VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .
DE KRUISTOCHTEN

Een welbespraakte paus
Op 27 november 1095 schalde uit tienduizenden kelen een strijdlustige kreet tegen de grauwe stadsmuren van Clermont-Ferrand. Het was de kreet ‘Deus lo volt!’ (God wil het). Het was de leuze die bijna twee eeuwen lang het lot van heel Europa en Klein-Azië zou bepalen. Clermont-Ferrand lag in het hart van Frankrijk. De stad was tevens het middelpunt van de westerse christe­lijke wereld. Tienduizenden Fransen en buitenlanders waren naar de stad gestroomd. Zó groot was de mensen­massa, dat de stad te klein was voor allen. De menigte moest zich buiten de poorten verzamelen. Bisschoppen stonden naast paters, graven naast boeren en burgers naast lijfeigenen. Daar, in het open veld, hield paus Urbanus II een gloedvolle preek. De paus was een kleine, tengere man. Maar hij bezat de gave van het woord. Welbespraakt wist hij de menigte op te zwepen. ‘Deus lo volt!’ was de leuze, waarmee paus Urbanus II de aanwezigen opriep voor de strijd ter bevrijding van het Heilige Land.

Maar deze boodschap was niet alleen bestemd voor de menigte bij Clermont-Ferrand. Over de hoofden van de verzamelde toehoorders heen riep de paus de gehele westerse christenheid op tot de strijd tegen de muzelmannen en de bevrijding van Jeruzalem. Iedere christen afzonder­lijk riep hij op, zijn aardse goederen in de steek te laten. Ieder moest op zijn kleding een rood kruis naaien en het zwaard opnemen. De paus stelde daar tegenover: ‘En als u vraagt hoe God u voor deze moeite zal belonen, dan beloof ik u: ieder die het kruis draagt en boete doet, zal voortaan vrij zijn van zonden.’

Voor wie bang mocht zijn in de komende Heilige Oorlog het leven te laten, voegde de paus er nog aan toe: ‘Op welke plaats, op welk ogenblik en op welke manier hij het aardse leven ook zou verliezen, hij zal het eeuwige leven verwerven.’ Maar paus Urbanus II beloofde meer dan alleen geestelijke beloningen. Hij stelde ook tastbare beloningen in het vooruitzicht: ‘Het Heilige Land vloeit over van melk en honing, zoals het paradijs.’

Wie nóg mocht twijfelen om aan de oproep van de paus gevolg te geven, moest bijna wel zwichten voor de laatste belofte, dat iedere deelnemer opschorting van zijn schulden en ook vrijstelling van belastingen zou krij­gen. En ten slotte zouden alle deel­nemende horigen en lijfeigenen voort­aan vrij zijn! De opgezweepte me­nigte herhaalde geestdriftig de leuze van de paus: ‘God wil het!’

