VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (8-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Hoe ga je te werk

In bovenstaande artikelen staat de lesstof van de 6e klas in grote lijnen beschreven.

Dit is wat je eigenlijk met de kinderen zou moeten behandelen en wel in 2 perioden van 3 à 4 weken.

Lindenberg geeft in zijn boek ‘Geschichte lehren’ perioden van 3 weken, maar de ervaring is bij velen dat 4 weken nodig zijn, dus totaal 8.

Zeker, wanneer je niet voortdurend – gedurende die 2 uur hoofdonderwijs waar ook vaak nog iets vanaf gaat (een paar liederen, getuigschriftspreuken enz.???) aan het woord wilt zijn. Dat verdragen de leerlingen niet en vanuit de algemene menskunde kun je weten dat ze dan teveel wegdromen en derhalve niet veel opnemen. Je doet dus moeite voor niets.

Het is dus belangrijk dat je kijkt naar de werkvormen die je wilt hanteren bij het aanleren van de stof.

Het vertellen is toch een belangrijk onderdeel en hierbij gelden, ook al hebben we hier met een hogere klas te maken, dat het ‘beeldend’ moet zijn. (Dat geldt ook zeker nog voor klas 7 en 8).

Beeldend is, wanneer je iets voor je ziet; wanneer je iets meebeleeft; wanneer er spanning en ontspanning is; humor en verdriet enz.

In de stof in bovenbedoelde artikelen is daarvan niet erg veel aanwezig; het gaat daar meer om de inhoud, hoewel er enkele leuke anekdotes tussen staan. Die mogen zeker niet ontbreken.

Goede schrijvers van historische (jeugd)romans kunnen een zeer inspirerend voorbeeld zijn. Het betekent wel dat je die boeken zelf eerst moet lezen en er vervolgens die onderwerpen uit moet halen die je nodig hebt.

Voor de geschiedenis van de lage landen bestaat er een serie die voor ons buitengewoon geschikt is: ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar.

Hij laat steeds de mensen iets beleven en doet dit zoals wij dit met onze vertelstof door de klassen heen, ook doen.
De kinderen in je klas kunnen dit zo meebeleven, dat hun gevoel aangesproken wordt en niet, zoals bij het feitelijk overbrengen van de stof, het hoofd – de ‘antipathiekrachten van het spiegelend moeten leren’ (Algemene menskunde o.a. 2e voordracht).

Hier volgt het hoofdstuk ‘Romanisering’ uit deel 1

DE ROMANISERING

De zon is opgegaan en beschijnt de antieke wereld, die langs rivieren en heir­banen de lage landen heeft bereikt. Ingrijpende veranderingen hebben zich, in die eerste eeuwen na Christus, in het leven voltrokken. Forten en legerplaat­sen zijn na de opstand der Bataven in flink aantal gebouwd. Wisselplaatsen lig­gen langs de heirbanen: met woningen, herbergen, winkels en stallen voor de paarden. Er staan loodsen, gevuld met producten die de omringende bewoners daar hebben gebracht: melk, kaas, graan, vee, hout, geweven stoffen, turf, hui­den. De belangrijkste knooppunten groeien uit tot levendige marktplaatsen, waar van alles is te doen. Grote transporten bewegen zich over de altijd drukke, uiterst belangrijke heirbaan van Keulen naar Boulogne, met het einddoel: Brittannië.

,,Vooruit, jullie, trek eruit!” In de houten barakken wekken onderofficieren de maffende soldaten. Bij zonsopgang moeten zij de wachtposten van de 4de nachtwacht bij de Porta Decumana van de legerplaats (castra) aflossen. „Kom eruit, luie honden!”

De jongens van het 10de cohort komen foeterend overeind. Zo beginnen zij in de grootste legerplaats in Nederland – op de Hunerberg bij Nijmegen – een nieuwe dag.

De soldaten van het 10de Legioen Gemina, die daar na de opstand der Bataven gelegerd zijn, raken al gauw in een goede stemming. Straks zal de quaestor op het forum de soldij uitbetalen: 120 denarii voor een kwart jaar dienst.

