens op de vier hoeken van het kasteel zwaarder gebouwd. Die toren gold dan als het verdedigingswerk dat tot het laatst toe werd behouden. Die belangrijke toren heette ‘donjon’.

Kastelen veranderden in woningen
Met de komst van de vuurwapens rond 1400 kregen de kasteelheren het bijzonder moeilijk. De muren van de meeste kastelen waren niet bestand tegen het geweld van kanonskogels. Hoewel de muren vaak twee of drie stenen dik waren, was het metselwerk meestal van niet al te beste kwaliteit. Een paar kogels konden soms al grote bressen in de muren slaan. Sommige kasteelheren probeerden hun kastelen te beschermen tegen het opkomend vuurgeweld, door de mu­ren te versterken met wallen van aarde. Maar het was onbegonnen werk. Met het kasteel als versterkte woning was het afgelopen. De adel die nog op de kastelen bleef wonen, paste zijn bewoning aan en zocht vooral naar meer behaaglijk­heid. Zo werd vaak de zuidelijke muur afgebroken om een zonniger  binnenplaats te krijgen. Van dergelijke kastelen waren die aan de Franse rivier de Loire goede voorbeelden.
In het Loiregebied werden vele kastelen gebouwd die zelfs nooit bedoeld waren om ooit als verdedigingswerk te dienen. Het waren van het begin af aan uitsluitend luxe woningen voor rijke edellieden.

Een onaangename hark
Hoe zag zo’n middeleeuws kasteel, toen het nog op de verdediging was ingesteld, er van binnen uit? Er was meestal maar een mogelijkheid om binnen te komen, over een smalle ophaalbrug. Achter die brug lag de poort, vvorzien van zware eikenhouten deuren ­met een luikje datbeschermd was door ijzeren tralies. Die enige toegangsweg tot het kasteel was ook het meest kwetsbare deel van het kasteel. Daarom werden aan beide kanten van de toegangspoort torens gebouwd. Die torens waren door muren verbonden met een hoge­re toren daarachter. In die laatste toren was een valhek aangebracht. Dat was een hek met ijzeren staven, die van onderen puntig waren. Was een aanvaller al zover gekomen dat hij zich onder dat hek bevond, dan wachtte hem een onaangename ver­rassing. Het hek werd dan vliegens­vlug neergelaten. Als het valhek vóór de aanvaller viel, had hij meer geluk dan wanneer het iets later naar bene­den kwam. Het hek, verzwaard met dikke houten balken, werd ook wel kenmerkend ‘hark’ genoemd.

Brandend pek
De hark was overigens niet de enige verrassing die onwelkome gasten te wachten stond. De muren die de achterste toren met de beide kleine torens naast de brug verbonden, waren rijkelijk voorzien van kante­len. In de kantelen zaten spleten, waardoorheen pijlen en later kogels konden worden afgeschoten. Tussen de kantelen waren openingen, die in het Nederlands ‘mezekouw’ heetten. Ze werden door de verdedigers ge­bruikt om allerlei onplezierige zaken als huisvuil, brandend pek en koken­de olie over de binnendringers uit te storten. Achter de kantelen was de muur verbreed om er gemakkelijk te kunnen lopen. Dat was de ‘weer­gang’.

De levensbron
De torens bij de brug, de muren naar de grote toren met het valhek en die toren zelf noemde men gezamenlijk het voorwerk van het kasteel. Dat voorwerk diende om de zwakste plaats van het kasteel extra bescherming te geven. Achter het voorwerk lag de binnenplaats met de levens­bron van het kasteel: de waterput. Was de waterput eenmaal in handen van de vijand, dan was het bijzonder moeilijk de verdediging van het kas­teel nog lang vol te houden. Op den duur was het gebrek aan water slopender dan het gebrek aan voedsel! In veel kastelen groeide boven de waterput een lindeboom, om het water in de zomer zo koel mogelijk te houden.

De levendige binnenplaats
Aan de binnenplaats lagen de stallen, de schuren, de koetshuizen en de werkplaatsen voor de ambachtslie­den. Ook de verblijfplaatsen voor de bedienden lagen daar. Vaak groeiden er vruchtbomen en was er een krui­dentuin aangelegd. Die kruiden dien­den niet alleen om het eten wat smakelijker te maken, maar ze waren ook voor de geneeskunde van groot belang.
Het kon op zo’n binnenplaats van een kasteel een lawaai van jewelste zijn. Eigenlijk speelde zich daar het leven af, zoals dat zich ook in de dor­pen afspeelde.
Timmerlieden maakten meubels of vaten. Smeden besloegen de hoeven van de paarden en smeedden zwaar­den of andere wapens voor de
kas­teelheer en zijn ridders. Boeren ver­zorgden het vee. Schildknapen brach­ten hun tijd door met het africhten van valken. Het was één en al leven en drukte op zo’n binnenplaats.

Strenge straffen
De geluiden van al deze bedrijvig­heden zullen zo nu en dan wel eens onderbroken zijn door het kermen van gevangenen, die opgesloten zaten in de kelder van de hoofdtoren, de donjon. De leenman kreeg van zijn leenheer ook altijd het recht om de rechtspraak in zijn gebied te verzor­gen.
De straffen waren in de middel­eeuwen niet bepaald zachtzinnig. Afhakken van handen, uitsteken van ogen, geselen en brandmerken waren heel gewoon. Voor het afdwingen van bekentenissen werden gruwelijke foltermethoden gebruikt. Wie een gloeiende ijzeren staaf kon beetpak­ken zonder brandblaren te krijgen, bewees daarmee zijn onschuld. Wie in het water werd gegooid en zonk, leverde daarmee ook het bewijs van zijn onschuld. Meestal had het arme slachtoffer daar maar weinig aan…

Stormrammen en evenhogen
Om een kasteel tot overgave te dwingen, hadden de belegeraars de beschikking over een aantal vernuf­tige wapens. Met een stormram, een grote zware balk, konden ze poorten en muren rammeien. Vaak lukte het hun daarmee bressen in de muren te slaan. De zware stenen waaruit de muren waren opgetrokken, bleken vaak minder sterk te zijn dan ze eruit­zagen.
Behalve de stormram, hadden de belegeraars ook de gevreesde
‘even-hoog’. Dat was een vierkante houten gevechtstoren, die op wielen naar de kasteelmuur werd gereden. Was hij daar aangekomen, dan werd uit die toren een valbrug geklapt. Over die brug konden de aanvallers de muren van het kasteel bereiken. Vanzelf­sprekend moest de toren even hoog zijn als de muren van het kasteel. Vandaar de naam ‘evenhoog’.

Katten en katapulten
Om wapens als de evenhoog te kunnen gebruiken, moest eerst een andere hindernis worden overwon­nen: de slotgracht. Die dempte men plaatselijk, meestal met takkenbos­sen.
Natuurlijk zaten de bewoners van het kasteel dan ook niet stil. Ze bescho­ten de aanvallers met pijlen. Om zich tegen de pijlen te beschermen, bouw­den de belegeraars ‘katten’. Dat waren afdaken van hout of van twijgen, die gemakkelijk verplaats­baar waren en die bescherming boden tegen pijlen.
Intussen werden ook de katapulten in stelling gebracht. Een bijzonder grote katapult was de ‘blijde’. Daarmee werden zware stenen binnen de muren van het kasteel geslingerd en ook wel bossen brandend stro of kadavers. Met dat laatste probeerde men te bereiken dat er op het kasteel besmettelijke ziekten zouden uit­breken…

Het jaargetijde als voornaamste bondgenoot
Een belegering vloeide vaak voort uit een verschil van mening tussen de leenman en zijn leenheer. Maar ook twisten tussen vazallen onderling, wat vaak leidde tot een belegering. Men moet zich van een dergelijke belegering niet al te veel voorstellen. Het gebeurde maar zelden dat een groot leger zijn kamp voor de kasteelmuren opsloeg. Meestal waren het maar enkele tientallen strijders waaruit de krijgsmacht van een ridder bestond. Ook de kasteelheer beschikte vaak over niet meer dan tien of twintig verdedigers.

Het voornaamste wapen van de aanvaller was uithongering van het kasteel. De kasteelheer vond daarom zijn voornaamste bondgenoot in het jaargetijde. Het was in de winterkou vrijwel niet doenlijk om een open kamp buiten de kasteelmuren in stand te houden. Meestal vertrok een belegeraar dan ook voordat de winter inviel. In de komende lente zou hij, als hij tenminste niet wijzer was geworden, het nog wel eens pro­beren…

Het leven op een kasteel

Weinig comfort
Voor 1200, toen de kastelen nog voornamelijk bestonden uit
woon­torens, was het leven op een kasteel allesbehalve aangenaam. De kasteel­heer woonde met zijn gezin in een vaak veel te kleine, tochtige ruimte, waar hoogstens een paar kisten ston­den om op te zitten. Die kisten dienden ook als opbergruimte voor alles en nog wat. Als een vijand zo’n woontoren had veroverd en de kreet klonk: ‘Breek de kisten maar open!’ dan kon het plunderen beginnen. Soms lieten kasteelheren aan een van die kisten een opstaande leuning maken. Dat was dan het gemak dat de kasteelheer zichzelf gunde. Mocht een gast op de kist met leuning gaan zitten, dan betekende dat een gewel­dige eer.

Eén groot bed
In het woonvertrek stond ook een grote bak, die als bed moest dienen. Tegen de nacht kroop de kasteelheer met zijn hele gezin in dat bed. En de nacht begon al vroeg, want men beschikte nauwelijks over verlichting. Ook overdag baadde het vertrek niet in het licht. Grote vensters kende men niet. Zoiets was uit het oogpunt van verdediging veel te gevaarlijk. De woontoren was in de eerste plaats een versterkt huis en aan de verdediging werd bij alles de voorrang gegeven. De smalle spleten die als schietgaten dienden, moesten tevens het licht verschaffen.
Voor het naar bed gaan werd de avond meestal doorgebracht met het vertellen van verhalen. Verhalen over de heldendaden die men had beleefd of die men ter plaatse verzon. Soms was er ook wel een kaeplaan die wat voorlas uit een ridderroman. Gewoonlijk was men zelf de kunst van het lezen niet machtig. Veel boeiender werd het wanneer rondzwervende zangers langskwamen. Dan schuimde het bier overvloedig in de bekers en volgde het ene heldhaftige verhaal na het andere. Na zo’n geslaagde avond konden de gasten gaan slapen mét het gezin in het ene grote bed. Als het wat al te vol werd in dat bed, dan werden er wel een paar kinderen in het stro op op de vloer gelegd.

Dansende beren
Ook voor de kinderen betekende een dergelijk bezoek een plezierige avond. De zangers brachten vaak potsenmakers en jongleurs mee. Het woord ‘jongleur’is afgeleid van het Latijnse woord ‘ioculator’. De
middeleeuwer maakte daar ‘gokelaer’ van, een woord dat als ‘goochelaar’ nog steeds bestaat. De jongleurs haalden voor de verbaasde gezichten van de kinderen allerlei goocheltoeren uit. De potsenmakers zorgden voor de ene grap na de andere. Soms was er in een rondtrekkend gezelschap een berengeleider, die een beer kon laten dansen. Aan het slot van de avond werd dan vaak een bediende met honing ingesmeerd. Daarna wer de beer op hem losgelaten. De arme man kronkelde zich van angst in allerlei bochten, als de beer hem tussen zijn sterke klauwen hield en met zijn ruwe tong schoonlikte. Dan was het schater­lachen niet van de lucht.

Wat er ter tafel kwam
Als er gegeten moest worden, werden eenvoudig twee houten schragen uit een hoek gehaald, een plank erover gelegd en de tafel was klaar. Vlees vormde het voornaamste voedsel. Men beschikte vaak over een spit waaraan een volledige os kon worden gedraaid. Behalve vlees kwam ook eigen gebakken brood ter tafel en soms wat knollen en groenten. Met een mes werd een stuk vlees afge­sneden en op een dikke plak brood gelegd. Dat stuk brood noemde men ‘telloor’. Bier moest ervoor zorgen dat alles gemakkelijk naar binnen gleed.
Melk werd zelden gedronken. Het werd als een zeer ongezonde drank beschouwd. Vooral voor de tanden en het tandvlees zou melk bijzonder slecht zijn. Wie melk had gedronken, moest dan ook ogenblikkelijk zijn mond spoelen! Als iedereen genoeg had gegeten, werd de tafel in de meest letterlijke zin ‘opgeheven’. De plank en de schragen werden weer in de hoek gezet.

Tafelmanieren
Toen de kasteelheren in plaats van woontorens hun stenen kastelen gingen bewonen en wat meer woonruimte kregen, nam ook het comfort toe. Ze kregen de beschikking over verschillende zaken, waarvan sommige zelfs door een schouw verwarmd konden worden. Zo’n verwarmd vertrek noemde men een ‘kemenade’.
Met de grotere welstand van de ridders werden ook hun manieren wat verfijnder. Zo deden bijvoor­beeld de eerste tafelmanieren hun intrede. Men mocht nog wel zijn mond aan het tafellaken afvegen, maar niet zijn tanden. Ook behoorde het niet tot de goede manieren om ontstoken ogen met het tafelkleed schoon te maken.
Op het hoofd krabben tijdens het eten werd oogluikend toegestaan, als het maar niet zo gebeurde dat een ander er hinder van had. Het
getuig­de evenmin van goede smaak om zijn benen al op tafel te leggen, terwijl een ander nog niet met zijn maaltijd klaar was. Daarmee wachtte de wel­opgevoede middeleeuwer tot iedereen genoeg had gegeten. Men kon dan gezamenlijk die gemakkelijke hou­ding aannemen om nog wat gezellig na te praten.

Vruchten voor, zoet na
Later kwam er ook meer dan alleen vlees op tafel. Vooral ’s zomers werd vis een geliefd gerecht. Karpers en palingen bijvoorbeeld, pas gevangen in de slotgracht. De groenten werden uitgebreid met spinazie, sla, prei, bieten en radijs. Zelfs verschenen er vruchten op tafel.
De kasteelvrouwe kon kiezen uit appels, peren, aardbeien, bramen, druiven, pruimen, perziken, kersen en kastanjes. Vruchten werden in de middeleeuwen altijd vóór de maaltijd gegeten. Na het eten kwam de zoetig­heid aan bod, in de vorm van taarten en pasteien.

Het vlees, dat na het slachten werd gezouten of gerookt, werd in de winter op smaak gebracht met sterke kruiden of sauzen. Ook vis begon men te drogen en te roken. Hoewel de maaltijden van de middel­eeuwer steeds afwisselender werden, was het voedsel naar moderne be­grippen lang niet ‘gezond’. Het feit dat de middeleeuwer in het algemeen geen hoge leeftijd bereikte, is misschien toe te schrijven aan zijn voedingsgewoonten. Iemand die veertig jaar werd, was oud en vijftig jaar haalden alleen de zeer sterken.

Zoute en kruidige dranken
Na de maaltijd werd met gulle hand bier geschonken of wijn. Soms hield men een wedstrijd wie de meeste wijn kon drinken zonder ‘onder tafel te raken’. De wijn, meestal uit de Rijnstreek of uit de omgeving van Bordeaux, werd rijkelijk voorzien van kruiden. Om de dorst te
prik­kelen, voorzag men de wijn behalve van kruiden ook van een flinke dosis zout.
Van ridder Jan van Blois is bekend dat hij een stel zilveren lepels bezat
die speciaal waren gemaakt om zout aan zijn wijn toe te voegen. Hij stierf jong…

Een wat zoetere drank was mede. Die werd bereid uit honing en behalve om zijn smaak werd deze drank ook genuttigd om zijn geneeskrachtige werking.

Het kleinste kamertje
Mocht men na al het eten en drinken aan zijn natuurlijke behoeften willen voldoen, dan kon men zich terug­trekken in het ‘kleinste kamertje’. Dat kleinste kamertje was niet veel meer dan een uitholling in de buiten­muur, waar een zitgelegenheid was gemaakt. Onder de zitting was een opening die rechtstreeks uitkwam op de slotgracht.
Behalve voor de natuurlijke behoef­ten van de bewoners werd die
ope­ning ook gebruikt voor alles wat men maar kwijt wilde. Huisvuil en gebroken serviesgoed verdween er even­eens doorheen in de slotgracht.

Zang en spel
De zangers van heldenliederen, die met hun potsenmakers en dansende beren de woontorens hadden bezocht, verdwenen. Ze maakten plaats voor minstrelen en troubadours, die een veel fijnzinniger kunst brachten.
De zeer beschaafde Eleanora, hertogin van Aquitanië (1122-1204), had een grote voorliefde voor troubadours. Ze verzamelde hun liederen en hield vele troubadours in vaste dienst aan haar hof. Het feit dat haar grootvader zelf een beroemd troubadour was geweest, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. De minneliederen van de troubadours brachten haar er zelfs toe ean ‘minnehof’ in te richten naar het voorbeeld van een gerechtshof. Haar ‘minnehof’ behandelde   uitsluitend  liefdeszaken.
Ridders of de geliefden van ridders die misdaden uit hartstocht hadden begaan, konden op haar grootste medeleven rekenen… Niet alleen de zang, ook het spel onderging een verfijning. Het oude kaartspel bleef bestaan, maar daar­naast deden moeilijker spelen als schaken en dammen hun intrede. Ook triktrak werd vaak gespeeld. Die ‘bordspelen’ waren door de kruisrid­ders uit het Oosten meegenomen. Maar niet elke ridder had er genoeg geduld voor. ‘De wijste man,’ schreef een tijdgenoot, ‘verliest bij het spelen zijn geduld.’

6e klas adel 3

Met een vernuftig uitgedachte katrol hijst een meisje de minstreel Kristan van Hamnle tot bij het raam van haar kamer.

‘Neem geen vrouw om haar schoonheid’
De minneliederen die de troubadours zongen, hadden zelden of nooit betrekking op de liefde tussen een ridder en zijn eigen vrouw. Het was altijd een verre geliefde waarover werd gezongen, een toevallige
ont­moeting met een beeldschone en onvergetelijke jonge vrouw.
De verhouding van de kasteelheer tot zijn eigen vrouw was veel zakelijker. In de eerste plaats mocht hij niet trouwen zonder toestemming van zijn leenheer. En de leenheer waakte er zorgvuldig voor dat zich niet te veel macht kon samentrekken, door­dat bijvoorbeeld zijn leenman trouw­de met de dochter van een andere belangrijke leenman in zijn gebied. En in de tweede plaats zag de leenman zelf zijn vrouw ook meer als een gewaardeerde arbeidskracht dan als een aanbiddelijk wezen. ‘Als je een vrouw trouwt,’ schreef een kas­teelheer aan zijn zoon, ‘denk dan aan je eigen welzijn. Neem er geen om haar schoonheid of om haar boeken­wijsheid, want die zijn dikwijls be­drieglijk van aard.’
Vrouwen stonden altijd onder toe­zicht. In hun jeugd stonden ze onder toezicht van hun vader en als ze getrouwd waren onder toezicht van hun man, aan wie ze absolute ge­hoorzaamheid verplicht waren. Ze konden in de latere middeleeuwen wel een leen erven, maar besturen mochten ze die niet. Het besturen van een leen was vooral een militaire aangelegenheid en daar waren vrou­wen nu eenmaal niet geschikt voor. Vrouwen moesten zich beperken tot spinnen, naaien en borduren. Als er gasten waren en er werd feestgevierd, dan mochten de vrouwen dansen en zingen. Maar verder werd van hen verwacht dat ze zich rustig en inge­togen gedroegen.

Van page tot schildknaap
Ook wat de opvoeding van de kin­deren betrof, had de vader het voor het zeggen. De opvoeding was streng en hardhandig. De roede werd zeker niet gespaard. Een jongen moest al vroeg leren paardrijden, vechten en met wapens leren omgaan. Het paardrijden werd in de eerste jaren van zijn leven beoefend op de ruggen van de bedienden. Maar als hij een jaar of vijf was, werd hij door zijn vader op een echt paard vastgebonden. Hij moest dan vaak dagmarsen meemaken en ’s nachts werd hij in een koude, vochtige stal te slapen gelegd. Daar werd hij, volgens de opvatting van die tijd, alleen maar sterker van.
Was hij zeven jaar geworden, dan werd hij bij een bevriende leenman op een ander kasteel in de leer gedaan. Dan was hij page geworden. Zijn leermeester bekwaamde hem in allerlei sporten en bracht hem de beginselen bij van de verschillende vechttechnieken. Zo mocht hij
opgehangen poppen met zijn lans doorsteken. Mislukte dat, dan viel de page in een bak met water die onder de pop stond.

Op zijn veertiende jaar mocht de page zich schildknaap gaan noeme. Dan kreeg hij zijn eerste zwaard. Dan ook kreeg hij toestemming zijn heer te vergezellen naar veldslagen en toernooien. Het verzorgen van de wapenrustingen en de paarden was daarbij zijn voornaamste taak. Maar hij mocht ook de gasten voor zijn heer ontvangen, hen aan tafel
bedienen en hen uitgeleide doen. Als hij op die manier zijn heer vele jaren trouw had gediend, werd hij tot ridder geslagen en dan was hij volwassen geworden.
Niet alleen de jongens, ook de meisjes werden al vroeg van het kasteel weggestuurd om hun opvoeding elders te ontvangen. Zij kwamen eerst in dienst als kameniersters en werden later onderwezen in de
kookkunst en naaldkunsten, als voorbereiding op het huwelijk.

Ridderlijkheid en hoofse liefde

Voor de strijd geschapen
Was de jonge edelman eenmaal tot ridder geslagen, dan wachtte hem een avontuurlijk leven. Hij kon dan zelf ten strijde trekken en deelnemen aan toernooien. Voortaan zou iedereen die hem belaagde, met zijn zwaard kennismaken. Vechten zou één van de belangrijkste bezigheden in zijn leven worden.

De jonge ridder had plechtig beloofd het geloof in Christus te verdedigen en weduwen, wezen en verdrukten te beschermen. Hij had gezworen zijn heer in de strijd te volgen. Hij zou zijn eigen leengoed verdedigen tegen roofridders en dieven. Er was voor een rechtschapen ridder, die niet de laffe dood in het bed wilde sterven, genoeg om voor te vechten.

Het onhandige harnas
De ridder beschikte over drie belang­rijke wapens: zijn zwaard, de lans en de strijdbijl. Het zwaard zwaar en zó groot, dat hij beide handen nodig had om er ‘rake klappen’ mee uit te delen. De lans diende om zijn tegenstander uit het zadel te stoten. En met de strijd doorkliefde hij de helm van vijand.
Zo’n helm had een vizier dat open en dicht geklapt kon worden. Kleine oogspleten maakten het mogelijk te kijken. Verder droeg de ridder een maliënkolder over een leren buis. Een maliënkolder kon bestaan uit meer  dan 40.000 kleine ijzeren ringen. Het beschermde de ridder, tot op zekere hoogte, tegen de slagen die hem met een zwaard werden toegebracht. Een harnas bood meer bescherming. Zo’n harnas bestond vaak uit 200 of meer stukjes plaatijzer. Een smid had aan het maken van zo’n harnas zeker drie jaar werk. Als het klaar was woog het ongeveer 60 kilo!
Eigenlijk was een harnas een onding. Als de zon erop scheen, zat de
ridder letterlijk in een oven. Viel hij onver­hoopt van zijn paard, dan was hij overgeleverd aan de genade van zijn aanvaller.
In zijn zware ijzeren harnas kon hij nauwelijks een stap verzetten. Toch liet de ridder zo’n kostbaar harnas maken. Het verschafte hem het
aanzien van een voorname edelman. Voor het gewone volk was een harnas onbetaalbaar.

Heraldieke herkenningstekens
De helm bedekte het hele gezicht van de ridder. Een bezwaar daarvan was, dat hij op het strijdtoneel niet meer herkenbaar was. En omdat elke ridder toch wel wilde weten met wie hij de strijd aanging, werden op de wapenrustingen herkenningstekens aangebracht. Deze herkenningstekens zouden zich ontwikkelen tot de heraldiek.
Dat de heraldieke tekens het eerst op het wapenschild verschenen, was niet toevallig. Het schild had van oudsher symbolische betekenis. Een Frankische koning kreeg zijn macht, doordat hij op een schild werd verheven. En elke edelman nam als enigszins mogelijk was,  zijn schild, gebroken of niet, mee in zijn graf.
De meeste schilden waren langwerpig liepen uit in een punt. De oudste schilden waren van hout, bekleed met leer. Later werden ze gemaakt van metaal en kregen ze een bolle oppervlakte. Er werd erg veel zorg aan besteed en door regelmatig poetsen werd het oppervlak glad en glanzend gehouden.

Middeleeuwse schrijvers omschrijven ze als: ‘schilden, schitterend van edelstenen en in verschillende kleuren geschilderd’. De schilden die van edelstenen schitterden, werden echter alleen gebruikt tijdens toernooien of steekspelen. Ze waren betrekkelijk klein in vergelijking met de schilden die in een echte oorlog werden gebruikt.

Schild als herkenningsteken
In het begin veranderden de heral­dieke tekens nogal eens tijdens het leven van een ridder. Als hij bijvoor­beeld meende aanspraak te kunnen maken op het landgoed van een andere leenman, dan nam hij alvast de tekens van die leenman in zijn eigen schild op. Later hield een ridder zich tijdens zijn leven aan één voorstelling op zijn schild. Iedereen kon dan zien, ‘wat die ridder in zijn schild voerde’. Nog later werd het heraldieke teken een symbool voor een heel geslacht. De figuren begonnen zich te ontwik­kelen volgens vaststaande regels voor vorm, stand, kleur en aantal figuren.

Kleurige helmen
Behalve op de schilden werden ook heraldieke tekens aangebracht op de helmen. Meestal waren die helmen groot genoeg om ze in kleuren met leeuwen of vogels te beschilderen. Helmtekens zijn echter veel later erfelijk geworden dan schildtekens. Op de helm leefde de middeleeuwer zijn gevoel voor bonte kleurenpracht vrijer uit dan op het schild. Als men aanneemt dat het schild de familie­naam van de ridder droeg, dan symboliseerde de helm zijn voor­naam.

Wanneer de ridder stierf, kreeg zijn helm een plaats boven zijn graf. Dat heeft ertoe geleid dat er prachtige helmen zijn vervaardigd, soms zelfs van goud en versierd met edelstenen. Die werden in de kerk op het graf van de ridder gelegd, al waren ze op het slagveld nooit gedragen.

Levendige toernooien
Om zich te oefenen voor de strijd op het slagveld, hielden de middeleeuwse ridders vaak toernooien. Ten slotte moesten ze ‘in vorm’ blijven. De vroegste toernooien kunnen het beste beschouwd worden als grote militaire oefeningen. Honderden ridders bevochten elkaar in zo’n toernooi volgens de regels van de krijgskunst. Wie verloor moest met zijn overwinnaar onderhandelen over het losgeld voor zijn paard, zijn wapen­rusting en zichzelf. En dat kon vaak een dure geschiedenis worden. Rond­zwervende ridders, die wisten wat vechten was, konden op zo’n manier vaak een fortuin verdienen. In die toernooien ging het niet bepaald zachtzinnig toe. Er vielen harde klappen en talloze ridders moesten het toernooiveld verlaten met diepe wonden. Soms stikte een ridder, als hij ongelukkig kwam te vallen, in het stof dat door de oogspleten in zijn helm drong. Er is wel eens beweerd dat er tijdens de toernooien meer ridders zijn gesneu­veld dan in veldslagen…

Elegante steekspelen
Na 1300 veranderden de toernooien in de veel sierlijker steekspelen. Dat waren spiegelgevechten vol hoofse manieren en… hoofse liefde. Als een edelman een steekspel wilde houden, zond hij een heraut naar een andere edelman om hem uit te dagen. De heraut overhandigde daarbij een handschoen. Het aannemen daarvan betekende het aannemen van de uitdaging. Er was maar zelden een ridder die weigerde. De twee ridders moesten daarna elk twee kamprechters benoemen. Die kamprechters stelden tijd en plaats van het steekspel vast. Waren de kampende ridders beroemd, dan kon men op veel publiek en grote feesten rekenen. En er waren altijd genoeg ridders te vinden die het steekspel met bijgevechten wilden opluisteren. De dag voor de strijd begon werd er een helmschouw gehouden. De hel­men van de deelnemende ridders werden tentoongesteld en de he­rauten vertelden aan wie de helmen behoorden. Elke deelnemer moest te goeder naam en faam bekend staan. Was dat niet het geval, dan werd zijn helm op de grond gegooid en hij mocht dan verder niet aan het steek­spel deelnemen. Vanzelfsprekend werd zo’n helmschouw besloten met een groot eet- en drinkfeest. De volgende dag trokken de ridders naar het strijdperk. Dat strijdperk was afgeperkt met palen. Achter de palen waren de tribunes voor de toeschouwers opgericht. De toe­schouwers bestonden voor een groot deel uit vrouwelijke bewonderaars van de ridders.
De ridders kwamen door tegenover elkaar liggende ingangen binnen. Ze groetten de dames op de tribune en boden hun wapens ter keuring aan bij de kamprechters. De wapens bestonden uit een lans en een zwaard. De toernooilansen hadden stompe punten en ze waren gemaakt van niet al te taai hout. Ook het toernooizwaard had een speciale behandeling gekregen. Het was zo bot mogelijk gemaakt.

Als het trompetgeschal drie maal had geklonken, reden de ridders op elkaar in. Tot de spelregels behoorde, dat men elkaar niet in de rug mocht aanvallen. Men mocht elkaar ook niet onder de gordel stoten en ook het paard van de tegenstander moest worden ontzien. Brak een ridder een lans, dan mocht een page hem een nieuwe brengen.

Verliezer was degene die het eerst het ‘in het zand beet’. Door het openen van zijn vizier kon een ridder kenbaar maken, dat hij de strijd opgaf.

6e klas adel 4

Op een toernooiveld was een baan afgeperkt, waarop de ridders te paard streden, het zogenaamde strijdperk. In het midden van het strijdperk liep over de hele lengte een hek of houten muur, waarlangs de ridders op elkaar afstormden. De toernooilansen waren van speciaal, gemakkelijk breekbaar hout gemaakt, om al te grote ‘schade’ te voorkomen. Toch kwam het wel voor dat ridders dodelijk gewond uit het strijdperk werden gedragen. Er is zelfs een koning geweest, die tijdens zo ’n toernooi het leven liet: een splinter van een gebroken lans kwam door een van de spleten van zijn helm en drong in zijn hoofd.

Hoofse liefde
De hoofse liefde speelde in die steekspelen een grote rol. Soms droeg een ridder aan zijn helm de sluier van zijn geliefde of zelfs haar hemd. De dames zelf gooiden in hun opwinding vaak bloemen of hun sluier op het toernooiveld.
Deze eerlijke steekspelen leidden ook wel eens tot overspel en dan kon het gebeuren dat bij een volgend steek­spel werd gevochten op leven en dood.
Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de kerk sterk tegen deze steekspelen was. Wie tijdens een steekspel sneuvelde, hoefde er niet op te reke­nen dat hij in gewijde grond werd begraven.
Het kerkelijk verbod haalde echter weinig uit. De middeleeuwse ridder had een grote behoefte aan het vertonen van edele moed.

Een onbereikbare geliefde
In de hoofse liefde stond de vrouw op een voetstuk. Vaak was ze getrouwd en dus onbereikbaar. De vrouw was het reine en milde idool van de ridderwereld: ‘een roos in de tuin der verrukking’.

Deze hoofse liefde, de romantische en onwerkelijke liefde, vinden we terug in de middeleeuwse literatuur. Een van de verhalen uit die tijd vertelt van twee gevangen ridders, die allebei dezelfde vrouw aanbaden. Van die vrouw hadden ze slechts een glimp door de tralies opgevangen. De twee ridders, die familie van elkaar waren, leefden in de gevangenis en nog vele jaren na hun vrijlating in vijandschap. En dat alleen vanwege hun geliefde, die ze niet kenden en maar één keer hadden gezien. De twee ridders bleven echter hard­nekkig hun verre geliefde vereren. Toen de vrouw vernam dat er twee ridders naar haar hand dongen, scheen haar dat nauwelijks te be­roeren. Tussen de twee ridders kwam het ten slotte tot een gevecht op leven en dood. De overwinnaar mocht zich in de gunst van de edele jonkvrouwe verheugen.

Een onvervulbaar ideaal
Het middeleeuwse ridderideaal in zijn zuiverste vorm komen we tegen in de verhalen over koning Arthur en zijn Ridders van de Ronde Tafel. Deze verhalen zijn ontstaan uit de Brits-Keltische traditie en ze werden mondeling overgedragen. In de twaalfde eeuw verwierven de avon­turen van koning Arthur en zijn ridders zich een plaats in de litera­tuur.
De ridders waren verenigd in de Tafelronde van koning Arthur. Ze kwamen op voor de armen en ver­drukten. Het zoeken naar de Heilige Graal staat in vele verhalen centraal. In deze graal zou Jozef van
Arimathea het bloed van de gekruisigde Christus hebben opgevangen. Eén van de ridders was Sir Lancelot. Hij zou de graal echter nooit in handen krijgen, vanwege zijn onkuise liefde voor Geneviève, de vrouw van koning Arthur. De ideale ridder, de zuivere en vrome Galahad, zou ten slotte de graal veroveren. Hij stierf echter zonder ooit de liefde van een vrouw te hebben gekend.

In deze verhalen wordt tevens het onbereikbare van het ridderideaal geschetst. Het was voor een ridder ondoenlijk tegelijkertijd zijn heer, zijn God en zijn geliefde te dienen. Een parodie op het ridderideaal verscheen van de hand van de Spaan­se schrijver Cervantes: de roman Don Quichot.

Boeren in de greep van de edelen

Grond is macht
De middeleeuwse edellieden ontleen­den hun macht aan het bezit van grond. De grond bracht de producten op waarmee ze in hun
levens­onderhoud konden voorzien en waar­mee ze handel konden drijven. Die handel moest hen het geld verschaf­fen voor de bouw van de kastelen, voor hun kostbare wapenrustingen en voor alles wat ze nodig hadden om ten strijde te trekken. Het grondgebied van zo’n groot­grondbezitter of heer heette een heerlijkheid of domein. Een heerlijk­heid kon vele dagreizen groot zijn. Middenin een heerlijkheid stond de hoeve van de heer zelf, de hofhoeve of de vroonhoeve geheten. Grote heerlijkheden hadden vaak meer dan één vroonhoeve. De vroonhoeve werd soms tijdelijk bewoond door de landheer zelf, maar meestal was het beheer daarover in handen van een plaatsvervanger, een meier.

De boeren baadden in zweet
De heerlijkheid werd bebouwd door boeren. Elke boer had een stuk grond dat hij, onder bepaalde voorwaar­den, mocht bewerken. Die voorwaar­den kwamen er voornamelijk op neer dat de boer afstand moest doen van het grootste deel van de oogst. Dat deel van de oogst moest dan als pachtsom worden betaald aan de landheer.
De boeren woonden in groepjes bij elkaar in vaak armzalige hutten. Het enige licht in een dergelijke hut kwam door de open deur of door het
rookgat dat boven de stookplaats was aangebracht. De vloer bestond uit aangestampte leem. Het hele boerengezin, samen met de huis­dieren, legde zich ’s avonds op de vloer te slapen. Voor bedden was er geen plaats.
De wollen kleren die de boeren droegen, werden dag en nacht aange­houden. Pas wanneer ze als lompen van hun lichaam vielen, was het tijd geworden iets anders aan te trekken. Zich wassen deed men zelden. De boer baadde zich alleen in zijn eigen zweet.

Melaatsheid was een ziekte die onder de boeren nogal eens voorkwam. Maar waarschijnlijk was die melaats­heid niets anders dan een hardnekkig soort eczeem. De boeren vormden in de middeleeuwen het grootste deel van de bevolking.

Het recht van de dode hand
De boeren waren horig aan de landheer. Dat wil zeggen dat ze, samen met het stuk land dat ze bewerkten, aan de landheer toebe­hoorden. De horigheid is voortgekomen uit de lijfeigenschap. De lijfeigene was persoonlijk aan zijn heer gebonden. De lijfeigenschap was een vorm van slavernij. De horigen hadden behalve hun vele plichten ook enkele rechten. Een landheer mocht hen niet zonder meer van hun stuk land verjagen. Ze hoorden bij ‘de kluit aarde’ die ze bewerkten. Daar stond weer tegen­over dat de horigen niet hun stuk land mochten verlaten. Het wereldje van de boer bestond dan ook vaak alleen maar uit zijn directe omgeving en het dichtstbij zijnde dorp. En als hij, door een wilde drang gedreven, er eens op uittrok, dan werd hij snel door de machtige arm van zijn landheer teruggehaald. Hij kon dan op een fikse straf rekenen.

Een horige kon met zijn stuk land worden verkocht, geruild of
wegge­geven. Een van de meest ingrijpende rechten die een landheer had, was ‘het recht van de dode hand’. Als een horige stierf had hij ‘een dode hand’ en daarmee kon hij niets geven. Het betekende dat het recht om op het stuk land te wonen en de schamele bezittingen die hij had na zijn dood niet vervielen aan zijn nabestaanden, maar aan de landheer. Dit onmenselijk recht werd in de latere middeleeuwen enigszins
ver­zacht. De heer nam toen meestal genoegen met het beste schaap uit de nalatenschap of de mooiste koperen pan.

Weinig horige romantiek
Aan een huwelijk tussen horigen kwam weinig romantiek te pas. Een horige was niet vrij in de keuze van zijn vrouw. Hij mocht geen meisje kiezen dat op een andere heerlijkheid woonde. Daar zou de landheer van die andere heerlijkheid nooit toestemming voor geven. De kinderen die dat meisje kreeg, zouden hem dan immers als werkkrachten ontgaan. Een enkele keer kon in zo’n geval een minnelijke schikking tussen de land­heren getroffen worden. Dan werd overeengekomen dat het ‘broed’ uit een dergelijk huwelijk eerlijk zou worden verdeeld. Naar de mening van het echtpaar zelf werd niet gevraagd…

Ongetrouwde meisjes en weduwen waren op een heerlijkheid renteloos kapitaal en een doorn in het oog van de landheer. Bij tijd en wijle gaf de landheer zijn meier dan ook opdracht daar iets aan te doen en voor die vrouwen een geschikte man te zoe­ken.

De huwelijksplechtigheid tussen hori­gen was uiterst sober. Meestal gaf men elkaar een muntstuk, met de belofte dat men elkaar trouw zou blijven tot in de dood. De aanwezige getuigen zorgden er wel voor, dat die belofte ook werd nagekomen. De beperkte keuze voor de
trouwlus­tige horige werkte vanzelfsprekend inteelt in de hand. En hoewel de kerk het huwelijk tussen twee bloedver­wanten verbood, moest om prak­tische redenen nogal eens wat door de vingers worden gezien. De gevolgen daarvan bleven niet uit. Het aantal geestelijk gestoorde of mismaakte kinderen dat werd geboren, was groot.

‘Kippen die zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen’
De boer betaalde de pachtsom voor zijn stuk land in natura. Het was meestal de meier die voor het innen van de pacht moest zorgen. Dat was een moeilijk werk, omdat de hoogte van de pacht meestal tot stand kwam in mondeling overleg. Er bestond geen enkele waarde-eenheid. Zo kon de pacht voor het ene stuk land twee potten honing en vier kazen zijn, voor het andere stuk land vijf korven met eieren en voor weer een ander stuk land twee schepels koren en een aantal ponden wol. Slimme boeren probeerden die le­veringen natuurlijk zoveel mogelijk naar eigen hand te zetten. Als hij kippen moest leveren, dan zocht hij de oudste en de taaiste kippen uit. De meier moest dat zien te vermijden door de pacht zeer nauwkeurig te omschrijven. ‘De kippen moeten nog zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen.’

Alle slimheid ten spijt waren de vele verplichtingen echter een zware last voor de boeren. De klacht van de boeren was dan ook: ‘Een boer drinkt nooit de wijn van zijn eigen druiven, noch smaakt hij een goed stuk voedsel. Zijn vette ganzen en kippen, zijn koeken van blank meel, het is alles voor de heer. Hij mag al blij zijn als hij een stuk zwart brood overhoudt.’

Het drieslag-stelsel
Als de oogst mislukte, dan woog de pacht dubbel zwaar. En de oogst mislukte nogal eens. De lichte ploeg waarmee de boeren werkten, die ze zelf moesten voorttrekken, was alleen maar in staat de bovenste laag aarde om te woelen. Een beetje droogte of lichte vorst waren dan meestal voor het pasgezaaide graan noodlottig. Van bemesting had de boer uit de vroege middeleeuwen nog nooit gehoord.

