VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

DE MINDERBROEDER VAN ASSISI

Bijna acht eeuwen geleden werd in een stad tussen de heuvels van Italië een der grootste geesten geboren die ooit in eeu menselijk lichaam heeft gewoond. Ook nu nog is hij uw vriend en de mijne, en het evangelie dat hij predikte is nog even zuiver als het gezang van vogels. Andere heiligen maken ons soms stil van eerbied door hun bovenmenselijke heiligheid, maar Franciscus van Assisi is zo zuiver menselijk als een mooi kind. Men noemde hem Poverello (Kleine arme man), maar hij was zo rijk in de dingen van de geest dat handelsmagnaten zich bedelaars voelden in zijn aanwezigheid.

Giovanni Bernardone — zo luidde zijn doopnaam — werd in 1181 of 1182 geboren in Assisi, in Midden-Italië. Zijn vader, Pietro Bernardone, een welvarend koopman, noemde hem Francesco, afgekort Cecco. Cecco ging net zo ongaarne naar school als de meeste jongens die meer van pretmaken houden, en kreeg maar weinig onderwijs, zelfs voor die tijd. Omdat hij bestemd was voor de handel, liet zijn vader hem de hele dag werken achter de toonbank en leerde hem hoe hij voordelig zaken kon doen. Maar als het avond werd, was hij de aanvoerder van de vrolijkste pretmakers onder zijn leeftijdgenoten. Kwistig was hij met geld voor al zijn vrienden, royaal schonk hij wijn voor hen. Hij was niet te verzadigen op het punt van mooie kleren. Pietro Bernardone schudde zijn hoofd, maar hield Cecco’s toelage desondanks niet in. Want uit die buitensporigheden maakten de bankiers op, dat hij zo rijk was dat hij zich een verkwistende zoon kon permitteren. Toen in 1203 de andere jonge mannen van Assisi opmarcheerden naar een van die plaatselijke oorlogen die destijds zo gewoon waren, ging de jonge Bernardone mee. Al in het begin van de campagne werd hij gevangen genomen. Na een jaar werd hij vrijgelaten, maar hij werd ernstig ziek, herstelde, nam weer dienst, werd weer ziek en herstelde weer. Maar zijn vroegere leefwijze had de bekoring voor hem verloren. Een geheel nieuwe aandrang begon zich in hem te openbaren. Terwijl hij op een avond door de straten zwierf, bleef hij als getroffen staan luisteren naar iets dat hij niet kende. Zijn makkers liepen hem vrolijk voorbij. Buiten de stad, op een heuveltje, viel hij op zijn knieën en bad.

Het keerpunt van zijn leven naderde. Toen Franciscus eens buiten de stad reed, werd hij aangesproken door een melaatse bedelaar. Als er iets was waar deze kieskeurige jongeman niet tegen kon, dan was dat melaatsheid. Zijn hoofd afwendend, tastte hij naar zijn beurs. Toen begon plotseling een fel wit licht in zijn hart te schijnen. Want de ongelukkige stakker had geen behoefte aan aalmoezen. Verschrikkelijker dan de ziekte moest de eenzaamheid zijn van deze onbeminde medemens. Franciscus sprong van zijn paard, liep op de melaatse af en omhelsde hem. Hierna dwong hij zichzelf, voortdurend het ziekenhuis voor melaatsen te bezoeken. Weldra besteedde hij zijn hele toelage om het ziekenhuis in stand te helpen houden.

Op een dag in 1206, toen Franciscus 25 jaar was, werd hij naar de stad Foligno gestuurd om op een jaarmarkt goederen te verkopen. Hij pingelde en marchandeerde, zoals hij dat had geleerd, om zoveel mogelijk winst te maken. Hij kreeg een bod op zijn paard en verkocht ook dat, als een uitgekookt zakenman. Te voet aanvaardde hij de thuisreis, niet wetend dat hij de laatste zakelijke transactie van zijn leven had afgesloten.

Want terwijl hij daar liep te midden van de rijpende wijngaar­den, beving hem een grote afkeer tegen alle manieren van geld verdienen. Bezit, zo ontdekte hij, veroorzaakte alle ruzie en slecht­heid die de wereld bezoedelden. Al peinzend over deze dingen bleef hij staan bij de kapel van San Damiano en knielde neer te midden van de bouwval. Ginds in de stad was de welvaart god. Maar Gods huis, hier op de vredige heuvel, was een ruïne. Nie­mand zorgde ervoor, behalve een oude priester, even arm als de duiven die onder het dak nestelden. En het leek Franciscus alsof hij de stem van Christus hoorde zeggen: “Herbouw mijn kerk.”