De legioensvesting en alles wat er omheen ligt, de kazernes, werkplaatsen, stallen, excercitievelden, tempels en hoofdkwartier beslaan een oppervlakte van circa 30 hectare. Daar staan de woningen van de officieren en geneesmees­ters, van de priesters, tentenmakers, bakkers, slagers, leerbewerkers, kleer­makers, van de inners der belastingen en van de ambtenaren, die in dienst van de legioenen met de proviandering zijn belast. Nu er weer rust heerst zijn zij al­om weer graag geziene gasten:

,,Salve, Gargilius!” Op de hoeve van Lopeteus in het Friese Westergo begroet de veehouder Stelus een leverancier van het leger. ,,Vee kopen? Ik heb een mooi rund!” Gargilius knikt. Stelus laat hem zijn rund zien en de onderhandelingen begin­nen : ,,130 denariën en geen denarius minder!” ,,Ik geef je 100!”,,In geen 100 jaar. Gargilius, kijk hoe hij in zijn vlees zit!”
Met loven en bieden gaat het rund tenslotte voor 115 denariën van de hand. Twee centurio’s van het 1ste en 5de legioen zijn getuigen van deze transactie. Een veteraan van het leger, die zich daar misschien met een Friese vrouw heeft gevestigd, stelt zich borg voor de uitbetaling van het bedrag.
Gargilius laat de koopacte opmaken. In cursiefschrift wordt de koop op een schrijftafel genoteerd. Eeuwen later is dat schrijftafeltje bij Tolsum vrijwel ongeschonden uit de aarde te voorschijn gekomen. Daarom weten we met zekerheid, dat ze daar bij Tolsum in het Friese land, mét dat rund en met de getuigen, hebben gestaan.
„Dag Gargilius! Dat de goden je vergezellen!” „Dag Stelus!”
Waarschijnlijk hebben ze nog een stevige beker bier op de goede afloop gedron­ken . . .

De zon is opgegaan boven het immense Romeinse Imperium. Terwijl bekwame keizers zich hebben ingezet om de eenheid en gelijkvormigheid van bestuur in alle delen van het rijk te versterken, verwatert het plaatselijke, inheemse bestuur in tal van provincies tot schone schijn. De aanzienlijken en edelen bij de onder­worpen stammen dienen als officieren in het leger. Zij winnen burgerrecht, gaan Latijn spreken en . . . beginnen zich Romein te voelen. Ze zijn daar trots op, want na de opstand der Bataven beleeft het Romeinse Imperium een glans­periode van orde en rust. Nimmer meer zal de wereld zó’n langdurige periode van vrede hervinden. Ook de lage landen koesteren zich nu in de milde zon van het Romeinse rijk.

,, Blijf trouw aan eigen bloed! Blijf trouw aan eigen bodem! Blijf trouw aan eigen goden!” zullen de Germaanse priesters keer op keer hebben uitgeroepen. Maar er is geen houden aan. Oorspronkelijke volkstalen en culturen verdwijnen. Kel­tische en Germaanse goden versmelten geleidelijk met hun Romeinse collega’s in hemel en hel: Donar met Jupiter, Freya met Venus. Bij de massa zit de vroomheid diep geworteld. Het ganse leven is ervan doortrokken. “Jupiter, Venus, gij onsterfelijke goden, ontvang dit offer!” klinkt het overal. Geboorte en dood, huwelijk, zaaien en oogsten, bouwen en reizen, gaan als van ouds met offers en godsdienstige plechtigheden gepaard. Voortekenen, tover-narij, vrees voor heksen en boze machten liggen verweven in een bijgeloof, dat heel het leven omslaat. Alom worden talismannen gekocht om geesten en demo­nen te bezweren.

,,Flectere si nequeo superos, Acheronta movebo . . .” heeft Vergilius in zijn Aeneïs geschreven. ,,Als de mensen de goden niet op hun hand kunnen krijgen, willen zij de onderwereld daartoe bewegen …”

De kern van de staatsgodsdienst is de keizercultus: een vage, symbolische vorm van geloof aan het noodlot; aan de Bestemming van Rome; aan de eeuwigheid en onaantastbaarheid van het rijk . . .

In het Germaanse land – langs Rijn en heirbanen — verrijzen steden, die het strakke, rechthoekige schema tonen van een Romeinse legerplaats. In die ste­den : zuilenhallen, markten, tempels, theaters, badhuizen – met de grafmonu­menten van de aanzienlijken even buiten de poort. Het muntgeld is snel inge­burgerd, zodat de omslachtige ruilhandel uit het leven verdwijnt. Geld blijkt ook in de lage landen een stimulans, waarvoor de plaatselijke bewoners zich gaan inspannen. Zowel de steenhouwers in Belgica als de Drentse schapen-boeren ontvangen baar geld voor de stenen en wol die zij leveren. De Nerviërs in Henegouwen verdienen goed met het weven van een dik, soepel laken, waar­uit de kleermakers mantels en uniformen snijden voor de Romeinse militair. En evenals in het verre Rome, bouwen ook hier rijke Romeinen hun fraaie villa’s — vooral op de hoogvlakte in België en op de heuvels van het huidige Zuid-Limburg:

,Ja, mijn waarde, dit is de plek!”