Later trad wel enige verbetering in. Tijdens de regering van Karel de Grote begonnen de boeren stedse meer het drieslagstelsel toe te passen. Dat drieslagstelsel was erop gericht de uitputting van de grond tegen gaan. Het ene jaar verbouwde de boer op een akker wintergraan, het volgende jaar zomergraan en het derde jaar liet hij de akker braak liggen om de grond rust te gunnen. Nog later ging hij op die braak liggende akker spurrie en klaver verbouwen. Die gewassen putten de grond niet uit, maar zorgden juist voor nieuwe voedingsstoffen in de bodem.
Later werden de akkers bemest met stro en na 1200 ging men bemesten met veemest. De Romeinen hadden dit al eerder toegepast, maar het werd door de kloosterlingen opnieuw ont­dekt. De ploegen werden zwaarder en maakten de voren dieper, wat ook gunstiger gevolgen had voor de af­watering van het land.

Handdiensten
Behalve het betalen van pacht moest de boer ook handdiensten verrichten voor zijn landheer. Hij moest een aantal weken per jaar op het kasteel of op de hofhoeve werken. Boven­dien moest hij zijn heer helpen bij het aanleggen van wegen en bruggen. Hij was verplicht zijn graan te laten malen door de molen van zijn heer. Voor het bakken van zijn brood en het brouwen van zijn bier gold hetzelfde. Ook daarvoor was hij verplicht gebruik te maken van de bakkerij en de brouwerij van zijn landheer. Alles natuurlijk tegen be­taling in natura.
Daar stond tegenover dat hij hout voor zijn stookplaats mocht
sprok­kelen en eikels voor zijn varkens mocht halen uit de bossen van de heerlijkheid. Al deze rechten en plichten verschilden van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Kerkelijk begrip
Behalve de edellieden bezat ook de kerk grote grondgebieden. Op hun grondgebieden werkten eveneens horigen. Meestal werkten de horigen daar onder gunstiger omstandig­heden. De kerk was echter de enige die van de horigen mocht verlangen dat ze ook op zondag werkten en daar werd een druk gebruik van gemaakt!
Toch waren de huishoudingen van de kloosters beter georganiseerd dan die van de kastelen. Bij een misoogst stond de honger niet direct voor de deur, omdat de monniken meestal wel voorraden hadden aangelegd.

‘Leg een boer als boetedoening niet zoveel vastendagen op als een
edel­man,’ adviseerden de bisschoppen. En de kloosters hielden zich gaarne aan dat advies, want ze wisten dat een boer met een lege maag maar slecht kon werken. Er was een zeker begrip van de kerk voor de boeren. Het feit dat de lagere geestelijkheid er niet veel beter aan toe was dan de boeren, droeg zeker bij tot dat begrip…

Hongerige pastoors
De pastoors moesten zichzelf en hun kerkjes instandhouden van de ‘tiende penning’, die de horigen verplicht waren aan de kerk te betalen. De horigen betaalden deze kerkelijke belasting met grote tegenzin. Het kwam dan ook vaak voor dat de pastoor ‘met zijn mond open liep van de honger’.
Vaak probeerde de pastoor nog wat bij te verdienen door wat extra missen op te dragen of door een handel in wijwater te beginnen.
Wij­water heette een uitstekend middel te zijn tegen pijn en allerlei kwalen, zowel bij mens als dier. De meeste pastoors waren getrouwd. Zonder vrouw zouden zij ‘door honger en dorst en naaktheid zijn omgekomen’. Ook de landheer had nog wel eens een bijverdienste voor een pastoor. Als hij een groot feest gaf, mocht de pastoor komen om te bedienen. Het voedsel dat overbleef, ontving hij dan als een vorstelijke beloning…

Het mei-feest
De boeren werkten hard. Hun werk was gebonden aan de seizoenen. Als de eerste lenteregens de grond zacht hadden gemaakt en de laatste sporen van de vorst waren verdwenen, dan kon de boer gaan zaaien. Hij zaaide graan in zijn eigen grond en in de akkers van de landheer. Hij dreef het vee naar buiten, de frisse weiden in. De bossen werden afgestroopt om de jonge wolven die het vee konden bedreigen, dood te knuppelen. Als de koeien weer melk gingen geven, begon de boerin kaas en boter te maken. De eieren werden ingeza­meld om die met Pasen aan de landheer aan te bieden. In de paas­nacht brandden overal grote paas­vuren.
Maar in mei was het voor de boeren pas echt feest. Dan werd de meiboom geplant, waar iedereen omheen dans­te. Daarna trok men in processie langs de akkers om Gods zegen over het gezaaide af te smeken. Vóór die feesten had de boer zijn heggen geknipt en zijn erf keurig opgeruimd.

Zomerse drukte en winterse rust
De zomer is altijd de drukke tijd voor de boeren geweest. Dan werkte men van zonsopgang tot zonsondergang. Het werk was zwaar en werd zwaar­der naarmate de zomer vorderde. De akkers moesten gewied worden, de schapen gewassen en geschoren. In juni begonnen de wijnboeren in Frankrijk al met de eerste druiven­oogst. Een maand later begon men elders in Europa het hooi te oogsten. In augustus maaide men het graan. In de hele maand augustus had men nauwelijks tijd om te eten. Tijdens de hitte van de zomer was menige boer de uitputting nabij. In de herfst kon hij weer wat op adem komen. Dan werd het voedsel voor de winter opgeslagen. Het fruit werd van de bomen geschud en de peulvruchten uit de tuin werden geplukt. Het vee werd geslacht of verkocht. Zelden had een boer wintervoer genoeg om zijn hele veestapel aan te houden. Het koren werd gedorst. De druiven werden met blote voeten geperst en het sap werd in tonnen opgeslagen om te gisten. De winter bracht de boer enige rust. Dan werden de noodzakelijke op­knapbeurten gegeven aan huis en stallen. De vrouwen weefden en maakten nieuwe kleren. Soms moes­ten ze bedienen op de grote feesten die de landheer gaf. De kerstdagen brachten kerkelijke feesten met zich mee en vaak een kerstmaaltijd, aangeboden door de landheer. In februari was het dan alweer tijd geworden om de grond te bemesten en de ploeg te slijpen voor het voorjaar.

Waar was de baron ?
De boeren leerden hun land steeds beter bewerken en hun oogsten
wer­den steeds groter. Na 1200 was het zelfs zo dat ze, als ze de pachtsom aan de landheer hadden betaald en de tiende penning aan de kerk hadden afgedragen, nog wat van hun oogst overhielden. Dat overige verkochten ze op de markten van de dorpen en de opkomende steden in de buurt. De boer kreeg de beschikking over geld. Met dat geld kon hij bij de landheer bepaalde vrijheden kopen. Hij kon met de landheer overeen­komen dat de herendiensten en de pachtsom niet langer meer in natura hoefden te worden betaald, maar in de vorm van geld. Meestal was de landheer, die altijd om geld verlegen zat, daartoe gaarne bereid. De land­heer besefte niet, dat hij daarmee zijn eigen graf groef.
De boer, die steeds meer tijd kreeg toen hij van de lastige herendiensten was verlost, kon steeds meer produ­ceren. Hij kon dus ook steeds meer geld verdienen. De opkomende ste­den namen zijn producten voor steeds hogere prijzen af. Daardoor daalde de waarde van het geld. De landheer, die met een vaste afkoop­som genoegen had genomen, ontving elk jaar minder, in waarde uitge­drukt. Het betekende voor de adel een ramp.

Landheren vervielen tegen 1300 tot armoede en menige landheer moest zelf op het land gaan werken. Het volk zag dat met plezier. ‘Toen Adam spitte en Eva spon, waar was toen de baron?’ riepen ze spottend.

6e klas geschiedenis: alle artikelen
6e klas: alle artikelen
702

 

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Monniken en kloosters

Ketters en monniken
De tegenstelling tussen het ideale leven van de christen en de harde werkelijkheid van de middeleeuwen heeft het katholieke geloof geen goed gedaan. Van pausen en bisschoppen verwachtte het volk, dat ze het goede voorbeeld zouden geven. Helaas kwam daar meestal maar weinig van terecht.

Vooral lagere geestelijken, die niet zelden een zeer sober leven moesten leiden, was de praalzucht van de hoge geestelijkheid een doorn in het oog. Uit hun gelederen, aangevuld met goedwillende christenen uit het volk, ontstonden bewegingen, die het christendom zijn waarde moesten teruggeven. Sommige van die bewe­gingen gingen in tegen het woord van de paus. De aanhangers werden al snel bestempeld als ‘ketters’ en be­landden op de brandstapel. Maar andere bewegingen toonden juist respect voor het woord van de paus. Ze verenigden zich in klooster­orden en leidden een eenvoudig en vroom leven. De paus kon de leden van deze orden, de monniken, niets anders dan zijn zegen geven, vaak echter met tegenzin. Want de monniken leefden volkomen anders dan de pralende kerkleiders en dat kon het volk niet ontgaan…

Het ideaal van de monniken
De monnik Bruno van Keulen, die de Karthuizer Orde stichtte, heeft het doel en het ideaal van de monniken duidelijk omschreven: ‘Ik leid het leven van een kluizenaar, ver van de oorden van de mensen, met mijn broeders in de godsdienst, in heilige afwachting van de komst des Heren. Opdat wij, wanneer Hij klopt, Hem onmiddellijk kunnen opendoen.’
De kloosterlingen wilden terug naar het eenvoudige leven, zoals Jezus dat had geleefd. Een leven dat gericht was op de medemens, gevuld met studie en bezinning. De wereld van uiterlijke schijn en het eigen lichaam mochten daarbij geen enkele rol spelen.
De rol van de monniken in de middeleeuwen was veelzijdig. Ze verzorgden zieken, hongerigen, reizigers, eenzamen, weduwen en wezen. Ze hielden zich bezig met verschillende wetenschappen en schreven talloze boeken. De kloosters waren de bol­werken van het middeleeuwse denken en weten, voordat er universiteiten bestonden. De kloosters vormden voorts een opvangcentrum voor kin­deren uit overcomplete adellijke ge­zinnen. De edelman die niet genoeg bezat om al zijn kinderen tevreden te stellen, stuurde een deel van zijn kroost naar het klooster. Op die manier werden zowel het bezit als de eer van de familie behouden… Verder vervulden de monniken de voor ons minder begrijpelijke ‘peni­tentie’-functie. Al dan niet tegen betaling baden ze voor het zieleheil van de mensheid. Het gaf de middel­eeuwer een geruststellend gevoel, dat er mensen waren die de gehele dag en een deel van de nacht voor hun zieleheil tot God baden!

De oudste kloosters
De eerste kloosters ontstonden in Egypte, toen dat nog Romeins gebied was. Volgens de legende ontvluchtte omstreeks het jaar 250 een rijke christen, genaamd Paulus, zijn prachtlievende omgeving. Hij trok de woestijn in, om daar een leven van ontbering en zuiverheid te leiden. In het jaar 349, dus bijna een eeuw later, ging een priester op zoek naar Paulus. Hij vond hem, gezond en gelukkig, in de onafzienbare zand- en gruismassa. ‘Leeft de wereld nog?’ zou de oude en grijze Paulus hem gevraagd hebben. Toen de priester Paulus enige tijd later opnieuw wilde bezoeken, vond hij hem dood in het zand, de armen opgeheven. De priester, Anthonius geheten, be­sloot het voorbeeld van de oude Paulus te volgen. Hij bracht vele kluizenaars in Noord-Egypte samen. Iedere monnik had zijn eigen kleine woonruimte: een soort cel. Gezamen­lijk zorgden de monniken voor hun schamele kleding en het weinige voedsel dat ze nodig hadden. Hm doel was: eenzaamheid, gebed en beschouwing. Ze wilden hierbij zo weinig mogelijk worden afgeleid. Er ontstonden ook andere kloosters in het Romeinse rijk. Zo kreeg een ruwe soldaat, Pachomius, spijt van zijn bloedige verleden en hij besloo: als monnik Christus te gaan dienea. Maar zijn ideeën over het klooster­leven weken sterk af van die van Anthonius. Hij vond dat hard wer­ken het ideaal moest zijn van een goed christen. De volgelingen van Pachomius verkeerden veel meer tus­sen de overige gelovigen. De Griekse bisschop Basilius nam het voor deze monniken op. Hij stelde zijn weelderige landgoed ter
beschik­king van de monniken en verklaarde ‘De beste lofprijzing van deze plaats is, dat ze zeer geschikt is om elke fruitsoort voort te brengen en de zoetste voor mij: de rust.’ In de jaren 300-500 drongen de idealen van de verschillende klooster­lingen door tot West-Europa. Het kloosterleven zou in duizenden
ge­meenschappen een ongekend hoogte­punt bereiken.

In dit stukje tekst zit een tegenstrijdigheid: Anthonius leefde van 251 tot 356 en was vanaf 285,  70 jaar in de woestijn.

De harde regels van Benedictus
Rond het jaar 480 werd in het Italiaanse stadje Nursia een man geboren, die de ‘Vader van het Westerse kloosterleven’ zou worden. Het was Benedictus, die bij gebrek aan een achternaam ‘Benedictus van Nursia’ werd genoemd. De jonge Benedictus koos een leven van een­zaamheid en tucht. In 520 trok hij zich met enige volgelingen terug op het topje van een berg, de Monte Cassino. Met de stenen van de ruïne van een Apollo-tempeltje bouwden de monniken, die zich Benedictijnen noemden, een klein klooster.
Het leven van de Benedictijnen was tot in de kleinste bijzonderheden geregeld. Gezangen werden volgens een vast rooster gezongen. De nacht werd doorgebracht in grote slaap­zalen. Het voedsel was karig: vlees mocht alleen door zieken en zwakken worden gegeten. De grootste deugden voor de monniken waren ontbering, gehoorzaamheid en naastenliefde. Benedictus stelde zelf de harde kloos­terregels op, samengevat in de ‘regel van Benedictus’: kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Niemand mocht iets bezitten. Iedere monnik moest zwijgen, altijd het hoofd gebogen houden, met de ogen neergeslagen en de begane zonden in gedachten hou­den. Het nemen van een bad was geoorloofd voor zieken, maar voor gezonden moest het een uitzondering blijven. De abt (het hoofd van de kloosterlingen) moest de monniken tuchtigen, maar met mate. ‘In zijn ijver de roest te verwijderen, mag hij de schaal niet breken,’ vond Benedictus. Ten slotte stelde hij, dat wijn geen drank was voor monniken. ‘Maar omdat de monniken daarvan tegenwoordig niet te overtuigen zijn, moet er in ieder geval matig gedron­ken worden…’

De eerste levensbehoefte
In de loop van de volgende eeuwen ontstonden door heel Europa vele kloosters. Maar in vele kloosters leidden de monniken hetzelfde ple­zierige leven als vele kerkelijke lei­ders. Het ideaal dreigde verloren te gaan. Tijdens de regering van Karel de Grote werd getracht het oude ideaal te herstellen. In 817 werd bepaald, dat alle kloos­terlingen volgens de harde regels van Benedictus van Nursia moesten leven. Enige tientallen jaren hielden monniken zich aan deze regels. Maar daarna ging het met de hoge idealen in de kloosters weer bergafwaarts. Vele kloosters werden schatkamers vol goud en andere rijkdommen. De eerste levensbehoefte van talloze monniken bestond uit een goed gevulde wijnkelder…

De Orde van Cluny
In 909 werd in Bourgondië de abdij van Cluny gesticht. Die abdij werd bewoond door monniken die zich verzetten tegen de slechte naleving van de kloostergeloften en de groeiende zedeloosheid onder de christenen. Vooral tijdens het bewind van abt Odillo (994-1049) was de invloed van de monniken, Cluniacensers genaamd, op andere kloosters en eigenlijk op de gehele christenheid enorm groot.

De monniken van Cluny streefden ernaar volledig onafhankelijk te zijn van welke wereldlijke macht dan ook. De abt, die alle kloosters van de orde onder zijn gezag had, was slechts aan de paus ondergeschikt. De kloosterlingen herstelden kloostertucht en onderwierpen zich in volledige gehoorzaamheid aan de kerk. Hun enige doel was, zo vroom mogelijk te leven. Ze verzetten zich tegen de afkoop van zonden door sommige monniken van bedenkijk allooi. De verkoop van kerkelijke functies en de aanstelling van priesters door edelen en vorsten
verafschuwden de monniken. Ook het openlijk of stiekem samenleven van vele priesters met vrouwen werd door de Cluniacensers aan de kaak gesteld.
De Orde van Cluny vormde eigenlijk een grote hervormingsbeweging. De orde zélf verviel spoedig, maar gaf wel aanleiding tot het ontstaan van andere kloosterorden.

De Orde van de Cisterciënzers
In 1098 verliet de abt van het Cluniacenser klooster in het Franse plaatsje Molesme met 21 monniken zijn kloostergemeenschap. De abt, Robert van Molesme, keerde zich tegen de wereldse levenswijze van de monniken. In het verleden hadden juist zijn ordegenoten zich verzet tegen het verwilderde, zedeloze kloosterleven. Maar in de afgelopen twee eeuwen waren de Cluniacenser monniken in dezelfde slappe, wereld­lijke en zedeloze houding vervallen. Robert van Molesme begaf zich naar het Franse stadje Citeaux, in het Latijn Cistercium genoemd. Hij stichtte er een nieuw klooster en een nieuwe orde: de Orde van de Cister­ciënzers. Een halve eeuw later telde deze orde reeds 350 kloosters, een eeuw later ongeveer 670.

Bernardus van Clairvaux
De belangrijkste leider van de Cister­ciënzers zou Bernardus van Clair­vaux worden. Hij zette zich heftig af tegen de slappe Cluniacensers en vroeg spottend of ‘de verlossing moest komen van zachte gewaden en een weelderig leven. Wordt de ziel soms gevoed door de braadpan?’
De moeder van Bernardus van Clairvaux was een edelvrouwe: gemalin van de ridder van Chatillon. Kort voor de geboorte van haar derde kind kreeg ze een droom. Een witte hond blafte zonder ophouden. Een droomuitlegger vertelde haar: ‘U zult een zoon baren, die als een trouwe hond het huis van God zal bewaken en blaffen tegen de vijanden van het geloof. Uw zoon zal een uitmuntend spreker worden en de geneeskracht van zijn tong zal velen tot heil strekken.’
Toen Bernardus werd geboren, was het 1090 en zijn wieg stond in Fontaines, vlak bij Lyon. Hij be­zocht de kloosterschool en studeerde letteren. Op zijn 22e jaar trok Ber­nardus zich met 30 metgezellen terug in het nieuwe klooster van de Cister­ciënzers in Citeaux. Onder de scha­mele pij droegen de monniken een grof en hard onderkleed. Het voedsel was uiterst eenvoudig: grof brood, kool en bonen. De jonge Bernardus hield er voor de rest van zijn leven een maagkwaal aan over. In 1115 stichtte Bernardus met 12 monniken een nieuw klooster te Clairvaux, waaraan hij zijn naam zou ontlenen. De abdij was een en al grimmige eenvoud. De vloer van de eetzaal was niet van hout, maar bestond uit aangestampte leem. De bedden hadden geen poten, zodat ze op doodskisten leken. In de klooster­kerk werd elke verlichting geweerd.
De kamer van Bernardus leek meer op een hondenhok dan op een verblijf voor een mens.
Dertig jaar lang leefde Bernardus in Clairvaux. Hij had een sterk
recht­vaardigheidsgevoel en bezat grote overtuigingskracht. Hij stelde
be­driegerijen op de jaarmarkten aan de kaak en sprak schande van de uit­buiting van de boeren door de edelen. Tijdens een hongersnood organiseer­de hij een graanuitdeling onder het volk. Het graan haalde hij uit de overvloedige graanschuren van de graaf!
Het volk vereerde hem. Gekroonde hoofden vroegen hem om raad. In 1147 riep hij de gehele Westerse christenheid op tot de tweede kruistocht. Als Sint Bernardus ging hij na zijn dood in 1153 de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk in.

Grijze en witte monniken
De Cisterciënzers, onder leiding van Bernardus van Clairvaux, hadden hun orde uitstekend georganiseerd. Deze goede organisatie zorgde voor een bijzonder snelle verbreiding van de orde. Alle kloosterlingen moesten gehoorzamen aan de regel van Benedictus’.
Daarnaast waren de kloosters zo goed als zelfstandig. Binnen  de kloosters leefden twee groepen mon­niken zo goed als gescheiden van elkaar. Het waren de grijze mon­niken en de witte monniken, zo genoemd naar de kleur van hun pij. De grijze monniken zorgden voor landbouw en ontginning van gebie­den en de witte monniken hielden zich bezig met studie en gebed. De Cisterciënzer kloosterorde schreef voor, dat de kloosters op afgelegen plaatsen moesten worden gebouwd. Ook dat was een oorzaak van de snelle verbreiding.    Landbezitters maakten graag het edele gebaar een stuk onbewoonbare woestenij aan de orde te schenken. De Cisterciënzer monniken speelden daardoor een belangrijke rol in de ontginning van Europa.

Schiermonnikoog dankt zijn naam aan deze grijze monniken: schier=grijs; oog=eiland

Andere orden
Niet alleen bij de Cisterciënzers kwam het verlangen naar ware vroomheid en eenvoud tot uitdruk­king. Ook de monniken van de Karthuizer Orde wilden eenzaam leven. In de kloosters verbleven de Karthuizer monniken in kleine cellen met een tuintje. Ze spraken niet tegen elkaar en brachten de dag door met werk en gebed.

De Franciscaner monniken waren van een heel ander slag. De stichter van de Franciscaner Orde werd in 1182 geboren in het Italiaanse Assisi als zoon van een schatrijke koop­man. Tot grote ergernis van zijn vader keerde de jongeling, Francis­cus, zich spoedig af van het welvaren­de leventje. ‘Bewogen door een innerlijke stem’ besloot Franciscus van Assisi de vele vervallen kerkjes in zijn omgeving weer op te bouwen. Het benodigde geld vergaarde hij door handenarbeid te verrichten en te bedelen onder het volk. Na verloop van tijd besloot Francis­cus in volstrekte armoede het leven van Christus na te volgen. Barrevoets en gehuld in een grauwe pij trokken Franciscus en zijn volgelingen door de dorpen en stadjes van Italië. In het jaar 1221 waren er al 3000
Francis­caner monniken, die bedelend en predikend door Italië trokken. Van Franciscus zelf wordt beweerd, dat hij niet alleen de mensen, maar zelfs de dieren het evangelie verkondigde. Er zijn afbeeldingen van hem ge­maakt, waarop hij voor de vogeltjes predikt…

De Franciscanen maakten het de gevestigde kerkelijke leiders lang niet gemakkelijk. De monniken weiger­den demonstratief en openlijk elke vorm van bezit. En dat, terwijl de kerk de rijkste instantie van de christenheid was! Maar het was de paus vanzelfsprekend onmogelijk de Franciscanen van ketterij te beschul­digen. Als de arme Franciscanen niet deugden, wie dan wel? In de kerk van Assisi bevindt zich een schildering, waarop Franciscus een wankelende kerk ondersteunt. Men zegt dat de schilder daarmee een droom van de paus heeft vastgelegd. Toch aarzelde de paus, toen hij de Franciscanen zijn zegen moest geven: zo vreemd en bijna gevaarlijk kwam deze troep armoedzaaiers hem voor..

De brief in de regen
Bernardus van Clairvaux had veel kritiek op de monniken van Cluny. Hij legde die kritiek vast in de ‘brief in de regen’. Die brief werd zo genoemd, omdat volgens de legende op deze brief die onder de blote hemel werd ge­schreven, geen druppel viel terwijl het zwaar regende.
Bernardus had vooral grote bezwaren tegen de weelde waarin vele monniken leefden: ‘Het eeuwig geween en ge­krijs in de hel voor ogen houdend, zal men geen verschil zien tussen de strozak en het veren bed.’
Over het eten van de dikke monniken zei hij: ‘Ze eten dikke vissen, als vlees eten niet mag. Hoeveel recepten zijn er al om eieren klaar te maken?’
Ook de kerkgebouwen konden geen genade vinden in de ogen van Bernardus: ‘De kerken met hun de kijklust prikkelende beschilde­ringen belemmeren al­dus de zielsaandoening!’

6e klas kloosters 1

Karthuizer monniken bij hun klooster in Pavia, geschilderd begin van de 15 e eeuw.

6e klas kloosters 2De koopmanszoon Franciscus van Assisi, die op jeugdige leeftijd afstand deed van al zin aardse goederen en besloot bedelmonnik te worden.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
698

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

De Tweede, Derde en Vierde Kruistocht

De nieuwe staatjes van de kruisridders
Na de bevrijding van Jeruzalem boden de ridders de dappere Godfried van Bouillon de koningskroon van de stad aan. Maar hij weigerde die met de woorden: ‘Ik kan geen gouden kroon dragen, waar Christus een doornenkroon droeg.’ Hij nam ge­noegen met de eretitel ‘Beschermer van het Heilige Graf’. Godfrieds neef Boudewijn van Boulogne had minder gewetensbe­zwaren. Hij ruilde zijn pas veroverde graafschap Edessa in voor Jeruzalem en aanvaardde wél de koningskroon. Boudewijn was niet de enige die zo gemakkelijk zijn eed aan keizer Alexius schond. Terwijl de meeste kruisridders met hun soldaten de reis naar huis aanvaardden, bleven zo’n 300 soldaten met hun aanvoerders achter in het Heilige Land. Ze stichtten staatjes in de veroverde gebieden. Bohemund van Tarente had zich Antiochië toegeëigend ei Raymond van Toulouse werd de heer van Tripoli. Godfried van Bouillon was van plan naar huis te gaan, maar hij stierf in 1100, na een veldtocht tegen de stad Damascus.

De aansporing van Bernardus van Clairvaux
De muzelmannen berustten niet in de verovering van hun gebieden door de Europese ridders. Ze zonnen op wraak. Hun krachtigste leider, sultan Zengi, veroverde in 1144 Edessa. Dat was de zwakste, maar tevens de voornaamste voorpost van de kruis­vaarders. Dit wapenfeit werd aan­leiding voor het ondernemen van de Tweede Kruistocht (1147-1149). Deze veldtocht zou de glorie van de Eerste Kruistocht allerminst voort­zetten.
De in West-Europa thuisgekomen ridders hingen liever de held uit dan opnieuw de wapens op te nemen. In plaats van opnieuw de lange reis te ondernemen, reageerden ze lauw op de val van Edessa.

Maar toen kwam Bernardus van Clairvaux tussenbeide. Hij was een geestelijke, die aan alle Europese hoven in hoog aanzien stond. Hij besloot koningen en keizers af te reizen. Welbespraakt en vurig pleitte hij voor een nieuwe veldtocht tegen de moslims. Voor de eerste maal schaarden gekroonde hoofden zich onder de banier van het kruis. Lodewijk VII van Frankrijk maakte zich reisvaardig en vertrok met een groot leger van 70.000 man en begeleid door zijn gemalin Eleonora naar het Heilige Land. Vanuit het Duitse rijk vertrok Koenraad III met eveneens 70.000 man.

6e klas kruistochten 2

Bernardus van Clairvaux onderwijst zijn volgelingen. Deze invloedrijke geestelijke wist zowel de koning van Frankrijk als de Duitse keizer in 1146 te bewegen om de Tweede Kruistocht te ondernemen.

Veldtocht vol fouten
Aanvankelijk volgden de nieuwe legers dezelfde route als van hun voor­gangers. Maar na Konstantinopel weken ze van de oude route af. Eerst marcheerden ze een stuk langs de kust van Klein-Azië en toen scheepten ze zich in en voeren naar Palestina. Het lot was de kruisvaarders die keer slecht gezind. Het leger van Koenraad III werd vernietigend verslagen. Lodewijk VII verging het al niet veel beter. Hij liet zich in Antiochië feeste­lijk onthalen door Bohemund. Maar hij beging de fout zijn vrouw aan de bescherming van Bohemund toe te vertrouwen. Prompt begon Bohe­mund haar het hof te maken. Nadat hij met zijn troepen verder was getrok­ken, beging de onwetende Lodewijk VII zijn tweede, nog grotere blunder. In plaats van het beleg te slaan voor Edessa, waarvoor hij eigenlijk was gekomen, viel hij de stad Damascus aan. Het was de stad die Godfried van Bouillon het leven had gekost. Maar de bewoners van Damascus haatten de Turken zo erg, dat ze eerder als bondgenoten dan als vij­anden beschouwd moesten worden. Lodewijk verspilde zijn krachten dus tegen de verkeerde vijand. Damascus werd manmoedig en met succes ver­dedigd. Lodewijk moest het laten afweten. Hij moest genoegen nemen met de verschroeide akkers rond de stad. Kort daarop hoorde hij dat Bohemund in Antiochië zijn vrouw Eleonora had ingepalmd. Verslagen trok Lodewijk VII met de resten van zijn legers terug naar Frankrijk en liet daar zijn huwelijk ontbinden…

Zegevierende Turken
De Turken, die de mislukking van de Tweede Kruistocht uiteraard met genoegen hadden aanschouwd, grepen hun kans en sloegen terug. De zoon van sultan Zengi veroverde Antiochië en alle steden in het noorden van Klein-Azië. In 1174 greep de Turkse generaal Saladin de macht. Nog in hetzelfde jaar nam hij Damascus in. Daarna rukte hij op naar Jeruzalem.
Koning Boudewijn van Jeruzalem, die in 1185 aan melaatsheid stierf, wist de stad tot aan zijn dood te behouden. Maar daarna kon de stad de sterke legers van Saladin niet veel langer weerstaan. Op 2 oktober 1187 wapperde Saladins banier op de muren van de Heilige Stad.

Een schok door Europa
De val van Jeruzalem voer als een schok door Europa. De paus ver­maande de Europese vorsten hun onderlinge twisten bij te leggen en spoorde hen aan tot de Derde Kruis­tocht (1189-1192). Ditmaal trokken niet twee, maar drie vorsten hun harnas aan. De Duitse keizer Frederik Barbarossa bracht een gigantisch leger op de been. De Franse koning Filips II Augustus deed hetzelfde, gevolgd door koning Richard Leeuwenhart van Engeland. Keizer Frederik Barbarossa (met de rode baard) trok dwars door Europa en kwam als eerste in Klein-Azië aan. Bij dit leger bevond zich ook graaf Willem I van Holland. Zijn eerste krijgsverrichtingen waren zeer suc­cesvol. Maar toen sloeg het noodlot opnieuw toe: op 10 juni 1190 ver­dronk de keizer in de rivier de Calycadnus. Ontmoedigd maakte een belangrijk deel van het Duitse leger rechtsomkeert.

Het verdrag met Saladin
Richard Leeuwenhart was fortuin­lijker. Samen met de Franse koning Filips II Augustus scheepte hij zich in Zuid-Frankrijk in en voer over de Middellandse Zee naar Palestina. Onderweg veroverde hij het eiland Cyprus. Aangekomen in het Heilige Land (in 1191) kregen de Engelse en Franse koning een heftige ruzie, als gevolg van de vele oorlogen die Frankrijk en Engeland de afgelopen jaren met elkaar hadden gevoerd. Filips II Augustus besloot met zijn krijgsmacht terug te keren naar Frankrijk.
Het kon Richard niet deren. Moedig trok hij met alleen zijn Engelse soldaten verder. De gehele westerse wereld, maar ook de mohammedaanse wereld weergalmde van Richards dapperheid, die vaak aan roekeloos­heid grensde. In 1192 veroverde hij Jaffa, maar Jeruzalem zou een visioen aan de horizon blijven. Richard Leeuwenhart ontving alarmerende be­richten uit zijn land en besloot naar Engeland terug te keren. Maar voor­dat hij zich inscheepte, wist hij een overeenkomst te sluiten met Saladin. Pelgrims mochten weer ongehinderd het Heilige Graf bezoeken. De over­eenkomst gold voor drie jaren. Onderweg werd Richard Leeuwen­hart twee jaar gevangen gehouden door hertog Leopold van Oostenrijk, die hij vroeger eens beledigd had. In 1194 keerde Richard in Engeland terug.

Een paus met grote plannen
In 1198 werd Innocentius III, toen 37 jaar oud, tot paus gekozen. De bezetting van de Heilige Stad door de mannen van Saladin was een doorn in het oog van de jonge paus. Bovendien was hij bezeten van het verlangen, machtiger te zijn dan wie ook in Europa.
Hij besloot de gekroonde hoofden van Europa tot een nieuwe kruistocht aan te zetten, om tijdens hun af­wezigheid zijn macht voor eens en altijd te vestigen. Hij begon met de geliefde riddertoernooien voor de periode van vijf jaar te verbieden. Wat hij verwachtte, gebeurde. De ridders werden ongedurig en zochten actie. De geslepen paus Innocen­tius III wist die dadendrang om te zetten in het organiseren van de Vierde Kruistocht (1202-1204). De paus vond een gretige geldschieter voor de legers in de heerser van het machtige Venetië, de doge Dandolo. Venetië zou in ruil voor de helft van de veroveringen en een fors bedrag de schepen leveren voor de overtocht en bovendien 34.000 man een jaar lang van voedsel voorzien. De vloot zou naar Egypte varen en de muzelman­nen daar in het hart van hun rijk treffen.

Wat de paus niet besefte, was dat de sluwe doge andere plannen voor had met de kruisvaarders. Evenals Pisa en Genua had de stad Venetië aan de voorgaande kruistochten een bloeien­de handel met de christelijke staatjes in Palestina overgehouden. De doge besloot de rijpende plannen voor een volgende kruistocht te benutten tot meerdere glorie van zijn stad. Venetië onderhield zeer winstgevende handelsbetrekkingen met Egypte en de doge was zeker niet van plan die te verspelen.
De kruisvaarders konden het vereiste bedrag voor de schepen en de over­tocht niet bij elkaar krijgen. Daar­door kon de doge de kruisvaarders zover krijgen, dat ze koers zetten naar Konstantinopel. Dat was bij­zonder slim van hem, want die stad was reeds eeuwenlang de grote con­current op de markt in het Oosten. In 1203 bestormden de kruislegers Konstantinopel. Ze herstelden er de macht van keizer Isaac, die enige jaren terug was verjaagd door zijn broer Alexius III. Maar nog geen jaar later kregen de kruisridders laaiende ruzie met de keizer en stuurden hem zijn keizerrijk uit.
De ridders verdeelden daarna het Europese deel van Byzantium in vele vorstendommen. Een kwart van het rijk, met de stad Konstantinopel, werd geschonken aan Boudewijn van Vlaanderen, een van de belangrijkste aanvoerders. Hij werd de eerste keizer van het nieuwe rijk, dat ‘het Latijnse keizerrijk’ ofwel ‘Romania’ werd genoemd.
De macht van Konstantinopel was gebroken. De Venetiaanse doge had zijn zin gekregen. Venetië kon onbe­lemmerd de vruchten plukken van de handel met het Oosten. De Vene­tiaanse schepen waren de meesters van de Middellandse Zee. Paus Innocentius III zag maar weinig van zijn idealen terechtkomen. En Jeruzalem was vergeten…

De laatste kruistochten

Graaf Willem I
Een Hollandse graaf was voorbe­stemd om tijdens de Vijfde Kruis­tocht (1217-1221) een opvallende rol te spelen. Het was graaf Willem I. Hij was het voorbeeld van een dappere middeleeuwse vechtridder. Hij had al eerder, onder bevel van de Duitse keizer Frederik Barbarossa, aan een kruistocht deelgenomen. Op de terugweg was hij in Franse ge­vangenschap geraakt. Toen hij later in Holland terugkeerde, nam hij maar al te graag de uitdaging van een nieuwe kruistocht aan.

Rondtrekkende predikers
In 1215 werd tijdens een kerkvergadering in het pauselijk paleis te Rome opgeroepen tot een volgende kruistocht. Meer dan 1000 afgezan­ten van vorsten, bisschoppen en andere belangrijke figuren waren bij deze kerkvergadering aanwezig. Paus Innocentius III verwachtte dan ook niet anders, of alle Europese vorsten zouden eendrachtig voor altijd een einde maken aan de overheersing van het Heilige Land door de muzelman­nen.
Maar het  pakte  anders  uit.  De vorsten zaten niet bepaald te trap­pelen van ongeduld om hun paleizen en koninkrijken te verlaten. Ze had­den het te druk met hun onderlinge ruzies en waren bang dat hun vijan­den hun afwezigheid zouden aan­grijpen om hun tronen te bezetten. Daarop beval de paus dat Europa overstroomd moest worden door pre­dikers, die het volk moesten op­roepen tot de strijd tegen de muzel­mannen. Welsprekend en geestdriftig trokken de predikers rond om te zorgen voor een massale deelname. Sommigen kregen in de overvolle kerken visioenen van in de lucht zwevende kruisen: een ‘teken van God…’

Het Portugese avontuur
Ten slotte beantwoordden twee mach­tige Europese vorsten de oproep van de paus: Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk. Ook graaf Willem I van Holland scheepte zich met duizenden Friezen, Hollan­ders en Vlamingen in en zeilde langs de Europese kust naar het zuiden. Hij wilde door de Middellandse Zee naar Palestina varen.
Maar het lot besliste anders. Storm­winden sloegen de schepen van graaf Willem uit de koers. De vloot, waarbij zich inmiddels ook Engelse schepen hadden gevoegd, vluchtte een Portugese rivier op. Voor de Portugese koning Alfonsus II kwa­men de kruislegers als een geschenk van de hemel. Al jaren vocht hij een verbeten strijd tegen de Moren. Maar nooit was het hem gelukt hen uit hun versterkingen te verjagen. De koning haalde de kruisridders over hem te helpen bij zijn strijd. Willem I voer daarop met zijn vloot naar de zwaarverdedigde vestingstad Lissabon, die bezet werd gehouden door de Moren. De kruisvaarders bestormden het bolwerk met zoveel vuur, dat de belegerden zich over­gaven. Graaf Willem beloofde de Moren een vrije aftocht. Maar toen de Moren de vesting verlieten, stort­ten de Friese en Vlaamse troepen zich op hun ongewapende tegenstanders en slachtten hen af. De Portugese koning had zijn doel bereikt en verplaatste zijn hof naar Lissabon, dat daarna de hoofdstad van zijn rijk bleef. Uit dank bood hij de kruisridders land aan. Velen aan­vaardden dit en waren verloren voor de goede zaak. Het leger van graaf Willem onderging hierdoor een ge­voelige aderlating. Bovendien had hij op het slagveld al de nodige verliezen geleden. Daarom vroeg hij paus Innocentius III hem te ontheffen van zijn kruisvaart en hem toe te staan in plaats daarvan strijd te voeren tegen de Moren in Portugal en Spanje. De paus weigerde.

Graaf Willem maakte zich kwaad
Graaf Willem van Holland over­winterde in Lissabon. In het voorjaar voer hij verder. Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk waren inmiddels in Egyp­te aangekomen. Ze hadden besloten de sterke stad Damiate aan te vallen. Toen graaf Willem aankwam, was met de belegering net een begin gemaakt. Vooral dank zij de inzet van de energieke Willem I en zijn trouwe mannen, viel Damiate in november 1218.
Daarop stelde de Egyptische sultan voor, Damiate te ruilen voor Jeruza­lem. Veel kruisvaarders waren inge­nomen met dat voorstel. Het zou betekenen dat ze zonder verdere strijd de Heilige Stad konden binnen­trekken. Maar een pauselijke af­gezant verijdelde de inruilplannen. Niet door onderhandeling, maar door strijd moest Jeruzalem aan de muzel­mannen worden ontnomen! Graaf Willem I kon geen begrip opbrengen voor dit pauselijke standpunt. Woe­dend keerde hij met zijn Friezen, Hollanders en Vlamingen terug naar huis.

De resterende kruislegers rukten ver­der Egypte in, maar werden daar verrast door de jaarlijkse over­stroming van de Nijl. Hun legerkamp veranderde in een eiland, omgeven door brede stromen. Schaakmat ge­zet door deze speling van de natuur moesten ze zelfs het veroverde Damiate prijsgeven. Ze besloten geen verdere verliezen te maken en bliezen de aftocht.