In latere tijden zouden de mensen bitter twisten over de vraag, of Christus slechts had bedoeld: “herstel deze kapel” of “hervorm de Kerk.” Maar Franciscus was een simpele ziel die zich niet ver­diepte in bovenzinnelijke vragen. Hij schudde de oude priester van de kapel wakker en bood hem het geld aan dat hij in Foligno had verdiend. Bij het zien van dit “manna” was de priester met stomheid geslagen, maar hij vond het toch raadzamer het te weigeren. Wel deelde hij zijn karig maal met de jonge zonderling, en gaf hem onderdak.

Toen Pietro Bernardone ontdekte waar zijn zoon was en wat hij wilde doen met het geld, haastte hij zich samen met de bisschop naar de kapel. Zachtzinnig wees de bisschop Franciscus erop, dat het niet zijn geld was en hij het dus niet mocht weggeven. Daarop gaf Franciscus het allemaal terug en trok op de koop toe nog de kleren uit die hij van zijn vaders geld had gekocht. Van nu af aan zou de wereld zijn enige thuis zijn, en alle mensen zijn broeders. Nooit zou bezit iets voor hem betekenen. Zijn zelfverloochening had niets van een starre godsdienstige discipline ter wille van persoonlijk heil. Hij probeerde slechts zichzelf te bevrijden om in navolging van Christus te kunnen leven. Maar hij voelde niets voor het leven van een monnik, ver van Gods schepping. Beter was het leven van een kluizenaar — dan kon hij de hemel zien en de vogels hun ochtendlied horen zingen, en de gezegende lucht van de vrijheid opsnuiven.

Dus ging hij in lompen op weg om te bedelen, niet om eten of geld — maar om stenen, om San Damiano te herbouwen. Als hij geld kreeg, kocht hij er stenen voor en droeg ze op zijn rug naar de vervallen kapel. En nu kwamen vrijwilligers hem helpen. Als hij het woord Gods predikte, stond hij niet op een preekstoel maar blootsvoets te midden van zijn medemensen, nog armer dan zij -hun “arme Cecco”. Hij had geen belangstelling voor de zwakheid van de mensen, maar voor hun kracht, niet voor de lelijkheid maar voor de schoonheid van het leven. Uit een boordevol hart hief hij lofliederen aan.

Zijn eerste volgeling was een rijke man die, tot woede van zijn erfgenamen, al zijn bezittingen verkocht en het geld aan de armen schonk. De volgende was een vooraanstaand rechtsgeleerde, die zijn leven voortaan geheel aan God wijdde. Deze drie stichtten de kleine gemeenschap van “De Mindere Broeders van Assisi.” Zij leefden niet volgens vaste orderegels zoals in de kloosters. Hun enige regel was wat Christus had gezegd tegen de Apostelen: Gaat en predikt; geneest zieken, reinigt melaatsen. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver in uw gordels, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf.

Al gauw groeide het aantal Franciscanen aan tot twaalf. Franciscus wilde niet dat zij een comfortabel huis accepteerden dat hun werd aangeboden. De minderbroeders huisden in hutten nabij het melaatsenhuis. Voor hun dagelijks brood waren zij afhankelijk van wat ze konden verdienen als dagloner of knecht op een boerderij, in wijngaarden of in steden. Als er geen werk was moesten ze bedelen om voedsel. Hoewel de anderen hem Vader Franciscus noemden, liet hij hen elkaar frater of broeder noemen, volgens een godsdienstige gewoonte van die tijd. En sinds die tijd zijn alle Franciscanen broeders geweest, maar geen monniken. In groepjes van twee tot vier trokken de broeders de wereld in om te prediken. Zij hielden hun ogen niet strak gericht op een gebedenboek; vaak hieven zij hun gezicht ten hemel en zongen. Als ze met elkaar praatten, spraken ze vaak over de bloemen langs de weg en de zang van de leeuwerik, over bergpanorama’s en zuivere bronnen. Maar hun werk lag in de steden, zoals Franciscus hen vermaande. Daar toefden de zielen die gered moesten worden; daar zuchtten de mensen in slaafse gebondenheid aan bezit en stand.

Maar zodra zij Assisi verlieten, waar men hen begreep, werden de Franciscanen bejegend met spot en schimp. Het volk hield hen voor landlopers die zich voordeden als heilige mannen; de rijken verdachten hen van gevaarlijk radicalisme en de priesters vreesden dat ze ketters waren. Menigmaal werden ze met stenen bekogeld en uit een stad verdreven. Bisschoppen weigerden hun toestem­ming tot preken te geven.