De bouwmeester trekt even aan zijn toga, neemt dan de omgeving in zich op. Hij heeft zijn schetsen gemaakt. Het grote probleem zal echter zijn aan goede werklui te komen.

„Wij willen natuurlijk badvertrekken, een zuilengalerij en mijn vrouw staat erop, de woonvertrekken met muurschilderingen te verfraaien!” De bouwmeester knikt. ,,Rond de Idus van maart zal ik u mijn uitgewerkte plannen laten zien.”

Wie was het, die op de Kloosterberg bij Mook een luxueus buitenverblijf liet verrijzen – een villa urbana met een voorgevel van 84 meter lang? Wie is de bezitter geweest van de immense herenboerderij, de villa rustica te Voerendaal, waar de lengte van het gebouwencomplex zich na een aantal verbouwingen over 190 meter uitstrekte?

De geromaniseerde kolonisten en grootgrondbezitters in Limburg hebben hun woningen op uitgelezen plaatsen laten optrekken. De bouwmeesters hebben zorggedragen, dat het hypocaustum de vloeren en wanden in die villa’s centraal verwarmde. Sommige vloeren zijn met kostbare mozaïeken verfraaid. Met pan­nen, vermoedelijk afkomstig uit een nabij gelegen steenbakkerij, hebben werk­lieden de daken gelegd.

Flinke grindwegen, die naar de villa’s leiden, doorkruisen het Limburgse land om op de heirbanen uit te komen. Over die wegen rijden hoge officieren, ambtenaren, boodschappers en rollen de karren van ondernemende kooplui in een sukkelgang voort. Soms vragen zij de weg:
,,Hoe ver nog naar het Forum Hadriani, het centrum der Cananefaten?” ,,Is dit de weg naar Matilo?”

Ze kijken op hun kaarten, maar komen er soms toch niet helemaal uit. Bij de wisselplaatsen krijgen zij alle informaties die zij wensen.

,,Hoeveel dagmarsen nog naar Noviomagus, de stad der Bataven?”

De vicus Heerlen is bekend om de pottenbakkerijen. Vermoedelijk zijn heel wat reizigers daar gestopt om zich na een lange, warme rit in het open zwembad met een duik te verfrissen. Of zij brengen een bezoek aan de thermen die voorzien zijn van een keurig kleedvertrek, een koudwaterbad, een lauwwaterbad, een heetwaterbad, een zweetbad, compleet met vloerverwarming, waar de welgestelden uit de villa’s en herenboerderijen zich zo graag verpozen. Misschien zal een gepensioneerde kok uit het leger naast de thermen een eethuis begonnen zijn.

,,Claucus, aannemen!”

„Wat zal het zijn, edele heer? Ik heb verse riviervis . . . gewoon uit de kunst.”

Ivnoni meae – Aan mijn Juno!

Die woorden staan op een gouden ring, die tussen de verbrande beenderen van een vrouw in een sarcofaag te Simpelveld is gevonden.
Zonder twijfel heeft Juno in één van de Limburgse villa’s gewoond. Mis­schien heeft haar man haar met een zachte stem de vurige liefdesverzen van Catullus voorgelezen:

,,Uit jouw mond, lieveling, heeft het geklonken
dat onze liefde één geluk zal zijn
één eeuwigheid van ongekende blijdschap . . .”

De liefde van Juno’s man moet groot zijn geweest. Haar schitterende askist getuigt daarvan. De kist is vervaardigd uit zandsteen. Een kundig beeldhouwer – wellicht afkomstig uit Keulen – kreeg opdracht de binnenkant met reliëfs te versieren.
,,Ik wil dat zij, ook in haar dood, vertrouwde dingen om zich heen zal zien.” zal de weduwnaar hebben gezegd. De beeldhouwer heeft geknikt en is aan het werk gegaan.
Op de ene wand heeft hij een vrouw uitgebeiteld. Ze ligt op een rustbed. Half opgericht kijkt zij rond. Is het Juno? Een rieten stoel, tafeltjes, kannen, kasten, flessen zijn in het zandsteen uitgehouwen. Zelfs een huis siert een van de wanden: een Romeinse villa met hoektorens, zijvleugels, vierkante vensters met ruiten en luiken. Op het geveldak boven de drie verdiepingen zijn de dak­pannen duidelijk te onderscheiden.
Heeft de weduwnaar zijn geliefde Juno willen binden aan de sfeer, waarin hij zelf nog leeft? Heeft hij zich bij haar dood getroost met een ander vers van Catullus:

“Zij wil niet meer. Wil niet, wat toch niet kan. Loop haar niet langer na, betreur haar niet maar wees verstandig en verman dit hart! Vaarwel . . ”

Zakenmensen die steenbakkerijen beginnen, mergelgroeven of bossen exploi­teren, ceramiek-bedrijven oprichten en behoorlijke kapitalen verdienen, bou­wen hun prachtige huizen van twee, soms drie verdiepingen hoog. Zij bouwen voorraadschuren, stallen en woningen voor hun personeel. Zo ontstaan ge­meenschappen van soms meer dan 100 mensen bij elkaar. Buiten de villa’s lig­gen de weidevelden, bouwlanden, boomgaarden en moestuinen, waarop de Romeinen de Germanen het werk voor zich laten doen.

Veteranen uit het leger trouwen Germaanse vrouwen en gaan zich na hun diensttijd in de Lage Landen vestigen. Dan beginnen zij een herberg bij de wis­selplaatsen. Of ze raken in goeden doen met kalkbranderijen, met handel of met een landbouwbedrijf.

Vele vondsten, zoals fundamenten van gebouwen, tempels, altaren, aardewerk, begraafplaatsen en tal van munten met de beeltenis van keizers, geven het heden het rijke, maar nog onvolledige beeld van de romanisering van de lage landen bij de zee – een beeld ook van de wijze, waarop de samenleving in allerlei districten was georganiseerd.

Valerius Silvester, een Bataaf uit de Neder-Betuwe, heeft de ogen gesloten. Zijn lippen prevelen een zacht gebed:

,,Godin Hurstrga, hoor mijn smeekbeden, vervul mijn ene grote wens. Ik beloof u een altaar. Onsterfelijke, luister naar dit gebed . . .”

De godin heeft geluisterd en de wens van Valerius Silvester vervuld. Want om zijn dank te tonen, heeft Silvester een klein stenen altaar aan haar gewijd. Een steenhouwer beitelde het opschrift:

Voor de Godin Hurstrga heeft volgens haar opdracht Valerius Silvester, Gemeenteraads­lid van het Municipium der Bataven, dit al­taar opgericht. Gaarne en met reden. Dit stenen altaar met Latijns opschrift werd in 1954 bij Kapel-Avezaat gevon­den.

Hurstrga had Valerius Sylvester vast in een visioen of droom laten weten, dat zij voor zijn voorspoed had gezorgd. Was hij dankbaar voor het Romeins burgerrecht? Of was het voor de benoeming tot gemeenteraadslid, dat Syl­vester die altaarsteen gaarne en met reden liet beitelen?

Te Elst. in de Betuwe, is de eerste stenen tempel uit de grond verrezen: 11 meter lang en bijna 9 meter breed. Tijdens de opstand der Bataven is dat bouwwerk vernield. Onder keizer Vespasianus (70-78) wordt op de verwoeste fundamen­ten een nieuwe tempel opgetrokken van omstreeks 31 bij 23 meter: het nationale heiligdom der Bataven, een symbool van het verbond dat met de Romeinen gesloten is.

,,Ik wil mij reinigen. Dit is mijn offer . . .” Ernstig wijst een gelovige aan de priester, welke dieren hij aan één van de goden wil wijden.

Terwijl tempeldienaren een rund, een schaap en een varken driemaal rondleiden en de priester in de cella zijn heilige woorden spreekt, laat de gelovige Bataaf de muurschilderingen op zich inwerken en overdenkt hij de zonden die hij bedreef

„Mmmèè . . . mè-è!” Een mes flitst neer en bloed van de dieren druipt voor het altaar op de grond.

De schedels van een varken, een schaap en een rund — typerend voor een offer aan Mars – zijn daar bij Elst, dichtbij elkaar, in de grond gevonden.

Overal en in de grootste verscheidenheid zijn tot in de verste uithoeken van het rijk altaren voor bekende en onbekende goden opgericht. Aan de kust bij Dom­burg heeft een heiligdom gestaan, waar mensen in hun dankbaarheid de plaat­selijke godinnen en goden met altaren vereerden:

Aan de Godin Nehalennia heeft Dacinus,
de zoon van Liffio, zijn gelofte ingelost.