Frederik II, de diplomatieke kruisvaarder
Wat met het wapengekletter van de Vijfde Kruistocht niet bereikt werd, zou de Duitse keizer Frederik II von Hohenstaufen langs diplomatieke weg wel bereiken. Toen Frederik II in 1215 trouwde, zwoer hij in aanwezig­heid van de paus (Innocentius III) dat hij het Heilige Land zou veroveren. Innocentius III overleed in 1216 en zijn opvolger Honorius III was de eed aan  zijn  voorganger  gedaan weliswaar niet vergeten, maar hij viel er Frederik II ook niet erg mee lastig. Hij had ten slotte al een aantal malen op het punt gestaan om te vertrekken. Honorius III werd in 1227 opgevolgd door de energieke Gregorius IX en deze nieuwe paus zou Frederik II direct aan zijn eed herinneren. In 1227 werd er een kruisleger door Frederik II uitgerust. Maar twee dagen na het uitvaren legde de vloot weer aan in Zuid-Italië, omdat de pest aan boord uitgebroken zou zijn! Een woedende paus Gregorius geloofde daar geen snars van en hij deed Frederik II onmiddellijk in de ban. Het was misschien de beste manier om hem juist wél op kruis­vaart te sturen. In 1228 trok Frede­rik II aan het hoofd van een sterk leger naar Jeruzalem. Het sterke leger hoefde niet in actie te komen, want op 11 februari 1228 sloot keizer Frederik II vrede met de muzelman­nen, zonder enige voorafgaande strijd. Christelijke pelgrims mochten de steden Bethlehem, Nazareth en Jeruzalem ongehinderd betreden. Paus Gregorius misgunde Frederik II zijn succes en hij was woedend omdat er geen strijd geleverd was. Hij kon er echter niet onderuit om de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen. In 1244 sloten de muzelmannen de Heilige Stad opnieuw voor de christe­nen en die keer voorgoed.

De jammerlijke veldtocht van Lodewijk de Heilige
Het heilig vuur, waarmee Europa de muzelmannen te lijf ging, begon steeds lager te branden. Alleen de Fransen bleken nog in staat tot voldoende godsdienstige geestdrift te kunnen komen om een kruistocht te ondernemen. Lodewijk IX de Heilige wist een machtig leger te verzameler. In 1248 scheepte hij zich in. Zijn metgezel tijdens de Zevende Kruis­tocht (1248-1254) was de graaf van Vlaanderen.
Via het eiland Cyprus voer de kruisvloot naar Damiate, dat in 1249 werd bezet. Maar de ontberingen en ziekte in het verre, hete land sloopten het trotse leger, tot de restanten nog maar nauwelijks een strijdmacht genoemd konden worden. Het uit­gedunde leger leed een gevoelige Lederlaag. Lodewijk IX en zijn ridders werden gevangengenomen. Pas na betaling van een kolossaal losgeld werden ze vrijgelaten. De muzel­mannen verwachtten, dat de Euro­peanen zo snel mogelijk hun paleizen, burchten en garnizoenen zouden op­zoeken. Maar de Franse koning wist van geen opgeven. Met een handjevol getrouwen begaf hij zich naar het noorden van Klein-Azië, waar hij vier jaren lang op versterkingen wachtte.
Versterkt met nieuwe manschappen bouwden de Fransen de steden aan de kust van Klein-Azië uit tot sterke forten. Maar voor een hernieuwde aanval op de muzelmannen had Lodewijk IX een bondgenoot nodig.
Hij onderhandelde met Mongoolse ruiters, die zich op korte afstand ophielden. De khan van de Mongolen was een gezworen vijand van de muzelmannen. Maar de pogingen om samen met de Mongolen tegen de muzelmannen op te trekken, liepen op niets uit. Teleurgesteld keerde de Franse vorst in 1254 het Heilige Land de rug toe.

Het rampzalige einde
Toen Lodewijk de Heilige de terug­tocht naar Frankrijk aanvaardde, bleven vele steden aan de kust van het Heilige Land bolwerken van de chris­tenheid. Veel soldaten waren al tij­dens vorige kruistochten achterge­bleven en vormden samen met andere bewoners van de steden militaire garnizoenen, die de steden verdedig­den. Die oorspronkelijke bewoners waren van oorsprong christenen door hun Byzantijnse verleden, maar ze waren als slaven door de muzel­mannen in de islam opgevoed. Ze werden mammelukken genoemd. Toen er door het uitblijven van nieuwe kruislegers geen nieuwe ver­sterkingen voor de Europeanen kwa­men, zagen de mammelukken hun kans schoon. Ze grepen de macht en vestigden hun eigen islamitische staat in Klein-Azië. De ene na de andere stad viel in hun handen. De ontgoochelde Lodewijk de Heilige waren deze verliezen een doorn in het oog. In 1270 besloot hij het nog een keer te proberen. Hij rustte een sterke vloot uit en was van plan naar Palestina te varen. Maar zijn broer, Karel van Anjou, die koning van Napels was, riep eerst de hulp van Lodewijk in voor een gevecht op een ander front. Aan de overkant van de Middellandse Zee, in Noord-Afrika, lag het Moorse bolwerk Tunis. De Tunesische vloot vormde een voort­durende bedreiging voor de handel van het welvarende Napels. Lodewijk gaf gevolg aan het verzoek van zijn broer en voer eerst na Tunis. Het zou het rampzalige einde worden van de Achtste Kruistocht eigenlijk nog voordat deze werkelijk begonnen was. Want tijdens het beleg van Tunis brak onder de deelnemers de gevreesde pest uit. De ongelukkige koning Lodewijk IX de Heilige stierf en velen met hem. Met deze tragische dood kwam tevens het einde van de kruistochten. Het heilige vuur was gedoofd…

De laatste schermutselingen
Nog steeds bleven ijveraars langs de Europese paleizen en steden trekken om op te wekken tot massale strijd tegen de moslims. Vele plannen werden gesmeed, geen ervan werd uitgevoerd.
De grote kruistochten maakten plaats voor kleine veldtochtjes in de 14e en 15e eeuw. Af en toe werd een Turkse stad veroverd. Na korte tijd viel zo’n stad weer onder het Turkse geweld en werd het garnizoen tot de laatste man over de kling gejaagd. Vooral de Hongaren probeerden vertwijfeld de Turkse opmars naar Europa te stui­ten. Maar ze moesten zich voor de woeste horden terugtrekken. In 1453 werd op de muren van Konstantinopel de gevreesde Turkse banier geplant. Ze gaven de stad de nieuwe naam Istanboel en zouden haar nooit meer prijsgeven…

6e klas kruistochten 3

De gevolgen van de kruistochten

De werkelijke winnaars
Na bijna twee eeuwen van strijd aan de oostelijke oevers van de Middel­landse Zee hadden de muzelmannen zich steviger dan ooit genesteld in heel Klein-Azië. De kruistochten hadden vrijwel niets opgeleverd. In­tegendeel, zelfs Konstantinopel werd voortdurend bedreigd en werd uitein­delijk door de Turken ingenomen. Wat er aan winst kon worden binnen­gehaald, lag thuis, in de verschillende landen van Europa. Vele vorsten hadden met groot genoegen de grootste herrieschoppers zien weg­trekken naar het Heilige Land en nooit meer zien terugkomen. De afstand tussen de edelen en het volk werd kleiner. In ruil voor geld voor hun kruislegers, hadden de edelen gul gestrooid met privileges aan de steden en de kooplieden. Het volk kreeg medezeggenschap. De macht van de adel begon te tanen. Vooral de handel behaalde winst door de kruistochten. Reeds vóór het begin van de kruistochten bestond er een bescheiden handel met het Oos­ten. Maar de oorlog met de Turken had de handelswegen afgesneden. Geen wonder dat rijke handelssteden als Venetië, Genua en Pisa zich haastten om de kruisvaarders te hel­pen met geld en schepen. Niet die kruisvaarders, maar de kooplieden kwamen als overwinnaars uit de strijd. Ze konden weer specerijen, tapijten, parfums, zijde, edelstenen, aardewerk, goud, ivoor en suiker
ver­handelen door heel Europa. De kruisridders hielden de aanvoerwegen en de havens wel open…

Winst voor bouwmeesters en kunstenaars
De zijde, die tijdens en na de kruistochten naar Europa werd gevoerd, werd al snel een status­symbool. De in Europa onbekende dierenfiguren die in de oosterse zijde waren geweven, vormde een wat verwarrende inspiratiebron voor de beeldhouwers van de kerken. De gehele bouwkunst in Europa onderging de invloed van wat de kruisridders in het Heilige Land aan moois hadden gezien. Zo ontstond in Frankrijk een bouwkunst, die zich kenmerkte door langgerekte bogen en hoge gewelven, zoals die door muzelmannen al eeuwen werden toegepast. Die Franse bouwkunst zou zich ontwikkelen tot de meest grootste die Europa heeft gekend: de gotiek. In bijna alle grote steden van Europa werden aan het einde van de kruistochten enorme kathedralen in gotische stijl gebouwd.

Winst voor de wetenschap
De kruistochten hadden zelfs gevolgen voor het gedrag van de ridders en hun grove manieren. Het contact met de oosterse beschavingen werkte polijstend en verfijnend. Het rauwe krijgslied verstomde en maakte plaats voor dichterlijke gezangen vechtjasmentaliteit werd verdrongen door ridderlijkheid. De hang naar meer beschaving ging gepaard met hoofse manieren. De romantiek bloeide op in de dichtkunst. De wijsbegeerte en de kennis van de muzelmannen begonnen naar Europa dc te sijpelen.
De oosterse aardewerktechniek werd in Spanje en Italië overgenomen. Het Europese aardewerk was altijd grof geweest en overtrokken met grauw zoutglazuur. Het met kleurrijk tinglazuur  overtrokken   aardewerk van de moslims zou Europa in komende  eeuwen veroveren. Het papier, een Chinese uitvinding, werd door de Moren naar  Spanje en Sicilië gebracht. Vandaar vond het zijn weg door de hele westerse wereld. Het schrijven van boeken werd op grote schaal ter hand genomen en maakte de weg vrij voor de drukkers. Alle kunsten en wetenschappen in Europa wonnen door het contact met het Oosten. De kruistochten vormden de bloedige botsing tussen twee godsdiensten. Maar ze verlosten het Westen uit een isolement.

6e klas geschiedenis: alle artikelen
 6e klas: alle artikelen
692

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .
DE KRUISTOCHTEN

Een welbespraakte paus
Op 27 november 1095 schalde uit tienduizenden kelen een strijdlustige kreet tegen de grauwe stadsmuren van Clermont-Ferrand. Het was de kreet ‘Deus lo volt!’ (God wil het). Het was de leuze die bijna twee eeuwen lang het lot van heel Europa en Klein-Azië zou bepalen. Clermont-Ferrand lag in het hart van Frankrijk. De stad was tevens het middelpunt van de westerse christe­lijke wereld. Tienduizenden Fransen en buitenlanders waren naar de stad gestroomd. Zó groot was de mensen­massa, dat de stad te klein was voor allen. De menigte moest zich buiten de poorten verzamelen. Bisschoppen stonden naast paters, graven naast boeren en burgers naast lijfeigenen. Daar, in het open veld, hield paus Urbanus II een gloedvolle preek. De paus was een kleine, tengere man. Maar hij bezat de gave van het woord. Welbespraakt wist hij de menigte op te zwepen. ‘Deus lo volt!’ was de leuze, waarmee paus Urbanus II de aanwezigen opriep voor de strijd ter bevrijding van het Heilige Land.

Maar deze boodschap was niet alleen bestemd voor de menigte bij Clermont-Ferrand. Over de hoofden van de verzamelde toehoorders heen riep de paus de gehele westerse christenheid op tot de strijd tegen de muzelmannen en de bevrijding van Jeruzalem. Iedere christen afzonder­lijk riep hij op, zijn aardse goederen in de steek te laten. Ieder moest op zijn kleding een rood kruis naaien en het zwaard opnemen. De paus stelde daar tegenover: ‘En als u vraagt hoe God u voor deze moeite zal belonen, dan beloof ik u: ieder die het kruis draagt en boete doet, zal voortaan vrij zijn van zonden.’

Voor wie bang mocht zijn in de komende Heilige Oorlog het leven te laten, voegde de paus er nog aan toe: ‘Op welke plaats, op welk ogenblik en op welke manier hij het aardse leven ook zou verliezen, hij zal het eeuwige leven verwerven.’ Maar paus Urbanus II beloofde meer dan alleen geestelijke beloningen. Hij stelde ook tastbare beloningen in het vooruitzicht: ‘Het Heilige Land vloeit over van melk en honing, zoals het paradijs.’

Wie nóg mocht twijfelen om aan de oproep van de paus gevolg te geven, moest bijna wel zwichten voor de laatste belofte, dat iedere deelnemer opschorting van zijn schulden en ook vrijstelling van belastingen zou krij­gen. En ten slotte zouden alle deel­nemende horigen en lijfeigenen voort­aan vrij zijn! De opgezweepte me­nigte herhaalde geestdriftig de leuze van de paus: ‘God wil het!’

Verschillende drijfveren
Waarom kwam de paus helemaal uit het verre Rome naar Clermont-Ferrand? En waarom reageerde het volk zo geestdriftig op zijn oproep? Om dat te begrijpen, moet men iets weten van de innige verbondenheid tussen de middeleeuwse Europeanen en de kerk. Enerzijds werd Europa innerlijk verdeeld door de veelvuldige oorlogen tussen vorsten en volkeren. Maar de Europese volkeren waren anderzijds innerlijk sterk verbonden door het geloof in Christus. De katholieke kerk en de paus hadden van Europa een bolwerk van de christenheid gemaakt. De Europeaan uit die tijd, die niet kon lezen of schrijven, had een heilig ontzag voor de ontwikkelde priesters. Van zijn geboorte af was hem ingeprent, dat het geloof zijn hoogste goed was. En dat geloof werd bedreigd! Die bedreiging kwam van de muzelmannen of moslims, de volkeren in het Midden-Oosten die aanhangers waren van het mohammedaanse ge­loof, de islam. Van de stichter van hun geloof, de profeet Mohammed, had­den ze de opdracht gekregen de hele wereld te winnen voor de islam. Het is duidelijk dat de Europese christen­heid zich daartegen verzette. De bedreiging van de muzelmannen vormde de voornaamste drijfveer van de Europeanen om zich gedurende de 12e en 13e eeuw in een gigantisch en onoverzichtelijk avontuur te storten. De toespraak van paus Urbanus II gaf de stoot tot de eerste van een reeks van acht massale veldtochten tegen de muzelmannen. Deze ‘kruis­tochten’ zouden tussen 1095 en 1270 de grootste bewegingen in de wereld­geschiedenis veroorzaken. Geestelijkheid, adel en volk stonden in Clermont-Ferrand aan de vooravond van een woelige periode. Het zou een tijdvak worden waarin onder de banier van het christenkruis in vlammend rood, heldendom en gru­weldaden dicht bijeen lagen. Een tijd waarin godsdienstige vervoering vaak uitmondde in zinloze slachtpartijen. Maar niet alleen de bedreiging van de eigen godsdienst door de ‘barbaarse’ islam was de drijfveer tot het deel­nemen aan de kruistochten. Velen die de barre tocht naar het Heilige Land maakten, werden door minder
hoog­staande motieven gedreven. Er waren misdadigers bij, die aan de arm van de wet probeerden te ont­komen. De paus had hen vergeving van zonden toegezegd. Er waren ook avonturiers bij, belust op buit. Ver­der waren er ridderzonen zonder veel toekomst in het voorvaderlijk kas­teel, dat het eigendom zou worden van de oudste zoon. De paus had hen de ‘melk en honing’ van het Heilige Land beloofd.
Verder waren er boerenzoons bij zonder akkers, lijfeigenen en hori­gen, die aan de hele of halve slavernij wilden ontkomen. De paus had im­mers gezegd dat ze vrij zouden worden!
Zo zochten velen, gedreven door andere dan godsdienstige motieven, hun toevlucht onder de banier van het kruis. Ze hoopten een nieuwe toekomst te kunnen opbouwen.

Een oplaaiende oude strijd
De strijd tegen de muzelmannen was niet nieuw. Al eerder hadden de aanhangers van de islam Europa aan de zuidelijke en oostelijke grenzen in de tang genomen. Al eeuwenlang waren de Europese vorsten bezig de muzelmannen op verschillende fron­ten terug te dringen. In Spanje ging de strijd tegen de Moren, op Sicilië en in Italië tegen de Saracenen en in het oosten tegen de Turken. De herovering van Spanje op de Moren werd aangeduid met het Spaanse woord ‘reconquista’. De reconquista werd ingezet met de overwinning op de Moren bij de Franse stad Poitiers in het jaar 732. Maar daarna was geen enkele macht in Zuidwest-Europa sterk genoeg om de Moren te verdrijven. Pas in 1031 werd de reconquista nieuw leven ingeblazen. Kleine delen van Spanje werden heroverd. Maar door onder­linge verdeeldheid van de kleine christelijke rijkjes in Noord-Spanje kwam de reconquista weer tot staan. Pas 100 jaar later moesten de Moren weer enkele delen van Spanje prijs­geven. Maar het duurde tot 1275, voordat de Moren alleen nog maar het zuidoostelijke deel van Spanje bezet hielden, met de stad Granada als laatste bolwerk.

In het zuiden van Italië werd de strijd tegen de oprukkende muzelmannen gevoerd door Normandiërs, die uit Frankrijk waren overgekomen. De Normandiërs dreven de mohamme­daanse Saracenen de zee in. Daarna veroverden de Normandiërs het eiland Sicilië. De Saracenen hadden daar lange tijd een vlootbasis gehad. Van­daar uit beheersten ze vrijwel de hele westelijke Middellandse Zee. De Saraceense schepen vluchtten de open zee op, maar daar werden ze door de Italiaanse vloot verslagen.

Het bedreigde christendom in Oost-Europa
Aan de Duitse oostgrenzen drong reeds eeuwenlang een andere vijand langzaam maar zeker naar het westen. Het waren geen muzelmannen, maar heidense Slavische stammen. De Duitse boeren die meer land wilden hebben, besloten dat zelf te vero­veren. Gewapenderhand namen ze grote delen land in het oosten in bezit en verdreven de Slavische stammen. Nieuwe steden en vorstendommen ontstonden en nieuwe kerken werden gebouwd. De katholieke kerk werd steeds meer een strijdende kerk. In het zuidoosten worstelde het chris­tendom tegen de ondergang. Het keizerrijk Byzantium, met als hoofd­stad Konstantinopel, vormde het overblijfsel van het eens zo machtige Romeinse keizerrijk. Byzantium was in de loop van de eeuwen min of meer los van de rest van Europa uitge­groeid tot een welvarend rijk. In 1054 hadden de katholieke Byzan­tijnen zich losgemaakt van de rooms-katholieke kerk. Daardoor was de christenheid verdeeld in een westerse christenheid onder leiding van de paus van Rome en een oosterse christenheid onder leiding van de aarts-patriarch van Konstantinopel.
Het spreekt bijna vanzelf dat de paus van Rome naar middelen zocht om de oosterse christenen weer binnen de rooms-katholieke kerk te krijgen. Van 1081 tot 1118 was Alexius keizer van Byzantium. Tijdens zijn regering werd een deel van het Byzantijnse gebied in Klein-Azië veroverd door de Turken. Het door de christenen als Heilige Stad beschouwde Jeruza­lem in het Heilige Land (Palestina) was een bolwerk van de muzelman­nen geworden. Pelgrims die vanuit alle delen van Europa eeuwenlang ongehinderd Jeruzalem en het Heili­ge Graf hadden bezocht, werden door de mohammedaanse Turken verdreven.

Keizer Alexius zag geen kans het alleen op te nemen tegen de Turken. Hij vroeg steun aan de paus van Rome. Die wilde wel helpen, temeer omdat hij hoopte met deze steun de oosterse christenen terug te winnen voor zijn kerk. Verschillende pausen smeedden plannen voor een veldtocht om Jeruzalem te bevrijden van de muzelmannen.
De welbespraakte paus Urbanus II was degene die de plannen uitwerkte. Hij riep iedereen in Europa op tot een kruistocht. De strijd in het Heilige Land moest de genadeslag toebrengen aan de oprukkende islam en de hele christenheid voorgoed in veiligheid stellen.

De Eerste Kruistocht

De jammerlijke kruistocht van het volk
De paus had verwacht, dat de vorsten van Europa zich eensgezind en onver­wijld met hun legers op weg zouden begeven naar het Heilige Land. Het waren echter niet de ridders, maar de armsten van de armen die als eersten een rood kruis op hun schamele kleding naaiden. Ze werden daartoe aangezet door slimme volkspredikers als Peter de Kluizenaar, die meestal meer belangstelling hadden voor hun geldkist dan voor hun bijbel. Het eerste kruisleger bestond uit horigen en lijfeigenen, bedelaars en dagdieven, schavuiten en verarmde boeren. Hun primitieve bewapening bestond voornamelijk uit knuppels en dorsvlegels en hun proviand uit geroofd vee en gestolen wijn. Op 12 april 1096 vertrok Peter de Kluize­naar met ongeveer 10.000 man uit Keulen. Dat aantal zou onderweg aangroeien tot 20.000. Hun spoor door de Europese landen leek op dat van een aanzwellende zwerm sprink­hanen.
De eerste vorst die de horde bande­loze mannen aan zijn grenzen zag verschijnen, was koning Columbanus van Hongarije. Vol wantrouwen ver­leende hij het leger havelozen de doortocht. Maar hij liet Peter de Kluizenaar  uitdrukkelijk   beloven, dat zijn mannen niet zouden plun­deren. Maar een ruzie over de ver­koop van een paar schoenen liep uit op een ware veldslag. De stad Semlin werd geplunderd en 4.000 Hongaren, geloofsgenoten van de kruisvaarders, werden gedood.
Daarna werd een deel van het volks­leger het werktuig van meedogenloze roofridders. Deze eerloze ridders, die zich bedreigd voelden door rijke handeldrijvende joden, ontketenden een wrede jacht op de joden. Ze maakten de onontwikkelde kruis­vaarders wijs, dat de joden een even grote bedreiging voor het christen­dom vormden als de muzelmannen. De joden hadden immers Christus zelf vermoord en dat was veel erger dan wat de mohammedanen deden tegenover de christenen. Joden werden als wild opgejaagd, bij hon­derden afgeslacht en hun bezittingen werden geroofd.

Op Byzantijns gebied aangekomen, vergrepen de kruistochtbenden zich aan de bewoners, die ze eigenlijk als bondgenoten moesten beschouwen. De stad Belgrado werd platgebrand achtergelaten. Ten slotte hakten By­zantijnse troepen, op wraak belust, op de horden in. Peter de Kluizenaar raakte daarbij niet alleen een flink gedeelte van zijn volksleger kwijt, maar hij verspeelde bovendien de hem zo dierbare geldkist… Keizer Alexius van Byzantium, die van de pauselijke oproep tot strijd tegen de muzelmannen had gehoord, had door ridders geleide huurtroepen verwacht. In plaats daarvan zag hij ongeregelde benden onder de muren van Konstantinopel hun tenten op­slaan en de omgeving onveilig maken. Hij liet de ongewenste bondgenoten ijlings met zijn schepen naar de overkant van de Bosporus brengen. De Bosporus was de smalle zeestraat die Konstantinopel scheidde van Klein-Azië, waar de mohammedaan­se Turken heer en meester waren. Zo leverde keizer Alexius de kruisvaar­ders uit aan de muzelmannen…

Hinderlaag
In Klein-Azië werd het volksleger een prooi van de Turken. De restanten van het nauwelijks bewapende bede­laars- en plunderaarsleger liepen in een hinderlaag. Vrijwel alle kruisvaarders werden afgeslacht tijdens een nachtelijke achtervolging. Peter de Kluizenaar, de geslepen schurk in monnikspij, was geen getuige van de ondergang van de volkskruistocht. Hij was wijselijk naar Konstantinopel teruggegaan om keizer Alexius om hulp te vragen.

De adel werd kruisdrager
De volkskruistocht, die in 1096 een jammerlijk einde vond, wordt niet tot de officiële kruistochten gerekend. Die begonnen pas, toen goedbe­wapende soldaten onder leiding van edelen en hoge geestelijken de veld­tocht naar het Heilige Land onder­namen.

De Eerste (officiële) Kruistocht was een goedvoorbereide militaire onderneming, maar werd toch niet geleid door staatshoofden. Noch de Engelse koning, noch de Franse koning, noch de keizer van het Duitse rijk behoor­den tot de kruisdragers. Het waren wel hun leenmannen, die hun wapen­rusting tooiden met het vlammend rode teken van de kruisvaarders. De kerkelijke leider van de veldtocht was de bekwame en betrouwbare Franse bisschop Adhémar. Onder zijn opperbevel schaarden zich ver­schillende ridderlegers uit voorname­lijk Franse leengebieden. De ridders die het bevel voerden waren de krijgshaftige Godfried van Bouillon (uit de Ardennen) en Robert van Vlaanderen. Maar ook graven en hertogen met een meer bedenkelijke reputatie waren van de partij: de wrede Raymond van Toulouse, de opschepperige Bohemund van Tarente, de drankzuchtige Robert van Normandië en de onbetrouwbare Boudewijn van Boulogne.

Het dubbele spel van keizer Alexius
Vier legergroepen rukten op korte afstand van elkaar op naar Konstan­tinopel. Met Kerstmis 1096 kwamen ze in de stad aan. Keizer Alexius liet de legeraanvoerders zweren, in ruil voor goud en juwelen, dat ze de te bevrijden steden opnieuw onder Byzantijnse heerschappij zouden plaatsen. In de maanden die volgden, verzamelden zich in Konstantinopel ongeveer 100.000 kruisvaarders, tegen Pasen 1097 liet keizer Alexius de kruislegers de Bosporus over­varen. Voor hen lag Klein-Azië, vijandig door de wrede Turken, het broeierige klimaat en de dorre natuur. De gelederen raakten verdeeld door op macht en buit beluste legeraan­voerders. Die verdeeldheid werd nog versterkt door de taalverschillen tus­sen de groepen kruisvaarders uit de verschillende delen van Europa. Het humeur van de soldaten werd er niet beter op, toen al snel de proviand opraakte.
De kruislegers rukten op naar Niceae, de hoofdstad van de Turken. Niceae was vroeger een Byzantijnse stad geweest en lag aan het Meer van Ascane. De stad vormde de toegangs­poort tot de eeuwenoude hoofdweg door Klein-Azië.
De Turkse sultan die Niceae bezet hield, had de gemakkelijke afslach­ting van het armzalige volksleger nog vers in het geheugen. Daardoor onderschatte hij de dreiging van de legers van de kruisridders. Toen de hongerige kruisvaarders de muren van Niceae bereikten, vocht de sultan ergens anders een veldslag uit.
Ge­waarschuwd kwam hij snel terug, maar zijn wanhopige poging tot ontzet van de stad werd in bloed gesmoord. De kruisridders bleven de stad belegeren.

Maar de belegerde Turken hielden vol en lieten zich bevoorraden door een poort, die aan het Meer van Ascane was gebouwd. Keizer Alexius, die van boodschappers van het beleg van Niceae had gehoord, stuurde een vloot om de waterweg naar de stad af te grendelen. De keizer speelde daar­mee dubbel spel. Hij wilde de stad in handen krijgen en daarom wilde hij plundering voorkomen. De admiraal van de Byzantijnse vloot onderhandelde in het geheim met de Turken. Hij beloofde hun een vrijge­leide en zelfs geschenken, als ze de stad ontruimden. Daarna spiegelde hij de kruisridders voor, dat ze de muren met zonsopgang moesten be­stormen. Niceae zou dan rijp zijn voor overgave.

Maar ’s morgens vroeg bleek boven de stad reeds de Byzantijnse vlag te wapperen. De Byzantijnse admiraal vertelde de verbaasde kruisridders, dat hij bij verrassing de stad door de poort aan het meer had genomen. Het duurde niet lang of het dubbele spel lekte uit. Maar de overwinning had slechts weinig slachtoffers gekost en aan het voedselgebrek was een einde gekomen. Daarom wonden de kruisvaarders zich niet zo erg op over het vreemde spel van de Byzantijnen. Maar vele ridders voelden zich toch wel zó bedrogen, dat ze hun eed aan keizer Alexius dat de veroverde steden Byzantijns zouden worden, niet meer serieus namen.

De hongertocht naar Antiochiè
De kruislegers trokken verder. Ze wisten niet dat de Turken een reusachtig leger hadden samengetrokken en op wraak uit waren. Plotseling dreigde een vloedgolf van 150.000 Turken de legers van Bohemubd ebn Raymond te overspoelen. Net op tijd viel het leger van bisschop Adhémar de Turken in de rug aan en joeg hen op de vlucht.
De kruislegers veroverden de stad Edessa. Daar bleef Boudewijn van Boulogne achter als ‘graaf var Edessa’, met een garnizoen om de stad zonodig te kunnen verdedigen.

Verder trokken de kruislegers
De Turken pasten de tactiek  van de verschroeide aarde toe. Ze brandden alle dorpen en akkers plat, zodat de kruislegers in de verre omtrek geen kruimel voedsel konden vinden. Bij een genadeloos brandende zon teis­terden honger, dorst en ziekte de uitgeputte kruislegers. De soldaten pelden het weinige overgebleven graan tussen hun vingers en aten het rauw op. Veel buit en wapenrusting werden weggeworpen. In de bergen die de legers moesten oversteken, werd de lijdensweg een ware martelgang. Vermoeide ruiters en lastdieren  stortten in diepe ravijnen. Dodelijk vermoeid bereikten de
weinige overgebleven manschappen in 1097 de stad Antiochië. Voor de stadsmuren van soms 18m hoog, waarboven 400 schitterende torens blonken in de zon, sloegen de kruisvaarders hun tenten op. Tijdens het zeven maanden
durende beleg van de stad werden de gelederen nog meer uitgedund door honger, ziekte en dood. Op 2 juni 1098 viel de stad door verraad. Een inwoner van Antiochië die vroeger christen was geweest, liet de kruisridders de stad binnen. Even flakkerde de geestdrift van de sol­daten op, toen ze eindelijk de stad konden binnentrekken.

Het wonder van de lanspunt
Maar nauwelijks hadden de kruis­legers bezit genomen van Antiochië, of er naderde een groot Turks leger. Toen werden de belegeraars op hun beurt belegerd. De voedselvoorraad slonk met de dag. Op de rijpaarden na werden alle dieren geslacht, zelfs de trouwe pakezels. De situatie was vrijwel hopeloos toen een pelgrim, Peter Bartholeus, be­weerde dat hij in een visioen de apostel Andrea had gezien. Die zou hebben verteld, dat de lans die de zijde van Christus had doorboord, begraven lag onder de kerk van Antiochië, die de Turken als paardenstal hadden gebruikt. Dit relikwie maakte zijn eigenaar onoverwinnelijk!
Het ‘wonder’ voltrok zich. De lanspunt, waarschijlijk heimelijk in de grond gestopt, werd gevonden. De kruisvaarders waanden zich toen onoverwinnelijk, rukten de poort uit en versloegen de Turken. Niet langer bedreigd, sloegen de overwinnaars aan het plunderen. Toen bovendien de onbaatzuchtige opperbevelhebber bisscbop Adhémar aan een besmettelijke ziekte bezweek, was het met de discipline van de legers helemaal gedaan.

Het beleg van Jeruzalem
Bohemund van Tarente en Raymond van Toulouse betwistten elkaar het bezit van Antiochië, een strijd die door Bohemund werd gewonnen. Andere, meer gewetensvolle ridders hadden de grootste moeite hun soldaten zover te krijgen dat ze verder trokken. Eindelijk trokken in januari 1099 Godfried van Bouillon en Raymond van Toulouse aan het hoofd van hun morrende troepen zuidwaarts. De ridders wilden Jeruzalem zien en veroveren. Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus, werd met een nachtelijke aanval ingenomen en van de Turken bevrijd. Op 7 juni 1099 stonden de kruislegers ten slotte aan de poorten van Jeruzalem, de Heilige Stad. Het aantal overgebleven kruisvaarders bedroeg nog slechts 12.000 man. Jeruzalem werd niet bezet gehouden door de Turken, maar door een mohammedaans volk uit Egypte. De sultan van Jeruzalem had tot in de verre omtrek het vee laten weghalen, de akkers laten afbranden en de waterputten laten vergiftigen. Slechts één bron was overgebleven. Omdat die bron maar één keer per drie dagen water gaf, vertrapten de dorstige kruisvaarders elkaar om tenminste te kunnen drinken.
Godfried van Bouillon liet een vloot naar Palestina komen, die touwen en onderdelen van gevechtstorens op het strand afleverde. Het zware materiaal werd  over een afstand van 60 km op de ruggen van gevangenen naar Jeruzalem gevoerd. De kruislegers bereidden zich voor op de bestorming van de stad. Op 8 juli 1099 trokken de kruisvaarders ongewapend, met ontblote hoofden en barrevoets om de muren van de Heilige Stad   In hun processie voerden ze banieren, kruisen  en relikwieën mee!  Vanaf de  hoge muren werden ze bespot door de muzelmannen…

De bevrijding van de Heilige Stad
De aanval werd ingezet in de nacht 12 op 13 juli 1099. Een regen van pijlen en stenen en vuur daalde neer op de kruisridders. Enorme met natte huiden beschermde houten gevechtstorens werden tot vlak tegen de hoge muren   gereden. Tientallen zwaar bewapende ridders bemanden deze torens. Na twee dagen van verbeten strijd slaagde een ridder erin vanaf een gevechstoren op de stadsmuur te springen. Met zijn lange zwaard woest in het rond zwaaiend, sloeg hij een gat in de opeengehoopte verdedigers. Andere ridders volgden zijn voorbeeld, onder wie hun aanvoerder, de dappere Godfried van Bouillon. Langzaam vochten de ridders zich een  weg  door  de  fel strijdende muzelmannen, in de richting van de poort. Een ridder deed een uitval naar het mechanisme waar­mee de zware deuren werden ge­opend. Hij werd neergestoken door vele zwaarden en van de muur geworpen. Andere ridders vormden daarop een menselijke muur rond de deuren en begonnen aan de zware wielen te draaien. Langzaam en kreunend weken de deuren vaneen. Van buiten de poort glipte een soldaat naar binnen. Daarna weer twee. Toen zwaaiden de deuren wijd open en de kruislegers stroomden de stad binnen. Het was 15 juli 1099. Jeruzalem was veroverd!

6e klas kruistochten 1

Gebrek aan manieren
Het Byzantynse hof was onthutst over het gebrek aan manieren van de westerse ridders. De hovelingen vonden hen ‘grof van natuur, onbeschaamd, geldziek en niet in staat weerstand te bieden aan hun ongebreidelde fantasie’. Bovendien vonden ze de ridders de ‘grootste kletskousen ter wereld.’

De ridders drongen van de vroege ochtend tot de late avond het keizerlijk paleis binnen en bekommerden zich niet in het minst om de strenge regels aan het hof. Ze maakten het de keizer lastig met hun eindeloze gesprekken en ‘achtervolgden hem  tot in zijn slaapvertrekken met hun verzoeken om geld en gunsten….’

6e klas geschiedenis: alle artikelen
6e klas: alle artikelen
684

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Otto I de Grote 912-973

Otto I werd door zijn tijdgenoten beschouwd als de grote voorvechter van een christelijk Europa. Hij was vanaf 936 koning van Duitsland en vanaf 962 keizer van het Westen. De staat die hij sticht­te, was twee eeuwen lang de grootste macht van het Europese vasteland. Zijn kroning tot keizer riep herinneringen op aan Karel de Grote. Het Heilige Roomse Rijk, dat door Otto werd gesticht, bleef tot 1806 bestaan.

Otto was de zoon van Hendrik, de hertog van Saksen. Dat was de noordoostelijke provincie van het Duitse Rijk, die grensde aan het gebied van de nog heidense Slaven. Hendrik werd in 919 tot koning van het Duitse Rijk gekozen. Hij legde de basis voor het succes van zijn zoon. Hij had een samenwerking tot stand gebracht tussen de andere grote Duitse hertogen van Frankenland, Lotha­ringen, Beieren en Zwaben. Hij kon daar alleen in slagen, door hun grote onafhankelijkheid te ver­zekeren. De eerste jaren van Otto’s koningschap werden gekenmerkt door vele opstanden. De jonge koning was al een geharde veldheer ge­worden tijdens de vele veldtochten van zijn vader tegen de Slaven. Hij had sterke zenuwen en was een geslepen politicus. Voor zijn vijanden kende hij geen genade. De hertog van Beieren werd ont­troond en verbannen, de hertog van Frankenland sneuvelde tijdens een veldslag. Hij verleende zijn aanvankelijk in ongenade gevallen broer gratie en schonk hem Beieren.
Aan de grenzen in het noordoosten voerden twee trouwe graven, Gero en Hermann Billung, gena­deloze oorlogen tegen de slaven. Zelf wist Otto te bereiken dat Boleslav I van Bohemen zich moest overgeven.

In de vijftiger jaren van de 10e eeuw brak er een moeilijke tijd voor hem aan. Er was een opstand, waarbij zijn zoon uit het huwelijk met zijn overle­den eerste vrouw betrokken was. Gelijktijdig werd het zuiden van het Duitse Rijk geteisterd door het nomadenvolk van de Magyaren. Op 10 augustus 955 slaagde Otto erin hen te vernietigen. Dat was tijdens een lange en bloedige veldslag op het Lechfeld in de buurt van Augsburg. Zijn troe­pen riepen hem uit tot keizer en Europa eerde hen: als grote beschermer. De Magyaren trokken zich terug op de hoogvlakten van Hongarije. Maar alweer doemden er problemen op, ditmaal in het zuiden. In 951 had Adelaide, de koningin van Italië, hem om hulp gevraagd tegen de ambitieuze markies Berengar. Otto stuurde de herto­gen van Beieren en Zwaben om haar te helpen. Maar hij was bang dat er een nieuw machtsblok zou ontstaan en trok daarom uiteindelijk zelf tegen Berengar ten strijde. Hij trouwde met Adelaide en werd tot koning van Lombardije gekroond. Tien jaar daarna nam de macht van Berengar weer verontrustende vormen aan. Op ver­zoek van paus Johannes XII rukte Otto naar Rome op. Daar werd hij op 2 februari 962 tot kei­zer gekroond. Otto en de paus ondertekenden de Privilegium Ottonianum. Daarin werden de pau­selijke privileges vastgelegd en het gaf, naar Otto geloofde, de keizer bepaalde rechten in pauselijke aangelegenheden. Maar binnen een jaar smeedde de sluwe paus tegen de keizer een komplot. Otto was woedend en zette hem af. Johannes was al paus sinds zijn zeventiende jaar en hij was berucht om zijn liederlijke levensstijl. Maar de Romeinen beschouwden het pausschap als iets waarover alleen zij konden beslissen. Ze kwamen meermalen in opstand en Otto was daardoor gedwongen een streng regime te hand­haven. Daarna marcheerde hij naar Zuid-Italië, dat een provincie was van het Byzantijnse keizer­rijk.
Otto was wijzer dan vele van zijn voorgangers. Hij kwam al snel tot het besef, dat zijn opmars een dure onderneming zou worden. Daarom be­gon hij de diplomatieke weg te bewandelen. In 972 werd zijn 16-jarige zoon Otto (de latere keizer Otto de Tweede) uitgehuwelijkt aan een Byzantijnse prinses. Met Pasen van het volgende jaar was de keizer voorzitter van een schitterende ver­gadering in Quedlinburg. Die werd bijgewoond door Boleslav II, koning van Bohemen en gezan­ten uit Kiev, Denemarken, Polen, het Hongarije van de Magyaren en Constantinopel. Otto was ooit door de Byzantijnse keizers be­schouwd als een landveroverende barbaar. Hij werd nu door hen erkend. De Slaven bedelden om zijn gunst. Hij vestigde in Maagdenburg de zetel van het Heilige Roomse Rijk. Hij verbreidde vandaaruit het christendom naar het oosten. In het Duitse rijk waren de bisschoppen de gewillige die­naren van de regering (velen hadden een familie­band met de keizer). In ruil voor gulle schenkin­gen bestuurden ze de kerk, maar erkenden steeds de hoogste macht van de keizer. De keizer was tot zijn dertigste analfabeet. Hij kende vrijwel niets van de Slavische en Romaanse talen. Toch had hij een staat opgebouwd, die reik­te van Rome tot aan de Baltische Zee en van de Rhône tot aan de Elbe. Hij had een paus afgezet en zijn eigen kandidaat aangesteld. Voor zijn tijd­genoten was het duidelijk, dat de toekomst van het Latijnse christendom in Duitse handen lag. Toch leidde deze keizerlijke droom tot onnodige avonturen op Italiaans grondgebied. Daardoor werd de aandacht van de Duitse leiders van belangrijker zaken afgeleid. Tijdens de regering van Hendrik IV veranderde de medewerking van de kerk in openlijke vijandschap. De spanningen binnen de zorgvuldig tot stand gebrachte burger­lijke en kerkelijke regering liepen zo hoog op, dat het systeem er bijna door werd vernietigd.