Verschillende drijfveren
Waarom kwam de paus helemaal uit het verre Rome naar Clermont-Ferrand? En waarom reageerde het volk zo geestdriftig op zijn oproep? Om dat te begrijpen, moet men iets weten van de innige verbondenheid tussen de middeleeuwse Europeanen en de kerk. Enerzijds werd Europa innerlijk verdeeld door de veelvuldige oorlogen tussen vorsten en volkeren. Maar de Europese volkeren waren anderzijds innerlijk sterk verbonden door het geloof in Christus. De katholieke kerk en de paus hadden van Europa een bolwerk van de christenheid gemaakt. De Europeaan uit die tijd, die niet kon lezen of schrijven, had een heilig ontzag voor de ontwikkelde priesters. Van zijn geboorte af was hem ingeprent, dat het geloof zijn hoogste goed was. En dat geloof werd bedreigd! Die bedreiging kwam van de muzelmannen of moslims, de volkeren in het Midden-Oosten die aanhangers waren van het mohammedaanse ge­loof, de islam. Van de stichter van hun geloof, de profeet Mohammed, had­den ze de opdracht gekregen de hele wereld te winnen voor de islam. Het is duidelijk dat de Europese christen­heid zich daartegen verzette. De bedreiging van de muzelmannen vormde de voornaamste drijfveer van de Europeanen om zich gedurende de 12e en 13e eeuw in een gigantisch en onoverzichtelijk avontuur te storten. De toespraak van paus Urbanus II gaf de stoot tot de eerste van een reeks van acht massale veldtochten tegen de muzelmannen. Deze ‘kruis­tochten’ zouden tussen 1095 en 1270 de grootste bewegingen in de wereld­geschiedenis veroorzaken. Geestelijkheid, adel en volk stonden in Clermont-Ferrand aan de vooravond van een woelige periode. Het zou een tijdvak worden waarin onder de banier van het christenkruis in vlammend rood, heldendom en gru­weldaden dicht bijeen lagen. Een tijd waarin godsdienstige vervoering vaak uitmondde in zinloze slachtpartijen. Maar niet alleen de bedreiging van de eigen godsdienst door de ‘barbaarse’ islam was de drijfveer tot het deel­nemen aan de kruistochten. Velen die de barre tocht naar het Heilige Land maakten, werden door minder
hoog­staande motieven gedreven. Er waren misdadigers bij, die aan de arm van de wet probeerden te ont­komen. De paus had hen vergeving van zonden toegezegd. Er waren ook avonturiers bij, belust op buit. Ver­der waren er ridderzonen zonder veel toekomst in het voorvaderlijk kas­teel, dat het eigendom zou worden van de oudste zoon. De paus had hen de ‘melk en honing’ van het Heilige Land beloofd.
Verder waren er boerenzoons bij zonder akkers, lijfeigenen en hori­gen, die aan de hele of halve slavernij wilden ontkomen. De paus had im­mers gezegd dat ze vrij zouden worden!
Zo zochten velen, gedreven door andere dan godsdienstige motieven, hun toevlucht onder de banier van het kruis. Ze hoopten een nieuwe toekomst te kunnen opbouwen.

Een oplaaiende oude strijd
De strijd tegen de muzelmannen was niet nieuw. Al eerder hadden de aanhangers van de islam Europa aan de zuidelijke en oostelijke grenzen in de tang genomen. Al eeuwenlang waren de Europese vorsten bezig de muzelmannen op verschillende fron­ten terug te dringen. In Spanje ging de strijd tegen de Moren, op Sicilië en in Italië tegen de Saracenen en in het oosten tegen de Turken. De herovering van Spanje op de Moren werd aangeduid met het Spaanse woord ‘reconquista’. De reconquista werd ingezet met de overwinning op de Moren bij de Franse stad Poitiers in het jaar 732. Maar daarna was geen enkele macht in Zuidwest-Europa sterk genoeg om de Moren te verdrijven. Pas in 1031 werd de reconquista nieuw leven ingeblazen. Kleine delen van Spanje werden heroverd. Maar door onder­linge verdeeldheid van de kleine christelijke rijkjes in Noord-Spanje kwam de reconquista weer tot staan. Pas 100 jaar later moesten de Moren weer enkele delen van Spanje prijs­geven. Maar het duurde tot 1275, voordat de Moren alleen nog maar het zuidoostelijke deel van Spanje bezet hielden, met de stad Granada als laatste bolwerk.

In het zuiden van Italië werd de strijd tegen de oprukkende muzelmannen gevoerd door Normandiërs, die uit Frankrijk waren overgekomen. De Normandiërs dreven de mohamme­daanse Saracenen de zee in. Daarna veroverden de Normandiërs het eiland Sicilië. De Saracenen hadden daar lange tijd een vlootbasis gehad. Van­daar uit beheersten ze vrijwel de hele westelijke Middellandse Zee. De Saraceense schepen vluchtten de open zee op, maar daar werden ze door de Italiaanse vloot verslagen.