Gaarne en met reden. Op een altaarsteen is de godin Nehalennia uit de antieke hemel tot leven geko­men. Gekleed in een lang gewaad, zit zij onder een baldakijn op haar troon. Zij houdt een schaal met appelen in haar handen. Een hond ligt naast haar op de grond.                                     Nehalennia is een schutsvrouw van de zeelieden, die bij Domburg de Noordzee overstaken om in Engeland zaken te doen. Zij wordt aangeroepen als een schip in nood verkeert:

“Nehalennia, bezweer de woeste golven! Neem de stormwind van ons weg, Nehalennia, Nehalennia, geef ons een behouden vaart…..”

Misschien heeft Dacinus, zoon van Liffio, die woorden tijdens een stormnacht naar de donkere wolken, naar de stormwind en de woedende golven geroepen – staande aan het roer van zijn krakend schip.

“Ik beloof een altaar, een kostbaar altaar, maar laat mij de kust bereiken…..”

Aan de Godin Xehalennia heeft Marcus
Secundinius Silvanus. handelaar in aar-
dewerk. die op Brittannië handel drijft,
wegens de behouden overtocht van zijn
koopwaar, zijn gelofte ingelost. Gaarne
en met reden.

Silvanus had waarschijnlijk goede zaken gedaan. Of ook hij had op een woelige zee in zijn rats gezeten . . .

In het jaar 1647 zijn vele altaren van de cultusplaats Domburg aan de
voet van de duinen te voorschijn gekomen. Stille getuigen van de eerbied en het diep ontzag, waarmee de zeelieden en handelaren de natuurkrachten om zich heen hebben gevoeld. Stille getuigen ook, hoezeer de bewoners van de Lage Landen gewoonten en gebruiken van de Romeinen hebben overgenomen en eigen hebben gemaakt.

Hoog in het noorden blijven de Friezen nog het meest aan zichzelf gelijk. Zij tonen zich in staat hun nationale cultuur en tradities te verstevigen. Levend buiten de rijksgrens op hun terpen, wonen zij in hoeven, die de vorm hebben van de huidige Friese boerderij : vóór ligt het woongedeelte, daarachter de deel, die plaatsbiedt aan 50, soms 70 stuks vee. In cilinderachtige vormen bereiden zij hun kaas. Met hun honden gaan de mannen vol animo op jacht in de dichstbijzijnde bossen op de zandgrond. Als de buit groot is, komen zij opgetogen thuis:
“Mijn lief. kijk eens? Voor jou!” Vol trots houdt een Friese jager, nog bezweet van de jacht, de tanden van buitgemaakte beren en zwijnen in zijn handen. En vol trots zal zijn jonge vrouw die tanden in een ketting, of als amulet, om haar hals gaan dragen.

Rond de dorpen op de terpen graast het vee in de kwelders. Dichte zwer­men muggen zullen dikwijls een plaag zijn geweest.

Als de mannen na het werk thuis komen eten, gebruiken zij hun dolken en keurige lepels, die zij uit de horens van hun vee hebben gesneden. Het voedsel en de drank komen in potten, borden, schalen en bekers, die zij zélf bakken, op tafel.

Zonder twijfel zijn er nauwe contacten geweest met Romeinse kooplieden. Heel wat Friese jongelingen zullen zich – op avontuur belust – als vrijwilligers bij de legioenen hebben gemeld. Maar overigens gaat het leven bij de Friezen vrij ongehinderd en in eigen stijl voort. Hoe anders is dat voor de stammen, die bij het Imperium werden ingelijfd:
De Bataaf Titus Flavius Romanus was een ritmeester (decurio) in het Romeinse leger. Hij diende onder meer in Beieren. Daar heeft hij zijn naam op een altaar laten beitelen – met de vermelding, dat hij Romeins burgerrecht bezat en af­komstig was uit Noviomagus, het centrum van het land der Bataven. ,,Salve, Tite . . .” Hoe zat je daar tussen de Romeinen in de officiers-mess? Had je af en toe heimwee? Was je getapt, of was je voor de soldaten een lastig kreng? Hoe vaak mocht je met betaald verlof naar huis, Titus, en wat bracht je dan uit het verre Beieren voor je familie mee?

In het verre Hongarije is een Germaanse vrouw begraven. In haar sarcofaag staat vermeld, dat zij de vrouw was van een geneesheer van het 1ste legioen en dat zij afkomstig was uit Forum Hadriani, in het woongebied der Cananefaten. Daaruit kan blijken, dat een nederzetting bij de riviermonden van Maas en Rijn, bij het bezoek van keizer Hadrianus, marktrecht had verkregen.