6e klas Otto 1Dit is waarschijnlijk een mythisch tafereel; Otto I gooit op Jutland een speer. volgens de overlevering zou de noordelijke grens van zijn rijk komen te liggen waar de speer neerkwam.

6e klas Otto 1  2Het rijk van Otto I. De grote kracht ervan was, de harmonie tussen de twee grote koninkrijken Italië en Duitsland.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
682

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

DUITSLAND, HET HEILIGE ROOMSE RIJK

De gekozen koning
Met de dood van Lodewijk het Kind in 911, de laatste telg uit het geslacht van de Karolingers, dreigde het Duit­se rijk geheel uiteen te vallen. Om verdere versnippering te voorkomen, werd besloten om voortaan bij de dood van een koning het rijk niet meer onder zijn zoons te verdelen. De zoons zouden onder elkaar één op­volger kiezen, die koning werd. De eerste op deze manier gekozen Duitse koning was Koenraad van Frankenland (911 – 919). Tijdens zijn regering kregen de Duitsers te kam­pen met invallen van woeste stammen uit het oosten. Eenheid en gezamen­lijk optreden waren hard nodig om de vijanden te kunnen weerstaan. Maar Koenraad I was geen krachtige figuur en hij wist die eenheid niet te bereiken. In zijn rijk heersten wan­orde en verdeeldheid, omdat vele hertogen – allemaal van koninklijke afkomst – dongen naar de positie van koning. In plaats van zich in te zetten voor de eenheid van het rijk, sticht­ten de hertogen aparte rijkjes. Van het bestuur van de koning trokken ze zich maar weinig aan.

De keizerskroon als ideaal
Op zijn sterfbed in 919 benoemde Koenraad I één van zijn grootste tegenstanders, maar tevens de be­kwaamste, tot zijn opvolger. Het was Hendrik I. Toen Hendrik het bericht ontving van zijn benoeming tot koning van Duitsland, was hij juist op de valkenjacht. Jagen met valken was de grote liefhebberij van deze koning. Daarom ging hij de geschie­denis in als Hendrik de Vogelaar. Zijn zoon Otto de Grote volgde hem in 936 op. Otto bestreed met veel succes de invallende Hongaren, Slaven en Vikingen. Hij wist zelfs zijn rijk met grote delen van Italië uit te breiden. Otto’s grote ideaal was, net als zijn grote voorganger Karel de Grote de keizerskroon te mogen dragen. Handig gebruik makend van de hulp die de paus hem eens vroeg, wist hij dit ideaal te verwezenlijken. Zijn kleinzoon Otto III, die regeerde van 983 tot 1002, had nog grotere idealen. Hij probeerde in het grote Duitse rijk de glorie van het oude Romeinse rijk te laten herleven. Daarom bemoeide hij zich vooral met de Italiaanse rijksdelen. Hij bracht er met behulp van zijn Duitse ambtenaren orde en rust. Zo kwam er een einde aan een lange periode van wanorde in het oude moederland van de Romeinen.

Otto III herstelde ook de positie van de paus, die in de 10e eeuw een man zonder gezag was geworden. Hij bezorgde het hoofd van de katholieke kerk zelfs veel wereldlijke macht. Het zou latere Duitse keizers voor grote problemen stellen. De voortdurende strijd tussen de keizer van Duitsland en de paus van Rome zou als een rode draad door de geschiedenis van het middeleeuwse Duitsland lopen…

Frederik Barbarossa
Ondanks verwoede pogingen van de elkaar opvolgende Duitse vorsten, bleef het herstel van de koninklijke macht een visioen. Soms waren er lange of kortere periodes waarin het leek dat er eindelijk één sterk Duits­land was ontstaan. Maar dan volgde weer een tijd waarin de hertogen meer tegen elkaar vochten, dan ge­zamenlijk tegen een gemeenschap­pelijke vijand. Zo volgden de keizers elkaar op.

In het jaar 1152 was van eenheid binnen de Duitse rijksgrenzen geen sprake. Heerszuchtige hertogen voerden voortdurend oorlog met elkaar. Het volk betaalde de prijs van de ellende en leed onder plundering en brandstichting. In dat jaar kwam de toen 30-jarige Frederik I op de Duitse troon. Om zijn vurig rode baard noemden zijn Italiaanse onderdanen hem Frederik Barbarossa (Roodbaard).

Het Heilige Roomse Rijk
Frederik Barbarossa wist de hertogen tot meer eendracht te bewegen. In zijn eigen hertogdom Zwaben ver­stevigde hij zijn macht en hij kwam zoveel mogelijk tegemoet aan vele eisen van zijn hertogelijke leenman­nen. Daar stond tegenover dat ze hem als de leider van het Duitse rijk aanvaardden. Zelfs in het altijd oproerige Italië, dat door de hoge Alpen van de rest van het Duitse rijk werd gescheiden, stelde Frederik Barbarossa orde op zaken. Dit be­tekende voornamelijk, dat de paus als wereldlijk heerser de nodige veren moest laten.

Keizer Frederik I, uit het geslacht van de Hohenstaufen. wordt beschouwd als de stichter van wat genoemd wordt het ‘Heilige Roomse Rijk’. Met ‘Heilig’ wordt bedoeld, dat het rijk beschouwd kon worden als de vaandeldrager van het christendom in Europa. Met ‘Rooms’ wordt be­doeld dat de stad Rome als het middelpunt van het rijk werd be­schouwd. Overigens doet de naam ‘Heilige Roomse Rijk’ niet ver­moeden, dat de verhouding tussen keizer en paus in dit rijk bepaald slecht was.

Tot 1268 de Hohenstaufen
De opvolgers van Frederik Barbaros­sa bouwden het Duitse rijk nog verder uit. Ze beschouwden echter niet langer Duitsland als hoofdland, maar het beschaafder Italië. Ze be­stuurden een machtig rijk, waarin kunsten en wetenschappen bloeiden en op een hoog peil kwamen te staan. De strijd tussen keizer en paus bereikte tijdens de regeringsperiode van Frederik II (1218 – 1250) opnieuw een hoogtepunt. ‘Moge de hemel jubelen en de aarde zich verheugen,’ schreef de paus bij de dood van de

keizer in 1250. De paus was toen naar Frankrijk gevlucht, omdat hij Rome na een verloren veldtocht tegen Frederik II had moeten verlaten. Ook de nazaten van Frederik II werden door de elkaar opvolgende pausen steeds fel belaagd. Koenraad IV stierf al in 1254. Zijn opvolger Manfred sneuvelde in 1266. De 15-jarige Konradijn kwam toen op de troon. Hem was geen lange regerings­periode beschoren, noch een lang leven. Nog geen twee jaar later werd Konradijn door een aanhanger van de paus gevangengenomen en ont­hoofd. Met de dood van deze laatste Hohenstauf kwam er een einde aan het Heilige Roomse Rijk.

De legende van Barbarossa
Keizer Frederik Barbarossa, de grondlegger van het Heilige Roomse Rijk, stierf tijdens een kruistocht. Toen hij in Klein-Azië op 10 juni 1190 de rivier Calycadnus wilde oversteken, werd hij door de stroom meegesleurd en verdronk hij jammer­lijk. De plotselinge dood van hun keizer stelde het geloof van de Duitse kruisridders danig op de proef. De meesten keerden geschokt naar huis terug.
In Duitsland ontstond de legende dat de geliefde keizer helemaal niet dood was (men had zijn lijk nooit terug­gevonden). Hij zou zich hebben teruggetrokken in het binnenste van de Kyffhäuserberg in het Duitse Thüringen. Zelfs in onze 20e eeuw zou hij daar nog steeds peinzend aan een grote stenen tafel zitten. Zijn rode baard groeit en groeit. Pas als de stenen tafel geheel door de baard is omwikkeld, zal de keizer definitief uit zijn mijmeringen ontwaken. Hoog rond de spitsen van de berg cirkelen zwarte raven. Zodra deze grote zwarte vogels door adelaars worden verjaagd, zal de keizer zijn onderaardse burcht verlaten. Slechts zelden is het stervelingen gelukt tot de oude keizer door te dringen. De keizer ontwaakte dan en vroeg of de raven nog steeds rond de berg vlogen. Als dit bevestigend werd beantwoord zuchtte de keizer diep en zei: ‘Het zal nog eeuwen duren voor ik weer onder mijn volk mag verschijnen. Mijn vermoeide ziel slaapt weer in. Ik heb nog honderden jaren de tijd…’

Hoe Duitsland weer een keizer kreeg

De vergevensgezinde Otto de Grote
Keizer Otto I, die als Otto de Grote de geschiedenis zou ingaan, liet zich in 936 de koningskroon op het hoofd drukken door de aartsbisschop van Mainz. Het levensdoel van Otto I was, keizer te worden over een machtig rijk, zoals vroeger Karel de Grote. Net als zijn grote voorbeeld was hij vergevensgezind tegenover ieder die hem te na kwam. Maar hij was ook mateloos eerzuchtig en vaak driftig in zijn optreden. Dikwijls nam hij be­slissingen zonder er eerst goed over na te denken. Dit leverde hem vele vijanden binnen zijn rijksgrenzen op. Nauwelijks was Otto I koning ge­worden, of een aantal hertogen kwam tegen hem in opstand. Zijn broer Hendrik, die liever zelf tot koning was gekozen, steunde de opstandelingen. Maar uiteindelijk moest Hendrik het onderspit delven. De koning vergaf zijn broer het verraad en benoemde hem zelfs tot hertog van Lotharingen, een wel­varend deel van het rijk. Maar twee jaar later nam de ondank­bare Hendrik opnieuw deel aan een samenzwering, toen tegen het leven van zijn broer. De plannen om de koning te vermoorden mislukten en Hendrik werd samen met zijn kor­nuiten opgepakt. Alle opstandelingen werden ter dood gebracht. Maar Hendrik werd voor de tweede maal door zijn broer gespaard. Na een gevangenschap van zes lange jaren werd Hendrik weer in genade
aan­genomen. Als hertog van Beieren bleef hij verder trouw aan zijn broer.

De Hongaren verslagen
Het oostelijk deel van het rijk van Otto de Grote werd voortdurend aangevallen door woeste stammen, voornamelijk heidense Slaven en Hongaren. In de slag bij Lechfeld (955) wist hij de Hongaren definitief te verslaan.

Slimme zet met de bisschoppen
Koning Otto de Grote begon genoeg te krijgen van de opstanden van de hertogen, waarmee zijn voorgangers ook al het nodige te stellen hadden gehad. Hij bedacht een slim plan. Als de op macht beluste hertogen zich dan niet wilden onderwerpen aan hem, de leenheer, dan zou hij gehoorzamer leenmannen aanstellen. Die gehoorzamer vazallen vond de koning in… de Duitse bisschoppen. Op de bisschoppelijke belofte dat ze als leenman hun koning trouw zou­den zijn, begon Otto de kerkvorsten meer land te schenken dan ze reeds bezaten. De bisdommen kregen gra­felijke rechten. Dit betekende dat de bisschoppen voortaan zelf in hun steeds groter wordende gebieden de rechtspraak mochten regelen en… belastingen mochten heffen. De bisschoppen hadden wel oren naar deze uitbreiding van hun macht. En Otto de Grote stelde tot zijn volle tevredenheid vast, dat de bisschop­pen bijzonder trouwe leenmannen waren: trouwer dan de hertogen! Een bijkomend voordeel was, dat de bisschoppen niet mochten trouwen, zodat ze hun leen niet erfelijk konden maken. De Duitse keizer kon dus steeds aan iemand die hem welgezind was een bisdom in leen geven.

Bisdommen te koop…
Door de maatregel van Otto de Grote waren de Duitse bisschoppen voort­aan niet alleen verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de gelovi­gen, maar ook de wereldlijke bestuurders van hun machtige bisdom­men. Want de slimme Otto
be­noemde de bisschoppen vanzelf­sprekend niet meer om hun kwaliteit als geestelijken, maar om hun ge­schiktheid als heersers en hun trouw als leenmannen.
Otto paste op grote schaal vriendjes­politiek toe. Hij zette één van zijn broers op de aartsbisschoppelijke zetel van Keulen. Eén van Otto’s zonen werd aartsbisschop van Mainz en een oom bracht het tot aartsbis­schop van Trier.
Anderen kregen de hoge kerkelijke positie, als zij Otto I geldelijke steun gaven. Otto bood bisdommen te koop aan!

Otto de Grote tot keizer gekroond
Otto’s hoogste levensdoel was het inruilen van zijn ‘eenvoudige’ koningskroon voor de begeerde kei­zerskroon. Hij deed een poging hier­toe, toen hij in 950 aanspraken kon laten gelden op de Italiaanse troon. Een verre nazaat van Karel de Grote overleed als koning van Italië. De macht werd daarop overgenomen door een leenman, die de weduwe van de koning gevangen zette. Otto de Grote verzamelde zijn legers en trok in 951 over de Alpen naar Italië. Hij versloeg het leger van de tiran­nieke leenman en bevrijdde de koningin. Toen hij met haar trouwde, werd hij uitgeroepen tot koning van Italië.

Otto de Grote bezat toen een rijk van de Oostzee in het noorden tot de Middellandse Zee in het zuiden. Naar hij zelf vond, was dat rijk groot genoeg voor een keizer in plaats van een koning. Maar de paus weigerde Otto tot keizer te kronen. Otto had geen tijd om de paus tot andere gedachten te brengen. Hij moest met zijn leger naar Duitsland terug, om zich met de strijd tegen de Hongaren te bemoeien. In 961 trok Otto de Grote voor de tweede maal over de Alpen zuidwaarts. Die keer was hij door de paus te hulp geroe­pen. Otto smeedde het goud voor de keizerskroon toen het heet was en stelde de paus zijn voorwaarden. Op 2 februari 962 kroonde de paus hem tot keizer van het Duitse rijk. Daarna werd het gebruikelijk dat de gekozen Duitse koning door de paus tot keizer werd gekroond, maar dat gebeurde niet altijd.

Ruzie om de Duitse bisschoppen

‘Naar Canossa gaan wij niet!’
Ruim een eeuw geleden, om precies te zijn op 14 mei 1872, riep de Duitse staatsman Bismarck in de Rijksdag, het Duitse parlement, uit: ‘Nach Canossa gehen wir nicht!’ Hij had op dat ogenblik ernstige problemen en het zag ernaar uit, dat hij een zware politieke nederlaag zou moeten lij­den. Maar Bismarck wilde zich in geen geval onderdanig in het stof wentelen en zich ten aanschouwen van de wereld laten vernederen. Vandaar zijn uitroep: ‘Naar Canossa gaan wij niet!’

De Duitse kanselier doelde daarmee op de vernedering, die de Duitse koning Hendrik IV (1056 – 1106) acht eeuwen eerder had moeten onder­gaan tegenover paus Gregorius VII op het Italiaanse kasteel van Canossa. Deze gebeurtenis in Canossa heeft op de mensheid door de eeuwen heen een grote indruk achtergelaten.

De investituur-strijd
De strijd tussen de Duitse koning en de paus van Rome vormde het hoogtepunt in de strijd rond de ‘investituur’: het recht tot benoeming van de bisschoppen. Keizer Otto de Grote was al omstreeks 950 begonnen met het benoemen van de bisschop­pen, om zuiver politieke redenen. Hij had de bisdommen grafelijke rechten gegeven, waardoor de bisschoppen grote delen van het Duitse rijk bestuurden als wereldlijke heren. Dat die bisschoppen vaak onaanvaard­baar waren voor de kerk, kon zowel Otto de Grote als zijn opvolgers weinig schelen. De bisschoppen waren trouwe leenmannen en zorgden voor voldoende belastingopbrengst. Maar al gauw kwam het voor, dat iemand die bisschop wilde worden, de Duitse vorst een grote som geld aanbood.
De vorst nam dan de vrijheid zich te laten omkopen…
Vele Duitse bisschoppen hielden zich niet aan hun celibaatsverplichting. wat betekende dat ze er vaak vrou­wen en kinderen op na hielden. Een strijd tussen kerk en vorst over deze kwestie kon niet uitblijven. Van het begin af had de paus zich tegen deze misstand verzet. Maar hij kon in Duitsland maar weinig uitrichten, omdat de regerende vorsten gewoonlijk over voldoende machtsmiddelen beschikten om de paus te weerstaan.

Gregorius VII nam maatregelen
In 1073 werd de pauselijke troon bezet door Gregorius VII. Hij was een krachtige en intelligente monnik. Hij nam zich voof zijn kerk volledig onafhankelijk te maken van welke wereldlijke heerser ook. Elke be­moeienis van niet-geestelijken, zoals van de Duitse vorst, wees hij beslist van de hand. De paus was zelfs van mening, dat de minste priester nog belangrijker was dan de machtigste koning. De paus verklaarde ook waarom hij dit vond: ‘Een priester kan iemand op zijn sterfbed nog de eeuwige zaligheid bezorgen. Een leek kan dit nooit, hoe hoog zijn maatschappe­lijke positie ook is.’ Maar de Duitse koning trok zich van de paus niets aan en hij ging zijn eigen gang. Aanvankelijk wist de paus niet welke maatregelen hij moest nemen. Pas toen Hendrik IV in 1076 door een opstand in zijn rijk in moeilijkheden kwam, greep de paus zijn kans. Hij wees de Duitse bisschoppen op hun celibaats­verplichtingen en verbood de Duitse vorst om nog langer bisschoppen te benoemen. Elke bisschop, die het met dit pauselijk bevel niet eens was, werd onmiddellijk in de ban gedaan!

Hendrik IV in de ban
De openlijke uitbrander van de paus wekte bij Hendrik IV wrevel op. Woedend riep hij zijn Duitse bis­schoppen bijeen. Met hen nam hij de beslissing, die ‘valse monnik’ in Rome te verzoeken de pauselijke stoel  te  verlaten. Prompt   sprak Gregorius VII de banvloek uit over de drieste Hendrik.

Drie dagen en drie nachten
De macht van de paus was zó groot geworden, dat Hendrik IV door die banvloek zijn troon in gevaar zag komen. Er zat niets anders op dan te proberen de paus tot andere gedach­ten te brengen. Hij besloot de paus te smeken de ban op te heffen. Volgens de overlevering liet de paus de Duitse koning drie dagen en drie nachten in vorst en sneeuw voor de slotpoort van de burcht te Canossa staan. Toen pas was de heilige vader voldoende overtuigd van de geloof­waardigheid van de boetedoening van Hendrik IV. Hij hief de banvloek op.

In het tuinhuis
Ondanks de geweldige vernedering die Hendrik IV voor de ogen van zijn volk en de wereld moest ondergaan, verloor de koning niet zijn aanzien. Zijn tijdgenoten beschouwden het als een normale en eervolle zaak, dat de vorst boete deed om van zijn ban­vloek af te komen. Dat hij daarvoor drie etmalen op zijn blote voeten in de sneeuw moest blijven staan, werd door velen niet echt geloofd. Dit ongeloof is waarschijnlijk terecht geweest. Het verhaal werd zo goed als zeker in de wereld gebracht om de paus gunstig te stemmen. Ook staat vrijwel vast, dat Hendrik IV in het behaaglijke tuinhuis van het kasteel verbleef. Intussen onderhandelden zijn raadsheren met die van de paus over de voorwaarden die tot ophef­fing van de banvloek zouden moeten leiden. Uiteindelijk werden de paus en de koning het met elkaar eens.

Opnieuw naar Canossa
De gang naar Canossa maakte aan de banvloek een einde. Voor het ogen­blik had de paus gewonnen, maar de misstanden waren daarmee zeker niet verdwenen. De Duitse koning bleef zich heimelijk tegen de paus verzetten.
Toen Gregorius VII genoeg kreeg van Hendriks onwil, deed hij hem in 1180 opnieuw in de ban. Die keer miste het uitspreken van de banvloek de ge­wenste uitwerking. Het lag er voor iedereen te dik bovenop, dat de paus de Duitse vorst uitsluitend om poli­tieke redenen uit de kerk had gezet. Hendrik IV zelf reageerde lakoniek op de tweede pauselijke banvloek, die over zijn hoofd was gekomen. Hij trok met een leger naar Italië. In 1084 veroverde hij Rome en zette de lastige paus af. Een van Hendriks Italiaanse leenmannen werd op aandringen van de Duitse koning tot paus gekozen. De eerste daad van de nieuwe paus, die zich Clemens III noemde, was het kronen van Hendrik IV tot keizer…

Het Concordaat van Worms
Op 23 september 1122 verklaarde de volgende vorst, Hendrik V, dat hij verder afzag van bemoeienissen met kerkelijke zaken. De benoeming van geestelijken op belangrijke posten werd voortaan uitsluitend overge­laten aan de kerk. Deze koninklijke beslissing wordt het ‘Concordaat van Worms’ genoemd. Maar toch bleef de Duitse vorst enige invloed uit­oefenen op de bisschopsbenoemin­gen. Want als de geestelijken het over een benoeming niet eens konden worden, had de koning het recht om zelf te beslissen. Toch kan worden gesteld, dat met het Concordaat van Worms een einde kwam aan de lange investituur-strijd.

Een geleerde op de keizerstroon

Opgevoed door de paus
Op tweede kerstdag 1194 werd in het Zuiditaliaanse stadje Jesi de zoon geboren van de Duitse keizer Hendrik VI. Hendrik VI was op 20-jarige leeftijd getrouwd met de 10 jaar oudere Constanza, een Normandische prinses uit Sicilië. Na negen kinderloze jaren was er einde­lijk een zoon gekomen, die aanvan­kelijk de naam van Konstantijn kreeg. Pas later zou de jonge prins de naam aannemen van zijn beroemde grootvader: Frederik. In 1196, toen Frederik 2 jaar oud was, werd hij al gekozen tot koning van Sicilië. Hendrik VI stierf toen zijn zoontje pas 3 jaar was. Moeder Constanza maakte van de dood van haar echtgenoot gebruik om de prins een Italiaanse opvoeding te geven. Wat haar betrof, zou haar zoon het rijksdeel ten noorden van de Alpen hebben opgegeven en zich uitsluitend hebben beziggehouden met Italië. Toen de kleine Frederik 4 jaar oud was, liet zijn moeder hem tot koning van Sicilië kronen. Enige maanden later stierf Constanza. Op haar sterf­bed vertrouwde ze haar zoon toe aan de zorgen van de kerk en de paus.

Buitengewoon goed verstand
Frederik beschikte over een buiten­gewoon goed verstand en hij was bijzonder leergierig. Hij studeerde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Zelfs de moeilijkste leerstof nam hij snel in zich op. Als kind leerde hij Frans, Duits, Italiaans, Latijn, Grieks en Arabisch. Hierdoor kon hij zich met al zijn onderdanen in hun eigen taal onderhouden.
De knapste Italiaanse professoren werden uitgezocht als leermeesters van de veelbelovende jongeman. Ze verbaasden zich keer op keer over de geweldige intelligentie van de prins. Frederik rijpte al snel tot een man, die begreep dat hij alleen op zichzelf kon vertrouwen. Hij verachtte de meeste leden van zijn hofhouding, die steeds in zijn nabijheid te vinden waren om te proberen bij hem in de gunst te komen.

Grote aantrekkingskracht op vrouwen
De enige wezens die Frederik ver­trouwde, waren dieren. Zijn paarden, honden en vogels behandelde hij als vrienden. Ondanks de vele uren die hij besteedde aan studie, ontwikkelde hij zich tot een lichamelijk sterke man, die uitblonk in paardrijden, schermen en boogschieten. Hij was een hartstochtelijk jager, die zowel met de speer en met pijl en boog, als met valken jaagde. Niet alleen door zijn hoge afkomst, maar ook door zijn krachtige ver­schijning oefende Frederik grote aan­trekkingskracht uit op vrouwen. Hij trouwde verschillende malen en had talloze minnaressen. Reeds op 16-jarige leeftijd werd hij vader. Zijn oudste zoon Hendrik zou hem later het leven zuur maken. Hendrik sloot zich namelijk aan bij opstan­dige hertogen in het rijk van zijn vader. Frederik moest zijn zoon gevangen laten zetten. Na vele tien­tallen jaren als een vogel in een vergulde kooi gevangen te hebben gezeten, pleegde Hendrik zelfmoord. Frederik liet daarbij niets van zijn gevoelens blijken. Want behalve be­minnelijk voor zijn omgeving kon hij ook meedogenloos wreed en hard zijn voor wie zich tegen zijn gezag verzette.

Geleerde en jager
Keizer Frederik II regeerde zijn grote Duits-Italiaanse rijk vanuit zijn pa­leis in de Siciliaanse stad Palermo. Hij verzamelde een grote kring van dichters en geleerden om zich heen. Samen met kunstenaars en geleerden bracht hij de tijd door met studie en wijsgerige gesprekken. Op die manier droeg Frederik II belangrijk bij aan de wetenschappelijke ontwikkeling in die tijd. Frederik zelf met zijn bril­jante geest en grote kennis werd in heel Europa als een groot geleerde beschouwd.
Door zijn grote voorliefde voor de valkenjacht bestudeerde de keizer diepgaand het leven van de vogels. Al zijn kennis over vogels legde hij vast in zijn boek ‘Over de Kunst van het Jagen met Vogels’. Uit alle hem bekende streken liet hij zich valken toesturen en richtte die zelf af. Frederik was door de valkenjacht gegrepen. Hij kon zich niets mooiers voorstellen dan een valkenier, die tien vogels de vrijheid gaf om te jagen en ze allemaal te laten terug­keren met buit. De geheimzinnige macht die de vogels hiertoe dwong, boeide Frederik mateloos. Hij koes­terde grote verachting voor jagers, die hun prooi met vallen en netten vingen.

Soldaat en toernooiridder
De Duitse keizer Frederik II, de geleerde op de keizerstroon, was een gevreesd soldaat. Hij zag niet veel nut in het deelnemen aan riddertoernooien. Maar als hij zich in het strijdperk begaf, toonde hij zich een geducht tegenstander, die alle andere ridders in het stof liet bijten. In de vele oorlogen die hij als keizer moest voeren, gedroeg hij zich als een dapper strijder. Frederik II ontzag zich niet, in de voorste linies te vechten. Hij was goed geoefend en wist altijd heelhuids uit de strijd te komen.
Hij bezat een ongelooflijk uit­houdingsvermogen. Voor vele leden van zijn hofhouding, die tijdens de strijd of de jacht niet van zijn zijde mochten wijken, was dit een verschrikking.
Een geschiedschrijver vertelde, dat Frederik II nog twee jaar voor zijn dood 24 uren achtereen te paard kon zitten, zonder zichtbaar vermoeid te raken. Eerst was hij in alle vroegte op de valkenjacht gegaan, waarna hij ’s middags slag leverde tegen de Lombarden bij Parma. Hij verloor de strijd en reed in de nacht terug naar zijn verblijf in Cremona. Bij het ochtendgloren begon hij daar onmiddellijk met het hergroeperen van zijn verslagen troepen. Ook werd van Frederik II verteld, dat hij eens in volle wapenrusting te paard een rit maakte van 140 kilo­meter. Aan het einde van die lange tocht rustte hij niet uit, maar nam onmiddellijk de stad Vicenza in. De verdedigers van die stad waren volle­dig verrast, omdat ze niet konden geloven dat Frederik II en zijn leger zich zó snel konden verplaatsen. De barre tocht had twee dagen en twee nachten geduurd.

Een krijgslist
De intelligente Frederik II nam bij veldslagen en belegeringen van steden of burchten vaak zijn toevlucht tot listen. In 1237 veroverde hij de stad Cortenuova door te doen alsof hij met zijn legers de aftocht blies. Maar in werkelijkheid gingen de keizerlijke troepen in hinderlaag. De verraste vijanden liepen erin en werden bij duizenden gevangen gemaakt. Daar­op maakte Frederik II als een zege­vierend Romeins veldheer zijn in­tocht in de stad, met veel pracht en praal en de gevangenen in triomf met zich meevoerend.

Frederik op kruistocht
Hoewel keizer Frederik weinig zin had om een kruistocht naar het Heilige Land te ondernemen, kwam hij er toch niet onderuit. Tijdens zijn huwelijksplechtigheid in 1215 had hij de gelofte afgelegd dat hij Jeruzalem van de muzelmannen zou bevrijden en de opvolgers van paus Innocentius waren dat niet vergeten. Steeds weer wist Frederik de datum van vertrek uit te stellen. In 1219 was het bijna zover geweest, maar de keizer had de veldtocht afgelast. Toen hij in 1227 opnieuw de voorgenomen kruistocht niet liet door­gaan omdat in zijn leger de pest was uitgebroken, werd Frederik door de paus in de ban gedaan. Maar in zijn hart hoopte de paus, dat de Duitse keizer helemaal niet op kruistocht zou gaan. Want als Frederik niet vóór 1229 ten strijde zou trekken tegen de muzelmannen, dan mocht de paus het koninkrijk Sicilië bij zijn kerkelijke staat trekken. Dat was nu eenmaal zo afgesproken… Frederik II besloot toen eindelijk om toch maar te gaan en in 1228 vertrok hij naar Palestina. Zijn faam snelde de keizer vooruit. De muzelmannen hadden groot ontzag voor de mach­tige keizer. De geruchten wilden, dat hij met een onvoorstelbaar groot en goed bewapend leger zou verschijnen. Maar in werkelijkheid had Frederik II een bescheiden krijgsmacht van 1000 ruiters en 10.000 man voetvolk. De Duitse keizer durfde niet op de kracht van zijn leger te vertrouwen, ook al omdat de paus monniken met het leger had meegestuurd, die probeerden de manschappen tegen hun in de ban verkerende keizer op te zetten. Frederik II besloot dan ook om het niet op een veldslag met de muzelmannen te laten aankomen…

De diplomatieke gaven van de keizer
Frederik II vertrouwde liever op zijn diplomatieke gaven. En niet ten onrechte, want zonder enige strijd kreeg hij van de sultan van Jeruzalem gedaan, dat die de stad openstelde voor de christenen. Ook andere heilige plaatsen, zoals Nazareth en Bethlehem, waren voortaan vrij toe­gankelijk voor de Europeanen. Een keizer die in de ban was gedaan, had kans gezien bij de muzelmannen zijn zin te krijgen zonder bloed te laten vloeien!
Met de sultan van Jeruzalem, met wie de Duitse keizer de overeenkomst had gesloten, kreeg Frederik II een bijzonder vriendschappelijke ver­houding. Door zijn kennis van de Arabische taal won de keizer de harten van alle muzelmannen. Hij werd door zijn moslimvrienden de ‘sultan van de christenen’ genoemd en genoot onder hen een ongekende populariteit. De paus kon het succes van de Duitse keizer slecht zetten. Maar hij kon er niet onderuit de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen in ruil voor Sicilië.

Frederiks dierentuin
Frederik II had een zwak voor mooie en bijzondere dingen. Hij hield ervan met zijn vaak bijzonder kostbare bezittingen te pronken. Zijn hof­houding in Palermo leek dan ook sterk op die van een oosterse sultan. Terwijl hij baadde in weelde en overvloed, keken de arme Siciliaanse boeren hun ogen uit. Soms reed de keizer uit, gevolgd door een volledig dierenpark, met beesten die men nog nooit had gezien. De keizer bezat luipaarden, leeuwen, panters, apen, beren, vele
verschil­lende honden, kleurrijke pauwen, uilen, adelaars, buizerds, papegaai­en, struisvogels en olifanten, waar­onder een witte. De stoet werd gesloten door een giraffe.

6e klas Frederik II

Een afbeelding van Frederik II aan het begin van het boek ‘Over het jagen met vogels’, dat bewaard wordt in de bibliotheek van het Vaticaan in Rome

Frederiks harem
De keizer hield er niet alleen talloze dieren op na. In zijn paleis bevond zich ook een groot aantal Saraceense meisjes, bewaakt door oosterse lijf­wachten. Volgens Frederik waren al die meisjes nodig om te zingen, te dansen en fijn handwerk te doen. Maar zijn hofhouding wist wel beter…
Tot de buitenissige hofhouding van de keizer behoorde voorts een mu­ziekkorps, bestaande uit gevangen­genomen Noordafrikaanse negers.

De dood van de keizer
In december 1250 werd Frederik II tijdens het beleg van Parma plotse­ling overvallen door dysenterie. Hij kreeg hevige koortsen en begreep dat zijn leven ten einde liep. Ten slotte stierf hij in de armen van zijn lievelingszoon Manfred. Volgens de legende zag een monnik, die aan zee in gebed was verzonken, op het ogenblik van diens sterven de keizer in volle wapenrusting en ge­volgd door 5.000 ruiters de vulkaan de Etna inrijden… Het volk kon en wilde niet geloven dat de geliefde keizer echt dood was. Nog tientallen jaren lang werden bedriegers die zich uitgaven voor de keizer, aanvankelijk geloofd.
Het lichaam van keizer Frederik II werd bijgezet in een enorme, donker­rode graftombe in de kathedraal van Palermo, naast het graf van zijn vader Hendrik VI en zijn moeder Constanza.

Slag bij Lechfeld
Vooral de sterke Hongaren, die het Otto’s vader Hendrik I al lastig hadden gemaakt, maakten het Duitse rijk onveilig. Otto besloot de Hongaren voor eens en voor altijd een lesje te geven. Met een legermacht van 100.000 man waren de plunderende Hongaren in 955 het rijke Beieren binnen gevallen. Otto de Grote verzamelde de legers van al zijn hertogen en wist samen met zijn broer Hendrik de Hongaarse horden bij Lechfeld te verslaan. De zegevierende Duitse soldaten waren zó geestdriftig over de knappe wijze waarop hun koninklijke aanvoerder de overmachtige vijand had weten te verslaan, dat ze nog op het slagveld een grote parade organiseerden. Bij de stad Augsburg, omringd door de duizenden lijken van gesneuvelde Hongaren krijgsbroeders, bejubelden ze hun gevierde koning. In alle landen van de christenheid werd Otto de Grote om dit wapenfeit als held geëerd Alle vorsten van Europa zonden gezantschappen naar het Duitse hof, om toch vooral op goede voet te komen met deze machtige vorst!

De geruchten over keizerin Constanza
Keizer Frederik II heeft in een van zijn geschriften het plaatsje Jesi zijn “Bethlehem’ genoemd. Zijn moeder, die hem daar ter wereld bracht, stelde hij op één lijn met de ‘Goddelijke Moeder’ die de Heiland baarde.
In werkelijkheid was de sfeer waarin hij werd boren weinig heilig. De onderdanen van Hendrik VI waren na het negen jaar lange onvruchtbare huwelijk van hun koning ervan overtuigd geraakt dat er geen opvolger meer zou worden geboren. Daar kwam nog bij. dat keizerin Constanza 10 jaar ouder was dan Hendrik VI en de veertig reeds naderde. Toen ze toch zwanger werd, deed het verhaal de ronde dat zij in haar slaap door de duivel was bevrucht….
Een ander verhaal wilde dat Frederik een zogenaamd ondergeschoven kind was, dat Constanza niet zelf ter wereld had gebracht. Toen Constanza dit ter ore kwam, wilde ze bewijzen,  dat ze wel degelijk de moeder was. Ze ging naar de markt en liet daar aan iedereen haar volle borsten zien, terwijl de jonge Frederik dronk. Daarmee was het gerucht ontzenuwd….

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-4)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

DE KAROLINGIGISCHE RENAISSANCE

De levensbeschrijving door de monnik Einhard
Het is altijd moeilijk om af te gaan op wat een man in zijn mateloze bewondering voor een vorst over hem heeft geschreven. De monnik Einhard, een goede vriend van Karel de Grote, heeft het leven van de grote keizer in het boek ‘Vita Caroli’ op schrift gezet. Hij deed dat na diens dood en we mogen wel aannemen, dat hij de persoon van de keizer verheerlijkt heeft en op z’n zachtst gezegd de zaken wat rooskleurig heeft voorge­steld.

Wil men Einhard geloven, dan was de keizer een groot bewonderaar van vele kunstvormen. Tijdens de maal­tijden wenste de keizer muziek te horen. Karel de Grote moet dus de beschikking hebben gehad over eigen muzikanten. Verder wilde Karel dat men hem voorlas uit de bijbel en de werken van de Heilige Augustinus. Daaruit blijkt overduidelijk, dat de keizer niet kon lezen en schrijven. Wel moet hij Frankisch en Latijn hebben gesproken en Grieks kon hij op z’n minst verstaan. Karel de Grote zou ook een groot bewonderaar zijn geweest van sier­voorwerpen, de bouwkunst en koor­zang.

Ook al zou Einhard wat overdreven hebben, dan toch moet er wel een kern van waarheid in zijn beschrijving hebben gezeten. Zeker is, dat ten tijde van Karel de Grote de kunsten en wetenschappen weer begonnen te bloeien.

De wedergeboorte van de beschaving
Eeuwenlang had Europa, overheerst door de krijgszuchtige Franken, niets dan oorlog en onrust meegemaakt. De oude Romeinse beschaving en wetenschap waren in het strijdgewoel ten onder gegaan. Bibliotheken waren verbrand en aan het onderwijs werd vrijwel geen aandacht besteed. Alleen in sommige kloosters was nog een restje van de oude beschaving over­gebleven.

De groeiende rust en de veiligheid in het rijk van Karel de Grote gaven de kunsten en wetenschappen de kans weer op te bloeien. Deze opbloei staat in de geschiedenis bekend als de ‘Karolingische Renaissance’. Het woord renaissance betekent ‘weder­geboorte’. Dit houdt in, dat het niet ging om volkomen nieuwe uitingen van kunst en wetenschap. De Karo­lingische renaissance werd in zekere mate de wedergeboorte van de verlo­ren gegane Romeinse beschaving. Het barbaarse tijdperk van de onbe­schaafde Germaanse volkeren liep ten einde, door de nieuwe bloei van de begrippen ‘kennis’ en ‘schoonheid’.

De monnik Alcuin, de ‘minister’ van onderwijs
De belangrijkste figuur van de Karo­lingische renaissance was een monnik. Hij heette Alcuin en was als prediker uit Engeland naar het Frankische rijk gekomen. In het rijk van de Angelen en Saksen was, anders dan op het Europese vasteland, nog veel van de Romeinse erfenis bewaard gebleven in de kloosters. Alcuin was een zeer belezen man, één van de grootste geleerden van zijn tijd. De monnik Alcuin werd de leider van het wetenschappelijke en culturele leven in het Frankische rijk. Hij was eigenlijk de minister van onderwijs en wetenschappen in het rijk van Karel de Grote.^Met hem was Karel de Grote van mening, dat goed onderwijs voor het volk de schakel vormde naar beschaving. Daarmee werden niet de scholen bedoeld, waar de bisschoppen hun priesters opleid­den.
Er werd een hofuniversiteit gesticht, waar de edelen en de hoge ambtenaren lezen en schrijven leerden. Er kwamen kloosterscholen, waar het gewone volk leerde lezen, zangles kreeg en onderricht werd hoe men de kerkelijke feestdagen kon berekenen. Het beperkte lesprogramma mag natuurlijk niet worden vergeleken met dat van het moderne onderwijs. Alcuin hervormde de opleiding voor de hogere geestelijken. De ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren bindend op elk lesrooster. Daar hoorden bijvoorbeeld rekenkunde, de meetkunde en de Latijnse spraakkunst bij. Het klassieke Latijn, de taal van de Romeinen werd daarmee in ere hersteld.
Karel de Grote gaf veel steun aan zijn raadsheer voor onderwijszaken. Aan het hof vormde zich een kring van geleerden. Tijdens vele gesprekken met de geleerden nam de keizer steeds een duidelijk standpunt in.

De kloosters ais middelpunt van beschaving
Door alle studie, voornamelijk be­oefend door de geestelijkheid, werden de kloosters het middelpunt van de Frankische beschaving, wetenschap, kunst en letterkunde. In de abdijen waren grote schrijfateliers, waar met grote nauwkeurigheid en in fraai geschreven letters boeken werden omgeschreven. Vooral in Engeland waren nog vele geschriften van de Romeinen te vinden, waarvan af­schriften naar het Frankische rijk werden gezonden. Het is nauwelijks voor te stellen, hoeveel tijd het over­schrijven en illustreren van één boek moet hebben gekost. Door het over­schrijven van oude geschriften is veel bewaard gebleven uit de oude geschie­denis, wat anders verloren zou zijn gegaan.