Franciscus, die nooit de priesterwijding ontving, begreep nu wel dat hij niet verder kon gaan zonder de pauselijke goedkeuring en hij ging op weg naar Rome. Hij werd voorgesteld in het Vaticaan en bleek even onweerstaanbaar als een kind en even vasthoudend als hij zijn zin wilde doordrijven. Paus Innocentius III gaf de Minderbroeders het recht tot preken en hij beloofde hun verdere gunsten als het goed ging. Hierop maakte Franciscus zich haastig uit de voeten; gunsten wilde hij niet. Opgewekt en blij togen de Franciscanen weer op pad. De mare van de Poverello snelde nu voor hem uit. Vaak werd hij begroet door een menigte die wuifde met groene takken en zong, terwijl de kerkklokken luidkeels beierden van vreugde.

Franciscus zelf voelde vaak de behoefte om weg te glippen naar de natuur. Dan zocht hij een eenzaam bosje op of zat alleen op een
heuvcl. Het dierbaarst was hem een klein eilandje, waar slechts de kabbelende golven hem konden vinden. Hij voelde zich verwant met de hele natuur. Hij sprak over “Broeder Haas” en “zuster Zwaluw”, en dat meende hij ook. De aanblik van dieren die werden gekooid of weggevoerd naar de slachtbank kon hij niet verdragen en hij deed altijd een goed woordje voor hen; zo spaarde hij het leven van duiven en lammeren, konijnen en fazanten. Volgens de legende toonden de dieren des velds en de vogelen des hemels hun dankbaarheid door bij hem te blijven en zich door hem te laten vertroetelen.

Het verhaal gaat dat hij eens, in Gubbio, hoorde dat een wolf de bewoners terroriseerde. Hij zocht het dier op en sprak als volgt tegen hem: “Broeder Wolf, je hebt mensen gedood, die gemaakt zijn naar Gods beeld. Hiervoor verdien je te worden gehangen als een misdadiger. Maar ik zou graag vrede met je sluiten. Als jij je slechte begeerten wilt verzaken, beloof ik je dat de mannen van Gubbio geen jacht meer op je zullen maken met honden en eten voor je klaarzetten. En nu moet je het mij beloven.” In vanaf die dag werd de wolf zelfs het troeteldier van de kinderen van Gubbio en deed nooit meer kwaad.

Op de avond van Palmzondag in 1212, terwijl Franciscus en zijn Broeders in gebed verdiept waren, zagen zij hoe een toorts snel naar hen toe werd gedragen door het bos — de brengster was een achttienjarig meisje dat zich aan de voeten van Franciscus wierp. Hij herkende het meisje, Clara, de dochter van een edelman uit Assisi. Zij hunkerde ernaar, zich te wijden aan een vroom leven, maar zij werd gedwongen tot een huwelijk en zij smeekte Franciscus, haar te verbergen. Door dit te doen maakte hij zich schuldig aan ontvoering en stelde hij zich en de Broeders bloot aan een schandaal dat hun ondergang kon worden. Toch aarzelde hij niet. Zelf knipte hij haar haren af; op grond van een machtiging die de paus hem had verleend nam hij haar op in zijn orde. Daarna vond hij onderdak voor haar bij de Benedictijnen en toen Clara’s zuster en weldra andere vrouwen en meisjes zich bij haar voegden, werd de orde van de Arme Clarissen gesticht, de zusterorde van de Minderbroeders van Assisi.