Zouden de kinderen van die geneesheer van het 1ste legioen óóit hun groot­ouders in het Germaanse land hebben gezien?

In wijde landstreken is de invloed van de Romeinen niet of nauwelijks merk­baar. Ten noorden en ten zuiden van het land der Bataven lagen uitgestrekte gebieden met donkere wouden en weinig toegankelijke moerassen, waar het leven van Germanen en Kelten primitief en onberoerd verder ging (zoals nu nog het geval is met bevolkingsgroepen in Afrika, Zuid-Amerika en Azië!).

De Romeinen hadden hier als eerste en voornaamste taak: de woeste Ger­maanse stammen, die het rijk omringden, buiten de grenzen te houden! Met dat hoofddoel voor ogen, bouwden zij hier hun vestingen (60 castella langs de Rijn) — het ver­moedelijke begin van steden als Nijmegen, Maastricht, Utrecht. Een fasci­nerende vesting is de geheimzinnige Brittenburg geweest, waarvan de resten voor Katwijk door de zee zijn overspoeld.

In het theater van Tongeren, hoofdstad van de civitas Tungrorum, wordt door een rondreizend toneelgezelschap Vrouwen van Troje opgevoerd. Het stuk is door de Griek Euripides geschreven en door de Romein Seneca bewerkt. Op het toneel staat Hecuba. Het machtige Troje is gevallen en zij spreekt vanaf de denkbeeldige ruïnes op het toneel:

Wie zijn vertrouwen stelt in koninklijke macht
En in een groot paleis regeert – op rijkdom trots!
Hij moge u aanschouwen, Troje; op mij werpen zijn blik.
Nooit heeft het lot zwaarder beproeving opgelegd,
Hoe broos is van de machtigen de trotse toeverlaat . . .

“Ja, in de grijze oudheid werd Troje verwoest, maar dat zal ons nimmer gebeu­ren !” zeggen de Tongri na afloop van het stuk. Welgedaan en tevreden kijken ze naar hun stad, die in de 2de eeuw volgens een groot opgezet plan uit steen werd opgetrokken. Omgeven door een dubbele gracht, door muren van 2 meter dik (omtrek 4500 meter!) met flinke torens versterkt en voorzien van stoere poorten op de weg van Keulen naar Bavay, lijkt Tongeren onaantast­baar. In de stad staan de kantoren van ambtenaren en magistraten, de gerief­lijke woningen van hoge officieren en rijke handelaren, de eenvoudiger huizen van bakkers, slagers, leerbewerkers of een edelsmid. Maar net als de gestadige druppel, die de hardste steen uitholt, zal ook de tand des tijds gaan knagen aan die trotse torens, die stoere poorten, die dikke muur.

..Tempus edax, homo edacior!” De tijd is een verwoester, maar de mens nog meer!

In het noorden groeien alleen Noviomagus en vermoedelijk het centrum der Cananefaten tot werkelijke steden uit. De Romeien bouwen hier hun vestin­gen, scheepswerven, huizen en tempels, bruggen en wegen. Maar het hoogste goed, dat zij in de wereld uitdragen – duurzaam tot op deze dag! – is niet van steen, noch uit hout vervaardigd:

Salvius Julianus, de grote jurist in Rome, schuift de papyrusrollen van zich af en leunt vermoeid achterover. Van keizer Hadrianus (117-138) heeft hij de grootste en meest omvangrijke opdracht gekregen, die ooit aan een jurist was verleend:

,,Ik wens een herziening van het Romeinse Recht, een Edictum Perpetuum – een Eeuwig Edict, dat als onveranderlijke grondslag voor het rechtswezen zal kun­nen gelden!” heeft Hadrianus gezegd.

Sinds oeroude tijden heeft de rechtspraak in Rome op de edicten van de pretoren berust. Nu moet Julianus die serie edicten herzien.

Iedere plaatselijke gemeenschap in het Romeinse Rijk had zijn eigen wet­ten en leefregels. Dat had heel wat moeilijkheden opgeleverd. Ieder beriep zich op de wetten van zijn eigen land. Er moesten nu wetten komen, die voor alle volkeren onder alle omstandigheden van kracht zouden zijn: zowel voor Germaanse veeboeren, Joodse vissers, Griekse filosofen, als voor Spaanse hande­laren of een primitief woestijnvolk. Moesten de menselijke natuur en de rede dan niet het uitgangspunt zijn ? Het belang van de staat, die vóór alles souverein was, moest daarbij op de voorgrond staan.