Het bedreigde christendom in Oost-Europa
Aan de Duitse oostgrenzen drong reeds eeuwenlang een andere vijand langzaam maar zeker naar het westen. Het waren geen muzelmannen, maar heidense Slavische stammen. De Duitse boeren die meer land wilden hebben, besloten dat zelf te vero­veren. Gewapenderhand namen ze grote delen land in het oosten in bezit en verdreven de Slavische stammen. Nieuwe steden en vorstendommen ontstonden en nieuwe kerken werden gebouwd. De katholieke kerk werd steeds meer een strijdende kerk. In het zuidoosten worstelde het chris­tendom tegen de ondergang. Het keizerrijk Byzantium, met als hoofd­stad Konstantinopel, vormde het overblijfsel van het eens zo machtige Romeinse keizerrijk. Byzantium was in de loop van de eeuwen min of meer los van de rest van Europa uitge­groeid tot een welvarend rijk. In 1054 hadden de katholieke Byzan­tijnen zich losgemaakt van de rooms-katholieke kerk. Daardoor was de christenheid verdeeld in een westerse christenheid onder leiding van de paus van Rome en een oosterse christenheid onder leiding van de aarts-patriarch van Konstantinopel.
Het spreekt bijna vanzelf dat de paus van Rome naar middelen zocht om de oosterse christenen weer binnen de rooms-katholieke kerk te krijgen. Van 1081 tot 1118 was Alexius keizer van Byzantium. Tijdens zijn regering werd een deel van het Byzantijnse gebied in Klein-Azië veroverd door de Turken. Het door de christenen als Heilige Stad beschouwde Jeruza­lem in het Heilige Land (Palestina) was een bolwerk van de muzelman­nen geworden. Pelgrims die vanuit alle delen van Europa eeuwenlang ongehinderd Jeruzalem en het Heili­ge Graf hadden bezocht, werden door de mohammedaanse Turken verdreven.

Keizer Alexius zag geen kans het alleen op te nemen tegen de Turken. Hij vroeg steun aan de paus van Rome. Die wilde wel helpen, temeer omdat hij hoopte met deze steun de oosterse christenen terug te winnen voor zijn kerk. Verschillende pausen smeedden plannen voor een veldtocht om Jeruzalem te bevrijden van de muzelmannen.
De welbespraakte paus Urbanus II was degene die de plannen uitwerkte. Hij riep iedereen in Europa op tot een kruistocht. De strijd in het Heilige Land moest de genadeslag toebrengen aan de oprukkende islam en de hele christenheid voorgoed in veiligheid stellen.

De Eerste Kruistocht

De jammerlijke kruistocht van het volk
De paus had verwacht, dat de vorsten van Europa zich eensgezind en onver­wijld met hun legers op weg zouden begeven naar het Heilige Land. Het waren echter niet de ridders, maar de armsten van de armen die als eersten een rood kruis op hun schamele kleding naaiden. Ze werden daartoe aangezet door slimme volkspredikers als Peter de Kluizenaar, die meestal meer belangstelling hadden voor hun geldkist dan voor hun bijbel. Het eerste kruisleger bestond uit horigen en lijfeigenen, bedelaars en dagdieven, schavuiten en verarmde boeren. Hun primitieve bewapening bestond voornamelijk uit knuppels en dorsvlegels en hun proviand uit geroofd vee en gestolen wijn. Op 12 april 1096 vertrok Peter de Kluize­naar met ongeveer 10.000 man uit Keulen. Dat aantal zou onderweg aangroeien tot 20.000. Hun spoor door de Europese landen leek op dat van een aanzwellende zwerm sprink­hanen.
De eerste vorst die de horde bande­loze mannen aan zijn grenzen zag verschijnen, was koning Columbanus van Hongarije. Vol wantrouwen ver­leende hij het leger havelozen de doortocht. Maar hij liet Peter de Kluizenaar  uitdrukkelijk   beloven, dat zijn mannen niet zouden plun­deren. Maar een ruzie over de ver­koop van een paar schoenen liep uit op een ware veldslag. De stad Semlin werd geplunderd en 4.000 Hongaren, geloofsgenoten van de kruisvaarders, werden gedood.
Daarna werd een deel van het volks­leger het werktuig van meedogenloze roofridders. Deze eerloze ridders, die zich bedreigd voelden door rijke handeldrijvende joden, ontketenden een wrede jacht op de joden. Ze maakten de onontwikkelde kruis­vaarders wijs, dat de joden een even grote bedreiging voor het christen­dom vormden als de muzelmannen. De joden hadden immers Christus zelf vermoord en dat was veel erger dan wat de mohammedanen deden tegenover de christenen. Joden werden als wild opgejaagd, bij hon­derden afgeslacht en hun bezittingen werden geroofd.