De Karolingische bouwkunst
Vooral in de bouwkunst spiegelden de Franken zich aan het Romeinse voorbeeld. De oude Frankische palei­zen en andere gebouwen waren niet veel meer geweest dan een soort blokkendozen. Maar KareL de Grote had in Italië de Romeinse paleizen en de schitterende kerken gezien. Hij stuurde zijn beste bouwmeesters naar het zuiden om de oude bouwkunst te bestuderen. Ze maten alles nauwkeurig op, maakten ijverig tekeningen en schreven alle bijzonderheden op. Uit Italië namen ze vaklieden mee naar Frankenland. Zelfs werden zuilen en beeldhouwwerken afgebroken uit de Romeinse ruïnes en op zware ossenkarren meegevoerd. Alles werd ge­daan om de Romeinse bouwkunst zo goed mogelijk te imiteren. Helemaal lukten de imitaties niet. Oppervlakkig gezien zagen de Karo­lingische paleizen en kerken er vrij Romeins uit, maar bij nadere be­schouwing waren ze toch wel wat plomp en massief. Het belangrijkste overblijfsel van de herboren bouw­kunst is het oudste, achthoekige gedeelte van de Akense Dom. Deze werd gebouwd op de fundamenten van een Romeinse badinrichting en was bedoeld als kapel voor de koninklijke palts. Het bouwwerk werd omstreeks het jaar 800 voltooid. Het is het oudste nog bestaande stenen gebouw ten noorden van de Alpen. De kapel telde twee verdiepingen. Beneden stond het altaar en daar was de ruimte voor de kerkgangers. Vanaf de tweede verdieping woonden Karel de Grote en zijn hofhouding de diensten bij.

Grondslag voor het middeleeuwse leven
De opbloei van kunsten en weten­schappen ten tijde van de Karolingen vormde de grondslag voor de middeleeuwse beschaving. De Europese edelsmeedkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst en de letterkunde vonden allemaal hun oorsprong in de drang naar beschaving van keizer Karel de Grote.

Eén van de fraaiste voorbeelden van de Karolingische edelsmeedkunst is de kelk van Tassilo, die zich tegen­woordig in een Oostenrijks museum bevindt. De kelk werd door Tassilo, de hertog van Beieren, aan een klooster geschonken. Rondom is de kelk versierd met afbeeldingen van Christus, de evange­listen en andere heiligen. Een karakte­ristieke kunstvorm uit de Karolingische tijd waren ook de relikwie­schrijnen. Dat waren kostbare kast­jes, waarin de resten van een heilige of heilige voorwerpen werden be­waard. De schrijnen waren juweeltjes van goudsmeedkunst en snijwerk. Voor de middeleeuwse christenen vertegenwoordigde een plukje hoofd­haar, een vingerbotje, een stuk van een mantel of een ander persoonlijk eigendom van een heilige, een grote schat.

De schilderkunst, die later tot de “kunst der kunsten’ van Europa zou opbloeien, ontstond ten tijde van Karel de Grote. Aanvankelijk beston­den de schilderijen uit kleine illustraties in bijbels en andere boeken. Later begon men de muren van kerken te beschilderen, om het volk iets van de bijbelse verhalen te laten begrijpen.

De Karolingische renaissance bereikte het hoogtepunt omstreeks 850, dus 35 jaar na de dood van de keizer. Schitterende abdijen waren overal te vinden in het Frankische land, alle­maal voorzien van schitterende en kostbare bibliotheken. Binnen de grenzen van het machtige rijk leefde het volk veilig. Men kon zich bezig­houden met allerlei andere zaken dan oorlogvoeren. Europa stond aan de vooravond van een nieuwe tijd!

Onrust in het huis van de Karolingen

De dood van Karel de Grote
In het najaar van 812 kwam Karel de Grote aan in zijn meest geliefde verblijfplaats, de palts te Aken. Voor de keizer was het letterlijk en figuur­lijk herfst. Hij was een oude man geworden, die zijn bevende handen niet meer in bedwang kon houden. Zijn gebogen gestalte maakte duide­lijk dat hij het regeren moe was. Zijn enige wens was, in de warme bronnen van Aken verlichting te vinden voor zijn reumatiek, die hem mank had gemaakt.

Bij de palts aangekomen, zag hij dat de mooie Mariakapel gedeeltelijk was ingestort. Het gebouw, de trots van Karel, was door de bliksem getroffen. Als een onheilspellend voorteken bleek de gouden rijksappel, het symbool van de Frankische een­heid, uit de kapel te zijn verdwenen…
De oude keizer had de laatste jaren weinig strijd meer gekend, maar des te meer verdriet. De dood had verschillende malen toegeslagen en had hem beroofd van drie kinderen, in de kracht van hun leven. De grijsaard was op, verslagen door de jaren en verteerd door verdriet. In de koude januarimaand van 814 stonden de lijfartsen van de keizer aan zijn ziekbed. Ze konden niet anders vrezen dan het ergste. De keizer kreeg steeds hogere koorts en een vergevorderde longontsteking sloopte zijn laatste krachten. Op 28 januari 814 blies de grote Frankische keizer zijn laatste adem uit, waar­schijnlijk 72 jaar oud, na een rege­ringsperiode van 46 jaar.

Opgevolgd door zoon Lodewijk de Vrome
Een jaar voor zijn dood had Karel de Grote, die zijn einde voelde naderen, eigenhandig zijn enig overgebleven zoon de keizerskroon op het hoofd gedrukt. Opzettelijk had Karel dat zelf gedaan, omdat hij duidelijk wilde laten zien dat hij slechts aan Christus verantwoording wilde afleg­gen. De rol van de paus leek daarmee helemaal te zijn teruggebracht tot die van een biddende, vrome monnik. Van de zonen die Karel eens had bezeten, was Lodewijk verreweg de minst bekwame. Maar de oude keizer had geen keus meer…

Spreekwoordelijke vroomheid
Lodewijk was een uiterst gelovig man, wat hem al gauw de bijnaam ‘de Vrome’ bezorgde. Eén van zijn eerste daden was, zijn kroning te laten overdoen door de paus, in 817. Daarmee maakte hij duidelijk, dat hij als gelovig christen de paus wilde eerbiedigen. Op slag nam de invloed van de paus aanmerkelijk toe… Lodewijk de Vrome was lichamelijk het evenbeeld van zijn vader. Hij was krachtig gebouwd en een even goede ruiter en jager als Karel de Grote in zijn dagen was geweest. Maar daar­mee hield de vergelijking ook op. Lodewijk was toegevend en zacht­aardig. Dat maakte hem niet tot de geschiktste persoon om het grote Frankische rijk bijeen te houden. Zijn vroomheid was spreekwoordelijk en hij toonde zich altijd onderdanig tegenover de hogere geestelijkheid. De kerk kon daardoor steeds meer greep op zijn regering krijgen.

Opruiming van de Germaanse resten
Lodewijk de Vrome gedroeg zich in zijn rijk niet bijzonder tactvol. Hij begon met zijn naar zijn mening wat al te levenslustige zuster naar een klooster te sturen. De hofadel werd vervangen door monniken en kerkgeleerden. Wat ook maar enigszins naar een Germaanse afkomst riekte, moest onmiddellijk verdwijnen. De verzameling heldendichten van zijn vader werd in opdracht van Lodewijk grotendeels verbrand. De namen van de maanden werden veranderd, omdat ze van Germaanse oorsprong waren…

Tegenstanders en heidenen werden door de nieuwe keizer, zonder het mededogen dat van een gelovig chris­ten mocht worden verwacht, de ogen uitgestoken en in kerkers opgesloten. Ook de zoons van zijn gestorven broers, die als erfgenamen van de troon wel eens moeilijkheden zouden kunnen veroorzaken, liet hij op die manier verdwijnen.

Wolken aan de horizon
In het rijk van de Franken, dat in de tijd van Karel de Grote krachtig en rechtvaardig was bestuurd, verschenen donkere wolken aan de horizon. In plaats van een krachtig vorst omringd met geleerden, letterkundi­gen en goede raadgevers, gingen geestelijken de dienst uitmaken. De vrome Lodewijk was maar al te gemakkelijk bereid naar de influiste­ringen van de geestelijken te luisteren. Hij kreeg het steeds moeilijker om belangrijke beslissingen te nemen. Zoiets stelde hij maar liever uit. Er kwamen moeilijkheden, die om een duidelijk oordeel en een krachtige beslissing vroegen. De paus veroor­zaakte zo’n moeilijkheid. Hij pro­beerde steeds meer greep te krijgen op de Franken.

De graven en hertogen van de ver­schillende gouwen en marken vorm­den een nog grotere moeilijkheid. Bij gebrek aan een strenge hand begonnen ze steeds zelfstandiger op te treden Een laatste, maar zeker niet de kleinste moeilijkheid werd gevormd door de Vikingen, die steeds vaker de grenzen van het rijk schonden. Dorpen, kerken en kloosters aan de kusten werden door hen geplunderd. De vrome en besluiteloze keizer wist niet hoe hij al die moeilijkheden moest oplossen.

Onrust in gouwen en marken
Onder het krachtige bestuur van Karel de Grote was er voor de graven en hertogen maar weinig speelruimte geweest. Nooit hadden ze het gewaagd zelf voor ‘koninkje’ te gaan spelen. Lodewijk de Vrome liet de teugels vieren en gaf zijn leenmannen meer speelruimte dan ze aankonden. Bo­vendien nam Lodewijk een aantal leengebieden in, beperkte de rechten van andere leenmannen en koos ook nog andere vazallen. Die kregen het land niet in leen, maar in eigendom. Het gevolg daarvan was, dat de keizer  zijn  trouwste  leenmannen kwijtraakte, vele anderen ontevreden maakte en zijn macht ook voor een groot deel uit handen gaf.

De Karolingische broederstrijd
Het leek wel of Lodewijk de Vrome een speciaal talent had om problemen op te roepen. Als goed Frankisch hoofdman besliste hij al bij zijn leven, hoe het rijk na zijn dood bestuurd moest worden. Hij had drie zoons: Pippijn, Lotharius en Lode­wijk. Lotharius zou de nieuwe keizer worden en de twee andere koningen zouden koning worden over de helft van het rijk. Zo op het oog geen slechte oplossing, als niet Lodewijk de Vrome na enige tijd zou zijn hertrouwd. De beeldschone, zwart­harige keizerin Judith van Welf schonk de keizer na vier jaar huwelijk een zoon, die Karel werd gedoopt. In het huwelijkscontract was al bepaald, dat de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de keizer niet zouden meedelen in de erfenis. Maar keizerin Judith gebruikte al haar talenten om de keizer tot andere gedachten te brengen. Lodewijk ging al snel door de knieën: zijn geest was gewillig, maar zijn vlees was zwak…
Prins Karel zou ook een portie van het rijk krijgen, wat ten koste van de andere broers zou gaan. Pippijn, Lotharius en Lodewijk namen dat niet en trokken ten strijde tegen hun eigen vader, om het ‘nakomertje’ van zijn leven te beroven en dus van zijn erfdeel.

Het ‘Leugenveld’
Bij de plaats Colmar aan de Rijn voltrok zich de strijd, die vooral opviel door verraad en overloperij.
De drie oudste prinsen wonnen de slag, maar naar later zou blijken niet de oorlog. Voorlopig werd de jonge prins Karel op een zijspoor gezet. Stiefmoeder Judith werd naar oud-Frankisch gebruik door de broers beticht van overspel en in een klooster ondergebracht.
De plaats van de veldslag werd later het ‘Leugenveld’ genoemd, wat al genoeg zegt over de gebeurtenissen… De behandeling van de keizer door zijn eigen zoons, die hem na de slag triomfantelijk kwamen bezoeken, betekende een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Karolingische huis. In de kerk van Soissons werd de keizer zijn kroon van het hoofd gerukt, zijn mantel in stukken van het lichaam gescheurd en zijn scepter uit de handen geslagen. Daarna wikkelden de drie zoons hun vader in een monnikspij en strooiden as over zijn hoofd.
Ten aanschouwen van zijn volk moest Lodewijk zich laten vernederen en laten zien hoe hij had gefaald…

Het rijk stond in brand…
Na hun verwerpelijke daad zagen de broers er ook niet meer tegenop om onderling ruzie te gaan maken over de verdeling van macht. In het geharrewar dat toen ontstond, kozen Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader. Ze erkenden hem weer als keizer en haalden stiefmoeder Judith uit het klooster. Die begon prompt opnieuw met haar spel om haar zoon Karel naar voren te schuiven. Het was geen hartroerende vader­liefde, die Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader Lodewijk de Vrome deed kiezen. Ze waren bang voor de heerschappij van hun oudste broer Lotharius. De broederstrijd laaide hoger op dan ooit tevoren. Pippijn stierf en ook de oude keizer Lodewijk de Vrome verwisselde in 840 het tijdelijke met het eeuwige. Inmiddels lag ook de Frankische staat op sterven. Oorlog, verwoesting en hongersnood hadden het eens zo bloeiende keizerrijk geteisterd. De bewaking aan de grenzen was
ver­slapt. De Vikingen plunderden de kuststreken. De Saracenen vermoord­den alles wat ze tegenkwamen op hun weg door het dal van de Rhöne. De Saksen kozen de zijde van Lotharius en vervielen tot het heidendom. Kloosters en kerken werden in brand gestoken. Alleen een wonder zou de ondergang van het Frankische rijk nog kunnen voorkomen…

Het verdelingsverdrag van Verdun

Lodewijk verslagen
Het wonder dat nodig zou zijn om de Frankische eenheid te redden, liet op zich wachten. De broers vochten verder. Aan de ene kant vocht Lodewijk, die later de bijnaam de Duitser’ zou krijgen. Hij werd terzijde gestaan door zijn jongere halfbroer Karel. Die werd vanwege zijn schaarse haargroei ‘de Kale’ genoemd. Aan de andere vocht de oudste broer Lotha­rius, een hebzuchtige egoïst, die de alleenheerschappij wenste over de erfenis van hun vader. Bij Fontenay kwam het tot een beslissende veldslag. Lotharius werd verslagen. De zegevierende Lodewijk de Duitser en Karel de Kale zworen elkaar daarom in Straatsburg (842) eeuwige vriendschap en trouw. De Eed van Straatsburg werd afgelegd in tegenwoordigheid van de legers. Lodewijk sprak Duits en Karel legde de eed af in het Frans. Daarbij liepen ze duidelijk op de gebeurtenissen vooruit..

De verslagen Lotharius zag in, dat het zinloos was de oorlog verder voort te zetten. Ook het volk verlang­de naar het einde van het al zo lang durende krijgsgeweld. Lotharius stel­de voor te onderhandelen over de verdeling van de keizerlijke nalaten­schap. Dat gebeurde in 843 in de Franse stad Verdun. De drie broers werden het eens en de afspraken werden op schrift gezet in wat wordt genoemd het’ Verdrag van Verdun’. Dat verdrag maakte in 843 definitief een einde aan de Frankische eenheid.

Het grote rijk werd verdeeld in drie stukken. Daarbij werden bergketens en rivieren als grenzen aangehouden. Halfbroer Karel de Kale mocht zich koning noemen over het gebied tussen de Pyreneeën en de rivier de Schelde. Daarmee werd ongeveer het huidige Frankrijk gevormd. De tweede koning werd Lodewijk de Duitser, die het Oostfrankische rijk kreeg toebedeeld. Het was het gebied ten oosten van de Rijn en de Wezer, waarmee het latere Duitsland vorm kreeg.

Lotharius werd keizer, waarmee toch de vaderlijke wil werd gerespecteerd. Hij kreeg een stuk land tussen de twee andere rijken in. Het was een soort kronkelend lint, dat zich uitstrekte van Friesland in het noorden tot aan de Tyrrheense Zee, een uitloper van de Middellandse Zee
Dit ‘land’ maakte niet alleen door de vorm, maar ook door de samenstel­ling van de bevolking een volstrekt onnatuurlijke indruk. Er werden meer dan vier verschillende talen ge­sproken en dat was bepaald geen waarborg voor een lang voortbestaan van een middeleeuws rijk. Na de dood van Lotharius in 855 viel het midden­rijk uit elkaar, toen het werd verdeeld onder de drie zoons van de overleden keizer. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser vergaten toen al snel de Eed van Straatsburg, waarbij ze elkaar vriendschap en trouw hadden beloofd. Voor de zoveelste keer gingen ze elkaar te lijf, met als inzet het Frankische grondgebied.

Het einde van de Karolingen
Het einde van de heerschappij van het huis van de Karolingen kwam in zicht. De Duitse tak stierf al uit in 911. De leenmannen besloten toen dat ze voortaan een koning zouden kiezen. Daarmee wilden ze bereiken dat het rijk niet zou uiteenvallen on­der de koningszoons na de dood van een vorst. Het kiezen van de vorst bleef lang gewoonte, al probeerden de gekozenen wel steeds om zich door hun oudste zoon te laten opvolgen. De Franse tak maakte het wat langer: tot 987. Toen stierf de laatste Karoling. De Franse leenmannen kozen op hun beurt een koning. Het werd een van de hertogen: Hugo Capet. Het huis van de Capetingen zou ruim driehonderd jaar over Frankrijk blij­ven regeren. Het Verdrag van Verdun had een eind gemaakt aan het mach­tige en grote Frankische rijk. De
vor­ming van kleinere zelfstandige staten zou daarna een aanvang nemen.

6e klas Karel de Grote 3

6e klas Karel de Grote 4

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
676

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

De Karolingische Koningen

Het verval van de Merovingen
Het Frankische erfrecht veroorzaakte een sterke verbrokkeling van het rijk. De Merovingen hadden daar wel een oplossing voor: de sterkste zoon hielp zoveel mogelijk mede-erfgenamen naar de andere wereld. De koningen wisselden elkaar steeds sneller af en ze waren steeds jonger. Een ander nadeel van de latere Merovingische koningen was, dat ze meestal een zwakke gezondheid en een beperkt verstand hadden. Na 700 hadden de raadslieden van de Fran­kische koning meer macht dan de koning zelf!

De greep naar de macht
De hofmeiers die zich in de loop van de tijden van een soort opperkamerheer hadden opgewerkt tot eerste minister, grepen naar de macht. Karel Martel, de hofmeier van de Frankische koning Chlotarius IV, ging vastberaden zijn eigen gang. De zwakke koning bracht niet eens de kracht op om tegen te sputteren. Hofmeier Karel trad krachtig op, toen het Frankische rijk van verschil­lende kanten werd aangevallen. Hij versloeg in 732 de Saracenen in het zuiden, de Friezen in het noorden en de Saksen en Alemannen in het oosten. Toen de Merovingische vorst in 737 stierf, liet Karel Martel weten dat de Franken het voortaan met een nieuw koningshuis moesten doen… De zoon van Karel Martel, koning Pippijn de Korte, bouwde na 741 de macht die zijn vader had gevestigd, nog verder uit. Na de dood van Pippijn leek het weer even alsof de klok weer tientallen jaren was terug­gezet: twee zoons streden om de macht. Eén van die zoons was Karel, die als Karel de Grote, de keizer der keizers, de geschiedenis zou ingaan.

Karel de Grote
Karel werd in 768 koning van een deel van het Frankische rijk. Hij werd in 771 koning van alle Franken, toen zijn broer Karloman op20-jarige leeftijd het leven liet.
Koning Karel bouwde zijn rijk uit tot het machtigste rijk van Europa, krachtig geleid en uitstekend be­stuurd. Nadat hij aanvankelijk op vele fronten strijd had geleverd, wist Karel zijn rijk een periode van ongekende rust te bezorgen. Karel werd in 800 door de paus tot keizer gekroond, een gebeurtenis die al honderden jaren niet meer was voor­gekomen. De kunsten en wetenschap­pen, tot stilstand gekomen na al die eeuwen van strijd en onrust, begonnen weer op te bloeien. Die bloei hield ook nog aan na de dood van Karel in 814.

Opnieuw verval
Na het bewind van de onovertroffen keizer Karel de Grote, werd het Frankische volk in de narigheid gestort door de weliswaar zeer vrome, maar ook onbekwame Lodewijk de Vrome. Hij stapelde fout op fout en nam vrijwel altijd de verkeerde be­slissing. Het rijk werd belaagd door Vikingen en andere vijandige volke­ren, waar de weinig strijdvaardige Lodewijk geen antwoord op had. Hij raakte steeds meer onder de invloed van hoge geestelijken, nadat hij de raadsheren van zijn vader aan de kant had gezet. Hij raakte in een ernstig conflict verwikkeld met zijn zoons, die het niet eens konden worden over de manier waarop later de erfenis moest worden verdeeld. Vernederd en belachelijk gemaakt door zijn zoons, stierf de vrome en machteloze keizer in 840. Door de broederstrijd, die ook na zijn dood voortduurde, dreigde het rijk de prooi te worden van barbaarse inval­lers.

Een verdelingsverdrag
Ten slotte, nadat de oudste zoon in een veldslag het onderspit had moeten delven, besloten de erfgenamen van Lodewijk de Vrome het rijk in drieën te delen. Zo ontstonden Frankrijk en Duitsland, gescheiden door een derde, langgerekt keizerrijk. Dat middelste rijk ging al snel aan het oude erfrecht te gronde. De andere twee rijken zouden in Europa een machtige rol gaan vervullen, maar dan wel zonder de Karolingen, het huis waaraan Karel de Grote zijn naam had gegeven. De laatste Karolingische vorst stierf in 987.                                

Machtsovername door de Hofmeiers

De oudste van het huis
De Merovingische vorsten hielden er een uitgebreide hofhouding op na. De huishoudelijke zaken werden gere­geld door een huismeester, die werd aangeduid met de Latijnse term ‘Maior Domus’. Dat betekende letter­lijk ‘Oudste van het Huis’, meestal aangeduid als hof-maior of hofmeier. Door de voortdurende strijd in ver­band met vervelende erfeniskwesties waren de hofmeiers gewoonlijk ouder dan de vaak piepjonge koningen. Vele Merovingische vorsten was geen lang leven beschoren: zelden haalden ze de veertig jaar. Vielen ze niet in de strijd, dan vielen ze wel door moorde­naarshand.

Het is begrijpelijk, dat de hofmeiers de positie veroverden van raadsheer van hun jonge, onervaren koningen. Al snel werd hun functie erfelijk. Hofmeier werd een familiebaan, van vader op zoon. Om hun baan te beschermen, waren de hofmeiers wel verplicht steeds meer taken aan zich te trekken. Als hun koning viel, was het ook met hun aantrekkelijke functie gedaan…

Na verloop van tijd waren het de hof­meiers, die namens de koning de schatkist beheerden, het leger aan­voerden en rechtspraken. Slechts af en toe was er een koning die sterk genoeg was om zich aan de macht van de hof­meiers te onttrekken. In het algemeen regeerden de latere Merovingische vorsten alleen in naam. Omstreeks het jaar 600 regeerde de krachtige koning Dagobert, die een gunstige uitzondering maakte. Om­streeks 650, toen het rijk voor de zoveelste maal tussen twee zoons werd verdeeld, bevochten de hofmei­ers van de Oost-Frankische en West-Frankische koningen elkaar bijzonder fel.

Karel Strijdhamer
Na 700 was het zover gekomen, dat de hofmeier van het Merovingische hof zó machtig was geworden, dat hij de ‘regerende’ koning achteloos ter­zijde kon schuiven. Op de troon zat een ware schertsfiguur, Chlotarius IV. Hij was niet meer dan een schaduwkoning, alleen ter ere van het Merovingische huis. In werkelijkheid werd de dienst in het rijk uitgemaakt door de in 714 aangestelde  hofmeier Karel Martel. Zijn naam, die letterlijk ‘Strijdhamer’ betekent, verklaart ei­genlijk al genoeg over zijn persoon­lijkheid.

Karel Martel vond het de hoogste tijd worden, dat er een krachtig vorst aan het hoofd van land en leger kwam te staan. De halfslachtige ruziemakers van het Merovingische huis hadden de eenheid van het rijk al vaak genoeg doen wankelen. Aan de rijks­grenzen stonden tallozen begerig naar het Frankische grondgebied te loeren. In Spanje stonden de Saracenen, die onder bevel van hun veldheer Tarik in 711 de sprong over de smalle Straat van Gibraltar hadden gewaagd. In 720 drongen ze noordwaarts over de bergen van de Pyreneeën. In Zuid-Gallië begonnen ze het goud en zilver uit de kerken te roven. Aan de oostgrens, langs de Rijn en de Elbe, zorgden de Saksen voor de nodige moeilijkheden. De Friezen, de Alemannen en de Longobarden dron­gen op andere fronten steeds vaker over de grenzen. Karel Martel besloot het ijzer te smeden toen het heet was…

De slag van Poitiers
In 732 waren de Saracenen al aardig op weg om flinke stukken van het Frankische rijk te veroveren. Zuid-Frankenland (Zuid-Frankrijk) was al gedeeltelijk geplunderd. Als de Sara­cenen niet werden tegengehouden, zou weldra heel Europa aan het Groot-Arabische rijk worden toege­voegd!

Karel Martel riep alle strijdbare Franken onder de wapenen en trok naar het zuiden. Bij Poitiers vond de ontmoeting plaats tussen Franken en Saracenen, tussen slagzwaard en kromzwaard, tussen christendom en islam. Een week lang draaiden de legers om elkaar heen, de tegenstander aftastend en bevreesd voor een treffen zonder genade. Toen gingen de Sara­cenen onder het uitroepen van 4Allah Akhbar’ (God is groot) tot de aanval over. Ze liepen zich dood op de levende muur van Frankische krijgers, die geen duimbreed weken. Na grote verliezen te hebben geleden, sloegen de Saracenen op de vlucht. Europa was gered. Karel Martel, de gevierde held, keerde eind 732 terug naar het Merovingische hof, waar hij de koning nauwelijks een blik waardig keurde. Hij had voldoende bewezen, de machtigste Frank onder de Franken te zijn.

Het einde van de Merovingen
Na zijn grote overwinning op de Saracenen stond hofmeier Karel Mar­tel sterker dan ooit. Het kostte hem dan ook weinig moeite om grote Frankische legers op de been te brengen. Hij verdreef de Saksen uit het Rijnland en onderwierp vele Friezen en Alemannen. In 737 stierf de onbeduidende Mero­vingische vorst zonder zonen na te laten. Karel Martel was daar bepaald niet rouwig om en hij liet weten dat er aan een koning niet de minste behoef­te bestond. Tot aan zijn dood in 741 bestuurde hij met krachtige hand het grote Frankische rijk. Vóór zijn dood bepaalde hij, dat de zaken later zouden worden overgenomen door zijn beide zoons, Karloman en Pippijn. Hij bekommerde zich er niet om of hij zich daarbij wel hield aan de wet…

Het Vorstelijke’ gebaar van Pippijn de Korte
Van de broers Karloman en Pippijn was Pippijn verreweg de grootste persoonlijkheid. Na de dood van zijn vader zag Pippijn eigenlijk niet zoveel in de gedwongen samenwerking met zijn broer. Na het uitoefenen van wat druk en wijzend naar het bloedige verleden van zovele Merovingische vorsten, slaagde Pippijn er in 747 in zijn broer het klooster in te praten. Nog even vond een Meroving het nodig zijn rechten op de Frankische kroon te laten gelden. Als Childerik III mocht hij van Pippijn even kijken hoe de kroon hem stond… Maar Pippijn wist zich sterk. Paus Stefanus II had hem laten weten dat ‘hij die de macht had, de werkelijke koning was’. In 751 liet Pippijn zich uitroepen tot koning van de Franken. Het pauselijk standpunt was niet door onbaatzuchtige motieven ingege­ven. Allerminst, want de Longobarden stonden op het punt zich meester te maken van heel Italië. Op de Oostromeinse keizer hoefde de paus niet te rekenen, want die had het te druk met de opdringende moslims in Oost-Europa. De paus kon best een sterke bondgenoot gebruiken: Pippijn. Deze aarzelde niet de uitge­stoken hand te grijpen. Hij versloeg de Longobarden en maakte daarna een ‘vorstelijk’ gebaar door al het veroverde gebied aan de paus te schenken. Ook de motieven van Pippijn hierbij waren niet zo nobel als het leek: hij bezat toch de troepen niet om al dat veroverde land onder controle te houden…
Pippijn, die wegens zijn geringe lichaamslengte ‘de Korte’ werd ge­noemd, legde met zijn gebaar de basis voor de kerkelijke staat van de paus. Die staat wist zich door alle eeuwen heen zelfstandig binnen Italië te handhaven. Vanuit het Oost-Romeinse rijk werden nog wel wat zwakke protesten vernomen, maar de paus en Pippijn de Korte vonden het niet nodig daarop te reageren.

De twee zonen van Pippijn
Koning Pippijn de Korte, die zijn macht overduidelijk had gevestigd, deelde harde klappen uit aan de immer opstandige Saksen en hij dreef de laatste Saracenen over de Pyre­neeën. Toen hij in 768 stierf, liet hij een rijk na waar orde op zaken was gesteld. Het Frankische rijk strekte zich uit van de Pyreneeën tot ver in het tegenwoordige Duitsland, Zwit­serland en Oostenrijk. Maar Pippijn liet zijn onderdanen nóg een erfenis na, die ten tijde van de Merovingen niet zou hebben mis­staan: hij verdeelde het rijk over zijn beide zoons. Dat was vragen om moeilijkheden. Zoon Karel werd ge­kroond te Noyon, zoon Karloman in Soissons. Al snel bleek dat de broers geen eenheid vormden. Een opstand van de Aquitaniërs in Zuidwest-Frankrijk moest door Karel alleen worden onderdrukt, hoewel hij zijn broer om hulp had gevraagd. Karel raakte tot over zijn oren in de problemen, toen de Longobarden het de paus weer moeilijk gingen maken. Door hun smadelijke nederlaag in het verleden waren de Longobarden vervuld van wraakgevoelens. Karel wilde de paus wel helpen, maar hij was getrouwd met een dochter van Desiderius, de koning van de Longo­barden.

Ten slotte liet Karel zijn plichten zwaarder wegen dan de trouw aan zijn echtgenote. Hij stuurde haar terug naar haar vader. Broer Karlo­man stierf in 771 op 20-jarige leeftijd en voorkwam daarmee ongewild een broederstrijd. Karel werd door de edelen en bisschoppen erkend als de alleenheerser bij de ‘Gratie Gods’ over het Frankische rijk.

De keizer der keizers: Karel de Grote

6e klas Karel de Grote

Waarheid en fantasie
Er is waarschijnlijk geen Europese vorst in de geschiedenis te vinden, aan wie zoveel aandacht is besteed als Karli de Grote. Zelfs in liedjes is zijn naam terug te vinden. Wie na de lagere school veel van de geschiedenis­lessen is vergeten, kan bijna altijd die ene naam nog wel noemen. Over de grote keizer zijn zoveel verhalen in omloop, dat het bijna onmogelijk is geworden een duidelijk beeld van zijn persoon te krijgen. Waarheid en fantasie zijn in de loop der eeuwen té veel ineengestrengeld geraakt. Het meest geschetste portret van Karel de Grote is dat van een soort avonturier, een hoofdpersoon uit een historische roman, een forse gestalte met een grote intelligentie, voor wie geen paard te wild was. Een atleet, die de zwemkunst goed machtig was, vaardig op de jacht en zó sterk, dat hij een hoefijzer met de handen recht kon buigen.
Een man met een zeer brede belang­stelling, maar toch niet in staat om te lezen en te schrijven. Een vorst die zich in pracht en praal moest hullen, maar die liever rondliep in eenvoudige kleding, die hem toestond zonder kleerscheuren op zijn paard door de bossen te rossen…

De keizerskroon als waardering
Karel de Grote, een mengeling van historische fantasie en veronderstelde werkelijkheid, zal voor een deel wel altijd een raadsel blijven. Vast staat evenwel, dat deze voortdurend naar geld snakkende vorst van grote betekenis is geweest voor de West-Europese beschaving. Hij breidde zijn rijk nog verder uit dan zijn voor­gangers en hun hofmeiers al hadden gedaan. Vast staat ook, dat hij een voortreffelijke   organisatie   binnen zijn rijksgrenzen instelde. En zeker is, dat uit waardering voor deze uitstekende organisatie, paus Leo III hem in het jaar 800 de gouden keizerskroon op de blonde haren drukte. Tot dat ogenblik had Karel (sinds 768) zijn land als koning gediend.

Later dacht Karel de Grote over die gedenkwaardige ogenblikken in de Sint- Pieter in Rome heel anders dan zijn volk. Zijn levensbeschrijver en goede vriend Einhard tekende uit de mond van de keizer op: ‘Als ik er het geringste vermoeden van had gehad wat paus Leo van plan was, dan zou ik geen voet in de Sint-Pieter hebben gezet, zelfs al was het eerste kerstdag.’

Politieke en godsdienstige uitbreiding
Karel de Grote had meer dan 30 jaar nodig om de ontembare Saksen aan de oostgrens te onderwerpen en hen tot christenen te maken. Dat de Saksische gevoelens bij de doop altijd even oprecht zijn geweest, mag worden betwijfeld. Karel de Grote maakte de godsdienst ondergeschikt aan de politiek. Wie zich bekeerde, mocht zich als een volwaardig ingezetene van het Frankische rijk beschouwen. Heidenen konden alleen maar gedood of bekeerd worden… In 772 rukten de troepen van Karel de Grote voor de eerste keer Saksisch gebied binnen. In dat land werden nog de oude Germaanse goden aan­geroepen en er werden offers gebracht aan de voet van eeuwenoude eiken. Het doel van Karel de Grote was Paderborn in Westfalen. Daar ver­nielde Karel de Irminsaule, een zware houten zuil, waarop volgens de Saksen de wereld rustte. Uit de omringende tempels en heiligdommen werden de gouden en zilveren schatten als krijgsbuit in beslag genomen. Velen lieten zich min of meer gedwongen tot christenen dopen, maar de Irminsaule werd haastig weer opgericht, toen Karel zijn hielen nog maar net had gelicht… Toen de legers van Karel de Grote zuidwaarts trokken naar de oproerige Longobarden, vielen de ‘bekeerde’ Saksen plunderend en moordend het Frankische rijk binnen om zich te wreken voor de ondergane vernede­ringen.
De getergde Karel liet daarop 4.000 vooraanstaande Saksen bijeendrijven en ze stuk voor stuk onthoofden. Dat had als gevolg, dat de verontwaar­digde Friezen toen ook naar de strijdbijl grepen!
Ten slotte kwam er een onverwacht einde aan het al heel lang broeiende geschil met de Saksen. De Saksische koning Widukind besloot zich te laten dopen. Hij werd door Karel de Grote overladen met kostbare doop­geschenken, op voorwaarde dat de Saksen zich verder als brave rijks­genoten zouden gedragen. Nog éénmaal kwam het tot een bloedige Saksische opstand. Karel de Grote, ouder en ook wijzer geworden, koos voor een vreedzame oplossing. Hij liet eenvoudig een duizendtal koppige en opstandige Saksische families emigreren naar het hart van het Frankische rijk en liet hun plaats innemen door trouwe Franken. Daar­mee was de weerstand voorgoed gebroken. De Saksen ontpopten zich weldra als trouwe volgelingen van de keizer. Later zouden ze zelfs het Frankische rijk in Duitsland en Italië voortzetten…

De strijd tegen de Saracenen
Iemand heeft eens opgemerkt, dat de geschiedenis van het Frankische rijk met bloed werd geschreven. De Fran­ken hadden ten tijde van de Merovingen weinig vrede gekend, maar onder de ‘Karolingen’, zo genoemd naar Karel de Grote, werden de slagzwaar­den en strijdbijlen voortdurend scherp gehouden.

Beieren, het gebied van de Bavaren, werd na hevige strijd bij het Fran­kische rijk ingelijfd. De Avaren, een Aziatisch ruitervolk dat in Hongarije aan de grenzen van Karel de Grote knabbelde, werd onderworpen. Daar­na verdwenen ze uit de historie. Bloed vloeide vooral in Zuidwest-Europa, waar Karel de Grote zich tot taak stelde de Spaanse christenbevol­king te verlossen van het mohamme­daanse juk. In 778 trokken de Fran­kische legers ten strijde tegen de Moren in een ‘heilige oorlog’, die smadelijk werd verloren. Het leger van Karel de Grote moest zich zelfs onder benarde omstandigheden terug­trekken in de bergen. Voor een deel werd zijn leger vernietigd in een smalle bergpas. De gesneuvelde
bevelhebber van de achterhoede, Roland van Bretagne, werd een historische figuur. Zijn heldhaftig optreden heeft op de verbeelding gewerkt van vele schrijvers.

Toen drie eeuwen later de strijd tegen de Saracenen weer hoog oplaaide, bezongen de kruisridders verheerlijkt de strijd van Roland tegen de barbaar­se Saracenen. Hun lied was het befaamde ‘Rolandlied’, een helden­dicht dat de heldhaftigheid en de edele eigenschappen van de Fran­kische krijgers danig opblies. In het lied werd voorbijgegaan aan het feit dat de Spaanse christenen helemaal niet zo graag ‘bevrijd’ wilden worden. Ze hadden het onder het Saraceense bewind bijzonder goed. Ook werd in het lied met geen woord gerept over de felle, vrijheids­lievende Basken, een oud Keltisch volk dat de Franken vernietigender slagen toebracht dan de achtervol­gende Saracenen…

De schatten van de Avarenkoning
De voortdurende veldtochten van Karel de Grote kostten handenvol goud, maar leverden anderzijds ook het nodige op. In het verslag van de veldtocht van de Franken tegen de Avaren werd melding gemaakt van vijftien wagens, elk getrokken door vier ossen, die nodig waren om de schatten van de Avarenkoning te vervoeren naar het paleis van Karel de Grote.
Ten slotte was Karel de Grote heerser over een gebied dat zich uitstrekte van de Pyreneeën tot de rivier de Elbe en van Rome tot de Noordzee. Hij was heer en meester in een rijk, dat kon wedijveren met het verloren gegane Romeinse rijk. De uitgestrekt­heid van dat enorme rijk gaf natuur­lijk de bijbehorende problemen.

De paltsen van Karel de Grote
Karel de Grote zag in, dat een goed bestuur niet mogelijk was zonder goede wegen, betrouwbare verkeers­middelen en voorbeeldige ambtena­ren. Zelf gaf hij daarin het beste voorbeeld. Hij zetelde in een palts, een soort landgoed, waar alles zeer doelmatig was geregeld. Een palts was in handen van een rentmeester, die een veelomvattende taak had. Hij hield toezicht op de boeren en het werk dat ze moesten doen. Hij regelde het werk van een groot aantal vaklieden, zoals timmer­lieden, zeepzieders, vissers, nettenmakers, bakkers en brouwers, die
alle­maal het ambachtelijke voorbeeld voor hun omgeving moesten zijn. Alles was omschreven en vastgelegd, vanaf de aanwezige werktuigen tot en met de productie van de koninklijke hoeve. Het was een soort modelboer­derij, als voorbeeld voor de omwonenden. Tussen de paltsen werden wegen aangelegd, vaak op de restanten van de oude Romeinse wegen. Met zijn omvangrijke hofhouding trok Karel de Grote van de ene palts naar de andere. Een bekende palts was bijvoorbeeld Nijmegen. Een an­dere palts was Aken, waar Karel het liefst verbleef.

Verdeling in gouwen
Het Frankische rijk werd verdeeld in gouwen, een soort provincies, waarin het bestuur werd geregeld door een graaf. De taak van de graaf bestond uit het innen van belastingen, het spreken van recht en het aanvoeren van het gouwleger in tijd van oorlog. Belangrijker waren de markgraven of hertogen. De marken waren grensge­bieden en de markgraven moesten de rest van het rijk beschermen tegen indringers. Uit de marken zouden later verschillende landen ontstaan, zoals Denemarken (de mark van de Denen) en Oostenrijk (de mark van de oostgrens).
Alle graven en hertogen werden gecontroleerd door rondreizende ko­ningsboden, die rechtstreeks onder Karel de Grote stonden. De boden trokken steeds met hun tweeën door de gouwen en marken, om te con­troleren of de graven en hertogen wel aan alle eisen van de koning (en later de keizer) voldeden. Ook hoorden ze klachten van de bevolking aan.

Slavenhandel en heirplicht
Het schijnt dat Karel de Grote meevoelde met de gewone man, die in zijn tijd meestal half om half of helemaal slaaf was. Hij hanteerde de bijbel als de hoogste wet, toen hij bepaalde dat niemand, ook geen slaaf of boer, op zondag tot werken mocht worden gedwongen.
Karel de Grote heeft zelfs geprobeerd iets te doen tegen de welig bloeiende slavenhandel. De meeste slaven waren krijgsgevangenen, die voor een zacht prijsje aan Venetiaanse slavenhande­laars werden verkocht. Karel de Grote wist in samenwerking met de paus te bereiken, dat de slavenhandel gecontroleerd werd. Een lijfeigene mocht alleen maar worden verkocht binnen de grenzen van de gouw. Een bisschop moest bij het verhandelen aanwezig zijn om te voorkomen, dat de slaaf in ongewenste handen viel. Een andere maatregel van Karel de Grote bracht verlichting voor de boeren. Van oudsher waren alle mannelijke Franken ‘ heirplichtig. Dat betekende dat ze have en goed in de steek moesten laten als er gevochten moest worden. De koning zag in, dat de schade daardoor in oogsttijd veel te groot was en hij stelde een soort buitengewone dienstplicht in, steeds voor zeven boeren tegelijk. Slechts één van die zeven hoefde aan de oproep gevolg te geven. De andere zes hadden de plicht om de zevende te voorzien van een paard en wapens en voor zijn boerderij te zorgen.