Maar daarbuiten in de wereld was men niet zo vlug als de heilige op zijn sandalen; Franciscus voegde zich bij de Vijfde Kruistocht naar Egypte om het Woord aan de Saracenen te verkondigen. Die Kruistocht was schitterend begonnen. De hertog van Oostenrijk, de koning van Hongarije, Jan van Brienne, de tempelridders, de ridderschap van Italië, de Venetiaanse kooplieden met hun schepen, zij allen waren present, met een vertegenwoordiger van de paus als oppercommandant. Maar er ontstond jaloezie; de soldaten lieten zich niet commanderen door een priester en het voornaamste doel van de pauselijke oppercommendant bleek, een enorme som geld los te krijgen van de sultan. Franciscus gruwde van de ledigheid van de Kruistocht. De Venitianen waren slechts uit op winst, de Tempeliers op bloed aan hun  zwaard, de gewone soldaten op buit.
Daarom drong Franciscus, tot woede van de Kruisvaarders, erop aan dat het vredesaanbod van de sultan, waarbij het Heilige Land teruggegeven zou worden aan de christenen, aanvaard zou worden. Maar op 29 augustus 1219 gaf de pauselijke commandant ongeduldig het sein tot de aanval en de christenen werden volkomen verslagen. Ongewapend, blootsvoets leidde Franciscus zijn groepje broeders over het brandendhete zand naar een vijand in overwinningsroes, die hem aanviel met stokken en stenen. Hij ten slotte voor Malik al-Kamil, sultan van Egypte en Syrië, Steun van Allah en Verdediger van het Geloof, gebracht, die meer angst inboezemde dan 50 wolven van Gubbio.
Wat was het dat Franciscus in staat stelde, het beest in dieren in dieren en mensen te temmen? Wij weten slechts dat hij drie keer predikte voor de opgetogen en eerbiedige, ongelovige vorst. Misschien stuurde de sultan Franciscus ongedeerd terug naar het christelijke kamp in de hoop, dat deze vrome kluizenaar betere christenen zou maken van de Kruisvaarders. Met toestemming van de sultan bezocht Franciscus het Heilige Graf, Nazareth en Bethlehem -,  hij was de enige van de mannen van de Vijfde Kruistocht die het doel bereikte. Zou het in Bethlehem zijn geweest dat Franciscus zijn merkwaardigste inval kreeg? Want toen hij terug was in Gréccio, Kerstmis 1223, liet hij een miniatuurstal bouwen; deze vulde hij met stro en hij liet houtsnijders geschilderde figuurtjes maken van het Heilige Kind en de Moeder, van de os en de ezel,  van schaapherders en donker getinte Oosterse koningen. Zo verhief Franciscus Kerstmis — tot die tijd alleen een bijzondere Heilige Mis – tot een feest van liefde, met aanbidding van het Kind Jezus stralend als een gouden kaars in het middelpunt.

Intussen groeide het aantal Minderbroeders. Sommige bekeerlingen drongen aan op een meer praktische wijze van leven. Waarom moesten zij langs de wegen zwerven en in de stad kunsten maken als potsenmakers? Waarom moesten zij leven in hutten? Waarom mochten zij geen geld aannemen voor liefdadige doeleinden en waarom mochten zij niet de priesterwijding ontvangen? Waarom konden zij geen Regel aannemen, een gcdragslijn, en hun organisatie officieel grondvesten? Sommige van de fraters betoogden met klem dat Franciscus te simpel was om de orde alleen te leiden.
Ook de Kerk was bezorgd. Er waren nu al 1200 Franciscanen; morgen konden het er 12 000 zijn. De enige manier om de onwaardigen te verwijderen, was hen te organiseren volgens de beproefde kloosterregels. Zelfs Franciscus begreep dat er iets gedaan moest worden; mensen die hij nauwelijks ooit had gezien, in wier harten hij niet kon lezen, wier handelingen hij niet kon voorspellen, noemden zich maar Franciscanen. Er zat niets anders op dan de paus te vragen, de Franciscanen een Regel toe te staan en een officiële raadgever aan te wijzen.
Toen liet Franciscus de Kerk zijn orde organiseren – zelf trok hij zich terug. Hij pakte broeder Pietro bij de hand en stelde hem ­aan tot vader van de orde. “Mijn gezondheid zal mij niet toestaan, zo goed voor jullie te zorgen als dat zou moeten,” zei hij. In werkelijkheid was hij moe. Zijn lichaam was uitgeput door voortdurende ontberingen en armoede. Een gevreesde ziekte had hem overvallen en vreemde wonden verschenen op zijn handen voeten. Ze zagen eruit alsof nagels waren geslagen door zijn twee handen en voeten — de “stigmata”, of merktekenen van de Kruisiging, riep de Broeder vol eerbied.

Franciscus sprak nooit over zijn lijden. In plaats daarvan                 componeerde hij op zijn ziekbed een lied. Hij noemde het zijn Hymne aan de Schepping en hij zong het verzaligd steeds en steeds weer; de Broeders moesten het ook leren en om zijn bed staan en voor hem zingen. Dit was die hymne:

Allerhoogste, almachtige genadige Heer!
U zij alle lof, roem en eer en iedere zegening!
Geloofd zij Gij, Heer, met al Uw schepselen,
vooral onze edele broeder zon;
hij schept de dag en door hem geeft Gij ons licht.
Schoon is hij, stralend met grote glans:
Uw beeld weerspiegelt hij, Allerhoogste.
Geloofd zij Gij, o God, voor onze broeder wind,
voor de lucht, voor de wolken, voor goed en voor alle weder, waarmee Gij Uw schepselen in stand houdt.

alle biografieën

over het vertellen van legenden

701

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.