Op Byzantijns gebied aangekomen, vergrepen de kruistochtbenden zich aan de bewoners, die ze eigenlijk als bondgenoten moesten beschouwen. De stad Belgrado werd platgebrand achtergelaten. Ten slotte hakten By­zantijnse troepen, op wraak belust, op de horden in. Peter de Kluizenaar raakte daarbij niet alleen een flink gedeelte van zijn volksleger kwijt, maar hij verspeelde bovendien de hem zo dierbare geldkist… Keizer Alexius van Byzantium, die van de pauselijke oproep tot strijd tegen de muzelmannen had gehoord, had door ridders geleide huurtroepen verwacht. In plaats daarvan zag hij ongeregelde benden onder de muren van Konstantinopel hun tenten op­slaan en de omgeving onveilig maken. Hij liet de ongewenste bondgenoten ijlings met zijn schepen naar de overkant van de Bosporus brengen. De Bosporus was de smalle zeestraat die Konstantinopel scheidde van Klein-Azië, waar de mohammedaan­se Turken heer en meester waren. Zo leverde keizer Alexius de kruisvaar­ders uit aan de muzelmannen…

Hinderlaag
In Klein-Azië werd het volksleger een prooi van de Turken. De restanten van het nauwelijks bewapende bede­laars- en plunderaarsleger liepen in een hinderlaag. Vrijwel alle kruisvaarders werden afgeslacht tijdens een nachtelijke achtervolging. Peter de Kluizenaar, de geslepen schurk in monnikspij, was geen getuige van de ondergang van de volkskruistocht. Hij was wijselijk naar Konstantinopel teruggegaan om keizer Alexius om hulp te vragen.

De adel werd kruisdrager
De volkskruistocht, die in 1096 een jammerlijk einde vond, wordt niet tot de officiële kruistochten gerekend. Die begonnen pas, toen goedbe­wapende soldaten onder leiding van edelen en hoge geestelijken de veld­tocht naar het Heilige Land onder­namen.

De Eerste (officiële) Kruistocht was een goedvoorbereide militaire onderneming, maar werd toch niet geleid door staatshoofden. Noch de Engelse koning, noch de Franse koning, noch de keizer van het Duitse rijk behoor­den tot de kruisdragers. Het waren wel hun leenmannen, die hun wapen­rusting tooiden met het vlammend rode teken van de kruisvaarders. De kerkelijke leider van de veldtocht was de bekwame en betrouwbare Franse bisschop Adhémar. Onder zijn opperbevel schaarden zich ver­schillende ridderlegers uit voorname­lijk Franse leengebieden. De ridders die het bevel voerden waren de krijgshaftige Godfried van Bouillon (uit de Ardennen) en Robert van Vlaanderen. Maar ook graven en hertogen met een meer bedenkelijke reputatie waren van de partij: de wrede Raymond van Toulouse, de opschepperige Bohemund van Tarente, de drankzuchtige Robert van Normandië en de onbetrouwbare Boudewijn van Boulogne.

Het dubbele spel van keizer Alexius
Vier legergroepen rukten op korte afstand van elkaar op naar Konstan­tinopel. Met Kerstmis 1096 kwamen ze in de stad aan. Keizer Alexius liet de legeraanvoerders zweren, in ruil voor goud en juwelen, dat ze de te bevrijden steden opnieuw onder Byzantijnse heerschappij zouden plaatsen. In de maanden die volgden, verzamelden zich in Konstantinopel ongeveer 100.000 kruisvaarders, tegen Pasen 1097 liet keizer Alexius de kruislegers de Bosporus over­varen. Voor hen lag Klein-Azië, vijandig door de wrede Turken, het broeierige klimaat en de dorre natuur. De gelederen raakten verdeeld door op macht en buit beluste legeraan­voerders. Die verdeeldheid werd nog versterkt door de taalverschillen tus­sen de groepen kruisvaarders uit de verschillende delen van Europa. Het humeur van de soldaten werd er niet beter op, toen al snel de proviand opraakte.
De kruislegers rukten op naar Niceae, de hoofdstad van de Turken. Niceae was vroeger een Byzantijnse stad geweest en lag aan het Meer van Ascane. De stad vormde de toegangs­poort tot de eeuwenoude hoofdweg door Klein-Azië.
De Turkse sultan die Niceae bezet hield, had de gemakkelijke afslach­ting van het armzalige volksleger nog vers in het geheugen. Daardoor onderschatte hij de dreiging van de legers van de kruisridders. Toen de hongerige kruisvaarders de muren van Niceae bereikten, vocht de sultan ergens anders een veldslag uit.
Ge­waarschuwd kwam hij snel terug, maar zijn wanhopige poging tot ontzet van de stad werd in bloed gesmoord. De kruisridders bleven de stad belegeren.