Karel de Grote en de paus
Hoe veroveringsgezind Karel de Grote en zijn Franken ook waren, hun onderwerpingsdrift kwam altijd tot staan aan de grenzen van de kerkelijke staat van de paus. Ze waren sterk genoeg om heel Italië bij het Fran­kische rijk in te lijven, maar dat deden ze niet. Ze begrepen maar al te goed dat de paus een té levend symbool was van het christendom. Het geloof was voor Karel de Grote één van de belangrijkste bindmiddelen om zijn rijk, waarin vele volkeren en stammen waren verenigd, bijeen te houden.

Vast staat, dat de keizer de paus ook niet als meer dan als dat symbool beschouwde. Karel de Grote liet zich betitelen als ‘Heer en vader, koning en priester, hoofd en gids van alle christenen’. Daar blijkt uit, dat hij zich zóveel waardigheid toedacht, dat er voor de paus inderdaad weinig anders overbleef dan te bidden voor het heil van de Frankische vorst en hem te helpen in zijn strijd tegen het heidendom…

6e klas Karel de Grote 2

Onder protest van de Oost-Romeinse machthebbers werd Karel de Grote op eerste kerstdag van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer gekroond. Om op goede voet te blijven met de Oost-Romeinen, was Karel van plan met de Oost-Romeinse keizerin Irene te trouwen. Als dat plan was doorgegaan, zou hei nieuwe samengevoegde keizerrijk weer bijna net zo groot zijn geweest als het oude Romeinse rijk. Maar keizerin Irene werd in 802 ten val gebracht. Bij de dood van de keizer in 814 erkenden de Oost-Romeinen het Frankische keizerrijk.

Het wonderlijke evenwicht
Reeds in de tijd van Karel de Grote kende Europa twee bruggenhoofden, waar twee godsdiensten elkaar bijna raakten. In Zuid-Spanje vormde de Straat van Gibraltar een scheiding tussen de islam en het christendom. De andere gemakkelijk te nemen hindernis was de Bosporus, de plaats waar de Zwarte Zee uitmondde in de Middellandse Zee. Op de westelijke oever van de Bosporus lag het trotse Constantinopel.
Waren de moslims eensgezind ge­weest, dan hadden ze Europa via beide bruggenhoofden in de tang kunnen nemen. Maar door een speling van het lot gebeurde dat niet. Alleen in Spanje zouden de moslims het Europa eeuwenlang moeilijk blijven maken. Daar was het kalifaat van Cordoba gevestigd, de staat van de krijgszuchtige, maar ook hoogbe­schaafde Saracenen. Aan het oostelijke bruggenhoofd bleef het ten tijde van Karel de Grote vre­dig en rustig. De vorst van Klein-Azië was Haroen al Raschid, een gezworen vijand van de kalief van Cordoba. Hij zag in Karel de Grote meer een medestander dan een vijand. Zo werden de machtsverhoudingen in Europa in evenwicht gehouden.

Vrienden met de kalief
Het staat vast, dat Karel de Grote en kalief Haroen al Raschid het uitste­kend met elkaar konden vinden. Ze wisselden vaak vriendelijke bood­schappen uit en gaven elkaar over en weer geschenken. In 802 kreeg Karel de Grote zelfs een olifant van zijn Arabische vriend ten geschenke! De kalief liet hem weten, dat er onder de hem bekende vorsten geen groter vriend bestond dan hij, de vorst van de Franken.

Arabische Wetenschappen
Door middel van kalief hadden de Ar bieren een zekere invloed op het rijk van Karel de Grote. De onderdanen van de kalief hadden een hoogstaande beschaving ontwikkeld, waarin kunsten en wetenschappen bloei­den. De   letterkunde bloeide volop en vond in zekere mate haar weer­slag aan het Frankische hof. Alle door de Ara­bieren beoefende we­tenschappen begonnen een beetje door te sijpe­len naar Europa: wis­kunde, sterrenkunde, aardrijkskunde en zelfs twijfelachtige weten­schappen als astrologie en alchemie.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
673

­

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Het Merovingische rijk

Frankische veroveringsdrift
Rond 350 n. Chr., ongeveer in de tijd dat de Hunnen Europa bereikten, wees de Romeinse keizer Ragnentius aan de Germaanse Franken een ge­bied toe, dat tegenwoordig bekend staat als de Noord-Belgische Kempen. De Romeinse keizer kon toen niet vermoeden, dat hij daarmee de basis legde voor een groot rijk. Een rijk, dat in de Europese geschiedenis een toonaangevende rol zou gaan spelen en dat in macht en omvang zou kunnen wedijveren met het vroegere Romeinse keizerrijk. De eerste Frankische koning die het grondgebied begon te vergroten, was Chlodio. In het jaar 432 legde hij beslag op de rivierdalen van de Schelde en de Leie. Daardoor werd heel West-België toegevoegd aan het kleine rijk.

Ten slotte breidde het Frankenland zich uit tot aan de Somme, een rivier in Noord-Frankrijk. De Romeinen, die de veroveringslust van de Franken al enige tijd met ongenoegen hadden gadegeslagen, vonden het toen toch wel wat te gortig worden. De Romeinse veldheer Aëtius werd met een groot legioen naar het Franken­land gezonden. Hij had de opdracht gekregen, de oprukkende Franken duidelijk te maken dat niet de Franken, maar de Romeinen het voor het zeggen hadden in Europa. De waarschuwing werd door de Franken goed begrepen. Hun ver­overingsdrift bekoelde. Childerik, de opvolger van Chlodio, vocht zelfs zij aan zij met de Romeinen tegen de Westgoten en een andere binnenval­lende Germaanse stam: de Alemannen. Maar de zoon van Childerik, de 16-jarige Clovis, dacht er anders over. Hij trok zich niets aan van de waarschuwing van de Romeinen. Nietsontziend wierp hij zich in de strijd. Moordend en bedriegend legde hij de basis voor het Frankische rijk in West-Europa. Vanuit de Frankische hoofdstad Doornik zou een nieuwe macht ontstaan…

Sluipmoord, verraad en bedrog
Toen de jonge Clovis in 481 de troon besteeg, was hij eigenlijk alleen maar koning over één van de twaalf Frankische staatjes. Zijn echte naam was Chlodovech, een naam waaraan latere Europese vorsten hun naam zouden ontlenen: Lodewijk, Ludwig en Louis. (De naam Clovis werd eigenlijk pas na 1400 gebruikt).
Clovis was er de man niet naar om gehoorzaamheid of respect te betuigen aan de steeds machtelozer wordende Romeinen. List en geweld waren de werktuigen waarvan hij zich vaak bediende. De Romeinse legioenen konden Clovis niet beletten dat ten slotte de grootste gedeelten van de Romeinse provincies Gallië (Frankrijk) en Germanië (Duitsland) veroverde.

De veroveringen van Clovis geschiedden op een eenvoudige, bijzonder listige manier. Clovis sloot een verbond met andere Frankische heersers om land te veroveren. Iedere deelnemer zou een gelijk stuk van de buit krijgen. Was de overwinning eenmaal behaald, dan liet Clovis zijn medestanders door sluipmoord uit de wegruimen.  Dat bespaarde  hem niet alleen veel moeilijkheden bij de verdeling van de buit, maar het bood Clovis tevens de gelegenheid om het gebied van de zo plotseling overleden vorsten bij het zijne te voegen.
De hoofdstad Doornik – waar in 1653 het graf van Childerik werd gevonden – werd vervangen door Parijs. Toen Clovis zich meester maakte van Parijs en  omgeving,  vluchtte de Romeinse bestuurder van die stad, Syagrius, naar de Westgotische koning Alarik II. Die ontving Syagrius gastvrij en leverde hem
ver­volgens uit aan de Franken.. Zonder gewetenswroeging liet Clovis de Romein vermoorden.

De doop van koning Clovis
De Franken waren voor het merendeel heidenen. Ook koning Clovis was geen aanhanger van het christendom, maar wel zijn vrouw Clothilde. Clovis had het veel te druk met oorlogvoeren om over het geloof na te denken. In een oorlog die de Franken voerden tegen de Alemannen in de Elzas, ging het Clovis niet voor de wind. Zijn leger dreigde te worden afgeslacht. In wanhoop riep hij de god van zijn vrouw aan. Hij beloofde dat hij en zijn mannen zich zouden laten dopen, als de God van de christenen hem de overwinning zou schenken. Clovis won de slag en hij hield woord. Volgens de geschiedschrijver Gregorius van Tours zou Clovis zich op kerstdag van het jaar 496 hebben laten dopen door de bisschop van Reims. Die zou daarbij de woorden hebben gesproken: ‘Trotse barbarenkoning, buig het hoofd, aanbid wat u verbrandde en verbrand wat u aanbad.’

Gestopt doorTheodorik de Grote
De veroveringstocht van de Franken onder aanvoering van Clovis, werd gestopt door de Oostgotische koning Theodorik de Grote, de zwager van Clovis. Theodorik had Rome veroverd en was de feitelijke keizer van het Westromeinse rijk. Hij wilde alle Germaanse stammen in Europa ver­enigen in één groot Germaans rijk. Maar Clovis had andere plannen: het stichten van een groot Frankisch rijk zonder de Germanen. Hij trok op veldtocht naar het zuiden van Gallië. Ten noorden van de Pyreneeën had­den de Westgoten nog een flink stuk van Gallië in bezit. Bij de plaats Vouglé kwam het tot een veldslag tus­sen Franken en Westgoten. De West-gotische koning Alarik II, een schoon­zoon van Theodorik de Grote, sneu­velde en zijn volk werd verslagen. Clovis breidde zijn rijk uit naar het zuiden. Toch lukte het hem niet de Westgoten helemaal over de bergkam­men van de Pyreneeën te jagen. Een klein stukje Gallië bleef in Westgotisch bezit.
Dat stond Clovis helemaal niet aan, maar hij móest zijn veldtocht wel beëindigen. Zwager Theodorik, de Westromeinse keizer, kwam dreigend tussenbeide! Zo bleven een stuk land langs de rivier de Rhöne en een strook ten noorden van de Pyreneeën buiten de invloedssfeer van de Franken.

Het geslacht van de Merovingen
Het koningshuis waartoe Clovis be­hoorde, werd later aangeduid met de naam Merovingen. Die naam kwam af van de niet zo bekende koning Merovech, die in 451 een rol zou hebben gespeeld in de slag tegen de Hunnen. De groeiende macht van het geslacht van de Merovingen was duidelijk.
Begonnen als koningen van één van de Frankische stammen, de zoge­naamde Salische Franken, trokken ze langzaam maar zeker alle macht naar zich toe. Geen middel werd daartoe onbeproefd gelaten, zelfs niet als deze middelen moord en verraad inhielden. Binnen drie generaties had­den de Merovingische koningen de oude Romeinse provincies België en Gallië vrijwel geheel veroverd. De Merovingen behielden hun macht vrij lang. Pas rond 750 zou hun heerschappij worden overgenomen door de Karolingische vorsten. De macht van de Merovingen rustte op een drietal pijlers: het leger, het geloof en een krachtig bestuur. Toen de Franken overgingen tot het rooms-katholieke geloof, kregen ze ook de paus aan hun kant. In de veroverde gebieden werden ze door de
christen­bevolking als bevrijders beschouwd. Het volk begon de Merovingische koningen zelfs te beschouwen als de erfgenamen van de Romeinse keizer. Een doelmatig werkend korps van ambtenaren volgens oud-Romeins voorbeeld maakte van het Frankische rijk een sterke staat. Een staatkundige zwakheid van de Merovingen was hun oude Germaanse erfrecht. Bij het overlijden van een koning werd het rijk onder zijn zoons verdeeld. En dat zou ten slotte het einde van het rijk van de Merovingen betekenen.
Op 27 november 511 overleed koning Clovis in zijn hoofdstad Parijs. Zijn vier zoons moesten het welvarende rijk in vier gelijke stukken verdelen en hun gebied gaan besturen.

De vier zoons van Clovis
De vier zoons van koning Clovis waren Theodorik, Chlodomir, Childebert en Chlotarius. Ze volgden al snel het voorbeeld van hun vader. Ze vergrootten hun grenzen en gingen niet uit de weg voor een politieke moord meer of minder. Toen in de oorlog tegen de Bourgon­diërs koning Chlodomir sneuvelde, haastten de drie overgebleven broers zich alle kinderen en andere erfgena­men van hun broer spoorloos te laten verdwijnen. Dat vonden ze de gemak­kelijkste manier om de erfeniskwestie op te lossen en hun eigen gebied uit te breiden!

Thüringen, een deel van het oude Germanië, onderging al snel hetzelfde lot als Bourgondië en werd aan het Frankische rijk toegevoegd. Volgende vorsten baanden zich een weg naar het noorden, langs de Rijn. De Merovingen bouwden langs de Rijn en de zijrivieren ervan verster­kingen, vaak op dezelfde plaatsen waar de Romeinse burchten hadden gestaan. Aan de monding van de Oude Rijn, bij Katwijk (het vroegere Lugdunum), verrees een Frankische vesting. In Maastricht (het vroegere Mosa Trajectum) werd een konink­lijke verblijfplaats gebouwd, waar de Frankische koning zo nu en dan ver­bleef.

Het erfrecht werd steeds lastiger voor de Merovingen. De Frankische vor­sten werden niet oud. Ze trouwden als ze ongeveer 15 jaar oud waren en ze werden grootvader rond hun dertigste jaar. Bij hun dikwijls plotselinge dood brak gewoonlijk een felle strijd uit tussen de erfgenamen. De meesten lieten daarbij het leven. Zo bleef het rijk toch steeds min of meer volledig in handen van één, gewoonlijk zeer jonge en onervaren vorst. Het koningschap van de Merovingen gleed af door de stijgende invloed van hun raadsheren. Volgens de geschiedschrijvers waren de laatste Merovingische koningen alleen nog maar marionetten, die zich slechts bezighielden met de verzorging van hun haren…

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
672

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

De profeet Mohammed

Geboorte en jeugd van Mohammed
Wanneer Mohammed precies werd geboren, is niet met zekerheid be­kend. Naar men in Arabië zegt, zou het  in het ‘Jaar van de Olifant’ zijn geweest. Algemeen wordt aangeno­men dat de profeet omstreeks 570 na Chr. is geboren. Zijn geboorteplaats staat in elk geval wel vast, dat was Mekka.*

Zijn vader heette Abdallah en hij be­hoorde tot een verarmde tak van de stam van de Koraisjieten. Zijn moeder heette Amina. De legende vertelt dat Abdallah zó’n knappe man was, dat er op de dag van zijn bruiloft met Amina wel 200 jonge maagden van liefdesverdriet stierven. De echtgenoot ging vrij spoedig na zijn huwe­lijk op zakenreis. Hij overleed óf onderweg óf kort daarna. Zo kwam Mohammed als half wees ter wereld.

Omdat Amina arm en ziekelijk was, gaf ze haar kindje mee aan een
Bedoeïenenvrouw, Halima, om hem te zogen. Zijn eerste levensjaren heeft de beroemde man dus doorgebracht in een gebied van bergen en woestij­nen. Na een paar jaar bracht Halima de jongen terug bij zijn moeder, zij stierf vrij kort daarop. Zijn verdere opvoeding werd eerst door zijn grootvader en later door een van zijn ooms voortgezet. Met deze oom heeft hij tijdens een reis onder andere een tijdje in een christelijk klooster ver­toefd. Daar heeft hij de gelegenheid gehad de christelijke godsdienst beter te leren kennen.

‘Jij bent Gods profeet!’
Tot de leeftijd van ongeveer 40 jaar is er over Mohammed eigenlijk weinig bekend. Ofschoon hij een knappe, evenwichtige en slimme man was, is hij toch vrij lang vrijgezel gebleven. Dit kwam omdat hij niet met aardse goederen was gezegend. Hij was straatarm. Maar zijn goede lichame­lijke en geestelijke eigenschappen maakten toch zo’n indruk op de rijke weduwe Chadidja, dat zij hem in dienst nam om haar karavanen naar en van Syrië te leiden. Hoewel
Cha­didja 15 jaar ouder was dan Moham­med, kroop het bloed waar het niet gaan kon en Mohammed en Chadid­ja trouwden. Het echtpaar kreeg ver­scheidene kinderen, waarvan er enke­le op jonge leeftijd stierven. Het huwelijk met de rijke Chadidja, dat heel gelukkig moet zijn geweest en met een hechte geestelijke band, ontsloeg Mohammed van de zorg om voor zijn dagelijks brood te werken. Hij kon zich verdiepen in gods­dienstige problemen en hij vroeg zich af, waarom joden en christenen één God aanbaden, terwijl de Arabieren zovele goden** tot voorwerp van ver­ering hadden.

Om dit alles rustig te kunnen over­denken, trok hij zich terug in een grot van de berg Hera. Om daar langere tijd te kunnen doorbrengen, nam hij een voorraad eten en drinken mee. De woeste schoonheid van het land­schap overdag en de onmetelijkheid van de sterrenhemel ’s nachts vervul­den hem met diepe eerbied voor de Schepper ervan. Op een nacht, toen hij in diepe slaap gedompeld was, kreeg hij een visioen. De aartsengel Gabriël verscheen hem, hield hem een met tekens bedekt stuk stof voor en zei: ‘Lees!’ Hevig geschrokken antwoordde Mohammed dat hij niet lezen kon, maar de engel zei nog tweemaal dat hij lezen moest en wierp hem daarbij op de grond. Toen kon hij wel lezen. Daarna zei de engel hem voor:

‘Lees in naam van je Heer, Die schiep;
Die de mens schiep uit klonters bloed!
Lees! Je Heer is de Verhevenste,
Die door de pen de mens leerde wat hij niet wist.

Men kan deze woorden terugvinden in het 96ste hoofdstuk van de Heilige Koran, het heilige boek van de moslims. Toen Mohammed ont­waakte, voelde hij zich zeer verward. Hij meende zelfs dat hij gek gewor­den was. Met de gedachte dat het misschien beter zou zijn zelfmoord te plegen, wankelde hij de grot uit. Maar buiten gekomen hoorde hij op­nieuw een stem die toen tot hem zei:
‘Jij bent Gods profeet!’ Overal waar hij maar keek, zag hij steeds weer de aartsengel. Bevend over zijn hele li­chaam kwam hij thuis bij Chadidja, die hem in een deken wikkelde en hem met kalmerende woorden tot rust bracht. Van het begin af aan was zij ervan overtuigd dat wat haar man was overkomen geen boze droom was geweest, maar een werkelijk visioen. Zo werd zij de eerste die in zijn god­delijke zending geloofde. In dit ge­loof werd ze nog gesterkt door haar blinde neef Waraqua, die verklaarde dat Mohammed dezelfde engel moest hebben gezien als destijds Mozes en de profeten.

6e klas Mohammed 1

De engel Gabriël verschijnt aan Mohammed

De prediking van Mohammed
Mohammed begon daarna in Mekka zijn geloof te verkondigen, zoals hem door de aartsengel was opgedragen. Hij meende dat joden en christenen weliswaar dezelfde God aanbaden als hij, maar hij was er vast van over­tuigd dat ze van de ware beginselen waren afgeweken. Zowel de joden als de christenen hielden zich niet meer aan de wet en vooral de christenen met hun verering van heilige
voor­werpen en heiligen waren volgens hem helemaal van het rechte pad
af­gedwaald. Bovendien was hun opvat­ting dat God een Drieëenheid is, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, helemaal in strijd met zijn leer: ‘Er is maar één God!’ Hij zag zichzelf als de laatste in de rij profeten waarvan ook Jezus deel had uitgemaakt. Hij beschouwde zichzelf dus eigenlijk niet als stichter van een nieuwe gods­dienst, wel als iemand die een bestaande godsdienst herstelde en vervolmaakte. Het getal van zijn aan­hangers groeide niet snel, ondanks het feit dat de profeet omstreeks het jaar 614 en op de leeftijd van onge­veer 45 jaar een werkelijk indrukwek­kende figuur met een dwingende blik en een prachtige golvende baard moet zijn geweest. Na 3 jaar had hij nog maar een 40 volgelingen. Zijn ei­gen stamgenoten, de Koraisjieten, maakten hem het leven zuur en bespotten hem zo vaak ze maar kon­den. Hun grote angst was namelijk dat de Kaäba** als godsdienstig mid­delpunt zou verdwijnen, wanneer Mohammed veel aanhang zou krij­gen. Dat zou dan meteen betekenen dat een welkome bron van inkomsten zou wegvallen. Toen ondanks hun verzet toch steeds meer mensen zich tot Mohammeds leer bleken te beke­ren, besloten de Koraisjieten de pro­feet te vermoorden. Maar door een wonder werd de man die de daad moest volbrengen, zelf bekeerd…..***

6e klas Mohammed 2

Mohammed predikt

Een gevleugeld paard
Geleidelijkaan gingen steeds meer Arabieren over tot het geloof in de ene God die Mohammed predikte, niet alleen in Mekka, maar ook in de stad Jathrib. Vooral in Jathrib steeg het aantal gelovigen verrassend snel. Toch bleef Mohammed in Mekka een voorwerp van spot en haat van de Koraisjieten. Zozeer zelfs, dat hij zijn leven ten slotte niet meer zeker was. Hij moest de bergen in vluchten en zich daar verborgen houden. Al­leen tijdens de heilige maanden, wan­neer er niet gevochten mocht worden en geen bloedwraak gepleegd mocht worden, keerde hij naar de stad te­rug. In die moeilijke tijd had hij een visioen dat hem er opnieuw van overtuigde dat hij op de ingeslagen weg moest doorgaan. In dit visioen reisde hij op een gevleugeld paard van Mek­ka naar Jeruzalem. Vandaar steeg hij op, begeleid door de aartsengel Ga­briël, naar de zevende hemel, waar hij door de profeten werd begroet. Hém alleen was het ten slotte ver­gund boven de zevende hemel uit tot God te gaan. Deze raakte zijn schou­der aan en Mohammed voelde een verschrikkelijke kou in zijn hart. Daarna keerde hij met nieuwe kracht gesterkt terug naar Mekka.

De Stad van de Profeet
Toen het eerste plan van de Koraisjie­ten om Mohammed uit de weg te rui­men niet was gelukt, beraamden ze een tweede moordaanslag. In een al­gemene vergadering besloten ze dat één man van iedere familie hieraan zou deelnemen. Allen zouden dan te­gelijk met het zwaard op het slachtof­fer insteken. Door dit gezamenlijk optreden zou daarna geen bloed­wraak meer mogelijk zijn. De samen­zwering lekte echter uit, naar men zei door toedoen van een engel. De
pro­feet redde samen met zijn vriend Aboe Bekr het vege lijf in een over­haaste vlucht. Na een dag of tien be­reikten beiden veilig Jathrib, waar ze allervriendelijkst werden ontvangen. De naam van deze stad werd omge­doopt in Medina-al-Nabi (Stad van de Profeet) of kortweg Medina. De vlucht of ‘Hidjr’ van Mohammed van Mekka naar Medina werd als zo’n belangrijke gebeurtenis be­schouwd, dat daarmee de mohamme­daanse jaartelling begint (622). Om­dat hierbij niet van zonnejaren maar van maanjaren)* wordt uitgegaan, is het bijzonder moeilijk de christelijke en de mohammedaanse tijdrekenin­gen met elkaar in overeenstemming te brengen.

Allerlei regels en voorschriften
Omdat er in Medina vrij veel joden woonden en omdat Mohammed zich­zelf als vernieuwer van hun gods­dienst zag, probeerde hij ijverig hen voor zijn geloofsopvattingen te win­nen. Maar tot zijn grote teleurstelling wilden ze daar niets van weten. Daar­om regelde hij toen een aantal zaken duidelijk anders dan bij de joden ge­bruikelijk was. Zo stelde hij de verplichte rustdag of ‘sabbat’ niet op zaterdag, maar op vrijdag vast. De maand ‘Ramadan’ werd tot vasten­tijd bestemd en bij het dagelijks ge­bed moest de gelovige het gelaat niet langer naar Jeruzalem wenden, maar naar Mekka. In Medina schaarden zich vele gelovigen rond de profeet en ook uit Mekka voegden zijn aanhan­gers zich bij hem. Om onder het groeiend aantal van zijn volgelingen orde en gezag te handhaven, ging Mohammed niet alleen vele gods­dienstige, maar ook allerlei staatkun­dige en maatschappelijke regels en voorschriften geven. Vaak kreeg hij deze door middel van visioenen. Een groot probleem werd, hoe de hele groep in het levensonderhoud moest voorzien, want het meegebrachte geld was al gauw op. Toen beraamde Mohammed met 300 volgelingen een overval op een karavaan van de Koraisjieten. Die werden echter inge­licht en zo’n 1000 van hen trokken erop uit om de moslims te verslaan. Voordat het tot een treffen kwam, spoorde de profeet zijn mannen aan tot de grootst mogelijke dapperheid. Hij betoogde dat wie sneuvelde in de strijd om het geloof, regelrecht naar het paradijs zou gaan.

De ‘Heilige Oorlog’
De slag tegen de Koraisjieten eindig­de in een geweldige overwinning voor Mohammed en zijn gevolg. Sindsdien werd de ‘Heilige Oorlog’ voor Mo­hammed de belangrijkste manier om het geloof te verbreiden. Na de eerste gewonnen slag tegen de Koraisjieten stroomden van alle kanten bekeerlin­gen toe. Dat de profeet een visioen had gekregen waarin hem meege­deeld werd dat viervijfde deel van de in de ‘Heilige Oorlog’ gemaakte buit onder de soldaten moest worden
ver­deeld, terwijl éénvijfde voor gods­dienstige doeleinden en voor de ar­men was bestemd, was aan die snelle groei niet vreemd. Gevangengeno­men vrouwen mochten zonder meer door de soldaten in bezit worden ge­nomen. Om een grotere ruiterij te verkrijgen, waarmee natuurlijk veel sneller en beter oorlog kon worden gevoerd, ontvingen ruiters tweemaal zoveel buit als de soldaten te voet. Zo kreeg Mohammed de beschikking over een leger dat met grote geestdrift en ware doodsverachting de strijd in­ging.)** In 10 jaar tijd werden ongeveer 50 krijgstochten ondernomen. Aan zeker 9 veldslagen of belegeringen heeft de profeet zelf deelgenomen. Heel Arabië werd aan zijn gezag en aan zijn leer onderworpen. De kroon op zijn werk was, na een lange en he­vige strijd met de Koraisjieten, de on­derwerping aan Mekka in het jaar 630. Hij was genadig tegenover zijn vroegere vijanden en schonk hun, op een enkele uitzondering na, vergiffe­nis. De hele bevolking van de versla­gen stad ging tot de islam over. De honderden afgodsbeelden werden uit het heiligdom van de Kaäba verwij­derd, maar de verering van de Heilige Zwarte Steen werd gehandhaafd. Ook het gebruik van de bedevaarten naar Mekka bleef bestaan.

De dood van de profeet
In het voorjaar van 632 gaf Moham­med de wens te kennen dat hij naar Mekka wilde gaan om er persoonlijk de plechtigheden in en buiten de stad te leiden. En zo geschiedde. Hij vol­bracht de ommegangen rond de Kaä­ba, zegde de gebeden op en bracht de offers. Daarbij deed hij zijn best ie­dere mogelijke gedachte aan heidense gebruiken uit te wissen. Hij riep zijn talrijk gehoor op om ook na zijn dood eensgezind en trouw aan het ge­loof te blijven. Ten slotte vroeg hij of hij zijn goddelijke zending goed had volbracht. Daarna keerde hij terug naar Medina, waar hij het plan voor een nieuwe veldtocht opvatte. Hij werd echter ziek, kreeg koorts en he­vige hoofdpijnen. Zijn toestand werd geleidelijkaan slechter. Toen hij ver­klaarde dat Allah hem de keus had gegeven tussen deze wereld en de
vol­gende en dat hij de volgende had ge­kozen, begon men te beseffen dat de geliefde profeet wel eens zou kunnen sterven. Enige dagen later, na een korte opleving, sloot hij voorgoed de ogen. Zijn trouwe volgelingen bleven in opperste verwarring achter. De goede Omar kon en wilde eenvoudig niet geloven dat Mohammed was overleden. Hij verklaarde tegenover iedereen dat de profeet maar voor korte tijd naar Allah was gegaan en dat hij beslist zou terugkeren. Aboe Bekr echter hield de samengestroom­de gelovigen voor dat Mohammed een sterveling was, die dus ook de weg van alle stervelingen moest gaan: ‘Alleen Allah is Degene die eeuwig leeft!’

Het geloof van de moslim
Het geloof dat Mohammed heeft ver­kondigd heet ‘islam’. Dit woord bete­kent ‘onderwerping’, namelijk on­derwerping aan Gods Almacht. God is almachtig en daardoor staan alle dingen al helemaal van tevoren vast. .Ais men die almacht aanvaardt, is men moslim of muzelman, dat wil zeggen: iemand die zich blijmoedig bij Gods wilsbeschikking neerlegt. God is immers ook barmhartig. God heeft zich eerst in de bijbel geopen­baard en daarna in de visioenen van de laatste van de profeten: Moham­med. Deze heeft zo allerlei wetten)*** en leefregels gegeven van God, die men kan terugvinden in het heilige boek van de moslims, de koran. Een aantal uitspraken van Mohammed is al tij­dens zijn leven opgetekend op allerlei materiaal dat toevallig voorhanden was, zoals stukken leer, stukken bot, stenen en palmbladeren. Andere uitspraken zijn eerst na zijn dood uit het geheugen of op grond van mondelin­ge overlevering te boek gesteld. Die staan niet in de koran, maar in de ‘Soenna’. Ten tijde van kalief Othman (644-656) is de koran samen­gesteld tot een boek van ongeveer de­zelfde dikte als het Nieuwe Testa­ment. Het boek bestaat uit 114 hoofdstukken of soera’s, die in afnemende lengte zijn geplaatst. De langste soera staat vooraan, de kortste achteraan. Alleen de eerste soera of openingssoera is ook heel kort. De koran vormt dus geen aan­eengesloten verhaal, zoals de bijbel, maar is wat de inhoud van de open­baringen betreft willekeurig van volg­orde. Boven iedere soera staat de re­gel: ‘In naam van Allah, de Barmhar­tige, de Genadevolle’.

De koran en de vijf zuilen
Het woord ‘koran’ betekent ‘lezing’ of ‘opzegging’ en iedere soera begint gewoonlijk met de opdracht ‘lees!’. Het uit het hoofd kunnen opzeggen van grote stukken van de koran wordt als heel verdienstelijk be­schouwd.

Hoewel de koran als de enige goede openbaring van God wordt be­schouwd en de bijbel van de joden en de christenen als vervalst, vindt men er natuurlijk ook tal van bijbelse on­derwerpen en figuren in terug. Voor de gelovige moslim zijn er vijf hoofd­regels die hij zoveel hij kan in acht moet nemen. Het zijn de ‘vijf zuilen’ van de islam:

  • dagelijks de geloofsbelijdenis opzeggen: ‘Er is maar één God en
    Mo­hammed is Zijn profeet’;
  • vijfmaal daags bidden]* met het ge­laat naar Mekka gewend;
  • gedurende de heilige maand Rama­dan vasten, dat is zich onthouden van spijs en drank of ander genot, van zonsopgang tot zonsondergang;
  • aalmoezen geven aan de armen;
  • indien mogelijk éénmaal in het le­ven een bedevaart naar Mekka ma­ken.

*De heilige plaats Mekka
Toen Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, werden ze door de engel zo hardhandig uit het paradijs gegooid, dat ze een heel eind van el­kaar vandaan op de aarde neerkwa­men. Bedroefd en eenzaam gingen ze meteen naar elkaar op zoek. Gelukkig kwamen ze elkaar weer tegen en op de­zelfde plek waar ze werden herenigd, staat thans nog de stad Mekka.

*De Zwarte Steen
Toen Adam en Eva op aarde hard moesten werken om in leven te blijven, verlangden ze er hevig naar om een tempel te hebben net zoals die in het paradijs stond. God, die barmhartig is, vervulde hun wens en schonk hun een tempel. Maar met de dood van Adam verdween ook dit gebouw weer. Abra­ham en Ismaël bouwden later de tem­pel opnieuw op en dat is de Kaäba te Mekka. Tijdens het bouwen metselden ze er een witte steen in, die nog van de aartsengel Gabriël afkomstig was. De­ze steen werd op den duur echter hele­maal zwart door de vele kussen van de zondige pelgrims. Dat is de Heilige Zwarte Steen.

**De Arabische godenwereld
Vóór de prediking van Mohammed waren de Arabieren er vast van over­tuigd dat hemel en aarde vol waren van allerlei geesten en goden. Soms konden deze eruitzien als een dier, soms ook woonden ze in bomen of stenen, voor­al als de stenen een beetje de vorm en de grootte van een menselijke gestalte hadden. Ook sterren konden godheden zijn, zoals de planeet Venus. Boven al­les en allen stond Hobal of Allah, de schepper van de wereld. Hij werd ver­eerd in de gedaante van de Zwarte Steen die in de noordoostelijke muur van het heilige gebouw de Kaäba te Mekka was ingemetseld. Geesten en godheden werden geëerd met
gods­dienstige optochten, gebeden en het brengen van dierenoffers. In tovenarij geloofde iedere Arabier. Man, vrouw of kind beschermden zich hiertegen met amuletten, voorwerpen waarvan men dacht dat ze heilige krachten had­den.

***De bekeerde moordenaar
Van de door de Koraisjieten beraamde moord op Mohammed wordt het vol­gende verteld. Eén van de leden van de stam van de Koraisjieten, Omar, die bekend stond om zijn doldrieste dap­perheid, had op zich genomen de pro­feet om het leven te brengen. Kort voordat hij het boze plan zou uitvoe­ren, bracht hij een bezoek aan zijn zuster. Hij trof haar aan terwijl ze in de uitspraken van Mohammed zat te lezen. Hierover werd Omar zó boos, dat hij ook de jonge vrouw wilde do­den. Maar toevallig viel zijn blik op het geschrevene. Hij las het moslim-gebed van het begin tot het eind en was er zó van onder de indruk, dat hij zijn moordplannen opgaf. Hij ging naar de profeet en behoorde daarna tot diens trouwste volgelingen.

)*De halve maan
Op zekere dag hadden Mohammeds vijanden een samenkomst op touw ge­zet van de profeet met een beroemd Arabisch vorst, Habib de Wijze. De vorst ontving Mohammed met neer­buigende vriendelijkheid en begon ver­volgens het gesprek. Al pratende daag­de hij de profeet uit om door een won­der te bewijzen dat hij werkelijk een geroepene was. Deze ging erop in en toen Habib hem vroeg de maan in twee helften te verdelen deed hij dat. Eén van de helften liet hij uit de hemel neerdalen op de top van de Kaaba. En dat was nog niet alles. Hij liet de halve maan vervolgens in de ene mouw van zijn gewaad verdwijnen en uit de ande­re weer te voorschijn komen. Sinds­dien is de halve maan een heilig
moslim-symbool.

)**Het moslimparadijs
De moslim die trouw alle godsdienst­plichten heeft volbracht en die in het bijzonder heeft deelgenomen aan de “Heilige Oorlog’, wacht in het paradijs de zaligste genietingen. In de mooist denkbare paleizen staan tafels volgela­den met uitgelezen spijzen en kostelij­ke dranken, terwijl een onafzienbare schaar dienaren iedere wens vervult nog voordat deze uitgesproken is. De prachtige tuinen zijn begroeid met heerlijk geurende bloemen en wuivende palmen, terwijl fonteinen hun water sprankelend de lucht inspuiten. In dit lustoord bevinden zich dan ook nog de lieftallige ‘hoeri’s’, bekoorlijke jonge maagden met donkere gazelle-ogen, waarvan alleen de aanblik al een groot genot verschaft. De gelukzalige mag 1000 jaar lang bij hen blijven en hij krijgt 100 keer zoveel mannelijke kracht om zich met hen te vermaken…

)***Parfums en vrouwen
Mohammed verbood zijn volgelingen het gebruik van varkensvlees en het genot van alcoholische dranken. Zelf was hij, terwijl hij toch alleenheerser over Arabië was, een man van eenvoudige en bescheiden levenswijze. Hij molk zelf zijn schapen, verstelde zijn eigen kleding en herstelde zijn schoeisel. Zijn maaltijden bestonden slechts uit wat brood en dadels, al dan niet aangevuld met een beetje honing. Als drank stonden water of melk op tafel. Er waren eigenlijk maar twee dingen waar de profeet een zwak voor had: parfums en vrouwen. In strijd met zijn eigen voorschrift, dat een moslim hoogstens vier vrouwen toestond, had hij er 17. Dit recht was hem, naar hij verklaarde, in een goddelijk visioen toegestaan! Het moet worden gezegd dat hij pas na de dood van Chadidja tot deze veelwijverij is overgegaan. Bij zijn vele vrouwen had de profeet toch slechts één kind, zijn dochter Fatima. Een zoon die na zijn dood als wettig heerser over Arabië kon optreden, was er dus niet.

]*Bidden met de wapens in de hand
Omdat godsdienstoefeningen tijdens een veldtocht wel eens erg gevaarlijk kunnen zijn, gaf de profeet daar re­gels voor, die men in de vierde soera van de koran kan terugvinden: ‘Het wordt iemand niet als zonde aangere­kend, als hij op reis zijn gebed kort maakt daar hij verwacht dat de onge­lovigen hem kunnen aanvallen. Want de ongelovigen zijn gezworen vijan­den. Als jij (Mohammed) bij de gelo­vigen bent en hun gebeden leidt, laat een deel van hen met de wapens in de hand bidden. En als ze het gebed hebben beëindigd, laat hen dan in de achterhoede plaatsnemen en laat dan een ander deel dat nog niet gebeden heeft, naar voren komen om te bid­den; en laten ook zij op hun hoede zijn, met de wapens in de hand.’

6e klas Mohammed 3

Uit de Koran.

Als er een leerling in de klas zit die een moslimopvoeding krijgt ‘moet’ deze natuurlijk iets over de Koran vertellen en met de andere leerlingen een mooi (stichtelijk) vers schrijven. Anders is het zeer aan te raden iemand die de Koran in het Arabisch lezen kan, in de klas uit te nodigen en te laten vertellen en een stukje tekst met de kinderen te schrijven.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
 670

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7/1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

ATTILA DE HUN (406-453)

Attila, koning van de Hunnen, kwam in 441 met zijn legers als een allesvernietigende wervelstorm uit Oost-Europa. Een aantal jaren lang
terrori­seerde hij zowel het West-Romeinse als het Oost-Romeinse Rijk. Deze beroemdste en machtigste van de barbaarse leiders kreeg de bijnaam de ‘Ge­sel Gods’. Hij was een kleine, breedgeschouderde man met een groot hoofd, een platte neus en een vlassige baard. Hij verwoestte vrijwel alles wat hij op zijn weg tegenkwam en zijn naam betekende voor de Europeanen hetzelfde als wreedheid.

Maar Attila was zeker niet alleen een wreed heer­ser. Zijn bijnaam is eigenlijk onrechtvaardig. De Mongolen bijvoorbeeld waren veel wreder. Attila had eerbied voor de wet en hij schonk zijn vijan­den vaak genade. Het was niet zozeer zijn doel om het Romeinse Rijk te veroveren. Hij wilde de Romeinen alleen afschrikken en verzwakken, zo­dat ze geen bedreiging voor hem konden vormen. Attila en zijn oudere broer Bleda erfden hun rijk van hun oom Rua. Dat was in 434. Het centrale land was Hongarije. Vandaar strekte het zich uit van de Alpen in het westen tot de Kaspische Zee in het oosten. Rua had het rijk opgebouwd door vele Hunnenstammen onder zijn bevel te brengen en daarna zijn heerschappij over andere barbaren te vestigen. Hij had het zuidelijk gelegen Byzantijn­se rijk gedwongen een verdrag te ondertekenen. De Byzantijnen, waarschijnlijk bang voor een in­val, betaalden de Hunnen elk jaar een schatting van 700 pond baar goud.