Salvius Julianus leunt achterover. Het formidabele werk nadert zijn vol­tooiing en de voldoening die hij begint te voelen is groot. ,,Breng me de Edicten uit de tijd, dat Iunius Silanus en Sillius Nerva consuls waren,” zegt Salvius Julianus tegen zijn Griekse slaaf. Dan buigt hij zich over zijn werktafel en verdiept zich opnieuw in de stukken die voor hem liggen: over huwelijk en misdaad, godslastering en erfrecht, over rechten én plichten van de mens in de gecompliceerder wordende wereld . . .

Diepgaande wijzigingen voltrekken zich, wanneer het Edictum Perpetuum eindelijk gereed komt. Langzaam beginnen zich onder keizer Hadrianus twee grote takken van dienst af te tekenen: de militaire en de juridisch-burgerlijke. Juristen worden allengs de belangrijkste mensen, die de keizer en hoge bestuur­ders als raadslieden bijstaan.

Wat een macht heeft de keizer van dat ontzagwekkende Romeinse rijk! Van Brittannië tot de Eufraat, van diep in Afrika tot de Krim kan hij zijn beslis­singen laten gelden. Voor zijn onderdanen is hij een soort god op aarde. Zijn voorspoed betekent bloei, zijn tegenspoed nood en rampen. Als de postzendingen uit Rome arriveren, bespreken de bewoners van Tongeren, Noviomagus of Forum Hadriani het nieuws en zeker ook het wel en wee van hun keizer: “Keizer Hadrianus heeft een ernstige kwaal en lijdt hevige pijnen!” “Hadrianus wil sterven, maar is er niet toe in staat!” “Hadrianus heeft om een zwaard en om vergif gevraagd, maar hij was te ver­zwakt om zijn einde te forceren. Hij heeft beloningen uitgeloofd aan ieder die hem doden wil. Geen enkele vrijwilliger meldde zich. Toen heeft hij een krijgsgevangene laten komen. Op zijn borst wees hij de plek aan, waar deze hem moest doorsteken. Maar de man vluchtte weg en de keizer huilde . . .”

Onder de voorbeeldige keizer Antoninus Pius (138-161) viert Rome haar 90o-jarig bestaan. Alom heerst vrede.

“Ze kunnen de muren van Rome nu wel afbreken,” zeggen de mensen, als een brief van de keizer al voldoende is om de koning der Parthen te bewegen van een oorlog af te zien. Maar in die jaren van rust en voorspoed lijkt het, of de cultuur tot stilstand is gekomen. Of er niet meer naar nieuwe wegen wordt gezocht. Men richt de blikken op het verleden – en niet langer vooruit.

Vulcacius kijkt zijn leerlingen aan. Dan zegt hij met nadruk: “Te allen tijde is de zorg voor monumenten, oprichting en instandhouding van musea een zeer gewichtige zaak. Het zou bedenkelijk worden, wanneer een nageslacht de erfenis der voorvaderen achteloos laat vervallen en te gronde laat gaan!”
Vulcacius heeft lang gesproken. Hij heeft als hoogste ideaal gesteld, erin slagen “de ouden” te evenaren. Nu verwacht hij bijval, maar die blijft uit.
Eén van zijn leerlingen staat op en waagt het zijn meester tegen te spreken: “Is het niet bedenkelijk, als de zorg voor de instandhouding van het oude, de ontwikkeling naar iets nieuws in de weg gaat staan?” Achter hem wordt gegrinnikt. „Iets nieuws?” Vulcacius kijkt hem ontzet aan. „Wéét, dat alles wat de moeite waard is, reeds gedacht, gezegd, gedicht is. Alles wat belangrijk en waardevol is, heeft het voorgeslacht reeds geleverd!”
De geleerde Vulcacius beseft niet, dat een wereld die zich niet vernieuwt, tot ondergang is gedoemd!

De Grieks-Romeinse cultuur is oud en verzadigd en begint originaliteit en geestkracht te missen. Er is heftig verzet tegen nieuwlichters. Af en toe komen verontruste, opgehitste massa’s tegen de christenen in beweging. Willen die volgelingen van Jezus met hun wonderlijke theorieën over liefde, barmhartig­heid en geweldloosheid de bestaande maatschappij omver werpen? Dat nooit! ,,Grijpt ze! Grijpt ze! Ze willen niet de keizer, maar alleen hun eigen God eer bewijzen. Grijp dat tuig, dat zo anders denkt dan wij!”