Maar de belegerde Turken hielden vol en lieten zich bevoorraden door een poort, die aan het Meer van Ascane was gebouwd. Keizer Alexius, die van boodschappers van het beleg van Niceae had gehoord, stuurde een vloot om de waterweg naar de stad af te grendelen. De keizer speelde daar­mee dubbel spel. Hij wilde de stad in handen krijgen en daarom wilde hij plundering voorkomen. De admiraal van de Byzantijnse vloot onderhandelde in het geheim met de Turken. Hij beloofde hun een vrijge­leide en zelfs geschenken, als ze de stad ontruimden. Daarna spiegelde hij de kruisridders voor, dat ze de muren met zonsopgang moesten be­stormen. Niceae zou dan rijp zijn voor overgave.

Maar ’s morgens vroeg bleek boven de stad reeds de Byzantijnse vlag te wapperen. De Byzantijnse admiraal vertelde de verbaasde kruisridders, dat hij bij verrassing de stad door de poort aan het meer had genomen. Het duurde niet lang of het dubbele spel lekte uit. Maar de overwinning had slechts weinig slachtoffers gekost en aan het voedselgebrek was een einde gekomen. Daarom wonden de kruisvaarders zich niet zo erg op over het vreemde spel van de Byzantijnen. Maar vele ridders voelden zich toch wel zó bedrogen, dat ze hun eed aan keizer Alexius dat de veroverde steden Byzantijns zouden worden, niet meer serieus namen.

De hongertocht naar Antiochiè
De kruislegers trokken verder. Ze wisten niet dat de Turken een reusachtig leger hadden samengetrokken en op wraak uit waren. Plotseling dreigde een vloedgolf van 150.000 Turken de legers van Bohemubd ebn Raymond te overspoelen. Net op tijd viel het leger van bisschop Adhémar de Turken in de rug aan en joeg hen op de vlucht.
De kruislegers veroverden de stad Edessa. Daar bleef Boudewijn van Boulogne achter als ‘graaf var Edessa’, met een garnizoen om de stad zonodig te kunnen verdedigen.

Verder trokken de kruislegers
De Turken pasten de tactiek  van de verschroeide aarde toe. Ze brandden alle dorpen en akkers plat, zodat de kruislegers in de verre omtrek geen kruimel voedsel konden vinden. Bij een genadeloos brandende zon teis­terden honger, dorst en ziekte de uitgeputte kruislegers. De soldaten pelden het weinige overgebleven graan tussen hun vingers en aten het rauw op. Veel buit en wapenrusting werden weggeworpen. In de bergen die de legers moesten oversteken, werd de lijdensweg een ware martelgang. Vermoeide ruiters en lastdieren  stortten in diepe ravijnen. Dodelijk vermoeid bereikten de
weinige overgebleven manschappen in 1097 de stad Antiochië. Voor de stadsmuren van soms 18m hoog, waarboven 400 schitterende torens blonken in de zon, sloegen de kruisvaarders hun tenten op. Tijdens het zeven maanden
durende beleg van de stad werden de gelederen nog meer uitgedund door honger, ziekte en dood. Op 2 juni 1098 viel de stad door verraad. Een inwoner van Antiochië die vroeger christen was geweest, liet de kruisridders de stad binnen. Even flakkerde de geestdrift van de sol­daten op, toen ze eindelijk de stad konden binnentrekken.

Het wonder van de lanspunt
Maar nauwelijks hadden de kruis­legers bezit genomen van Antiochië, of er naderde een groot Turks leger. Toen werden de belegeraars op hun beurt belegerd. De voedselvoorraad slonk met de dag. Op de rijpaarden na werden alle dieren geslacht, zelfs de trouwe pakezels. De situatie was vrijwel hopeloos toen een pelgrim, Peter Bartholeus, be­weerde dat hij in een visioen de apostel Andrea had gezien. Die zou hebben verteld, dat de lans die de zijde van Christus had doorboord, begraven lag onder de kerk van Antiochië, die de Turken als paardenstal hadden gebruikt. Dit relikwie maakte zijn eigenaar onoverwinnelijk!
Het ‘wonder’ voltrok zich. De lanspunt, waarschijlijk heimelijk in de grond gestopt, werd gevonden. De kruisvaarders waanden zich toen onoverwinnelijk, rukten de poort uit en versloegen de Turken. Niet langer bedreigd, sloegen de overwinnaars aan het plunderen. Toen bovendien de onbaatzuchtige opperbevelhebber bisscbop Adhémar aan een besmettelijke ziekte bezweek, was het met de discipline van de legers helemaal gedaan.