Kort nadat Attila en Bleda aan de macht kwamen, maakten ze bekend dat de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede in gebreke was gebleven met de betalingen. In 441 staken ze de Donau over en plunderden Singidinum (Belgrado) en een aan­tal andere steden. Door een wapenstilstand kwam er tijdelijk een einde aan de gevechten. Maar in 443 vielen de Hunnen weer aan. Deze keer rukten ze helemaal op naar Constantinopel. Daar weken ze van hun oorspronkelijke koers af en trokken naar Gallipoli, waar ze het Byzantijnse leger een beslissende nederlaag toebrachten. In het vredes­verdrag dat een einde aan de oorlog maakte, werd vastgelegd dat de Byzantijnen al hun schulden moesten aflossen (door Attila bepaald op 6000 pond goud). Verder moesten ze per jaar 2100 pond goud gaan betalen, drie keer zoveel als hun vorige schatting. Voorts werd bepaald dat het de Byzantijnen verboden was vluchtelingen uit het gebied van de Hunnen een schuilplaats te geven. Verder kregen ze het verbod opgelegd, samen met een ander barbaars volk de Hunnen te bestrijden. In 445 vermoordde Attila zijn broer Bleda. Hij was toen alleenheerser over een machtig rijk. Met als voorwendsel dat de Byzantijnen vluchtelingen hadden opgenomen, stak hij in 447 met zijn legers weer de Donau over. Deze keer vernietigden de Hunnen het grootste deel van het Balkan-schiereiland. Ze rukten helemaal op tot Thermopylae Daarna keerden ze weer terug. De onderhandelingen over een nieuw vredesverdrag duurder drie jaar. Uiteindelijk kregen de Hunnen een strook land ten zuiden van de Donau en werd de plicht weer verhoogd.
Het Byzantijnse Rijk wankelde en betekende voor Attila geen bedreiging meer. Hij richtte zijn aandacht verder op het westen. Hij koos als doel het gebied van de Westgoten rond Toulouse. De zuster van de West-Romeinse keizer stuurde een ring en smeekte hem haar te behoeden voor een door haar broer geregeld huwelijk. Attila be weerde dat ze hem een aanzoek had gedaan en eiste de helft van het West-Romeinse Rijk als bruidsschat. De Romeinen en de Westgoten sloten een bondgenootschap. Hun legers haastten zich naar Orléans om Attila de pas af te snijden. Deze maakte met zijn 500.000 manschappen een op­mars door Gallië. De twee strijdmachten troffen elkaar uiteindelijk op de Catalaunische velden in de buurt van het tegenwoordige Troyes. Na zware gevechten en grote verliezen aan beide kanten trok Attila zich terug. Het  was zijn eerste en enige nederlaag. Een jaar later trok hij Italië binnen. Hij marcheerde naar het zuiden en plunderde ste­den als Medialanum (Milaan), Patavium (Padua) en Verona. Paus Leo de Eerste smeekte hem, Rome te sparen. Door ziekte en voedselgebrek werd Attila uiteindelijk gedwongen terug te ke­ren.

Thuisgekomen begon hij voorbereidingen te tref­fen voor een nieuwe veldtocht tegen het Byzan­tijnse Rijk. Daar was een nieuwe keizer, Marcianus, aan de macht gekomen. Hij weigerde de schatplicht aan de Hunnen te betalen. Maar Attila vertrok nooit meer uit Hongarije. De ‘Gesel Gods’ stierf vredig in zijn slaap. Zijn rijk ging over in handen van zijn zoons, maar het raakte al spoedig in verval.

Rome Attila 1

Het profiel van Atti­la op een munt. De geschiedenis heeft Attila gekenschetst als een wrede barbaar. In werkelijkheid had hij echter respect voor de wet en was hij genadig voor zijn ver­slagen vijanden. In veldslagen was hij wél meedogenloos.

Attila
Nog wat illustraties
6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
668

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (2-2)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .
GELD

De meeste Nederlanders ontvangen iedere maand via de bank of giro hun salaris, maar slechts weinigen zullen weten dat het woord salaris uit het Latijn komt. Romeinse soldaten werden nl. aanvankelijk in zout (= sal) uitbetaald, later in “geld”. Dit geld is echter niet “uitgevonden” door de Romeinen, maar door de Lydiërs, zo1 n 2700 jaar geleden.

Ontstaan en ontwikkeling van geld
Reeds in de 7e eeuw voor Chr. bestonden er in Lydië (Klein-Azië) munten, natuurlijk nog niet zo klein en fijn als wij ze nu kennen. Het waren gouden en zilveren munten, met een grote verscheidenheid in afmeting en afbeelding.

Pas ten tijde van de Griek Alexander de Grote (4e eeuw voor Chr.) werd er eenheid in het muntstelsel gebracht: zilveren en gouden munten van één type en gewicht met de afbeelding van de vorst die de munt geslagen had.

De Romeinen volgden de Grieken, maar zij hadden nog geen behoefte aan een uitgebreid muntstelsel. Ze lieten grote koperen munten gieten, aes grave (= zwaar koper). Voordat ze deze munten lieten gieten, werd er betaald door middel van ruilhandel en brokjes koper (aes rude = ruw koper).

In het agrarische Rome werd vooral vee verhandeld en het is dan ook niet verwonderlijk dat het Latijnse woord voor geld/vermogen (pecunia) is afgeleid van het woord voor vee (pecus).

Rond 200 voor Chr. werden Romeinse munten voor het eerst geslagen. De omvang en het gewicht waren afgenomen en de benaming van de standaardmunt was voortaan as.

Inmiddels werd er ook een zilveren munt (denarius) geslagen en een enkele gouden munt (aureus). In de keizertijd (vanaf 27 voor Chr.) werden er regelmatig gouden en zilveren munten in opdracht van de keizer aangemaakt. Omdat ze aanvankelijk bedoeld waren voor het leger vond dit buiten Rome plaats. Vanaf keizer Caligula (37-41 na Chr.) werden ze in Rome vervaardigd.

De koperen munten, de assen, werden in opdracht van de senaat geslagen. Tot ± 250 na Chr. kwamen hier de letters S(enatus) C(onsulto), bij senaatsbesluit, op voor. Inmiddels was er een muntstelsel ontstaan dat opgebouwd was op de as. Veelvouden van de as waren de dupondius (2 assen) en de sestertius (4 assen), beide van koper. De zilveren munt, de denarius, was oorspronkelijk 10 assen, later 16 assen waard en de gouden munt, de aureus, 25 denarii. Kleinere eenheden dan de as waren de semis ((½ as) en de quadrans (¼ as).

Oude woorden in moderne talen
De eerste munten werden te Rome geslagen in de tempel van Iuno Moneta op het Capitool. De godin Iuno waarschuwde (= monere) de muntmeesters geen bedrog te plegen door munten van een onjuist gewicht en een onzuiver metaal te slaan. Latijnse woorden die met geld te maken hebben, leven nog steeds voort in de benamingen voor geld in moderne vreemde talen. Wie kent niet de woorden money (Eng.), monnaie (Fr.), portemonnee (Ned.), Moneten (Dts.), afgeleid van Iuno Moneta. De Engelse penny is wellicht ontstaan uit pecunia en de Spaanse dinero, of de Joegoslavische dinar afgeleid van denarius. Het woord caput (= hoofd van vee) heeft geleid tot ons woord kapitaal. Iemand die in de Romeinse tijd veel vee had, was kapitaalkrachtig.

Drie woorden die keizer Vespasianus (69-79 na Chr.) ooit uitsprak, leven bij ons nog voort in de vertaling “Geld stinkt niet”. In die tijd werd namelijk de stof die gebruikt werd voor togas eerst door de zgn. vollers voorgewassen met bijtende en ontvettende stoffen zoals urine (waarin ammoniak zit). Urine was dus erg gewild bij de vollers en zij plaatsten potten bij hun vollerij waarin voorbijgangers urine konden lozen. Ook kochten zij urine van openbare toiletten. Vespasianus hief extra belasting op dit stinkende goedje. Zijn zoon Titus vond dat er een luchtje aan deze belastingheffing zat, waarop Vespasianus hem het betreffende geld onder de neus hield en zei: pecunia non olet (Geld stinkt niet).

De Romeinse god van handel en verdienste, Mercurius, leeft nog steeds voort in het Engelse woord voor handelaar, nl. merchant.

6e klas Rome geld 1

Productie van munten
De meeste Romeinse munten werden geslagen op de hier afgebeelde wijze. In het aambeeld (5) werd een stempel voor de voorzijde vastgezet (4); in een houder (1) werd een stempel voor de keerzijde geklemd. Met een tang werd er, na verhitting een munt-plaatje (3) tussen aambeeld en houder gelegd, waarna de afbeelding met behulp van een hamer op het muntplaatje werd geslagen.

6e klas Rome geld 2

Zoals bij ons nu nog steeds gebruikelijk is, zo stond ook bij de Romeinen op de voorzijde van de munt een afbeelding van de heersende vorst. Een dergelijk portret was voor de Romeinen de enige manier om te weten hoe hun vorst er uitzag (afgezien van standbeelden). Fotografie bestond immers niet. De keerzijde van munten werd dikwijls gebruikt als propagandamiddel om aan te geven welke weldaden de keizer voor het volk had verricht. Munten gingen van hand tot hand en fungeerden op die manier als een soort radio. De hele geschiedenis van het Romeinse rijk kan als het ware afgelezen worden van de keerzijde van munten. Voorbeelden van propaganda zijn de haven van Ostia op een munt van Nero (54-68 na Chr.), als teken van goede zorgen voor voedselvoorziening door korentoevoer over zee.

6e klas Rome geld 3

6e klas Rome geld 4

6e klas Rome geld 5

Keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) stond er bekend om dat hij van reizen hield en hij liet dan ook een munt slaan met de personificatie van Egypte op de keerzijde.

In tegenstelling tot onze munten staat er op Romeinse munten geen exact jaartal, maar toch kunnen we ze vaak op het jaar nauwkeurig dateren. De Romeinen hadden namelijk de gewoonte om op de munt, naast de naam en bijnamen van de keizer, ook te vermelden welk ambt deze keizer voor de zoveelste keer bekleedde. Uit antieke bronnen weten we van elke keizer welk ambt hij in welk jaar uitoefende. Omdat er zo ontzettend veel afkortingen gebruikt worden, volgt hieronder een voorbeeld:

6e klas Rome geld 6

IMP(erator) CAES(ar) VESP(asianus) AVG(ustus) P(ontifex) M(aximus) T(ribunicia) P(otestate) CO(n)S(ul) Iin CENS(or);

in vertaling:

opperbevelhebber, keizer Vespasianus, de verhevene, opperpriester, met de macht van tribuun, consul voor de 4de maal, censor.

In het jaar 72 na Chr. was Vespasianus voor de 4de maal consul, zodat deze munt in dat jaar geslagen is.

6e klas Rome geld 7

6e klas geschiedenis: alle artikelen
6e klas: alle artikelen
667

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

DE ONDERGANG VAN HET WEST-ROMEINSE RIJK

Het opdringen van de Germanen

Een eigen schrift
Tussen de Donau en de Zwarte Zee woonden Germaanse volkeren: de West-Goten en Oost-Goten. Oor­spronkelijk afkomstig uit Scandina­vië, hadden ze de lange weg door Rusland afgelegd langs rivieren en moerassen, door wouden en over vlakten. Als ze niet verder konden va­ren, droegen ze hun boten tot ze weer aan water kwamen. Zo bereikten ze Zuid-Rusland met het aangename kli­maat, waar ze zich vestigden. De Oost-Goten hadden de naburige stammen onderworpen en vormden een groot rijk. Ook de West-Goten waren, zij het met tegenzin en altijd tot opstand bereid, aan de Oost-Goten onderhorig.

De Goten waren diepgaand beïnvloed door de Romeinse beschaving. Ze hadden een eigen schrift, het Gotisch, dat gebaseerd was op het Griekse al­fabet en op de Germaanse runente­kens. Ze waren overgegaan tot het christendom en de hele bijbel was door een van hun bisschoppen in het Gotisch vertaald.

Woeste horden nomaden
In 374 kwamen volkomen onver­wacht talrijke woeste nomadenhorden Europa binnen. Het waren de Hunnen die, nadat ze eerst tevergeefs op het keizerrijk China hadden stormgelopen, naar het westen kwa­men om daar hun geluk te beproeven. Als het ware vastgegroeid op de rug­gen van hun kleine ruige
paardjes, behoorden ze tot de beste ruiters ter wereld, die in massale stormaanval­len hun vijanden onder de voet pro­beerden te lopen. Meestal met volle­dig succes! Zo onderwierpen ze in Europa in de kortste tijd de Alanen, een herdersvolk met een niet te on­derschatten dapperheid en strijdlust. Na hun nederlaag sloten deze Alanen zich aan bij de Hunnen en deden een inval in het Gotische Rijk. Ook de Oost-Goten legden al spoedig het loodje. De West-Goten wachtten de bui niet af en trokken met hun hebben en houden naar de Donau om binnen het veilige Romeinse Rijk bescherming te gaan zoeken.

Alleen tegen contante betaling
De Goten vroegen beleefd aan keizer Valens of ze zich binnen het Romein­se Rijk mochten vestigen. De heerser aarzelde, want hij vertrouwde hen niet helemaal. Toen hij uiteindelijk toch zijn toestemming gaf, was dat op een aantal voorwaarden. De Go­ten moesten al hun wapens achterla­ten en hun jonge mannen als gijze­laars afstaan. Ook werd afgesproken dat ze alle noodzakelijke levensbehoeften alleen tegen contante beta­ling zouden kunnen verkrijgen. De Goten gingen op deze voorwaarden in, maar de Romeinse ambtenaren en militairen maakten ernstig misbruik van de ondergeschikte positie van de Goten. De Goten waren woedend en vonden dat ze zich nu ook niet meer aan de afspraken hoefden te houden. Heimelijk voorzagen ze zich van wa­pens en kwamen in opstand. In korte tijd was heel Thracië in hun bezit.

Zonder pardon
De keizer haastte zich naar Constantinopel om een leger uit te rusten. Daarna rukte hij op tegen de Goten, maar hij werd in 378 bij Adrianopel volkomen verslagen. Zelf kwam hij daarbij om het leven. De Goten zet­ten hun plunderingen in de wijde om­geving voort. Toen kreeg de opperbe­velhebber van het leger, Julius, van de Senaat van Constantinopel onbe­perkte volmacht. Daarvan maakte hij een niet zo verstandig gebruik, want hij liet alle gijzelaars van de Goten zonder pardon ter dood brengen. De Goten werden hierdoor natuurlijk niet vredelievender. De keizer van het westelijk deel van het Romeinse Rijk, Gratianus, be­noemde na de dood van Valens de ge­neraalszoon Theodosius tot keizer over het oostelijk deel van het rijk Deze slaagde er inderdaad na zeven jaar in de Goten tot rust te brengen en vaste woonplaatsen te doen kie­zen. Toch bleven ze een niet onge­vaarlijk element binnen het rijk, want ze woonden in de hun toegewezen ste­den en gewesten onder eigen bestuur en rechtspraak.

De Vandaal Stilicho
Omstreeks 400, toen het Oostromeinse Rijk na het overlijden van Theodo­sius bestuurd werd door zijn twee zoontjes, Arcadius van 17 en Hono­rius van 11 jaar, begonnen de Goten weer te plunderen onder leiding van hun aanvoerder Alarik. De provincies Thessalië, Macedonië, Thracië en Illyrië hadden daar erg van te lijden. De Vandaal Stilicho, die voor Honorius het Westromeinse Rijk bestuurde, zond eerst troepen en stak vervolgens zelf over naar de Peloponnesus.

De Goten trokken daarop naar Illyrië. Daarmee was het probleem van de Goten uiteraard niet opgelost en de keizer van het oosten liet zich overhalen om de Goten als bondge­noten te aanvaarden. Spanningen met het westelijk deel van het rijk brachten Alarik ertoe naar Italië te trekken en daar in het noorden huis te houden. Stilicho, die in Italië vrij­wel geen troepen tot zijn beschikking had, riep toen de legioenen uit Brittannië en Gallië terug. Daardoor werd Brittannië aan de Picten en de Scoten en Gallië aan de Germanen prijsgegeven. De Romeinse opperbe­velhebber trok vervolgens tegen Ala­rik op. Hij leverde bij Pollentia een zware slag. De Gotische koning ont­ruimde Italië en de jonge Honorius hield met Stilicho samen een mooie triomftocht in Rome, de laatste in de geschiedenis. In 406 en nog lang daarna trokken Germaanse stammen de Rijn over en vestigden zich in Gallië. De afbraak van het Romeinse was onstuitbaar begonnen.

Het leger werd zeer verzwakt
Stilicho’s roem als veldheer en staatsman begon ten gevolge van het verlies van Brittannië en Gallië flink te tanen. Zijn vele vijanden aan het hof en elders maakten daar handig gebruik van om hem ten val te brengen. Gekonkel en gekuip bij de keizer leidden tot moord op de voornaamste aanhangers van de Vandaal Stilicho. Daartoe behoorden hoge staatsambtenaren en veldheren. Vervolgens werd Stilicho* zelf vermoord. Olympius, die de grootste tegenstander van Stilicho was geweest, hield daarna op verschrikkelijke manier huis onder allen die iets met de vermoorde te maken hadden gehad. En daarbij liet hij het niet. Omdat hij bang was voor een opstand van de vreemde troepen die in Romeinse dienst waren, liet hij al hun vrouwen en kinderen, die hij als gijzelaars in zijn macht had, ter dood brengen. Tevens liet hij vele hoge offcieren vervangen, daarbij meer lettend op betrouwbaarheid dan op bekwaamheid. De Goten die in het Westromeinse leger dienden, liepen daarop in groten getale naar Alarik over. Het is onnodig te zeggen dat het Westromeinse leger door al deze maatregelen zeer verzwakte. Dat was voor Alarik alle aanleiding om opnieuw een inval in Italië te beramen.

Verwekelijkt en verwijfd
Bij de nadering van de Goten zocht Honorius** zijn toevlucht in Ravenna. Hij begreep heel goed dat Alarik het op Rome gemunt had. Daar het leger te verzwakt was om ook maar enige tegenstand te kunnen bieden, kon de vijand ongehinderd tot Rome door­dringen en de stad aan alle kanten in­sluiten. Daarna ontstond een situatie waaraan beide partijen niet veel kon­den veranderen. De Goten waren na­melijk niet in staat om de nog altijd geweldige stad in te nemen en de Ro­meinen konden onmogelijk de vijand verdrijven. De Romeinse geschied­schrijver Ammianus Marcellinus (330-400) heeft betoogd dat de
Ro­meinen te verwekelijkt en verwijfd geworden waren om de belegeraars aan te vallen.

Ze slaan een hoge toon aan
We laten Marcellinus hierover aan het woord: ‘De edelen van deze tijd meten hun rang en hun aanzien af naar de hoogte van hun wagens en de pracht van hun kleding. Hun lange zijden en purperen gewaden wappe­ren in de wind en als deze, al of niet per ongeluk, een eindje de hoogte in gaan, laten ze zien dat de kleren die daaronder zitten ingeweven dierenfiguren hebben. Met een troep van vijf­tig bedienden achter zich aan jachten ze met hun hoge wagens door de straten en vernielen daarbij het plaveisel. Dit voorbeeld van de senatoren vindt ijverig navolging bij zowel getrouwde als ongetrouwde vrouwen, die ook al­maar met overdekte wagens in grote haast door de hele stad rijden. Als de hooggeplaatste personen zich ver­waardigen om de openbare badhui­zen te bezoeken, slaan ze bij hun komst een hoge toon aan en eisen al de gemakken voor zich op die voor het volk bestemd zijn.’

Met de grootste minachting
Marcellinus vervolgt: ‘Soms onderne­men de hoge heren zelfs iets vreselijk vermoeiends. Dan brengen ze een bezoek aan hun landgoederen in Italie en verschaffen zich, doordat hun sla­ven zich uitsloven, de genoegens van het jagen. En wanneer ze een enkele keer, vooral op warme dagen de moed hebben opgebracht om in hun beschilderde galeien naar hun fraaie buitenhuizen aan de kust van Puteoli en Cajeta te varen, vergelijken ze hun onderneming met de tochten van Caesar en Alexander. Maar zodra een vlieg het waagt te gaan zitten op de zijden plooien van hun vergulde zon­neschermen, of een zonnestraal door een onbewaakte en nauw merkbare opening dringt, dan zuchten ze over hun ontzettend zware tochten en beklagen zich er in moeilijke zinnen over dat zij niet in het land van de Kimmeriërs geboren zijn, want daar heerst tenminste een eeuwige duister­nis.

Thuis staan de Romeinse heren erop dat ze met de grootste eerbied beje­gend worden. Reeds bij de geringste nalatigheid jegens hun persoon barsten ze in woede uit. Alle andere mensen echter behandelen ze met de grootste minachting en onverschillig­heid. Als ze om warm water hebben gevraagd en hun slaaf niet snel genoeg aan hun verlangens heeft vol­daan, kan hij rekenen op driehon­derd stokslagen. Als diezelfde slaaf evenwel iemand met voorbedachten rade heeft vermoord, merkt zijn heer op dat hij een sukkel van een vent is en dat hij bij een volgende keer zijn straf niet zal ontgaan.’

Liefst in afgelegen vertrek
Marcellinus heeft nog meer kritiek: ‘De hoge heren hebben maar bitter weinig belangstelling voor studie of andere zaken die inspanning vereisen. Het enige wat ze lezen zijn fantasti­sche verhalen of hatelijke stukjes. De bibliotheken die ze van hun vaders hebben geërfd, laten ze het liefst in een afgelegen vertrek onder het stof rusten. Maar ze laten wel kostbare to­neeltoestellen en fluiten, grote lieren en waterorgels maken, want dat vin­den ze mooi. Gezang en instrumenta­le muziek klinken zonder ophouden door de grote huizen van de aanzien­lijken. Men hecht meer waarde aan ijdele klanken dan aan woorden van wijsheid en verkiest de verzorging van het lichaam boven de verzorging van de geest. Daarmee hangt ook wel samen dat ze op kinderlijke wijze geloof hechten aan de voorspellingen van de waarzeggers, die beweren uit de ingewanden van de offerdieren de voortekenen van grootheid en aan­zien te kunnen lezen. Ja, er zijn zelfs lieden die niet eens een bad nemen of gaan eten, voordat ze een
sterren­wichelaar hebben geraadpleegd.’
Tot zover Ammianus Marcellinus, wiens woorden inderdaad heel sterk de in­druk geven van een ten ondergang ge­doemd rijk.

Volslagen ongeschikt
Het oude spreekwoord ‘Zo heer, zo knecht’ was ook op het volk van Rome in die moeilijke tijd van toepas­sing. De gewone man had een hekel aan iedere vorm van arbeid en dat kon men hem niet eens kwalijk nemen. Nog altijd immers vonden er kosteloze voedseluitdelingen plaats en voor een krats kon men alle ge­neugten van de weelderige Romeinse badhuizen smaken. Daarnaast zorg­den ook de publieke spelen voor vol­doende afleiding en vertier. Het is wel duidelijk dat dit soort Romeinen vol­slagen ongeschikt was geworden voor een militaire krachtsontplooiing, zo­als een uitval uit de stad om de Goten te verdrijven. Toen de mondvoorraad krap werd en er een besmettelijke ziekte uitbrak, wist de Senaat niets beter te bedenken dan het sturen van een gezantschap van twee man naar Alarik.

Hoongelach
De twee gezanten die voor de aanvoerder van de Goten gebracht werden, verklaarden trots dat ze een eervol verdrag wilden sluiten. Als Alarik daar niet op inging, moesten de wa­penen maar beslissen. Deze opgeblazen woorden deden de Goot in een hoongelach uitbarsten. De gezanten bonden haastig in en vroegen hoeveel losgeld hij dan wel had willen hebben. Het antwoord viel niet mee: álle goud en zilver dat er in de stad was, álle kostbare voorwerpen en álle slaven van barbaarse afkomst moesten bij de Goten gebracht worden. Uiteindelijk bleek Alarik ook met wat minder genoegen te willen nemen, maar toch verlangde hij zoveel goud en zilver, dat de hele Romeinse muntvoorraad niet genoeg was. Men moest zelfs beelden die van goud en zilver gemaakt waren omsmelten om aan de eisen te kunnen voldoen. Toen braken de Goten hun beleg van Rome op, maar eigenlijk wilden ze het liefst in Italië blijven wonen. Daarom bood Alarik de keizer vrede en vriendschap aan in ruil voor een geschenk in geld plus enige gebieden. Honorius was echter zo koppig als een ezel en wees elk voorstel van de hand. Daarop rukten de Goten in 410 opnieuw naar Rome op en slaagden er dit keer wél in de stad te nemen. Drie dagen lang liet Alarik zijn mannen hun gang gaan  en heel wat werd geroofd en weggesleept. Daarop leidde hij zijn leger weg in zuidelijke richting. Lang heeft Alarik*** niet van zijn overwinning kunnen genieten, want nog in datzelfde jaar 410 overleed hij plotseling.

Een nieuw rijk
De opvolger van de overleden aanvoerder werd zijn zwager Athaulf aangesteld. Over diens vijf jaar du­rend koningschap is niet veel bekend. Hij trouwde met de zuster van keizer Honorius en maakte een veroverings­tocht naar Spanje. Daar waren sinds 409 de Germaanse volkeren van de Vandalen, Alanen en Sueven geves­tigd. Kort daarop werd hij vermoord. Wallia werd toen koning van de
Go­ten. Hij was de Romeinen gunstig ge­zind en veroverde voor hen het groot­ste deel van Spanje. Daarbij roeide hij zowat het hele volk van de Alanen uit. De Vandalen en Sueven werden gedwongen zich in het noordwestelijk deel van het land terug te trekken. Keizer Honorius schonk Wallia als blijk van waardering een gebied in Gallië tussen de rivieren de Garonne en de Loire. De Goten stichtten daar een eigen, nieuw rijk met als hoofd­stad Tolosa, het latere Toulouse. De nieuwkomers gingen hard aan het werk en spoedig waren ze tot wel­vaart gekomen.

De Hunnen en het Romeinse Rijk

Ernstig in verval
Bij het overlijden van Honorius op 15 augustus 423 verkeerde het
Westromeinse Rijk reeds in diep verval. De Bourgondiërs hadden in het
zuid­oosten van Gallië een eigen rijk gesticht, de Alanen zaten in de Elzas en in Lotharingen, de Franken be­heersten het hele noordwesten van het huidige Frankrijk en de Goten woonden in het gebied tussen de Garonne en de Loire. Brittannië, dat niet langer door de legers van de Ro­meinen tegen de Picten en de Scoten werd beschermd, maakte zich los van het rijk. Bretagne volgde dit
voor­beeld. Ook Spanje, dat opnieuw door de Vandalen en Sueven veroverd werd, viel niet langer onder het Ro­meinse gezag. Zo bestond het hele Westromeinse Rijk omstreeks 425 al­leen nog maar uit Italië en de provincie Africa.

Hij presteerde even weinig
Het Oostromeinse Rijk maakte ook zeer moeilijke tijden door. Keizer Arcadius was een slappe en willoze fi­guur en een speelbal in de handen van geslepen hovelingen en vrouwen. De­len van het rijk werden zowel door barbaarse horden geplunderd en ge­brandschat als door eigen troepen on­der een dwarse generaal. Een tijdlang voerde keizerin Eudoxia de teugels van het bewind, totdat haar echtge­noot in 408 overleed. Hij werd opge­volgd door een jongetje van zeven jaar, die tot 450 aan de regering bleef, als men al van regering kan spreken, want hij presteerde even weinig als zijn voorganger. Zijn zuster Pulcheria, die medekeizerin werd, was eigenlijk veel geschikter voor het staatsbestuur. In een poging om het rechtswezen te verbeteren, liet zij alle bepalingen die na de dood van Constantijn de Grote kracht van wet hadden gekregen, in een wetboek
bij­eenbrengen. Dit verzamelwerk is be­kend geworden onder de naam ‘Co­dex Theodosianus’.

Ook al een slappe figuur
Oostromeinse troepen brachten na de dood van Honorius zijn zuster Placidia en haar zoontje Valentinianus naar Italië. Ze joegen een zekere Johannes weg, die zich met geweld van de keizerlijke troon had meesterge­maakt en plaatsten het jongetje als Valentinianus III op de troon. Het bleek in de loop van de tijd ook al een slappe figuur te zijn, maar zijn moe­der Placidia voerde op bekwame wij­ze het bewind, totdat ze in 450 stierf. De keizerin vertrouwde geheel en al op haar uitstekende veldheer Aëtius. Deze streed met succes tegen allerlei Germaanse volkeren, zoals de Bour­gondiërs en de Goten. Door een han­dige politiek wist hij de Hunnen ertoe te brengen hun aandacht meer op het Oostromeinse Rijk te richten. Wrijvingen tussen Aëtius en Bonifacius, de stadhouder van Africa, deden Aë­tius op een zeker ogenblik besluiten een verbond te sluiten met de
Hun­nen. Dit versterkte de positie van de veldheer natuurlijk zeer, zozeer zelfs, dat hij de eigenlijke macht boven Valentinianus bezat. Aëtius zou die macht niet lang houden. Er zou een strijd op leven en dood uitbreken tus­sen het Westromeinse Rijk onder aanvoering van Aëtius en de Hunnen onder leiding van Attila.

Omwille van de lieve vrede
De Hunnen waren, na hun overwin­ning op de Goten, heel langzaam in westelijke richting opgeschoven. Er was niet zo veel onderlinge samen­hang meer, omdat de Goten uiteenge­vallen waren in verschillende stam­men, ieder met een eigen vorst aan het hoofd. Keizer Theodosius II (408-450) van het Oostromeinse Rijk betaalde omwille van de lieve vrede aan één van de belangrijkste Hunse vorsten ieder jaar een flinke schat­ting. Bovendien had hij hem met de rang van Romeins veldheer vereerd. Toen deze vorst overleed, werd hij door twee van zijn neven opgevolgd. De een, Attila geheten, was zeer eer­zuchtig.
Hij liet de ander, die nota bene zijn eigen broer was, zonder enig
gewe­tensbezwaar vermoorden.
Daarna probeerde hij zijn macht over de Hunnen uit te breiden. Door zijn heerszucht en zijn sterke wil slaagde hij er inderdaad in een groot rijk op te bouwen, dat zich ten slotte uit­strekte over heel Noord- en Midden-Europa tot diep in Azië. Niet alleen de stammen van de Hunnen, maar ook die van de Slaven, de Sarmaten en zelfs een deel van de Germanen volgden hem.

Op genadeloze wijze
De volkeren die zich vrijwillig aan Attila onderworpen hadden, werden goed door hem behandeld. Ze hoefden alleen maar wat belasting te betalen en moesten soldaten leveren als er oorlog was. Ze mochten hun eigen bestuur en rechtspraak behouden en hadden recht op bescherming van de Hunnen. De vorsten van de onderhorige stammen vertoefden vaak aan het hof van Attila als raadslieden of gewoon als hovelingen van hogere of lagere rang. Wie zich echter  niet  vrijwillig  onderwierp, werd op genadeloze wijze afgestraft. Hem wachtte de dood of slavernij. Waar de Hunnen waren geweest als veroveraars, bleven slechts rokende puinhopen en lijken achter. Hoe gevreesd Attila**** was, blijkt wel uit de bijnaam die hem gegeven werd: de Gesel Gods.

Slechts op vernederende voorwaarden
Enkele dreigende gebaren van de Hunnen brachten de keizer van het Oostromeinse Rijk er haastig toe, in het vervolg een dubbele schatting te betalen. Daarmee was overigens nog geen enkele zekerheid verkregen dat het rijk in het vervolg met rust zou worden gelaten. De grensgebieden hadden nog steeds van rooftochten van de Hunnen te lijden. In 446 en 447 drongen de Hunnen Griekenland binnen en verwoestten zeker 70 ste­den. Zelfs de hoofdstad Constantinopel werd bedreigd. Een gezantschap dat naar de gevreesde Attila*) werd gestuurd, slaagde er slechts op verne­derende voorwaarden in vrede te
slui­ten. En dan mochten ze nog blij zijn!

Verschillende oorzaken
Dankzij het verbond dat Aëtius met de Hunnen had gesloten, was het Westromeinse Rijk tot dan toe met rust gelaten. Waardoor aan deze toestand een einde kwam, is niet hele­maal duidelijk. Weliswaar worden er verschillende oorzaken voor ge­noemd, maar geen daarvan is erg overtuigend. Het meest waarschijn­lijk zijn simpelweg zucht naar avon­tuur en machtswellust van Attila de enige motieven geweest. In elk geval ging er in het begin van het jaar 451 een geweldig groot leger – men spreekt van 500.000 man! – op weg naar het westen. Het was een bonte mengeling van volkeren en stammen, bestaande uit Hunnen, Slaven, Sar­maten en Germanen. Enkele maan­den later werd de Rijn overgetrokken en kregen de noordelijke gewesten van Gallië het zwaar te verduren. Orléans, dat pas nieuwe wallen had ge­kregen, bleek een moeilijk te nemen hindernis. Terwijl Attila de stad belegerde, naderde Aëtius – die intussen ook niet had stil gezeten – met een leger. Dat was voor de Hun­nenvorst aanleiding om het beleg voor Orléans op te breken, want hij durfde de slag niet op dezelfde plaats aan te gaan. Voor zijn omvangrijke krijgsmacht en met name voor zijn ontelbare ruiters had hij de ruimte van een uitgestrekte vlakte nodig. Die gunstige omstandigheid vond hij in hetzelfde jaar tussen Châlons aan de Marne en Troyes op de Catalaunische velden. Daar koos Attila dan ook positie.

Attila’s onzekerheid
De veldheer Aëtius legerde zich met zijn Romeinse en Germaanse troepen tegenover de stellingen van Attila. Deze schijnt onzeker te zijn geworden over de afloop van de strijd, iets wat heel goed voorstelbaar is. Hij, de geboren nomade, voelde zich immers het beste thuis op de uitgestrekte vlakten van Rusland en Midden-Azie, waar het groene gras en de blauwe hemel in de oneindige verten in elkaar overvloeiden. Daar was vol­doende voedsel voor de onmisbare paarden te vinden en daar ook konden de ruiters in een woeste storm­aanval over een breed front de vijand onder de voet lopen. In West-Europa echter ontbraken de grote grazige vlakten. Bossen en rivieren, heuvels en dalen wisselden elkaar af in bonte verscheidenheid, misschien mooi om te zien, maar voor een ruitervolk niet erg geschikt om er te leven en te vech­ten.

Zijn onzekere gevoelens brachten At­tila ertoe om waarzegsters te raadple­gen. De vrouwen schouwden lang en aandachtig in de ingewanden van de offerdieren en verklaarden ten slotte dat er een ongeluk dreigde voor de Hunnenvorst.  Ook de aanvoerder van het vijandelijke leger zou evenwel sneuvelen. Uit het laatste putte Attila moed. Hij gaf bevel dat de grote aan­val de volgende ochtend zou plaats­vinden.

De Slag op de Catalaunische Velden
Vroeg in de morgen begonnen de twee reusachtige legers met de
voor­bereidingen voor de strijd. Het was een geren en een gedraaf, gekletter van wapens en geschreeuw, gehinnik van paarden en hoorngeschal. Ten slotte stonden de legers tegenover el­kaar opgesteld. Een kleine heuvelrij lag als een soort scheidslijn tussen hen in. De West-Goten stonden aan de Romeinse kant onder leiding van hun koning Theodorik pal tegenover de Oost-Goten onder leiding van ko­ning Walamir aan de kant van de Hunnen. De Hunnen stonden in het centrum van de slagorde en hadden op hun rechtervleugel de Gepiden. Toen brak de strijd los. De West-Goten slaagden erin de heuvelrij te be­zetten en gaven die, ondanks de ver­woede aanvallen van de Oost-Goten, niet meer prijs. Attila gunde zich geen ogenblik rust. Hij was overal waar zijn leiding en zijn vurige aansporingen het meest nodig waren. Toch lukte het hem niet een beslissing af te dwingen. De verliezen aan beide zijden waren verschrikkelijk. Een ri­viertje dat dwars door het slagveld liep, kleurde zich allengs rood van het bloed van de gevallenen. Hun aantal zou minstens 160.000 hebben bedra­gen. Hiertoe behoorde ook de dappe­re koning van de West-Goten, Theodorik. Zijn zoon Thorismus zette, ra­zend over de dood van zijn vader, de strijd met verdubbelde energie voort.

Een brandstapel
Langzaam maar zeker raakte Attila in het nadeel. Noodgedwongen trok hij zich terug in de wagenburg, een vesting van karren. Daar liet hij in het midden een brandstapel klaarma­ken om er zelfmoord op te plegen, als de vijand te ver zou doordringen. Maar de aanval op de wagenburg bleef uit, want ook Aëtius had zware verliezen geleden. De toestand was zeer onoverzichtelijk. De volgende dag waagde geen van de partijen het, de strijd te hervatten. Thorismus besloot naar zijn land terug te keren om zijn troon veilig te stellen. Ook de Romeinse veldheer gaf bevel om op te breken. De Hunnen trokken lang­zaam weg in oostelijke richting, de Rijn over. West-Europa was ver­schoond gebleven van hun overheersing.

Er ontstond een stad
Het bericht dat de West-Goten naar hun woonplaatsen waren terugge­keerd, gaf Attila moed. Misschien zou het hem dan toch nog lukken om het Westromeinse Rijk te veroveren. In 452 trokken zijn ruiterbenden op de bekende wijze rovend en plunde­rend Italië binnen. De stad Aquileja waagde het zich te verdedigen, maar werd na herhaald stormlopen ingeno­men en vrijwel volledig verwoest. Geen mens werd gespaard, man noch vrouw, kind noch grijsaard. De oprukkende wrede veroveraars joegen een ware stroom van vluchtelingen voor zich uit. Velen vluchtten de moerassen in achter de lagunen van de Adriatische Zee. Daar verborgen ze zich en daar bleven velen ook wo­nen. Zo ontstond in de loop van de tijd een stad: Venetië!

Bijna spoorloos
Attila werd ook in Italië overvallen door aarzeling en onzekerheid. Niet alleen de strijd zorgde voor de nodige verliezen, ook besmettelijke ziekten die in zijn legerbenden uitbraken eisten een hoge tol. Het verschijnen van een gezantschap uit Rome om hem te smeken de stad te sparen, was hem dan ook beslist niet onwelkom. Hij verklaarde zich tevreden met de toegezegde schatting en gaf vervol­gens het sein tot de aftocht. Vrij kort daarna, in 453, stierf hij plotseling, volgens sommigen aan een bloedspu­wing. Na Attila’s dood viel zijn rijk uiteen en de Hunnen verdwenen bijna spoorloos uit de geschiedenis.

Het einde van de oudheid

Grote populariteit
Placidia, de moeder van de Westro­meinse keizer Valentinianus III, had tot aan haar dood in 450 de feitelijke macht uitgeoefend over wat er van het Westromeinse Rijk was overge­bleven. Na dat jaar veranderde er niet veel, want de keizer regeerde nog steeds niet zelf. Vrijwel alles liet hij over aan de eunuch Heraclius. Maar al bekommerde hij zich niet om het wel en wee van het rijk, toch kon hij het ook niet goed hebben dat de veld­heer Aëtius zo succesvol gestreden had op de Catalaunische Velden. Hij kreeg ronduit een hekel aan de gevier­de legeraanvoerder, toen deze de dochter van de keizer als echtgenote voor zijn zoon opeiste. Omdat Aëtius een grote populariteit genoot als ver­dediger en redder van het rijk, durfde hij op deze eis ook niet een krachtig ‘nee’ te laten horen. In zijn hart be­raamde hij daarom boze plannen om de man, die hij als een mededinger voor de keizerskroon beschouwde, uit de weg te ruimen.

Een laffe daad
In 454 begaf Aëtius zich naar het kei­zerlijk hof in Rome om het aanstaan­de huwelijk van zijn zoon met de dochter van de keizer te bespreken. Volkomen onbewust van het gevaar dat hem boven het hoofd hing, trad hij de zaal binnen en vervoegde zich bij de keizer. Deze trok plotseling zijn zwaard en stak het met kracht in de borst van de veldheer. De aanwezi­ge hovelingen stortten zich daarop ook op het slachtoffer en voltooiden het moorddadige werk. Ook een van de trouwe vrienden van Aëtius werd ter plaatse om het leven gebracht. Daarna werden de overige belangrij­ke aanhangers van de legerleider één voor één naar het paleis ontboden en terstond na aankomst vermoord. Va­lentinianus trok zich niets aan van de verontwaardiging onder het volk**) over deze laffe daad. Hij gaf zich weer on­geremd over aan alle genoegens die het luie leven hem te bieden had.