Hoewel de Romeinse autoriteiten zich verdraagzaam tonen en weinig geneigd zijn tot vervolgingen over te gaan, moeten zij aanklachten toch in be­handeling nemen. Zo komt de oude bisschop Polycarpus van Smyrna voor de stadhouder in Azië. De stadhouder smeekt hem haast: ,,Brand toch enkele wierookkorrels voor het beeld van de keizer!” De oude bisschop blijft standvastig: ,,Tachtig jaar heb ik mijn Heer gediend,” zegt hij. ,,Zou ik Hem nu verlooche­nen?” Dapper gaat hij zijn dood tegemoet.

Ondanks die vervolgingen – of juist daardoor – breidt het geloof der chris­tenen zich gestadig uit. De Evangeliën komen op schrift. De Zendbrieven der Apostelen worden vermenigvuldigd en gebundeld. Ontwikkelde en geletterde mannen treden tot de beweging toe. Er begint een organisatie te ontstaan. De kleine, wankelijke christelijke gemeenschappen groeien uit tot episcopaten met bisschoppen aan het hoofd. Via de steden en nederzettingen langs de Rijn en Moezel verbreidt het nieuwe geloof zich geleidelijk naar het noorden. „Christus overwinnaar! Onze God is een enig God. Hij eist geen bloedoffers, broeder Claucus. Hij is een God van liefde, zuster Julia . . .”

Behoedzaam dragen de eerste christenen hun boodschap uit. Haast pro­vocerend plaatsen zij het teken van de vis, het symbool van hun geloof, op wanden en muren:„God is de liefde!”

Omstreeks het jaar 250 verrijst in Reims de eerste christelijke kerk. De eerste bisschop die Germanië tot arbeidsveld krijgt, vestigt zich in diezelfde tijd in Trier – bijgestaan door een bisschop die iets later in Keulen verschijnt: „Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar de liefde niet had, ik ware een schallend koper of een rinkelend cimbaal. Al ware het dat ik profetische gaven had, en alle geheimnissen en alles wat er te weten was, wist en al het geloof had, zodat ik bergen kon verzetten, maar had de liefde niet, ik ware niets …”

Die woorden van Paulus dringen in de Germaanse provincies door.
Te­midden van tientallen goden, bloedige offers, angst voor demonen, toeslaande heksen en een ontstellend bijgeloof, dragen de eerste zendelingen hun overtui­ging uit. Iedere vorm van organisatie, die buiten de staatsdienst valt, is streng verboden. Slechts begrafenisverenigingen vormen daarop een uitzondering.

„Broeders en zusters, alleen door geloof in Christus is hier op aarde heil te ver­wachten. Alleen door Zijn geboden te volgen en Hem lief te hebben, zoals Hij de mensen liefheeft …” Zo spreken de voorgangers.

„Het leven kan niet rusten op uiterlijke macht en rijkdom. Slechts de daden van innerlijk gevoelde liefde voor de naasten kunnen tellen . . .

Een nieuw geloof! De voorgangers preken, sluipen weg door de nacht, worden vervolgd en maken hun bekeerlingen.

St. Servatius komt in de 4de eeuw als eerste bisschop in de Lage Landen, naar Tongeren en begint daar zijn moeilijke werk:

„God Christus, Alvader, aanvaardt dit offer!” Het ligt haast voor de hand dat de bekeerde Tongri hun ossen en lammeren slachten om de god Christus gunstig voor zich te stemmen . . .

De eerste bisschoppen richten hun aandacht vooral op de steden. In het Rijn­land (Xanten, Keulen, Mainz, Trier) winnen zij een stevige aanhang. Maar de noordelijke Nederlanden met hun uitgestrekte landbouwgebieden bereiken zij nog niet. Bekeerlingen worden daar vrijwel niet gemaakt. Dat zal nog vele eeu­wen duren, want juist in die jaren begint het machtige rijk van Rome in al haar voegen te kraken.

Mede door het christendom gloeit onder de oppervlakte van het uiterlijk zo vredige, eensgezinde rijk een steeds feller wordende strijd: een oude cultuur tracht zich te handhaven tegen een nieuw geloof. Toch zijn het niet de christenen die het Imperium ondermijnen. De donkere, barbaarse wereld, die de Romei­nen aanvankelijk zonder veel moeite achter Donau en Rijn hebben gehouden, steekt nu dreigend de kop op: loerend naar de rijke, welvarende gewesten der Romeinen én . . . belust op buit.

De avondzon van de antieke wereld neemt bloedend afscheid van het westen, als die barbaarse wereld met geweld in beweging komt . . .

6e klas geschiedenis: alle artikelen
 6e klas: alle artikelen
709
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.