Het beleg van Jeruzalem
Bohemund van Tarente en Raymond van Toulouse betwistten elkaar het bezit van Antiochië, een strijd die door Bohemund werd gewonnen. Andere, meer gewetensvolle ridders hadden de grootste moeite hun soldaten zover te krijgen dat ze verder trokken. Eindelijk trokken in januari 1099 Godfried van Bouillon en Raymond van Toulouse aan het hoofd van hun morrende troepen zuidwaarts. De ridders wilden Jeruzalem zien en veroveren. Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus, werd met een nachtelijke aanval ingenomen en van de Turken bevrijd. Op 7 juni 1099 stonden de kruislegers ten slotte aan de poorten van Jeruzalem, de Heilige Stad. Het aantal overgebleven kruisvaarders bedroeg nog slechts 12.000 man. Jeruzalem werd niet bezet gehouden door de Turken, maar door een mohammedaans volk uit Egypte. De sultan van Jeruzalem had tot in de verre omtrek het vee laten weghalen, de akkers laten afbranden en de waterputten laten vergiftigen. Slechts één bron was overgebleven. Omdat die bron maar één keer per drie dagen water gaf, vertrapten de dorstige kruisvaarders elkaar om tenminste te kunnen drinken.
Godfried van Bouillon liet een vloot naar Palestina komen, die touwen en onderdelen van gevechtstorens op het strand afleverde. Het zware materiaal werd  over een afstand van 60 km op de ruggen van gevangenen naar Jeruzalem gevoerd. De kruislegers bereidden zich voor op de bestorming van de stad. Op 8 juli 1099 trokken de kruisvaarders ongewapend, met ontblote hoofden en barrevoets om de muren van de Heilige Stad   In hun processie voerden ze banieren, kruisen  en relikwieën mee!  Vanaf de  hoge muren werden ze bespot door de muzelmannen…

De bevrijding van de Heilige Stad
De aanval werd ingezet in de nacht 12 op 13 juli 1099. Een regen van pijlen en stenen en vuur daalde neer op de kruisridders. Enorme met natte huiden beschermde houten gevechtstorens werden tot vlak tegen de hoge muren   gereden. Tientallen zwaar bewapende ridders bemanden deze torens. Na twee dagen van verbeten strijd slaagde een ridder erin vanaf een gevechstoren op de stadsmuur te springen. Met zijn lange zwaard woest in het rond zwaaiend, sloeg hij een gat in de opeengehoopte verdedigers. Andere ridders volgden zijn voorbeeld, onder wie hun aanvoerder, de dappere Godfried van Bouillon. Langzaam vochten de ridders zich een  weg  door  de  fel strijdende muzelmannen, in de richting van de poort. Een ridder deed een uitval naar het mechanisme waar­mee de zware deuren werden ge­opend. Hij werd neergestoken door vele zwaarden en van de muur geworpen. Andere ridders vormden daarop een menselijke muur rond de deuren en begonnen aan de zware wielen te draaien. Langzaam en kreunend weken de deuren vaneen. Van buiten de poort glipte een soldaat naar binnen. Daarna weer twee. Toen zwaaiden de deuren wijd open en de kruislegers stroomden de stad binnen. Het was 15 juli 1099. Jeruzalem was veroverd!

6e klas kruistochten 1

Gebrek aan manieren
Het Byzantynse hof was onthutst over het gebrek aan manieren van de westerse ridders. De hovelingen vonden hen ‘grof van natuur, onbeschaamd, geldziek en niet in staat weerstand te bieden aan hun ongebreidelde fantasie’. Bovendien vonden ze de ridders de ‘grootste kletskousen ter wereld.’

De ridders drongen van de vroege ochtend tot de late avond het keizerlijk paleis binnen en bekommerden zich niet in het minst om de strenge regels aan het hof. Ze maakten het de keizer lastig met hun eindeloze gesprekken en ‘achtervolgden hem  tot in zijn slaapvertrekken met hun verzoeken om geld en gunsten….’

6e klas geschiedenis: alle artikelen
6e klas: alle artikelen
684
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.