Tuk op vrijerijen
De keizer, altijd tuk op vrijerijen en liefdesavonturen, had zijn oog laten vallen op een bijzonder aantrekkelij­ke en knappe vrouw. Helaas voor hem was ze al getrouwd met de sena­tor Petronius Maximus, en wilde ze niets, maar dan ook niets van zijn toenaderingspogingen weten. Dit prikkelde Valentinianus, die in derge­lijke zaken anders altijd succes had, buitengewoon. Hij wilde zijn zin
krij­gen en nam zich voor niet te zullen rusten voordat hij de vrouw had be­zeten. Die mogelijkheid deed zich voor toen Petronius Maximus bij het spelen met de keizer zoveel geld had verloren, dat hij zijn schuld onmogelijk kon voldoen.
Valentinianus verlangde toen van de nietsvermoedende senator dat hij hem zijn ring als onderpand zou geven. Deze had daar geen bezwaar tegen en overhandigde het kleinood aan zijn tegenspeler.

De heftigste verwijten
Toen Petronius even niet oplette, nam Valentinianus een van zijn be
dienden terzijde en droeg hem op de ring naar de begeerde echtgenote te brengen en haar te bevelen, dat ze zich onmiddellijk naar de keizerin moest begeven. De vrouw aarzelde niet het bevel op te volgen en liet zich in haar draagstoel naar het paleis brengen. Daar voerde men haar naar een stil en afgelegen vertrek, waar ze tot haar stomme verbazing de keizer aantrof. Door de ring van haar man geloofde ze dat het de wens van haar echtgenoot was de keizer ter wille te zijn. Daarom gaf ze toe en liet Valentinianus zijn gang gaan. Thuisgeko­men evenwel barstte ze woedend te­gen haar echtgenoot los en maakte hem de heftigste verwijten dat hij haar in de armen van de keizer had gedreven. Petronius stond perplex toen hij hoorde wat zijn vrouw was overkomen. Hij nam zich heilig voor, de hun aangedane smaad te wreken.

Niemand stak een hand uit
Petronius kwam in contact met twee soldaten die vroeger in het leger van Aëtius hadden gediend. Die maakten inmiddels deel uit van de lijfwacht van de keizer, maar de moord op hun vroegere generaal die zij zo trouw hadden gediend, konden ze moeilijk vergeten. Ze werden dan ook gemak­kelijk door Petronius omgekocht om een aanslag op Valentinianus te ple­gen. Toen die op een keer aanwezig was bij legeroefeningen op het Marsveld, werd hij plotseling door de twee aangevallen en gedood. Niemand waagde het om een hand uit te ste­ken. Kort daarop werd Petronius Maximus door het volk en de Senaat tot keizer gekozen.

Een strooptocht naar Italië
Toen de stadhouder van Africa, Bonifacius, ruzie had gekregen met Placidia, de moeder van Valentinianus, riep hij de hulp in van Genserik, de koning van de Vandalen. Deze ging maar al te graag op dat verzoek in en stak van Spanje naar Africa over. De helper gedroeg zich echter van het be­gin af aan als veroveraar en bleef meteen in Africa wonen. Na de moord op Valentinianus besloot hij tot een strooptocht naar Italië, met als uiteindelijk doel de plundering van het nog altijd rijke Rome. De nieuwe keizer, Petronius Maximus, was geen bijster grote held en bij de nadering van de Vandaalse krijgsmacht zonk hem de moed in de sandalen. Hij gaf de senatoren de raad het vege lijf in een haastige vlucht te redden, maar het volk nam dat niet. Toen hij buiten kwam beko­gelde een woedende menigte hem met stenen, net zo lang tot hij dood was. Daarna werd zijn lijk in de Tiber ge­worpen. Zo eindigde zijn regering, die slechts drie maanden had ge­duurd.

Zelfs het vergulde dak
Genserik trok ongehinderd op naar Rome. Van enige tegenstand of enig verzet was geen sprake. Evenals bij de nadering van Attila werd ook toen paus Leo I ingeschakeld om het drei­gend onheil van de stad af te wenden. Ditmaal boekte hij niet zo veel resul­taat. Hij kreeg van de Vandaalse vorst slechts de toezegging dat Rome niet in brand zou worden gestoken en dat de inwoners niet zouden worden gemarteld of gedood. Daarna drongen de Vandalen de weerloze stad binnen en roofden alles wat los en vast zat. Zelfs het vergulde dak van het Capitool werd naar beneden ge­haald en meegenomen. Veel kunst­werken werden onherstelbaar bescha­digd. Veertien dagen lang duurde het leeghalen van de stad. Het moet ge­zegd worden, Genserik hield woord: er werd geen brand gesticht en de be­woners werd het leven gespaard. Wel werden velen van hen in slavernij weggevoerd, ook keizerin Eudoxia en haar twee dochters.

In verwarring op de vlucht
Na Petronius Maximus volgden er in de korte periode van twintig jaar nog vele keizers. Er waren figuren bij die soms helemaal afhankelijk waren van de legeraanvoerders, maar er waren er ook die probeerden een wat zelf­standiger politiek te voeren. Erg veel stelde dit echter niet voor. Een heel jaar lang is de troon zelfs onbezet ge­bleven. Toen benoemde de keizer van het Oostromeinse Rijk in 457 Anthemius tot keizer van het Westromeinse Rijk. Beide keizers namen het besluit om gezamenlijk de Vandalen te gaan bestrijden, die op steeds brutaler wijze***) met hun vloot de kuststreken teis­terden. Er werd een groot leger en een indrukwekkende vloot bijeenge­bracht en daarmee werd een landing in Africa uitgevoerd. Genserik was daar niet op voorbereid, maar de
wei­felachtige houding van de opperbe­velhebber van de Romeinse strijd­macht gaf hem een kans. Het lukte hem het grootste deel van de vijande­lijke vloot in brand te steken. De rest sloeg in verwarring op de vlucht. Zo bleven de narigheden die de kuststre­ken van de Vandalen ondervonden, voortduren.

Lachwekkend
Anthemius kreeg tenslotte ruzie met Ricimer, de opperbevelhebber van de vreemde troepen in Romeinse dienst. Die ruzie liep zo hoog, dat het tot een veldslag tussen beide heren kwam. Anthemius verloor en opnieuw werd Rome het toneel van roof- en plunderpartijen door barbaarse troepen. Tijdens het beleg was de pest in de stad uitgebroken en deze vreselijke ziekte hield ernstig onder de bevol­king huis. Ook Ricimer bezweek er­aan. De keizer van het Oostromeinse Rijk benoemde daarop een van zijn familieleden tot keizer van het Westromeinse Rijk, maar deze werd al na een jaar weggewerkt door Orestes, de bevelhebber van de Hunse en Sarmatische hulptroepen. Orestes plaatste op 31 oktober 475 zijn zoontje te Ravenna op de kei­zerstroon. De knaap heette Romulus Augustus. Zijn naam wees zowel naar de grondlegger van Rome, Ro­mulus, als naar de eerste keizer van het rijk, Augustus. Dat was in wezen natuurlijk lachwekkend, want wat was er van het machtige Romeinse rijk overgebleven? Daarom noemde men het keizertje ook wel Romulus Augustulus, wat ‘Romulus, de kleine Augustus’ betekent.

Koning van de Germaanse volkeren
Er verscheen evenwel een nieuwe ka­per op de kust in de persoon van Odoaker, de aanvoerder van een groot leger waarin verschillende Ger­maanse stammen dienden. Odoaker wilde zich met zijn mensen in Beneden-Italië vestigen, maar Orestes stond hem dat niet toe. Uit de strijd die volgde kwam Odoaker als overwinnaar te voorschijn. Hij liet Romu­lus Augustulus voor de Senaat ver­klaren dat hij afstand deed van de Keizerlijke waardigheid. Zelf wilde hij de keizerstitel ook niet, daar deze immers geen enkele inhoud meer had. Odoaker noemde zich ‘koning van de Germaanse volkeren in Italië’. En met dit feit in 476 wordt het bestaan van het Westromeinse Rijk als geëin­digd beschouwd.

De geschiedenis ging gewoon door
Het Westromeinse Rijk was in de loop van de tijd zo gering van om­vang geworden, dat de afzetting van de laatste keizer van het Westromeinse Rijk maar een onbelangrijk iets in het grote geheel van de gebeurtenis­sen is geweest, zeker voor het Oostromeinse Rijk. Dat bestond nog tien eeuwen en kende, behalve tijden van ernstig verval, ook zeker perioden van grote bloei. Terecht kan men zich daarom afvragen of men in 476 wel de oudheid moet laten eindigen en de middeleeuwen moet laten beginnen. Voor West-Europa evenwel was het verdwijnen van het Westromeinse Rijk van ingrijpende betekenis, zodat deze indeling wel te verdedigen valt. De geschiedenis ging echter gewoon door en iedere indeling heeft iets ge­dwongens. Maar het is een gemakke­lijk hulpmiddel om het grote geheel overzichtelijk te maken en daarom speelt Odoaker, zonder het te weten, zo’n belangrijke rol in de geschiede­nis.

­

*Onmiddellijk onthoofd
Stilicho kreeg van vele van zijn aan­hangers de raad om de zwakke keizer Honorius af te zetten en zelf de hoogste waardigheid op zich te nemen, maar hij aarzelde. Deze besluiteloos­heid werd hem fataal, want toen liet iedereen hem in de steek. Stilicho nam de wijk naar Ravenna en vluchtte daar een kerk binnen. Het was toen een on­geschreven wet, dat iemand die in een kerk het altaar vasthield, niet mocht worden gedood. Onder valse voor­wendsels werd de Vandaal echter naar buiten gelokt en vrijwel onmiddellijk onthoofd.
**Dwars door de strijdenden
De laatste triomftocht die de Romeinse keizer Honorius samen met zijn veld­heer hield, ging gepaard met grote feesten. Eveneens voor het laatst wer­den bij deze gelegenheid gladiatorenspelen gehouden. De christelijke dichter Prudentius deed een beroep op de keizer om de wrede vechtpartijen te verbieden, terwijl de monnik Telemachus tot daden overging. Tijdens de spelen rende hij de arena binnen en liep dwars door de strijdenden om hen te laten ophouden. Dit beviel de toe­schouwers allerminst. Ze stenigden de spelbreker, die daarop door de kerk tot martelaar werd verklaard. Voor Hono­rius was het aanleiding om een wet uit te vaardigen die de gladiatorenspelen verder verbood.

***De rivier werd omgeleid
Het plotseling overlijden van Alarik bracht bij de Goten grote verslagen­heid teweeg. Ze besloten hun grote aanvoerder te eren met een prachtige begrafenis en vooral ook met de zeker­heid dat zijn graf ook in de toekomst ongeschonden zou blijven. Daartoe werd de rivier de Busento in de buurt van de stad Cosentia omgeleid en in de drooggevallen bedding werd het graf gemaakt. Het lijk werd op Germaanse wijze, voorzien van vele kostbaarhe­den van de overledene, bijgezet. Ver­volgens werd de dam verwijderd die de rivier in haar loop stuitte, zodat het water zich boven de laatste rustplaats van Alarik kon sluiten. Alle gevange­nen die het werk hadden verricht wer­den gedood, zodat niemand ooit de plaats zou kunnen verraden. Deze op­zet is geslaagd, want tot nu toe weet niemand waar deze koning van de Go­ten begraven ligt.

****Het zwaard van de oorlogsgod
De Hunnenkoning Attila was in de dagen van zijn volgelingen onoverwin­nelijk omdat hij, naar ze geloofden, hef zwaard van een krijgsgod in zijn bezit had. Eens namelijk had een her­der een stuk jongvee gevonden, dat aan een poot gewond was geraakt. Hij volgde het bloedspoor terug en ontdek­te in het lange gras een ijzeren punt die de grond omhoogstak. Nieuwsgie­rig geworden begon hij te graven en vond een groot roestig zwaard. Hij nam het mee en bracht het naar Attila. Deze luisterde aandachtig naar het ver­haal van de wonderlijke vondst en ver­klaarde dat het een teken van de hemel was. Het zwaard zou van de oorlogs­god afkomstig zijn, die daarmee aan Attila duidelijk wilde maken dat deze oor bestemd was voor de wereldheer­schappij, Het zwaard werd voortaan als een heilig voorwerp beschouwd en genoot een grote verering. Plechtige feesten werden ervoor gehouden en tal van dieren werden ervoor geofferd.

*)Goud en edelstenen
De gezanten die in opdracht van de Romeinse keizer naar Attila waren ge­gaan om hem om vrede te vragen, ke­ken hun ogen uit toen ze in de residen­tie van de Hunnenkoning in de Hon­gaarse Laagvlakte waren aangekomen. Alle gebouwen op één na waren van hout en de huizen van de voorname Hunnen waren ongelooflijk rijk ver­sierd. De bevelhebbers van de vorst droegen bonte en opgesmukte kleding. Zelfs op hun schoeisel droegen ze goud en edelstenen. De tafels van de aan­zienlijken waren overladen met gouden en zilveren vaatwerk. Opvallend daar­entegen was de grote eenvoud die Atti­la zelf betoonde, zowel in zijn kleding als ten aanzien van het voedsel dat hij tot zich nam. Dit laatste bestond slechts uit vlees, naar de aloude ge­woonte van de nomadische Hunnen.

**)De rechter- en de linkerhand
Keizer Valentinianus liet de moord op de befaamde veldheer Aëtius aan het volk bekendmaken als een  ‘rechtvaar­dige en nuttige daad’. Zijn onderdanen lieten zich echter niet om de tuin leiden en vroegen zich af wie hen op even be­kwame wijze tegen de barbaren moest verdedigen. Een Romein bracht de twijfel over de juistheid van de daad heel goed onder woorden, toen hem door de keizer gevraagd werd hoe hij over de dood van de veldheer dacht: ‘Heer, ik weet niet wat uw overwegin­gen zijn geweest en ook ken ik niet het onrecht dat u is aangedaan. Maar één ding staat voor mij vast en dat is dat u hetzelfde hebt gedaan als iemand die met zijn rechterhand zijn linkerhand heeft afgehakt.’

***)Een groot aantal paarden
De aanvallen die de Vandalen na de plundering van Rome in 455 op de kusten van Italië, maar ook op die van Griekenland bleven uitvoeren, droegen een heel bijzonder karakter. De rovers namen namelijk een groot aantal paar­den aan boord van hun schepen. Wan­neer ze ergens aan land waren gegaan, konden ze daarmee snel en diep in het gebied doordringen om hun buit te ver­garen. Voordat de overrompelde men­sen goed en wel beseften wat er aan de hand was, waren de overvallers al weer even snel weggereden als ze gekomen waren. En voordat een behoorlijke te­genstand georganiseerd was, waren de overvallers met hun paarden alweer lang en breed aan boord van hun sche­pen op weg naar nieuwe roofavonturen.

6e klas rome 9

In deze tijd ontstonden prachtige mozaïeken. Ravenna!
Je kunt ze met 6e-klassers maken, (als je de tijd vindt).
In Erziehungskunst 9-82 vind je aanwijzingen hoe.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen
666

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-6)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

JERUZALEM EN ROME

Een ijverige en intelligente leerling
Waarschijnlijk in het jaar 7 voor Chr. werd in een uithoek van het ge­weldige Romeinse rijk een jongetje geboren, dat later door miljoenen mensen als de Verlosser van mens en wereld zou worden beschouwd. Zijn ouders, Jozef en Maria, waren af­komstig uit het stadje Nazareth in Galilea. Ze vertoefden op dat ogen­blik in Bethlehem, iets ten zuiden van Jeruzalem, wegens een door keizer Augustus uitgeschreven volkstelling. Daar vond ook de bevalling plaats, die voorspoedig verliep. De jongge­borene kreeg de naam Jozua, wat ‘God helpt’ betekent. Later werd de­ze naam vergriekst tot Jezus. Terug­gekeerd in Nazareth groeide Jezus voorspoedig op en leerde voor tim­merman, het beroep van zijn vader. Daarnaast werd hij in de traditie van de Farizeeën als een vrome jood
op­gevoed. Dat betekende niet alleen dat hij de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament grondig moest bestuderen, maar ook werd hem bijgebracht dat het belangrijkste in het leven van een jood was dat hij zich aan de Wet hield. Die Wet werd gevormd door de Tien Geboden van Mozes en verder door alle regels en voorschriften voor de manier waarop men moest leven. Jezus moet een ijverige en intelligente leerling zijn ge­weest, want later deed hij de mensen versteld staan over zijn grote kennis van en zijn diepe inzicht in de joodse godsdienst.

Hard en meedogenloos
Toen Jezus ongeveer 30 jaar oud was ging hij naar Johannes de Doper, die als een profeet predikte en opriep tot boete. Johannes doopte de mensen in het water van de Jordaan als een zin­nebeeld van bekering en vergeving. Hij zei hun dat de Messias, de Gezalf­de van God, heel spoedig zou komen om Israël te redden. Zijn boodschap sloeg bij velen aan, want het verlan­gen om onder de druk van de Ro­meinse bezetting uit te komen, was groot. Wel genoten de joden onder de Romeinen beperkt zelfbestuur, maar de boven hen gestelde stadhouders wilden zich zo snel mogelijk verrijken en hun optreden was hard en meedo­genloos. De joodse geest van strijd­baarheid en verzet was echter nog springlevend  en verlangend werd uitgekeken naar de Messias, de man die de leiding van een eventuele opstand op zich zou willen nemen.

Een nieuw rijk van vrede
Ook Jezus liet zich door Johannes dopen en hij werd door hem herkend als de Messias. Nadat Johannes de Doper was gevangengenomen, zette Jezus diens werk voort. Hij trad op als godsdienstleraar en verkondigde dat het Godsrijk nabij was. Veel mensen raakten ervan overtuigd dat hij inderdaad de Messias was die de Romeinen zou verdrijven en een nieuw rijk van vrede en voorspoed zou stichten in Palestina. Jezus sprak evenwel over een geestelijk rijk met een geestelijke heerschappij en niet over een wereldlijk rijk met een we­reldlijke heerschappij. Zijn rijk was ‘niet van deze wereld’, zoals hij zelf zei. Zijn volgelingen konden dat maar moeilijk begrijpen. Eigenlijk begon pas na zijn dood de waarheid die hij gebracht had, een beetje, en dan nog heel langzaamaan, tot hen door te dringen. Met de belangrijkste godsdienstig-politieke groeperingen, de  Farizeeën  en  de  Sadduceeën, kwam Jezus heftig in botsing. Hij moest wel met hen in botsing komen. Met de Farizeeën doordat hij het
be­ginsel aanviel dat het zich houden aan de Wet op zichzelf voldoende was. Naar zijn mening was naastenliefde van veel meer belang. Bij de Saddu­ceeën wekte Jezus ergernis op door zijn prediking en door de hoge zede­lijke eisen die hij stelde. Beide partij­en, die anders elkaars felle tegenstan­ders waren, gingen samenwerken om Jezus ten val te brengen. Ze slaagden in hun opzet en aan hem werd de in die tijd veel toegepaste doodstraf vol­trokken door middel van ophanging aan het kruis.

De eerste martelaar
De dood van Jezus had een aantal van zijn volgelingen in verwarring ge­bracht, vooral degenen die hadden geloofd dat hij de leider van het ver­zet en de voorvechter in de strijd te­gen de Romeinen zou zijn. Hun kans kwam pas tijdens de Joodse Oorlog die in 66 na Chr. begon. Niet allen echter bleven bij de pakken neerzit­ten, want ook velen vertelden aan iedereen die het maar horen wilde dat Jezus de Christus – Christos is het Griekse woord voor Messias – wel was gestorven en begraven, maar dat hij op de derde dag weer verrezen was. Hij was echt de Zoon van God en wie in Hem geloofde, zou na de dood terstond het Licht der Waar­heid aanschouwen. In het bijzonder de apostelen verbreidden ijverig het geloof. Dat gaf wel problemen, want het merendeel van het joodse volk voelde niets voor de nieuwe leer en keerde zich fel tegen haar verkondi­gers. Een toespraak die de christen Stephanus hield, maakte de joodse toehoorders zo boos, dat ze de arme man stenigden. Hij werd zo de eerste martelaar in de geschiedenis van de christelijke kerk. Daarna keerde de woede zich tegen de andere christe­nen, die in paniek uit Jeruzalem weg­vluchtten.

Juist tot de heidenen
Aanvankelijk bestond het grootste deel van de gelovige christenen uit jo­den. Het was een punt van discussie onder hen in hoeverre het ook voor heidenen mogelijk was, tot het chris­tendom over te gaan. Sommigen meenden dat niet-joden eerst besne­den dienden te worden en de Wet moesten aanvaarden. Maar anderen vonden dat helemaal niet nodig. Ze richtten zich integendeel juist tot de heidenen. Dat deed in het bijzonder ook Saulus of Paulus van Tarsus. De­ze had eerst tot de fanatieke christen­vervolgers behoord, maar na een visi­oen had hij zich laten dopen. Vervolgens zette hij zich geheel en al in om het Evangelie, de boodschap van Jezus, te verbreiden. Hij bereisde een groot deel van het Romeinse Rijk en dankzij zijn ijver werd het christelijke geloof in de voornaamste steden van Klein-Azië en Griekenland bekend en door velen aangehangen.

Gehaat en veracht
Overal ontstonden kleine christelijke gemeenten, die hechte gemeenschap­pen vormden, want ze werden door joden en heidenen gelijktijdig gehaat en veracht. Binnen de gemeenten ging men met elkaar om in een geest van naastenliefde en in de hoopvolle ver­wachting dat Jezus Christus spoedig zou wederkeren. Alle gemeenteleden werden zonder onderscheid gelijk be­handeld, of ze nu van nederige af­komst of van hoge geboorte waren, arm of rijk, slaaf of meester. Omdat er nog geen kerkgebouwen waren, werden de godsdienstoefeningen bij de gelovigen thuis gehouden. Tijdens zo’n dienst hield iemand een korte preek, werd er gezamenlijk gebeden en werd het avondmaal gevierd. Hoogtijdagen in het geestelijk leven waren Pasen, waarop men Jezus’ lij­den en opstanding herdacht, en Pink­steren, dat aan de uitstorting van de Heilige Geest was gewijd. Mensen die tot het christendom wilden overgaan, werden eerst in de leer onderricht en vervolgens door de doop aangeno­men.

De eerste bisschop van Rome
Ook het bestuur van de gemeenten was in het prille begin van de christelijke kerk heel simpel georganiseerd. Het bestond uit opzichters of bis­schoppen en soms ook wel uit ouder­lingen of presbyters. Deze mannen werden door de gemeenteleden zelf gekozen. Ze oefenden geen uitgespro­ken gezag uit over de gemeente, maar zorgden voor de handhaving van de orde en deden hun best het gods­dienstig leven zoveel mogelijk tot groei en bloei te brengen. Diakenen of dienaars, eveneens op democrati­sche wijze gekozen, waren belast met de zorg voor de armen en de zieken. De eerste bisschop van de kleine christengemeente in Rome is waar­schijnlijk de apostel Petrus geweest. Hij was echter ook vaak buiten Rome werkzaam. In de jaren van de vervol­gingen onder keizer Nero is hij de martelaarsdood gestorven. De rooms-katholieke kerk beschouwt Petrus als haar eerste paus. Jezus im­mers had gezegd dat Petrus de rots was waarop Hij Zijn kerk wilde bou­wen. Maar het zou nog vele eeuwen duren, voordat Rome de voorrangs­positie van het pausdom in de christe­lijke wereld zou verwerven.

De verbreiding van het christendom
Toen Petrus stierf, was Rome dan wel het middelpunt van het geweldige Romeinse Rijk, maar beslist niet het centrum van de jonge christenheid. Het was de stad Alexandrië in Egyp­te, die al vroeg een bloeiende christe­lijke kerk en een christelijke school binnen haar muren had. Van daaruit verbreidde het christelijke geloof zich over heel Egypte en de rest van Noord-Afrika. En daarbij bleef het niet. Ook in Spanje, in Gallië en zelfs in Brittannië gingen mensen door de doop tot het nieuwe geloof over. Het christendom kon zich gemakkelijk en snel verbreiden, niet alleen omdat het Romeinse Rijk een voortreffelijk en bijzonder veilig wegennet had, maar ook dank zij het feit dat vrijwel alle inwoners van deze uitgestrekte staat elkaar heel goed konden begrijpen. Iedereen namelijk sprak en verstond in meer of mindere mate het Grieks, dat wel de internationale taal van de oudheid genoemd kan worden.

6e klas Rome Christendom

Een strakkere kerkelijke organisatie
Naarmate het aantal christenen toe­nam begon de organisatie van hun kerk ook strakker te worden. De de­mocratische opvattingen van gelijk­heid begonnen te verdwijnen. Er kwam een duidelijke scheiding tussen de geestelijke stand en de rest van de gelovigen, de leken. De bisschoppen zagen zich meer en meer als de opvol­gers van de apostelen en meenden aanspraak te kunnen maken op eer­bied en gehoorzaamheid. Ook eisten ze het recht op, de lagere geestelijken de wijding te mogen geven. Het ker­kelijk bestuur werd een beetje een af­spiegeling van het wereldlijk bestuur van het Romeinse Rijk. Zo werden de hoofdsteden van de provincies, zoals Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem, de woonplaatsen van de belangrijkste bisschoppen. Deze werden metropo­lieten of aartsbisschoppen genoemd. Omstreeks 180 na Chr. vormde de christelijke kerk, wat haar organisa­tie betrof, een soort bond van ge­meenten met algemeen aanvaarde, vaste regels omtrent godsleer, ere­dienst, ambten en geloofsbelijdenis. Deze hechte organisatie was ook wel nodig, want tal van gevaren, zowel van binnenuit als van buitenaf, be­dreigden de nog altijd kleine gemeen­schap van gelovigen, die later tot een wereldgodsdienst zou uitgroeien.

Vervolging, strijd en zege

De brand van Rome
In 64 na Chr., onder de regering van de beruchte keizer Nero (54-68), brak in Rome de ergste brand uit die men ooit had meegemaakt. Tien van de veertien districten die Rome telde werden in as gelegd. Ontelbare men­sen kwamen om in de vlammen of werden het slachtoffer van de paniek en de chaos die ontstonden. De over­levenden, die ten slotte niet meer wisten wat te doen of waarheen te vluchten, bleven steken op de over­volle landwegen of gingen op de vel­den zitten. Sommigen hadden alles verloren en wachtten als verdoofd op het einde. Nero had gelukkig oog voor de omvang van de ramp en kon­digde maatregelen af om de ergste nood te lenigen. Hij gaf de zwaar ge­troffen mensen toestemming om in bepaalde gebouwen onderdak te zoe­ken en stelde ook zijn eigen parken voor hen open. Voorts liet hij voed­selvoorraden aanvoeren en stelde een heel lage prijs voor het graan vast. Om Rome mooier en grootser te her­bouwen liet hij ontwerpen maken, waarbij extra werd gelet op geriefe­lijkheid en woongenot. Om ook de goden gunstig te stemmen, zorgde hij voor indrukwekkende plechtigheden.

De zondebok
Het valt niet te ontkennen dat Nero niets heeft nagelaten om de nood van zijn onderdanen te lenigen. Maar toch waren die onderdanen niet erg dankbaar en dat kwam omdat er hardnekkige geruchten gingen dat de keizer zelf de brand van Rome had la­ten aansteken. Dat zou hij gedaan hebben om Rome op een schitterende wijze te kunnen herbouwen en zo lof en eer te kunnen oogsten als bouw­meester. Ondanks al zijn ijveren ble­ven de praatjes rondgaan. Of Nero werkelijk schuldig is geweest aan de brand is nu niet meer na te gaan. Feit is echter dat er tijdens de brand ben­des door de stad trokken die overal fakkels in de huizen wierpen en die schreeuwden dat ze daartoe bevel hadden gekregen. Misschien hadden ze ook werkelijk dergelijke orders ge­kresen, misschien zeiden ze dat alleen maar om gemakkelijker te kunnen plunderen. Hoe het ook zij, de keizer kreeg de schuld en hij voelde zich daar steeds ongemakkelijker onder. Daarom zocht en vond hij een zonde­bok: de christenen!

Vreemde verhalen
De aantrekkingskracht die de we­reldstad Rome op bewoners uit het hele rijk uitoefende, heeft ongetwij­feld ook de christenen niet onberoerd gelaten. De geschiedschrijver Suetonius vermeldt dat de joden in 49 na Chr. door de overheid uit Rome ver­bannen werden, omdat ze op aanspo­ring van een zekere Christus zoveel onrust teweegbrachten. Uit deze me­dedeling blijkt overigens duidelijk dat men in die tijd nog geen verschil zag tussen joden en christenen. De christenen hield men eenvoudig voor een joodse secte. Sinds deze verbanning bleef er een voortdurende arg­waan tegen de christenen bestaan, waarschijnlijk omdat ze zich zo afzij­dig hielden van het gewone Romeinse leven. Vreemde verhalen deden over hen de ronde, onder andere dat ze zich aan kannibalisme schuldig maakten en dat ze bloedschande be­dreven. Nero knoopte bij de bestaan­de afkeer jegens de christenen aan en beschuldigde hen ervan de brand in Rome aangestoken te hebben.

Als levende fakkels
Gevangengenomen christenen beken­den op de pijnbank hun zogenaamde misdrijf en wezen zelfs medeschuldi­gen onder hun geloofsgenoten aan. Massale arrestaties en terechtstellin­gen volgden. Deze werden in het openbaar en bij wijze van vermake­lijkheid voltrokken, opdat iedereen maar goed zou weten dat de christe­nen de ware schuldigen waren en niet keizer Nero. De arme gelovigen wer­den in dierenhuiden genaaid, waarna er wilde, uitgehongerde honden op hen losgelaten werden, die hen in stukken scheurden. Anderen werden gekruisigd of moesten ’s avonds, volgesmeerd met olie en pek en op staken gestoken, als levende fakkels de keizerlijke tuinen verlichten. De schouwspelen in het Circus konden de mensen niet echt boeien, want ze hadden eigenlijk medelijden met de christenen, die gestraft werden voor iets wat ze niet gedaan hadden.

Vaak overdreven
Het wrede optreden zoals van Nero tegen de christenen was tot in de 3 e eeuw gelukkig een uitzondering. Meestal werden alleen de belangrijke leden van de christengemeente gear­resteerd en gestraft. In de geschiedenis van de christelijke kerk worden tien christenvervolgin­gen vermeld, van de tijd van Nero tot aan het begin van de 4e eeuw. De overgeleverde berichten komen vrij­wel uitsluitend van christelijke ge­schiedschrijvers en het staat vast dat deze 
hun verhalen vaak hebben over­dreven en dat ze soms ook weliswaar mooie, maar onware zaken vermel­den. Hierbij hoeft overigens helemaal geen boze opzet in het spel te zijn ge­weest. Het was nu eenmaal een tijd van bekering en hoopvolle verwach­ting. Daarbij was men snel te zeer ge­neigd tot kritiekloos aanvaarden van alles wat het christelijk geloof verhief en wat het heidendom vernederde. Onder keizer Decius (249-251) wer­den de christenen een korte tijd hevig vervolgd. Ook onder Valerianus (253-260) hadden ze het lang niet ge­makkelijk. De zwaarste vervolgingen echter vonden plaats onder Diocletianus (284-305).

Een staat in de staat
Aan het eind van de 3e eeuw bekeer­den velen zich tot het geloof van Jezus Christus. Vele ambtenaren, ho­ge en lage, maar ook talloze officie­ren en soldaten waren of werden christen. In vele steden werden nieu­we kerkgebouwen neergezet. De tijd leek niet meer veraf dat het christen­dom de heersende godsdienst van het Romeinse Rijk zou zijn. Keizer Dio­cletianus, die zich op Oosterse wijze bijna als een godheid liet vereren, kon maar moeilijk verkroppen dat de vele onderdanen die christen waren, aan die verering weigerden mee te doen. Bovendien vormden de christe­nen met hun eigen kerkelijke organi­satie en hun eigen regels en voor­schriften als het ware een staat in de staat. Dit strookte beslist niet met het absolute gezag dat de keizer voor zichzelf opeiste. Daarom werd het in­strument van het keizerlijke gezag, het leger, het eerst aangepakt. In 298 werd het hele leger van christenen ge­zuiverd. De christenen onder de
mili­tairen moesten hun geloof afzweren of de dienst verlaten. Velen gaven de voorkeur aan het laatste!

6e klas Rome Christendom 2

Een van de zwaarste perioden
In 303 werd in Nicomedië onder leiding van Diocletianus een raadsver­gadering van hoge ambtenaren en of­ficieren belegd. Bij deze gelegenheid werd besloten tot een algemene ver­volging van de christenen, in het hele rijk. Nog geen maand later drongen plunderende troepen van de keizer hoofdkerk van Nicomedië binnen en sloegen alles kort en klein. De dag daarop vaardigde Diocletianus zijn wetgeving tegen de christenen uit en begon één van de zwaarste perioden voor de jonge christenheid. Alle ker­ken in het hele rijk moesten afgebro­ken worden. De kerkelijke eigendom­men werden van staatswege in beslag genomen. Godsdienstige bijeenkom­sten werden verboden op straffe van de dood. Christenen was het niet lan­ger toegestaan ambten en erefuncties te vervullen. Het werd zelfs verboden om slaven, die het christendom aan­hingen, vrij te laten. In het grootste deel van het Romeinse Rijk werden de gelovigen gevangen genomen en voor de rechters ge­bracht. Die hadden toestemming om iedere aanklacht tegen een christen voor waar aan te nemen en mochten de pijnbank gebruiken om bekente­nissen af te persen. Velen, zeer velen, verloren lijf en goed in die tijd.

Allerlei ongedierte
In 305 trad Diocletianus als keizer af. Hij trok zich terug op het lustslot dat hij te Salona in Dalmatië had laten bouwen. Daarmee waren de vervol­gingen in het oosten van het Romein­se Rijk evenwel nog niet afgelopen. Daar werden in 306 en in 308 op­nieuw wetten tegen de christenen uit­gevaardigd, die zo mogelijk nog har­der waren dat die uit 303. Wederom stierven velen de martelaarsdood. Toch kwam ook aan deze zware be­proeving een einde. In 311 vaardigde Galerius, inziende dat de bestrijding van het christendom een zinloze be­zigheid was, het Tolerantie Edict of Verdraagzaamheids Edict uit. Voor het eerst in de geschiedenis werden de christenen hiermee officieel toe­gestaan hun geloof aan te hangen en godsdienstoefeningen te houden. De keizer eindigde het edict zelfs met de hoop ‘dat onze zachtmoedigheid de christenen ertoe zal brengen om
zo­wel voor ons geluk en heil als voor dat van henzelf en dat van de staat tot hun God te bidden’. Veel heeft het hem overigens niet geholpen, want hij stierf kort daarop aan een vreselij­ke ziekte, overdekt met walgelijke zweren waaruit, volgens de christelij­ke geschiedschrijvers, nog bij zijn le­ven allerlei ongedierte kroop…

‘In dit teken zult gij overwinnen’
Na de dood van Galerius waren er weer vier keizers om het uitgestrekte rijk te besturen, zoals Diocletianus destijds had bepaald. Van enige sa­menwerking tussen de heren was nochthans geen sprake. Ieder streefde er in tegendeel naar, zijn eigen macht ten koste van de anderen te vergro­ten. Tussen Constantijn die door de soldaten van Brittannië tot keizer uit­geroepen was, en Maxentius die te Rome zetelde, brak een regelrechte oorlog uit. Constantijn trok over de Alpen Italië binnen en wist menige overwinning op de legers van Maxen­tius te behalen. Langzaam rukte hij op naar Rome, waarbij hij zich verze­kerde van de hulp van de christenen. Mogelijk onder hun invloed zou Con­stantijn tot hun God gebeden hebben om hulp in de strijd tegen Maxentius. Toen zou het wonder gebeurd zijn dat de christelijke geschiedschrijvers in alle ernst en als de volle waarheid meedelen. Op klaarlichte dag zagen zowel Constantijn als zijn soldaten boven de zon het teken van het kruis verschijnen met daaromheen de woorden: ‘In dit teken zult gij over­winnen’. En ’s nachts verscheen Christus aan de keizer in een droom en zei hem dat hij het teken van het kruis in zijn vaandel moest gaan
voe­ren. De volgende dag liet Constantijn inderdaad zijn leger onder het
kruis­teken optrekken. Bij de Milvische Brug over de Tiber behaalde hij een klinkende overwinning op Maxentius (oktober 312). Het jaar daarop werd het Tolerantie Edict van Galerius be­vestigd. Gewoonlijk noemt men dit het Edict van Milaan (313).

Pas op zijn sterfbed
Met Constantijn was er een keerpunt in de geschiedenis van de christelijke kerk gekomen. Was deze tot dan toe een vervolgde of maar net getolereer­de instelling, toen werd de kerk een door de overheid beschermde en zelfs sterk bevoorrechte instelling. Met een eenvormige godsverering hoopte Constantijn zijn éigen positie en die van het rijk aanzienlijk te versterken. Daarom stond hij de bisschoppen grote voorrechten toe en gaf hij de geestelijkheid het oppertoezicht over de scholen. De geestelijken werden van staatswege bezoldigd en mochten krachtens een wetsbepaling van 321 zelf goederen bezitten en erfenissen aanvaarden. De voorrechten die de keizer aan de kerk verleende waren natuurlijk niet voor niets. Via de geestelijkheid kon het staatshoofd de grote massa van het volk beheersen en dat bevestigde metterdaad zijn eigen absolute macht. Het kostte de kerk ook een stuk vrijheid en onaf­hankelijkheid, want Constantijn be­moeide zich ook met allerlei kerkelij­ke zaken. Ketterse bewegingen binnen de kerk vervolgde hij. Hoezeer hij de kerk als een machtsinstrument zag, blijkt wel uit het feit dat hij zelf nooit tot het christendom is overge­gaan, maar zijn kinderen wel een christelijke opvoeding liet geven. Zelf zou hij zich pas op zijn sterfbed heb­ben laten dopen.

De afvallige keizer
Nog slechts één keizer is er geweest die geprobeerd heeft de klok terug te draaien, door te proberen het heiden­lom in ere te herstellen. Het was Julianus (360-363), die dan ook de bijnaam ‘de Afvallige’ heeft gekregen. Deze keizer had een christelijke opvoeding genoten, maar hij was er blijkbaar niet erg diep door beïnvloed. Zijn grote belangstelling en bewondering gingen uit naar de vroegere Romeinse republiek met haar idealen van deugdzaamheid, eenvoud, dapperheid en vaderlandsliefde. Als keizer joeg hij de hele stoet van dienaren en andere nutteloze hovelingen het paleis uit. Hij leidde voortaan een uiterst sober, zelfs karig bestaan. Zijn leefwijze was die van een cynicus, dat is een wijsgeer die helemaal ‘natuurlijk’ wil zijn, los van alle be­hoeften van de beschaving. Hij dreef zijn manier van leven zó ver door, dat hij ook zijn lichaamshygiëne verwaarloosde. Met trots sprak hij over zijn vuile handen, zijn lange nagels en zijn ruige en dichtbevolkte baard. Het is te begrijpen dat iemand die zo ’n voorliefde voor de oude Romeinse cultuur koesterde, ook de heidense godsdienst een warm hart toedroeg. Dat geeft mede een verklaring voor zijn afkeer van het christendom.

ruzie en geharrewar
In de korte periode dat Julianus geregeerd heeft – één jaar en acht maan­den – is het gelukkig niet tot een echte christenvervolging gekomen. Wel heeft hij tal van maatregelen tegen de christelijke kerk afgekondigd. De heidenen werden voortaan weer ge­lijkgesteld aan de christenen, wat be­tekende dat ze ook weer ambten mochten bekleden. Aan de christenen werd het verboden in het vervolg op te treden als leraren in de welspre­kendheid en in de taalkunde. De hei­dense tempels die door ijverige chris­tenen waren gesloopt, moesten weer worden herbouwd – op kosten van de slopers!
In een veldtocht tegen de Perzen sneuvelde Julianus de Afvallige. Hij was beslist geen slecht bestuurder ge­weest, maar hij had in feite zijn eigen tijd niet begrepen. De christenen her­ademden en hervatten weer vol vuur hun geruzie en geharrewar over vele geloofspunten. Maar dat de christe­lijke kerk zou voortbestaan, was in ieder geval duidelijk.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

 

663